Spring naar inhoud

Typebeschrijvingen Friese Ronde Jachten

Algemeen

Onderscheid tussen Fries jacht, Boeier en Tjotter

Dr. Ir. J. Vermeer schrijft in zijn boek "Het Friese jacht":
De boeier onderscheidt zich van het Friese jacht door de aanwezigheid van een kajuit. Er zijn echter ook constructieve verschillen, die mede het gevolg zijn van de functionele inrichting. Bij de boeier staan met name de boeisels wat minder schuin en zijn zij in voor- en achterschip wat breder dan bij het Friese jacht. Een van oorsprong open jacht, dat later van een roef is voorzien, mag daarom niet zonder meer een boeier genoemd worden. Met tjotter wordt tegenwoordig het kleinste type open ronde schepen aangeduid, met een lengte over de stevens van minder dan 5 meter. In afwijking van het Friese jacht heeft de tjotter geen berghout. In plaats daarvan is de bovenkant van de bovenste huidgang voorzien van een ijzeren of koperen halfrond, dat als stootrand dienst doet. Ook ontbreken kluisborden en beretanden. De naam tjotter is - in tegenstelling tot wat men zou denken - niet van Friese oorsprong. Hij duikt voor het eerst op in 1847 bij zeilwedstrijden in Amsterdam. Buiten Friesland werd het gewoonte om elk open rond jacht met deze naam aan te duiden, ongeacht lengte en zonder onderscheid in kenmerken, wat zich handhaafde tot ver in de 20ste eeuw. Bijvoorbeeld, in het reglement voor zeilwedstrijden, opgenomen in het "Handboekje der Verbonden Zeilvereenigingen" (opgericht in 1890 en voorloper van het huidige KNWV) uit 1922, vindt men in Deel V, Klassen van Ronde en Platbodemjachten, vermeld:"In de klassen OD, OE en OF worden alleen opgenomen tjotters (waarbij ook zgn. "Friesche jachten") . . . , die voldoen aan de volgende maximum afmetingen:

7,- 4,80 M
3,- 2,50 M
- 35 M2

Opvallend is, dat open ronde jachten tot de grootst voorkomende (c.q. -toegelaten) lengte van 7 meter tjotter worden genoemd. In tijdschriften als "De Watersport" (vanaf 1912), "Ons Element" (vanaf 1920) en "De Waterkampioen" (vanaf 1927) komt men in verslagen van zeilwedstrijden voortdurend deze betiteling tegen. Vaak worden de klassen aangeduid als `Groote tjotters', 'Middel tjotters' en 'Kleine tjotters'.In Friesland werden van oudsher alle open zeilvaartuigen boot genoemd, ook de grotere tot circa 7 meter lengte. In de bewaard gebleven werfboeken van de vermaarde negentiende-eeuwse Friese scheepsbouwer Eeltje Holtrop van der Zee komt de aanduiding tjotter in het geheel niet voor. De vele tientallen door hem gebouwde open zeilschepen worden meestal met boot aangeduid. Pas bij zijn zoon Auke van der Zee verschijnt in 1916 voor het eerst de aanduiding tjotter voor een jachtje van 4,80 m. Daarentegen vinden wij in de werfboeken enkele malen de benaming jagt gebruikt, in totaal acht maal op een productie tussen 1853 en 1918 van in totaal 27 open vaartuigen die aan onze eerdere definitie beantwoorden.

Het Friese Jacht - Dr. Ir. J. Vermeer

Friese of Hollandse masttop

Een zogenaamde Friese masttop is in principe een masttop zonder trommelstok (uitsteeksel op masttop waar het scheerhoutje omheen draait). Het mooist is dit te zien bij tjotter 'Twa Sisters'. Hier is nog een soort peer op de top gesneden. Een kleine trommelstok kan, maar moet dan gezien worden als een eindafwerking en bescherming van de masttop verlengd met een bout waar het scheerhout om draait. Bij een Friese masttop komt het hoogste punt van de gaffel bij vol tuig iets onder de vleugel uit. Een mastwortel hoort er niet bij.

Bij een Hollandse masttop is de mast boven de hommer langer, is de trommelstok langer en wordt er in een heel aantal gevallen een kloot met daarin een schijf voor een vlaggelijn onder het scheerhout gevoerd. De verenigingsvlag werd hier aan gevoerd. De masttop op de plaquette is een Hollandse masttop. Het Fries jacht 'Idse' heeft een extreem hoge masttop. Maar, de heren van Zutphen waren dan ook Rotterdammers.

In Friesland werd de verenigingsvlag vaak achter aan de gaffel en het achterlijk van het grootzeil gevoerd.

https://www.ssrp.nl/publicaties/uit-het-stamboek/publicaties-divers/waar-de-mast-ophoudt

Scheepstype: Boeier

Inleiding

Het tegenwoordige pleziervaartuig

Het pleziervaartuig met de naam boeier dat in dit boek aan de orde komt, behoort tot de uitgebreide familie van de traditionele Nederlandse ronde en platbodemvaartuigen, bestemd voor gebruik in onze ondiepe kust- en binnenwateren. Het bevaren van deze wateren laat slechts een geringe diepgang toe; schepen voor dit specifieke vaargebied zijn daarom gebouwd met zo gering mogelijke diepgang en hebben een platte of ronde bodem zonder diepstekende kiel. Ter vermindering van de drift bij het (aandewindse) zeilen zijn zij voorzien van zijzwaarden. De ruimte achter de mast is gedeeltelijk overdekt met een roef, bedoeld als een beschutte verblijfplaats. Dit type pleziervaartuigen kan in ons land op een geschiedenis van eeuwen terugzien. Op tekeningen, prenten en schilderijen uit de zeventiende en achttiende eeuw vinden wij deze schepen reeds veelvuldig afgebeeld, in vorm en inrichting vrijwel gelijk aan zoals ze heden nog bestaan. 

(foto Klaas Wiersma)

De Tijdlijn van de Boeier

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Typebeschrijving Boeier

1. Geschiedenis van de Boeier

We mogen de boeier beschouwen als een 'geboeide' en hierdoor voor de zeevaart geschikt gemaakte kromsteven, gegroeid uit de binnenland- en wadvaarders. De benaming 'boeier' is één der weinige uit de vijftiende eeuw stammende benamingen, welke tot de huidige dag voor een levend scheepstype bewaard bleef. 'Boeier' is geleidelijk van type-benaming in de volksmond ook soortnaam geworden voor vele soorten oud-vaderlandse zeilschepen, die als pleziervaartuigen werden gebruikt. Zo spreekt men rustig van de verbouwing van een Fries tjalkje tot 'boeier' wanneer men er een kajuit op zet. 

Tijdens het Congres voor de Watersport in 1915 werd bepaald dat de boeier een Ronde vaartuig is met zijzwaarden, vasten roef achter den mast, vast dek, ronde berghouten, waarboven voor kluisgaten en mannetjes, gangboorden.

2. Beschrijving van de Boeier

3. Tuigage

Kenmerken van de Boeier

  1. De Boeier als werkschip
  2. De Boeier als jacht
  3. Algemene kenmerken
  4. Kenmerkende verhoudingen
  5. Verklaring in tekening

Publicaties over de Boeier in het Stamboekarchief

De Boeier in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

De boeier als pleziervaartuig

C. J. W. van Waning schrijft in het hoofdstuk Boeier:
Evenmin als bij andere soorten `speeljachten' bestond bij de boeier een scherpe grenslijn tussen nut en genoegen. Zolang de waterweg de meest comfortabele en dikwijls zelfs de enige voor personen bruikbare verbinding was tussen steden en dorpen in Holland, Zeeland en Friesland, vervulde schier elk speeljacht tevens een nuttige functie als vervoermiddel vooral voor kooplieden en lichte koopmansgoederen. Het is bekend, dat op marktdagen in de zeventiende en achttiende eeuw langs de Zaan en in grotere en kleinere steden in Holland vaak evenveel grotere en kleinere speeljachten der bezoekers langs de kaden lagen als beurt- en vrachtschepen.

Ronde en Platbodemjachten - Standaardwerk onder redactie van Mr. Dr. T. Huitema
Tekening tegenwoordige boeier in het boek "De Boeier" van Dr. Ir. J. Vermeer

De aanleg der Napoleontische wegen maakte vooral het personenvervoer in het waterrijke Westen en in mindere mate ook in Friesland, minder afhankelijk van de waterwegen. Het nut van het privé-schip als vervoermiddel verloor hierdoor aan betekenis. Een gezicht op de oude jachthaven te Amsterdam door G. Lambers, getekend in 1816, vertoont slechts een tiental boeiers en andere speelvaartuigen, ogenschijnlijk in vrij verwaarloosde staat. In 1781 lagen in dezelfde haven, die in de wandeling ook `boeierhaven' werd genoemd, nog een vijftigtal jachten. Niettemin zijn er wel aanwijzingen, dat een nogal groot aantal achttiende eeuwse speeljachten de Franse tijd heeft overleefd, althans genoeg voor de vrij geringe behoefte van het eerste kwart der negentiende eeuw.

De Boeier: Oorsprong en Ontwikkeling

Het is de onvergankelijke roem van de boeier dat zij onze natie in haar prilste jeugd heeft bijgestaan in haar strijd om de vrijheid. De 'smalle vloot' van de Prins van Oranje, welke in 1588 de Spaanse landingsvloot in Duinkerken gevangen hield en deze verhinderde zich met de uit Spanje gezonden 'Armada' te verenigen, bestond immers voor een aanzienlijk deel uit boeiers. Geeft dit historisch feit aan de boeier reeds een zeker recht om met onderscheiding te worden behandeld, niet minder verdient zij dit om twee andere redenen, te weten:

  1. De benaming 'boeier' is één der weinige uit de vijftiende eeuw stammende benamingen, welke tot de huidige dag voor een levend scheepstype bewaard bleef.
  2. 'Boeier' is geleidelijk van type-benaming in de volksmond ook soortnaam geworden voor vele soorten oud-vaderlandse zeilschepen, die als pleziervaartuigen werden gebruikt.

Zo spreekt men rustig van de verbouwing van een Fries tjalkje tot 'boeier' wanneer men er een kajuit op zet. De ouderen in Aalsmeer gaan zelfs zo ver dat men alle plezierzeilers samenvat in het begrip 'boeiervolk', waarbij zij in het midden laten of zij dit als een erenaam beschouwen of als scheldnaam bedoelen. Dit moge dan tevens verklaren waarom aan de historische ontwikkeling van dit type bijzondere aandacht geschonken wordt.

De Boeier: Oorsprong en Ontwikkeling

Het is de onvergankelijke roem van de boeier dat zij onze natie in haar prilste jeugd heeft bijgestaan in haar strijd om de vrijheid. De 'smalle vloot' van de Prins van Oranje, welke in 1588 de Spaanse landingsvloot in Duinkerken gevangen hield en deze verhinderde zich met de uit Spanje gezonden 'Armada' te verenigen, bestond immers voor een aanzienlijk deel uit boeiers. Geeft dit historisch feit aan de boeier reeds een zeker recht om met onderscheiding te worden behandeld, niet minder verdient zij dit om twee andere redenen, te weten:

  1. De benaming 'boeier' is één der weinige uit de vijftiende eeuw stammende benamingen, welke tot de huidige dag voor een levend scheepstype bewaard bleef.
  2. 'Boeier' is geleidelijk van type-benaming in de volksmond ook soortnaam geworden voor vele soorten oud-vaderlandse zeilschepen, die als pleziervaartuigen werden gebruikt.

Zo spreekt men rustig van de verbouwing van een Fries tjalkje tot 'boeier' wanneer men er een kajuit op zet. De ouderen in Aalsmeer gaan zelfs zo ver dat men alle plezierzeilers samenvat in het begrip 'boeiervolk', waarbij zij in het midden laten of zij dit als een erenaam beschouwen of als scheldnaam bedoelen. Dit moge dan tevens verklaren waarom aan de historische ontwikkeling van dit type bijzondere aandacht geschonken wordt.

De benaming boeier

De benaming boeier verschijnt voor het eerst in Nederlandse en Duitse bronnen uit de eerste helft van de vijftiende eeuw. Daaruit blijkt dat de boeier uit Nederlandse havens voer, zowel om de Zuid naar de Franse havens aan Seine en Somme, als naar Emden, Hamburg, de Oostzee en Engeland. Reeds in 1480 zeilde een boeier uit Kampen eerst naar de Oostzee en vandaar naar Frankrijk. Deze Kamper boeier vervoerde een aantal wilde dieren van Riga naar Frankrijk voor de menagerie van koning Lodewijk XI. Dit is wel een bewijs dat de Nederlandse zeevaarders reeds in die tijd niet tegen een 'gevaarlijke lading' opzagen.
De oorsprong van de benaming boeier is moeilijk met zekerheid te bepalen. Ik waan mij echter in goed gezelschap met:

  1. Van Dale's Grootwoordenboek der Nederlandse Taal: boeier: vaartuig, dat van voren en van achteren is opgeboeid, vanwaar het zijn naam heeft, en met:
  2. Franck's Woordenboek der Nederlandse Taal - 2de druk - verzorgd door N. van Wijk, dat op pag 76 vermeldt: Boeier - z.n.w. - m.n.l. - boeyer - boyer -uit het Nederlands en Nederduits ook in de Engelse en Duitse scheepstaal.

Waarschijnlijk afgeleid van het werkwoord 'boeien', middelnederlands `boeyen', boyen 'het scheepsboord met planken ophogen', van oorsprong misschien van boei gevormd. Boei, (kluister) van het Latijnse boea, keten, halsboei. Nu werden of zelfs worden in de twintigste eeuw nog schepen 'opgeboeid' om de zeewaardigheid te verhogen en in de bovenvermelde bronnen en oude tolregisters is meermalen sprake van b.v. een 'geboeide smak' of een 'geboeide heude'.
Dit 'boeien' - later 'opboeien' - geschiedde o.a. met schepen, oorspronkelijk bestemd voor de vaart `binnenduinen', welke zich 'buiten duinen' gingen wagen.
Deze boeing, aanvankelijk na de bouw aangebracht op een binnenlandvaarder, vormde dan uiteraard geen organisch geheel met de scheepsconstructie. Dit was een volgende stap en dan betekende het 'boeien' zeker niet alleen een verhoging van het boord doch met de in de huid en boeing opgenomen stevige `Barkhouten' tevens een aanzienlijke verstijving van de gehele scheepsconstructie.
Zo mogen we wellicht de boeier beschouwen als een 'geboeide' en hierdoor voor de zeevaart geschikt gemaakte kromsteven, gegroeid uit de binnenland- en wadvaarders.

De Boeier als kustvaarder na 1525

In 1525 meldde de Hamburgse Kroniek "Anno 1525 in Pasken segelte Herman Evers ersten mit einem bojer mit enem smaksegel in England, dat tovorne ungehort war". Een jaar tevoren had zulk een smakzeilboeier zich reeds uit Hamburg naar 'Selant' gewaagd. In 1527-1528 "wageden se it mit smaksegelen in Scotland, Norwegen to Rige to Dublin», in 1531 zelfs tot Islant".
Het nieuwe en ongehoorde dat uit bovenstaande aanhalingen spreekt geldt primair voor het smak-zeil (veel later ook sprietzeil genoemd). Het was de boeier met smakzeil, die in die jaren met deze moderne tuigage als kustvaarder opkwam. De veronderstelling dat de boeier oorspronkelijk, dat wil zeggen vóór ongeveer 1500, een razeil voerde, ligt voor de hand. Later in de zeventiende eeuw wordt de ra-boeier weer een groter type zeegaande boeier met een razeil. Het Emder Schiffsbauprotokoll (deel in, blz. 94) vermeldt een vrij volledig bestek van een boeier van vijftig last, welke in 1575 door Bruen van Haren (Groningen) gebouwd werd voor Hynrich Kypen te Emden.
Dit schip had de volgende afmetingen: lengte over stevens 20 meter (68 Emder voet van 29.61 centimeter), wijd binnen de huid 6.66 meter (22.5 voet), holte 3.44 meter (11.5 voet), diepgang 3.10 meter (10.5 voet). Het schip was voorzien van drie in de huid ingelaten berghouten van ongeveer 15 centimeter (0.5 voet) breedte; het had voorts een van voor tot achter doorlopend dek, rustende op elf dwars overlopende dekbalken met één voet bocht. De bemanning bestaande uit vijf tot zes man had een verblijfje in het vooronder en bovendien een `durk' of roef op het achterdek. In het bestek wordt gesproken van karveelschip, doch toen het in de vaart kwam, werd het als boeier aangeduid. Opvallend is wel, dat de lengtebreedte verhouding vrijwel precies 3 : 1 is, terwijl wijdte : holte = 2 : 1.
Het laadvermogen van vijftig last is voor een boeier vrij groot. Volgens de tolregisters van Emden, Bremen en Hamburg, welke door Hagedorn werden nageplozen, waren de kleinste boeiers elf last en de grootste vierenzestig last. Deze grotere boeiers voerden behalve smakzeil een tweede mast met een Latijnzeiltje achter; vaak nog een razeiltje boven het smakzeil en een zogenaamde blinde onder de boegspriet. Bij lichte wind konden zij een breefok (razeil) aan de grote mast voeren.
De kleinere boeiers waren eenvoudiger van bouworde. Zij hadden slechts één ruim, dat door de grote mast in twee delen was verdeeld. Achter op was de durk of roef gebouwd als een op het dek staand huisje. De stagfok, hoewel reeds in de vijftiende eeuw in de binnenvaart bekend, komt eerst op het einde der zestiende eeuw op boeiers voor. Geen enkele zestiende eeuwse boeiertekening vertoont overigens zwaarden. Deze komen eerst bij de zeventiende eeuwse boeiers in zwang.
De zestiende eeuwse boeiers waren voorts karveel gebouwd, dus met een gladde huid. Deze, vermoedelijk uit Portugal, via Frankrijk naar de Lage Landen gekomen bouwwijze, kan mede een aanwijzing zijn, dat de wieg der boeiers in het Zuiden stond en niet aan de Waddenzee.
Zoals met zovele scheepstypen bereikte de zeegaande boeier haar hoogtepunt (± 1580) kort na de opkomst van een nieuwe scheepsvorm, ditmaal de 'boot', waarvan de Vlieboot het meest bekende type werd. Een goed beeld van het aandeel dat de boeier als voorloper van de moderne kustvaarder had in het toenmalige zeeverkeer, geven de importregisters der stad Emden, nog in 1575 de grootste der Nederlandse en Duitse havensteden. In dat jaar zag de havenbeweging er als volgt uit:
Naast 99 `Schillen', dat wil zeggen grote zeegaande schepen als koggen, hulken en razeilen, waren de 297 kleinere schepen als volgt verdeeld:

Hierbij bedenke men dat tussen de toenmalige boeier en de karveel zoveel overeenkomst bestond, dat vooral de kleinere boeier dikwijls als karveel werd aangeduid en de grotere karveel als boeier. Het kleinere karveelschip was in die dagen de typische Friese wadvaarder, welke als voorloper van de latere Friese kromstevenbinnenschepen wordt beschouwd. Ook in Zeeland en Vlaanderen was de boeier zeker reeds vroeg bekend. Duidelijke voorbeelden van een boeier komen voor op de grote, aan Antoon van Wijngaarden toegeschreven tekening van het eiland Walcheren, daterende van ± 1550, waarop als waterornament verscheidene typische kustvaart-boeiers afgebeeld staan. Ook enkele tekeningen op tegels geven een vrij duidelijk beeld van deze kustvaart-boeiers.

Hoogste ontwikkeling

De boeier heeft in haar periode van opbloei de politieke en economische wind niet mee gehad; haar hoogste ontwikkeling viel toch samen met de roerige eerste jaren der tachtigjarige oorlog. De zestiende eeuwse boeier is echter de eerste kustvaarder geweest die de economische strijd met de toenmalige grote zeeschepen aanbond en zij heeft daarmee de weg gebaand voor de vlieboten en de latere fluiten, bodschepen, pinassen en weer later voor de koffen, galjoten, zeetjalken en de moderne motorkustvaartuigen, waarbij de Nederlanders steeds de leiding behielden. Met de opkomst van het fluitschip en de kleinere buis verdwenen de boeiers evenals de jongere boten en de oudere razeilen geleidelijk uit de zeevaart en althans uit de vaart voor de Sont en naar de Duitse bocht. De boeier handhaafde zich echter merkwaardigerwijs nog tot het eind der achttiende eeuw in de vaart van Amsterdam op Rouaan. Deze zeventiende en achttiende eeuwse Rouaanse boeiers waren dan ook veel zeewaardiger schepen dan de zestiende eeuwse boeiers, zij waren vrij hoog opgebouwd, goed bezeild met hun smaktuig, stagfok, kluiver en lange zeezwaarden. Zij onderscheidden zich van de andere schepen met smaktuig echter vooral door hun typische `boeierkop' en de brede berghouten en stuizen. In Amsterdam vonden zij hun vaste ligplaats aan de `Rowaense kaay' aan het Singel tussen de Torensluis en Korstjespoortbrug. Lascallier omschrijft in zijn `Traité pratique du Gréement des vaisseaux de Paris 1791' deze schepen als «grote overdekte chaloupes, vrachtvaarders uit Vlaanderen en Holland, welke meer op de binnenwateren dan op zee varen». Het tuig wordt beschreven als een bezaantuig met staande gaffel en zonder giek, breefok voor de mast met hoog vierkant zeil, onder smaller dan boven. De hals van dit zeil werd op de boeg vastgezet en de schoten bij het want. Voorts hadden zij twee driehoekige voorzeilen en soms een kleine druil.

Verwantschap tussen de historische en de latere Boeiers

Men betwijfelt wel eens of er inderdaad wel een reële verwantschap bestond tussen de kustvaartboeiers der vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw, de Rouaanse boeier en de binnenvaartboeiers der achttiende en negentiende eeuw. Zonder te willen ontkennen dat de type-benamingen dikwijls overgingen van verouderde op meer moderne schepen, die dezelfde functie vervulden, doch waarmede zij althans door hun bouworde nauwelijks verwant schenen, wil ik toch een lans breken voor de stelling, dat deze verwantschap in type bij de oude en meer moderne boeiers wel degelijk bestaat. Te veel is men toch geneigd meer te letten op de verschillen dan op de overeenkomsten in scheepstypen. Men wijst dan bijvoorbeeld op het vrij hoge achterkasteel en de rechte spiegel der kustvaartboeier en vergelijkt deze met het duidelijke ronde achterschip van de latere boeiers. Anderzijds erkent men algemeen de overeenkomst in type tussen de fluit met haar ronde achterschip en het pinas- of spiegelschip, waarbij men de rechte spiegel met kasteel van het pinasschip eenvoudig op de koop toeneemt. De overeenkomst in de langgerekte scheepsvorm (1 : b = 5 : 1) en in de zeilage, geeft hier de doorslag. Voor de boeier geldt in wezen hetzelfde. De overeenkomst schuilt hier behalve in de meer gedrongen bouw (1 : b = 3 : 1) ook in de bouwwijze.

Deze overeenkomst ziet men duidelijk bij een vergelijking van drie tekeningen van boeiers uit drie verschillende periodes van haar ontwikkeling, en wel:

  1. In 1564 maakte Cornelis Kloof in het Keurboek der stad Dordrecht een weinig artistieke doch wel duidelijke tekening o.m. van een kustvaartboeier. Deze boeier is kennelijk reeds een kort breed schip met vrij ronde kop. Het achterschip is waarschijnlijk ook rond. Alleen het achterkasteel heeft een rechte spiegel. Voorts twee ingebouwde berghouten, geen zwaarden ; zij heeft een smaktuig met breefok, marszeil en blinde onder de zeer lange boegspriet. Tenslotte een latijnzeil aan de korte achtermast.
  2. In 1650 tekent Carolus Allard haar nu met stagfok en zwaarden, bezaantuig; de kop met inge-bouwde steven, de 2-3 in de huid ingelaten berghouten vertonen dezelfde vorm als het scheepje van 1564. De spiegel is boven de waterlijn recht, doch zonder achterkasteel. In de plaats van het kasteel deed de op het dek voor de stuurstelling gebouwde roef haar intrede.
  3. De Rouaanse boeier van Reinier Nooms de Zeeman (1 1623-1668). Het achterschip vertoont een ronde spiegel met 'hek' en is ook overigens verwant aan de vorm van Allards boeier. De boeg vertoont nu een veel duidelijker gelijkenis met de tegenwoordige boeierkop, vooral omdat het boeisel nu duidelijk naar binnen valt boven het berghout. Het bezaantuig nu met stagfok en kluiver - is overigens in principe gelijk aan de tuigage van 1564 (1).
  4. De inplanting van de huidplanken of boegen tegen de steven wordt steeds steiler en deze tendens zet zich ook later voort. Bij de boeiers en jachten van Auke van der Zee, gebouwd ± 1910 staan de bovenste boegen loodrecht en zelfs meer dan loodrecht op de steven. Deze neiging, reeds door Van Yk gesignaleerd, om voor een bepaalde scheepsvorm typische lijnen steeds meer te accentueren en tenslotte tot in het extreme door te voeren, is een merkwaardig verschijnsel, dat zich overigens geenszins tot de scheepsbouw beperkt. De onmiskenbare sierlijkheid in lijn en vorm, welke reeds de kop der zestiende eeuwse boeiers vertoont, is eerst in de zeventiende eeuwse boeiers en kopjachten volledig in het achterschip gevolgd. Deze ronde vormen waren echter niet alleen sierlijker, doch ook duurder in constructie dan de meer recht-toe recht-aan bouwwijze, welke in de meer eenvoudige en goedkopere typen binnenschepen als aken en snikken, van oudsher gebruikelijk was.

De Boeier als binnenvaart-vrachtschip (1600-1900)

Nadat de boeier tussen ± 1570 en 1650 geleidelijk door de 'boot' en later het fluitschip van de zee werd verdrongen, zette zij haar leven voort in kalmer water en wel speciaal in de Nederlandse binnenwateren. De mening dat de benaming boeier als aanduiding van een bepaald type vrachtschip geheel verdween en reeds in de zeventiende eeuw in hoofdzaak of zelfs uitsluitend werd gebruikt voor een rond plezierjacht, is echter geheel onjuist. In de werfboeken van Eeltje Holtrop van der Zee uit de tweede helft van de negentiende eeuw komen enige boeiers voor, die gewone vrachtschepen waren en geen plezierjachten. In het algeméén kan worden gesproken van een nauwe verwantschap tussen in Friesland in de negentiende eeuw gebruikte vrachtschepen en het boeierjacht.
De 6.20 meter lange `Lytse Bever', in 1820 te IJlst als beurtschip gebouwd door Eeltje Teadzes Holtrop en thans nog als jacht in de vaart, is hier een duidelijk voorbeeld van. In de Hollandse IJsselstreek, waar ik geboren ben en nog goede betrekkingen met de schippers onderhoud, kende men tot in de twintigste eeuw twee voor deze streek typische kromstevens, en wel de paviljoenschuit, die vooral in Zeeland vroeger ook IJsseljacht werd genoemd, en de wat bredere en kortere boeier.

Dat men ook in andere provincies kleine boeiers als vrachtscheepjes kende, blijkt onder andere uit oude schilderijen en prenten. Men gebruikte ze onder meer om mede ter kerke te gaan in waterrijke streken in Zuid-Holland en de Zaanstreek en ze werden dan 'kerkscheepjes' genoemd. De grens tussen plezierjacht en vracht- of dienstscheepje was vaak heel vaag, een naam als bijvoorbeeld `Nut en Nocht' (nut en genoegen) voor een in 1908 door Lantinga te IJlst gebouwd Fries jacht, wijst duidelijk op deze dubbele bestemming.

De Boeier als pleziervaartuig

Evenmin als bij andere soorten `speeljachten' bestond dus bij de boeier een scherpe grenslijn tussen nut en genoegen. Zolang de waterweg de meest comfortabele en dikwijls zelfs de enige voor personen bruikbare verbinding was tussen steden en dorpen in Holland, Zeeland en Friesland, vervulde schier elk speeljacht tevens een nuttige functie als vervoermiddel vooral voor kooplieden en lichte koopmansgoederen. Het is bekend, dat op marktdagen in de zeventiende en achttiende eeuw langs de Zaan en in grotere en kleinere steden in Holland vaak evenveel grotere en kleinere speeljachten der bezoekers langs de kaden lagen als beurt- en vrachtschepen.
Het waren dikwijls trekjachten, terwijl de zeiljachten meer naar uiterlijke kentekenen dan naar hun scheepsvorm en tuigage werden onderscheiden in kop-, paviljoen-, spiegel- en hekjachten. Hoewel ook de paviljoen-, spiegel- en hekjachten als regel de kop van een boeier hadden en dan ook in de volksmond wel onder de verzamelnaam 'boeiers' begrepen werden, waren toch de verschillen met het boeierjacht groot genoeg om van een afzonderlijk jachttype te kunnen spreken. Vooral op een klein scheepje maakt natuurlijk een rechte spiegel en een boven de zeeglijn uitstekend paviljoen, een groot verschil in uiterlijk aanzien, terwijl ook de zeilage vaak vrij grote verschillen met de latere plezierboeiers vertoonde.
Alleen wanneer men de benaming kopjacht tegenkomt, kan men met grote waarschijnlijkheid concluderen, dat hier sprake is van een boeierjacht met ronde kop, rond achterschip en boeiertuig. Het vaak reeds smalle roer had als regel reeds een blanke, ijzeren helmstok. Het 'huisje' onder het roer was groter dan tegenwoordig en dienovereenkomstig de stuurstelling korter.
De roef heeft nog geen rechte zijwanden of zijwaringen. Het gangboord gaat dus zonder opstaande rand over in de kap van de roef, waarvan de naar achter oplopende welving wordt gevormd door de in het midden gebogen dekbalken.
De voorzijde van deze welving wordt gevormd door een boogvormig schot op het vlakke dek achter de mast. De benaming kopjacht ontleenden deze boeiers aan de grote roerkop, die als regel een mannenkop en vaak een Mercurius-kop met gevleugelde helm voorstelde.
Vooral bij de zeventiende eeuwse boeiers eindigde ook het lofwerk van het boeisel, zowel voor als achter, dikwijls in een mensenkop. De boeiers met een breed roer hadden geen roerkop en een vaak fraai gebogen en versierd houten helmhout, dat als regel over de gebeeldhouwde roerhelm lag. Dit waren dus geen 'kopjachten', doch wel boeiers.
Opmerkelijk is, dat verscheidene zeventiende en achttiende eeuwse boeiermodellen, hetzij voor of achter of aan beide einden min of meer gepiekt zijn.
Het Nederlands Historisch Scheepvaartmuseum bezit de bouwtekeningen van een kopjacht, dienstig voor alle kamers en collegiën der Verenigde Nederlanden, lang over steven 55, wijd 174 en hol 7 voet (15.7 x 4.9 x 2 meter), getekend door Willem van Genth, eerste meesterknecht van 's Lands werf te Amsterdam in 1752.
Reeds het simpele feit, dat er juist van het boeierjacht zulk een uitgelezen verzameling modellen bewaard bleef, welke van het midden der zeventiende eeuw tot de twintigste eeuw rijkt, bewijst wel dat dit bij uitstek nationale plezierjacht tenminste drie eeuwen zijn eigenaars boeide en modelbouwers inspireerde.
G.C.E. Crone geeft in zijn standaardwerk 'Nederlandsche Jachten - Binnenschepen - Visschersvaartuigen' (1926) pagina 152 en volgende, aan de hand van fraaie foto's een beschrijving van deze naar tijd en landstreek geselecteerde modellen. De geïnteresseerde lezer heeft wel eens gelegenheid dit standaardwerk te raadplegen en nog liever de modellen zelf te gaan zien, zoals zij in verschillende musea, doch vooral in het Nationaal Historisch Scheepvaart Museum te Amsterdam en in het Maritiem Museum Prins Hendrik te Rotterdam, zijn bijeengebracht.
Er is uiteraard een zekere historische ontwikkeling, welke vooral bij de oudere modellen duidelijk wijst op hun herkomst uit de binnenlandse vrachtvaarders van dezelfde periode en van dezelfde streek. Men kan aan de hand van deze modellen vooral in de achttiende eeuw vier hoofdtypen onderscheiden, te weten :

  • Het Noord-Hollandse of liever Amsterdamse type, waarvan er zeker vele in Amsterdam en omgeving thuis behoorden. Een karveel gebouwde, stoere boeier, die zelfs in haar meest verfijnde vorm haar verwantschap aan de Hollandse kromsteven-vrachtvaarder van die tijd verraadt.
  • Het Zaanlandse type, vóór breed en achter slank weggesneden en gepiekt, met scherpere kimmen; kennelijk meer op snelheid gebouwd dan het Amsterdamse type.
  • Het Zuid-Hollandse type - meer bekend als de Dordtse boeier - overnaads gebouwd, slank, met een prachtige zeeg. Een geheel apart type, dat toch ook wel weer aan lokale vrachtvaarders verwant was. Men kan het prachtige model in het Nederlands Historisch Scheepvaart Museum te Amsterdam en zelfs een foto niet aanzien, zonder met spijt te bedenken, dat wij nog in 1930 een zuivere Dordtse boeier in onze jachtvloot rijk waren. Deze boeier de Stavo was van ± 1790 tot 1923 eigendom van de familie van Eysinga in Friesland, St. Nicolaasga. Volgens overlevering zou het in de Napoleontische tijd met toenmalige Engelandvaarders de Noordzee zijn overgestoken. Van Loon noemt de Dordtse boeiers wellicht de snelste zeilers van de gehele Nederlandse binnenvloot en spreekt in 1820 met kennelijk leedwezen van de vernietiging der Dordtse boeiers.
  • De Zeeuwse boeier met haar sterk vallende, vrij scherpe stevens, sterke zeeg en hoog oplopende voor-en achtersteven. In haar gehele vormgeving is dit schip meer op het ruwe water der Zeeuwse stromen gebouwd, boven de waterlijn duidelijk ingebouwd en met stoere, doch sierlijke lijnen. Het roer is breed en heeft het model van een botter-roer met houten helmhout liggend over de helm. Het van 1754 daterende model in het Amsterdamse museum vertoont nog drie boven elkaar liggende `beulingen' van zwaar halfrond ijzer gesmeed. Het is wellicht een herinnering aan de zware en meervoudige `barkhouten' der zestiende eeuwse boeiers.

Plezierboeier in de negentiende eeuw

Hoewel de eeuwwisseling in de menselijke ontwikkeling in het algemeen een vrij willekeurig moment is, geldt dit niet voor de overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw en zeker niet voor typische uitingen van welstand als de plezierboeier. Na 1795 werd met de Regententijd ook op het water veel luister weggevaagd. Voor zover de jachten niet zelf werden gesloopt, werd het vergulde beeldhouwwerk van de paviljoen-jachten verwijderd en 'aan de armen tot brandhout gegeven'. De uitbundige sierkunst van de zeventiende en achttiende eeuw is ook na de Napoleontische periode niet herleefd. Wat aan snijwerk bleef, was van veel eenvoudiger allure.
Ook na de bevrijding van november 1813 bleef een geestelijke en materiële malaise in het gehele aderland heersen, welke depressie zich uiteraart tot de zeilsport in het algemeen en de bouw van kostbare plezierboeiers in het bijzonder uitstrekte. De aanleg der Napoleontische wegen maakte vooral het personenvervoer in het waterrijke Westen en in mindere mate ook in Friesland, minder afhankelijk van de waterwegen. Het nut van het privé-schip als vervoermiddel verloor hierdoor aan betekenis.
Een gezicht op de oude jachthaven te Amsterdam door G. Lambers, getekend in 1816, vertoont slechts een tiental boeiers en andere speelvaartuigen, ogenschijnlijk in vrij verwaarloosde staat. In 1781 lagen in dezelfde haven, die in de wandeling ook `boeierhaven' werd genoemd, nog een vijftigtal jachten. Niettemin zijn er wel aanwijzingen, dat een nogal groot aantal achttiende eeuwse speeljachten de Franse tijd heeft overleefd, althans genoeg voor de vrij geringe behoefte van het eerste kwart der negentiende eeuw.
In het Jachtregister, dat de Koninklijke Nederlandsche Yachtclub (KNYC) in 1855 in haar jaarboekje publiceerde, komen nog drie waarschijnlijk uit de achttiende eeuw daterende paviljoenjachten voor, variërend tussen vijftien en twintig ton. Bij zo geringe behoefte is moeilijk aan te nemen, dat er in de eerste helft der negentiende eeuw werven waren, die zich speciaal op de bouw van boeiers of andere jachten konden gaan toeleggen.
Zover we sporen van nieuwbouw van boeiers aantreffen, vinden wij deze slechts in de vrij sporadische opgaven van door een bepaalde werf gebouwde schepen.
Zo bezit het Maritiem Museum Prins Hendrik de 'aantekeningen' van de nieuw gebouwde schepen door de Rotterdamse Scheepsbouwmeesters De Jong, Korteland en Anthony op hun werven Nr. 1. Nr. 2 en Nr. 3, waarin wij verscholen tussen zee- en binnenvaartuigen aantreffen: kopjacht, genaamd De Jonge Johannes, 22 januari 1822. Te water gelaten 10 februari 1823 - Voor rekening van de heren De Jong, Kortland en Drapers. Gezien de lange bouwtijd lijkt dit veel op een `stopwerk' voor eigen rekening.

Een "Watertogtje" met eenen boeijer in 1833

Om even bij Rotterdam te blijven ; Willem van Houten geeft in zijn boek 'De Scheepvaart', uitgegeven in 1833, een uitvoerige beschrijving van een "Watertogtje" met eenen boeijer van Rotterdam naar het Kanaal van Oostvoorne.

Hij laat deze beschrijving vooraf gaan door een vrij nauwkeurige beschrijving van een toenmalige boeier en haar tuigage:
«De boeijers zijn onderscheiden in grootte, en van acht tot twaalf el lang, omtrent een derde der lengte breed, en de helft der breedte hol, zij hebben eene plecht, een vooronder, eene roef en gangboorden, eenen stuurstoel (waaruit de roef ingang heeft), veelal daar achter eene klapmuts waarop de luiwagen ligt, over welken de helmstok vaart en gewoonlijk even daar achter de overloop boogsgewijze geplaatst is. De bodem is vlak en rond. Voor in de boegen zijn deze vaartuigen breed, en naar achteren wat beknepen bijloopende. Zij zijn van zwaarden voorzien, en hebben, zoo als doorgaans de binnenvaartuigen, een breed roer. Met een bezaan-zeil en fok, ligt maar hoog getuigd zijnde, en maken zij daarvan bij den wind, gebruik. Vóór of van den wind, hebben zij nog eenen kluiver of jager, die, in het eerste geval, op den jaagboom te loefwaart, en in het laatste op de boegspriet uitstaat, zijnde deze aan den kluiver-val opgeheschen, met den hals aan het uiterste einde of de nok van den boom of de boegspriet in den ring des uithaalders gepikt, en de schoot soms nog door een gat in het boord aan den bolder vast.
De boegspriet wordt door het kraanlijntje, dat aan de nok vast is, en door een blokje aan den top van den mast loopt, opgetopt of nedergelaten; op het boord ligt dezelve in een beweegbaar punt, en wordt, nederliggende, in eenen ijzeren beugel aan bakboord-zijde tegen den kop des voorstevens opgesloten; op gelijke wijze is de boegspriet op de meeste binnenvaartuigen geplaatst. Liggen zij stil in de haven, dan is dezelve opgetopt; onder het varen, of er al of niet eenen kluiver op staat, ligt deze in den beugel; in het laatste geval is de kluiverval in den ring, die dan op de helft der boegspriet uitgehaald is, gepikt.
De fok wordt door den fokkeval opgeheschen; met leuvers rond de stag, met den hals onder het stag-blok op den kop der voorsteven, en met den schoot aan den ring des overloops, voor den mast op de plecht liggende, vastgemaakt. Het gaffel-zeil wordt aan den zeil-val bijgezet, is mede met leuvers rond de mast, de hals op den mastkoker, en de schoot-hoorn aan den nok der giek vast; terwijl de schoot uit eenen oogbeugel rond de giek op den overloop vaart; de zwaard-loopers zijn zoodanig op de boorden geplaatst, dat de zwaarden, in den stuurstoel staande, opgehaald kunnen worden.»
De beschrijving komt tot in de benamingen der tuigonderdelen overeen met die van de latere negentiende eeuwse boeiers, waarbij slechts enkele punten opvallen:

  1. dat de geijkte boeierlengte toen reeds varieerde tussen acht en twaalf el (lees meter).
  2. dat deze boeiers voor-in bij de boegen breder waren dan achter.
  3. dat voorstag en fokkehals vast worden gezet op de 'kop der voorsteven' en niet op een ijzeren botteloef.
  4. dat de 'kluiver' of 'jager' hier feitelijk als synoniem worden gebruikt voor een flink bijzeil, dat alleen vóór of van de wind zeilend wordt gebruikt op dezelfde wijze als thans nog gebruikelijk.

Deze 'jager' -was echter bepaald niet hetzelfde als de 'spinnaker' of 'ballon', die los aan het val wordt gehesen en geregeerd wordt door twee schoten. Uit de eerste helft der negentiende eeuw bestaan wel beschrijvingen van zeiltochtjes met plezierboeiers, doch althans in West-Nederland scheen de tijd van de waterfeesten geheel tot de geschiedenis te behoren. Alleen in Friesland is sprake van zeilwedstrijden van grotere en kleinere vrachtschepen; open vissers- en boerenboten en enkele boeiers, welke evenementen als regel door lokale caféhouders werden georganiseerd.

Prins Hendrik, de Zeevaarder

Het zou tot 1846 duren voor de Koninklijke Nederlandsche Yachtclub onder voorzitterschap van ZKH Prins Hendrik, de Zeevaarder, broeder van Koning Willem II, wordt opgericht. Op 10 juni 1846 hield deze jonge vereniging haar eerste wedstrijd op de Maas bij Rotterdam. Onder de elf deelnemers in de klasse 'alle soorten zeilvaartuigen met dek' was waarschijnlijk geen enkele boeier, die als pleziervaartuig was gebouwd.
De tweede wedstrijd op 10 september 1846 op het IJ voor Amsterdam gehouden, telde onder de achttien deelnemers in de klasse 'Zeilvaartuigen met dek' zes schepen van de Zaankant, zes uit Friesland, één uit Kampen en slechts drie uit Amsterdam. De type-benamingen zijn jacht, dekvaartuig, boeier of kajuitschip, terwijl de kotter Parel van Prins Hendrik de nieuwe tijd vertegenwoordigde.
De eerste wedstrijd van de op 16 december 1847 opgerichte 'Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging', werd op 30 september op het IJ voor Amsterdam gehouden.
De klasse 'beurt-, vracht- en veerschepen' telde acht inschrijvingen onder de benamingen jagt, overdekte boeier, overdekt jagt en kopschip.
Zeven van deze schepen kwamen uit de Zaan en één uit Friesland. De 'pleziervaartuigen' waren over twee klassen verdeeld:

  1. 'Jachten en boeiers', niet korter over steven dan tien Nederlandse ellen met vier inschrijvingen : twee uit Amsterdam, één uit Krommenie, één uit Kampen.
  2. 'Jachten en boeiers, korter dan 10 Ned. ellen over steven'. Hiervoor meldden zich tweeëntwintig deelnemers, waarvan zes van de Zaan, twee uit Friesland, tien uit Amsterdam en vier uit Haarlem en Monnikendam.

De benamingen vormen weer een zonderling conglomeraat: open boeier, vriesche boot, kopjacht, open vriesch jagt, hekjagt, boeier, overdekt jagtje, open boeier, vriesche tjotter, noorsche jol en Leidse snebbe.
Volgens Dr. Ernst Crone, aan wiens 'Bladzijden uit de Geschiedenis der Jachthavens en van de Zeilsport te Amsterdam' (1925), ik deze gegevens ontleende, waren de verschillen in benamingen over het algemeen groter dan die in scheepsvormen. Uit deze opsomming zien we echter wel, dat men onder 'boeier' mede de 'open boeier' begreep; ook zien wij hier voor het eerst de benamingen tjotter en open vriesch jagt verschijnen.

Het jaarboekje 1855 van de K.N.Y.C. bevat een 'lijst van zeilvaartuigen, ingeschreven of bekend bij de onderscheiden zeilverenigingen'. De omvang en regionale verdeling van de toenmalige vloot van boeiers en aanverwante jachten, blijkt uit bovenstaande opstelling, welke uit de gegevens van dit eerste jachtregister' werd samengesteld.

Zeilsport in Friesland

Minder dan in West-Nederland ondervond de zeilsport in Friesland de verslappende invloed der Franse tijd. Jaarlijkse wedstrijden werden ook in het begin der 19de eeuw op verschillende plaatsen in Friesland gehouden. Het is dan ook geen wonder, dat na de KNYC in Rotterdam 1846, en de Zeil- en Roeivereniging in Amsterdam 1847, de Zeilvereniging Oostergoo reeds in 1848 in Leeuwarden werd opgericht. Friesland telde in 1876 reeds dertien zeilverenigingen, terwijl de overige provinciën tot dat jaar niet eens de reeds in 1855 bestaande vijf zeilverenigingen in leven konden houden. Langer dan in Holland bleef Friesland ook voor het personenvervoer goeddeels afhankelijk van het transport te water en daarmede in vele gevallen ook van het eigen scheepje. Er bleef dus vooral in het waterrijke deel van Friesland met zijn flinke meren, een grote behoefte ook aan kleinere, doch welbezeilde en weerbare zeilboten. Niet voor niets noemde de reeds eerder aangehaalde Friese scheepsbouwkundige F.N. van Loon (1775-1840) in zijn tweede boek 'Handleiding tot de Burgerlijke Scheepsbouw' (1838) bij de beschrijving van het `Zeejagt van 's-Graveland', de 'Straatwegen' als eerste onder de bedreigingen van de «weldadige beoefening van de kennis om met kleine vaartuigen zich op het water te vermaken»; de overige euvelen van zijn tijd : «Stoomboten, toonkunst en koffyhuisvermaken» volgen eerst na die kwalijke schepping van Napoleon.

Elders vermeldt Van Loon, dat men zeiljachten in het algemene niet in de grote steden als Amsterdam zelf bouwde, doch bij voorkeur in streken, waar de werkkrachten het goedkoopst zijn. In Friesland waren deze zeker goedkoper dan in Holland. Al deze factoren werkten er toe samen, in Friesland een gunstig klimaat te scheppen voor de export van pleziervaartuigen, welke export immers kon steunen op een voldoende sterke 'home market'.
Het is uiteraard heel moeilijk uit de eigen geschriften en slechts sporadische aanwijzingen van derden zich een enigszins zuiver beeld te vormen van de invloed van F.N. van Loon op de Nederlandse scheepsbouw in het algemeen en op die in Friesland in het bijzonder. Het is hier ook niet de plaats om hierop nader in te gaan. Als schier alle mannen met een nieuwe visie op oude problemen heeft hij naast voldoening ook grote teleurstelling ondervonden, ook van de zijde van conservatieve scheepsbouwers en schippers.

Het "Zeejagt van 's-Graveland": De'Volhouder'

Eén Friese scheepsbouwmeester stelde hem zeker niet teleur en dat was de bouwmeester van zijn geliefde `Zeejagt van 's-Graveland', de Volhouder van Jhr. Van Weede. In zijn Handleiding op pagina 103 vermeldt Van Loon:
Dit jagt is in het jaar 1825, overeenkomstig deze teekening, gemaakt door den vermaarden scheepsbouwmeester Eeltje Teadzes Holtrop te IJlst, die gedurende een reeks van vijftig jaren, eene verwondering wekkende menigte van jagten, booten, vischaken en marktschuiten in eene buitengewoon fraaie gedaante heeft vervaardigd.
Eeltje Teadzes Holtrop leefde te IJlst van 1769 tot 1848 en was inderdaad een bekwaam scheepsbouwmeester, die bovendien kennelijk bereid was nieuwe ideeën omtrent de vormgeving van ronde schepen als door Van Loon gepropageerd in de praktijk toe te passen. Het is natuurlijk niet zo geweest, dat E.T. Holtrop na +/- 1825 al zijn schepen volgens de ideeën van Van Loon ging bouwen of omgekeerd, dat Van Loon als de eigenlijke ontwerper van de Friese boeiers van na 1825 kan worden beschouwd.
Het `Zeejagt van 's-Graveland' week vooral van het gangbare model van een boeier af, doordat het oorspronkelijk een open bun had en dit feit Van Loon volgens zijn beschrijving dwong tot het «minder breedte geven van den bodem» of wel scherpere lijnen geven aan het achterschip. Het jacht is achter duidelijk gepiekt gebouwd, doch vóór bepaald niet. De sterk besneden en gepiekte vorm van het achterschip werd volgens Van Loons beschrijving vooral gegeven terwille van de noodzakelijke «tamelijke diepte» van de bun.
Zonder deze tekeningen weten wij eigenlijk niet met enige zekerheid, of Van Loon wel bewust een voorstander was van het gepiekt bouwen van boeiers. Wel staat vast, dat de enige boeier, welke vrijwel met zekerheid door E.T. Holtrop werd gebouwd, noch vóór noch achter gepiekt is. Dit is de boeier, die in Friesland voort bleef leven als de Tjet Rixt van de familie Hepkema, doch sinds 1954 als Hilda bewaard wordt in de schepenverzameling van het Zuiderzeemuseum. Het laatste wat men overigens van de huidige boeier Hilda kan zeggen, is dat het een snel schip is en dit was zij volgens overlevering, ook vroeger niet. Zij is typisch een ouderwetse, wat zwaarmoedige boeier. De Friezen noemen haar `'slûch in e kop'', dat wil zeggen met weinig zeeg en geneigd om de kop diep in het water te graven.

Meer vraag naar nieuwe boeiers

Men ziet dan hoe na een bescheiden begin in de zestiger jaren eerst in de jaren '70 en '80 meer vraag naar nieuwe boeiers en ook naar Friese jachten en als jacht afgewerkte 'boten' komt.
Dr. Ernst Crone in zijn meergenoemd Jubileumboek noemt 1885 en daarna 1888 en 1890 hoogtepunten in boeier-evenementen. Bij het veertigjarig jubileum de 'Koninklijke' (1884) waren de 'boeiers' (inclusief open ronde jachten) in zes klassen verdeeld en er waren totaal vierentwintig deelnemers, waarvan tien uit Amsterdam. In 1890 voerde 'Admiraal' Clignett op zijn boeier Charlotte bij het admiraalzeilen het bevel over een vloot van vierendertig zeilen, verdeeld over drie eskaders. Het waren niet alle 'boeiers', doch het merendeel waren toch wel ronde jachten.
In de 'Naamlijst van Pleziervaartuigen in Nederland' 1889-1890 komen tweehonderdvijfenvijftig schepen voor, welke verdeeld zijn in:

Na Amsterdam telde Friesland de meeste boeiers, Rotterdam had slechts drie boeiers. In die periode stonden Rotterdam, Dordrecht, de Noord en de IJsselstreek wel vooraan in de scherpe jachten. Zelfs bij de Amsterdamse overdekte boeiers kunnen er in 1890 slechts vijf van Eeltjebaas zijn en waarschijnlijk nog enige 'open boeiers'. Helaas is van een aantal boeiers, dat in de tachtiger en negentiger jaren bij wedstrijden en andere zeilevenementen uitkwam weinig meer dan de namen van de eigenaars en die van hun schepen bekend. Waar het begrip 'boeier' veelal zeer ruim genomen werd, in die dagen, weten wij vaak zelfs niet of het een overdekte of een open 'boeier' was, laat staan de afmetingen en bouwer.
Toch is de veel verspreide mening, dat de boeiers in de negentiende eeuw vrijwel uitsluitend in Friesland werden gebouwd, niet juist.
Er zijn zeer waarschijnlijk ook in Noord- en Zuid-Holland en mogelijk ook in Zeeland in de negentiende eeuw nog wel meer boeiers gebouwd. De overdekte houten boeier was echter altijd een vrij kostbaar schip en daarbij kwam, dat ook de kleinere werven in 'Holland' in de tachtiger en negentiger jaren behoudens weinige uitzonderingen geheel op de bouw van ijzeren schepen overschakelden. Wij zullen straks nog een in België gebouwde, houten boeier noemen. Doch deze uitzonderingen doen weinig af aan het feit, dat althans na 1860 de meeste boeiers in Friesland gebouwd werden en niet alleen in Joure.

Twintigste eeuw

Wij zijn met onze beschrijving van de scheppingen van de voornaamste boeierbouwers der negentiende eeuw aardig in de twintigste eeuw verzeild, doch het is nu eenmaal zo, dat de grote tijd van de bouw der Friese houten boeiers viel in de periode van rond 1870 tot 1914. De voorboden van een nieuwe 'ijzeren'-tijd kondigden zich inmiddels reeds rond de eeuwwisseling ook in Friesland aan, doch, althans in deze provincie, nog niet bij de bouw van boeiers. Van de werven ging die van J. Croles in IJlst in 1895 over tot ijzerbouw, terwijl Auke van der Zee in Joure in 1903 zijn eerste stalen tjalk op stapel zette, maar zijn boeiers in hout bouwde en Feike Lantinga in IJlst bleef steeds het hout trouw, evenals E. Wester in Grouw.

Stalen boeiers

Ik heb wel eens de indruk gekregen, dat de Friese scheepsbouwers het bouwen van stalen boeiers min of meer als heiligschennis beschouwden en wanneer men weet in welk een hoog aanzien de Friese boeier staat bij elke rechtgeaarde Fries, kan men dit wel begrijpen. Men kan nu eenmaal in staal niet die sierlijkheid in lijn en laat staan warme kleur geven, welke naar veler oordeel bij de blanke boeier behoort.
Aukebaas bouwde drie stalen schepen, die hij in zijn werf boeken wel 'boeier' noemde, doch die niettemin geen van drieën boeiers zijn in de oude, vooral Jouster betekenis. De stalen boeier zinde de Friezen niet en met de overgang in staalbouw was het vrij spoedig met de suprematie der Friese boeierbouwers gedaan. De `Smitten' aan de Kinderdijk, die van oudsher ook goede zeilers waren en al heel vroeg stalen centerboards en andere scherpe nieuwigheden bouwden, namen ook in de bouw van stalen boeiers rond de eeuwwisseling enkele jaren de leiding over.

Boeiers in Zeeland

Na de op het schilderij van de Dordtse schilder C.J. Morel in 1837 afgebeelde grote Zeeuwse boeier zagen wij nergens meer een aanwijzing, dat in de negentiende eeuw in Zeeland plezierboeiers werden gebouwd.

Boeiers, gebouwd in België

Merkwaardigerwijs vonden we in het meergenoemde Jubileumboek van De Maas wel een boeier en een vermaarde tjotter, welker wieg in België stond.

  • 1881 Maria Jachtregister '25. Boeier W.M. 11.6 - OA10 - hout, 24 ton, overdekt, lang 12.86 meter, breed 3.82 meter, diepgang 1.00 meter. Bouwmeester V.J. Maes - Antwerpen. Dit schip voer van 1919-1925 onder de 'Maas'-vlag en was in die jaren eerst eigendom van S.J.R. de Monchy en na 1920 van Mr. Th. A. Waghto. In 1925 ging zij ten gevolge van de ontploffing van een primus geheel verloren.

Ook de in haar tijd om haar snelheid beroemde tjotter Piet Hein die Carl Jurrjens tussen 1900 en 1919 vele overwinningen bracht, was in België gebouwd en wel bij E. Bloem in Antwerpen in 1891. Sinds de middeleeuwen hebben de Vlamingen grote schrijnwerkers voortgebracht en het edelambacht der fijnhout-bewerking staat er nog steeds in hoog aanzien.

Ontwikkelingen en kenmerken

Hoewel de beschouwing van de negentiende eeuwse boeiers, hun bouwmeesters en hun wederwaardigheden ons telkens weer de eeuwwisseling deed overschrijden, bleef de gehele sfeer rond deze schepen toch die van de eeuw van vrede, welke aan de eerste wereldoorlog voorafging. Ondanks de veredeling en verfijning, welke de Friese boeier vooral, onder het onfeilbaar oog van Eeltje Holtrop van der Zee onderging, bleef toch het plezier-boeiertype, zoals wij deze uit de achttiende en zelfs zeventiende eeuw leerden kennen, in zijn hoofdlijnen ongewijzigd.
De overeenkomst tussen het achttiende eeuwse Amsterdamse kopjacht en de negentiende eeuwse Friese boeier is veel sterker dan die met de Zaanlandse, Dordtse en Zeeuwse boeiers.
De Friese boeier is voor het oog wat 'platter' - wat minder hol, en minder hoog opgeboeid dan haar oudere Amsterdamse zuster. Dit zijn echter weer typische kenmerken van de Friese beurt- en vrachtscheepjes, welke weer logisch voortvloeiden uit de geringe diepte van vele vaarwaters in Friesland. Het 'huisje onder het roer' is sinds de achttiende eeuw kleiner geworden. De roef, die bij het zeventiende eeuwse en ook vaak nog bij het achttiende eeuwse boeierjacht slechts werd gevormd 'door een naar achteren oplopende welving van het midden van het dek' is met behoud van deze welving als het ware uit het dek getild en op de zijwaringen gezet. Het al dan niet gepiekt zijn van het onderwaterschip is een verfijning, die weliswaar lange tijd kenmerkend was voor de Jouster boeiers, doch die toch in de negentiende eeuw geen nieuwe ontwikkeling was.
De Friese boeier bleef, meer dan de 'Hollandse' en de Zeeuwse boeier primair een schip voor de binnenwateren en het is dan ook begrijpelijk, dat de Amsterdammers, die de Zuiderzee en de Rotterdammers, die de brede stromen opzochten, bij de bouw van nieuwe jachten de schokker, de botter en de hoogaars gingen prefereren boven de traditionele, doch in het algemeen weinig zeewaardige Friese boeier. Deze concurrentie, als men het zo noemen mag, van de platbodem vissersschepen was reeds in de zestiger jaren der negentiende eeuw merkbaar en de bouw c.q. verbouwing van deze als plezierjacht nieuwe types, overtrof in later jaren die van de boeiers.
Het was echter voorbehouden aan de twintigste eeuw een duidelijke nieuwe richting te geven aan de ontwikkeling van het grotere overdekte ronde jacht. Deze ontwikkeling, welke ten dele voortvloeide uit en althans samenging met de mogelijkheden, welke de staalbouw bood, voltrok zich niet uit de aloude boeier, doch uit de veel jongere Lemsteraak. Reeds in de periode van 1900-1915 werden vrij veel grote stalen ronde jachten gebouwd, die men met meer of minder recht Lemsteraken en ook wel boeiers noemde. Philippona noemt de stalen Lemsterjachten in zijn in 1919 gepubliceerde boek 'Het Zeilen' steeds stalen boeiers.
Velerlei werven, geenszins alleen in De Lemmer of zelfs in Friesland, doch ook in Holland, bouwden deze schepen naar eigen ontwerp of naar dat van speciale jachtontwerpers. Onder deze laatsten namen D. Zijlstra en H. Kersken te Amsterdam een vooraanstaande plaats in. Ook D. Zijlstra noemde echter zijn schepen nooit Lemsteraak, doch boeierjacht of boeieraakjacht en zijn ontwerpen, hoe geslaagd ook, zijn vaak een tussenvorm van of wel een nieuwe ontwikkeling uit de boeier en de Lemsteraak. Het is dan ook geen wonder, dat de liefhebbers van de traditionele boeier zich gingen verzetten tegen velerlei nieuwe ontwikkelingen tegen boeiers met te hoge of te scherpe koppen, 'boeiers' met platte bodems en scherpe kimmen, kortom tegen veel wat zich dikwijls op vage gronden met deze langzamerhand geheiligde benaming sierde.

Het in 1915 gehouden 'Congres voor Watersport'

Op het in 1915 gehouden 'Congres voor Watersport' kwam dit verzet tegen deze nieuwe ontwikkelingen tot uitdrukking. Op de basis van de erkenning, dat in de negentiende eeuw de Friese boeier overheersend werd en de bouworde van dit type als het zuivere boeiertype moest worden aangenomen, werd een uit drie Friese deskundigen samengestelde commissie aangewezen een 'definitie' van de zuivere boeier te ontwerpen.
Leden van deze commissie waren: H.F. van der Zee uit Sneek, P.G. Halbertsma uit Grouw, eigenaar van de boeier Constanter en R. Buisman uit Leeuwarden, eigenaar van het Friese jacht Mercurius. De 'definitie' opgenomen op pagina 172 van het Congresboek luidt:

  • Het schip moet rond zijn zonder eenigen stilstand.
  • De verhouding van grootste breedte tot grootste lengte zij grooter dan 1 : 4.
  • De bovenkant van de voorbolder, welke niet achterlijker geplaatst mag zijn dan de helft van den afstand tusschen den voorsteven en den mastkoker, mag zich niet hooger boven de waterlijn bevinden dan de bovenkant van den achtersteven.
  • De grootste breedte moet bij het zeilwerk zijn.
  • De achtersteven moet een zekere helling hebben en mag een hoek van 7 graden niet overschrijden.
  • De afstand van den voorsteven tot de voorzijde van den mast mag variëren van 30 procent tot 35 procent van de totale lengte van het vaartuig.
  • De zwaarden moeten een breedte hebben van minstens 1/3 van de lengte.
  • De hoogte van de kiel, ook wel scheg genaamd, gemeten op het grootspant, onder het vlak, mag niet meer dan 4 procent van de lengte op de waterlijn bedragen.
  • De hoek tusschen de gangen bij hun aanhechtingspunt aan den steven en de middellijn van het schip moet minstens 90 graden bedragen.
  • De gaffel moet gebogen zijn en de broek van het grootzeil los. Het schip moet een ijzeren botteloef hebben.

Zeer strenge definitie

G.C.E. Crone tekent in zijn standaardwerk 'Nederlandsche Jachten' etc. bij deze definitie nog het volgende aan :
De uitdrukking sub 1 'zonder eenigen stilstand' beteekent, dat in de lijnen van den romp nergens een rechte strook mag zijn, aldus kennen wij de prachtige boejers wier zijden met een grooten boog door de kimmen in het vlak overgaan dat hierdoor ongeveer de halve breedte der scheepswijdte heeft. Het bleek, dat van de destijds fraaiste boeiers te Amsterdam slechts vier aan de formule voldeden, deze waren de Almeri, Olga, Noordster en Hertog Hendrik; eerstgenoemde was de grootste: lang 18.20 meter, breed 5.16 meter en had de kleinste lengte-breedte verhouding 3.527, terwijl de Hertog Hendrik van 8.10 bij 3.60 meter de grootste verhouding had 2.25 : 1.
Waar bij de Amsterdamse boeiers in 1915 wel meer echte Friese boeiers waren dan deze vier, mag men met alle eerbied voor de deskundigheid van deze commissie misschien toch wel zeggen, dat hun `definitie' wel zeer streng was. Overigens is het opmerkelijk, dat in de 'definitie' niet staat, dat de boeier voorzien moet zijn van een vast dek en een kajuitopbouw. Historisch bezien is dit ook geen kenmerk. Er zijn sinds de zeventiende eeuw altijd ook 'open boeiers' geweest. Naar geschiedenis en traditie is 'boeier' ook altijd een ruim begrip geweest en achteraf beschouwd is het misschien jammer, dat men de verdere ontwikkeling van het boeiertype mede door deze strenge definitie te veel heeft ingedamd.

Boeieraak, Lemsteraak, Boeiertjalkjacht en Boeierjacht

Het resultaat van deze beperking van de benaming 'boeier' was uiteraard niet, dat men er de nieuwe ontwikkelingen mee afremde, doch wel dat ontwerpers en bouwers hun toevlucht zochten in niet door 'definities' beschermde benamingen als boeieraak, Lemsteraak, boeiertjalkjacht en boeierjacht. Ook de onbeschermde benaming Lemsteraak of Lemsterjacht werd gebruikt voor schepen, die met meer recht een nieuwe ontwikkeling van het aloude boeiertype konden worden genoemd.
Ook deze kenmerken zullen sommigen wellicht te streng vinden, doch men moet daarbij bedenken, dat de Lemsteraak een veel jonger scheepstype is dan de boeier. Bovendien is het oorspronkelijk door één, hoogstens enkele werven in Friesland ontwikkeld en bood reeds daarom meer mogelijkheden en wellicht ook meer aanleiding voor een strengere 'definitie'. Misschien is er aanleiding te gelegener tijd de 'definitie' van de boeier, welke in 1915 werd aanvaard, te herzien.

Wederwaardigheden in de twintigste eeuw na 1915

Laat ons na deze beschouwing, waarmede wij tevens de grote periode van de negentiende eeuwse boeier afsluiten nog een kort overzicht geven van zijn wederwaardigheden in de twintigste eeuw na 1915. Het is dan allereerst merkwaardig in het Jubileumboek van De Maas te lezen, dat de bloeitijd van de platbodemvloot van deze vereniging kan worden gesteld tussen 1915 en 1930. In die periode behoorden toch niet minder dan vijfenveertig ronde en platbodem-schepen voor korter of langere tijd tot de vloot van deze vereniging. Hieronder zijn veertien boeiers, negen houten en vijf stalen. Van de zestien Lemsteraken zijn er slechts drie van hout gebouwd. In de periode van grootste bloei 1916 tot 1919 werd de vloot uitgebreid met zes boeiers, negen Lemsterjachten, één tjalk, drie botters, drie hoogaarsen en één Staverse jol, dat is totaal drieëntwintig. In de periode 1920-1927 komen er nog bij vier boeiers, zeven Lemsterjachten en één hoogaars, dat is twaalf.
Deze enkele cijfers demonstreren de boven gememoreerde periode van overgang. De oude houten boeier handhaaft zich nog, doch bij de nieuwere stalen schepen wint de Lemsteraak het duidelijk van de stalen boeier.
Het hoogtepunt is inmiddels reeds voorbij. Het belasting-rampjaar 1926 geeft alleen reeds een verlies van tien schepen en in 1929 beginnen de crisisjaren. In 1931 is de trotse vloot van oud-vaderlandse jachten van 'De Maas' gereduceerd tot negen schepen, twee boeiers, vijf Lemsterjachten, één botter en één hoogaars. Deze cijfers spreken wel een duidelijke taal. Toch is er een lichtstreep in deze donkere periode, welke eindigde met een grote en droeve uittocht van zovele mooie, ronde schepen over zee en over onze grenzen. In de aan 1926 voorafgaande jaren is toch duidelijk gebleken, dat het ronde en platbodemjacht in het algemeen ruim zijn aandeel had in de algemene opbloei van de zeilsport in Nederland. Het waren economische omstandigheden en niet gebrek aan belangstelling voor de ronde jachten die de teruggang na 1925 veroorzaakten. Deze feiten konden achteraf beschouwd toen reeds hoop geven voor de toekomst.

Nieuw gebouwd na 1925

Een vrij groot aantal Friese jachten en grotere tjotters werden voorzien van een kajuit en volgens de thans geldende regel worden deze scheepjes aangeduid als boeier. Van de 52 in 1964 in het Stamboek ingeschreven `boeiers', is waarschijnlijk minder dan de helft inderdaad als jachtboeier gebouwd.
Na de tweede wereldoorlog werd de eerste nieuwe boeier werd gebouwd door B. de Jong te Heeg.

Restauraties

In veel sterker mate dan in de bouw van nieuwe boeiers en andere Friese ronde jachten kwam de verhoogde belangstelling voor deze schepen tot uiting bij de restauratie van oude boeiers, jachten en tjotters.
Ook dit restauratiewerk bleef niet tot Friesland beperkt, op vele plaatsen in Nederland werden oud-vaderlandse schepen goed gerestaureerd. Dit geschiedde bovendien niet alleen door oude werfbazen die het oude ambacht nog van jongsaf hadden geleerd, doch ook door knappe amateurs, die dikwijls jarenlang hun vrije tijd besteedden aan de vernieuwing van vaak bijna vergane scheepjes. Aldus begon ook menige haast verloren gewaande boeier een nieuw leven.
Ruim vijf eeuwen gingen voorbij sinds de boeier voor het eerst in de annalen der Nederlandse maritieme geschiedenis werd genoemd. Zij was onze eerste kustvaarder, hielp mee onze vrijheid bevechten in de tachtigjarige oorlog, zwoegde daarna eeuwenlang op onze binnenwateren als vrachtvaarder, om zich tegelijkertijd te ontwikkelen tot het Nederlandse ronde jacht bij uitnemendheid. Niet alleen op historische gronden doch meer nog om haar onvergankelijke schoonheid mogen wij de boeier blijven eren als de parel van Neerlands waterland.

De tekeningen van de boeier Constanter (E. Holtrop van der Zee Joure, 1887, plaquette 5)

Ter toelichting op de opgenomen tekening van de boeier Constanter kan het volgende worden vermeld:
De romp van het schip is gebouwd van 2,4 centimeter dik eikenhout. De boeisels zijn echter 4 centimeter dik, behalve in de bochtstukken, waar ze weer 24 centimeter zijn. De inhouten en leggers zijn 74 x 8 centimeter. Op de kiel zijn de leggers verzwaard tot 12 centimeter. De mastkoker meet 8 x 20 centimeter. De grenen mast is in totaal 13.80 meter lang, daarvan is de top 1.50 meter en de afstand van de bout tot onderkant 1.75 meter. Het vierkant in de koker is 20 x 20 centimeter. De grenen giek meet 6 meter. De grootste diameter, 14 centimeter, zit bij de schootoog-beugel, de diameter aan de voorkant is 7 centimeter, aan de achterkant 6 centimeter. De kromme gaffel is van taai essenhout. Het roer is aan de voorkant 6 centimeter dik en verjongt naar achteren tot 3 centimeter. De zwaarden zijn 41 centimeter dik; de sleepijzers hebben een scherp profiel. De ijzeren botteloef meet tegen de steven 5 x 7 centimeter, en is naar voren toe verjongd.
De Constanter vaart ongeveer 1000 kg binnenballast, waarvan 480 kg als mastgewicht. De overige 520 kg is verdeeld over twintig blokken of platen, die binnen de leggers passen. De versiering in de vorm van houtsnijwerk en koperbeslag is bij de Constanter - zoals op de meeste boeiers - bijzonder verzorgd. Al het ijzerwerk is blank geschuurd.

De Boeier - Standaardwerk van Dr. Ir. Jaap Vermeer (2004)

In zijn boek "De Boeier" schrijft Dr. ir. J. Vermeer in zijn eerste hoofdstuk "De geschiedenis van de boeier":
Het pleziervaartuig met de naam boeier dat in dit boek aan de orde komt, behoort tot de uitgebreide familie van de traditionele Nederlandse ronde en platbodemvaartuigen, bestemd voor gebruik in onze ondiepe kust- en binnenwateren. Het bevaren van deze wateren laat slechts een geringe diepgang toe; schepen voor dit specifieke vaargebied zijn daarom gebouwd met zo gering mogelijke diepgang en hebben een platte of ronde bodem zonder diepstekende kiel. Ter vermindering van de drift bij het (aandewindse) zeilen zijn zij voorzien van zijzwaarden. Met de tjotter en het Friese jachtwordt de boeier gerekend tot de groep van zogenaamde ronde jachten. De grotere exemplaren van dit type vaartuigen worden met de naam boeier aangeduid.
In tegenstelling tot de tjotter en het Friese jacht is bij de boeier de ruimte achter de mast gedeeltelijk overdekt met een roef, bedoeld als een beschutte verblijfplaats. Dit type pleziervaartuigen kan in ons land op een geschiedenis van eeuwen terugzien. Op tekeningen, prenten en schilderijen uit de zeventiende en achttiende eeuw vinden wij deze schepen reeds veelvuldig afgebeeld, in vorm en inrichting vrijwel gelijk aan zoals ze heden nog bestaan. Enkele fraaie voorbeelden hiervan zijn te zien op het bekende olieverfschilderij uit 1697 van de hand van Abraham Storck. In musea en bij particulieren bewaard gebleven oude scheepsmodellen leggen hier eveneens getuigenis van af

Het boek "De Boeier" van Dr. Ir. J. Vermeer

De naam boeier

De naam boeier voor een zeilvaartuig gaat echter nog veel verder terug dan de zeventiende eeuw. Reeds in de vijftiende eeuw is het de naam van een zeegaande vrachtvaarder voor de handelsvaart tussen de lage landen en de havens langs de Franse, Engelse en Duitse kusten, tot ver in de Oostzee. Over de latere ontwikkeling van deze kustvaarder tot de huidige plezierboeier zijn in verschillende handboeken en publicaties min of meer uitvoerige mededelingen te vinden, veelal aan de hand van in scheepvaartmusea bewaard gebleven modellen. De meest recente publicatie van de hand van W. van Zijderveld, verscheen in 1991 in het tijdschrift Spiegel der Zeilvaart. De auteur grijpt daarin onder meer terug op oudere publicaties, zoals het hoofdstuk 'De Boeier' van de hand van C.J.W. van Waning in het standaardwerk 'Ronde en Platbodemjachten' , dat onder redactie van Mr Dr T. Huitema in 1962 voor het eerst verscheen.? Van Waning schetst in zijn historische inleiding hoe het huidige scheepstype zich in de loop van eeuwen heeft ontwikkeld uit de vijftiende-eeuwse vrachtboeier. Van de hand van dezelfde auteur verscheen in 1978 in de Spiegel der Zeilvaart een uitvoerig artikel over dezelfde materie onder de titel "Van Vrachtboeier tot Jachtboeier".
Gezien het documentaire karakter van dit boek is het niet de bedoeling de geschiedenis van de ontwikkeling van het scheepstype dat met de naam boeier wordt aangeduid, uitvoerig te behandelen. Veeleer geven wij hier een korte samenvatting van wat onder meer in bovengenoemde publicaties is bijeengebracht. Wie meer bijzonderheden over dit onderwerp wil weten raadplege de aangehaalde literatuur.


De evolutie van de boeier als vracht vaarder vanaf de vijftiende eeuw
Wat de oorsprong van de naam 'boeier' betreft, alle auteurs zijn het erover eens dat de naam is afgeleid van het Middel-Nederlandse woord `boeyen', dat verhogen van het scheepsboord betekent. De vijftiende-eeuwse kustvaarder zal dus waarschijnlijk zijn ontstaan door bestaande binnenlandse schepen een hoger vrijboord te geven en ze daardoor geschikt te maken voor de vaart op zee. Ter verstijving van de romp werden een of meer zware 'bark-houten' of berghouten' aangebracht op de overgang van de romp naar het enigszins naar binnen vallende (op)boeisel. Wat de constructie van de romp aangaat, volgens Van Waning waren in ieder geval de zestiende-eeuwse zeegaande vrachtboeiers karveel gebouwd, dus met een gladde huid. Deze bouwwijze was in de late Middeleeuwen, vermoedelijk vanuit Portugal via Frankrijk, in zwang geraakt. In onze streken overheerste vanouds de overnaadse bouw, zoals bijvoorbeeld te zien is aan het vroegmiddeleeuwse schip dat in 1930 in Utrecht werd opgegraven en in het Centraal Museum aldaar is tentoongesteld. Ook de middeleeuwse 'kogge' had een overnaadse romp.
De tuigage van deze vrachtboeiers vertoont een ontwikkeling waarbij langzamerhand de razeilen en het spriettuig (gedeeltelijk) werden verdrongen door het staande gaffeltuig, nog later door het bezaantuig op een giek. Tegen het einde van de zestiende eeuw vond ook de introductie van zijzwaarden plaats, zoals kan worden afgeleid uit cartografische prenten uit die tijd. Door beide maatregelen kon hoger aan de wind gezeild worden en de zijdelingse drift worden beperkt.
Wat de afmetingen betreft, de maximale lengte die uit archieven bekend is, bedroeg 68 voet, een kleine 20 meter.? Het waren relatief vrij brede schepen. De verhouding van lengte tot breedte was ongeveer 3 op 1, de holte bedroeg ongeveer de helft van de wijdte. Hoewel een typisch product van de lage landen, lijkt het mogelijk dat de bouw niet beperkt bleef tot de Nederlanden. Ook vanuit plaatsen in aangrenzende kustgebieden van de Noordzee, als Emden en Hamburg, werden vanaf de vijftiende eeuw boeiers bevracht en waarschijnlijk ook wel gebouwd.
Van vrachtboeiers bestaan verschillende afbeeldingen, echter niet vroeger dan uit de zestiende eeuw. Een fraai voorbeeld is te zien op een pentekening van Willem van de Velde de Oude uit omstreeks 1650. Dit schip heeft een aantal kenmerken die de hedendaagse boeier nog steeds vertoont: rond voor- en achterschip, zijzwaarden en een smal roer. De boeier op de tekening van Van de Velde bezit twee zware berghouten, is getuigd met een staand gaffelzeil en voert tevens een bezaanmastje. In de zestiende en begin zeventiende eeuw, ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje, werden zeegaande boeiers, bewapend met enkele kanonnen, wel als oorlogsschip ingezet. Een model van een dergelijke bewapende boeier uit het midden van de eerste helft van de zeventiende eeuw maakt deel uit van de collectie van drie zogenaamde Damiate-scheepjes, die hangen in de Grote Kerk van Haarlem. Dit scheepje heeft dezelfde tuigage als de boeier van de Velde, maar bezit geen zijzwaarden. Ook de loodsboeier is een uit die tijd bekende verschijning voor onze kust.
In de loop van de zeventiende eeuw werden de zeegaande kustboeiers geleidelijk verdrongen door beter voor de zeevaart toegeruste nieuwere schepen als bijvoorbeeld het fluitschip en de buis.

Binnenlands vrachtvervoer
Naast de zeegaande boeier bestonden er kleinere rondgebouwde vaartuigen voor binnenlands vrachtvervoer. Deze werden ook met de naam boeier aangeduid. Evenals de zeegaande boeiers ontleenden deze schepen hun naam aan een boven het berghout enigszins naar binnen hellend boeisel. Zij waren in gebruik voor het vervoer van bedrijfsgoederen van kooplieden en andere particuliere ondernemers en deden ook dienst als beurt- en veer-schepen in de vaak dagelijkse verbinding tussen steden zowel in Holland als in Friesland. Meestal was er in het eerstgenoemde geval geen onderscheid tussen gebruik voor bedrijfs- en voor privé-doeleinden, zeker in streken waar de weg over water de meest comfortabele of zelfs de enige verbinding vormde.
In de Republiek der Vereenigde Nederlanden nam vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw de welvaart sterk toe, met name door de profijtelijke handel op de Scandinavische en Baltische landen langs de Oostzee. In de daaropvolgende eeuw kwamen daar de winsten van de VOC-handel nog bij. Hierdoor konden rijke kooplieden, magistraten en andere aanzienlijke personen in Amsterdam, in de Zaanstreek, in steden aan de grote riviermonden in Holland en Zeeland, maar ook elders in waterrijke gebieden, het zich veroorloven er een fraai versierd jacht op na te houden, uiteraard in de eerste plaats voor zakelijke doeleinden, bijvoorbeeld voor zakenreizen, voor bezoek aan markten en voor vervoer van handelswaren, maar dat ook gebruikt werd om ter kerke te gaan of zelfs uitsluitend voor genoegen. Zo ontwikkelde zich in de waterrijke streken van ons land een type vaartuig waarmee het spelevaren werd beoefend. Dit spelelement was voor het zeventiende-eeuwse Nederland uniek; inderdaad zoals Crone zegt: ... De zeilsport was hier reeds op een hoog peil toen zij in andere landen nog helemaal niet bestond.

De boeier als speeljacht vanaf de zeventiende eeuw
Met het toenemen van het aantal speeljachten, met name in het snelgroeiende Amsterdam in de eerste jaren van de zeventiende eeuw, ontstond behoefte aan een beschutte ligplaats speciaal voor deze jachten. Bij een 'uitleg' waarbij ook de havens betrok-ken waren, kwam op verzoek van invloedrijke burgers het stadsbestuur daaraan tegemoet. In 1622 kon de eerste echte jachthaven ter wereld in gebruik genomen worden bij de Stadsherberg, iets ten westen van de Haarlemmerpoort. De heer R. Vorst-man, eertijds wetenschappelijk ambtenaar bij het Rijksmuseum Nederlands Scheepvaart Museum in Amsterdam, heeft een uitvoerige studie gewijd aan de geschiedenis van de pleziervaart in de zeventiende en achttiende eeuw. De uitkomsten hiervan zijn neergelegd in een serie artikelen in het blad Spiegel der Zeilvaart, geïllustreerd met prenten en delen van oude plattegronden van de stad Amsterdam. Het navolgende is voor een groot deel aan deze studie ontleend.
Allereerst beschrijft Vorstman de genoemde, in 1622 in gebruik genomen Oude Jachthaven, gelegen in het westelijk havengebied. De tweede jachthaven kwam tot stand bij de grote stadsuitbreiding van 1657 en was gelegen aan de noordzijde van het eiland Kattenburg, dat toen ontstond, en werd waarschijnlijk omstreeks 1668 in gebruik genomen. De in het artikel weergegeven plattegrond van deze jachthaven telt dertig vaste legplaatsen die verkogt zyn en verder nog dertig huurplaatsen. Ook aan de rivier de Amstel ontstond reeds vroeg een jachthaven, vermoedelijk al omstreeks 1635. Bij stadsuitbreidingen werd deze enkele malen in zuidelijke richting verplaatst, bij de derde verplaatsing in 1718 werd hij gevestigd op de westoever nabij de Hoge Sluis. Blijkens oude afbeeldingen vonden verschillende jachten daar ligplaats in een overdekt schiphuis.
Aansluitend aan deze studie publiceerde Vorst-man nog een tweetal artikelen over de scheepstypen waarmee de Amsterdammers voor hun genoegen uit varen gingen. De oudste waren, zoals is af te leiden uit een stadsplattegrond van Balthasar Floris van Berckenrode, uit 1625 (dus kort na de ingebruikneming van de Oude Jachthaven), voor het merendeel zogenaamde bezaanjachten. Deze scheepjes hadden een lengte van ongeveer 42 tot 54 voet (12 tot 15 meter), een platte spiegel met hoog hek, rijkelijk versierd met beschilderd en verguld snijwerk, en twee voorlijk geplaatste masten, ieder met een bezaanzeil. Bijgaande tekening van Willem van de Velde de Oude geeft een indruk van zo'n speeljachtje. In de loop van de zeventiende eeuw verminderde geleidelijk de belangstelling voor het bezaanjacht als plezierschip ten gunste van de boeier. Talrijke schilderijen en tekeningen van waterspelen uit de verdere zeventiende en achttiende eeuw laten dat zien. De oorzaak hiervan zal mede gelegen zijn in de betere hanteerbaarheid van de boeiertuigage en de grotere wendbaarheid van het schip die hiervan het gevolg was. Met name tijdens de waterspelen moet dat van groot belang zijn geweest. Wij geven hier, enigszins beknopt, de hoofdkenmerken weer zoals die door Van Waning in zijn studie voor het boeiertype, zijn geformuleerd:

Een karveel of gladboordig gebouwde kromsteven; opgeboeid bovendeks en omboeid door een of meer berghouten.
Rond gebouwd en nergens in zijn scheepsvorm stilstaand - dat wil zeggen dat in zijn scheepslijnen en doorsneden geen rechte lijn voorkomt.
Gedrongen in zijn lengte-breedte verhouding, die zelden 4:1 overschrijdt.
Het boeisel wijkt over de volle lengte van het schip naar binnen, bij boeg en achterschip veel sterker dan in het middenstuk.
Een brede, ronde, - weinig zijwaarts getilde - bodem met ronde kimmen.
Als regel één mast, staande op ongeveer een derde van de scheepslengte, waar het schip zijn grootste breedte heeft.
Het bezaanzeil met losse broek verving in de loop van de zeventiende eeuw het aanvankelijke smakzeil.
Een smal roer en brede zwaarden.
Hieraan kan nog worden toegevoegd dat op veel zeventiende-eeuwse prenten boeierachtige schepen met verschillende benamingen werden aangeduid die meer te maken hadden met het gebruik (steigerschuit) of met uiterlijke kenmerken zoals de roerversiering (kopjacht).
Wat het spelevaren betreft, de groei van het aantal plezierjachten nodigde uit tot gezamenlijke activiteiten. Zo ontstond, in navolging van de zeevaart, het varen in admiraalschap (waarbij in flottielje allerlei manoeuvres moeten worden uitgevoerd), het spiegelgevecht en andere manifestaties. De jachten werden dan bij zo'n feest versierd met vlaggen en wimpels. Bezoeken van vorstelijke personen aan de stad Amsterdam waren aanleiding tot het organiseren van grootse waterspelen ter ere van de hoge gasten van het stadsbestuur. Meestal werden deze spelen opgevoerd op het IJ voor de stad, maar ook op de Amstel. Als oudste evenement van deze soort wordt genoemd de ontvangst (na de alteratie van 1578) van Willem van Oranje in maart 1580. Met een vloot van vijftien schepen werd de Prins in Muiden opgehaald en begeleid tot in het Damrak met veel vertoon van feestvreugde. Latere zeilfeesten vonden plaats in 1638 ter gelegenheid van het bezoek van de koningin-moeder van Frankrijk, Maria de Medici en vier jaar later, toen Frederik Hendrik met de koningin-weduwe van Engeland, Henriëtte, en hun jonggehuwde kinderen, de 16-jarige Willem II en zijn vijf jaar jongere echtgenote Mary, een bezoek aan Amsterdam brachten. In 1655 werd de weduwe van Frederik Hendrik, Amalia van Solms, met haar gevolg te Utrecht door twee roei-jachten afgehaald en langs Vecht en Amstel naar Amsterdam gebracht. Op het laatste deel van haar tocht werden de roeijachten door een vloot van zeiljachten begeleid. Van deze intocht bestaat in het Amsterdamse scheepvaartmuseum een ongesigneerd olieverfschilderij. Hierboven is reeds een reproductie weergegeven van het schilderij dat Abraham Storck maakte van het grootse spiegelgevecht op het IJ op 1 september 1697 ter gelegenheid van het bezoek van tsaar Peter de Grote aan Amsterdam. Eenzelfde waterspel werd opgevoerd toen de tsaar in 1717, nu met zijn vrouw Catharina, de stad voor de tweede maal bezocht. Op genoemde en andere schilderijen, tekeningen en gravures vinden we talrijke boeier-jachten afgebeeld, herkenbaar in de gedaante en uitrusting zoals wij ze heden nog kennen.
Het bovengenoemde zeilen in admiraalschap werd niet alleen beoefend ter gelegenheid van officiële bezoeken van vorstelijke persoonlijkheden. Het schijnt reeds vanaf het midden van de zeventiende eeuw een zeer geliefd vermaak te zijn geweest. Op en langs de Amstel trok het talrijke toeschouwers en werd het een min of meer jaarlijks terugkerend spektakel. H. Halbertsma, destijds conservator van het Fries Scheepvaart Museum en auteur van het interessante boekje waarin hij de geschiedenis van de Sneeker Hardzeildag heeft beschreven, veronderstelt dat deze Amsterdamse zeilfeesten, zeker het admiraalzeilen, in andere streken die zich ervoor leenden, met name Friesland, tot navolging hebben aangespoord. Feit is dat in de oudste jaargangen van de in 1752 opgerichte Leeuwarder Courant inderdaad berichten voorkomen over jaarlijks terugkerende waterfeesten waarbij het admiraalzeilen werd beoefend.
Overigens werd in de loop van de achttiende eeuw, naast het zeilen in admiraalschap en de grootse waterspelen met schijngevechten, steeds meer het hardzeilen een geliefde bezigheid. Jaarlijks terugkerende gebeurtenissen en festiviteiten als jaarmarkten en dergelijke werden door ondernemende herbergiers aangegrepen om wedstrijden te organiseren. Daarbij werden soms kostbare prijzen uitgeloofd. Uiteraard was het de bedoeling van de organisatoren, daar zelf voordeel aan over te houden. Juist ook in Friesland was dit bij deelnemers en publiek, zoals Halbertsma uit berichten in de Leeuwarder Courant afleidt, zeer geliefd. Omdat daarover uitvoerig is bericht, noemen wij hier het evenement dat op 8 september 1777 plaatsvond bij de herberg De Oude Schouw ter gelegenheid van het statiebezoek dat Prins Willem V aan Friesland bracht. De toen uitgeloofde prijs werd gewonnen door de boeier "Bever"; beide, zowel boeier als prijs, bestaan heden nog. Wij komen hierna nog enkele malen daarop terug.
Vermelden we nog dat de na de Cromwell-periode in 1660 uit Hollandse ballingschap naar Engeland teruggekeerde koning Karel II van de Amsterdamse vroedschap twee jachten cadeau kreeg. Karel werd een fanatiek liefhebber van de pleziervaart die hij, onder koninklijke dwang, bij zijn adellijke vrienden promootte. Zelf liet hij, in de vijfentwintig jaar van zijn regering, wel dertig jachten op de Engelse marinewerven bouwen. Na zijn dood bleek zijn gedrevenheid niet tot een popularisering van de pleziervaart in Engeland te hebben geleid. Pas bijna honderdvijftig jaar later begon aldaar een stormachtige ontwikkeling van de zeilsport. Ook Peter de Grote trachtte na zijn terugkeer in Sint Petersburg de belangstelling voor de pleziervaart op te wekken. Hij liet zelfs een jachthaven bouwen en per decreet werden zijn hovelingen verplicht er minstens één boeier met drie boeierknechten op na te houden!
Het boeierachtige speeljacht blijkt dus een groeiende voorkeur te hebben gehad boven andere voor de pleziervaart gebruikte scheepstypen. Het ligt voor de hand dat verschillende streken van de republiek varianten vertoonden, aangepast aan de wateren waarvoor ze waren bestemd. Crone geeft in zijn boek een achttal afbeeldingen van boeiermodellen, gebouwd vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw tot omstreeks 1800. De meeste van deze modellen worden bewaard in het Nederlands Scheepvaart Museum te Amsterdam. Zij geven, naar we aannemen, een zo getrouw mogelijk beeld van de jachten die destijds tot voorbeeld hebben gediend. Vijf hiervan suggereren in hun naam een streekgebonden type weer te geven. Wij komen daarbij de volgende benamingen tegen, waarbij wij veronderstellen dat de vormen karakteristiek mogen worden geacht voor de benamingen: Zuid-Hollandsche, Dordtsche, Zaansche, Zeeuwsche en Noord-Hollandsche boeier. Opmerkelijk is dat drie van de acht overnaads zijn gebouwd, met name zijn dat de Zuid-Hollandse, de Dordtse en de Noord-Hollandse; alle andere modellen zijn gladboordig gebouwd, of suggereren dat. Het model van de Zaanse boeier, gebouwd midden achttiende eeuw, is het enige dat een, eigenlijk in die tijd al ouderwets, staand gaffeltuig heeft; alle andere modellen voeren een bezaanzeil op een giek, een fok op de voorsteven en een kluiver. Een ijzeren botteloef komt (nog) niet voor.
Zoals hiervoor al aangeduid zullen verschillende van deze boeierjachten, zeker die welke eigendom waren van fabrikanten, kooplieden en andere ondernemers, tevens voor zakelijke en andere nuttige doeleinden zijn gebruikt. Dit tweeërlei gebruik, voor nut en genoegen, bleef, zeker in waterrijke gebieden als het deltagebied en in Friesland, nog tot het begin van de twintigste eeuw in zwang. Zo zullen wij bijvoorbeeld hierna zien, dat de Akkrumer oliefabrikant W. Smilda zijn boeier "Annie" (gebouwd 1892) nog tot na de Eerste Wereldoorlog voor zakenreizen naar Sneek en Amsterdam gebruikte. In 1908 liet zijn concurrent D. van der Leij te Langweer nog een open jacht bouwen dat de naam "Nut en Nocht" kreeg.

De negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw
De Vierde Engelse Oorlog luidde een economische neergang in die in de jaren na de Bataafse omwenteling van 1795 nog werd versterkt door de ondergang van de Vereenigde Oostindische Compagnie. Bovendien kwam in de daaropvolgende Franse bezetting door de blokkade de overzeese handel bijna geheel tot stilstand en werden de Indische koloniën onbereikbaar. De gevolgen waren desastreus voor het welvaartspeil en daarmee ook voor de pleziervaart. Na het einde van de Franse tijd kwam deze maar moeizaam weer op gang. Weliswaar werd in 1816 ter gelegenheid van het bezoek van koning Willem I aan de hoofdstad voor het eerst na lange tijd aldaar weer een waterspel opgevoerd, maar daar bleef het vooreerst bij. In ieder geval heerste op dit gebied in de eerste decennia van de negentiende eeuw, zeker in de omgeving van Amsterdam een zekere malaise.
Reeds in de achttiende eeuw waren in de wijdere omgeving van de stad door droogmakerijen en de aanleg van dijken, dammen en rijwegen doorgaande waterverbindingen verloren gegaan. De boeier had daardoor in zijn tweevoudige functie van watertransportmiddel en speeljacht reeds veel terrein verloren en heeft zich met name in de Zaan-streek, maar ook elders in Holland, niet meer kunnen handhaven, dit in tegenstelling tot Friesland. Veelzeggend is dat, zeker in de eerste helft 'van de negentiende eeuw, Hollandse opdrachtgevers zoals bijvoorbeeld het Hoogheemraadschap van Rijnland en verschillende particulieren zich in voorkomende gevallen tot Friese werven wendden voor de bouw van nieuwe boeiers of jachten. Uit de fragmentarisch bewaard gebleven werfboeken van de bekwame IJlster scheepsbouwer Eeltje Teadzes Holtrop (1768-1848) blijkt dat van de acht door hem tussen 1820 en 1843 gebouwde boeiers ten minste vier bestemd waren voor Hollandse opdrachtgevers. Ook zijn kleinzoon Eeltje Holtrop van der Zee (1823-1901), die hem opvolgde, ontving veel opdrachten vanuit Amsterdam en omgeving. Wij komen hier nog uitgebreid op terug. Hieruit blijkt wel dat de Friese boeier de loop der tijden had overleefd en toonaangevend was geworden.
Wat Friesland betreft, in Sneek had men al in 1814 een zeilpartij georganiseerd om de bevrijding van het Franse juk te vieren. Men greep de behouden terugkeer aan van een doodgewaande Sneeker ingezetene, die in 1813 onder Napoleons conscriptie onder de wapenen was gedwongen. Hij werd op 11 mei 1814 in admiraalschap door de gehele Sneeker jachtvloot uit Joure opgehaald. In het Fries Scheepvaart Museum wordt een gedrukt reglement bewaard bevattende tien punten waarin werd aangegeven hoe gehandeld en gemanoeuvreerd moest worden. In zijn reeds gememoreerde boekje vertelt Halbertsma, dat de tocht zo goed voldeed, dat na afloop werd besloten de verjaardag van de nieuwe Oranjevorst, koning Willem I, aan te houden als datum voor alle toekomstige Sneeker zeilfestijnen. In 1814 viel die dag, 24 augustus, op een woensdag, hetgeen heel goed aansloot op de aloude Sneeker kermis. Om te vermijden dat de zeilpartij zou moeten worden afgelast indien 24 augustus op een zondag zou vallen, werd besloten de later zo genoemde Sneeker Hardzeildag te doen plaatsvinden op de woensdag, volgende op de zaterdag van `Snitser Merke'. Doorgaans was dit de derde woensdag van de maand augustus, soms de vierde. Tot en met 1966 heeft deze traditie standgehouden. In 1967 werden de schoolvakanties aanzienlijk vervroegd en daarmee ook de kermis en de Sneekweek, met het gevolg dat deze bijzondere dag kwam te vallen op de woensdag volgende op de eerste zaterdag van augustus.
Overigens schrijft Halbertsma dat het admiraalzeilen op de Sneeker wateren moeite had zich te handhaven ten opzichte van het wedstrijdzeilen. Geen wonder, het zogenaamde hardzeilen is in Friesland, met zijn (in vroeger tijden meer nog dan heden) uitgebreide net van waterwegen, plassen en meren, altijd al een geliefde sport geweest. Bij elke gelegenheid die zich voordeed werd het beoefend, hetzij collectief op uitnodiging ter gelegenheid van vaste jaarlijkse evenementen als kermissen en jaarmarkten, georganiseerd door herbergiers (zoals we reeds zagen), hetzij individueel, wanneer na afloop van weekmarkten boeren en kooplieden in hun zeilschepen op weg naar huis probeerden elkaar in snelheid en behendigheid te overtroeven. Het spelelement had in Friesland dus duidelijk een verakering in het dagelijks leven en was veel minder een elitair gebeuren dan in Holland. Boeiers en andere vaartuigen hadden hier dus bijna altijd de tweevoudige functie die reeds ter sprake kwam.
Pas vanaf het midden van de negentiende eeuw, na de oprichting van zeilverenigingen, die het uitschrijven van wedstrijden uit handen van particuliere ondernemers namen en dit zelf gingen organiseren, komen dan de boeiers en andere jachten uit de anonimiteit tevoorschijn, dankzij bewaard gebleven deelnemerslijsten waaruit namen van deelnemende schepen en hun eigenaren zijn te achterhalen. Deze ontwikkeling deed zich zowel in Holland als in Friesland voor.
Wat de boeiers betreft, als gevolg van de in de loop van de negentiende eeuw toegenomen welvaart komt de nieuwbouw langzamerhand weer op gang, vooreerst op Friese werven, tegen het eind van de eeuw ook weer in Amsterdam. Opmerkelijk feit is dat het bezit van een boeier in de periode van omstreeks 1880 tot aan de Eerste Wereldoorlog een statussymbool werd, zowel voor adellijke families als in kringen van vermogende bankiers, fabrikanten, handelaren en dergelijke. Verschillende boeiers gebouwd in die jaren bestaan heden nog steeds. In diezelfde periode valt ook de introductie van ijzer zowel bij het bouwen van traditionele vracht- en vissersschepen voor de binnenvaart, zoals skûtsjes, tjalken, Lemsteraken, als in de jachtbouw. Zo zijn omstreeks 1900 en later enkele boeiers in klinkwerk ontstaan, na de jaren dertig ook met toepassing van de in die tijd nieuw ingevoerde lastechniek. De overgeleverde vormen uit de houtbouw werden hierbij nauwkeurig gevolgd.
Ondanks zijn tijdelijke revival kreeg de boeier het in de eerste helft van de twintigste eeuw moeilijk zich te handhaven en wel door drie factoren. In de eerste plaats bracht de omstreeks 1900 stijgende welvaart een popularisering van de zeilsport met zich mee. Deze werd tevens gestimuleerd door de oprichting van de Verbonden Zeilvereenigingen van Nederland en België in 1890. De bestaande zeilverenigingen voelden behoefte meer eenheid te brengen in het wedstrijdwezen; in paragraaf 3.4 gaan wij meer in detail hierop in. Als gevolg van deze popularisering ontstonden veel nieuwe watersportverenigingen. Aanvankelijk steeg daardoor de vraag naar, voornamelijk, kleinere traditioneel gebouwde pleziervaartuigen. Verschillende kleinere werven begonnen van deze vraag te profiteren, door gedeeltelijk over te schakelen van de bouw van kleine bedrijfsvaartuigen naar die van plezierjachten. De opleving in de bouw van houten ronde jachten na 1900 was echter van betrekkelijk korte duur. Al spoedig begon de opmars van het scherpe jacht met midzwaard of vaste kiel. Deze konden als gevolg van modernere (serie-)bouwmethoden - bijvoorbeeld de lattenbouw volgens het systeem-Bulthuis - bovendien goedkoper gebouwd worden. De invoering van eenheidsklassen in het wedstrijdwezen werd door deze bouwmethoden ten zeerste bevorderd en bracht de watersport binnen bereik van grotere maatschappelijke kringen. Hierdoor viel de belangstelling voor de traditionele ronde jachten na omstreeks 1920 sterk terug. Met de vraag naar nieuwe ronde zeiljachten was het dan ook zeer snel gedaan.
Twee andere oorzaken hebben meegewerkt aan de ondergang van de populariteit van de boeier en andere ronde jachten. In de eerste plaats het feit dat met ingang van het jaar 1920 het Rijk het bezit van pleziervaartuigen onder de werking van de wet op de Personele Belasting bracht. Deze directe belasting, die bij wet van 16 april 1896 was ingevoerd, werd geheven over de waarde van persoonlijke bezittingen als onroerend goed, duur meubilair, sieraden, rijpaarden, rijwielen(!), het houden van dienstpersoneel enzovoort. De wijzigingswet van 19 september 1919 bevatte de volgende bepaling: ... De belasting wordt geheven wegens het houden, hier te lande, van pleziervaartuigen. ... Buiten aanmerking blijven de vaartuigen, welke in den regel door handkracht worden voortbewogen, alsmede zoodanige waarbij voor windkracht geen grooter zeiloppervlakte wordt gebezigd dan ten hoogste 16 M2 . Het houden van grotere pleziervaartuigen werd dus als een luxe beschouwd en op grond daarvan aan belastingheffing onderworpen. De grens van 16 m2 zeiloppervlak heeft, dankzij het vernuft en de volharding van de toenmalige ontwerpers, geleid tot een wedstrijdscheepje dat voor velen bereikbaar was en ook nu nog steeds zeer populair is. Voor het houden van grotere houten ronde jachten als boeiers enzovoort was deze wet dus bepaald niet bevorderlijk. Ernstiger effect nog had de in 1929 inzettende economische crisis. De watersporttijdschriften uit de jaren dertig (De Waterkampioen en De Golfslag) bevatten destijds veel advertenties waarin tjotters, Friese jachten en boeiers te koop werden aangeboden. Verschillende grote boeiers en andere grotere platbodemjachten verdwenen in die jaren zelfs naar het buitenland.
Zo was dus de toestand toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. De bezettende macht stelde aanvankelijk beperkingen aan de beoefening van de watersport, eerst door een verbod op kamperen aan boord, later door het instellen van verboden zones; in de laatste fase werden zelfs jachten gevorderd. Verschillende boeiers en andere schepen werden verborgen gehouden in loodsen, moerasgebieden (Loosdrecht, Biesbos), soms zelfs onder water. Een aantal overleefde die tijd niet.

De criteria van de boeiercommissie van het Congres voor Watersport
Zoals hiervoor geschetst heeft de boeier zich aan het eind van de achttiende eeuw eigenlijk alleen in Friesland kunnen handhaven. Toen zich nu in de loop van de negentiende eeuw als gevolg van een groeiende belangstelling voor de watersport, juist ook in het westen van het land, een toenemende vraag naar boeiers ontstond, wendde men zich daarom aanvankelijk tot werven in Friesland. De Friese boeier echter is en was een typisch vaartuig aangepast aan de ondiepe binnenwateren van die provincie. In het algemeen bezit hij onvoldoende zeewaardigheid voor de meer ruige omstandigheden die op de Zuiderzee en de deltawateren kunnen voorkomen. Dit was dan ook de reden waarom Amsterdammers en Rotterdammers, die juist deze wateren bevoeren, bij de bouw van nieuwe jachten langzamerhand de voorkeur begonnen te geven aan meer zeewaardige scheepstypen als botter, schokker en hoogaars. Doordat in dezelfde periode, eind negentiende eeuw, de toepassing van staal ook in de jachtbouw ingang vond, gingen speciale jachtontwerpers zich toeleggen op de bouw van stalen jachten afgeleid van deze typen vissersvaartuigen. Een speciale belangstelling bleek daarbij te bestaan voor jachten naar het model lemsteraak, een vrij nieuw type vissersvaartuig met fraaie ronde vormen, afgeleid van een ouder houten scheepstype met de naam visaak, dat op de binnenwateren van Friesland reeds eeuwen gangbaar was; zie voor deze ontwikkeling het reeds gememoreerde standaardwerk Ronde en Platbodemjachten. Niet alleen op Friese werven, bijvoorbeeld de Gebroeders De Boer in Lemmer (de bakermat van dit type), Croles in IJlst, Van der Zee in Joure, maar ook in Holland werden deze grote ronde jachten in staal gebouwd. Destijds vooraanstaande jachtontwerpers als D. Zijlstra en H. Kersken te Amsterdam veroorloofden zich daarbij nogal wat vrijheden. Aangezien deze jachten de ronde vormen van de boeier gemeen hadden, werden zij vaak ook zo genoemd.

De opkomst van dit soort hybride vormen leidde tot verwarring over welke schepen met de naam boeier konden/mochten worden aangeduid. Geen wonder dat de echte liefhebbers van de traditionele boeier zich gingen verzetten tegen deze nieuwe ontwikkeling, met name tegen het betitelen van boeiers met te hoge of scherpe koppen, platte bodems met scherpe kimmen en dergelijke. Op het in 1915 gehouden Congres voor Watersport kreeg een uit drie Friese deskundigen samengestelde commissie de opdracht een definitie te formuleren over wat men onder een zuivere boeier dient te verstaan. De leden van deze commissie waren de heren P.G. Halbertsma uit Grouw, eigenaar van de boeier "Constanter", R. Buisman uit Leeuwarden, eigenaar van het Friese jacht "Mercurius" en H.F. van der Zee uit Sneek.
De definitie waartoe deze heren kwamen (opgenomen in het Congresboek), is in tien punten als volgt uitgewerkt:

  • Het schip moet rond zijn zonder enige stilstand.
  • De verhouding van grootste breedte tot grootste lengte zij groter dan 1:4.
  • De bovenkant van de voorbolder, welke niet achterlijker geplaatst mag zijn dan de helft van den afstand tusschen den voorsteven en den mastkoker, mag zich niet hooger boven de waterlijn bevinden dan de bovenkant van den achtersteven.
  • De grootste breedte moet bij het zeilwerk liggen.
  • De achtersteven moet een zekere helling hebben en mag een hoek van 7 graden niet overschrijden.
  • De afstand van den voorsteven tot de voorzijde van den mast mag variëren van 30 procent tot 35 procent van de totale lengte van het vaartuig.
  • De zwaarden moeten een breedte hebben van minstens 1/3 van de lengte.
  • De hoogte van de kiel, ook wel scheg genaamd, gemeten op het grootspant onder het vlak, mag niet meer dan 4 procent van de lengte bp de waterlijn bedragen.
  • De hoek tusschen de gangen bij hun aanhechtingspunt aan de steven en de middellijn van het schip moet minstens 90 graden bedragen.
  • De gaffel moet gebogen zijn en de broek van het grootzeil los. Het schip moet een ijzeren botteloef hebben.
  • Bepaling 3 over de hoogte van de voorbolder moet blijkbaar dienen om te benadrukken dat schepen met een te hoge kop geen boeier genoemd kunnen worden.
  • dat het boeisel boven het berghout naar binnen moet vallen, met name in voor- en achterschip.
  • dat een berghout aanwezig moet zijn,
  • dat de voorsteven gekromd moet zijn,

De commissie heeft de kenmerken van enkele Friese boeiers zo strikt als representatief opgevat dat Van Waning over het resultaat het volgende opmerkt: Het bleek dat van de destijds fraaiste boeiers te Amsterdam slechts vier aan de formule voldeden. „ • Waar bij de Amsterdamse boeiers wel meer echte Friese boeiers waren dan deze vier, mag men met alle eerbied voor de deskundigheid van deze commissie misschien toch wel zeggen. dat hun 'definitie' wel zeer streng was. Ook merkt hij op dat de commissie niets zegt over de aanwezigheid van een vast dek en een kajuitopbouw.

Bovengenoemde jachtontwerpers en anderen lieten zich echter bij hun nieuwe creaties slechts in zoverre belemmeren door het werk van de boeier-commissie, dat zij de naam boeier vermeden en voor hun nieuwe ontwerpen niet door een 'definitie' beschermde benamingen introduceerden, zoals boeieraak, boeiertjalkjacht, lemsteraakjacht, lemsterjacht, boeierjacht.
De verwarring over wat een boeier genoemd mag worden werd door het werk van de Commissie trouwens niet weggenomen. Integendeel, de reeds ingesleten benaming 'boeier' voor grote (vaak stalen) ronde jachten waarop deze eigenlijk niet van toepassing is, heeft nog lang standgehouden. Het in 1924-25 gezamenlijk door de Nederlandsche Toeristenbond ANWB en de Koninklijke Verbonden Nederlandsche Watersportvereenigingen KVNWV uitgegeven Nederlandsch Jachtregister bevat tal van als boeier betitelde jachten, waarvan we weten of sterk vermoeden dat het jachten van het type lemsteraak of daarmee verwante typen zijn. Ook bij het samenstellen van dit boek was het in enkele gevallen moeilijk eenduidig te beslissen of een schip met een enigszins afwijkende vorm in dit boek zou kunnen worden opgenomen of niet.

Vorm, constructie en inrichting
De bouw van schepen, jachten en boten voor de binnenvaart berustte eeuwenlang op de toepassing van overgeleverde principes en bouwmethoden. Traditie beheerste het scheepmakersvak in hoge mate. De verschillende typen van schepen werden gebouwd met gebruikmaking van mallen en vaste verhoudingen. In het begin van de negentiende eeuw is het de Friese scheepsontwerper Folkert Nicolaas van Loon (1775-1840), die zich veel moeite heeft getroost verbeteringen te introduceren in de vastgeroeste tradities in de binnenvaartscheepsbouw. Hij constateerde dat in zijn tijd bij de bouw van een binnenvaartuig bijna uitsluitend aandacht werd besteed aan laadinhoud, drijfvermogen en hechtheid van constructie en veel te weinig aan bezeilbaarheid en snelheid van het schip. Zijn ideeën betreffende verbeteringen in de scheepsvorm baseerde hij op waarnemingen van de lichaamsvorm van vissen en vogels; bovendien voerde hij experimenten uit met scheepsmodellen op verkleinde schaal, ruim vijftig jaar vóór William Froude daarvoor de wetenschappelijke basis legde! De uitkomsten van zijn beschouwingen legde hij vast in meetkundige scheepstekeningen, wat voor de binnenvaartschepen een novum betekende, en in twee publicaties in boekvorm, getiteld: 'Beschouwingen van den Nederlandschen scheepsbouw met betrekking tot deszelfs zeilaadje', uitgekomen in 1820 en 'Handleiding tot den burgerlijken scheepsbouw', uitgekomen in 1838. In 1980 zijn beide werken in facsimile opnieuw uitgegeven. In het jaarboek van het Fries Scheepvaart Museum over 1980 verscheen een overzichtsartikel van de hand van W.F. Broos over leven en werken en de betekenis van Van Loon voor de binnenlandse scheepsbouw in de negentiende eeuw, waarnaar we hier verwijzen. Een samenvatting van zijn ideeën over de vormgeving van zeilschepen met het oogmerk de snelheid te verbeteren volgt hierna.
Voor ons is van belang dat verschillende ontwerpen van Van Loon, waaronder een aantal boeiers, zijn gerealiseerd door de IJlster scheepsbouwmeester Eeltje Teadzes Holtrop, wiens werf bij zijn dood in 1848 werd voortgezet door zijn kleinzoon Eeltje Holtrop van der Zee. Weliswaar was het streven van Van Loon er in de eerste plaats op gericht verbeteringen te introduceren in de scheepsvorm van vrachtschepen, zodat ze betere zeileigenschappen kregen en daardoor ook hogere snelheden konden bereiken. Zijn principes kon Van Loon des te gereder toepassen bij de door hem ontworpen pleziervaartuigen, met name bij de boeiers die hij in IJlst liet bouwen. Wij mogen daarom rustig aannemen dat kleinzoon Eeltje later zijn voordeel heeft gedaan met de destijds vooruitstrevende ideeën van Van Loon.

De principes van Folkert Nicolaas van Loon
Aangezien de ideeën van Folkert Nicolaas van Loon, neergelegd in zijn beide boekwerken, grote invloed hebben gehad op de meest begaafde negentiende-eeuwse Friese jachtbouwer, Eeltje Holtrop van der Zee, zullen we eerst de uitgangspunten, die Van Loon bij zijn scheepsontwerpen binnen de gegeven beperkingen trachtte te realiseren, samenvatten. Wat de scheepsromp betreft komen deze op het volgende neer:

  • De belijning mag nergens stilstand vertonen, dat wil zeggen dat nergens een rechte lijn mag optreden, noch langs de kiel, noch in de zijden, noch in de dwarsdoorsneden.
  • De horizontale doorsneden van het schip (de waterlijnen) moeten een vloeiend ovale vorm hebben, met tenminste onder het wateroppervlak, scherp toelopende einden.
  • De grootste breedte en de grootste diepte moeten liggen op 2/5 van de lengte van voren gerekend.
  • De grootste breedte moet groter zijn dan 1/5, bij voorkeur ongeveer 1/3 van de lengte.
  • De voorsteven moet matig vallen, de boegen in het voorschip moeten meebuigen met de helling van de voorsteven, waardoor een steile botte kop vermeden wordt.
  • De achtersteven stelle men zo steil mogelijk, liefst verticaal.
  • De beste plaats voor de (verticale) mast is op 1/3 tot 7/20 van de lengte.

Opmerkelijk is nog dat een aantal van Van Loons ontwerpen, in het bijzonder die bestemd voor de binnenvaart, een in het achterschip gepiekte bodem vertoont. Dit komt voort uit het streven een geveegd achterschip te verkrijgen, dat het water gemakkelijk loslaat. In dit verband citeren wij hier de volgende uitspraak: Men dient de zijden, evenzeer naar den achtersteven te laten geeren als de einden van den bodem naar boven te ligten. Overigens is een hoekige kim, mits de scheepsvorm voldoet aan bovengenoemde eerste twee eisen en de zijden niet loodrecht maar gebogen oprijzen, volgens Van Loon zeker geen nadeel; het schip zal ermee hoog aan de wind kunnen zeilen. Tot zover de ideeën van Folkert Nicolaas van Loon, die ons nu zo bekend voorkomen, maar meer dan 150 jaar geleden met klem bepleit moesten worden.

Bouwwijzen en rompvormen: algemene karakteristieken
De boeier voldoet aan de algemene karakteristiek van het ronde jacht:

  • een op stevens karveel gebouwd zeilvaartuig de voorsteven is gekromd
  • de buitenomtrek heeft een min of meer langgerekte eivorm
  • de grootste breedte ligt op circa één derde van de lengte gerekend vanaf de voorsteven, ongeveer bij het zeilwerk
  • de verhouding van lengte over de stevens tot grootste breedte ligt meestal tussen 2,5 en 2,8 het boeisel valt enigszins naar binnen
  • voorzien van zware berghouten
  • de zijzwaarden zijn betrekkelijk breed
  • het tuig is een bezaantuig met kromme gaffel en losse broek, de fok gehalsd op een ijzeren botteloef; vaak is ook een kluiver aanwezig die gevaren wordt op een kluiverboom.

Als pleziervaartuig voor de meer gefortuneerde klasse was de houten boeier, in overeenstemming met de status van de eigenaar, van meet af aan een elegant en luxueus uitgevoerd vaartuig. In het bijzonder Eeltje Holtrop van der Zee en diens zoon Auke van der Zee hebben in de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw op hun werf in Joure een groot aantal zeer fraaie boeiers gebouwd. Daarvan zijn er heden nog zes in de vaart. De rompvormen die zij nastreefden, konden alleen bereikt worden door ze op te bouwen uit een groot aantal in de vereiste vorm gebrande smalle gangen. De boeiers van de Van der Zee's, maar ook die van andere laat-negentiende-eeuwse bouwmeesters als bijvoorbeeld Nicolaas Adrianus Bernhard in Amsterdam, werden gebouwd met een gepiekte bodem en ronde kimmen; het grootspant benadert daarbij de accoladevorm.
Afb. a toont een tekening van het spantenplan van de boeier "Phoenix", gebouwd op de werf van Bernhard in 1889.


Bij andere boeiers treffen we een zuiver rond grootspant aan. Hiervan geeft afb. b een mooi voorbeeld. Het betreft het spantenplan van de boeier "De Greate Bear", gebouwd door Gerben Siemens van der Werf te Britswerd. Een dergelijke vorm is iets eenvoudiger te bereiken dan een bodem met piek. De onderste gangen behoeven minder scheluw gebrand te worden.


Met de groeiende populariteit van de zeilsport in het begin van de twintigste eeuw begonnen de bouwers van traditionele houten ronde jachten concurrentie te ondervinden van het betrekkelijk goedkoop te bouwen scherpe jacht. Dat dwong hen tot kosten-besparing door eenvoudiger constructie en minder luxueuze uitvoering. Een en ander leidde ertoe dat men rompen bouwde met bredere gangen en een plat of bijna plat vlak. De hoger liggende gangen sluiten hier met een hoekige kim op aan. Het spantenplan van de boeier "Thomas", gebouwd door Feike Lantinga te IJlst in 1937, toont een typisch voorbeeld van deze bouwwijze (zie afb. c). Zij sluit dicht aan bij die van de eenvoudig gebouwde negentiende-eeuwse bedrijfsvaartuigen. Op deze wijze kon een werf als die van Lantinga goedkopere traditionele pleziervaartuigen blijven aanbieden.


Een andere ontwikkeling in de jachtbouw was de introductie van ijzer, later staal Tegen het eind van de negentiende eeuw maakte op veel scheepswerven bij de bouw van binnenvaartuigen als tjalken, klippers en skûtsjes, hout plaats voor ijzer. Met enige vertraging vond dit ook plaats in de jacht-bouw. De opkomst van de verbrandingsmotor stimuleerde met name de bouw van ijzeren motorkruisers. Het zijn de Hollandse werven van Bernhard te Amsterdam en Smit te Slikkerveer die omstreeks 1900 bij de bouw van boeiers ijzer introduceerden. Friese werven bleven, voor zover er nog vraag naar dergelijke schepen was, boeiers in hout bouwen, hoewel met name ook Auke van der Zee voor de bouw van aken en skûtsjes overstapte op ijzerbouw.
Boeiers werden vroeger, zeker in de negentien-de eeuw, als regel gebouwd zonder gebruik van ontwerptekeningen. Dit blijkt duidelijk uit de minutieuze beschrijving door Harmen Hoogeveen van de bouw van een boeier op de Jouster werf, waar hij enige jaren medewerker was van scheepsbouwer Auke van der Zee, onder meer bij de bouw van de grote boeier "Olga". Nadat de voor- en achterstevens waren geplaatst, werd een model van het grootspant 'losvast' opgezet. Slechts met behulp van deze drie steunpunten, de beide stevens en het hulpgrootspant, werd de beplanking van onder naar boven opgebouwd. De inhouten, die de huiddelen onwrikbaar moeten verbinden, werden - hierbij passend - later aangebracht. De scheepsvorm ontstond dus 'op het oog', waarbij de ervaring en artisticiteit van de bouwmeester bepalend waren voor het resultaat. Lijnen- en constructietekeningen van boeiers zijn dan ook veelal ontstaan door uitvoerige en tijdrovende opmetingen van bestaande schepen. In het Aanhangsel achter in dit boek zijn, met toestemming van de uitgevers respectievelijk de auteurs, de tot nu toe gepubliceerde opmetingstekeningen van boeiers verzameld.
Hoewel de rompvorm van boeiers, met name tot uiting komende in de vorm van het grootspant, dus nogal kan verschillen, wijken de eigenlijke constructies slechts weinig van elkaar af. De verschillen die we aantreffen houden voornamelijk verband met de aard van het vaarwater waarvoor het schip bestemd was. De Friese boeiers, met name die gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee en anderen, zijn eigenlijk alleen geschikt voor het bevaren van binnenwateren zoals plassen en meren; voor het ruwere buitenwater schieten zij in zeewaardigheid tekort.
Ook hun tuigage is daarop ingericht. Om bij het kruisen op nauwe vaarwaters vlot overstag te kunnen gaan, reikt de schoothoek van de fok niet achterlijker dan de mast. Soms loopt de fok op een overloop voor de mast langs. Sommige grotere boeiers, speciaal bestemd om gebruikt te worden op open water als de Zuiderzee en de zeegaten, zijn wat zwaarder gebouwd. Wij geven daarom hier een beschrijving van de constructie van twee boeiers, een typische Van der Zee-boeier als de in 1877 gebouwde "Constanter" en zo'n zwaarder gebouwde boeier, namelijk de "Catharina", die in 1904 werd gebouwd door Lolke Lantinga in IJlst. Van dit laatste schip zijn de meest complete constructietekeningen beschikbaar die wij kennen. De opmetingen die ten grondslag liggen aan deze tekeningen, vonden plaats in 1983 op de scheepstimmerwerf De Hoop te Workum. Deze boeier was enige jaren tevoren uit Engeland naar Nederland teruggehaald en bevond zich toen in deplorabele staat. De historie van dit thans fraai gerestaureerde schip is uitgebreid beschreven door M. Verhaar. De opmetingen werden uitgevoerd door Bauke Hobma en Thomas Nijdam. Een beschrijving van deze boeier aan de hand van deze opmetingstekeningen werd, tezamen met het verhaal van Verhaar, eerder gepubliceerd in één van de jaarboeken van het Fries Scheepvaart Museum.

De Boeier als wedstrijdjacht

Ter gelegenheid van het eeuwfeest in 1990 van het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond (KNWV) is de geschiedenis van de pleziervaart in ons land, in het bijzonder die in verenigingsverband sinds het midden van de negentiende eeuw, uitvoerig beschreven door F. Jorissen, J. Kramer en J. Lengkeek in het gedenkboek dat in samenwerking met het Rijksmuseum Nederlands Scheepvaart Museum is uitgegeven onder de titel Het water op, 400 jaar pleziervaart in Nederland.

De liefhebberij voor zeilen heeft in vroeger eeuwen tijden van grooten bloei in Amsterdam gekend. Kon het anders? Onze bevolking geboren aan het water, haar welvaart dankend aan het water, ja, die niet bestaan kon zonder haar schepen en overzeehandel, zou die zich voor ontspanning niet op het water begeven hebben? De geschiedenis leert dat op vele plaatsen duidelijk, als zij spreekt van de groote waterfestijnen, van de spiegelgevechten of het admiraalzeilen of beschrijft het gewirwar van schepen op IJ en Amstel.  En ter nadere bevestiging, zijn ons overgebleven de schilderijen, kaarten, etsen, prenten enz. van talrijke meesters, die ons tafereelen geven, antwoordend op de zoo juist gestelde vraag. Voorzeker, het zeilen is een vermaak, een ontspanning geweest voor ieder; het was de sport van ons volk. En dat niet alleen in Amsterdam; maar ook door ons geheele waterrijke vaderland en niet te vergeten in Friesland en langs de Zaan is het zeilen vele eeuwen door steeds beoefend.
Doch ondanks dit verleden kwijnde de zeilsport te Amsterdam in de tweede helft der negentiende eeuw. Jaren van slapte en stilstand in handel en scheepvaart, moeilijkheden in de haven en de onzekerheid wat daar gedaan zou worden, de vele inpolderingen, waardoor het zeilwater steeds beperkter werd eenerzijds, opkomst van andere sporten, meerdere gemakkelijkheid tot reizen anderzijds, deden de belangstelling verflauwen. Ook het roeien had tallooze beoefenaren getrokken en de gezelligheid op den Amstel had - mede door gebrek aan ligplaats aan het IJ - zeer vele zeiljachten derwaarts gelokt. Al bracht nu wel de oprichting der Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging hier ter stede opleving en trachtte zij door haar jaarlijksche wedstrijden de liefhebberij wakker te houden, gaandeweg verminderde aan het Y het getal der jachten, de groote schepen verdwenen en slechts kleine vaartuigen bleven over, waarvan vele nauwelijks op den naam jacht meer aanspraak konden maken.

Enkele actieve Amsterdamse pleziervaarders trachtten daaraan een halt toe te roepen, temeer daar het voor een aantal collega-zeilers al gewoonte was geworden om naar Friesland te trekken en daar het feest van de Sneeker Hardzeildagbij te wonen: in 1885 staken niet minder dan twintig 'Hollanders' de Zuiderzee over om hieraan deel te nemen. Men realiseerde zich dat er iets gedaan moest worden om het tij te keren. Het resultaat van deze inspanningen was de oprichting in 1885 van de Zeilvereeniging 'Het Y' en de realisering van een eigen jachthaven. Het openingsfeest met ouderwets admiraalzeilen op het IJ, waarbij `admiraal' Clignett met zijn Friese boeier een hoofdrol speelde, werd een groot succes. Doordat nu ook de Koninklijke Zeil- en Roeivereeniging uit haar lethargie ontwaakte, leek de zeilerij in Amsterdam en omgeving een opleving tegemoet te gaan. Dit oplevend enthousiasme leidde zelfs tot de bouw van een aantal nieuwe boeiers voor rekening van Amsterdamse en andere Hollandse opdrachtgevers, zowel op Friese werven als op de Amsterdamse werf van Bernhard, zoals hierna ter sprake zal komen.
Bij onze speurtocht naar boeiers in de negentiende eeuw zijn de archieven van verenigingen die destijds wedstrijden uitschreven, waardevolle bronnen. Ook het gedenkboek van Ernst Crone bevat waardevolle informatie met name betrekking hebbende op de omgeving van Amsterdam.


Scheepstype: Fries jacht

Inleiding

Klein niet-overdekt zeilscheepje

Het Friese jacht behoort tot de grote familie van traditionele Nederlandse ronde en platbodemvaartuigen, bestemd voor onze ondiepe kust- en binnenwateren. Dit vaargebied veroorlooft slechts een geringe diepgang; deze schepen zijn dan ook gebouwd met een platte of ronde bodem zonder diepe kiel. Ter vermindering van de drift bij het (aandewindse) zeilen zijn zij voorzien van zijzwaarden. Het vaartuig, dat wij tegenwoordig 'Fries jacht' noemen, behoort tot de kleinere niet-overdekte zeilscheepjes, uitsluitend geschikt voor de binnenwateren. Met de boeier en de tjotter wordt het gerekend tot de groep van zogenaamde ronde jachten, die in ons land al op een geschiedenis van meer dan drie eeuwen kunnen bogen. Op schilderijen uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw vinden wij deze scheepjes veelvuldig afgebeeld, in vorm en inrichting vrijwel gelijk aan zoals ze heden nog bestaan. Een fraai voorbeeld hiervan is het bekende schilderij van Abraham Storck (1635-1710), voorstellende het spiegelgevecht op het IJ voor Amsterdam ter ere van tsaar Peter de Grote op 1 september 1697, aanwezig in het Rijksmuseum "Nederlands Scheepvaart Museum". Ook in musea en bij enkele particulieren bewaard gebleven oude scheepsmodellen leggen hiervan getuigenis af. In ons kader is interessant het door de kunstschilder Dirk Piebes Sjollema (1760-1840) gebouwde model van een open jacht. Het is gedateerd 1811 en bevindt zich nog steeds in het bezit van een directe nazaat van de maker.

De Tijdlijn van het Fries jacht

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Typebeschrijving Fries jacht

1. Geschiedenis van het Friese jacht

De jachten, nu Friese jachten, werden gebruikt als snel en soepel varende pleziervaartuigen. Vaak uitbundig versierd met snijwerk. Zeilvereniging Oostergoo schrijft voor het eerst en als eerste in 1923 een wedstrijd voor Friese jachten uit (Vermeer). In het Nederlandsch Jachtregister 1924 - 1925 worden voor het eerst acht schepen genoemd met naam en naam van de eigenaar die expliciet de aanduiding Friesch jacht hebben. Alle eigenaren van deze schepen zijn eigenaar van Zeilvereniging Oostergoo uit Grouw.
Pas na de oprichting van de Stichting Stamboek Ronde en platbodemjachten is Friese jacht een gangbare typering geworden. Het heeft haar oorsprong in Friesland, maar ze waren in Holland misschien nog wel populairder dan in Friesland. Er zijn tussenhandelaren uit Amsterdam en Zwijndrecht bekend die deze schepen “op voorraad” lieten bouwen bij Friese werven.
Het Friese jacht ligt qua afmetingen tussen de grotere boeier en de kleinere tjotter.

2. Beschrijving van Friese jacht

Traditioneel zijn de Friese jachten gebouwd van eikenhout en zijn blank gelakt. Dit is hun kracht en tegelijkertijd hun zwakte. Bij goed en zorgvuldig onderhoud gaan de schepen jaren mee. De nodige schepen uit de 19e eeuw varen nog altijd in vrijwel hun oorspronkelijke hoedanigheid. Al weten we niet hoe deze schepen er bij de bouwer hebben uit gezien. Met de komst van de fotografie is de werkelijke vorm zichtbaar gemaakt (ca.1880). Slecht onderhoud van het eikenhout bewerkstelligd het verval in hoge mate. Uitzakken en vervorming liggen altijd op de loer. Bijna alle Friese jachten zijn op het oog gebouwd. Veel van de Friese jachten hebben na restauraties en reparaties een ander, vaak minder elegant uiterlijk gekregen dan ze in eerste instantie hadden. Na afnemende populariteit als pleziervaartuig in de eerste helft van de twintigste eeuw, werden er tussen 1953 en 2012 een aantal nieuwe Friese jachten van eikenhout waarvan de meeste van de hand van Pier Piersma uit Heeg zijn. In dezelfde periode zijn er een aantal Friese jachten gebouwd van staal, aluminium en polyester. Bij Friese jachten is de hand van de bouwer altijd te herkennen. Vrijwel alle bekende tekeningen van Friese jachten zijn opmetingstekeningen en geen bouwtekeningen. Er is slechts één uitzondering bekend uit 1885. Uit de nalatenschap van de werf van N.A. Bernhard uit Nieuwendam is een bouwtekening van een tjotter (lees: Fries jacht) van 5.40m lengte bewaard gebleven. Pas na 2003 zijn er weer drie Friese jachten volgens bouwtekening gemaakt. (Windbreker / Van Son, Anna / Hoek, Jantien /Hoek).

3. Tuigage

De Friese jachten hebben een tuig dat bestaat uit grootzeil en fok. Het zijn hoge smalle tuigen die meestal voorzien zijn van één of twee reven. De mast staat ongestaagd in een zware mastkoker en is voorzien van een contragewicht om de mast makkelijk op handkracht te kunnen strijken. De mast scharniert op de mastbout en is met het contragewicht gebalanceerd. In Friesland was de masttop boven de hommer “kort”. In Holland werden langere masttoppen blijkbaar beter gewaardeerd. Deze masttop is tegenwoordig algemeen gebruikt.

De fok wordt gevoerd op een botteloef en steekt ruim voor de voorsteven uit. Het grootzeil heeft een losse broek, wordt met rakbanden aan de mast gehouden, bovenin zit het grootzeil met een marllijn aan de gebogen gaffel bevestigd. De giek steekt aan de achterzijde buiten het roer uit. De grootschoot grijpt ongeveer in het midden van de giek aan. Soms zelfs ervoor.

Kenmerken van het Friese jacht

1. Het Friese jacht als voormalig bedrijfsvaartuig

Slechts van een paar nog bestaande Friese jachten weten we dat ze bedrijfsmatig gebruikt werden, maar zij vormen hiermee een uitzondering. De oudsten die we kennen is de Lytse Bever uit 1820 (plaquettenummer 239), de Njord uit 1867 (plaquettenummer 11) en de Nut en Nocht uit 1908 (plaquettenummer 673). De laatste werd gebruikt voor het vervoer van lijnoliekoeken. Om extra ruimte in de kuip te hebben is de mast extra voorlijk geplaatst. Zoals de naam al aangeeft werd het schip naast het Nut tevens voor het Nocht gebruikt. Deze schepen waren oorspronkelijk sober uitgevoerd. Hun versieringen zijn van later datum. Vermoedelijk heeft de fameuze uit het water klimmende bever het roer van de Lytse Bever altijd gesierd. Deze schepen zijn iets robuuster dan de als jacht gebouwde tegenhangers.

2. Het Friese jacht als pleziervaartuig

Zoals hiervoor al aangegeven werden en worden de Friese jachten sinds hun bouw en vermelding in de werfboeken van Van der Zee gebruikt als pleziervaartuig. Recreatief en om in voorkomende gevallen mee te wedstrijdzeilen.
Vrijwel alle Friese jachten zijn gebouwd “op het oog”. Ze verschillen allemaal ten opzichte van elkaar. Van de Friese jachten die in de schepenlijst van de SSRP zijn opgenomen varieert de lengte over de steven tussen 4.95m (plaquettenummer 2008) en 7.50m (plaquettenummer 293). Van foto’s en uit bronnen weten we dat er open jachten geweest zijn met een lengte over de stevens van meer dan acht meter. Hiervan zijn geen voorbeelden bewaard gebleven. Wel weten we dat de boeier Maartje (plaquettenummer 4) oorspronkelijk als Fries jacht gebouwd is geweest, maar vervolgens door haar bouwer getransformeerd is tot boeier. Hiertoe werd het schip tot het berghout afgebroken alvorens het weer opgebouwd kon worden. Wanneer we dit schip meerekenen dan zou de grootste lengte van een Fries jacht 8.08m mogen zijn.
De Friese jachten zijn open vaartuigen al dan niet met een vast voordek, een kromme voorsteven en een berghout, de achtersteven staat net niet loodrecht en als tuig voeren ze een boeiertuig. De voorsteven wijst over het algemeen met een punt omhoog.
Friese jachten hebben over het algemeen:

  • een boeierroer;
  • een boeiersteven;
  • kluisborden;
  • beretanden;
  • slemphouten;
  • een botteloef die om de voorsteven grijpt;
  • snijwerk en ingeschaafde biezen op het boeisel;
  • snijwerk in de boot.

Echter, deze laatste details zijn zeker niet bepalend en niet te gebruiken als kenmerk voor het type. In combinatie met de details hiervoor geschreven zijn ze mede bepalend. Kluisborden, beretanden, boeisels, bedelbalk, hennebalk, roer en vlaggenstok knop zijn vaak rijk versierd met gepolychromeerd of verguld snijwerk.
Het berghout bij een Fries jacht is een wezenlijk onderdeel . Het bepaald in sterke mate de constructie en het aanzien, de zeeglijn, van de boot. Het kan op verschillende manieren geconstrueerd zijn. Meestal is het een onderdeel van de constructie en geeft het het schip extra stijfheid, zowel in langs- als dwarsverband. Het berghout zit ingeklemd tussen de berghoutsgang en het boeisel en is in het schip zichtbaar. Soms zijn de berghouten, vooral in de bochten, zodanig geconstrueerd dat ze vooral het “oog” dienen. Ze zijn dan op het boeisel gemonteerd en hebben dan primair een esthetische functie.
Dat een berghout bepalend is voor de zeeg van het schip is duidelijk. Maar de zeeg is nooit extreem. Bij de voorsteven zit de onderkant van het berghout circa tien centimeter hoger dan de bovenkant van het berghout bij de achtersteven. Het berghout bij de voorsteven komt net boven het hoogste punt van het boeisel op het grootspant uit.
Ieder Fries jacht heeft een boeisel maar niet ieder open rond jacht met een berghout is een Fries jacht.
De hellingshoek van het boeisel is groter dan dat van de boeiers. Immers door het boeisel meer valling te geven, en daarmee de kuip smaller te maken zal het water, zeilend, langer buiten worden gehouden. Per schip is deze hoek verschillend.
De grootspantvorm is per schip anders. Het varieert van een bijna plat vlak met een scherpe kim, tot rond en gepiekt. De schepen zijn alle gebouwd vanaf een kielplank waar de stevens op gezet zijn. De kimtilling kan in incidentele gevallen 13ᵒ zijn.
Zoals al aangegeven is een Fries jacht een open vaartuig. Er is een periode geweest dat veel Friese jachten voorzien werden van een kajuit. Echter vanwege de hellingshoek van het boeisel kan een dergelijk schip niet als boeier worden aangemerkt. Een boeier heeft de boeisel steiler staan. Wanneer de zwaarden “in rust” staan, blijft het gangboord langs de kajuit min of meer begaanbaar. Bij een Fries jacht zijn de gangboorden met de zwaarden “in rust” niet begaanbaar.

3. Algemene kenmerken van een Fries jacht

  • kromme voorsteven
  • ronde aanzichten
  • duidelijke zeeglijn op het berghout
  • berghout
  • weinig, maar duidelijk aanwezig, verschil in hoogte tussen voor- en achtersteven
  • voorsteven hoger dan achtersteven
  • bijna vlakke boeisellijn
  • eivormige waterlijnen met de grootste breedte voor
  • grootste breedte op het doft
  • brede zwaarden voor het binnenwater
  • karveel gebouwd van tenminste drie gebrande gangen
  • ingezaagde spanten
  • zwaar massief zeilwerk
  • mast met contragewicht
  • mast staat licht achteroverhellend op ongeveer 37% van de lengte van de steven

4. Kenmerkende verhoudingen

De data van bijna alle Friese jachten zijn verzameld en gepubliceerd in het boek Het Friese jacht uit 1992 geschreven door de heer Dr Ir J. Vermeer. Alle door hem vermelde gegevens zijn representatief. De hierna vermelde gegevens zijn getrokken uit deze data. Ze zijn te vinden op de bladzijden 236 t/m 239 van dit boek.

Lengte over de stevens gemiddeld: 5.75m spreiding (4.95m - 7.50m)
Breedte op de huid (zonder berghout) gemiddeld: 2.45m spreiding (2.00m - 2.92m)
Holte gemiddeld 1.04m spreiding (0.79m - 1.36m)
Totaal zeiloppervlak gemiddeld 29.08m2 spreiding (19.1m2 - 48m2)
Lengte/breedte verhouding gemiddeld 2.32:1 spreiding (2.16:1 - 2.61:1)
Plaats mast / lengte over de stevens gemiddeld 0.376 spreiding (0.354 - 0.414)

5. Meetschema dat de heer Vermeer gebruikte voor het bepalen van maten van Friese jachten (zie bladzijden 282 en 283 van “Het Friese jacht”)

6. De verhoudingen zijn gebaseerd op de statistische verwerking van de volgende representatieve jachten

Argo 1895 Van der Zee  (opm.tek. L.Stelwagen) *) plq. 10
Neptunus 1918 Van der Zee  (opm.tek. P.Postma en W.Zijlstra) plq. 26
Mercurius 1868 Van der Zee  (opm.tek. J.K.Gipon) plq.   8
Bestevaer 1953 Lantinga  (opm.tek. G.ten Cate en H.Pels) plq. 37
Rode Leeuw ovbh 1915 Lantinga  (opm.tek. J.Vermeer) plq. 75
Jansje Maria 1941 Lantinga  (opm.tek. G.ten Cate) plq. 223
Nut en Nocht 1908 Lantinga  (opm.tek. J.Vermeer) plq. 673
Poseidon 1909 Visser (opm.tek. J.Vermeer) plq. 120
Reiddomp 1918 Van der Werf (opm.tek.  J.J.Kooy) plq. 302
Wytske 1887 Croles (opm. tek. R.van Son) plq. 58
Union 1885 N.A.Bernhard (bouwtek. H. Bernard/ H.L. van Breen) verdwenen

*) De Argo is als één van de eerste ronde en platbodemjachten na de oprichting, en in opdracht van, de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten opgemeten en getekend.

Publicaties over het Fries jacht in het Stamboekarchief

Musea

In de schepenhal van het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen staat het Friese jacht Neptunus (Van der Werf Britswerd 1920) permanent opgesteld en is daar te bekijken. Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam heeft het Friese jacht Drie Gebroeders in haar collectie.

Het Friese jacht in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

C.J.W. van Waning schrijft in het hoofdstuk Het Friese jacht:
De benaming Fries jacht is betrekkelijk jong en de ontwikkeling van het type niet geheel duidelijk. Wellicht is een zeker verband aanwezig met de open 'jachten', die als beurtscheepjes in de Zuidwest-hoek van Friesland dienst deden. Het woord 'jacht' is hier gebruikt in de oude betekenis van snelzeilend vaartuig en het is mogelijk dat mede door deze eigenschap deze scheepjes in luxueuzer uitvoering als plezierjacht ingang vonden. 'De Lytse Bever', gebouwd in 1820 en in 1960 gerestaureerd, is zo'n voorbeeld van een open beurtscheepje. Het éérste Friese jacht is waarschijnlijk de thans nog varende Mercurius, die in 1868 door Eeltje Holtrop van der Zee - die zelf alleen van 'jacht' sprak - werd gebouwd voor de som van f 800.-.

Ronde en Platbodemjachten - Standaardwerk onder redactie van Mr. Dr. T. Huitema
Tekening van het Fries jacht 'Mercurius'

Het feit dat Eeltsjebaas later bij de bouw van nieuwe jachten verwijst naar dit schip is mogelijkerwijs een aanwijzing dat de 'Mercurius' inderdaad het prototype is van een nieuw type, dat men later `Fries jacht' ging noemen. Merkwaardig is dat Eeltsjebaas in hetzelfde jaar 1868, maar een goede maand eerder, nog een open jacht afleverde, dat hij echter een 'boot' noemde en dat de kenmerken van een visaak heeft. Dit is de Dolphijn.

Het is de gewoonte het Friese jacht te vergelijken met de tjotter zowel als met de boeier. Men zegt dan dat òf het een grote tjotter is, echter met berghouten en met een smal roer, òf dat het een (kleine) boeier is zonder kajuit. Constructief blijven er echter vrij grote verschillen tussen een verbouwd Fries jacht en een originele boeier.

Toen de toenmalige eigenaar van de (tegenwoordige boeier) Maartje in 1917 op zijn groot Fries jacht een kajuit wilde laten bouwen, weigerde Auke van der Zee aanvankelijk deze opdracht. Hij wilde het werkstuk van zijn vader niet bederven, doch er wel een echte boeier van maken. Dit betekende dat het schip tot onder het berghout moest worden gesloopt en opnieuw als boeier opgebouwd. Behalve bredere berghouten en stuizen, moest een steilere en bredere scheergang en voor- en achterboeisels worden gebouwd. De plaatsing van het dek op de voor een boeier vereiste hoogte maakte een andere constructie nodig, dan bij een Fries jacht gebruikelijk is. Dit is waarschijnlijk het enige geval van een tot een echte boeier verbouwd jacht en illustreert duidelijk dat het van een Fries jacht naar een boeier nog een hele stap is, welke niet met de bouw van een kajuit is gedaan.
Desalniettemin is het gewoonte geworden een rond jacht mèt kajuit steeds een boeier te noemen, omdat het al dan niet aanwezig zijn van een kajuit nu eenmaal een gemakkelijk te herkennen kenmerk is. Daarentegen is het soms minder gemakkelijk uit te maken of men met een tjotter dan wel met een jacht te doen heeft. De meer orthodoxe kenmerken van een Fries jacht zijn: een smal roer en berghouten. De roerkop draagt dan als regel een leeuwtje als roerversiering. Tegenwoordig bestaat echter de neiging reeds van een Fries jacht te spreken wanneer de lengte van het schip vijf meter overschrijdt en berghouten aanwezig zijn. Een scherpe grens tussen Fries jacht en tjotter is echter moeilijk te trekken. Overigens komen constructie en versiering van tjotter en Fries jacht sterk overeen. Het vlak en de boorden van een jacht zijn echter ronder dan bij een tjotter, terwijl de berghouten met een kniestuk, het slemphout, tegen de voorsteven aansluiten. Ook het vlak van een jacht kan gepiekt zijn. Bij een jacht is verder de versiering veelal royaler.

Ten aanzien van het Friese jacht Neptunus, gebouwd in 1918 door Auke van der Zee in Joure, en waarvan de lijnen en constructie in de tekeningen achter in dit boek zijn vastgelegd, kan nog het volgende worden medegedeeld: De romp is karveel gebouwd van 2,5 centimeter dik eikenhout; de kielplank is 3 centimeter dik. Voor- en achtersteven zijn 8 centimeter dik; voor de scheg is een zware eiken klos gebruikt van 18 centimeter dikte naar achteren toe verjongd op de stevendikte van 8 centimeter. Inhouten en leggers zijn eveneens van eikenhout, 7 centimeter dik, in het model gezaagd uit krommers. Doorsnede van inhout en legger is 7 x 7 centimeter; de leggers zijn op de kiel echter 12 centimeter hoog. Zeilwerk en mastkoker zijn van eikenhout. Onder de mastbank vier zware brede inhouten; de ruimte tussen deze inhouten is geheel gevuld met de zware zeilwerk-legger, welke in het midden circa 25 centimeter hoog is, en naar de kimmen op niets uitloopt. In deze legger is de mastkoker-voet verkeept. De mastbank is 10 centimeter, en de kokerwangen zijn 9 centimeter dik. Voor de mast, op dezelfde hoogte als de mastbank, is een uitneembare losse eiken plecht gemaakt, ook wel aangeduid met de naam 'voorhouten'. Achter de mast zijn aan weerskanten, van voor tot achter, losse eiken banken aangebracht, welke tevens als bergplaats dienen. De vloeren zijn van geverfd vurehout. Het gesmede ijzerwerk, botteloef, roerhaken, zwanehals en scepters zijn zeer massief uitgevoerd. Volgens oude traditie behoort bovengenoemd ijzer- en koperwerk blankgeschuurd en gepoetst te zijn, doch tegenwoordig wordt veelal aluminium verf gebruikt.
Het profiel der sleepijzers om de zijzwaarden is scherp. De zijkanten der zwaardkoppen, de achterkant van het roer, de bovenkant van de mastkoker en de bovenkant der bedelbalken zijn met geelkoper beslagen. Roer en zwaarden zijn van eikenhout; roer 6 centimeter dik, naar achteren tot op 3 centimeter bijgeschaafd; de zwaarden 3+ centimeter dik. Mast en giek zijn van grenehout; de kromme gaffel van taai essehout; doorsnede mast in de koker 20 x 20 centimeter; grootste doorsnede giek in het midden 13 centimeter. Het contragewicht van de mastvoet bestaat uit een vast blok en 10 losse loodplaten, totaal circa 400 kg zwaar. Verdeeld over verschillende, tussen inhouten en leggers passende ijzeren blokken, is er nog 400 kg ballast aangebracht, terwijl in de wedstrijd zakjes met zand worden meegevoerd.
Op de vloeren na is alles in blank gelakt eikenhout uitgevoerd. Het houtwerk onder de waterlijn (buiten), onder de vloer (binnen), het boeisel en de buitenkant der berghouten zijn echter geverfd. Huidnaden gebreeuwd en gepekt. Kenmerkend bij een Fries jacht is de bijzonder fraai met houtsnijwerk versierde bedelbalk, zowel voor als achter. Kluisbord en boeisels zijn eveneens voorzien van houtsnijwerk, dat verguld behoort te zijn, evenals het leeuwtje op het roer.
Het bovenste deel der boeisels is zwart geverfd, met drie groene en één witte (ingeschaafde) bies; de buitenkant berghouten is zwart, met onder en boven een witte bies; zwaardkoppen, roerkop en masttop zijn zwart geverfd.

De tekeningen van het Friese jacht Neptunus (Auke van der Zee Joure, 1918, plaquette 26)

Het Friese jacht in het Standaardwerk van Dr. Ir. Jaap Vermeer (1992)

Wat is een Fries jacht?

Het type zeilvaartuig, dat in deze publicatie aan de orde komt, behoort tot de grote familie van traditionele Nederlandse ronde en platbodemvaartuigen, bestemd voor onze ondiepe kust- en binnenwateren. Dit vaargebied veroorlooft slechts een geringe diepgang; deze schepen zijn dan ook gebouwd met een platte of ronde bodem zonder diepe kiel. Ter vermindering van de drift bij het (aandewindse) zeilen zijn zij voorzien van zijzwaarden.

Het vaartuig, dat wij tegenwoordig 'Fries jacht' noemen, behoort tot de kleinere niet-overdekte zeilscheepjes, uitsluitend geschikt voor de binnenwateren. Met de boeier en de tjotter wordt het gerekend tot de groep van zogenaamde ronde jachten, die in ons land al op een geschiedenis van meer dan drie eeuwen kunnen bogen. Op schilderijen uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw vinden wij deze scheepjes veelvuldig afgebeeld, in vorm en inrichting vrijwel gelijk aan zoals ze heden nog bestaan. Een fraai voorbeeld hiervan is het bekende schilderij van Abraham Storck (1635-­1710), voorstellende het spiegelgevecht op het IJ voor Amsterdam ter ere van tsaar Peter de Grote op 1 september 1697, aanwezig in het Rijksmuseum "Nederlands Scheepvaart Museum". Ook in musea en bij enkele particulieren bewaard gebleven oude scheepsmodellen leggen hiervan getuigenis af. In ons kader is interessant het door de kunstschilder Dirk Piebes Sjollema (1760-1840) gebouwde model van een open jacht. Het is gedateerd 1811 en bevindt zich nog steeds in het bezit van een directe nazaat van de maker.

Het Friese jacht - Standaardwerk van Dr. Ir. Jaap Vermeer

Algemeen kan men het ronde jacht als volgt ka­rakteriseren

In deze publicatie gaan wij niet uitvoerig in op de geschiedenis en ontwikkeling van dit scheepstype. Daarvoor zij verwezen naar het standaardwerk "Ronde en Platbodemjachten", dat in 1962 onder redactie van mr dr T. Huitema voor het eerst verscheen en waarvan in 1987 een zesde herziene druk onder auspiciën van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten werd uitgegeven. De geschiedenis van de pleziervaart in Nederland is onlangs uitvoerig beschreven door F. Jorissen, J. Kramer en J. Lengkeek in het gedenkboek dat ter gelegenheid van het eeuwfeest van het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond (KNWV) in samenwerking met het Rijksmuseum "Nederlands Scheepvaart Museum" is uitgegeven onder de titel "Het water op, 400 jaar pleziervaart in Nederland". Bovendien geven de artikelen van R. Vorstman in het tijdschrift "Spiegel der Zeilvaart" jrg. 6 (1982) no. 8 en 10 en jrg. 7 (1983) no. 1, 7 en 8 onder de titel "Pleziervaartuigen in de 17de en 18de eeuw" een indruk van het 'spelevaren' in vroeger tijden.

Algemeen kan men het ronde jacht als volgt karakteriseren:

  • een op stevens karveelgebouwd zeilvaartuig met relatief brede zijzwaarden de voorsteven is gekromd
  • de buitenomtrek is min of meer eivormig de verhouding van lengte over de stevens tot grootste breedte ligt meestal tussen 2,2 en 2,8, gemiddeld op circa 2,4
  • de grootste breedte is gelegen op ongeveer één derde tot vier negende van de lengte over de stevens
  • het is getuigd met een bezaantuig met kromme gaffel en losse broek
  • de fok is gehalsd op een ijzeren botteloef.

De benaming Fries jacht als aanduiding voor een specifiek type zeilvaartuig is betrekkelijk nieuw. Eigenlijk pas sedert de opstelling van de schepenlijst van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten (opgericht in 1955) wordt deze benaming consequent gebruikt voor een rond jacht met de volgende kenmerken:

  • een open rond zeilvaartuig, in grootte te rangschikken tussen boeier en tjotter
  • voorzien van berghouten
  • met een lengte over de stevens van 5 meter of meer.

De aanwezigheid van een berghout, ingebouwd tussen de bovenste huidgang en de boeiselgang, is voor het verkrijgen van een hechte en stijve constructie vanaf genoemde lengte noodzakelijk en wordt tegenwoordig als het typerende kenmerk beschouwd. Evenals de boeier heeft een Fries jacht verder meestal kluisborden en beretanden aan weerszijden van de voorsteven, voorts een smal roer, bekroond met een leeuw of ander symbolisch dier. Deze laatste kenmerken zijn evenwel niet doorslaggevend voor de typering; er komen open ronde jachten voor zonder beretanden en kluisborden en/of met een breed roer (zoals bij tjotters), die zonder voorbehoud tot het type gerekend worden.
De boeier onderscheidt zich van het Friese jacht, door de aanwezigheid van een kajuit. Er zijn echter ook constructieve verschillen, die mede het gevolg zijn van de functionele inrichting. Bij de boeier staan met name de boeisels wat minder schuin en zijn zij in voor- en achterschip wat breder dan bij het Friese jacht. Een van oorsprong open jacht, dat later van een roef is voorzien, mag daarom niet zonder meer een boeier genoemd worden.
Met tjotter wordt tegenwoordig het kleinste type open ronde schepen aangeduid, met een lengte over de stevens van minder dan 5 meter. In afwijking van het Friese jacht heeft de tjotter geen berghout. In plaats daarvan is de bovenkant van de bovenste huidgang voorzien van een ijzeren of koperen halfrond, dat als stootrand dienst doet. Ook ontbreken kluisborden en beretanden.
De naam tjotter is - in tegenstelling tot wat men zou denken - niet van Friese oorsprong. Hij duikt voor het eerst op in 1847 bij zeilwedstrijden in Amsterdam. Buiten Friesland werd het gewoonte om elk open rond jacht met deze naam aan te duiden, ongeacht lengte en zonder onderscheid in kenmerken, wat zich handhaafde tot ver in de 20ste eeuw.

Bijvoorbeeld, in het reglement voor zeilwedstrijden, opgenomen in het "Handboekje der Verbonden Zeilvereenigingen" (opgericht in 1890 en voorloper van het huidige KNWV) uit 1922, vindt men in Deel V, Klassen van Ronde en Platbodemjachten, vermeld:
"In de klassen OD, OE en OF worden alleen opgenomen tjotters (waarbij ook zgn. "Friesche jachten") . . . , die voldoen aan de volgende maximum afmetingen:

Opvallend is, dat open ronde jachten tot de grootst voorkomende (c.q. -toegelaten) lengte van 7 meter tjotter worden genoemd. In tijdschriften als "De Watersport" (vanaf 1912), "Ons Element" (vanaf 1920) en "De Waterkampioen" (vanaf 1927) komt men in verslagen van zeilwedstrijden voortdurend deze betiteling tegen. Vaak worden de klassen aangeduid als `Groote tjotters', 'Middel tjotters' en 'Kleine tjotters'.
In Friesland werden van oudsher alle open zeilvaartuigen boot genoemd, ook de grotere tot circa 7 meter lengte. In de bewaard gebleven werfboeken van de vermaarde negentiende-eeuwse Friese scheepsbouwer Eeltje Holtrop van der Zee komt de aanduiding tjotter in het geheel niet voor. De vele tientallen door hem gebouwde open zeilschepen worden meestal met boot aangeduid. Pas bij zijn zoon Auke van der Zee verschijnt in 1916 voor het eerst de aanduiding tjotter voor een jachtje van 4,80 m. Daarentegen vinden wij in de werfboeken enkele malen de benaming jagt gebruikt, in totaal acht maal op een productie tussen 1853 en 1918 van in totaal 27 open vaartuigen die aan onze eerdere definitie beantwoorden.
Het onderscheid dat tussen boot en jagt wordt gemaakt moeten we naar alle waarschijnlijkheid zoeken in het gebruiksdoel. De benaming boot duidt er ons inziens op, dat het betreffende vaartuig in overwegende mate was bestemd voor dagelijks gebruik, dus voor personenvervoer of voor bedrijfsdoeleinden. Het waterrijke gedeelte van Friesland kende immers in de 19de eeuw over het algemeen meer goede waterwegen dan landwegen. Het gebruik van het woord jagt zou dan betekenen, dat het een echt pleziervaartuig betrof, waarbij de opdrachtgever zich een wat duurdere en daarmee luxueuzere uitvoering veroorloofde.
We vinden bevestiging van deze veronderstelling de eerste keer dat we bij Eeltjebaas de benaming jagt tegenkomen. Dat is in 1861, en wel twee maal. Beide keren betreft het opdrachtgevers van buiten Friesland, C. Kunst te Dordrecht en de heer Kistmaker te Amsterdam. Deze jachten waren respectievelijk 24 voet (6,80 m) en 21 voet (5,95 m) lang en er staat bij genoteerd, dat ze waren versierd met snijwerk en koper. Het zullen dus zeker pleziervaartuigen geweest zijn.
Nog zesmaal komt in de werfboeken van de Van der Zee's de aanduiding jagt voor. Het is opmerkelijk, dat van deze zes jachten er vijf nog bestaan, zij het dat één ervan, de grootste, later door Auke van der Zee tot een echte boeier is verbouwd. Wij komen hierop bij de bespreking van de door de Van der Zee's gebouwde jachten terug.
Ook in wedstrijdaankondigingen in Friesland vinden we de open typen van ronde schepen vroeger bijna uitsluitend aangeduid als jachten en boten. Bijvoorbeeld: Bij de Zeilvereeniging "Oostergoo" is in 1882 de 2de klasse opengesteld voor "Jagten en Boeijers", de 3de klasse voor "Booten boven 4,8 meter tot 6,2 meter". Nog in 1919 vermeldt het programma in de 5de klasse "Jachten en Booten (bestuurd door heeren liefhebbers)". Bij de Zeilvereeniging "Frisia" vindt men nog tot 1924 deze benamingen. Alleen de Zeilvereeniging "Sneek" gebruikte al vroeg de aanduiding "tjotter" in de klasseindeling en wel voor het eerst in 1882. In het wedstrijdreglement van de Noord-Nederlandsche Watersportvereenigingen, zoals dat werd vastgesteld in de vergadering van 7 juni 1921 in Hotel "De Wijnberg" te Sneek, werden de klassen van ronde jachten als volgt omschreven:

  • Boeiers, lengte t/m 9 M
  • Jachten, lengte t/m 7 M
  • Jachten, lengte t/m 5,60 M
  • Jachten, lengte t/m 4,80 M breedte t/m 2,50 M.

Alle open ronde zeiljachten worden "jacht" genoemd, ook de kleinste beneden 4,80 meter. Opvallend is, dat de grenzen tussen de klassen in dit reglement dezelfde zijn als die welke in het "Handboekje der Verbonden Zeilvereenigingen" voor de tjotterklassen OD, OE en OF in 1922 werden vastgesteld. Kennelijk is op het punt van de klasseindeling overleg geweest en overeenstemming bereikt tussen de beide organisaties. Dat blijkt ook uit de toevoeging in het "Hollandse" reglement achter tjotters: "waarbij ook zgn. Friesche jachten". Het feit, dat dezelfde typen ronde jachten in "Holland" tjotter en in "Friesland" jacht werden genoemd vormt een duidelijk bewijs, dat de naam tjotter niet van Friese oorsprong is.
Een streven naar uniforme aanduiding wordt nu merkbaar. In 1923, bij haar 75-jarig bestaan Koninklijk geworden, vinden wij bij de Z.V. "Oostergoo" in haar deelnemerslijsten de klassen open schepen nu "Friesche jachten" genoemd. Ook het gebruik van de naam tjotter dringt in Noord Nederland door. In 1925 schrijft de K.Z.V. "Oostergoo" twee klassen open ronde jachten uit en wel: Klasse 2 "Friesche jachten (lengte t/m 7 M)" en Klasse 3 "Tjotters (lengte t/m 5,2 M)". De benaming "Booten" komen we vanaf 1925 niet meer tegen.
Geleidelijk aan werd de naam tjotter meer en meer beperkt tot de klasse van boten van 4,8 meter en daaronder. De grootste daarvan, 4,8 m lang en circa 2,4 m breed - dus met een lengtebreedte verhouding van ongeveer 2 : 1 - werden in Friesland "fjouwerachten" genoemd. Tot de ontwikkeling van dit type heeft met name Eeltje Holtrop van der Zee in hoge mate bijgedragen. In later jaren onderscheidt men dan in Friesland grote tjotters (deze fjouwerachten) en kleine tjotters (met afmetingen 4,70 x 1,90 m).
In Holland is de benaming tjotter nog lang in gebruik gebleven voor alle typen open ronde jachten, zoals blijkt uit wedstrijdverslagen uit de jaren twintig en dertig van bijvoorbeeld de K.Z.R.M.V. "De Kaag", de Rotterdamsche Z.V., de Z.V. "Hillegersberg" en de W.V. "Loosdrecht". Dit komt ook duidelijk tot uitdrukking in het Nederlandsch Jachtregister van 1924-1925, een gezamenlijke uitgave van de A.N.W.B., Toeristenbond voor Nederland en de Koninklijke Verbonden Nederlandsche Watersportvereenigingen K.V.N.W.V. Met dit register poogden deze organisaties een inventarisatie te geven van alle op dat moment in Nederland in gebruik zijnde pleziervaartuigen, zowel zeiljachten als motorjachten. In totaal staan in dit Jachtregister 1395 zeiljachten vermeld, waaronder 231 houten ronde jachten. Van deze laatste hebben er 69 de typeaanduiding "boeier", 3 staan als "open boeier" vermeld, 9 als "Friesch jacht" en 150 als "tjotter".
De typenaam tjotter is hier dus nog geheel dominerend. Waar meer dan de helft van deze 150 tjotters langer is dan 5 meter, tot 7,8 meter toe, zouden deze - naar hedendaagse norm tot de Friese jachten gerekend moeten worden. De negen, die in het Jachtregister wel met die naam worden aangeduid, hebben alle een Friese eigenaar en/of zijn in Friesland gebouwd. Alle andere als Fries jacht te beschouwen schepen, zowel van Friese als van buiten Friesland wonende eigenaren, staan vermeld als tjotter, ook als ze in Friesland zijn gebouwd.
Opvallend is, dat zes van de negen "Friesche jachten" afkomstig zijn van de Jouwster werf van Eeltje en Auke van der Zee. Dit wijst er wel op, dat de door de Van der Zee's gebouwde jachten in de ontwikkeling van het type een bijzondere plaats innemen. Wij komen daar in het navolgende nog nader op terug.
Samenvattend concluderen wij als volgt: Het onderscheid, dat wij tegenwoordig (terecht) maken tussen Fries jacht en tjotter, is van betrekkelijk recente datum. Alle open ronde jachten werden in Friesland boot genoemd, elders heetten ze tjotter. In Friesland was de naam tjotter aanvankelijk onbekend. Onderscheid in grootte of bouwwijze kwam in de benaming niet tot uitdrukking. Met het opkomen van de georganiseerde watersport na 1890 vond de naam tjotter echter ook verbreiding in Friesland. De oorsprong van het gebruik van de aanduiding Fries jacht is niet met zekerheid aan te wijzen. Waarschijnlijk heeft dit te maken met de dominerende positie in de jachtbouw van Eeltje Holtrop van der Zee aan het einde van de vorige eeuw. Deze gebruikte voor enige van zijn wat grotere en meer luxueus uitgevoerde, uitsluitend voor pleziervaart bestemde "boten" de betiteling "jagt". Buiten Friesland werden deze schepen dan "Friesch jacht" genoemd. Pas na het ontstaan van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten werden de typenamen Fries jacht en tjotter systematisch gebruikt in de zin als aan het begin van dit hoofdstuk beschreven.

Vorm, constructie en inrichting

Inleiding

Allereerst is het dienstig eerst een algemene karakteristiek te geven van wat wij heden onder een Fries jacht verstaan. Een en ander laten wij voorafgaan door een korte historische inleiding.
De bouw van schepen, jachten en boten voor de binnenvaart berustte eeuwenlang op de toepassing van overgeleverde principes en bouwmethoden. Traditie beheerste het scheepsmakers-ambacht in hoge mate. De verschillende typen van schepen werden gebouwd met gebruikmaking van mallen en vaste verhoudingen. In het begin van de negentiende eeuw is het Folkert Nicolaas van Loon (1775 - 1840), die zich veel moeite geeft verbeteringen te introduceren in de vastgeroeste tradities in de binnenvaartscheepsbouw. Hij constateerde, dat in zijn tijd bij de bouw van een binnenvaartuig bijna uitsluitend aandacht werd besteed aan laadinhoud, drijfvermogen en hechtheid van constructie en veel te weinig aan bezeilbaarheid en snelheid van het schip. Zijn ideeën betreffende verbeteringen in de scheepsvorm baseerde hij op waarnemingen van de lichaamsvorm van vissen en vogels; bovendien voerde hij experimenten uit met scheepsmodellen op verkleinde schaal, ruim 50 jaar vóór William Froude daarvoor de wetenschappelijke basis legde! De uitkomsten van zijn beschouwingen legde hij vast in meetkundige scheepstekeningen, wat voor de binnenvaartschepen een novum betekende. Twee publicaties in boekvorm van zijn hand zijn in 1980 in facsimile opnieuw uitgegeven 2,3.
Voor ons is van belang, dat verschillende ontwerpen van Van Loon, waaronder een aantal boeiers, zijn gerealiseerd door de scheepsbouwmeester Eeltje Teadzes Holtrop te IJlst, wiens werf bij zijn dood in 1848 werd voortgezet door zijn kleinzoon Eeltje Holtrop van der Zee. Weliswaar was het streven van Van Loon er in de eerste plaats op gericht verbeteringen te introduceren in de scheepsvorm van vrachtschepen, zodat ze betere zeileigenschappen kregen en daardoor ook hogere snelheden konden bereiken. Zijn principes kon Van Loon des te gereder toepassen bij de door hem ontworpen pleziervaartuigen, met name bij de boeiers die hij in IJlst liet bouwen. Wij mogen daarom rustig aannemen, dat kleinzoon Eeltje later zijn voordeel heeft gedaan met de destijds vooruitstrevende ideeën van Van Loon. W.F. Broos, de auteur van de boven aangehaalde studie 1gaat zelfs zover te stellen, dat: ... de latere roem die uitging van de scheepswerf van de bekende Eeltsjebaes te IJlst en diens kleinzoon Eeltje Holtrop van der Zee te Joure. zeer waarschijnlijk is te danken aan de omstandigheid, dat indertijd Van Loon persoonlijk zijn stempel heeft kunnen drukken op de op deze werf ontwikkelde werkwijze . . . Dat is dan ook de reden dat we geneigd zijn te stellen, dat de talrijke schepen, welke in de tweede helft van de 19e eeuw en de eerste decennia van deze eeuw op de Jouster werf van stapel zijn gelopen . . . in overdrachtelijke zin gezien kunnen worden als evenzovele geesteskinderen van het vernuft van Folkert Nicolaas van Loon.

De principes van Folkert Nicolaas van Loon

Aangezien de ideeën van Folkert Nicolaas van Loon grote invloed hebben gehad op de meest begaafde negentiende eeuwse Friese jachtbouwer, Eeltje Holtrop van der Zee, zullen we nu eerst de uitgangspunten, die Van Loon bij zijn scheepsontwerpen binnen de gegeven beperkingen trachtte te realiseren, samenvatten. Wat de scheepsromp betreft komen deze op het volgende neer:

  1. De belijning mag nergens stilstand vertonen, d.w.z. dat nergens een rechte lijn mag optreden, noch langs de kiel, noch in de zijden, noch in de dwarsdoorsneden.
  2. De horizontale doorsneden van het schip (de waterlijnen) moeten een vloeiend ovale vorm hebben met, tenminste onder het wateroppervlak, scherp toelopende einden.
  3. De grootste breedte en de grootste diepte moeten liggen op 2/5 van de lengte van voren gerekend.
  4. De grootste breedte moet groter zijn dan 1/5, bij voorkeur ongeveer 1/3 van de lengte.
  5. De voorsteven moet matig vallen, de boegen in het voorschip moeten meebuigen met de helling van de voorsteven, waardoor een steile botte kop vermeden wordt.
  6. De achtersteven stelle men zo steil mogelijk, liefst vertikaal.
  7. De beste plaats voor de (vertikale) mast is op 1/3 tot 7/20 van de lengte.

Opgemerkt zij nog, dat een aantal van Van Loon's ontwerpen, in het bijzonder die bestemd voor de binnenvaart, een in het achterschip gepiekte bodem vertoont. Dit komt voort uit zijn streven een geveegd achterschip te verkrijgen, dat het water gemakkelijk loslaat. In dit verband citeren wij hier de volgende uitspraak: . . . Men dient de zijden, evenzeer naar den achtersteven te laten geeren als de einden van den bodem naar boven te ligten. . . Overigens is een hoekige kim, mits de scheepsvorm voldoet aan bovengenoemde eerste twee eisen en de zijden niet loodrecht maar gebogen oprijzen, volgens Van Loon zeker geen nadeel; het schip zal ermee hoog aan de wind kunnen zeilen.
Tot zover de ideeën van Folkert Nicolaas van Loon, die ons nu zo bekend voorkomen, maar meer dan 150 jaar geleden met klem bepleit moesten worden.

Algemene karakteristiek; bouwwijzen en rompvormen

In het begin van hoofdstuk "Wat is een Fries jacht?" is het Friese jacht als volgt gekarakteriseerd:

  • een op stevens karveelgebouwd open zeilvaartuig met relatief brede zijzwaarden
  • voorsteven gekromd
  • buitenomtrek min of meer eivormig verhouding lengte over de stevens tot grootste breedte meestal tussen 2,2 en 2,8
  • voorzien van berghouten
  • lengte over de stevens 5 meter of meer
  • grootste breedte op ongeveer één derde tot vier negende van de lengte 
  • getuigd met een bezaantuig met kromme gaffel en losse broek, de fok gehalsd op een ijzeren botteloef.

Het Friese jacht als pleziervaartuig is ontwikkeld uit de Friese boot, zoals ronde zeilvaartuigen in Friesland werden genoemd. Deze boten werden in het waterrijke gedeelte van deze provincie in grote aantallen gebruikt door boeren, kruideniers, fouragehandelaren e.d. voor het vervoer van goederen en personen. Een voorbeeld van een dergelijke bedrijfsboot is de hier afgebeelde "Aaltje" van de fouragehandelaar Harm Speerstra te Warns. De foto, uit omstreeks 1905, toont een scheepje met een lengte van ongeveer 5 meter, met de kenmerken van een Fries jacht, compleet met berghout, echter eenvoudig uitgevoerd zonder kluisborden, snijwerk en koper. Uit de bewaard gebleven werfboeken van Van der Zee blijkt, dat op de Jouwster werf talloze van deze boten zijn gebouwd voor vissers, boeren, schippers en handelaren.
De eenvoudigste bedrijfsboten hadden een plat vlak en daarboven een romp van slechts één of twee gangen. Ze werden IJlster-boten genoemd 4. De bouwwijze uit slechts enkele brede gangen was bepalend voor de hoekige vorm die de dwarsdoorsnede van de scheepjes te zien gaf. De toepassing van meerdere smallere gangen maakte het mogelijk een meer elegante rondere scheepsvorm te verkrijgen, in het bijzonder in voor- en achterschip. Het jachtje "Aaltje" behoort tot deze laatste categorie. Deze bouwwijze, tot elf gangen toe, werd toegepast bij de overwegend voor pleziervaart bestemde luxueus uitgevoerde zgn. jagten.


In de tweede helft van de negentiende eeuw, toen pleziervaart nog een tijdverdrijf voor enkelen was en de vraag naar plezierjachten betrekkelijk gering, was het vooral Eeltje Holtrop van der Zee, die zijn stempel heeft kunnen drukken op het houten ronde jacht. Eeltjebaes was behalve een zeer bekwaam scheepsbouwmeester ook een man met een uitgesproken artistieke visie, het kenmerk van de ware kunstenaar. Zijn vele malen aangehaalde gezegde: ... it lelt d'r al . . . wijst erop, dat hij het nog te bouwen schip in de geest reeds exact voor zich zag. Bij de bouw van zijn jachten en boeiers schijnt hij, voor zover wij weten, nooit gebruik gemaakt te hebben van ontwerptekeningen. Alle door hem gebouwde ronde jachten zijn dan ook `op het oog' ontstaan. De rompvormen die hij nastreefde konden alleen bereikt worden door ze op te bouwen uit een groot aantal in de vereiste vorm gebrande smalle gangen. Eeltje Holtrop van der Zee en ook zijn zoon en opvolger Auke van der Zee bouwden hun jachten bijna altijd met een gepiekte bodem en ronde kimmen. Een uitzondering hierop vormt het jacht "Dolphijn", dat meer de vorm heeft van een visaak met (bijna) plat vlak en hoekige kimmen. Alle andere in Joure gebouwde jachten en ook de aldaar ontstane "fjouweracht"-tjotters 5 hebben een gepiekte bodem, waarin het hoofdspant de vorm van een accolade benadert.

Afb. a toont een tekening 6 waarin voor- en achteraanzicht van het Friese jacht "Argo" zijn gecombineerd. Deze tekening laat de vorm van het gepiekte grootspant duidelijk zien, alsmede het verloop van de naden tussen de gangen in voor- en achterschip. Een typerend kenmerk van de Friese jachten en `fjouwerachten' van de Van der Zee's, vooral van de later gebouwde, is het verloop van de gangen in het voorschip. De bovenste gangen buigen, alvorens tegen de voorsteven aan te sluiten, iets terug, waardoor de typische bolle konen ontstaan. Een haast extreem voorbeeld hiervan is het door Auke van der Zee gebouwde jacht "Neptunus", zoals blijkt uit de tekeningen die zijn opgenomen in 7 en in het aanhangsel gereproduceerd. Ook bij andere bouwers, soms in navolging van Van der Zee, komt men gepiekte jachten tegen, zoals in het volgende hoofdstuk zal blijken.
Bij een aantal jachten treffen wij een zuiver rond grootspant aan. Hiervan geeft afb. b mooi voorbeeld. Het betreft het Friese jacht "Roeland", vermoedelijk gebouwd door Brandsma. Een dergelijke vorm is iets eenvoudiger te bereiken dan een bodem met piek. De onderste gangen behoeven minder scheluw gebrand te worden.
De eenvoudigste, dus goedkoopste wijze van bouwen is die, waarbij het vlak dwars op de scheepsas plat of bijna plat is. De hoger liggende huidgangen sluiten hier met een hoekige kim op aan. Kostenbesparing is inderdaad de reden waarom de meeste jachten afkomstig van de werf van Lantinga te IJlst deze wijze van bouwen vertonen. Immers, de nog bestaande Lantinga-jachten zijn waarschijnlijk alle ontstaan na 1900, toen in toenemende mate geconcurreerd moest worden met het populair wordende en betrekkelijk goedkoop te bouwen scherpe jacht. Dat dwong bij de traditionele ronde jachten tot kostenbesparing door eenvoudiger constructie en minder luxueuze uitvoering. Een typisch voorbeeld van de bouw zoals door Lantinga uitgevoerd, toont afb. c, met het voor- en achteraanzicht van het jacht "De Rode Leeuw" 8. Het zwak gekromde vlak bestaat uit enkele brede delen, waarop boven de hoekige kimmen vier huidgangen aansluiten. Voor zover kon worden nagegaan, zijn alle aan Feike Lantinga toegeschreven Friese jachten op deze wijze gebouwd. Deze bouwwijze sluit dicht aan bij die van de eenvoudige bedrijfsvaartuigen. Dat ook het hiervoor genoemde door Van der Zee gebouwde jacht "Dolphijn" deze bouwwijze vertoont, spruit zeker niet voort uit kostenoverwegingen, maar uit de eis van de opdrachtgever, dat een bun moest worden ingebouwd. Een uitvoerige bouwbeschrijving van dit jacht werd elders door ons gepubliceerd.

Verwijzingen

1 W.F. Broos, 'F.N. van Loon (1775-1840), Een vergeten Friese scheepsontwerper' - Jaarboek van het Fries Scheepvaart Museum 1980, Sneek, alsmede Publicatie van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, pag. 169 e.v.
2 F.N. van Loon, 'Beschouwingen van den Nederlandschen Scheepsbouw met betrekking tot deszelfs zeillaadje' - De Wed. A. Loosjes Pz., Haarlem 1820 (Facsimile uitgave Lykle Jansma, Buitenpost 1980).
3 F.N. van Loon, 'Handleiding tot den burgerlijken scheepsbouw' - H. Brandenburgh, Workum 1838 (Facsimile uitgave Lykle Jansma, Buitenpost 1980).
4 U.E.E. Vroom, 'Vracht- en visserschepen van Eeltjebaas en Aukebaas' - De Boer Maritiem, Weesp z.j.
5 J. Vermeer, 'Beschrijving van de tjotter "Albert en Nelly" ' - Jaarboek van het Fries Scheepvaart Museum 1973 en 1974, Sneek, alsmede Publicatie van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, pag, 30 e.v.
6 J. Loeff, 'Argo, een Fries jacht' - De Waterkampioen, 29(1957)34.
7 'Ronde en Platbodemjachten', red. T. Huitema, 6e druk, De Boer Maritiem, Houten 1987.
8 J. Vermeer, Beschrijving van het Friese jacht "De Rode Leeuw" , - Jaarboek van het Fries Scheepvaart Museum 1977, Sneek

Ouder Zeilend Hout - Visser, Helder en hun ronde jachten op het Paterswoldsemeer

Dit is de pakkende naam die Gerard ten Cate aan zijn pas verschenen boek heeft gegeven. Een foto met daarop het Friese jacht de Zwaluw en een notitie uit 1911 waren voor hem de aanleiding om een zoektocht te beginnen naar ronde jachten op het Paterswoldsemeer. Met de studies van de heren Huitema en Vermeer, uitgegeven als monografie van de SSRP en het boek Het Friese Jacht als beginpunt, is het uiteindelijk een hele klus geworden.

In 2009 werd Gerard gevraagd of hij informatie had over de geschiedenis van de Vereniging Watersport de Twee Provinciën die in 2011 haar 100 jarig bestaan zou vieren. Al met al werd het een hele studie en is er veel aanvullende informatie over bijvoorbeeld de Friese jachten de 'Prinses Juliana', de 'Froukje', de 'Stânfries', de 'Argo', de 'Poseidon', de 'Nelly', de 'Aeolus', de 'Johanna' en de tjotter de 'Vrijheid' gevonden.

Boek Ouder Zeilend Hout - Visser, Helder en hun ronde jachten op het Paterswoldsemeer

Scheepstype Fries jacht: voorbeelden tuigage, voorsteven, botteloef en roer

Voorbeelden tuigage

Voorbeelden van tuigen bij een drietal Friese jachten op drie foto’s. Argo 1895, Poseidon 1909, Bestevaer 1953.

3a. De voorsteven en botteloef van het Friese jacht

De voorsteven van een Fries jacht eindigt over het algemeen in een punt omhoog. Afgedekt met staal beslag. De botteloef is over het algemeen uitgesmeed om de voorsteven en bevestigd met twee bouten door diezelfde voorsteven. Het berghout eindigt over het algemeen in slemphouten die langs de voorsteven lopen. Berghout en slemphouten bepalen de zeeg van het schip in sterke mate. Op de slemphouten tegen het boeisel zijn meestal kluisborden en beretanden geplaatst. Al dan niet versierd met snij- of koperwerk. De botteloef wordt ondersteund met een waterstang die lager op de voorsteven is gemonteerd. Zijwaarts wordt de botteloef gesteund door een boegstag op SB en BB die op het berghout vast gezet worden. De stevens zijn duidelijk een maat zwaarder dan bij een tjotter. Er zijn een paar Friese jachten met een tjottersteven met een doorgestoken botteloef.

Friese jachten: 3x Froukje, 1x Bestevaer en 1x Hommel (met doorgestoken botteloef)

3b. Het roer van het Friese jacht

Over het algemeen varen de Friese jachten met een boeier- of Friese jachten roer dat in vingerlingen aan de achtersteven hangt. Het helmhout is gemaakt van gesmeed staal. Het wordt door de kop van het roer gestoken en met een borgpen gefixeerd. De achterzijde is over het algemeen afgedekt met een messing plaat die de vorm van het roer volgt. Op de kop kan een roerversiering geplaatst worden. Een vergulde leeuw komt vaak voor. Een boeier roer is een smal roer. De hak loopt onder of op de waterlijn ca. een meter door. In een enkel geval vaart een Fries jacht met een tjotterroer. Een boeier- of Fries jachtroer is bovenin, daar waar het helmhout doorgestoken wordt, dik en verzwaard. Naar beneden langs de achtersteven en naar het einde van de hak zijn de roeren over het algemeen verjongd. De vorm van het roer kan een verwijzing naar de bouwer zijn.

Scheepstype: Tjotter

Inleiding

Boot of Boat

De naam tjotter is - in tegenstelling tot wat men zou denken - niet van Friese oorsprong. Voor zover bekend duikt deze benaming voor het eerst op in 1847 bij zeilwedstrijden in Amsterdam. Buiten Friesland werd het gewoonte om elk open rond jacht zonder roef met deze naam aan te duiden, ongeacht de lengte en zonder onderscheid in kenmerken, hetgeen zich handhaafde tot ver in de 20ste eeuw. De naam tjotter was een verzamelnaam voor alle open ronde jachten tot de grootst voorkomende (c.q. toegelaten) lengte van 7 meter. In Friesland werden van oudsher alle open ronde zeilvaartuigen boot genoemd, ook de grotere. In de bewaard gebleven werfboeken van de vermaarde negentiende-eeuwse scheepsbouwer Eeltje Holtrop van der Zee (1823-1901) komt de aanduiding "tjotter" in het geheel niet voor.
De Friese benaming van het scheepstype was in de negentiende eeuw dus algemeen boot, in Friese spelling boat. Een boatsje is dus een kleine "boat", d.w.z. een kleine tjotter. De benaming "boatsje" is tot op de huidige dag in gebruik gebleven voor de kleinste ronde jachtjes, in het bijzonder voor die met een eenvoudige bouwwijze, waarbij de huid boven het vlak uit slechts één of twee betrekkelijk brede gangen bestaat, die hoekig op het vlak aansluiten; in het volgende hoofdstuk stellen wij de bouwwijze uitvoeriger aan de orde. Naast de voornamelijk voor het hardzeilen bestemde grote wedstrijdtjotters, de zgn. "fjouwerachten", was er, zoals we later bij de analyse van de tjotterproductie van enkele Friese scheepsbouwers zullen zien, ook altijd vraag naar een categorie van kleinere ronde zeilbootjes. Deze werden soms zeer fraai versierd met snij- en koperwerk. Dergelijke sierbootjes werden in vroeger dagen wel gebruikt door (oudere) kinderen van vermogende of adellijke lieden om zich op vijvers van landhuizen met spelevaren te vermaken. Een fraai voorbeeld van zo'n sierbootje, in 1883 gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee, zullen we in dit boek nog tegenkomen. Ouder nog zijn de sierbootjes in de vijver achter het Paleis Soestdijk op de foto uit 1865; zij moeten hebben toebehoord aan Prins Hendrik de Zeevaarder.
Onder invloed van de toenemende contacten met pleziervaarders uit "Holland" verschijnt dan in 1882 voor de eerste maal de naam "tjotter" in de deelnemerslijst van de Zeilvereeniging "Sneek". Onder tjotter verstaan wij tegenwoordig een open rond jacht met een lengte over de stevens van niet meer dan ongeveer 4,80 meter, zonder berghouten, kluisborden en beretanden en met een breed roer. De grootste daarvan met een breedte van 2,20 tot 2,40 meter worden in Friesland nog steeds "fjouweracht" genoemd.Daarnaast kent de schepenlijst van het Stamboek Ronde en Platbodemjachten een categorie boatsjes , waarmee de kleinere meer eenvoudig gebouwde ronde scheepjes worden aangeduid. Onderscheid tussen een "kleine tjotter" en een "boatsje" is echter nauwelijks te maken; wij zullen in het vervolg dan ook beide benamingen door elkaar gebruiken.Kleine ronde sierbootjes met berghoutjes, kluisborden, beretanden, veelal met een smal roer, staan te boek als boeierkes.

(foto Klaas Wiersma)

De Tijdlijn van de Tjotter

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Typebeschrijving Tjotter

  1. Geschiedenis van de Tjotter
  2. Beschrijving van de Tjotter
  3. Tuigage

Kenmerken van de Tjotter

  1. De Tjotter als werkschip
  2. De Tjotter als jacht
  3. Algemene kenmerken
  4. Kenmerkende verhoudingen
  5. Verklaring in tekening

6. Subtypen, specifieke kenmerken

  • Boatsje
    Een boatsje is een kleine "boat", d.w.z. een kleine tjotter. De benaming "boatsje" is tot op de huidige dag in gebruik gebleven voor de kleinste ronde jachtjes, in het bijzonder voor die met een eenvoudige bouwwijze, waarbij de huid boven het vlak uit slechts een of twee betrekkelijk brede gangen bestaat, die hoekig op het vlak aansluiten.
  • Wyldsjitter
    Een wyldsjitter is een Friese boot die speciaal was ingericht voor de jacht. Het is een platboomde boot met licht gebogen, sterk vallende voorsteven en een rechte steilstaande achtersteven. De kop en het achterschip zijn rond, maar sterk weggeveegd. Het boord valt breed open tot aan het berghout. Het boeisel valt binnenwaarts. De romp is gestrekt en heeft bijna geen zeeg. Op een kleine plecht na is de boot geheel open. Vroeger was de boot uitgerust met één smal zwaard. Later gebruikte men twee ronde, brede zwaarden.
    De wyldsjitter is het kleinste ronde Friese schip uit de familie van de tjotters. Doorgaans waren ze 15 voet lang (4.30 meter) en hadden ze een diepgang van slechts 12 cm., zodat er zelfs op ondergelopen land mee gevaren kon worden. De boot kon onhoorbaar, zonder golven, door het water glijden.
    De jacht op ganzen vond plaats in de vroege ochtend en in de namiddag. De jager lang languit in zijn boot. Hij schoot wanneer de vogels opvlogen en net boven het water waren. Het ganzenroer was geladen met hagel. Een goed schot leverde de jager 20 tot 30 vogels op.
  • Boeierke
    Vroeger was er naast de grotere tjotters ook vraag naar een categorie van kleinere ronde zeilbootjes. Deze werden soms zeer fraai versierd met snij- en koperwerk. Dergelijke sierbootjes werden in vroeger dagen wel gebruikt door (oudere) kinderen van vermogende of adellijke lied en om zich op vijvers van landhuizen met spelevaren te vermaken. Een fraai voorbeeld is zo'n sierbootje, in 1883 gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee. Ouder nog zijn de sierbootjes in de vijver achter het Paleis Soestdijk op een foto uit 1865; zij moeten hebben toebehoord aan Prins Hendrik de Zeevaarder.

    Het boeierke (Wilhelmina-bootje) op de helling van Eeltje Holtrop van der Zee te Joure. Achter het bootje een aantal personen. De man met pet achter het roer is Eeltje Holtrop van der Zee.

    In 1909 heeft W.K. Versteeg een gouache gemaakt van een 'Friesch bootje' (waarschijnlijk het Wilhelminabootje), met op de achterzijde een aantekening van Nanne Ottema: 'Zie catalogus Tentoonstelling Scheepsbouw Delft 1907 (E. v. Konijnenburg - De Nederlandse Scheepsbouw). Een bootje als dit lag vroeger in den vijver in den Prinsen Tuin te Leeuwarden'

    Afbeelding van een tjotter, waarschijnlijk het Wilhelminabootje. Gouache W.K. Versteeg, assistent E. van Konijnenburg.

    Zijn dergelijke kleine scheepjes uitgerust met berghouten, beretanden, kluisborden en een smal roer met leeuwtje, dan wordt zo'n sierbootje een boeierke genoemd. Deze scheepjes waren meestal slechts ingericht om mee te roeien, bijvoorbeeld als bijbootje bij een grote boeier, soms kon er ook mee gezeild worden. Als voorbeeld hebben hiervoor ongetwijfeld de professionele schippersbijboten gediend. Achter het moederschip gesleept, moesten deze beschermd worden tegen vaak onzachte aanraking met andere schepen of met vaste objecten als palen en beschoeiing in of langs het vaarwater; zij werden daarom rondom met een stoot- of berghout uitgerust.

    Een voorbeeld van een dergelijk luxueus uitgevoerd boeierke, de 'Jannetje', dat als bijbootje heeft gediend, wordt bewaard in het Fries Scheepvaart Museum. Het werd in 1921 gebouwd door Auke van der Zee, Eeltjes zoon.


Publicaties over de Tjotter in het Stamboekarchief

Interessante artikelen over tjotters in de Spiegel der Zeilvaart


De Tjotter in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

C.J.W. van Waning schrijft in het hoofdstuk Tjotter:
De tjotter behoort tot de kleinste en eenvoudigste soort der ronde schepen. Eigenlijk is de aanduiding `rond' hier niet in alle opzichten even juist. Tot de groep tjotters wordt namelijk ook het Friese `boatsje' gerekend, dat een duidelijk plat vlak heeft, waar de zijden met een hoek tegenaan staan. Ook deze zijden zelf zijn vlak. Boven op de zijden komen de naar binnen vallende boeisels, terwijl als stootrand een ijzeren halfrondje dient. Dit boatsje is betrekkelijk lang in verhouding tot de breedte. De lengte varieert van ongeveer 3.80 meter tot 5 meter bij een breedte van circa 1.35 meter tot 1.80 meter. Vooral door fouragehandelaren en kruideniers werd dit bootje veel gebruikt. Draagvermogen 1000 kg. Bij de vissers op de Friese meren, die het scheepje nu nog gebruiken, is achterin een bun ingericht met in de bodem een geperforeerde koperen plaat. Daar de bun veel langer is dan een gewone zitbank, is de helmstok hier extra lang. De bedelbalk ontbreekt.

Ronde en Platbodemjachten - Standaardwerk onder redactie van Mr. Dr. T. Huitema
Tekening tjotter in het boek "Tjotters en Boatsjes" van Dr. Ir. J. Vermeer

In de gebieden van de grote meren in de ZW-hoek had dit vaartuig twee gangen onder het berghout, elders meest een enkele gang. Soms werden ze overnaads gebouwd. Als zeil werd een sprietzeil zonder giek gebruikt. Een voorstag was niet aanwezig, zodat de fok los gehesen werd. 45 Er was slechts één enkel zwaard, dat naar behoefte aan een der boorden ingepikt werd.
De eigenlijke tjotter is groter en ten opzichte van de lengte breder dan een boatsje. Vandaar dat men hier veelal van een 'boot' of 'grote boot' sprak. De naam tjotter wordt in 1848 bij een wedstrijd in Amsterdam weliswaar reeds genoemd, doch schijnt in Friesland eerst omstreeks 1900 ingeburgerd te zijn. Het vlak van de tjotter is in dwarsdoorsnede licht gebogen, terwijl de zijden slechts een flauwe hoek met het vlak maken, afhankelijk van de afmetingen .van de tjotter, en zelf in doorsnede ook iets gebogen zijn. Waar de huidgangen meestal breed zijn betekent dit dat ze bij de naden wat bijgeschaafd moeten worden om de uitwendige ronding te krijgen. Dit is echter een eenvoudiger en goedkoper bouwwijze dan wanneer een groot aantal smalle gangen gebruikt wordt, die alle stuk voor stuk 'gebrand' moeten worden. Eeltje Holtrop van der Zee in Joure bouwde enkele kleine siertjottertjes met smalle huidgangen en smal roer met een leeuwtje erop, die daarom ook wel 'boeierkes' genoemd werden (de Aurelia, Wilhelmina).

In enkele gevallen is een tjotter 'gepiekt', dat wil zeggen dat de spantvorm enigszins s-vormig is. Dit is als regel het geval bij in Joure gebouwde tjotters. Deze gepiekte vorm is al zeer oud en kon onder anderen worden vastgesteld bij een in 1961 in de N.O.-Polder opgegraven spiegelschip, dat in de tweede helft van de zeventiende eeuw is vergaan.
Hoewel een algemene regel moeilijk is te geven, kan toch wel worden gesteld dat tjotters boven 5 meter lengte weinig voorkomen. Bij wedstrijden geldt thans een grootste lengte van 4.80 meter bij een grootste breedte van 2.50 meter. Dit zijn de in Friesland zo bekende 'fjouweracht'-tjotters, stoere schepen die vooral bij wedstrijden een groot zeiloppervlak torsen. Fjouweracht' wil zeggen dat de lengte is 4 meter en 8 palm. Een andere, veel voorkomende maat is 4.70 x 1.90 meter. Tot circa 1910 werden ook wedstrijden gehouden in een klasse `groote booten van 4.80 - 5.80 meter'. De tjotter voert altijd een gaffeltuig. De giek steekt een eind over het roer uit en de fok wordt op een ijzeren botteloef gevoerd. De achter in dit boek getekende tjotter Anna Beatrijs, gebouwd door Lantinga te luist in 1907, is uitgerust met niet minder dan vier fokken, waarvan de grootste is getekend. Verteld wordt dat de andere drie de oorspronkelijke, bij de bouw meegeleverde fokken zijn! De kleinste, de stormfok, wordt op de voorsteven gevaren.
In de eenvoudigste uitvoering is de tjotter voor de mast geheel open. Wanneer een voordek, een losse plecht, wordt geplaatst, wordt daarvoor dikwijls vurehout en soms grenehout gebruikt, dat dan meestal grijs wordt geverfd. Is de plecht van eikenhout, dan wordt hij uiteraard blank gelakt, hoewel soms het eikenhout onder een laag verf is verborgen. Berghouten heeft een tjotter slechts bij uitzondering, maar op de plaats van de grootste breedte zit ter bescherming een ijzeren halfrondje. Het roer van een tjotter is bijzonder breed, met een flinke hak. De kop is versierd met verguld en geverfd houtsnijwerk. Gewoonlijk wordt een vogel (teling of taling) uitgestoken, met een takje met bladeren in zijn bek, of ook wel een hoorn waaruit een 'takje van de levensboom' ontspruit. Andere voorstellingen zijn uiteraard heel goed mogelijk, zoals het snijwerk dat voor de Anna Beatrijs is ontworpen. Soms is de roerkop afgedekt met een koperen strip.
De ruimte onder de roerbank wordt bij de Anna Beatrijs bereikt door middel van een schuifdeksel met zwaluwstaartprofiel, met aan de achterzijde een spievormig verlengstuk dat door het achterschot schuift. Dit deksel kan met een spijker of pen vanuit het achterkastje geborgd worden. Het achterhuisje zelf wordt gesloten door een bol, ovaalvormig deksel met slot. Op dit deksel staat de naam van het schip vermeld. Een enkele maal zien we elders op dit deksel de naam van de eigenaar en het bouwjaar vermeld.
De einden van de oplangers zijn dikwijls wit geschilderd over de breedte van de bovenste boorden van het boeisel. Ook komt het voor dat de koppen rood zijn geverfd met daaronder een eindje wit. Zijn de spanten zichtbaar tot aan de vloer (dus niet verborgen achter banken) dan is het onderste deel meestal blank gelakt of in de lijnolie gezet. De dwarsbalk over het voordek, de bedelbalk, is soms rijk besneden. We zien dan vaak in het midden een mandje, van waaruit naar weerskanten bladertakken lopen, alles zwaar verguld. Over deze balk kan een koperen strip worden aangebracht. Ook in de dwarsbalk onder het helmhout, de hennebalk, worden veelal ranken of bladertakken uitgesneden.
Van de getekende tjotter Anna Beatrijs kan voorts het volgende worden vermeld: De eerste gang van het boeisel is blank gelakt tot aan de onderste kraal; daarboven is het boeisel groen geverfd van binnen en van buiten. De kralen zijn wit. De versiering op de voorboegen bestaat uit drie takken, elk circa 25 centimeter lang. Achterop eveneens drie takken, waarvan de achterste, en laagste, tot aan de achtersteven doorloopt. De zwaarden zijn blank gelakt en voorzien van een koperen ster en kopband. De zandloper is van ijzer in driehoekig profiel. De zwaardtalie vaart vanaf het zwaard door een buiten op het boeisel geplaatste schildpad, naar een boven op het zetboord geplaatste dito. Het vaste deel van de mantel van deze talie loopt door een gaatje in de oplanger van de zitter vóór de roerbank en wordt vastgezet met een knoop, het losse part wordt daar op een pen belegd. Oorspronkelijk waren twee schotten in langsscheepse richting onder het voordek opgesteld, waardoor een bak ontstond, waarin de strijkende mastvoet met contragewicht zich kon bewegen. Tussen de zitbanken is de ballastbak geplaatst, verschuifbaar over een richel. Deze bak is niet meer aanwezig, maar zo karakteristiek, dat hij wel is getekend. Tussen beide helften van de buikdenning bevindt zich overdwars de hoosgoot. De zijbanken hebben losse deksels en sluiten een soort kist af, welke een goede bergruimte oplevert, (zogenaamde kistbanken). De losse zijbanken achteraan zijn voorzien van een uitsparing welke dient tot voetsteun bij hellend schip. Zijbanken en de zitting van de roerbank zijn zwart geschilderd. Roer en helmstok zijn blank gelakt.
De strijkbare mast van grenen is circa 8.50 meter lang. De masttop boven het 8-kant is zwart geschilderd. Op de masttop staat een los geprofileerd stuk (zwart) met wimpel. Daarboven staat het vergulde mastworteltje. Op de giek wordt de schootring op de plaats gehouden door drie plaatjes met nokken, kiezen genaamd, die onder 120 graden rondom de giek zijn aangebracht. — Tot zover de beschrijving van de Anna Beatrijs.

Voor de versieringen van een tjotter bestaan overigens geen vaste regels. Dikwijls kon een kenner aan het schilderwerk zien van welke werf of uit welk deel van Friesland een tjotter afkomstig was. Zoals gezegd voert de tjotter een flink tuig en om te verhinderen dat bij flink overhangen het water te snel naar binnen stroomt, vooral bij de zwaardkoppen, wordt wel een los zetboord gevoerd, dat dus naar behoefte geplaatst of weggenomen kan worden, en dat niet geheel tot voor- en achtersteven doorloopt. Het uiterlijk van de boot wordt er daardoor echter niet fraaier op. Het water wil ook wel eens langs de zwaardbout naar binnen komen. Een rubber ring aan de binnenkant tussen boeisel en vleugelmoer is hiervoor de oplossing. Voor het comfort aan boord is de plaats van de scepters van belang. Het beste is de scepters naar buiten te buigen, zodat vaarboom, pikhaak en fokkeloet buiten het zwaard komen te liggen. Maar pas dan op bij het aanleggen.
Een tjotter is een gevoelig scheepje. De juiste stand der zeilen en de juiste plaats van de ballast beïnvloeden sterk de snelheid. Bij aan de wind zeilen moet de boot steeds langsscheeps horizontaal, gelijklastig, liggen. Bij voor de wind moet de ballast (=bemanning) naar voren, zodat de boot iets dompt en achter het water beter loslaat.

Aantekeningen

45 Zie artikelen en tekeningen van W.J. Dijk in De Waterkampioen 1954, p. 9 e.v.

De tekeningen van de tjotter 'Anna Beatrijs' (L. Lantinga IJlst, 1907, plaquette 81)

Tjotters en Boatsjes - Standaardwerk van Dr. Ir. Jaap Vermeer (1997)

Wat is een tjotter?

Karakterisering; herkomst van de naam

Het type zeilvaartuig, dat in dit boek aan de orde komt, behoort tot de uitgebreide familie van traditionele Nederlandse ronde en platbodemvaartuigen, bestemd voor onze ondiepe kust- en binnenwateren. Dit vaargebied veroorlooft slechts een geringe diepgang; deze schepen zijn dan ook gebouwd met een platte of ronde bodem zonder diepstekende kiel. Ter vermindering van de drift bij het (aandewindse) zeilen zijn zij voorzien van zijzwaarden.
Het vaartuig dat wij tegenwoordig "tjotter" noemen, behoort tot de kleinste niet-overdekte zeilscheepjes, uitsluitend geschikt voor de binnenwateren. Met het Friese jacht en de boeier wordt het gerekend tot de groep van zogenaamde ronde jachten, die in ons land al op een geschiedenis van meer dan drie eeuwen kunnen bogen. Op tekeningen en schilderijen uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw vinden wij deze scheepjes veelvuldig afgebeeld, in vorm en inrichting vrijwel gelijk aan zoals ze heden nog bestaan. Een fraai voorbeeld hiervan is te zien op bijgaande reproductie van een olieverfschilderij uit omstreeks 1695 van Abraham Storck (1644-1704), voorstellende "Admiraalzeilende jachten op het IJ voor Amsterdam". Ook in musea en bij enkele particulieren bewaard gebleven oude scheepsmodellen leggen hiervan getuigenis af.

Tjotters en Boatsjes - Standaardwerk van Dr. Ir. Jaap Vermeer (1997)

In deze publicatie gaan wij niet uitvoerig in op de geschiedenis van dit scheepstype. Daarvoor zij verwezen naar het standaardwerk "Ronde en Platbodemjachten", dat in 1962 onder auspiciën van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten onder redactie van mr dr T. Huitema voor het eerst verscheen en waarvan in 1995 een zevende herziene druk uitkwam. De geschiedenis van de pleziervaart in Nederland is uitvoerig beschreven door F. Jorissen, J. Kramer en J. Lengkeek in het gedenkboek dat in 1990 ter gelegenheid van het eeuwfeest van het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond (KNWV) in samenwerking met het Rijksmuseum "Nederlands Scheepvaart Museum" is uitgegeven onder de titel "Het water op, 400 jaar pleziervaart in Nederland".

Algemeen karakteriseren wij het houten ronde jacht hier als volgt:

  • een op stevens gladboordig gebouwd zeilvaartuig met relatief brede zijzwaarden
  • de voorsteven is gekromd
  • de buitenomtrek is min of meer ei-vormig
  • voorzien van een naar binnen vallend boeisel
  • de verhouding van lengte over de stevens tot groot ste breedte ligt meestal tussen 2,0 en 3,0
  • de grootste breedte is gelegen op ongeveer één derde tot vier negende van de lengte over de stevens, van voren af gerekend
  • het is getuigd met een bezaantuig met kromme gaffel en losse broek
  • de fok is gehalsd op een ijzeren botteloef.

De karakterisering "rond" heeft dus uitdrukkelijk geen betrekking op de vorm van de dwarsdoorsnede (het grootspant), zoals wel wordt gedacht, maar op de buitenomtrek.

Met de naam Friese tjotter wordt tegenwoordig het kleinste type open ronde jachten aangeduid met een lengte over de stevens van ongeveer 4,80 meter of minder. In tegenstelling tot de boeier en het Friese jacht' heeft de tjotter over het algemeen geen berghout. In plaats daarvan is de bovenrand van de bovenste huidgang voorzien van een ijzeren of koperen halfrond, dat als stootrand dienst doet. Ook ontbreken de bij boeiers en Friese jachten gebruikelijke kluisborden en beretanden. De tjotter heeft altijd een breed roer met een kop, meestal versierd met een in snijwerk uitgevoerde vogel.

Evenals het Friese jacht is de tjotter voortgekomen uit de rondgebouwde bedrijfsboot, die vooral in het Friese waterland eeuwenlang in gebruik geweest is bij vissers, boeren en kleine handelaren. Voor zover wij hebben kunnen nagaan was de typische ronde vorm van voor- en achterschip nergens anders zo populair als juist in Friesland. Toen men zich bij stijgende welvaart een wat luxueuzere uitvoering meende te kunnen veroorloven heeft zich hieruit uiteindelijk het typische pleziervaartuig dat wij heden ten dage tjotter noemen ontwikkeld. Zijn definitieve gestalte verkreeg de tjotter in de tweede helft van de negentiende eeuw. In hoofdstuk 3 gaan wij hier dieper op in, waarbij zal blijken, dat het ontstaan van wedstrijdklassen van kleine boten in doorslaggevende mate is bepaald door de negentiende-eeuwse wijze van belastingheffing op schepen. In eerste instantie ontstond een klasse van boten met een lengte over de stevens van 4,40 meter, in de tweede helft van de eeuw gevolgd door een wedstrijdjachtje met een lengte van 4,80 meter; uitgedrukt in de oude namen, die na de in de vorige eeuw nieuw-ingevoerde metrische maten nog lang in gebruik bleven: 4 el 8 palm. Vandaar dat deze boot in het Fries "fjouweracht" werd genoemd.

De naam Tjotter
Merkwaardig is overigens, dat de naam tjotter - in tegenstelling tot wat men zou denken - niet van Friese oorsprong is. Voor zover bekend duikt deze benaming voor het eerst op in 1847 bij zeilwedstrijden in Amsterdam. Buiten Friesland werd het gewoonte om elk open rond jacht zonder roef met deze naam aan te duiden, ongeacht de lengte en zonder onderscheid in kenmerken, hetgeen zich handhaafde tot ver in de 20ste eeuw. Bijvoorbeeld, in het reglement voor zeilwedstrijden, opgenomen in het "Handboekje van de Verbonden Zeilvereenigingen" (opgericht in 1890 en voorloper van het huidige Koninklijk Nederlands Watersport Verbond KNWV) uit 1922, vindt men in Deel V: "Klassen van Ronde en Platbodemjachten", vermeld:

In de klassen OD, OE en OF worden alleen opgenomen tjotters (waarbij ook zgn. "Friesche jachten")....

De maximum lengte in de klasse OD bedroeg 7 meter, in de klasse OE 5,60 meter en in de klasse OF 4,80 meter. De naam tjotter is hier dus inderdaad een verzamelnaam voor alle open ronde jachten tot de grootst voorkomende (c.q. toegelaten) lengte van 7 meter. In tijdschriften als "De Watersport" (voor het eerst verschenen in 1912) en "Ons Element" (vanaf 1920) komt men in verslagen van zeilwedstrijden voortdurend deze betiteling tegen. Vaak werden de klassen aangeduid als "Groote tjotters", "Middel tjotters" en "Kleine tjotters". In Friesland werden van oudsher alle open ronde zeilvaartuigen boot genoemd, ook de grotere. In de bewaard gebleven werfboeken van de vermaarde negentiende-eeuwse scheepsbouwer Eeltje Holtrop van der Zee (1823-1901) komt de aanduiding "tjotter" in het geheel niet voor. De vele tientallen door hem gebouwde open zeilschepen heten meestal eenvoudig "boot", uiteraard vaak nader gespecificeerd als "vissersboot", "schippersboot" of "boereboot". Pas bij zijn zoon Auke van der Zee (1853-1939), die de werf na de dood van zijn vader voortzette, verschijnt in 1916 voor het eerst de aanduiding tjotter voor een plezierjachtje van 4,80 m. Daarentegen vinden wij in de werfboeken van Van der Zee enkele malen de benaming jagt gebruikt. Dit blijft echter beperkt tot vaartuigen met een lengte van ongeveer 6 meter of meer, hoewel voor volstrekt vergelijkbare schepen evengoed de algemene benaming boot voorkomt. De benaming "boot" duidt er ons inziens op, dat het betreffende vaartuig in overwegende mate was bestemd voor dagelijks gebruik, dus voor personenvervoer en/ of voor bedrijfsdoeleinden. Het waterrijke gedeelte van Friesland kende immers in de 19de eeuw over het algemeen meer goede waterwegen dan landwegen. In die streken werden destijds snelvarende beurtvaarders wel met de term "jagt" aangeduid. Het gebruik door Van der Zee van het woord "jagt" voor luxueus uitgevoerde grotere vaartuigen zou dan betekenen dat de eigenaar, vaak een vermogende fabrikant of handelaar, zijn snelvarend schip ook wel gebruikte voor langere zakenreizen. Buiten Friesland werden deze schepen dan "Friesch jacht" genoemd.

Friese benaming Boot
De Friese benaming van het in dit boek behandelde scheepstype was in de negentiende eeuw dus algemeen boot, in Friese spelling boat. Een boatsje is dus een kleine "boat", d.w.z. een kleine tjotter. De benaming "boatsje" is tot op de huidige dag in gebruik gebleven voor de kleinste ronde jachtjes, in het bijzonder voor die met een eenvoudige bouwwijze, waarbij de huid boven het vlak uit slechts één of twee betrekkelijk brede gangen bestaat, die hoekig op het vlak aansluiten; in het volgende hoofdstuk stellen wij de bouwwijze uitvoeriger aan de orde. Naast de voornamelijk voor het hardzeilen bestemde grote wedstrijdtjotters, de zgn. "ijouwerachten", was er, zoals we later bij de analyse van de tjotterproductie van enkele Friese scheepsbouwers zullen zien, ook altijd vraag naar een categorie van kleinere ronde zeilbootjes. Deze werden soms zeer fraai versierd met snij- en koperwerk. Dergelijke sierbootjes werden in vroeger dagen wel gebruikt door (oudere) kinderen van vermogende of adellijke lieden om zich op vijvers van landhuizen met spelevaren te vermaken. Een fraai voorbeeld van zo'n sierbootje, in 1883 gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee, zullen we in dit boek nog tegenkomen. Ouder nog zijn de sierbootjes in de vijver achter het Paleis Soestdijk op de hier afgebeelde foto uit 1865; zij moeten hebben toebehoord aan Prins Hendrik de Zeevaarder.

Zijn dergelijke kleine scheepjes uitgerust met berghouten, beretanden, kluisborden en een smal roer met leeuwtje, dan wordt zo'n sierbootje een boeierke genoemd. Deze scheepjes waren meestal slechts ingericht om mee te roeien, bijvoorbeeld als bijbootje bij een grote boeier, soms kon er ook mee gezeild worden. Als voorbeeld hebben hiervoor ongetwijfeld de professionele schippersbijboten gediend. Achter het moederschip gesleept, moesten deze beschermd worden tegen vaak onzachte aanraking met andere schepen of met vaste objecten als palen en beschoeiing in of langs het vaarwater; zij werden daarom rondom met een stoot- of berghout uitgerust. Een voorbeeld van een dergelijk luxueus uitgevoerd boeierke dat als bijbootje heeft gediend, wordt bewaard in het Fries Scheepvaart Museum. Het werd in 1921 gebouwd door Auke van der Zee, Eeltjes zoon.

Zoals we reeds zagen was dus in Friesland in de vorige eeuw de benaming "tjotter" aanvankelijk onbekend. Bij het hardzeilen verschenen aan de start behalve vracht- en beurtschepen vaak de volgende klassen: "Boeijers" (met roef), "Jagten", "Booten" en "Bootjes" in volgorde van afnemende grootte. Onder invloed van de toenemende contacten met pleziervaarders uit "Holland" verschijnt dan in 1882 voor de eerste maal de naam "tjotter" in de deelnemerslijst van de Zeilvereeniging "Snek". Bij andere Friese zeilverenigingen blijft de betiteling "boot" nog lang gehandhaafd. Bijvoorbeeld: Bij de Zeilvereeniging "Oostergoo" is in 1882 de 2de klasse opengesteld voor "Jagten en Boeijers", de 3de klasse voor "Booten boven 4,8 meter tot 6,2 meter". Nog in 1919 vermeldt het programma van deze vereniging in de 5de klasse "Jachten en Booten (bestuurd door heeren liefhebbers)". Bij de Zeilvereeniging "Frisia" vindt men deze benamingen nog tot 1924. In het wedstrijdreglement, dat de Noord-Nederlandsche Watersportverenigingen in hun vergadering van 7 juni 1921 vaststelden, onderscheidde men een klasse van "Boeiers" (lengte t/m 9 meter) en drie klassen open schepen, die als "Jacht" worden aangeduid (lengten tot resp. 7 m, 5,60 m en 4,80 m).

In dit reglement worden alle open ronde zeiljachten dus "jacht" genoemd, ook de kleinste beneden 4,80 meter. Opvallend is, dat de grenzen tussen de klassen dezelfde zijn als die welke in het Handboekje van de Verbonden Zeilvereenigingen in 1922 voor de tjotterklassen OD, OE en OF werden vastgesteld. Dat wijst er op, dat op dit punt overleg heeft plaats gehad tussen de beide organisaties. Dat blijkt ook uit de toevoeging in het "Hollandse" reglement achter tjotters: "waarbij ook zgn. Friesche jachten". Het feit, dat dezelfde typen ronde jachten in Holland "tjotter" en in Friesland "jacht" genoemd werden, vormt een duidelijk bewijs ervoor, dat de naam tjotter niet van Friese oorsprong is.

Fjouweracht
Geleidelijk aan werd de naam tjotter ook in Friesland geaccepteerd, maar de naam bleef daar beperkt tot de klasse van boten van 4,80 meter en daaronder. De grootsten daarvan, die met een lengte van 4,80 meter net vrij van belasting bleven, werden zoals we zagen "fjouwerachten" genoemd. Deze hadden soms een breedte van circa 2,40 meter, dus een lengte-breedte verhouding van ongeveer 2 : 1.

Tot de ontwikkeling van dit type heeft met name de reeds genoemde scheepsbouwer Eeltje Holtrop van der Zee in hoge mate bijgedragen. In later jaren onderscheidt men dan in Friesland twee klassen van wedstrijdtjotters, en wel grote tjotters (deze fjouwerachten) en kleine tjotters, een in 1923 door de Noord Nederlandsche Watersport Bond (NNWB) formeel ingestelde klasse met maximale afmetingen van 4,70 x 1,70 meter. De 19de-eeuwse klasse van boten met een lengte van 4,40 meter was omstreeks de eeuwwisseling uitgestorven.

In Holland is de benaming tjotter nog lang in gebruik gebleven voor alle typen open ronde jachten, zoals blijkt uit wedstrijdverslagen uit de jaren twintig en dertig van bijvoorbeeld de K.Z.M.V. "De Kaag", de Rotterdamsche Z.V., de Z.V. "Hillegersberg" en de W.V. "Loosdrecht". Dit komt ook duidelijk tot uitdrukking in het Nederlandsch Jachtregister van 1924-25, een gezamenlijke uitgave van de Toeristenbond voor Nederland (ANWB) en de Koninklijke Verbonden Nederlandsche Watersportvereenigingen (KVNWV). Met dit register poogden deze organisaties een inventarisatie te geven van alle op dat moment in Nederland in gebruik zijnde pleziervaartuigen, zowel zeiljachten als motorjachten. In totaal staan in dit Jachtregister 1395 zeiljachten vermeld, waaronder 231 houten ronde jachten. Van deze laatste hebben er 69 de typeaanduiding "boeier", 3 staan als "open boeier" vermeld, 9 als "Friesch jacht" en 150 als "tjotter". De naam "tjotter" is hier dus nog geheel dominerend, want meer dan de helft van deze tjotters heeft een lengte van 5 meter of meer, tot 7,8 meter toe; naar hedendaagse norm zouden deze schepen tot de Friese jachten gerekend moeten worden.

Samenvattend
Het onderscheid, dat wij tegenwoordig (terecht) maken tussen Fries jacht en tjotter, is van betrekkelijk recente datum. Alle open ronde jachten werden eertijds in Friesland boot genoemd, elders heetten zij tjotter. In Friesland was de naam tjotter aanvankelijk onbekend. Onderscheid in grootte of bouwwijze kwam door deze uniforme benaming niet tot uitdrukking. Met het opkomen van de georganiseerde watersport na 1890 vond de naam tjotter echter ook verbreiding in Friesland. Zij bleef daar echter beperkt tot de kleinste onder de ronde jachten. Pas na het ontstaan van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten in het begin van de jaren vijftig werd deze Friese gewoonte overgenomen en maken wij systematisch onderscheid in de typenamen Fries jacht en tjotter.
Onder tjotter verstaan wij dus heden ten dage een open rond jacht met een lengte over de stevens van niet meer dan ongeveer 4,80 meter, zonder berghouten, kluisborden en beretanden en met een breed roer. De grootste daarvan met een breedte van 2,20 tot 2,40 meter worden in Friesland nog steeds "fjouweracht" genoemd.

Daarnaast kent de schepenlijst van het Stamboek Ronde en Platbodemjachten een categorie boatsjes, waarmee de kleinere meer eenvoudig gebouwde ronde scheepjes worden aangeduid. Onderscheid tussen een "kleine tjotter" en een "boatsje" is echter nauwelijks te maken; wij zullen in het vervolg dan ook beide benamingen door elkaar gebruiken.

Kleine ronde sierbootjes met berghoutjes, kluisborden, beretanden, veelal met een smal roer, staan te boek als boeierkes.

Bouwwijzen en rompvormen
Wij zagen al, dat de tjotter als pleziervaartuig is voortgekomen uit de Friese "boot", zoals ronde zeilvaartuigen in Friesland werden genoemd. Deze boten werden in de waterrijke gedeelten van deze provincie in grote aantallen gebruikt door vissers, boeren en handelaren voor het vervoer van goederen en personen. De eenvoudigste bedrijfsboten hadden een romp bestaande uit een breed plat vlak, waarop één of twee gangen hoekig aansloten met daarboven een enigszins schuin naar binnen vallend boeisel. Ze werden wel IJlster-boten genoemd. De heer GJ. Schutten te Vries heeft deze bedrijfsboten uitvoerig bestudeerd en verschillende ervan opgemeten en in tekening gebracht. Hij was zo welwillend enkele van deze tekeningen ter illustratie in dit boek af te staan.

De bouwwijze waarbij slechts enkele brede gangen werden toegepast is bepalend voor de hoekige vorm van de dwarsdoorsnede van deze scheepjes. Afb. 2.1 toont het grootspant van een ééngangsboot. Deze is opgebouwd uit een breed plat vlak met daarboven één enkele brede huidgang. Om voldoende ronding in voor- en achterschip te krijgen wordt het vlak, smal uitlopend, hoog tegen voorsteven en scheg opgetrokken. De meeste ééngangsboten waren zeer eenvoudig uitgevoerd, zonder enige versiering. Dat deze bouwwijze in handen van een bekwame bouwmeester niettemin tot een zeer fraai resultaat kan leiden, bewijst het model van een zgn. grasboot, dat zich bevindt in het Fries Scheepvaart Museum in Sneek. Met name draagt hiertoe ook bij de vormgeving van het boeisel en de verdeling hiervan in een blankgelakt en een geverfd gedeelte, waarbij in het geverfde deel eenvoudige versieringen ter plaatse van de gillingen zijn aangebracht.

Door toepassing van meer en smallere gangen was de scheepsbouwer in staat een meer elegante, rondere vorm te bereiken, niet alleen op het grootspant, maar vooral ook in voor- en achterschip. Een voorbeeld van een driegangs boot is de omstreeks 1840 door Eeltje Teadzes Holtrop gebouwde tjotter "Stêdflecht": Afb. 2.2 toont een tekening waarin voor- en achteraanzicht zijn gecombineerd. Dit is een voorbeeld van een fraai uitgevoerde bedrijfsboot, met een lengte van 4,35 m tevens een vroeg voorbeeld van een zgn. fjouwerfjouwer. Bij overwegend voor pleziervaart bestemde boten werden nog rondere vormen nagestreefd. Afb. 2.3 toont de geheel ronde spantvorm van de in 1907 door, Lolke Lantinga gebouwde tjotter "Vrouwe Anna Beatrijs". De huid boven het hier geheel rondgebouwde vlak is bij deze tjotter opgebouwd uit vijf betrekkelijk smalle gangen. In de negentiende eeuw, toen pleziervaart nog een tijdverdrijf voor enkelen was en de vraag naar plezierjachten betrekke lijk gering, was het vooral de Jouwster scheepsbouwer Eeltje Holtrop van der Zee die zijn stempel heeft kunnen drukken op het houten ronde. plezierjacht. De rompvormen die deze artistieke bouwmeester wist te realiseren, konden alleen bereikt worden door ze op te bouwen uit een groot aantal in de vereiste vorm gebrande smalle gangen. Eeltje Holtrop van der Zee en ook zijn zoon Auke van der Zee bouwden hun boeiers en jachten bijna altijd met een gepiekte bodem, dat wil zeggen dat de doorsnede ter plaatse van het hoofdspant de vorm van een accolade benadert. Ook de op hun werf in Joure ontstane fjouweracht tjotters hebben alle zo'n gepiekte bodem. 


Afb. 2.4 toont de spantvorm van de in 1891 gebouwde tjotter "Albert en Nelly", waaruit een en ander duidelijk blijkt. Een typerend kenmerk van de Friese jachten en fjouwerachten van de Van der Zee's is het verloop van de gangen in het voorschip. De bovenste gangen buigen, alvorens tegen de steven aan te sluiten, iets terug, waardoor de typisch bolle konen ontstaan. Het is evident, dat dergelijke vormen alleen te bereiken zijn met smalle gangen.

De ronde plezierjachten van Van der Zee, esthetisch zeer fraai van vorm en met houtsnijwerk van hoge kwaliteit, vormen in feite het eindpunt van een ontwikkeling. Immers, na omstreeks 1900, toen door stijgende welvaart de vraag naar kleine pleziervaartuigen toenam, werden de bouwers van traditionele ronde jachten in toenemende mate geconfronteerd met het populair wordende en betrekkelijk goedkoop te bouwen scherpe jacht. Om te kunnen concurreren werden zij gedwongen tot kostenbesparing door eenvoudiger constructie en minder luxueuze uitvoering. De vele tjotters en kleine Friese jachtjes, die de Lantinga-werf in IJlst in de eerste twee decennia van deze eeuw voornamelijk voor Hollandse rekening bouwde, zijn dan ook eenvoudiger, dus goedkoper gebouwd dan die van Van der Zee. Het vlak dwars op de scheepsas is plat of bijna plat en de hoger liggende vrij brede huidgangen sluiten hier met een hoekige kim op aan. Zoals we zagen, ontstaat na omstreeks 1920 in Friesland een opleving van de belangstelling voor een kleiner type wedstrijdtjotter met maximum afmetingen van 4,70 x 1,70 meter. De bouwwijze van deze boten was over het algemeen zeer eenvoudig met één of twee gangen tegen een plat vlak, zoals in afb. 2.1.

Hoewel de rompvormen, tot uiting komende in de diverse vormen van het grootspant als hierboven getoond, nogal kunnen verschillen, wijken de eigenlijke constructies niet wezenlijk van elkaar af. De bouwwijze van de grotere tjotters met een meer verfijnde vormgeving vormt een logische ontwikkeling van die van de eenvoudige ééngangsboot. Wij zullen ons daarom beperken tot de beschrijving van een fjouweracht met gepiekte bodem. Deze bouwwijze is al zeer oud. Men vindt ze al toegepast bij Noormannenschepen. Het voordeel van een gepiekte bodem ten opzichte van een vlakke bestaat uit een relatief groter lateraal oppervlak, wat de drift beperkt.

De 19de-eeuwse bouwers van binnenvaartuigen maakten nog geen gebruik van ontwerptekeningen. Hoogstens werd, nadat de voor- en achtersteven waren geplaatst, een model van het grootspant "losvast" opgezet, zoals J. Hoogeveen vertelt in zijn minutieuze beschrijving van de bouw van een boeier op de Jouwster werf, waar hij enige jaren medewerker was van scheepsbouwer Auke van der Zee. Slechts met hulp van deze drie steunpunten, de beide stevens en het hulp-grootspant werd de beplanking van onder naar boven opgebouwd. De inhouten, die de huiddelen onwrikbaar moeten verbinden, werden - hierbij passend - later aangebracht. De scheepsvorm ontstond dus "op het oog", waarbij ervaring en artisticiteit van de bouwmeester bepalend waren voor het resultaat.
Hierna volgt de beschrijving van de eerder genoemde tjotter "Albert en Nelly" (ex "Marnocht"), waarvan in 1934 opmetingstekeningen verschenen in het tijdschrift "De Golfslag"'. De hier gegeven beschrijving geschiedt aan de hand van opmetingstekeningen die de auteur van dit boek in 1973 heeft gepubliceerd.


Tuigage
Voorheen waren kleinere tjotters en bedrijfsbootjes wel getuigd met een spriettuig, waarbij de fok zonder voorstag werd gevaren . Zoals alle ronde jachten is de hedendaagse tjotter getuigd met een bezaantuig met de volgende typische kenmerken:

  • Grootzeil en fok zijn vervaardigd uit verticale banen
  • Het grootzeil heeft een gebogen gaffel en een rondgesneden losse broek en is door middel van rakbanden met kralen aan de mast bevestigd.
  • De fok, verbonden aan een voorstag, is gehalsd op een ijzeren botteloef.

De tjotter 'Albert en Nelly'
De meeste van de hierna te beschrijven bijzonderheden zijn af te lezen in het hierbij afgebeelde zeilplan van de "Albert en Nelly" (afb. 2.14).


De zeilen worden gedragen door een vrijstaande mast. De fok is gehalsd op een smeedijzeren botteloef met opsteker (zie ook afb. 2.13). Het achterste gedeelte, de eigenlijke botteloef, is bevestigd aan de voorsteven, gestoken door een rechthoekig gat in het boveneinde hiervan. De opsteker is op ingenieuze wijze, gestoken door een vierkant gat vooraan de botteloef, met slechts één moer bevestigd aan het oog voorop de steven. Het bevestigingspunt van de voorstag, wanneer de grootste fok wordt gevoerd, bevindt zich dan op 1,20 m vóór de voorsteven, d.w.z. op 3 m voor de mast. De water- en boegstagen, die de opsteker steunen, bestaan uit ijzeren staven met een dikte van 1,5 resp. 1,0 cm. Al dit ijzerwerk is nog origineel.
De totale lengte van de mast van onderkant voet tot de top bij de vleugel bedraagt 9,20 m. Het gedeelte tussen het draaipunt en de krans (ook hommer genaamd, het verdikte achtkantige gedeelte onder de top) is 7,25 m. De 13 cm vierkante voet is onderaan verzwaard met loden contragewichten van in totaal 100 kg. Boven het draaipunt neemt de diameter eerst slechts langzaam af en is halverwege de hommer nog altijd 12 cm. De ruim 1 m lange top draagt twee hanepoten, de bovenste voor het kraanlijnblok, de onderste voor het tweeschijfs zeilvalblok. Helemaal op het topje van de mast bevindt zich het vleugelhekje met rode vleugel.
Het oppervlak van grootzeil plus fok, de rondingen van de lijken meegerekend, bedraagt 26,4 m2 en is verdeeld als volgt: grootzeil 17,7m2 en fok 8,7 m2. Het oppervlak van de fok is ongeveer de helft van dat van het grootzeil; dit is in overeenstemming met een voor ronde jachten veel voorkomende regel. In het grootzeil bevinden zich drie rijen knuttels, waarmee het drie maal steeds met ongeveer 1/6 gedeelte kan worden verkleind. Behalve de getekende grootste fok zijn nog aanwezig een middelfok van ca. 6,7 m2, die nog een keer gereefd kan worden en een stormfok.
De giek is 4,20 m lang. Halverwege de lengte is de diameter het grootst, nl. 11,5 cm, aan de uiteinden teruglopend tot 5 cm. De onderkant is recht, de bo-venkant bol. Het aangrijpingspunt voor de zeilschoot ligt nog vóór het midden gerekend vanaf de lummel. De schoot is geschoren door zware tweeschijfs blokken. Het bovenste blok heeft een hondsvot, het hakblok een korvijnagel, waarop de schoot belegd kan worden.
Het grootzeil is met 6 rakbanden voorzien van kralen aan de mast bevestigd. Elke middelste kraal heeft een afwijkende vorm en is doorboord, zodat hier een katteval doorheen gevoerd kan worden. Het grootzeil wordt gehesen met een enkele val. Bijzetten en strijken kan daardoor snel plaatsvinden; vooral het laatste is van belang om rustig aan wal te kunnen schieten. Het trimmen van het grootzeil moet geheel met de halstalie worden gedaan. Het onderste halstalieblok (met hondsvot) heeft zijn bevestigingspunt op het mastspoor aan de voet van de mastkoker onder de mastbank. In deze laatste zijn in een rechthoek vier gaten geboord waar de halstalie doorheen gevoerd wordt. Tegen de achterzijde van de doft is een messing kikker bevestigd waarop de halstalie wordt belegd.
De fok is met leuvers aan de voorstag verbonden en met een kettinkje nabij het einde van de opsteker gehalsd. Het bovenste stagtalieblok heeft de vorm van een zwanenhals.
De beide fokkenschoten zijn dubbel geschoren. Aan de schoothoek van de fok bevindt zich het voor ronde jachten karakteristieke dubbele fokkeschootblok. Het vaste part wordt op de voorste, horizontaal doorboorde, doftknie bevestigd, het halende part loopt door een bronzen leioog, dat op de mastbank is aangebracht. Het fokkeval is uitgevoerd als dubbele jol met twee enkele blokken. Voor het beleggen van zeilvallen, kraanlijn en katteval zijn aan de mastkoker aangebracht twee halve klampen en een knecht met twee korvijnagels. Voor de vlaggenlijn is bovendien nog een klein metalen klampje aanwezig.
Vermeld zij nog, dat vroeger tijdens wedstrijden veel gebruik gemaakt werd van bijzondere zeilen, zoals bijvoorbeeld een kluiver. Op ruime en voordewindse rakken zette men dan een voordewinder of jager bij, een driehoekig bol zeil van licht doek. Dit werd bij ruime wind gehalsd aan de nok van de kluiverboom, voor de wind werd het dwars uitgeboomd met de zgn. jagerspier. De "Albert en Nelly" heeft nooit een kluiverboom gehad. Of er ooit een jager op gevoerd is weten we niet.

Versieringen en afwerking
Vanouds is het gebruikelijk geweest zeilschepen te versieren met houtsnijwerk en kleurig verfwerk. De toepassing van kleur bij schepen dient algemeen om een overigens blank gelakte of geverfde romp te verlevendigen, het verloop van lijnen te accentueren en bijzondere onderdelen te doen uitkomen. In de zeventiende en achttiende eeuw nam deze versierkunst overdadige vormen aan, vooral bij zeegaande handels- en oorlogsschepen. Als teken van welstand van de eigenaar bleef deze gewoonte bij pleziervaartuigen, zij het op betrekkelijk bescheiden schaal, in zwang tot het einde van de negentiende eeuw. De door Eeltje Holtrop van der Zee en Auke van der Zee gebouwde boeiers, jachten en tjotters zijn alle, zowel inwendig op bedel- en hennebalk, als uitwendig met zeer fraai uitgevoerd houtsnijwerk versierd. Dit snijwerk werd meestal verguld met bladgoud op een witte ondergrond. In plaats van bladgoud werd ook wel kleur gebruikt. Overigens is de toepassing van kleur bij ronde jachten zeer sterk door traditie bepaald. Er heeft zich in de loop van de tijd een bepaald kleurenschema uitgekristalliseerd; afwijkingen hiervan leiden, naar ervaring leert, tot onbevredigende resultaten. Het hierna te beschrijven kleurenschema, zoals we dit op de "Albert en Nelly" aantreffen, mag met kleine variaties als een voorbeeld gelden.

Het bovenste gedeelte van het boeisel is zwart geverfd in contrast met de blank gelakte romp. Een witte kraal begrenst het zwarte vlak en accentueert daardoor de zeeg. Ter verlevendiging van het zwarte gedeelte van het boeisel zijn hierin drie biezen ingeschaafd, die helder groen zijn geverfd. De kop van de voorsteven en de verdikte koppen van de zwaarden zijn eveneens zwart geverfd met een witte afzetting. De koppen van de spanten (de oplangers) zijn wit, aan de bovenkant afgewerkt met een rood vlakje. Het binnenboeisel is helder blauw geverfd, de versterkingsklamp ter plaatse van de zwaardophanging is groen met een rode bovenrand. De stuurbank en het voordek zijn blank gelakt. In de kuip zijn de kistbanken en de buikdenning in grijze kleur geverfd. De top van de mast is zwart. Het ijzerwerk van de botteloef en zijn verstaging is in de aluminium verf gezet.
We wezen er bij de bespreking van afb. 2.12 reeds op, dat de gillingen aan de boeiselrand functioneel begeleid worden door in een krul uitlopende blader-takken die tot dicht bij de stevens doorlopen. Ook de bedel- en hennebalk zijn van snijwerk voorzien. Op de hennebalk ontspringen eikelooftakken met eikels uit een midscheeps geplaatst mandje, op de bedelbalk vinden we hetzelfde patroon van door elkaar slingerende takken en bloemen, dat ook voorkomt op andere door de Van der Zee's gebouwde jachten en tjotters. In de kop van het roer is, zoals bij de meeste andere tjotters, aan weerszijden de traditionele vogel gesneden, de kop neerwaarts gebogen met in zijn snavel een takje; een verwijzing naar de duif die aan Noach de olijftak brengt na de zondvloed. In de zijkanten van de helmstok zijn takken uitgesneden, het uiteinde heeft de vorm van een druiventros. Het meeste snijwerk is niet verguld, maar geel geschilderd, met accenten in rood, blauw en groen (het mandje op de hennebalk, de takken op roer en helmstok).
Tenslotte treffen wij bij deze tjotter, zoals bij alle ronde jachten van Van der Zee, op verschillende plaatsen koperbeslag aan: Op de koppen van de zwaarden, de bovenkanten van de boeisels in voor- en achterschip tot en met de gillingen, de bovenkanten van bedel- en hennebalk, de bovenkant van de roerkop en de achterkant van het roer en de helmstok. Op de zwaardkoppen bevindt zich rondom het draaipunt een achtpuntige koperen ster.

Slotopmerkingen
In onze eerdere publicatie over het Friese jacht hebben wij betoogd, dat voor Friese jachten het berghout van essentieel belang is voor het verkrijgen van een hechte en stijve constructie. De afwezigheid hiervan bij de tjotter, overigens een kenmerkend onderscheid ten opzichte van het Friese jacht, blijkt bij de grotere exemplaren, met name bij de "fjouwerachten" een zwak punt te zijn. Met deze toch betrekkelijk kleine schepen werd in vroeger dagen tijdens wedstrijden zeer fel gestreden, waarbij gevaren werd met zeiloppervlakten tot soms meer dan 35m2 en het gebruik van kluivers en jagers regel was. De constructie werd daarbij vaak aan te grote krachten blootgesteld, waartegen zij eigenlijk niet bestand was. De gevolgen werden later zichtbaar, vooral bij slecht onderhoud. Doordat het verband onder invloed van deze grote krachten te lijden had, werd de constructie slapper. Op twee plaatsen kwam dit tot uiting: Bij het zeilwerk (de mastbank met de hoofdspanten), dat onderworpen is aan de enorme zijdelingse krachten die de mast erop uitoefent, en in de kop, waar de voorzeilen via de voorstag grote krachten op de voorsteven uitoefenen. Het gevolg is, dat bij veel grote tjotters door dit slapper wordende verband op den duur de kop wat is gaan uitzakken. Wij zullen hiervan nog voorbeelden tegenkomen.

De Golfslag 31 october 1941 - De Friese Wildschieter

De wildschieter is van eikenhout gebouwd, ze is 4.00 M. lang en 1.25 M. breed over alles. Bij de voorsteven zitten aan iedere kant een hol en ook de voorsteven zelf is van boven hol. Dit is zo gemaakt om het geweer of 't ganzenroer er in te leggen en steun te geven bij het vuren. Er zijn geregeld twee paar roeiriemen bij en één zwaard, dat aan een leren riempje wordt opgehangen. Het zeil is niet groot en er wordt dan ook maar alleen met een lopende wind mee gezeild. De maten van liggers, huid en inhouten zijn op de tekening allen in mm. aangegeven. De heer A. ten Cate, de vorige voorzitter van de Kon. Zeilver. „Sneek", schonk indertijd aan het Wilhelminapark te Sneek een wildschieter voor de vijver. Wanneer deze goed onderhouden wordt, blijft dit scheepsmodel nog lang voor het nageslacht bewaard.
De wildschieter is een echt Fries vaartuigje, dat in hoofdzaak gebruikt wordt bij de jacht op waterwild. Het scheepje is licht en kan dus gemakkelijk over de polderdijken worden getrokken om het wild te bereiken; 't gaat niet diep, zodat 't geen bezwaar oplevert om over ondergelopen land te varen. Ook op het diepere water met zwaardere golfslag is het gemakkelijk te hanteren, het is zeewaardig en zeer snel. Ook dit Friese scheepje gaat zijn ondergang tegemoet, het wordt in hoofdzaak verdreven door de roeischouw. De wildschieter wordt van eikenhout gebouwd en vereist een behoorlijke vakbekwaamheid en routine, terwijl roeischouw ook wei van eiken, doch het meest van vurenhout wordt gebouwd. De wildschieter vraagt dus meer aan materiaal en aan arbeidsloon. Het scheepje komt nog het meest voor in Friesland in de omgeving van Oppenhuizen en Uitwellingerga. 
De tekening is gemaakt naar de wildschieter, die behoort aan den heer W. Zeijl te Sneek; ze is gemaakt door wijlen den bekenden scheepsbouwer van Friese schepen den heer Bijl te Oppenhuizen. Het is zeer zeker het laatste scheepje dat door Bijt is gebouwd. In het Fries Scheepvaart Museum te Sneek is nog een pracht-model van een Friese boeier van hem, terwijl daar ook nog een model van een wildschieter is.
Misschien komt het Bestuur van dit Museum er ook nog eens toe om een plaatsje in te ruimen voor tekeningen van de oude Friese schepen?


Friese Ronde Jachten in beeld

De boeier 'Constanter' (plaq. 5)
Fries jacht 'Mercurius' (plaq. 8)
Tjotter 'Jonge Minne' (plaq. 276)

Bij de oorspronkelijke boeier bestond geen scherpe grenslijn tussen nut en genoegen.
Het Friese jacht als pleziervaartuig is ontwikkeld uit de Friese boot, zoals ronde zeilvaartuigen in Friesland werden genoemd.
De tjotter behoort tot de kleinste en eenvoudigste soort van de Friese Ronde Jachten.

Bronnen

Algemene bronnen met informatie over Friese Ronde jachten

Titel Auteur Uitgever Jaartal
       

De boeier onderscheidt zich van het Friese jacht door de aanwezigheid van een kajuit. Er zijn echter ook constructieve verschillen, die mede het gevolg zijn van de functionele inrichting.
Een van oorsprong open jacht, dat later van een roef is voorzien, mag daarom niet zonder meer een boeier genoemd worden.
Met tjotter wordt tegenwoordig het kleinste type open ronde schepen aangeduid, met een lengte over de stevens van minder dan 5 meter. In afwijking van het Friese jacht heeft de tjotter geen berghout.