Kenmerk-beschrijvingen Schouwen
Algemeen
De schouw is ongetwijfeld een der meest verbreide Nederlandse scheepstypen, met een geschiedenis die vele eeuwen teruggaat. In de middeleeuwen komen we de naam al tegen, al behoeft dit niet te betekenen dat de to en vermelde 'scoude' er precies uitzag als het scheepstype dat we thans kennen. Etymologisch wordt het woord schouw afgeleid van scouwe, scoude, scolde dat vaarboom betekent en verder van het werkwoord scaltan (stoten of sturen) en skaldan (voortbomen).
De schouw is als scheepstype eeuwen oud, in velerlei grootten, afhankelijk van het gebruiksdoel. In zijn eenvoudigste vorm is het een platte bak met een vóór en achter oplopende bodem. Als prototype kan de Friese open schouw gelden, 4,75 - 6m lang, universeel gebruikt als bedrijfsvaartuig voor boer, kruidenier en koopman, ingericht om te bomen, te roeien en te zeilen. Kenmerkend zijn het aan de bovenkant horizontale boeisel, flauw naar binnen gebogen, de in bovenaanzicht rechte of nagenoeg rechte zijden, flauw naar buiten uitwaaiend en bestaande uit één of twee huidgangen, in het laatste geval met een knik in de doorsnede op het grootspant. Op de kleinste werd een spriettuig gevoerd, op de wat grotere een gaffeltuig.
Scheepstype: Open Schouw
Inleiding
De Friese schouw is van oudsher een veelgebruikt vervoermiddel bij kooplieden en boeren. Het is de kleinste vertegenwoordiger van de familie der zeilschouwen met een lengte variërend van 4,75 tot 6 meter en een breedte van 1,40 tot 1,80 meter. Het is een karakteristiek scheepje met een gestrekte lijn. De bijna rechtopstaande boeisels staan op de in lengterichting flauw gebogen en licht naar buiten vallende boorden. Op het boeisel staat een vrijwel zeegloos zetboord (settelboord) dat zwart geschilderd is met een groene bies of groen met een witte bies. Traditioneel schilderwerk wordt bij deze scheepjes in ere gehouden.
Rond 1850 wordt de Friese schouw genoemd in wedstrijd verslagen. Deze schouwen verschilden onderling nogal in grootte en tuigage. Later stelde de N.N.W.B. (de Noord-Nederlandse Watersport Bond) voor dit scheepje regels vast. De lengte 4,75 meter, de breedte 1,42 meter en het maximum zeiloppervlak 16m2. Het tuig, een spriettuig. De fok staat op een botteloef. Er werden tot 1961 wedstrijden mee gezeild.
Ondanks hun hoekige vormen zijn dit sierlijke scheepjes met uitstekende zeileigenschappen. Het is jammer dat ze nog slechts bij uitzondering in een zeilwedstrijd uitkomen. De bovenkant van hun boeisel is horizontaal; de zijden bij bovenaanzicht recht of bijna recht, alleen met een korte bocht bij voor- en achtersteven; flauw naar buiten waaiende zijden, bij enkele niet een knik, maar twee knikken; geen berghout, op de knik staan de brede gangen op elkaar, zonder uitstekend deel; veelal is er een losse plecht met losse planken tot aan de mastbank.
De Tijdlijn van de Open schouw
Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925
1924-1925
Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Type beschrijving Open schouw
- Geschiedenis van de Open schouw
- Beschrijving van de Open schouw
- Tuigage
Kenmerken van de Open schouw
- De Open schouw als werkschip
- De Open schouw als jacht
- Algemene kenmerken
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
- Subtypen, specifieke kenmerken
Publicaties over de Open schouw in het Stamboekarchief

Spiegel der Zeilvaart juni-juli 1998 nr05 - De Friese schouw 'Nootedop'
In 1950 kocht mijn vader een Friese schouw voor het toen niet geringe bedrag van zeshonderd gulden. In zijn studententijd, in de jaren twintig, was hij actief als bemanning en als restaurateur van tjotters en Friese jachten in Rotterdam. Hij was lid van de Rotterdamse Zeilvereniging, waar toen een grote vloot tjotters en Friese jachten lag. Het lag dus voor de hand een tjotter of Fries jacht te kopen. Op praktische gronden, hij moest zijn hele familie in het schip onderbrengen, is het een Friese schouw geworden.
Mijn vader was toen directeur van Het Maritiem Museum Prins Hendrik en het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam. Omdat hij de laatste jaren niet met vakantie was geweest en de dokter hem had gezegd dat een vakantie noodzakelijk was voor zijn gezondheid, kocht hij een schip. De Toxopeus-ronde was er nog niet geweest en een museumdirecteur verdiende toen een karig salaris. Zeshonderd gulden was zo'n groot bedrag dat hij er een verzekering voor moest afkopen. De Friese zesmeter schouw, ooit een wedstrijdklasse (de grote schouwen), is 6,20 m lang en 1,80 m breed. De neerboorden zijn bijna verticaal en de bovenkant van het boeisel is vlak of met een lichte kattenrug. De schepen werden als werkschip gebruikt, waarmee in het weekend tevens wedstrijden gevaren kon worden. De fanatieke wedstrijdzeilers hadden voor het schip drie masten, ieder met zijn eigen tuig, voor verschillende windkracht. Het schip mocht gevaren worden met vijf man, waarvan maximaal drie betaalde krachten. Die werden voornamelijk ingehuurd om de zakken ballast (zand) bij het overstag gaan naar loef te sjouwen, waar ze aan haken aan de spanten werden opgehangen.
De Van der Meulen schouwen, die men tegenwoordig vaak ziet, hebben het oorspronkelijke type Friese schouw vrijwel geheel vervangen. In de laatste schepenlijst van de Stichting Stamboek Ronde- en Platbodemjachten (1997) staat bij de Friese schouwen een foto, met daaronder in de tekst: "Het boeisel staat vrijwel verticaal en is aan de bovenzijde recht en horizontaal". De Van der Meulen schouw die het onderwerp van de foto is, voldoet duidelijk niet aan dat kenmerk. Wel de daarachter varende schouw, de `Nootedop', het onderwerp van dit artikel.

G.W.S.-schouwen (publicatie 1974)
Dat door de Grouwster Watersportvereniging (G.W.S.)in 1937 een wedstrijdklasse van z.g. G.W.S.-schouwen werd ingesteld, vond zijn oorzaak in het feit dat gedurende meerdere jaren daaraan voorafgaande;zeilwedstrijden we rd en gehouden van z,g. "sutelskouwen", schouwen zowel geschikt voor roeien als 'voor zeilen, waarmee destijds de winkeliers; bij gebrek aan landwegen, hun waren bezorgden bij hun klanten in het waterland in de omgeving van Grouw. Uiteraard was er tussen deze schouwen onderling veel verschil wat betrof breedte, zeiloppervlak, waterverplaatsing enz., veel verschil dus ook in zeileigenschappen en het werd in de kringen van de in 1935 opgerichte G.W.S. als een behoefte gevoeld hierin regelend op te treden en de, aan bovengenoemde wedstrijden deelnemende schouwen, aan enkele beperkende bepalingen te laten voldoen. Zo werd er aanvankelijk bepaald dat de schouw ten hoogste 5 meter lang mocht zijn, de grootste breedte in het "vlak" (d.i. de platte bodem) 1 meter en dat de schouw van ijzer moe st zijn. Zo ontstond dan in 1937 de klasse der G.W.S.-schouwen. Er werd bepaald, dat allen die schouwen mochten meezeilen in deze klasse, waarvan de eigenaar lid was van de G.W.S. Aanvankelijk was dus deze klasse een zuiver plaatselijke, een Grouwster aangelegenheid. In de loop der jaren is hierin wel verandering gekomen; de meerderheid der eigenaren woont heden ten dage elders en ook worden nu herhaaldelijk wedstrijden van G.W.S.-schouwen georganiseerd bui ten Grouw t.w. te Wartena,. Eernewoude, De Veenhoop; Terhorne, Akkrum en Heeg.

G.W.S.-schouw al 80 jaar Wedstrijdschouw
Het plan om over GWS-schouwen te schrijven lag er al lang. Maar het kwam tot uitvoering nadat Spiegellezer Marten Steppé, zelf zeiler in een GWS-schouw, ons erop had gewezen dat er in het derde weekend van september weer GWS-wedstrijden zouden worden gehouden. Of we daar soms aandacht aan wilden besteden? Momenteel zijn er een kleine negentig GWS-schouwen geregistreerd als wedstrijdboot en elk jaar worden bij Grou de traditionele en gezellige GWS-kampioen-schappen georganiseerd. Alhoewel de GWS-schouw al heel lang bestaat in Friesland, duurde het tot 27 januari 1939 dat de Vereniging Grouwster Watersport (GWS), de ijzeren GWS-schouw tot verenigingsklasse uitriep. Zowel de schouw als de punter zijn eenvoudige boottypen die niet alleen in Noord-Frankrijk, België, Nederland tot Noord-Duitsland maar zelfs in Polen voorkwamen. In Friesland, dat in de jaren dertig van de vorige eeuw nog meer waterwegen dan verharde wegen kende, ging bijna alle vervoer over het water. De houten schouw en later de geklonken ijzeren en weer later gelaste stalen schouw was hét scheepstype dat eenvoudig en dus goedkoop te bouwen was en heel praktisch in gebruik. Hij bestond in allerlei maten en vormen en kon geroeid, geboomd en gejaagd worden. Je kon er zelfs zwaardjes aan hangen, een mastje opzetten met een spriettuig en je had een ideaal bootje om moeiteloos overal te komen. Schouwen kwamen, afhankelijk van het gebruiksdoel, in verschillende afmetingen voor, maar vaak hadden ze een lengte van ongeveer vijf meter.
Watersporttijdschrift "De Golfslag" Rubriek N.N.W.B.-klassen: De Groote Schouw
De schouw is een speciaal Friesch vaartuig dat voor allerlei doeleinden in het bedrijf wordt gebezigd. Het is dus niet een speciaal pleziervaartuig. Toch werd de schouw al zeer spoedig voor het wedstrijdzeilen ingericht en ontstonden er verschillende klassen in.
In de klas van 1.80 breed werd voor ruim dertig jaar reeds zeer vinnig gestreden en er bestond toen voor deze klas geen andere bepaling, dan de maximum breedte van 1.80 M. Er werd dan met windstilte een verschrikkelijk groot tuig op gezet; er waren er die 40 M2. oppervlakte hadden en het is ongelooflijk hoe of die „waterrotten" van voorheen deze scheepjes boven water konden houden. Wanneer ze deze zeilen voerden en er kwam een beetje wind, dan sleepten de zeilschootsblokken in het water en spoot het water door de reefgaatjes heen; dan was het hoozen en nog eens hoozen en met de ballast werken. Onze jongelui van thans hebben nu maar speelwerk daarbij vergeleken.
Vele van die schouwen behooren reeds tot het verleden. Toen ik verleden jaar eens op de wandelweg stond bij Grouw zag ik nog de „Snel" van Kalsbeek: ook nog zoo'n oude strijder! Ik stond daar zoo naar te kijken - de schouw is nu nog even beter dan een wrak - toen werd me een hand op mijn schouder gelegd en terwijl hij naar de schouw wees, zei de ander: „We worden ouder, jongen!" Een oogenblik later hadden wij het over Sj. Hoekstra, Kalsbeek, Eernewoude, Poppingawier, Pôlle, Olij, v. d. Zee, Velsink, Visser, Hiemstra, enz., enz. Dat waren alle schouwen, welke korter waren dan 6 Meter en indertijd een prachtige klasse vormden.
De heer v. d. Zee bouwde toen zijn bekende snelle schouw „Friso", welke 6.40 M. lang was: een teekening daarvan vindt men in het boek „Van Zeilkano tot Oceaanjacht" en in het boek ,,De Zeilsport". Het hek was toen van de dam en we kregen zeer lange schouwen, waarvan de Sneeker schouw de „Anna Scilla" mijns inziens het snelheidsrecord heeft bereikt.
Er ontstonden verschillende „Pôlle"-schouwen om de „Anna Scilla" in snelheid te overtreffen, wat tenslotte leidde tot wat het hoogtepunt van de glorie zou worden: de groote en welbekende strijd in Amsterdam. Het was een titanenstrijd in vliegend stormweer en een grootsche demonstratie van het kunnen van de Friezen in hun boot.
Toch zag men in, dat het beter was om ook de maximum lengte te bepalen en al voordat de N.N.W.B. was opgericht werd door vele zeilvereenigingen de schouwenklasse uitgeschreven van 6.00 M. lengte .bij 1.80 M. breedte. De grootte van het tuig was echter vrij. Bij de oprichting van de N.N.W.B. werd deze schouw als een klasse-schouw opgenomen en werd de maximum grootte van het zeil op 28 M2. bepaald en werd ook het zeilteeken vastgesteld.
Een zestal van deze schouwen is nog ingeschreven geweest, doch doordat deze geen verlenging van hun certificaat aanvroegen, zijn ze zoo zachtjes aan van de wedstrijden verdwenen. Wat intusschen wiel jammer is voor deze echt-nationale klasse.
Wij geven hierbij een teekening met zeilplan en zeilteekening van een dergelijke klasse-schouw (geteekend door de fa. Olij en v. d. Weij, jachtbouwer te Sneek). Moge deze publicatie er toe meewerken, dat wij de schouwen-klasse nog eens in eere hersteld zien!
Schouwen & Aken, een verdwijnend beeld in de polders - Walter van Zijderveld (1996)

Schouwen zijn kleine, eenvoudige en toch vaak sierlijke bootjes die iedereen wel kent, maar waar nooit veel aandacht aan werd besteed. Boeren, vissers, jagers, griend- en rietwerkers en vele anderen gebruikten ze. Voor de meesten moeten we hier inderdaad in de verleden tijd schrijven, want veel vervoer dat vroeger per vaartuig plaatsvond, gebeurt nu met wagens. Betere bemaling, daling van de grondwaterstand, ruilverkaveling, tractoren, auto's en toenemende grootschaligheid zijn allemaal factoren die ervoor hebben gezorgd dat schouwen en aken tegenwoordig niet of bijna niet meer nodig zijn. Mensen die vroegere nog met een schouw hebben gewerkt, zullen er niet om treuren. Een schouw roept bij hen nog steeds beelden op van zwaar, hard en lang werken en weinig verdienen. In die tijd van weinig of geen luxe was de schouw op haar plaats. Het was een goedkoop vaartuig dat een handige man zelf kon maken. Het was een vaartuig zonder franje maar uiterst doelmatig en, mits gemaakt door een goede schouwenmaker, met een min of meer volmaakte vorm.

In het voorgaande is de benaming 'schouw' al verschillende keren gebruikt. Maar welk scheepstype wordt daar nu mee bedoeld? Iemand uit Friesland of Zeeland denkt bij het horen van het woord schouw aan een heel ander soort vaartuig dan iemand uit de polders van het rivierengebied. Er zijn in Nederland verschillende soorten, zoals de Friese schouw, de Lemmer zeeschouw, de Zeeuwse schouw, de West-Friese schouwen en de polderschouw. Elke streek had een type dat daar het beste paste, ook al zijn er algemeen geldende kenmerken.
Schouwen zijn houten of stalen scheepjes met een vlakke bodem die voor en achter tot boven de waterlijn oploopt en eindigt in een rechthoekige kop en kont. Houten schouwen zijn opgebouwd uit brede planken die in de lengte zijn gebogen.
Al heel lang geleden werden bepaalde bootjes schouw genoemd. Het woord schouw is afgeleid van het germaanse scouwe, scoude of scolde, dat vaarboom betekent en is verder afgeleid van het werkwoord scaltan (= stoten of sturen) en skaldan (= voortbomen).
Er zijn in ons land veel vaartuigen die schouw worden genoemd, maar niet aan de hier gegeven definitie voldoen. Bij de Hollandse polderschouwen is dat wel het geval, ondanks het feit dat ze per streek verschillen en weer kunnen worden onderverdeeld in onder andere boerenschouwen, melkschouwen en visschouwen.
De Hollandse polderschouwen hebben niet al te hoge zijkanten (die boorden worden genoemd) waardoor in geladen toestand weinig vrijboord overblijft. Vrijboord is de afstand tussen het wateroppervlak en de bovenkant van het boord. Dat kleine vrijboord was (meestal) geen probleem want de polderschouwen voeren op relatief beschut water. De voor- en achterkanten zijn gelijk. Beide rechthoekige koppen, die zich een eindje boven het wateroppervlak bevinden, zijn 6 tot 15 cm hoog. De Hollandse polderschouwen werden voortgeduwd of getrokken. Ze hebben de eenvoudigste vorm die een schouw kan hebben.
De Friese schouwen en de zeeschouwen hebben veel hogere boorden en hebben als kop en kont een schuinstaand bord. Ze zijn meestal voorzien van een zeil en van zijzwaarden. Ook zijn ze gecompliceerder van bouw dan de Hollandse polderschouwen.
Waterschap doet unieke vondst in Strijen: ‘Vrijwel puntgave, eeuwoude boerenschuit uit water gehaald’
Algemeen Dagblad 11-03-2024
In Strijen heeft het waterschap een vrijwel puntgave boerenschouw van zo’n 100 tot 150 jaar oud boven water gehaald. Een platte schuit die boeren destijds als vervoersmiddel gebruikten om bij hun akkers en weilanden te komen, waar zij met paard en wagen niet bij konden komen.
De vondst, gedaan door het Waterschap Hollandse Delta, kwam aan het licht tijdens een onderzoek naar munitie uit de Tweede Wereldoorlog in De Keen; een oud havenkanaal van het dorp naar het Hollandsch Diep. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog lag Strijen in de frontlinie tussen de Duitse bezetter en de oprukkende geallieerde troepen uit het zuiden.
Hollandse Delta laat de boerenschouw restaureren en conserveren, zodat deze in goede staat blijft. Intussen zoekt het waterschap een definitieve bestemming. Hennie Wiersma, heemraad erfgoed, denkt aan een plek op het eiland voor iedereen, bijvoorbeeld museum Hoeksche Waard.
„De Hoeksche Waard heeft weer een van zijn bodemschatten prijsgegeven”, reageert Jeroen Ras van SOB-research opgetogen over de vondst. Hij begeleidde het onderzoek naar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in de Keen. „Je zag in de Zuid-Hollandse polders destijds veel van deze boerenschouwen”, vervolgt hij. „Ze werden gebruikt in gebieden met veel sloten waar je met een boerenwagen of een tractor niet kon komen, zoals in het Oudeland van Strijen.” Arent Vos, maritiem archeoloog en deskundige op het gebied van scheepswrakken: „Het is echt een prachtig vaartuig dat vroeger veel gebruikt werd in de Zuid-Hollandse polders en dus echt representatief is voor de geschiedenis daar. En dit exemplaar is nog puntgaaf.”
De geschiedenis van de Lelieschouw, de eenheidsboot voor Zeeverkenners

De zeeverkenners in Nederland voeren na de oorlog met sloepen van de Rijnvaart Centrale, houten Noorse vletten, afgedankte reddingssloepen of met zeilboten, zoals de “BM”. Door de sterke groei van het aantal zeeverkennersgroepen in de jaren vijftig steeg de vraag naar meer varend materiaal. Bovendien zou het met een eenheidsboot mogelijk zijn om tussen de groepen onderlinge (zeil-)wedstrijden te houden. Het schip moest tegen gunstige betalingsvoorwaarden aan de belangstellende groepen geleverd kunnen worden.
Gezocht werd naar een type jeugdboot met de volgende eigenschappen: Het schip moest plaats bieden aan acht jongens (een bak), waarbij tijdens een het zeilen iedereen zoveel mogelijk aan het werk is. Schip en tuig dienden zowel geschikt te zijn voor de jongste zeeverkenners van 12 jaar als de “bootsman” van de bak (tussen 15 en 17 jaar). Daarbij moest volgens Duijff ook “het zeilen bij ruw weer geen al te grote moeilijkheden opleveren”. Belangrijk was vooral dat de boot geschikt moest zijn om er goed mee te leren zeilen. De voorkeur ging uit naar zwaarder type schip, waarbij het een kunst was om het schip de meeste vaart te geven om er mee te manoeuvreren.
Friese schouwen
De Friese schouw bleek het best te voldoen aan de gestelde criteria. Dit traditionele “Hollandse” schip is prima voor het dagzeilen. Bovendien kan men in de schouw goed leren zeilen. Van de Friese schouw bestaan er drie klassen: de kleinste tot 4,75 meter lengte, een middenklasser tot 5.50 meter en een grote klasse van meer dan 6 meter lengte. Dit grootste type was oorspronkelijk een wedstrijdschouw met een gaffeltuig. Daarmee onderscheidde deze klasse zich van de andere schouwen, die voorzien waren van een spriettuig.
Toen Duijff het plan opperde voor een eenheidsboot kreeg hij aanvankelijk veel weerstand van de andere zeeverkennersleiders. Zij vonden een eenheidsboot géén noodzaak. Niettemin kreeg Duijff van de toenmalige secretaris van de N.P.V., hopman H. Spijkerman, nota bene een landverkenner, steun. Beiden kwamen eerst met een plan om een buitencentrum voor de zeeverkenners op te richten, vergelijkbaar met het trainingscentrum van de N.P.V. in Ommen. Dit plan resulteerde uiteindelijk in de huur van het “Boterhuiseiland” op de Kaag, dat sinds 1950 in gebruik is als kampeerterrein. De waterscouts uit de Haagse regio hebben bij dit eiland een ligplaats voor hun boten.
Advies over de keuze van de nieuwe eenheidsboot won de schipper van de H.W.S. verder in bij onder andere de voorzitter van de K.N.Z.&R.V., Ernst Crone, en de secretaris hiervan, Jan Loeff. Ook kreeg hij hulp van de jonge Delftse student H.J. Wimmers. Duijff voegde hun positieve adviezen ten aanzien van de keuze van de nieuwe boot bij zijn voorstel aan het “Nationaal Hoofdkwartier” van de N.P.V. in Den Haag. Het Hoofdkwartier ging hierna overstag.
De Lelieschouw
Een van de twee “assistenten-hoofdcommissarissen” (AHKC-en) van de N.P.V. voor de zeeverkenners, schipper Stoffer, werd met de uitvoering belast. Hij vond de werf van Nicolaas de Vries in Sneek bereid tien schouwen te maken voor een zeer schappelijke prijs. Voor meer boten was geen geld. De eerste vijf exemplaren werden begin 1949 door hem besteld. “De 6 meter schouw herleeft” berichtte het “Sneeker Nieuwsblad” op 24 juni 1949. In de krant werd de aanstaande levering van de boten aangekondigd. Het nieuwsblad prees de keuze voor de schouw door de zeeverkenners.
De Lelieschouw heeft een knikspant met vlakke bodem en verschilt weinig met de originele Friese zesmeter schouwen. De boot is gebouwd van 2.5 cm Iroco teakhout volgens de tekeningen van Olij uit Sneek. De afmetingen zijn: lengte van steven tot steven 6 meter, grootste breedte 1.80 en holte 0.95 meter. De diepgang zonder gestoken zwaarden is circa 0.35 m.
De tuigage bestaat uit een tjottertuig, met fok en grootzeil – met kromme gaffel en losse broek – van totaal 16 vierkante meter. De zeilen van de schouwen werden in 1949 te Sneek vervaardigd door “Fa. D. Gaastra”. Het tuig is kleiner en lichter dan de tuigage van de oorspronkelijke schouw. De mast is een steekmast, zonder wanten. De mastkoker wordt boven door de mastdoft en onder door het vlak gesteund. Het voorstag dient tevens als fokkestag. De boot is voorzien van een korte botteloef om het voorstag iets voorlijker te brengen.
De zwaardkoppen en de klik van het roer waren uit prijsoverwegingen niet van snijwerk voorzien. De groepen konden dat naar eigen idee zelf doen.
Brief van "De Nederlandsche Padvinders": Betreffende aflevering eerste 7 schouwtjes

De stand van zaken begin 1980. De nummer 2 is nu in het bezit van de Pocahontas.

Dreamship no. 1
Op 17 juli 1949 werd in Leiderdorp door de hoofdcommissaris van de N.P.V. de helmstok van de eerste schouw aan het jongste verkennertje van de Haagsche Waterscouts overhandigd. Hij sprak darbij de wens uit “de schouw werkelijk binnen het bereik van iedere (zeeverkenners-)troep te brengen”. De tweede AHKC, schipper J.F. Viëtor, tevens commandeur van de “Pollux”, onthulde de naam van de schouw: “Slamat”.
Genoemd naar het koopvaardijschip van de Rotterdamse Lloyd, dat in april 1941 bij Kreta door Duitse vliegtuigen tot zinken was gebracht. Vervolgens werd de schouw door de schouw door de scouts naar de waterkant getrokken om te water gelaten te worden. De boot maakte daarna een proefvaart over de Kagerplassen. Daarmee was “dreamship no. 1″, zoals de boot in het maandblad voor de padvinder werd genoemd, een feit. De andere schouwen werden de volgende maanden hierop geleverd aan de zeeverkenners.
De tweede serie van vijf houten schouwen was qua uitvoering bijna gelijk aan de eerste. Na het voltooien van de vierde schouw ging Stoffer akkoord met een wijziging van de plaats van de mast. De mast werd ongeveer 10 cm naar achteren verplaatst. Waarschijnlijk had dat te maken met het kleinere zeiloppervlak of met de loefgierigheid. Niet iedereen was tevreden over deze aanpassing. Schipper Duijff over deze verandering: “Mijn idee van een eenheidsboot was daardoor meteen alweer verlaten”. Toch was de ontwikkeling van een standaardtype schip voor de zeeverkenners daarmee eigenlijk nog maar in de eerste fase beland.
Meer dan veertig jaar later zijn van de tien oorspronkelijke houten Lelieschouwen nog negen boten in de vaart, waarvan vijf bij diverse scoutinggroepen in Noord-Holland. De schouw met zeilnummer 5, eigendom van één van de Wassenaarse zeeverkennersgroepen, is in de zeventiger jaren gesloopt.
De overgebleven houten schouwen zijn bij de betreffende groepen het pronkstuk van hun bezit. Meestal worden de boten niet meer gebruikt door de jongere waterscouts, maar door de loodsen en de leiding. Zij besteden dan vele uren werk aan het onderhoud van de schouw, waarbij ze onder andere de naden zelf breeuwen.
Onzinkbare schouwen
De Lelieschouw bleek zo’n succes te zijn dat daarop besloten werd, in plaats van de houten schouwen, stalen boten te laten bouwen. Staal is betrekkelijk goedkoop en eveneens dankzij de lastechniek vrij gemakkelijk te verwerken. De eerste serie stalen schouwen (met de zeilnummers 11 t/m 20) werd bij de firma “Mulder en Rijke” voor ƒ 850,- per stuk besteld. Spoedig gevolg door nog een tien stalen schouwen (zeilnummers 21 t/m 30). De werf had veel ervaring met het bouwen van onder andere sloepen voor de zeevaart.
De boten waren qua lengte en holte niet verschillend van hun voorgangers. In de praktijk waren de meeste stalen schouwen wel iets ranker dan de houten voorgangers. Pas in 1980 werd opnieuw de officiële breedte vastgesteld. De oorspronkelijke maat van de houten schouw, 1.80 meter, werd de standaardbreedte.
Met betrekking tot de robuustheid en onderhoud waren stalen boten bruikbaarder dan de houten schouwen. Het onderhoud moet immers altijd door de jeugdleden zelf gedaan worden. De nieuwe boten waren voorzien van vier luchtkasten om ze onzinkbaar te maken. Twee daarvan zaten aan de zijden van de schouw en werden als bank gebruikt. De luchtkasten waren voorzien van mangaten, die de mogelijkheid gaven om de ruimte in de kast te oliën tegen corrosie.
Van een vervolgorder bij “Mulder en Rijke” werd in 1950 afgezien vanwege de hoge kosten. De speciaal voor de bouw van de schouwen gebruikte mallen werden hierna vernietigd door de werf. Een tweede serie stalen schouwen kwam pas in 1959. Zes boten werden gebouwd door de werf “L. Oldenhaagse” in Lisse. Twee jaar later gevolgd door een derde serie van negen, die bij de firma “Zijnma” in Amsterdam gebouwd werd. Beide werven bouwden de schouwen met verlies. In totaal zijn tot nu toe tachtig stalen schouwen door verschillende werven aan scouting geleverd.
Stalen schouwen
De eerste stalen schouwen waren voorzien van een houten mastkoker en mastdoft, gelijk aan die van de houten schouwen. Door houtrot was het na verloop van tijd nodig de mastkoker en doft te vervangen door een stalen constructie. De gehele romp was nu van staal.
Sinds 1977 heeft de nieuwe generatie scouting-schouwen diverse verbeteringen ondergaan. De schouw in oude vorm was inmiddels onbetaalbaar duur geworden. De constructie werd daarom sterk vereenvoudigd.
Voor de jongens en meisjes werd in de boot extra ruimte verkregen door de voorste en achterste te vergroten. Daardoor konden de twee in de lengte geplaatste luchtkasten verwijderd worden. Tegelijkertijd verdwenen de mangaten in de luchtkasten – dank zij het stralen van het staal en de tegenwoordig betere verftechnieken is oliën niet meer nodig. Op de bovenzijde van de spiegel werd door een aantal groepen een uitsparing voor een buitenboordmotor gemaakt. Tenslotte werd de mast extra gestaagd door twee wanten.
Bij een groot aantal scoutinggroepen zijn de schouwen nog steeds populair. Tijdens de jaarlijkse regionale zeilwedstrijden op de Kagerplassen is altijd een apart veld voor schouwen ingeruimd. In 1992 voer in dit veld ook een houten schouw mee. Tijdens het Nationaal Waterkamp, dat in de zomer van 1992 rond de Oolderplas bij Roermond werd gehouden, was een aantal stalen schouwen aanwezig. In tegenstelling de vorige NaWaKa’s ontbraken hier de houten schouwen.

De Livingstonegroep en haar Lelieschouwen
De scouting Livingstonegroep is een actieve zeeverkennersgroep uit Amstelveen. Zij is in het bezit van een aantal Lelieschouwen. Op hun website staat het verhaal van de restauratie van de 'Fram', Lelieschouw nummer 8. De 'Fram' is nummer 8 uit de eerste serie van 10 houten Lelieschouwen. De boot is al meer dan 50 jaar in gebruik bij de Livingstonegroep. Velen hebben in de 'Fram' leren zeilen, trektochten en kampen beleefd, wedstrijden gevaren en avonturen meegemaakt. Nog steeds wordt er door de leden van de Livingstonegroep gebruik gemaakt van dit historische schip.
Informatie van Zeeverkennersgroep De Spaarnegeuzen, zelf eigenaar van de in het Stamboek opgenomen Lelieschouw "Van der Heijden" in 2021
Onze Lelieschouw 'Van der Heijden' is in februari 2021 in het Stamboek en in het Register Varend Erfgoed Nederland opgenomen. Op dit moment zijn er bij ons weten nog 3 originele houten Lelieschouwen in de vaart.
De nummer 8 bij de Livingstone groep, de nummer 2 bij de Pocahontas groep en de nummer 6 bij ons. De nummer 3 is bij de Paula Geerts groep in 1991 uit de vaart genomen en verdwenen/gesloopt. De Spaarnegeuzen hebben jaren geleden nog een tweede houten Lelieschouw gekocht, die verrot en verbouwd was. Deze heeft lang buiten gelegen en is uiteindelijk verloren gegaan. Zij hebben een tijd onderzoek gedaan naar het zeilnummer van deze schouw en wij zijn er vrij zeker van dat dit de nummer 1 of de nummer 7 was.
Verder hebben we nooit iets vernomen van andere houten Lelieschouwen, die nog ergens liggen of in de vaart zijn. Daarom gaan wij er van uit dat er op dit moment nog maar 3 over zijn. De nummers 2, de 6 en de 8.

Spiegel der Zeilvaart april 1993 nummer 3 - De Lelieschouw
Tijdens de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog verschenen op de tekentafels spoedig nieuwe ontwerpen van zeiljachten en boten. Veel bestaande schepen waren in slechte staat van onderhoud of waren verloren gegaan. Het Watersportverbond stond in deze tijd voor de keuze van een nieuwe en moderne jeugdboot. De zeeverkenners daarentegen kozen in 1949 voor een traditionele eenheidsboot: de Friese schouw. In dit artikel zal vooral ingegaan worden op de twee belangrijkste typen schepen binnen scouting: de „Lelieschouw" en de later geïntroduceerde „Lelievlet".
De Friese schouw bleek het best te voldoen aan de gestelde criteria. Dit traditionele „Hollandse" schip is prima voor het dagzeilen. Bovendien kan men in de schouw goed leren zeilen. Van de Friese schouw bestaan er drie klassen: de kleinste tot 4.75 meter lengte, een middelklasse tot 5.50 meter en een grote klasse van meer dan 6 meter lengte. Dit grootste type was oorspronkelijk een wedstrijdschouw met een gaffeltuig. Daarmee onderscheidde deze klasse zich van de andere schouwen, die voorzien waren van een spriettuig.
Documentatie van de Lelieschouw
Op de website http://bds.home.xs4all.nl/lelieschouw.htm is veel informatie te vinden over de Lelieschouw, waaronder een uitgebreid bestek en een gebruiksaanwijzing.
Op de website van de scouting Livingstonegroep uit Amstelveen staat uitgereide verhalen over de Lelieschouw en de eigen 'Fram''.
Scheepstype: Kajuitschouw
Inleiding
De kajuitschouw is ontwikkeld uit de open schouw. Hij werd al in de jaren-30 in Friesland gebouwd, evenals op de werf van Hartog in Buiksloot en is van het begin af aan als recreatiejacht gebruikt. Na 1960 bouwden Brandsma in Rohel en Van der Meulen in Joure, later in Sneek, veel kajuitschouwen. Als regel zijn ze 6 - 8m lang met een grotere holte en grotere breedte dan de open schouwen.
De Tijdlijn van de Kajuitschouw
Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925
1924-1925
Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Type beschrijving Kajuitschouw
- Geschiedenis van de Kajuitschouw
- Beschrijving van de Kajuitschouw
- Tuigage
Kenmerken van de Kajuitschouw
- De Kajuitschouw als werkschip (NVT)
- De Kajuitschouw als jacht
- Algemene kenmerken
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
Publicaties over de Kajuitschouw in het Stamboekarchief
Scheepstype: Zeeschouw
Inleiding
In de periode tussen 1895 en 1920 ging het ronduit slecht met de visserij in de Zuiderzee. De vangsten vielen tegen en mocht er dan toch eens een goede vangst zijn, dan vielen de opbrengsten vies tegen. Veel vissers liepen langs de rand van de afgrond en wisten maar met moeite een balans te vinden tussen onderhoud van het gezin en geld besteden aan de boot. Veel schepen zagen er dan ook niet uit en de meeste waren hard aan groot onderhoud toe of moesten zelfs vervangen worden. Een beetje aak kostte al snel rond fl. 800, laat staan dat men een grote aak wilde of een botter of een blazer. Dan liepen de kosten snel op in de richting van de fl. 1500. Vissers die de stap wel zetten wisten dat ze er jaren over zouden doen om een nieuw schip af te betalen. Het was een enorme verassing dat in Lemmer een wagenmaker met de naam Wierda, een schouw begon te bouwen met dezelfde zeewaardigheid als een kleine aak, maar voor de helft van de prijs. Dit moet onder de vissers en zeker onder de werfeigenaren tot de nodige verwondering hebben geleid.
Wierda zelf had als jongeman gevaren op een visaakje en wist wat er geëist moest worden van een zeeschip. Door omstandigheden is hij later aan de wal opgeleid tot wagenmaker en in de buurt van Akkrum woonachtig geweest. Hij heeft dus ook veel open schouwen gezien. Daarna is hij in Lemmer een zwaarder type schouw gaan bouwen. Volgens mededelingen van zijn zoon waren al zijn schouwen 8 meter over de stevens. Daar een zeeschouw onder moeilijker omstandigheden moest varen, werd ze veel breder gemaakt, 3 meter en meer, met meer oplopend voordek en een holte van ruim 1 meter.
Zeeschouwen zijn op veel plaatsen gebouwd. Dat gebeurde ook al in de tijd van de visserij. De houten botters en andere scheepstypes werden vervangen door schouwen, handzamer en goedkoper. De Zeeschouw is na de oprichting van de SSRP enorm populair geworden als plezierjacht. Op vele werven zijn ze gebouwd en ook op basis van uitgewerkte tekeningen van ontwerpers, door particulieren
Wat het tuig betreft, heeft de zeeschouw een bottertuig: grootzeil met rechte gaffel, vissermanfok (grootzeil 15 vierkante meter, fok 14 vierkante meter bijvoorbeeld) en een kluiver op losse boom. Als jacht gebruikte of gebouwde zeeschouwen hebben dikwijls de oorspronkelijk rechte gaffel vervangen door een gebogen. Ook in het tuig kan men tussen beide typen verschillen ontdekken.
De zeeschouwen hebben alle sterk uitwaaiende zijden, in tegenstelling met de binnenschouwen, dit wil zeggen een smaller vlak; naar verhouding zijn ze veel breder op de knik. Hierdoor en door de grote breedte wordt een stijf schip verkregen met een rustige ligging in ruw water. Zeeschouwen kruisen vrij goed tegen zee op en liggen voor de wind goed op het roer. Dit laatste is mede te danken aan de ondiepe kiel, welke van voor de mast tot aan de achterspiegel doorloopt. Deze kiel heeft een drieledig doel: het bevorderen van een rustige ligging op het roer; het afremmen van de dwarsscheepse slingering en een hoge ligging aan de wind.
Friese en Hollandse Zeeschouwen
Zeeschouwen zijn op veel plaatsen gebouwd. Dat gebeurde ook al in de tijd van de visserij. De houten botters en andere scheepstypes werden vervangen door schouwen, handzamer en goedkoper. Volgens overlevering heeft de regering Colijn voor de tweede wereldoorlog in de crisisjaren de vissers op en aan het IJsselmeer steun verleend. In een aantal visserijhavens aan de Westfriese kust werden de bestaande schepen door schouwen vervangen. Zo spreekt men bijvoorbeeld over de Hoornse schouw. De aanduiding heeft niets met het type te maken, maar met het feit dat deze schouw op een bepaald moment een alles overheersende rol ging spelen in de Hoornse vissersvloot. Overigens zijn deze schouwen nooit in Hoorn zelf gebouwd. Ze werden bijvoorbeeld in Enkhuizen, maar ook door Amels in Makkum gebouwd. Rond de tweede wereldoorlog telde de Hoornse vloot zo'n 17 Zeeschouwen.
De zeeschouwen die aan de Hollandse wal werden gebouwd, onder andere bij Van Goor in Monnickendam, vertonen over het algemeen meer zeeg dan de Friese, terwijl hun voordek wat meer oploopt waardoor ze een wat gedrongen indruk maken.
Bij de Lemster schouw is het tuig wat hoger en slanker. De mast heeft de korte top, welke in Friesland ook bij de binnenschepen gebruikt wordt, terwijl de Hollandse zeeschouw de wat langere top heeft, welke men ook bij de botter aantreft. Bekijkt men het vlak, dan ziet men bij de Lemster schouw dat dit over een behoorlijk grote afstand 'stil' staat, dat wil zeggen volkomen horizontaal is, terwijl sommige Hollandse schouwen helemaal geen stilstand vertonen. De Lemster schouw wordt ook wel betiteld met de 'fraaie' naam spekbak, die trouwens ook voor de Zeeschouwen in het algemeen wordt gebruikt. Oorspronkelijk werd met deze naam uitsluitend een kleine, hoekige bak aangeduid waarmee niet gezeild werd. De vorm van de zeeschouw was blijkbaar aanleiding om de naam ook voor dat scheepstype te gebruiken.
De Tijdlijn van de Zeeschouw
Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925
1924-1925
Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Type beschrijving Zeeschouw
- Geschiedenis van de Zeeschouw
- Beschrijving van de Zeeschouw
- Tuigage
Kenmerken van de Zeeschouw
- De Zeeschouw als werkschip
- De Zeeschouw als jacht
- Algemene kenmerken
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
6. Subtypen, specifieke kenmerken
- Enkhuizer schouw
De Enkhuizer schouw was een zeeschouw waarbij het voorbord was verkleind tot een kleine ruit of smalle hoge klos. Het vlak liep voor uit in een punt. In 1939 werden in Sloten enkele exemplaren gebouwd voor Enkhuizense vissers. Afmetingen: lengte volgens Dorleijn ca. 7 m, volgens Van Beylen ca. 8 m.
In het Stamboek staat een Enkhuizer schouw (gebouwd rond 1900) ingeschreven met plaquette 209: Kamper Steur.


- Wieringer schouw
Over het type Wieringerschouw is weinig bekend. Er staat één schip van dit type in het Stamboek ingeschreven. Daar staat bij vermeld dat het gebouwd zou zijn door Lantinga in IJlst. Maar in de nog bestaande werfboeken is daar niets van terug te vinden. Een korte beschrijving: soort Zeeschouw, die aan de voorzijde scherp eindigt en waar het voorbord dus in het geheel ontbreekt.In het Stamboek staat een Wieringer schouw (gebouwd in 1920) ingeschreven met plaquette 53: Berendina





Publicaties over de Zeeschouw in het Stamboekarchief
Criteria SSRP
Diverse Zeeschouwen worden met een aanhangsel ingeschreven op grond van het feit dat de kiel onder de kuipvloer als een 'soort' doos (ook wel dooskiel genoemd) is verbreed in een peervorm om ruimte te krijgen voor de motor onder de kuipvloer. Bijvoorbeeld zijn veel zgn. Blok-schouwen met zo'n dooskiel gebouwd. Dat is strijdig met de aanvullende Criteria voor Zeeschouwen. Het gaat daarbij om de bepaling, dat de kielbalk nergens breder mag zijn dan 2,5% van de lengte op de waterlijn.
In 1998 is in de Criteria bepaald dat Zeeschouwen met een verbrede dooskiel blijven en worden ingeschreven, mits te water gelaten vòòr 1 januari 1996. Schepen gebouwd na deze datum kunnen helaas NIET worden ingeschreven.

De Zeeschouw in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

De zeeschouwen zijn uit economische noodzaak ontstaan. Het ging weer eens slecht met de visserij op de Zuiderzee en de gebruikte schepen bleken te duur in bouw en onderhoud. Zo is men omstreeks 1900 begonnen een groter en robuuster schouw te bouwen, die zeewaardig zou zijn voor de visserman, die er in alle weersgesteldheden en jaargetijden mee op zee moest. De bouw van dit type is waarschijnlijk in 1898 door Wierda in Lemmer als eerste ter hand genomen. Wierda zelf had als jongeman gevaren op een visaakje en wist wat er geëist moest worden van een zeeschip. Door omstandigheden is hij later aan de wal opgeleid tot wagenmaker en in de buurt van Akkrum woonachtig geweest. Hij heeft dus ook veel open schouwen gezien. Daarna is hij in Lemmer een zwaarder type schouw gaan bouwen. Volgens mededelingen van zijn zoon waren al zijn schouwen 8 meter over de stevens. Thans vaart er nog een door hem in 1914 gebouwde zeeschouw, inmiddels als jacht verbouwd. Daar een zeeschouw onder moeilijker omstandigheden moest varen, werd ze veel breder gemaakt; 3 meter en meer, met meer oplopend voordek en een holte van ruim 1 meter. Verschillende van deze schouwen heeft Wierda zelf met zijn zoon naar de Hollandse wal overgezeild.
De zeeschouwen die aan de Hollandse wal werden gebouwd, onder andere bij Van Goor in Monnickendam, vertonen over het algemeen meer zeeg dan de Friese, terwijl hun voordek wat meer oploopt waardoor ze een wat gedrongen indruk maken.
Wat het tuig betreft, heeft de zeeschouw een bottertuig : grootzeil met rechte gaffel, vissermanfok (grootzeil 15 vierkante meter, fok 14 vierkante meter bijvoorbeeld) en een kluiver op losse boom. Als jacht gebruikte of gebouwde zeeschouwen hebben dikwijls de oorspronkelijk rechte gaffel vervangen door een gebogen. Ook in het tuig kan men tussen beide typen verschillen ontdekken. Bij de Lemster schouw is het tuig wat hoger en slanker. De mast heeft de korte top, welke in Friesland ook bij de binnenschepen gebruikt wordt, terwijl de Hollandse zeeschouw de wat langere top heeft, welke men ook bij de botter aantreft. Bekijkt men het vlak, dan ziet men bij de Lemster schouw dat dit over een behoorlijk grote afstand 'stil' staat, dat wil zeggen volkomen horizontaal is, terwijl sommige Hollandse schouwen helemaal geen stilstand vertonen.
De zeeschouwen hebben alle sterk uitwaaiende zijden, in tegenstelling met de binnenschouwen, dit wil zeggen een smaller vlak; naar verhouding zijn ze veel breder op de knik. Hierdoor en door de grote breedte wordt een stijf schip verkregen met een rustige ligging in ruw water. Zeeschouwen kruisen vrij goed tegen zee op en liggen voor de wind goed op het roer. Dit laatste is mede te danken aan de ondiepe kiel, welke van voor de mast tot aan de achterspiegel doorloopt. Deze kiel heeft een drieledig doel: het bevorderen van een rustige ligging op het roer; het afremmen van de dwarsscheepse slingering en een hoge ligging aan de wind.
De Lemster schouw wordt ook wel betiteld met de 'fraaie' naam spekbak, die trouwens ook voor de zeeschouwen in het algemeen wordt gebruikt. Oorspronkelijk werd met deze naam uitsluitend een kleine, hoekige bak aangeduid waarmee niet gezeild werd. De vorm van de zeeschouw was blijkbaar aanleiding om de naam ook voor dat scheepstype te gebruiken.
In Lemmer gebruikte men voorts als volgbootje achter de grote vissersschepen ook wel een kleine schouw met bun. Dit was een betrekkelijk smal scheepje, circa 6 meter lang, met een duidelijke zeeg en een klein voorbord. Dit schouwtje, dat zeer geschikt bleek voor ruw water, was uitgerust met één zwaard, dat dus bij het overstag gaan verplaatst moest worden.
In Enkhuizen kende men een schouw, waarbij vlak, zijkant en boeisel in het voorschip samen komen tegen een klein ruitvormig spiegeltje.
De Wieringer schouw heeft geen voorboord, maar is scherp van voren.
De goede zeileigenschappen, de grote ruimte aan boord en de betrekkelijk lage bouwkosten ten gevolge van de eenvoudige constructie hebben ertoe bijgedragen dat de zeeschouw als jacht veel opgang heeft gemaakt.
Schouwen in beeld
Bronnen
De bronnen die zijn gebruikt bij het beschrijven van de Schouwen | |||
| Titel | Auteur | Uitgever | Jaartal |
Algemene bronnen met informatie over de scheeptypes Open schouw, Kajuitschouw en Zeeschouw | |||
| Titel | Auteur | Uitgever | Jaar |
Open schouwen zijn kleine, eenvoudige en toch vaak sierlijke bootjes die iedereen wel kent, maar waar nooit veel aandacht aan werd besteed.

















