Criteria voor Inschrijving in het Stamboek - Maart 2019

Download van de criteria in PDF-formaat

Voorwoord

De pluriformiteit van ons varend erfgoed maakt dat het vaderlandse water zo bijzonder aantrekkelijk is voor deelnemers en toeschouwers van de daarbij geduide schepen; dit zowel voor de eigenaar (vaargenot, etc.) als voor de toeschouwer (visuele impressie, herkenbare nostalgie en onderlinge harmonie). Dit varend waterbeeld is daardoor sterk afwijkend van, en daardoor des te aantrekkelijker in vergelijking met, overige landen van NW- Europa. Hierdoor wordt een algemene, abstracte waarde gecreëerd, die de fondsvorming voor restauraties en instandhouding rechtvaardigt, en die het vastleggen van de specifieke typologische kenmerken van deze schepen met hun bijzonderheden noodzakelijk maakt. 

De criteria voor schepen die voor de inschrijving bij de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten in aanmerking komen, hebben de doelstelling om een kader te bieden voor de diversiteit en eigenheid van de verschillende typen schepen die er ooit voeren in Nederland. Alleen schepen die authentiek zijn en die het karakter, het wezen van de soort van schepen waartoe ze behoren, belichamen, komen in aanmerking voor opname in het Stamboek. Historisch is door ons gekozen voor schepen van vóór 1950, de tijd waarin de overgang van zeil- naar motorvaart plaatsvond, en waarvan de authenticiteit kon worden vastgesteld. Uitzondering op dit specifieke jaartal kan in bepaalde gevallen worden gemaakt voor bijzondere schepen ouder dan 50 jaar die - geheel binnen de gestelde criteria vallend - vanwege hun bijzondere bijdrage aan het gezicht van de vloot, karakter bepalend zijn en als exponent daarvan kunnen worden gezien. Daarnaast kunnen schepen van jongere leeftijd worden ingeschreven in de categorieregisters van het Stamboek, als ze op voldoende wijze voldoen aan de kenmerken, zoals vastgelegd in deze criteria, van de hiervoor genoemde typen schepen. 

Ter voorkoming van een “cuisine fusionnelle” is profilering nodig en zijn daarvoor duidelijke en scherpe criteria gewenst. Dit omdat we anders belanden in een amorfe massa van retrotype-achtige schepen, waaronder alles valt wat daar ook maar in de verte enigszins op lijkt. Alleen door scherpe en harde criteria te formuleren en daar aan vast te houden wordt de veelkleurigheid van onze traditionele schepenvloot gewaarborgd en blijven de inspanningen in menskracht, geld en andere middelen zinvol en verdedigbaar.

De nu voorliggende criteria bieden een duidelijke bandbreedte voor gewenste toepassingen binnen een historisch ontwikkelde context. Het zorgt enerzijds voor het in stand houden van de authenticiteit van de monumentale vloot en anderzijds voor het kader van de onderscheidene scheepstypes waaruit de actuele plat- en rondbodems zijn ontstaan.

Gewaakt moet echter worden voor cultuur zuiverende werking van de criteria waarbij individuele bijzonderheden van de oude schepen worden aangepast aan een ideaalbeeld met een heden ten dage bepaalde grootste gemene deler. Historische individuele bijzonderheden van schepen van vóór 1950, rechtvaardigen vanuit cultuurbehoud de instandhouding van een aantal representatieve exemplaren. Bij deze oude schepen dienen dus de vormen, constructies en het materiaalgebruik zoals die voor dat individuele schip in het verleden zijn gebruikt gekoesterd en zoveel mogelijk in stand gehouden te worden.

Voor toepassing van de Criteria wordt de Engelse manier van denken gehanteerd:
Alles wat niet in deze criteria omschreven staat is niet toegestaan!

Bestuur SSRP

Scheepstypes Ingeschreven in het Stamboek

Het is gebruikelijk om de Oud-Nederlandse scheepstypen in twee hoofdgroepen te onderscheiden, de ronde schepen en de platbodemschepen.

Bij een rond schip vormen de spanten, of inhouten zoaIs ze hier heten, in dwarsdoorsnede gebogen, vloeiende lijnen van berghout tot kiel. Men zegt dat zo'n schip 'nergens stilstaat', met andere woorden dat de dwarsdoorsnede van de romp onder het berghout nergens vlakke gedeelten of rechte lijnen vertoont en de kim werkelijk rond is. Het boeisel, het gedeelte van de romp boven het berghout, vertoont wel rechte lijnen in de dwarsdoorsnede. Bij deze groep horen de hierna behandelde jachten zoals Tjotter, Fries jacht, Boeier, Tjalk, Lemsteraak en Wieringer bol. Ook de Staverse jol, die overigens een afwijkend type vormt, is rond gebouwd. De oorspronkelijk van hout gebouwde tjalk had, zoals meer oude werkschepen een min of meer scherpe kim!

Bij een platbodem is de bodem of beter gezegd het vlak, in dwarsdoorsnede recht, terwijl de zijkanten met een duidelijke knik op dit vlak aansluiten. Deze schepen hebben dus een kantige 'kim'. Tot de groep der platbodems worden gerekend: Botter, Pluut, Schokker, Bons, Vollenhovense bol, Wieringer aak, Blazer, Hoogaars, Hengst, Schouw, Grundel en Punter.

Veel informatie over de diverse scheepstypes is beschikbaar op onze pagina Scheepstypes in www.ssrp.nl.

Laatste wijzigingen in de Criteria: Maart 2019

De tekst van wijzigingen en aanvullingen in de Criteria worden VET (BOLD) gepresenteerd.

Aanvullende bepalingen voor Lemsteraken: Rondhouten (art. 6.1.5)

Toegevoegd:
Art. 6.1.5 De lengte van de kluiverboom LOA – KLB, indien aanwezig, dient tenminste 21,9 % van de LOA te zijn, terwijl de maximale lengte hooguit 27,9 % van de LOA mag zijn, gemeten vanaf het aangrijpingspunt van de voorstag op de steven tot aan hart schijf van de travellertalie in de top van de kluiverboom.


Aanvullende bepalingen voor Schokkers (en dus ook Vollenhovense Schokkers): Rondhouten (art. 6.1.4 en art. 6.1.5)

Art. 6.1.4 De maximale lengte van de giek wordt bepaald door de afstand tussen een denkbeeldige doorgetrokken lijn vanuit het verlengde van de achtersteven en de plaats van de lummelbout als het grootzeil is gehesen en de kraanlijn of dirk voldoende is gevierd. De minimale lengte van de giek moet gelijk of meer zijn dan 2/5e deel van de IZ lengte van de mast.

Eveneens toegevoegd:
Art. 6.1.5 De lengte van de kluiverboom LOA – KLB, indien aanwezig, dient tenminste 17,8% van de LOA te zijn, terwijl de maximale lengte hooguit 23,8% van de LOA mag zijn, gemeten vanaf het aangrijpingspunt van de voorstag op de steven tot aan hart schijf van de travellertalie in de top van de kluiverboom.


Aanvullende bepalingen voor Hoogaarzen: Rondhouten (art. 6.1.5)

Toegevoegd:
Art. 6.1.5 De lengte van de kluiverboom LOA – KLB, indien aanwezig, dient tenminste 17,2 % van de LOA te zijn, terwijl de maximale lengte hooguit 23,4 % van de LOA mag zijn, gemeten vanaf het aangrijpingspunt van de voorstag op de steven tot aan hart schijf van de travellertalie in de top van de kluiverboom.


Aanvullende bepalingen voor Zeeschouwen: (art. 4.2 en art. 6.1.5)

4.2a Rompvorm onder water

In afwijking van de LOA wordt bij de schouwen en zeeschouwen gemeten over de borden zodat van een LOB (lengte over de borden) in plaats van de LOA sprake is.

In afwijking van de definities van de LWL in de Algemene Criteria (4.1) wordt de LWL bij de schouwen en zeeschouwen als volgt gemeten en berekend:

LWL = de lengte van de waterlijn zonder de stevens = LOB-(OV+OA)

OA= Overhang Achter, de horizontale afstand tussen het achterste meetpunt LOB en het achterste meetpunt LWL, zijnde de doorgestrookte lijn van het achterbord op de waterlijn.

OV= Overhang Voor, de horizontale afstand tussen het voorste meetpunt LOB en het voorste meetpunt LWL, zijnde het aanrakingspunt van de rompzijde vóór en het wateroppervlak.

Verder blijft voor de zeeschouwen gelden:

4.2a.1 Alle waterlijnen en verticalen hebben hun grootste breedte en diepte minimaal 7,5% van de LWL vóór het midden van de LWL.

4.2a.2 Het grootspant, tevens de plaats van de grootste breedte op de knik, moet minimaal 10% van de LWL vóór het midden van de LWL liggen.

4.2a.3 de verhouding LWL : BWL ter plaatse van het grootspant mag voor zeeschouwen met een LWL ≤ 5,20 m ten hoogste 2,7 zijn en voor die met een LWL ≥ 8,60 m ten hoogste 2,9.

Tussenliggende waarden zijn te berekenen door lineaire interpolatie middels de formule LWL / BWL = 0,06L + 2,39.

Toegevoegd:
Art. 6.1.5 De lengte van de kluiverboom LOA – KLB, indien aanwezig, dient tenminste 12,2 % van de LOA te zijn, terwijl de maximale lengte hooguit 28,2 % van de LOA mag zijn, gemeten vanaf het aangrijpingspunt van de voorstag op de steven tot aan hart schijf van de travellertalie in de top van de kluiverboom.

Lees meer

De Criteria

Inleiding en Historie

In 1992 is de laatste versie van de Algemene criteria voor inschrijving in het Stamboek uitgegeven, samen met aanvullende criteria voor lemsteraken, hoogaarzen en schokkers. In de periode nadien kwamen aanvullende criteria tot stand voor zeeschouwen en tjalkjachten en skûtsjes. De aanvullende criteria voor de zeeschouwen werden apart uitgegeven en begin '98 kwam de vraag aan de orde, of dit ook met die voor de tjalkjachten en skûtsjes moest gebeuren, hetgeen sinds die tijd gebeurd is. 
Voor de Lemsteraken groter dan 11 meter gemeten op de waterlijn (L), zijn in 2008 in overleg met de V/VA klasse-organisatie aanvullende criteria en uitzonderingsvoorstellen opgesteld ten einde de veiligheid aan boord van deze schepen te vergroten. Er zijn als gevolg daarvan een aantal algemene criteria alsmede aanvullende criteria voor Lemsteraken bijgesteld en er is een apart hoofdstuk met aanvullende criteria voor aken uit de V/VA klasse met ingang van 2009 opgenomen.

Zowel in de algemene als de aanvullende criteria is dezelfde indeling aangehouden. De algemene criteria zijn verdeeld in 7 hoofdstukken. Daarvan hebben de hoofdstukken 4, 5 en 6 betrekking op onderdelen van het jacht. Ze behandelen resp. de romp, roer en zwaarden en de tuigage met inbegrip van staand en lopend want. 

Bij de aanvullende criteria is voor een nadere uitwerking van een paragraaf van de algemene criteria dezelfde nummering aangehouden. Zo is paragraaf 4.2, onderwaterschip, dwarsdoorsnede, in de aanvullende criteria verder onderverdeeld in 4.2a, rompvorm onder water en 4.2b, rompvorm boven water. 

Steeds geldt, dat een bepaling in de aanvullende criteria dient te worden gelezen in samenhang met dezelfde paragraaf in de algemene criteria en dat bij verschillen de tekst van de aanvullende criteria prevaleert. Als voorbeeld wordt verwezen naar de vlaktilling van zeeschouwen als aangegeven in paragraaf 4.2a.7 in samenhang met die van platbodem jachten in paragraaf 4.2 van de algemene criteria. 

De laatst aangebrachte wijzigingen of aanvullingen zijn VET (BOLD) aangegeven.

Het SSRP-bestuur is van oordeel, dat niet alleen diegenen, die zich al dan niet professioneel bezig houden met het ontwerpen, bouwen of verbouwen van ronde en platbodem jachten dienen te beschikken over de tekst van de Criteria voor Inschrijving in het Stamboek maar evenzeer alle eigenaren van ingeschreven jachten, met name indien zij overwegen om wijzigingen aan te brengen of verbouwingen uit te (laten) voeren. Het inschrijvingsbeleid is er immers op gericht om bij elke (her)inschrijving vast te stellen of het jacht (nog) voldoet aan de criteria voor het betreffende jachttype. Is dit niet meer het geval dan kan (her)inschrijving worden geweigerd tenzij de betreffende wijziging ongedaan wordt gemaakt. 

Verkrijgen meetbrief

Een schip met een Stichtingsplaquette, waarvan de eigenaar de jaarlijkse donatie aan de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten voldoet, wordt als ‘actief’ schip (Categorie A-D en M) in het bestand van het Stamboek en in de Schepenlijst opgenomen. 
Voor het aanvragen en verkrijgen van een Meetbrief van het KNWV ten behoeve van het wedstrijdzeilen is, naast het voldoen op alle punten aan de criteria van het Stamboek, vereist dat een schip als zodanig ‘actief’ staat ingeschreven.

A. Algemene Criteria

1. Inleiding

Na de oprichting van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodem jachten (SSRP) en de instelling van het Stamboek in 1955 beoordeelde het toenmalige bestuur of een zeiljacht al dan niet kon worden ingeschreven. 

Met het vastleggen in 1962 van een aantal kenmerken in de eerste druk van het boek "Ronde en Platbodem jachten" onder redactie van de secretaris-penningmeester van het Stichtingsbestuur, Mr. Dr. T. Huitema, werd de eerste aanzet gegeven om te komen tot het opstellen van criteria, waaraan ronde en platbodem jachten moeten voldoen om in aanmerking te komen voor inschrijving in het Stamboek.

Eind 1966 werd de eerste Criterium Commissie gevormd die de opdracht kreeg om een aantal objectieve criteria te formuleren waaraan de jachten bij de aanmelding voor inschrijving in het Stamboek konden worden getoetst. Begin 1967 verscheen het rapport van deze commissie dat de basis vormde voor de in 1969 vastgestelde "Criteria voor inschrijving in het Stamboek". 

In 1973 kreeg de toenmalige Criterium Commissie de opdracht, om de redactie van de criteria te herzien. De nieuwe redactie werd in 1976 vastgesteld. 

In 1988 kwam een statutenwijziging van de Stichting tot stand, waarna de redactie van de Criteria voor inschrijving in het Stamboek opnieuw werd herzien, ditmaal door het bestuur. 

Door nieuwe ontwikkelingen in de jachtbouw ontstond hierna de behoefte, om voor sommige typen van jachten de criteria verder uit te werken. Daartoe werd in 1990 een werkgroep geïnstalleerd die in 1992 zijn werkzaamheden afrondde met aanvullende criteria voor Lemsteraken, hoogaarzen en schokkers. Deze werden in juni 1992 vastgesteld.

Een tweede werkgroep formuleerde aanvullende criteria voor zeeschouwen en voor Zeeuwse schouwen. De criteria voor zeeschouwen werden in februari 1995 vastgesteld, die voor de Zeeuwse schouwen waren eind '99 nog in discussie.

Een derde werkgroep deed voorstellen voor aanvulling van de criteria voor tjalken en skûtsjes die in december 1997 werden vastgesteld. 

Een vierde werkgroep heeft voorstellen opgesteld voor de aanpassing van de algemene criteria en de aanvullende criteria voor Lemsteraken. Voor de grotere Lemsteraken (> 11m (L)) zijn aparte aanvullende bepalingen voorgesteld. Deze voorstellen zijn in de bestuursvergadering van februari 2009 aangenomen en vastgesteld. Tevens zijn in deze vergadering de gescheiden en aangevulde aanvullende bepalingen voor schokkerachtigen en hoogaarzen gerealiseerd.

1.1 Inschrijving in het Stamboek

A. Inschrijvingsbeslissing

Het bestuur van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten beslist of een jacht , waaronder in dit verband wordt verstaan een pleziervaartuig, in gebruik voor recreatieve doeleinden, in aanmerking komt voor opname in het Stamboek. Deze beslissing wordt door het bestuur genomen op grond van een door de Criterium Commissie uitgebracht advies. 
Deze commissie baseert haar advies op de "Criteria voor inschrijving in het Stamboek" en de voor de bovengenoemde typen van jachten geldende aanvullende criteria waarbij ingeval van verschillen, de in de aanvullende criteria gekozen formulering doorslaggevend is. 
Het bestuur van de Stichting Rond en Platbodemjachten kan, indien een jacht op onderdelen niet voldoet aan het gestelde in de “Criteria voor inschrijving in het Stamboek”, op verzoek van de eigenaar, besluiten om een dispensatie van twee jaar te verlenen. Om van deze dispensatieregeling gebruik te kunnen maken dient de eigenaar te verklaren dat hij deze periode zal aanwenden om aan alle gestelde eisen te voldoen. Voor afwijkingen van de “Criteria voor inschrijving in het Stamboek” met betrekking tot de rompvorm kan voor onbeperkte tijd dispensatie worden verleend. Dit ter beoordeling van het bestuur.

B. Inschrijvingsprocedure Stamboek

Bij de aanmelding van een jacht voor (her)inschrijving in het Stamboek is de eigenaar verplicht, alle daarvoor nodige informatie desgevraagd aan het bestuur van de Stichting ter beschikking te stellen en tevens, om verbouwingen en restauraties aan het bestuur te melden. 

Nieuwe inschrijving

Bij een aanvraag voor inschrijving van een nieuw gebouwd jacht is vereist dat:

  1. Ontwerptekeningen, waaronder lijnenplan, dekplan en tuigplan worden opgestuurd naar het secretariaat van de Stichting SSRP voor goedkeuring, waarop door de Stichting een zogenaamde “Verklaring Rompvorm” wordt afgegeven.
  2. Na de bouw geeft de werf een verklaring af aan het secretariaat van de Stichting SSRP dat de romp volgens tekening is gemaakt: de zogenaamde “Conformiteitverklaring” (werfverklaring).
  3. Als het schip vaarklaar is dient de eigenaar aan het secretariaat van de Stichting SSRP te verklaren dat het schip voldoet aan de Criteria van de SSRP: de zogenaamde “Eigenaarsverklaring”.
  4. De Verklaring Rompvorm, de Werfverklaring en de Eigenaarsverklaring dienen met een aantal kleurenfoto’s van het schip te worden opgestuurd naar de SSRP. 
  5. De SSRP bepaalt of er een schouw moet plaatsvinden. 
  6. De SSRP bepaalt of een stamboekcertificaat van inschrijving, met categorie-indeling en een bijbehorende plaquette met nummer worden afgegeven.

Bij de aanmelding voor inschrijving in het Stamboek van een bestaand jacht, waarvan de ontwerptekening, lijnenplan en tuigplan bekend en eerder goedgekeurd door het bestuur van de SSRP zijn, kan worden volstaan met een eigenaarsverklaring en een aantal (kleuren)foto’s van het schip. Desgewenst kan door de SSRP tevens een werfverklaring worden verlangd.

Lees meer

Her-inschrijving ('Activering')

Bij verkoop van een in het Stamboek ingeschreven jacht vindt, indien de nieuwe eigenaar verzoekt om de inschrijving te continueren, een herbeoordeling plaats om na te gaan of het jacht nog steeds voldoet aan de “Criteria voor inschrijving in het Stamboek”.
Voor de her-inschrijving van een jacht geldt dat tenminste de eigenaarsverklaring van de voorlaatste eigenaar en een aantal (kleuren)foto’s worden verlangd voor de her-inschrijving.
In alle gevallen waarin aan bovenstaande eisen niet kan worden voldaan, om redenen door de aanvrager aan te geven, heeft het bestuur van de SSRP het recht om van (delen van) deze procedure af te zien. Dit ter beoordeling aan het bestuur om desgevraagd alsnog tot her-inschrijving ('Activering') over te gaan.
In het algemeen kan worden gesteld, dat afwijkingen in traditionele vorm en tuigage, aangebracht voor welk doel dan ook, tot weigering van de (her-)inschrijving kunnen leiden.

C. Meten

Bij het meten van een jacht door de verbondsmeter van het Watersportverbond zal de waterlijn mogelijkerwijze niet meer overeenkomen met de CWL van het ontwerp-lijnenplan. In dat geval zullen voor de beoordeling van het jacht de parameters herberekend moeten worden. Deze herberekende parameters zullen in dat geval bepalend zijn voor het al dan niet inschrijven van het jacht in het Stamboek, dan wel voor het handhaven van die inschrijving. 

D. Traditioneel en historisch

Daar waar in deze criteria wordt gesproken van “traditioneel”, wordt bedoeld: zoals het algemene gebruik of de gewoonte ten tijde van de overgang van zeilvaart naar motorvaart was.
Indien in of vóór het genoemde tijdsgewricht een enkel jacht of bedrijfsvaartuig bepaalde kenmerken droeg, die van de algemene gewoonte of het algemene gebruik toentertijd afwijkend waren, kan dat geen rechtvaardiging zijn voor schepen van na 1950 voor een beroep op het begrip “traditioneel” zoals door de SSRP in deze criteria gebruikt. 

Daar waar in deze criteria wordt gesproken van “historisch” of “historisch verantwoord”, wordt bedoeld: bekend uit, resp. verantwoord vanuit de geschiedenis ten tijde van de overgang van zeilvaart naar motorvaart (einddatum 1950). Ook hier geldt dat uitzonderingen die in het verleden zijn voorgekomen bij het algemene gebruik en/of bij algemene gewoonte, geen rechtvaardiging voor andere, latere schepen kunnen vormen voor afwijkingen van datgene wat in deze criteria door de SSRP als “historisch” wordt beschouwd. 

E. Aansprakelijkheid

De Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten (waaronder mede te verstaan het bestuur, de Criterium Commissie en de leden van de Beroepsraad) aanvaardt op geen enkele wijze aansprakelijkheid voor schade in welke vorm dan ook, die als gevolg van het niet inschrijven, het niet ingeschreven houden dan wel als gevolg van een wijziging in de categorie-indeling van een jacht zou zijn ontstaan. 

2. Algemene overwegingen

Traditionele scheepsvormen werden bepaald door de eisen die door het gebruik en het vaarwater werden gesteld terwijl het materiaal, waarmee de schepen werden vervaardigd, het creatieve inzicht van de scheepsbouwer en de economische omstandigheden mede de vorm bepaalden. Bovendien gaven plaatselijke opvattingen over stijl, tuigage en onderdelen ieder schip een eigen gezicht. Dit geldt in het bijzonder voor de oude, op het oog gebouwde jachten waardoor deze als cultuurmonumenten zijn te beschouwen. Scheepsbouw is echter een levend goed. Ook de ronde en platbodemjachten ontkomen niet geheel aan nieuwe inzichten en ontwikkelingen waardoor de oude vormen geleidelijk kunnen veranderen in die van moderne scherpe jachten of in een dualistische tussenvorm.
De Stichting Stamboek Ronde en Platbodem jachten beoogt als hoofddoel om de traditionele vormen van deze jachten te consolideren en te handhaven maar onderschrijft de noodzaak om aanpassingen aan de eisen, die nu aan het gebruik van een jacht worden gesteld, tot op zekere hoogte te aanvaarden. Om die reden wordt gesteld dat alle Ronde en Platbodemjachten in het Stamboek kunnen worden opgenomen, die overeenkomen met de Oud Nederlandse scheepstypen, die hun eindvorm hadden bereikt toen het zeil werd vervangen door de motor.
Het tijdstip waarop een jacht is gebouwd speelt derhalve geen rol. Ook thans kan een Oud Nederlands scheepstype van een zuiver karakter worden gebouwd, al dan niet met behulp van moderne technieken en materialen. Dit laatste komt tot uitdrukking in de hierna te noemen categorie-indeling.

3. Onderverdeling in Categorieën

Bij de (her)inschrijving wordt elk jacht ingedeeld in één van de vier volgende categorieën:

  • Categorie A ('Actief')
    Ronde en Platbodemjachten in hun oorspronkelijke vorm, gebouwd vòòr of in 1950 en in hun oorspronkelijke vorm en bouwwijze behouden gebleven of gerestaureerd. Deze schepen kunnen zonder meer worden opgenomen als "Varend Monument® " in het Register Varend Erfgoed Nederland.
  • Categorie B ('Actief')
    Ronde en Platbodemjachten oorspronkelijk gebouwd vòòr of in 1950 en in hun oorspronkelijke vorm behouden of gerestaureerd doch nadien op verantwoorde wijze tot jacht verbouwd. Deze schepen kunnen zonder meer worden opgenomen als "Varend Monument®" in het Register Varend Erfgoed Nederland.
  • Categorie C ('Actief') 
    Ronde en Platbodemjachten gebouwd na 1950, welke zijn gebouwd en/of gerestaureerd volgende de oorspronkelijke vormen en bouwwijzen van de jachten behorende tot categorie A. Schepen in deze categorie, die 50 jaar of ouder zijn, kunnen worden opgenomen als "Varend Erfgoed" in het Register Varend Erfgoed Nederland.
  • Categorie D ('Actief')
    Overige Ronde en Platbodemjachten, niet behorend onder categorie A,B of C; doch geheel of nagenoeg geheel voldoen aan de gestelde criteria. Schepen in deze categorie, die 50 jaar of ouder zijn, kunnen worden opgenomen als "Varend Erfgoed" in het Register Varend Erfgoed Nederland.
  • Categorie M (useum) ('Actief')
    Ronde en Platbodemjachten, die in collecties van Musea zijn opgenomen en niet meer varen.
  • Categorie R (estauratie en (Ver)Nieuwbouw) ('Registratie')
    Ronde en Platbodemjachten, die ooit of nog nooit zijn ingeschreven, langdurig worden gerestaureerd,  worden "vernieuwbouwd" of geheel nieuw worden gebouwd. De periode tussen de aanvang van de werkzaamheden en afronding kan soms jaren duren. Van een echte Inschrijving is hier nog geen sprake.
Lees meer

4. Romp

4.1 Rompvorm algemeen

De vorm van de romp moet zodanig zijn dat overeenstemming met een Oud Nederlands type als omschreven in het boek "Ronde en Platbodemjachten" of een historische publicatie duidelijk is vast te stellen, dan wel dat de oorsprong van de vorm historisch duidelijk aanwijsbaar is. 

De vorm en de stand van de stevens, indien aanwezig, de langsdoorsnede, 
de vorm van de waterlijn en de lijnen van het berghout en het boeisel alsmede de stand van het boeisel moeten het karakter van het oorspronkelijke scheepstype duidelijk bezitten. De grootste breedte van de romp moet ongeveer op 0,4 x de lengte over de stevens, gemeten vanaf de voorsteven, liggen in elk geval duidelijk in de voorste helft van de romp. Een scheepsvorm kan worden vastgesteld met een lijnenplan. Dat bestaat uit een drietal doorsneden van de rompvorm: 

  1. Een dwarsdoorsnede, het z.g. spantenplan; 
  2. Een horizontale doorsnede, de waterlijnen; 
  3. Een verticale doorsnede, de verticalen. 

Daarnaast onderscheidt men nog de sentlijnen, de doorsneden die een hoek maken met de waterlijnen vanuit de hartlijn van het schip. 
 
Bij nieuwbouw is het gebruikelijk dat wordt uitgegaan van een lijnenplan dat zo goed mogelijk aansluit op de door de opdrachtgever beoogde scheepsvorm. Voor de beoordeling van de romp dienen de volgende, in paragraaf 7 nader gedefinieerde parameters, welke gerelateerd zijn aan de constructiewaterlijn CWL, te worden bepaald en op het ontwerp lijnenplan te worden vermeld: 
-AL, -CWL, -DC, -DV, -DA, -OA, -OV, -BWL en de positie daarvan ten opzichte van de verticale lijn door het voorste punt van de voorsteven. 

Bij het in de vaart brengen en/of het meten van het jacht door het Watersportverbond zal de waterlijn mogelijkerwijze niet meer overeenkomen met de CWL van het ontwerp lijnenplan. In dat geval zullen voor de beoordeling van het jacht de parameters herberekend moeten worden. Deze herberekende parameters zullen bepalend zijn voor het al dan niet inschrijven in het Stamboek dan wel het handhaven van die inschrijving. 

4.2 Onderwaterschip, dwarsdoorsnede

De ronde en platbodem jachten worden onderscheiden in:

A. Ronde jachten
De dwarsdoorsnede van een rond jacht vertoont op ieder spant een van het berghout tot de kielbalk doorgaande kromming. Een deel van de spanten van een rond jacht kan nabij de kielbalk een korte kromming naar beneden hebben; men spreekt dan van een gepiekt jacht. 

B. Platbodemjachten
Platbodem jachten hebben een duidelijk aanwijsbaar vlak en gewoonlijk een knik in de kim. De dwarsdoorsnede van het vlak is bij de meeste typen geheel recht. Bij enkele typen platbodems kan de dwarsdoorsnede van het vlak een lichte vlaktilling vertonen of er is een zeer lichte kromming aanwezig. Beide karakteristieken zijn alleen toegestaan bij scheepstypen, waar dit ook oorspronkelijk voorkwam. 

De vlaktilling, gemeten ter plaatse van het grootspant, mag als richtlijn maximaal bedragen: 

  • voor een platbodem jacht: 2 graden 
  • voor een rond jacht: 6 graden 
  • voor een gepiekt jacht: 15 graden

4.3 Kiel, scheg en loefbijter

Indien een rond of platbodem jacht in zijn oorspronkelijke vorm met een kielbalk of scheg werd gebouwd mag de hoogte daarvan, ook bij hedendaagse nieuwbouw, niet meer dan 2% van L onder het diepste punt van het vlak bedragen, gemeten ter plaatse van het grootspant. Op de achtersteven mag de kielbalk of scheg niet dieper dan 3% van L onder het diepste punt van het vlak ter plaatse van het grootspant uitsteken. Kiel of scheg mogen niet onder de rechte verbindingslijn uitkomen, die de hiervoor aangegeven punten verbindt. Onder een kielbalk of scheg mag niet nog een aparte scheg worden aangebracht. 

Bij jachten zonder kielbalk mag de voorscheg niet dieper steken dan het diepste punt van het vlak ter plaatse van het grootspant en het diepste punt van de achterscheg niet dieper dan 1% van L onder het diepste punt van het vlak. 

De afmeting van een kielbalk mag in dwarsrichting maximaal 2,5% van de lengte op de waterlijn, de stevens inbegrepen, bedragen. 

Bij jachten die oorspronkelijk reeds met een zeilkiel werden uitgerust, zoals Staverse jollen, mag de hoogte hiervan ter plaatse van het grootspant niet meer bedragen dan 8% van de waterlijnlengte en in de dwarsrichting niet meer dan 10 cm dan wel 1% van de lengte op de waterlijn.

Bovengenoemde afmetingen voor kiel en scheg zijn, ook voor hedendaagse nieuwbouw, maxima. 

Een loefbijter mag alleen worden toegepast bij jachttypen waar dit in hun oorspronkelijke vorm gebruikelijk was. De vorm mag niet afwijken van de historisch gebruikelijke en de loefbijter mag niet verder naar voren uitsteken dan de verticale lijn door het voorste punt van de voorsteven op de waterlijn gemeten. 

4.4 Opbouw

Vorm en grootte van de opbouw moeten zodanig zijn, dat ze in harmonie zijn met het jacht en het lijnenspel van de romp niet verstoren. Uitgangspunt is, dat de opbouw zo laag mogelijk blijft en dat het hoogste punt (de "kuif" of het schuifluik) niet hoger boven de waterlijn komt dan de bovenkant van de voorsteven. 
 
Verder mag het hoogste punt van de opbouw niet hoger liggen dan 2x de hoogte van het vrij boord ter plaatse, gemeten van de bovenrand van het potdeksel tot de waterlijn. 

Er moet naar worden gestreefd dat de opbouw achter de mast blijft (zogenaamde korte opbouw) en bij een opbouw die gedeeltelijk voor de mast doorloopt (lange opbouw), dient dit deel niet groter te zijn dan esthetisch verantwoord. 

De langsdoorsnede van de opbouw op de hartlijn van het jacht dient hol te zijn. Slechts op kleine jachten (L< 6,25 m.) met een korte opbouw kan een rechte langsdoorsnede worden geaccepteerd. 

De zijden van de opbouw dienen op passende wijze in te vallen. De breedte van de opbouw dient zodanig te zijn, dat goed bruikbare gangboorden over blijven. 

De opbouw dient aan beide zijden bij voorkeur te zijn voorzien van een aantal poorten of ramen. De vorm en de afmetingen van de ramen of poorten in de opbouw dienen zodanig te zijn dat ze bij het jacht passen. Poorten verdienen de sterke voorkeur boven ramen. 

Zee- en kuiprelingen kwamen vanouds op ronde en platbodem jachten of de daaraan ten grondslag liggende typen bedrijfsvaartuigen niet voor behoudens op grote, zeegaande tjalken en klippers. Een zeereling is, met name op het voordek, ontsierend en onpraktisch en belemmert de juiste stand en schootvoering van de fok. In beginsel is een zeereling daarom onaanvaardbaar voor goedkeuring bij inschrijving in het Stamboek. In voorkomende gevallen kan een wegneembare constructie voor incidenteel gebruik worden geaccepteerd. Hetzelfde geldt voor die gevallen waarin een vaste zeereling uit veiligheidsoverwegingen van overheidswege verplicht is gesteld. 

4.5 Materiaal en bouwwijze van romp en opbouw

Voor houten jachten van de categorieën A, B, C en M zijn voor de bouwmaterialen van de romp en opbouw alleen de historisch gebruikte houtsoorten toegestaan; voor jachten van categorie D tevens niet traditionele houtsoorten met dien verstande dat de constructie zodanig moet zijn dat het verloop van de nerven en van de delen, en de afmetingen van de delen, geen verschil laat zien met de traditionele bouwwijze. Verder komen alleen ijzer en staallegeringen als constructiemateriaal in aanmerking. Dek en opbouw mogen van hout of staal zijn dan wel van staal met hout bekleed. 

Gebruik van roestvast staal is toegestaan bij steunconstructies voor houttoepassing en eveneens voor huiddoorvoeren, puttings, waterafvoergoten en afsluitranden voor teakdekken. Bij het gebruik van roestvast staal voor potdeksels, kuip, mastkoker, en overloop, wordt dit gebruik slechts toegestaan indien dit geschilderd is. 

De kwaliteit van het houtwerk en de materiaaldikten van houten en ijzeren of stalen jachten dienen aan goede scheepsbouwgebruiken te beantwoorden. 

De plaatdikte van een stalen jacht moet voor romp en dekken tenminste 4 mm bedragen, bij L < 6,25 m tenminste 3 mm.

Bij toepassing van hout is alleen massieve gangen bouw geoorloofd. Bij staalbouw verdient het aanbeveling, in het bijzonder bij grote jachten met ronde kop en kont, de huidgangen boven de waterlijn te laten overlappen ten einde de vorm te accentueren. 

Bij houten jachten mogen de inhouten en berghouten gelamineerd zijn mits de afmetingen en constructies overeenkomen met die in de traditionele bouw. Bij jachten van categorie D mogen tevens de huid, de voorkant en de zijkanten van de kajuitopbouw gelamineerd zijn mits vervaardigd uit dezelfde houtsoort en uit maximaal drie delen die elk tenminste 8 mm dik zijn. De richting van de houtnerf dient in alle lagen gelijk te verlopen, in de lengterichting van de te verlijmen delen. Deze mogen zowel in de lengte- als in de breedterichting verspringen. De constructie moet echter zodanig zijn dat aan weerszijden geen verschil is te zien met de traditionele bouwwijze. 

Zowel voor het lamineren als voor het behandelen van de huid en de inhouten aan binnen en buitenzijde zijn epoxypreparaten geoorloofd. Diagonaalbouw, plakhout of multiplex is voor de romp niet toegestaan. Het aanbrengen van een zgn. Nano-folie aan de onderzijde van het schip, is niet toegestaan als zijnde een extra kunststof huidbedekking.

Teakhouten dekken zijn toegestaan. Lattenbouw, diagonaalbouw en plakhout is niet toegestaan. Toepassing van multiplex is uitsluitend toegestaan voor het dak van de opbouw. Het gebruik van glas- of kunstvezel, behoudens als isolatiemateriaal, alsmede dat van aluminium of kunststof als constructiemateriaal is niet toegestaan. Voor de afdichting van de dakopbouw of luikenkappen kan glas- of kunstvezel in combinatie met polyesterhars worden toegestaan mits het is geplamuurd, gladgeschuurd en geschilderd, en/of met massief hout bekleed. 

4.6 Scheepsbeslag

Scheepsbeslag dient volgens historisch model van ijzer, staal of een koperlegering te zijn vervaardigd. Roestvast staal, bij voorkeur geschilderd, gematteerd, geschuurd (korrel =< 220), gezuurd, gepareld of gestraald, is geoorloofd. Verchromen, vernikkelen en de toepassing van gepolijst roestvast staal zijn niet toegestaan. Voor het gebruik van roestvast staal bij het glij-gedeelte van de overloop, lieren en bij ander beslag wordt blank metaal toegestaan.

4.7 Afwerking en uitrusting

Afwerking en uitrusting aan dek en in de kuip dienen zodanig te zijn dat zoveel mogelijk de historische stijl tot in details wordt gehandhaafd. Slechts als indicatie kan genoemd worden dat lichtkoepels en verchroomde of roestvast stalen ventilatorkappen niet acceptabel zijn. Bolders van lipmodel zijn te verkiezen boven pijpmodel. 

4.8 Kleuren

Er dienen, uitgezonderd voor de biezen, potdeksels en berghouten, kleuren te worden toegepast die historisch gebruikelijk waren. Het aantal kleurencombinaties dient zoveel mogelijk beperkt te blijven. Witte kleurvarianten, donker groen, donker blauw, donker rood, grijstinten, en zwart verdienen de voorkeur. Heldere kleurvarianten zijn niet acceptabel, tenzij toegepast op de boeisels van jachten in visserman uitvoering in combinatie met een zwarte of grijze rompkleur. Voor alle kleurgebruik geldt dat dit steeds ter beoordeling is van het bestuur van de SSRP, dat in alle gevallen omtrent kleurgebruik bindend beslist. 

5. Roer en Zwaarden

De grootte, vorm en stand van roer en zwaarden moet in overeenstemming zijn met hetgeen eertijds bij het betreffende scheepstype gebruikelijk was. 
Roer en zwaarden dienen van massief hout, bij voorkeur eikenhout, uit delen te zijn opgebouwd. Zeezwaarden mogen uit één deel zijn gemaakt. Midzwaarden en kimkielen zijn niet toegestaan.
Alleen bij grotere jachten (L > 8.5m) mag de helmstok worden vervangen door één stuurwiel. Het stuurwiel dient traditioneel te zijn en geheel van hout te zijn vervaardigd. De maximale diameter van een dergelijk stuurwiel is 8% van de LOA van het betreffende jacht. 
Extra verzwaring van de zwaarden door middel van gewichtstoevoeging is niet toegestaan. Voor schepen > 11. Meter geldt een gewichtsmaximum  voor het totale zwaardbeslag van zandstrook en zandloper-ijzers, van 25 kg. per zwaard. Voor kleinere schepen geldt een dergelijk maximum beslag gewicht van 15 kg. per zwaard.

6. Tuigage, Staand en Lopend want

6.1 Rondhouten

Masten, zeilbomen, gaffels en het kluifhout moeten van massief hout zijn vervaardigd. Zij mogen uit delen zijn samengesteld; mast en gieken mogen hol zijn met een minimale wanddikte van 25% van de diameter ter plaatse. Fokkebomen, uithouders en stutters voor de voor- en bijzeilen mogen niet hol zijn. De mast behoort rond te zijn met een vierkante voet en een achtkantige hommer welke voldoende uitgesproken is. De top moet toegespitst zijn en, behoudens op de allerkleinste jachten, voorzien zijn van een metalen trommelstok. Als richtlijn voor de dikte van de mast geldt 2 cm per meter mastlengte.

De giek (inclusief lummelboutconstructie) mag in lengte niet verstelbaar zijn; de lummel moet aan de mast bevestigd zijn dan wel draaien op de mastknecht, niet verder dan 1,5 x de langsscheeps gemeten mastdikte achter de achterkant van de mast. 

Mast, giek en gaffel dienen van traditioneel beslag te zijn voorzien. Voorkeur hierbij verdienen banden om de mast die voorzien zijn van één of meer ogen waar verstaging aan is bevestigd, of banden met hanepoten met oog of ring, waar de blokken inhaken (zgn. haakblokken). Samengestelde constructies van platen met één of meer schijven op de mast, of in de mast ingelaten blokken, schijven en/of katrolconstructies zijn niet toegestaan. Een gaffel mag niet anders gevormd zijn en geen andere afmetingen hebben dan historisch gebruikelijk was. Een spruit is alleen toegestaan voor grotere jachten waarvan de vallen van staaldraad zijn. Er mogen in de gaffel geen gaten aangebracht worden anders dan voor de marlijn. 

Lopend want (zoals bijvoorbeeld grootzeil-onderlijk-strekkers, of smeerrepen) evenals reguleer- of trimlijnen, mogen niet door de rondhouten worden geleid. 

Bokkepoten dienen, indien ze niet gebruikt worden, weggeborgen te worden in de scepters, plat aan dek in de zijden van het schip, naast het boord of anderszins, maar mogen niet boven het dek aan de voorstag als een soort van hulpreling worden gevoerd. De bokkepoten dienen derhalve afneembaar en deelbaar te zijn. Indien de bokkepoot-constructie niet deelbaar is, maar uit een geheel bestaat dient deze in dit geval plat op dek te worden gevoerd.

6.2 Zeilen

Het zeiloppervlak van grootzeil en fok moet in overeenstemming zijn met hetgeen voor het betreffende scheepstype historisch gebruikelijk was. Als uiterste minimum kan 1,4 x het product van de lengte en de grootste breedte op de waterlijn worden toegestaan. 

Als voorzeilen mogen, afhankelijk van hetgeen op het betreffende scheepstype historisch gebruikelijk was, een stagfok, botterfok, kluiver, halfwinder en breefok worden gevaren. Ook een aap of broodwinner en waterzeilen zijn toegestaan op scheepstypen waarop dit vanouds gebruikelijk was mits de maten in overeenstemming zijn met de historisch gebruikelijke. 

Elk zeil moet zijn vervaardigd van enkel laags geweven doek van katoen, hennep, vlas of kunstvezel op een wijze die vanouds gebruikelijk was. Uitsluitend witte of bruine zeilen zijn toegestaan. Reclame-uitingen, beeldmerken of andere figuur- of letterafbeeldingen zijn niet toegestaan. In elk zeil is slechts als reclame-uiting het beeldmerk van de zeilmaker in de maximale afmeting 0,20 x 0,20 m., en de Watersportverbondsregistratie toegestaan. Het grootzeil mag daarenboven het zeilteken, volgens de door het Watersportverbond aangegeven kleur, afmetingen en lettertype, voeren. 
Voor elk afzonderlijk zeil mag slechts één doeksoort worden gebruikt, d.w.z. doek van hetzelfde materiaal en gewicht en met dezelfde finish, opbouw van weefsel en mechanische eigenschappen. 
Het gebruik van "multyply" doek en/of niet geweven materiaal zoals Mylar, aromatische polyamides, koolstofvezels of andere hoog modulaire vezels als Kevlar, is niet toegestaan. 

De banen van de zeilen moeten evenwijdig aan het achterlijk lopen en mogen, behoudens op jachten met L > 15,5 m, niet breder zijn dan 50 cm. Voor grotere jachten mag de baanbreedte niet meer bedragen dan de vroeger gebruikelijke doekmaat voor katoen van 90 cm. Het verdubbelen van banen op enigerlei wijze anders dan op de hierna omschreven wijze in hoekversterkingen is niet toegestaan. In de hoekversterkingen moet het doek de indruk geven, evenwijdig aan het achterlijk gesneden te zijn. 

De zeilen dienen op de traditionele wijze gemaakt en genaaid te worden. Dit laatste mag machinaal geschieden. Hoekversterkingen mogen niet groter zijn dan historisch gebruikelijk. 

Het grootzeil dient op de traditionele wijze met een marllijn aan de gaffel en met rakbanden aan de mast te worden bevestigd. Het behoort voorzien te zijn van een losse broek. 
Het bevestigingspunt van de klauwhoek van het grootzeil bevindt zich zo dicht mogelijk (max. 8 cm.) bij de gaffelklauw op het gaffelbeslag of bij het oog op de gaffelklauw. 

Openingen in het zeil anders dan de vanouds gebruikelijke kousen en reefogen zijn niet toegestaan. Cunningham holes, flattening reefs etc. voor het trimmen van de zeilen zijn evenmin toegestaan. Persgrommers zijn wel toelaatbaar. 

Versterkingen in het zeil zijn uitsluitend toegestaan rond normale kousen en reefogen en in de hoeken van het zeil. 

In de hals- en schoothoek van de zeilen zijn radiale versterkingen toegestaan mits afgedekt door een laag doek in traditionele vorm. 

De rakbanden van het grootzeil moeten zijn voorzien van kralen. De rakbanden dienen aan één zijde aan het oog op het grootzeil ingesplitst te worden. 

Het reven dient op traditionele wijze te geschieden door middel van een steekbout of een smeerreep en een bindrif. 

De top van de fok mag niet hoger staan dan de bovenkant van de hommer terwijl de top van de kluiver niet hoger mag staan dan de top van de fok. Zeillatten en zeillatzakken zijn niet toegestaan behoudens op Lemsteraken >11m (L), tjalkjachten en skûtsjes. 

6.3 Vallen, schoten en stagen

Touwwerk dient van manilla, hennep of kunstvezel gemaakt te zijn. De kleur moet wit, bruin of grijs zijn zonder kleurdraad. Schoten en vlaggenlijnen mogen van wit katoen of witte kunstvezel zijn vervaardigd, eveneens zonder kleurdraad. Voor grotere jachten zijn staaldraadvallen toegestaan. 

De verstaging, zijstagen, voorstag van de mast en het water- en kluiverstag zijn van staaldraad of roestvast staaldraad. In plaats van de historisch gebruikelijke wijze van spannen van de verstaging mogen spanschroeven van roestvast staal of koper legering worden toegepast.

Een installatie voor het voeren van een rolfok en rolkluiver is niet toegestaan. 

De kluiverboom moet op traditionele wijze, dat wil zeggen horizontaal of hoger, worden geplaatst en getuigd. Hij moet kunnen worden getopt en/of binnengehaald. De verstaging van de kluiverboom mag van staaldraad dan wel roestvast staaldraad zijn. 

6.4 Blokken en lieren

Blokken dienen de bekende traditionele blokken van hout te zijn, bij voorkeur met buitenbeslag. Blokken van kunststof horen op ronde en platbodemjachten niet thuis. Het beslag van de blokken is staal, roestvast staal of brons en is gevat in hout. De houten wangen zijn minimaal even dik als de gleuf voor de schijf en dusdanig vormgegeven dat het blok een traditioneel uiterlijk heeft.
Op grotere jachten met lieren mogen, waar dit vroeger gebruikelijk was, stalen blokken worden toegepast. Samengestelde constructies van platen met één of meer schijven op de mast, of in de mast ingelaten blokken, schijven en/of katrolconstructies zijn niet toegestaan. Voor alle blokken geldt dat de schijven van metaal of kunststof mogen zijn en desgewenst worden uitgevoerd met een lagering.
Stropblokken zijn toegestaan, mits uitgevoerd in hout en touwwerk van natuurlijke of kunststofvezels, volgens een door het bestuur van de SSRP goedgekeurd en vastgesteld model en daaromtrent aangegeven aanwijzingen (Dyneema).

Mastlieren zijn niet verplicht. Indien op grotere jachten lieren worden gebruikt dienen deze zoveel mogelijk te zijn uitgevoerd zoals historisch gebruikelijk was Voor mastlieren geldt daarbij dat deze zijn uitgerust met twee of meer trommels, een vrijloop en een reminstallatie. Een ankerlier is niet verplicht. Indien op grotere jachten een ankerlier met ketting wordt gebruikt dient deze zoveel mogelijk te zijn uitgevoerd zoals historisch gebruikelijk was. 

Uitzonderingsmaatregel: Aluminium schootlieren mogen worden gebruikt, mits de kleuren grijs en donkergrijs worden toegepast. 

Het staande en lopende want, de rondhouten en de verplaatsbare onderdelen van de romp van een jacht mogen slechts met handkracht worden bediend en versteld. Op jachten met een L > 8.5 m mogen voor het lichten van het anker, het strijken van de mast, het hijsen van de zeilen en het ophalen van de zwaarden één of meer elektrisch of hydraulisch aangedreven lieren worden gebruikt. 

6.5 Ankers

Moderne ankers, zoals Danforthankers, Bruce-ankers, ploegschaarankers en dergelijke, zijn in het algemeen niet toegestaan als deze onder de botteloef of kluiverboom gevoerd worden. Voor visserman schepen zonder botteloef is het toegestaan een dergelijk anker te voeren mits weggeborgen tegen het schip. Het verdient nog steeds aanbeveling gebruik te maken van een admiraliteits- of Hollands stokanker. Voor het gebruik op het hek van het schip en voor het gebruik door visserman schepen kan een vier- of driebladig dreganker worden benut.

7. Gebruikte symbolen voor de beschrijving van vorm en maat van romp en zeilen

Voor de beschrijving van de rompvormen is gebruik gemaakt van de hierna te noemen symbolen voor verschillende scheepsmaten zoals die ook in de klassenvoorschriften van het Watersportverbond worden gehanteerd. 

LOA de lengte over de stevens. LOA = LWL + OV + GA. 
LOB LOA zonder achtersteven en valse voorsteven of steven klos bij schouwen.
LWL de lengte van de waterlijn zonder de stevens en gemeten op de aansluiting van huid met de zijkant van de stevens. 
L de lengte op de waterlijn over de stevens. 
CWL de LWL volgens het ontwerp-lijnenplan, te weten de waterlijn waarop het jacht vermoedelijk zal liggen, volledig uitgerust en onbemand, met half gevulde wateren brandstof tanks, gemeten op de aansluiting van de huid met de zijkant van de stevens. 
OV de overhang voor, de afstand, op de waterlijn gemeten, tussen de loodlijn uit de voorkant van de voorsteven en de voorkant van de huid. 
OA De overhang achter, de afstand, op de waterlijn gemeten, tussen de loodlijn uit de achterkant van de achtersteven en de achterkant van de huid. 
BWL de breedte op de waterlijn op 1/3 LWL uit het snijpunt van LWL en voorsteven. 
D1 de holtemaat (diepgangsmaat) van de buitenkant van de huid tot het waterlijnvlak op een punt 1/4 BWL uit het midden van het jacht en op 1/3 van LWL uit het vooreinde daarvan. 
DT1 de holtemaat (diepgangsmaat) van het waterlijnvlak tot op de hartlijn van het schip, zijnde ½ BWL, en op 1/3 van LWL uit het vooreinde daarvan.
D2 D1 doch gemeten op 2/3 uit het vooreinde van LWL en eveneens op een punt 1/4 BWL uit het midden van het jacht. 
DT2 DT1 doch gemeten op 2/3 uit het vooreinde van LWL en eveneens op een punt 1/2 BWL.
TC Diepste punt in de lengteas van het schip gelegen tussen DT1 en 0,5 LWL.
J de lengte van de loodlijn uit het snijvlak van het voorstag met de steven of botteloef op de voorkant van de mast. 
IZ de afstand in projectie op het verticale vlak van het snijpunt van het voorstag met de mast tot het snijpunt van dek en huid dwars van de mast. 
AL de intreehoek van de waterlijn, gemeten op CWL.
DC de berekende waterverplaatsing op de CWL, dat is het gewicht van het jacht, volledig uitgerust en onbemand, zeilklaar in het water, inclusief ballast, inventaris en met tankinhouden zoals de eigenaar wil gaan varen. DC = DV + DA, uitgedrukt in m3. De berekening dient uitgevoerd te worden inclusief huiddikte en aanhangsels, zoals onder andere: kielbalk, scheg, loefbijter, schroef en roer, voor zoet water met een soortelijke massa van 1000 kg/ m3. Op deze manier is de waterverplaatsing gelijk aan het gewicht van het jacht bij weging."
DV de waterverplaatsing van het voorschip, het gedeelte voor 1/2 LWL
DA de waterverplaatsing van het achterschip, het gedeelte achter 1/2 LWL
SLG de slankheidsgraad, gedefinieerd als LWL gedeeld door de derdemachts wortel uit DC
CW de waterverplaatsingscoëfficiënt, in de geldende klassenvoorschriften van het Watersportverbond als volgt gedefinieerd:
0,300 voor hoogaarzen en zeeschouwen
0,305 voor schokkers en bollen
0,310 voor schouwen, grundels, pluten en punters
0,320 voor botters en hengsten
0.321 voor visaken
0,330 voor ronde jachten
0,340 voor lemsteraken en Zeeuwse schouwen
0,350 voor Staverse jollen
0,365 voor tjalkjachten, klippers en skûtsjes
D de waterverplaatsing, gedefinieerd als CW x LWL x BWL x (D1 + D2).
ZV het zeildragend vermogen, gedefinieerd als de wortel uit het standaard zeiloppervlak gedeeld door de derdemachts wortel uit de waterverplaatsing DC. Voor de berekening van het standaard zeiloppervlak wordt verwezen naar de geldende klassenvoorschriften voor ronde en platbodem jachten van het Watersportverbond. 
GBL de lengte van het bovenlijk van het grootzeil.
GOL de lengte van het onderlijk van het grootzeil.
GPB de pijlronding boven de lijn GBL.
Grootspant    de spantdoorsnede met het grootste oppervlak onder de CWL

B. Aanvullende Criteria Algemeen

  1. Voor sommige typen ronde en platbodem jachten zijn in de hierna volgende hoofdstukken aanvullende criteria opgenomen die karakteristiek zijn voor het betreffende jachttype. 
     
  2. Waar in deze aanvullende criteria grenzen zijn gesteld zijn die bedoeld als de uiterst toelaatbare grenzen. 
     
  3. De aanvullende criteria zijn gebaseerd op onderzoek van lijnenplannen en andere gegevens van oude schepen, aangevuld met meetgegevens uit de klassenvoorschriften voor ronde en platbodem jachten van het Watersportverbond. Jachten die gebouwd zijn na het van kracht worden van de aanvullende criteria voor het betreffende type zullen volledig aan deze criteria dienen te voldoen. 
     
  4. De paragraafindeling van de aanvullende criteria zijn in overeenstemming met die van de basistekst. In principe zijn beide teksten van kracht; ingeval van verschillen prevaleert de tekst van de aanvullende criteria. 

C. Lemsteraken

De Lemsteraak is in de tweede helft van de 19e eeuw ontwikkeld uit de visaak van de Friese binnenwateren voor de visserij op het noordelijk deel van de destijds open Zuiderzee, tussen Lemmer en Den Helder. Na 1900 werden zij als regel in staal gebouwd. In de grondvorm zijn de Friese ronde jachten te herkennen: kromme voorsteven, ronde lijnen met horizontaal een ei-vorm met de punt naar achteren. In de kop loopt het voordek sterk op.

Hoofdkenmerk is, dat het volume van het voorschip groter is dan dat van het achterschip. De oorspronkelijke Lemsteraak was voor de mast overdekt en had als regel een bun, hoewel voor de haringvangst gebruik werd gemaakt van bijboten, de z.g. haringvletten, die werden gesleept.
De vissersschepen waren meestal 10 - 12.50m lang; echter al vroeg werden ook grotere aken (tot 17.50m) als jacht gebouwd met een kajuit achter de mast, een hoger achterschip en een boeierroer. De (bemiddelde) eigenaars veroorloofden zich een schipper + een knecht, tevens kok, die tijdens de vaart op het voordek de zwaardlieren en voorzeilen bediende en in het vooronder kookte. Zij verzorgden ook het onderhoud van schip en tuigage.

De grote Lemsteraakjachten die voor de Tweede Wereldoorlog gebouwd zijn, spelen in die recente discussie over wat een Lemsteraak is, een belangrijke rol. Die zien er weliswaar heel anders uit dan de oorspronkelijke Lemster visaken, ze komen ook niet voort uit de visaken, maar dragen nu wel de naam "Lemsteraak". Voorheen werden ze geregeld Lemsterjacht genoemd. Een aantal van die schepen was ook ontworpen en gebouwd bij De Boer in De Lemmer. Die grote aken hebben door hun extreme aanwezigheid onbedoeld mogelijkheden gecreëerd voor de ontwikkeling van de moderne (wedstrijd)aken uit onze tijd. Lemsteraken konden klein, maar ook groot zijn. Het bleven Lemsteraken.

Om die grote boeieraken beter te laten zeilen, hebben moderne ontwerpers zich mede laten inspireren door de functionele mogelijkheden die de traditionele Lemster visaak hun bood. De moderne wedstrijdaken in vissermanuitvoering bieden het beste uit twee werelden. Ze staan als zeilschip dichter bij de originele visaak, dan de oude boeieraken, terwijl ze door hun lengte een comfort bieden waar de eigenaren van de kleinere visaken slechts van kunnen dromen.

Veel informatie over de Lemsteraak is beschikbaar op onze pagina Lemsteraak in www.ssrp.nl.

Lees meer

C.1 Aanvullende Criteria voor Lemsteraken

4. Romp

De Lemsteraak is van oorsprong een vaartuig bestemd voor de visserij in de voormalige Zuiderzee. Het scheepstype is aan het einde van de negentiende eeuw ontwikkeld uit de boeier en de op het Friese binnenwater gebruikte visaak. De hogere kop was nodig voor het vissen op het ruimere water zoals dat ook bij andere vissersvaartuigen, in gebruik op de Zuiderzee, gebruikelijk was. 

Met grotere lemsteraken werd de visvangst ook op de Noordzee beoefend. Daarnaast zijn reeds in een vroeg stadium Lemsteraken als jacht gebouwd. Het scheepstype behoort tot de groep van de ronde jachten als gedefinieerd in paragraaf 4.2.a van de Criteria. 

4.1 Rompvorm algemeen

Het lijnenplan van een nieuw te bouwen lemsteraak dient te voldoen aan de in paragraaf 4.1 van de algemene criteria gestelde eisen.

4.1.1 Alle waterlijnen, senten en spanten van een lemsteraak moeten een vloeiend verloop hebben; zij mogen nergens "stilstaan". Vervormingen en bulten, in het bijzonder ter plaatse van de meetpunten, zijn niet toegestaan. Ook het verloop van de aansnijding van de huid op de stevenbalken en de lijnen van de stevens dienen vloeiend te zijn. 

4.1.2 De schuinte van de achtersteven dient minimaal 5 graden ten hoogste 12 graden ten opzichte van een verticale loodlijn getrokken vanaf de achtersteven te bedragen. 
De roerkoning of roerpinnen(as c.q. pinnen waarom het roer draait) dient steeds de lijn van de achtersteven te volgen en mag op geen plaats daarvan afwijken. De ruimte tussen roerblad en achtersteven mag ten hoogste 0.05 m. bedragen. Voor de breedte van de vingerlinggaten waardoor de roerkoning wordt geleid, geldt dat deze buitenzijds gemeten maximaal 0.10m. mogen bedragen.

4.2a Rompvorm onder water

4.2a.1 De grootste breedte van alle waterlijnen en senten moet liggen vóór 1/2 LOA. 

4.2a.2 De grootste breedte op de CWL moet liggen binnen een afstand van 45% van de LOA, gemeten uit de verticale lijn door het voorste punt van de voorsteven. 4.2a.3 De verhouding tussen LWL en BWL op 1/3 van de LWL vanaf het voorste punt daarvan moet liggen tussen 2,9 en 3,3 voor jachten met L = 15,0 m en tussen 2,2 en 2,6 voor jachten met L = 6,0 m. Tussengelegen waarden zijn te bepalen door lineaire interpolatie middels de formule: 0,078L + 1,73 ≤ LWL / BWL ≤ 0,078L + 2,134.
Het diepste punt van het schip (T) dient te zijn gelegen tussen de DT1 en de ½ LWL, en mag niet groter zijn dan 13% van de LWL.

Het volume van het onderwaterschip tussen de voorsteven en de DT1 dient tenminste 49% te bedragen van het volume van het onderwaterschip gelegen tussen de DT1 en de DT2.
Het volume van het onderwaterschip tussen de achtersteven en de DT2 dient tenminste 42% te bedragen van het volume van het onderwaterschip gelegen tussen de DT1 en de DT2.
Beide voorgeschreven volumes worden gemeten met huiddikte, zonder stevens en aanhangsels, vanaf de LWL en tot op het diepste punt van het schip (T).

4.2a.4 De intreehoek AL van de CWL moet tenminste 75 graden bedragen. De kromtestraal van de CWL mag binnen 1 meter uit de achterkant van de voorsteven niet extreem toe- of afnemen. 

4.2a.5 Het diepste punt van alle verticalen en senten moet liggen vóór 1/2 LOA 

4.2a.6 S-vormige spanten zijn uitsluitend toegestaan in het achterschip, achter de halve lengte van de LWL. 

4.2a.7 De vorm van het grootspant mag niet belangrijk afwijken van die van de oorspronkelijke schepen. Voor jachten, gebouwd door werven, die ook houten Lemsteraken hebben gebouwd waarvan de spantvorm een lichte knik vertoont in de kimmen is het ook voor stalen rompen toegestaan deze te bouwen met een soortgelijke lichte knik in de kimmen. 

4.2a.8 D1 moet tenminste even groot zijn als D2 

4.2a.9 SLG mag maximaal 4,00 bedragen voor jachten met L ≥ 6,0 m en 4,55 voor jachten met L ≥ 11,0 m. Tussengelegen waarden voor jachten met L= 6,0 - 11,0 m zijn te bepalen door lineaire interpolatie middels de formule SLG ≤ 0,11 L + 3,34 

4.2a.10 DV moet ≥ 8% groter zijn dan DA. 

4.2a.11 Op nieuw gebouwde jachten moeten aan stuurboord en aan bakboord diepgangskenmerken worden aangebracht op voor- en achtersteven op 10 cm boven de CWL. Op houtenjachten moeten de merktekens messing bolkopnagels zijn en op stalen jachten dienen ze te worden ingehakt, dan wel op andere goed zichtbare wijze te worden aangegeven. 
Indien door de klassenorganisatie Ronde en Platbodem jachten voorgeschreven diepgangskenmerken permanent zijn aangebracht, zodanig dat de nulpunten de CWL aangeven, kan van het aanbrengen van de hierboven genoemde diepgangskenmerken worden afgezien. 

4.2a.12 De voorsteven van het schip dient overal een lengte te hebben, in de lengterichting van het schip gemeten, van minimaal 1.5% LOA. 
De achtersteven van het schip dient overal een lengte te hebben, in de lengterichting van het schip gemeten, van minimaal 1% LOA.
Voor en achtersteven dienen even breed te zijn conform art. 4.3.2. Aanvullende bepalingen voor Lemsteraken. Bij jachten met L < 10,0 m mag deze breedte, op de huid gemeten, ten hoogste 0,1 m. bedragen, terwijl minimaal een breedte van 0,06 m. moet worden aangehouden. en bij jachten met L >10,0 m maximaal 1,5% van L, terwijl minimaal een breedte van 0,1 m. op de huid gemeten, is toegestaan. Een verjonging van de breedte van de stevens is toegestaan vanaf de loefbijter tot maximaal 0,50 m. boven de waterlijn.

4.2b Rompvorm boven water

4.2b.1 De overhang voor (OV) moet liggen tussen 7 en 11% LOA voor jachten met LWL ≤ 11,0 m en tussen de 7 en 10% voor jachten met 13,0 m ≤ LWL. Voor jachten met LWL van 11,0 tot 13, 0 m geldt een ondergrens van 7% LOA, tussenliggende waardes voor de bovengrens van OV voor jachten met LWL 11,0 tot 13,0 m zijn te verkrijgen door lineaire interpolatie middels de formule OV < b %, met b = 16,5 – 0,5 LWL. De LOA mag ten hoogste 18,5m zijn. 
De overhang achter (OA) moet liggen tussen de 4% en 7,5% van de LOA.

4.2b.2 De lijnen van voor- en achtersteven dienen een vloeiend verloop te hebben. Ook de aansnijding van de huid op de stevens dient goed strokend te zijn. 

4.2b.3 De lijnen van potdeksel, berghout en huidgangen dienen een vloeiend verloop te hebben. 

4.2b.4 Het diepste punt van het berghout moet liggen tussen 0,30 en 0,45 van de LOA, gerekend vanaf de achterkant van de achtersteven. 

4.2b.5 Het berghout mag over een beperkt gedeelte van de romp van gelijke hoogte zijn en behoort naar voor- en achterschip te zijn verjongd. 

4.2b.6 Het boeisel moet ongeveer ter hoogte van de mast de grootste breedte hebben en moet naar voor- en achterschip geleidelijk smaller worden. Indien een verhoging op het boeisel wordt aangebracht dient dit over de gehele lengte even hoog te zijn. 

4.2b.7 De hoogte van de verschansing van dek tot bovenkant potdeksel bedraagt minimaal 0,06 m voor jachten met L ≤ 8.0 m en minimaal 0,14 m voor jachten met 11.0 m ≤ L. Voor jachten met L van 8.0 m tot 11.0 m wordt de minimale waarde verkregen door lineaire interpolatie, middels de formule -0,153 + 0,0267 L. Het vrijboord, gemeten tussen de bovenkant van het potdeksel en CWL mag, gemeten in het midden van LOA niet groter zijn dan 0,14 + 0,08 LOA voor jachten met L ≤ 11.0 m en maximaal 0,14 + 0,07 LOA voor jachten met 13.0 m ≤ L. Voor jachten met L van 11.0 m tot 13.0 m wordt het maximale vrijboord verkregen door lineaire interpolatie, middels de formule 
(0,135 - 0,005 L)*LOA + 0.14. 
Bij het toepassen van geïntegreerde zetboorden bij half gedekte schepen met een lengte op de waterlijn (L) van meer dan 11 m. dient de doorgestrookte lijn van het potdeksel als grens voor het bepalen van de dekhoogte te worden aangehouden, waar geen of een los zetboord aanwezig is geldt de normale waarde volgens 4.2b.7.
Bij half gedekte schepen met een lengte op de waterlijn (L) van minder dan 11 m. mag het dek ter plaatse van het zetboord nergens boven de doorgestrookte potdeksellijn komen. (De “verschansingshoogte” is daar derhalve 0,0m.)
Voor half gedekte jachten met een geïntegreerd zetboord met 11.0 < L <=14.5 wordt de verschansinghoogte ten opzicht van de doorgestrookte potdeksellijn minimaal (L-11)*0.04 m., mits de hoogte vanaf de bovenkant zetboord tot aan het dek niet onder het gestelde in art 4.2b.7 komt. Voor half gedekte jachten met L ≥14.5 geldt onverminderd het gestelde in 4.2b.7. Het dek midscheeps mag in ieder geval in zijaanzicht nergens boven het potdeksel of zetboord uitsteken.

4.2b.8 Een zeereling is niet toegestaan tenzij deze wegneembaar is gemaakt. 

4.2b.9 De dekronding mag nergens meer dan 4% van de dekbreedte ter plaatste bedragen. 

4.2b.10 Op half gedekte jachten mogen zetboorden op het potdeksel geplaatst worden. Zetboorden zijn "losse" onderdelen die op het boeisel, op het potdeksel geplaatst worden.

Losse zetboorden worden uitgevoerd in hout, bij voorkeur inlands. Zetboorden die onderdeel zijn van het boeisel mogen van staal zijn. Als de zetboorden onderdeel zijn van het boeisel, wordt het vrijboord (art. 4.2b.7) gemeten tot de doorgestrookte lijn die het potdeksel in voor en achterschip verbindt. Deze doorgestrookte lijn dient op de buitenzijde van het boeisel aangegeven te worden met een zelfde profiel als voor het potdeksel gebruikt is. Het zetboord mag maximaal 1.5 % van LOA hoog zijn, maar hoeft echter niet lager dan 13 cm genomen te worden. De lengte van het zetboord is beperkt tot de volgende maten: Het zetboord stopt in het achterschip op een afstand van minimaal 25% van LOA voor achterkant achtersteven. Het zetboord stopt in het voorschip op een afstand van minimaal 20% van LOA achter voorkant voorsteven.

4.3 Kielbalk, scheg en loefbijter

4.3.1 Het is toegestaan, de kielbalk te onderbreken. In dat geval moet de scheg tenminste 20% van L lang zijn, gemeten vanaf het achterste punt van L tot het voorste punt van de onderkant van de scheg. De loefbijter moet dan tenminste 20% van L lang zijn, gemeten vanaf het voorste punt van L tot de achterste punt van de onderkant van de loefbijter. De aansnijdingen van scheg en loefbijter met het vlak moeten recht verlopen, in een hoek van niet meer dan 45°. Het diepste punt van de scheg en het diepste punt van de loefbijter mogen niet meer dan 1% van L verschillen. 
 
4.3.2 De breedte van kielbalk, de scheg en de loefbijter mag niet groter zijn dan de breedte van de stevens op de aansnijding van de huid. Voor en achtersteven dienen even breed te zijn. Bij jachten met L < 10,0 m mag deze breedte ten hoogste 10 cm bedragen en bij jachten met L > 10,0 m maximaal 1% van L. 

4.4 Opbouw

4.4.1 De bovenkant van de opbouw moet aan de achterzijde het hoogste zijn en in een vloeiende lijn naar voren verlopen. Deze lijn mag geen sprong vertonen. De hoogte boven het dek aan de voorzijde van de opbouw moet tenminste 20% kleiner zijn dan die van de achterzijde, zulks te bepalen op hart schip. 

4.4.2 Voor jachten met L ≤ 6,0 m mag het hoogste punt van de opbouw aan de achterzijde niet hoger boven de waterlijn liggen dan 2.0 x het vrijboord ter plaatse, gemeten van de bovenkant van het potdeksel tot de waterlijn. Voor jachten met 13,0 ≤ L is de genoemde waarde 1,7 x ipv 2,0 x. Voor jachten met L van 6,0 m tot 13,0 m wordt de vermenigvuldigingsfactor verkregen door lineaire interpolatie, middels de formule 2,257 – 0,0429 L. De hoogte van de opbouw van het dek tot het snijpunt van dak en zijkant gemeten langs de zijkant van de opbouw, mag maximaal 60 cm bedragen.

4.4.3 De dakrondte aan de voorzijde mag voor schepen met L ≤ 8.0 m maximaal 11% van de dakbreedte zijn en maximaal 5% voor jachten met 11.0 m ≤ L. Voor jachten met L van 8.0 m tot 11.0 m wordt dit percentage verkregen door lineaire interpolatie, middels de formule 27.0 – 2.0 L. 

4.4.4 Er moet naar worden gestreefd dat de kajuitopbouw achter de mast blijft. Indien de kajuitopbouw vóór de mast doorloopt dan mag het vóór de mast uitstekende deel, te rekenen vanaf de achterkant van de mastvoet, niet langer zijn dan 40% van het voordek, te rekenen vanaf de achterkant van de mastvoet tot de voorkant van de voorsteven. 

4.4.5 Een losse opbouw vóór de mast mag niet hoger zijn dan de voorkant van de kajuitopbouw. 

4.4.6 Op een half gedekt jacht (visserman jachtaak) mag geen opbouw op de voorplecht worden geplaatst.

4.5 Materiaal en bouwwijze van romp en opbouw

4.5.1 Stalen jachten dienen boven de waterlijn bij kop en kont overlappende huidgangen te hebben. De huidgangen dienen naar de uiteinden te zijn verjongd. 

4.5.2 Het berghout van een stalen jacht moet worden opgebouwd uit plaatmateriaal met aan de buitenkant een lichte bolling waarop een plat halfrond. 

5. Roer en Zwaarden

5.1 Het roer mag niet onder de scheg uitsteken
5.2 De zwaarden dienen zeezwaarden te zijn

6. Tuigage, Staand en Lopend want

6.1 Rondhouten

6.1.1 Slechts één mast mag worden gevoerd, waarbij de voorstag van deze mast op de steven wordt bevestigd. De voorkant van de mast mag ten hoogste 42% van de LOA achter het voorste punt van de voorsteven staan. Deze “mast uit steven”-lengtemaat wordt bepaald vanuit de hartlijn van de mast ter hoogte van de mastbout tot aan de vertikaal aan de voorzijde van de voorsteven, met aftrek van de halve dikte van de mast, gemeten op het vierkant. Bij schepen met een steekmast wordt een fictief draaipunt aangenomen op 0,60 m. bovendeks. 

6.1.2 De lengte van het bovenlijk van het zeil aan de gaffel (GBL) mag niet groter zijn dan 48% van de lengte van het onderlijk (GOL). De pijlhoogte van het zeil langs de gaffel (GPB), moet liggen tussen 5 – 20 % van de lengte van het bovenlijk. 

6.1.3 De afstand IZ mag niet groter zijn dan 1,05 x LOA. 

6.1.4 De maximale lengte van de giek wordt bepaald door de afstand tussen een denkbeeldige achterloodlijn  over de achterkant van het roer en de plaats van de lummelbout als het grootzeil is gehesen en de kraanlijn of dirk voldoende is gevierd. De minimale lengte van de giek moet gelijk of meer zijn dan 2/5e deel van de IZ lengte van de mast.

6.1.5 De lengte van de kluiverboom LOA – KLB, indien aanwezig, dient tenminste 21,9 % van de LOA te zijn, terwijl de maximale lengte hooguit 27,9 % van de LOA mag zijn, gemeten vanaf het aangrijpingspunt van de voorstag op de steven tot aan hart schijf van de travellertalie in de top van de kluiverboom.

6.2 Zeilen

6.2.1 Tot de standaard zeiluitrusting behoren een grootzeil. een botterfok en/of stagfok en een kluiver. Naast bovengenoemde zeilen kunnen een halfwinder. een aap of broodwinner en onder grootzeil en fok waterzeilen worden gevoerd. De halshoek van de fok wordt bij Lemsteraken steeds direct op de steven gevoerd. De halshoek van de halfwinder dient op de loopring om de kluiverboom gevoerd te worden. 

6.2.2 De bovengrens van het zeildragend vermogen (ZV) voor jachten met L < 6,0 m is 4,00. Voorjachten met een L > 11,0 m is de bovengrens 4,35. Tussenliggende waarden kunnen worden berekend door lineaire interpolatie middels de formule ZV < 0,07L + 3,58 . De ondergrens van ZV is 3,3 ongeacht de lengte van het jacht. 

6.2.3 De rakbanden van het grootzeil moeten zijn voorzien van tenminste een 12-tal kralen waarbij de dikte van de kralen passend moet zijn ten opzichte van de dikte van de mast volgens een te hanteren minimale verhouding tussen beide van 1 : 10. De rakbanden dienen aan één zijde aan het oog van het grootzeil ingesplitst te worden.

6.3 Vallen, schoten en stagen

6.3.3 In tegenstelling tot het bepaalde in 6.3 van de Algemene Criteria is het voor de Lemsteraken toegestaan dat voor de kluiverboom de waterstag van staal, roestvast staal of kunstvezel in de kleuren wit of grijs wordt benut. De verstaging, zijstagen, voorstag en kluiverstag van de mast zijn van staaldraad of roestvast staaldraad, echter bakstagen mogen ook van kunstvezel zijn mits de kleuren wit of grijs worden toegepast. Dit geldt tevens voor de bakstag talies en zwaardtalies.

6.5 Stoppers

Stoppers zijn alleen toegestaan op het voordek ter fixatie van de kluivernetstagen en vooraan op de giek ter fixatie van de smeerrepen.

C.1.1 Aanvullende criteria voor Visserman jachtaken

Visserman jachtaken hebben in tegenstelling tot de jacht aken geen opbouw, maar zijn gedeeltelijk gedekte lemsteraken met een grote open kuip (zgn. half gedekte schepen).

4. Romp

4.1 Voordek

Visserman jachtaken moeten voor de mast een doorlopend dek hebben, hierin mag geen kuip en hierop mag geen opbouw worden aangebracht.

4.2 Hoofdschot en kuipindeling

Bij visserman jachtaken staat het hoofdschot/ruimschot maximaal op 55% van LOA gerekend vanaf voorkant voorsteven. Bij visserman jacht aken bevindt de motor zich achter het hoofdschot.
De kuipbanken mogen langs het achterhuisje, langs iedere zijde, en langs het hoofdschot worden aangebracht. Deze banken moeten zoveel mogelijk waterdicht worden uitgevoerd.
De deken moet minimaal de onderstaande afstand onder het diepste punt van de zeeg van het potdeksel liggen, hierbij wordt gemeten de verticale afstand tussen bovenkant potdeksel en snijpunt deken-boeisel:

L < 8.5 0.60 m
8.5 < L < 15.5 0.60 + 0.05 * ( L - 8.5 ) m
L > 15.5 0.95 m

De stuurvloer mag maximaal 0.25 m hoger liggen dan de deken maar niet hoger dan 0.60 m onder het diepste punt van de zeeg van het potdeksel ter plaatse.

Bij visserman jacht aken met een L van meer dan 8.50 m moet het boeisel voorzien zijn van een binnenboeisel over minimaal 50% van de gemiddelde breedte van de boeisel gang, gemeten ter plaatse van het hoofdschot en het achterhuisje. Dit binnenboeisel moet bij voorkeur afgewerkte worden met (plat)halfrond.
Ter plaatse van kuipbanken mag dit binnenboeisel met de rugleuning van deze banken gecombineerd worden. Op andere plaatsen moet het binnenboeisel evenwijdig met het boeisel of maximaal verticaal lopen.

4.4 Koekoeken

Meerdere koekoeken zijn toegestaan. Een koekoek mag maximaal 35 cm hoog zijn gemeten vanaf het dek. Maximum afmetingen van de grootste koekoek zijn:
Lengte: 25% J.
Breedte: 30 % BWL

5. Roer en Zwaarden

5.1. Roervorm

Het roer moet een traditionele kop hebben.
Het roer mag geen klik of beeld hebben.
Het roer moet op de waterlijn minimaal 6% LOA breed zijn.
Het roer moet onder de kop minimaal 4% LOA breed zijn.

6. Tuigage, Staand en Lopend want

6.4.1 Lieren

Op het potdeksel mogen maximaal 2 lieren aan iedere zijde achter het zetboord worden geplaatst. Andere lieren moeten op het binnenboeisel of aan dek worden geplaatst.

C.2 Aanvullende Criteria Lemsteraken met een lengte van meer dan 11 m. (L)

In aanvulling op de hiervoor genoemde Algemene Criteria, en de Aanvullende Criteria voor Lemsteraken, zijn voor de Lemsteraken van de V/VA klasse met een grootte van meer dan 11 meter (L) de navolgende aanvullingen en toegestane uitzonderingen opgenomen

A. Algemene Criteria

B. Inschrijvingsprocedure Stamboek

A.1.B.d Voor alle schepen in de V/VA klasse geldt dat bij (her-)inschrijving deze altijd geschouwd dienen te worden, en dat de aanvrager(s) altijd moeten voldoen aan alle eisen van inschrijving zoals genoemd in de Algemene Criteria in de paragraaf Nieuwe inschrijvingen met dien verstande dat zij altijd een Rompvormverklaring, een of meer Conformiteitsverklaringen, een Eigenaarsverklaring en een aantal gevraagde kleurenfoto´s dienen over te leggen.
Conform het gestelde in de Klassevoorschriften hieromtrent, geldt voor alle zaken waaromtrent twijfel bestaat of deze voldoen aan de Criteria (of de intenties daarvan) dat deze vooraf ter beslissing voorgelegd kunnen worden aan het Bestuur van het Stamboek. Een en ander geldt zowel voor het eigen schip als voor op- of aanmerkingen met betrekking tot de schepen van anderen.
Nadat een geldige Stamboekregister-inschrijving is verwezenlijkt en een plaquettenummer is uitgereikt dient de eigenaar er te allen tijde voor zorg te dragen dat het schip blijft voldoen aan de Criteria van de Stichting Ronde en Platbodemjachten. Dat geldt zowel voor aanpassingen aan het schip, aan de tuigage en/of zeilen als aan de verdere uitrusting, als ook in geval van wijziging van de regels van deze criteria van de SSRP.

4. Romp

4.2a.11 Op alle jachten moet, ter visuele controle van de waterlijn, aan stuurboord en aan bakboord diepgangsmerken worden aangebracht op voor- en achtersteven ter hoogte van de waterlijn zoals het jacht tijdens wedstrijden wordt gevaren. In de wijze van meting voor een dergelijke waterlijnbepaling ( LWL, VBV, VBA) voorziet het Meetprotocol van het Watersportverbond. In alle gevallen dienen de merktekens op goed zichtbare wijze, middels de standaard roestvast stalen plaatjes, te worden aangebracht.
Indien door de klassenorganisatie V/VA voorgeschreven diepgangskenmerken permanent zijn aangebracht, zodanig dat de nulpunten de CWL aangeven, kan van het aanbrengen van de hierboven genoemde diepgangskenmerken worden afgezien. 

4.2a.13 De grootspantcoëfficiënt (Cm) dient, gemeten langs de door het Verbond en de Klasseorganisatie V/VA aangegeven punten, zich te bevinden in de range van: 0,760 tot 0,860
De waterlijncoëfficiënten worden gemeten vanaf de ½ LWL tot aan de voorsteven (Cw1) en vanaf de ½ LWL tot aan de achtersteven (Cw2), en mogen niet de range van 0.830 tot 0,880 voor de Cw1, resp. de range van 0,750 tot 0,860 voor de Cw2 niet overschrijden.
    
4.5 Ten aanzien van het gestelde in art 4.5 van de Algemene criteria geldt dat voor Lemsteraken met een lengte van meer dan 11 meter, de verplichting om de roestvast stalen overloop en botteloef geschilderd te hebben vervalt. Deze roestvast stalen overloop en botteloef mogen in zijn geheel gematteerd, geborsteld, geëtst en of gepareld zijn. 

6. Tuigage, Staand en Lopend Want

6.1.1 Slechts één mast mag worden gevoerd. 

6.1.2a Voor de bevestiging van het grootzeil aan de gaffel moet gebruik gemaakt worden van een marlijn. Daarnaast mag het bovenlijk van het zeil in een sleuf aan de onderzijde van de gaffel gevoerd worden, waarbij deze lijkensleuf ten hoogste een diepte van 18 mm. en ten hoogste een breedte van 6 mm. mag hebben.

6.1.2b Het beslag van een gaffel moet in deze categorie schepen van staal of roestvast staal te zijn gemaakt.

6.1.2c Voor de afstand tussen de klauwhoek van het grootzeil en het oog op de gaffel, geldt dat deze afstand, voor de schepen uit dit hoofdstuk, maximaal 0,20 m. mag zijn. In het geval dat er een gaffelschoen wordt gevoerd mag deze afstand tussen de klauwhoek van het grootzeil en het draaipunt van de gaffelschoen eveneens maximaal 0,20 m. zijn. Voor wat betreft de lip op de gaffelschoen waarin het draaipunt ( de moer-boutverbinding met de gaffel) is geplaatst geldt dat deze niet langer dan 0,15 m. behoort te zijn.

6.1.2.d Gaten in het beslag van de mast, gaffel, en giek, alsmede in schootgeleiders, met het doel gewichtsbesparing te realiseren, dan wel om andere niet oorspronkelijke redenen, zijn niet toegestaan. 

6.1.2.e Hydraulisch of anderszins verstelbare strijkklampen zijn niet toegestaan.

6.1.2.f Hydraulische of andere mechanische apparatuur in of onder de mastvoet anders dan om de mast strijkbaar te houden (bijvoorbeeld om de verstaging te spannen), is verboden.

6. Tuigage, Staand en Lopend want

6.2 Zeilen 

6.2.1 Tot de standaard zeiluitrusting behoren een grootzeil, een botterfok en/of stagfok en een kluiver. Naast bovengenoemde zeilen kunnen een halfwinder, een aap of broodwinner en, onder het grootzeil en fok, waterzeilen worden gevoerd. De halshoek van de halfwinder dient op de loopring om de kluiverboom gevoerd te worden of middels een halstalie via een blok op het oog van de nok van de kluiverboom.
De lengte van het onderlijk van het grootzeil (GOL) dient ten minste 54% van de lengte van het voorlijk van het grootzeil te zijn.

6.2.2 Het grootzeil zowel als de fok mogen voorzien zijn van zeillatten in zeillatzakken, welke echter parallel aan de lijn van het onderlijk van beide zeilen ingebracht c.q. aangebracht dienen te zijn. De lijn van het onderlijk wordt in dit geval als een virtuele rechte lijn gezien, gemeten tussen de halshoek en de schoothoek van het zeil.
Voor het grootzeil is een aantal van vier zeillatten toegestaan gelijkmatig verdeeld over de lengte van het achterlijk, voor de fok het aantal van drie stuks eveneens gelijkmatig verdeeld over de lengte van het achterlijk. De achterlijken van beide zeilen mogen niet worden “uitgebouwd”, maar dienen een holle dan wel rechte achterlijk-lijn te hebben.

De zeillatzakken dienen van hetzelfde materiaal als het grootzeil c.q. de fok te zijn vervaardigd. De lengte van de zeillatzakken mag niet meer dan 30% van de onderlijklengte te hebben, maar mag eveneens niet meer dan 50% van de zeilbreedte ter plaatse bedragen. De breedte van de zeillatzakken mag maximaal 0,10 m. bedragen. De afsluiting van de zeillatzakken dient zonder separate spanners, met klittenband of met sluitogen te zijn gemaakt. Zeillatten mogen van hout of van glasvezel versterkt kunststof worden uitgevoerd doch in gelijke kleur als het zeil.

6.3 Vallen, schoten en stagen

6.3.1 Het gebruik van moderne kunstvezels is toegestaan in schoten, vallen, en talies mits ze voldoen aan de kleurstelling zoals genoemd in art. 6.3 van de Algemene Criteria. Dat wil zeggen dat de kleuren effen wit, bruin en grijs zijn toegestaan zonder dat deze schoten, vallen of talies anders gekleurde draadjes bevatten.
 
6.3.2 Stroppen en grommers mogen worden toegepast, indien ze op de originele wijze en op de gebruikelijke plaatsen worden aangewend bij de fixatie van blokken. Het materiaal kan kunststofmateriaal zijn indien het voldoende bestendig is tegen beschadigingen en de dikte en kleur heeft zoals genoemd in art 6.3. van de Algemene Criteria. Moderne kunststofmaterialen kunnen daarbij als kern voor de genoemde grommers en stroppen worden toegestaan.

6.3.3 In tegenstelling tot het bepaalde in 6.3 van de Algemene Criteria is het voor de Lemsteraken uit deze V/VA klasse toegestaan dat voor de kluiverboom de waterstag van staal, roestvast staal of kunstvezel in de kleuren wit of grijs wordt benut. De verstaging, zijstagen, voorstag en kluiverstag van de mast zijn van staaldraad of roestvast staaldraad, echter bakstagen mogen ook van kunstvezel zijn mits de kleuren wit of grijs worden toegepast. Dit geldt tevens voor de bakstag talies.

6.4 Blokken en lieren

6.4.1 Het verdient aanbeveling gebruik te maken van admiraliteits-, of Hollandse stokankers. Voor het gebruik op het hek van het schip kan een vier- of driebladig dreganker worden benut. Moderne ankers zoals Danforth, Bruce en soortgelijke zijn niet toegestaan. Klapankers gevoerd in een ankerkluis zijn wel toegestaan.

6.4.2 In dwarsscheepse richting geplaatste rails ter verplaatsing van de lei-ogen van fok en/of kluiver, zijn niet conform de gebruikelijke verplaatsingsmogelijkheden van deze lei-ogen. Slechts in de lengterichting geplaatste rails zijn toegestaan.

6.4.3 Indien een ankerlier wordt gevoerd zijn de historisch gebruikelijke ankerlieren ook voor deze categorie schepen verplicht. Op grond van verworven rechten kan de ankerlier model kaapstander, indien aanwezig vanaf de tewaterlating van het schip, tot het bouwjaar 2011 op verzoek van de eigenaar gedispenseerd worden.

6.5 Stoppers

Op het voordek zijn ter fixatie en geleiding van de vallen van de voorzeilen, de kluivernetstagen en de smeerrepen op de giek, stoppers toegestaan.

C.2.1 Bijzondere aanvullende criteria voor Visserman jachtaken

Visserman jachtaken hebben in tegenstelling tot de jacht aken geen opbouw, maar zijn gedeeltelijk gedekte lemsteraken met een grote open kuip (zgn. half gedekte schepen).

4. Romp

4.2 Op een visserman(jacht)aak is een vis-/motorbun verplicht. De minimale afmetingen van een dergelijke bun dienen te bedragen:

lengte: 10% van de LOA
breedte: 5% van de LOA
hoogte:   5% van de LOA met een maximum van 0,90 m. De hoogte van de bun mag echter nooit in de zichtlijn de hoogte van het potdeksel, evt. incl. het aanwezige zettelboord overstijgen.

Het materiaal waarvan de bun is opgetrokken kan zowel staal, als hout zijn.

4.4 Minimaal één koekoek op het voordek is verplicht. Een koekoek moet minimaal 0,15m. tot ten hoogste 0,35 m. hoogte hebben gemeten vanaf het dek. 
De maximale afmetingen van een koekoek zijn: Lengt: 25% J. Breedte: 30% BWL

5. Roer en Zwaarden

5.1 Stuurwiel en stuurkolom

5.1.1 Eén stuurwiel mag op een visserman jachtaak toegepast worden indien L > 11 m. Indien een stuurwiel wordt toegepast gelden de volgende criteria:

  • De stuurkolom dient in hout uitgevoerd te worden
  • De stuurkolom moet rond, zeskantig of achtkantig zijn, en mag eventueel in hoogte taps verlopen.
  • Het uitwendige oppervlak van de stuurkolom moet passen in een cilinder met een diameter van: DSK = 0,30 + ( L/5 – 2,2 ) x 0,10 
  • De maximum diameter van het stuurwiel is 8 % LOA 

5.1.2 Indien een visserman jachtaak stuurt middels een helmhout mogen uitsluitend in de wedstrijd, de volgende hulpmiddelen gebruikt worden: stuurtalie of helmhout-verlenger.
Beide moeten demontabel zijn en worden geacht na de wedstrijd opgeborgen te worden. 

D. Schokkers

De schokker is het belangrijkste lid van de oorspronkelijke platbodemvloot van de Zuiderzee tussen Kuinre en Elburg. Het type stamt waarschijnlijk uit de Middeleeuwen. Ook de punter van het NW-Overijsselse binnenwater behoort tot deze familie van de Frankische bouworde. Van oorsprong zijn er 3 subtypen, afhankelijk van het vaargebied. De kleinste van omstreeks 10m visten in het kustgebied, de grotere van 12 en 15m of meer tussen Enkhuizen en Lemmer, en in de zeegaten tot op de Noordzee. Geen enkele oorspronkelijke schokker is behouden gebleven.  

De schokker heeft een smalle bodem met zeer schuin naar buiten staande of uitwaaiende onderboorden en met een zeer zware, ver boven de kop uitstekende stevenbalk. De steven is iets rond gemaakt, de bocht naar buiten, is van boven dikker dan van onder en staat schuin voorover. Van boven is zij aan de stuurboordkant van een zware klamp voorzien, waartussen een grote rol is geplaatst, dienende om de ankerketting over te laten lopen. De bovenboorden of boeisels staan zeer schuin naar binnen en eindigen voor in gebogen beretanden. Deze benedenwaarts gebogen beretanden zijn het kenmerk van de schokker en de bons. De mast staat tamelijk achterover. De tuigage bestaat uit een gaffel met losse broek, fok en kluiver. De zwaarden zijn lang en smal. Verder bevatten deze schepen een bun met deken en trog. Het onderkomen voor de bemanning was in het vooronder.

De nieuwe stalen schokkers worden uiteraard met een kajuit gebouwd en missen de bun. De schokker kwam voornamelijk voor op het N.O.-gedeelte van de Zuiderzee.

Gezien de goede  zeileigenschappen en de betrekkelijk eenvoudige constructie wordt de schokker als type nog steeds als jacht gebouwd. De schepen zijn dan voorzien van een kajuit. De kleinere jachtschokkers hebben soms een wat gedrongen vorm gekregen om voldoende ruimte voor het interieur te krijgen.

Van oudsher zijn er ook kleine schokkers gebouwd, die in feite hun oorsprong vonden in de punters op de binnenwateren. Deze Vollenhovense schokkers of 'skuutjes' zijn slanker en kleiner dan de schokkers, waarvoor de algemene criteria zijn vastgelegd. Vollenhovense schokkers, waarvan de Vredenburgh-schokker een afleiding is, wijken op bepaalde punten af.

Veel informatie over de Schokker is beschikbaar op onze pagina Schokker in www.ssrp.nl.

Lees meer

D.1 Aanvullende Criteria voor Schokkers

4. Romp

4.1 Rompvorm algemeen

Het lijnenplan van een nieuw te bouwen schokker dient te voldoen aan de in paragraaf 4.1 van de algemene criteria geformuleerde eisen 

4.2a Rompvorm onder water

4.2a.1 De grootste breedte van alle waterlijnen en senten moet liggen vóór ½ LOA. 

4.2a.2 De grootste breedte op de CWL moet liggen binnen een afstand van 45% van de LOA, gemeten uit de verticale lijn door het voorste punt van de voorsteven. 

4.2a.3 De verhouding tussen LWL en BWL moet liggen tussen 2,7 en 3,4 voor jachten met L ≥ 15,0 m en tussen 2,0 en 2,7 voorjachten met L ≤ 6,0 m. Tussenliggende waarden dienen te worden bepaald door lineaire interpolatie middels de formule: 0,078 L + 1,534 ≤ L WL/BWL ≤ 0,078 L + 2,234 

4.2a.4 De intreehoek AL van de LWL moet tenminste 65˚ zijn. De kromtestraal van de LWL mag binnen 1 meter uit de achterkant van de voorsteven niet extreem toe of afnemen. 

4.2a.5 Het diepste punt van alle verticalen en senten moet liggen vóór ½ LOA 

4.2a.6 S-vormige spanten zijn uitsluitend toegestaan in het achterschip, achter de halve lengte van LWL. 

4.2a.7 De vlaktilling mag ter plaatse van het grootspant ten hoogste 2˚ bedragen, 

4.2a.8 De vorm van de spanten mag niet belangrijk afwijken van die van de oorspronkelijke houten schepen. Het grootspant dient een knik in de kim te hebben. 
Het vlak tussen kim en kiel dient in dwarsdoorsnede recht te zijn. De kim mag voor en achter oplopen doch niet geknikt boven water komen. 

4.2a.9 De holtemaat D1 moet ≥ D2 zijn 

4.2a.10 SLG mag maximaal 4,0 bedragen voor jachten met L ≥ 6,0 m en maximaal 4,2 voor jachten met L ≥ 11,0 m. Tussengelegen waarden kunnen worden berekend door lineaire interpolatie middels de formule SLG < 0,04L + 3,76 

4.2a.11 Bij schokkers dient DV ≥ 110% van DA te zijn. De waarden van DV en DA moeten worden berekend exclusief de stevens, de kielbalk, de scheg en in het geval van S-vormige spanten, exclusief de piek. De spanten dienen in het laatste geval te worden doorgestrookt tot een denkbeeldige achtersteven en scheg/kielbalk. 
Bij extreem gepiekte schepen dient de waterverplaatsing van het gepiekte deel, indien dit meer dan 0,5% van DA bedraagt, in de berekening te worden meegenomen. 

4.2a.12 Op nieuw gebouwde jachten moeten aan stuurboord en aan bakboord diepgangskenmerken worden aangebracht op voor- en achtersteven op 10 cm boven de CWL. Op houten jachten moeten de merktekens messing bolkopnagels zijn en op stalen jachten dienen ze te worden ingehakt dan wel op andere, goed zichtbare wijze te worden aangegeven. 
 
4.2a.13 De breedte van het vlak moet tenminste 45% van die tussen de binnenkanten van het berghout ter plaatse zijn.

4.2a.14 Loefbijters zijn niet toegestaan. 

4.2b Rompvorm boven water

4.2b.1 Schokkers hebben een rechte, vallende voor- en achtersteven. De schokker heeft een schijnsteven (snoes) met een ankerrol in de boeg. De valling van de voorsteven van een schokker is 42 -45°, de overhang achter (OA) moet liggen tussen 6,0 en 10% van de LOA. 

4.2b.2 De aansnijding van de huid op de voor- en achtersteven dient goed strokend te zijn. 

4.2b.3 Schokkers hebben over de gehele lengte invallende boorden boven de berghouten. De lijnen van potdeksel, berghout en huidgangen dienen een vloeiend verloop te hebben. De berghouten blijven in het voorschip geleidelijk oplopen. 

4.2b.4 Het diepste punt van het berghout moet liggen tussen 0,25 en 0,45 van de LOA, gerekend vanaf de achterkant van de achtersteven. 

4.2b.5 Het berghout mag over een beperkt gedeelte van gelijke hoogte zijn en dient naar het voor- en achterschip te zijn verjongd. 

4.2b.6 Het boeisel moet ter hoogte van de mast de grootste breedte hebben en moet naar voor- en achterschip geleidelijk smaller worden. Indien een verhoging van het boeisel wordt aangebracht dan dient die over de gehele lengte van gelijke hoogte te zijn. 

4.2b.7 Schokkers mogen zowel boven als onder water geheel glad worden gebouwd. Gejoggelde bouw is niet toegestaan. 

4.2b.8 Een zeereling is bij beide scheepstypen niet toegestaan. 

4.2b.9 De deklijn in het voorschip dient duidelijk voller te zijn dan die in het achterschip. 

4.3 Scheg en kielbalk

4.3.1 De kielbalk mag niet onderbroken worden en dient te eindigen bij de voorsteven, zodanig, dat de voorste lijn in het verlengde ligt van de voorkant van de voorsteven. 

4.3.2 De breedte van kielbalk en de scheg) mogen niet groter zijn dan de breedte van de stevens op de aansnijding van de huid. Voor en achtersteven dienen even breed te zijn. Bij jachten met L < 10,0 m mag deze breedte ten hoogste 10 cm bedragen en bij jachten met L > 10,0 m maximaal 1% van L. 

4.4 Opbouw

4.4.1 De bovenkant van de opbouw moet aan de achterzijde het hoogste zijn en in een vloeiende lijn naar voren verlopen. Deze lijn mag geen sprong vertonen. De hoogte boven het dek aan de voorzijde van de opbouw moet tenminste 20% kleiner zijn dan die van de achterzijde, zulks te bepalen op hart schip. 
 
4.4.2 Voor jachten met L ≤ 6,0 m mag het hoogste punt van de opbouw aan de achterzijde niet hoger boven de waterlijn liggen dan 2.0 x het vrijboord ter plaatse, gemeten van de bovenkant van het potdeksel tot de waterlijn. Voor jachten met 13,0 ≤ L is de genoemde waarde 1,7 x ipv 2,0 x. Voor jachten met L van 6,0 m tot 13,0 m wordt de vermenigvuldigingsfactor verkregen door lineaire interpolatie, middels de formule 2,257 – 0,0429 L. De hoogte van de opbouw van het dek tot het snijpunt van dak en zijkant gemeten langs de zijkant van de opbouw, mag maximaal 60 cm bedragen. 

4.4.3 De dakrondte aan de voorzijde mag voor schepen met L ≤ 8.0 m maximaal 11% van de dakbreedte zijn en maximaal 5% voor jachten met 11.0 m ≤ L. Voor jachten met L van 8.0 m tot 11.0 m wordt dit percentage verkregen door lineaire interpolatie, middels de formule 27.0 – 2.0 L. 

4.4.4 Er moet naar worden gestreefd dat de kajuitopbouw achter de mast blijft. Indien de kajuitopbouw vóór de mast doorloopt dan mag het vóór de mast uitstekende deel, te rekenen vanaf de achterkant van de mastvoet, niet langer zijn dan 40% van het voordek, te rekenen vanaf de achterkant van de mastvoet tot de voorkant van de voorsteven. 

4.4.5 Een losse opbouw vóór de mast mag niet hoger zijn dan de voorkant van de kajuitopbouw. 

4.4.6 Op een half gedekt jacht mag geen opbouw op de voorplecht worden geplaatst. 

4.5 Materiaal en bouwwijze van romp en opbouw

4.5.1 Stalen jachten mogen boven de waterlijn bij kop en kont overlappende huidgangen hebben. 

4.5.2 Het berghout van een stalen jacht moet worden opgebouwd uit plaatmateriaal met aan de buitenkant een plat halfrond. 

5. Roer en Zwaarden

5.1 Het roer mag niet onder de scheg uitsteken.

5.2 De zwaarden dienen zeezwaarden te zijn. 

6. Tuigage, Staand en Lopend want

6.1 Rondhouten

6.1.1 Slechts één mast mag worden gevoerd. De voorkant van de mast mag ten hoogste 42% van de LOA achter het voorste punt van de voorsteven staan. 

6.1.2 De lengte van het bovenlijk van het zeil aan de gaffel (GBL) mag niet groter zijn dan 48% (vastgesteld 03.07.07) van de lengte van het onderlijk (Gol). De pijlhoogte van het zeil langs de gaffel (GPB), moet liggen tussen 5 – 20 % van de lengte van het bovenlijk. 

6.1.3 De afstand IZ mag niet groter zijn dan 1,05 x LOA. 

6.1.4 De maximale lengte van de giek wordt bepaald door de afstand tussen een denkbeeldige doorgetrokken lijn uit het verlengde van de achtersteven en de plaats van de lummelbout als het grootzeil is gehesen en de kraanlijn of dirk voldoende is gevierd. De minimale lengte van de giek moet gelijk of meer zijn dan 2/5e deel van de IZ lengte van de mast.

6.1.5 De lengte van de kluiverboom LOA – KLB, indien aanwezig, dient tenminste 17,8% van de LOA te zijn, terwijl de maximale lengte hooguit 23,8% van de LOA mag zijn, gemeten vanaf het aangrijpingspunt van de voorstag op de steven tot aan hart schijf van de travellertalie in de top van de kluiverboom.

6.2 Zeilen

6.2.1 Tot de standaard zeiluitrusting behoren een grootzeil, een botterfok en/ of stagfok en een kluiver. Naast bovengenoemde zeilen kunnen een halfwinder, een aap of broodwinner en onder grootzeil en fok waterzeilen worden gevoerd. 

6.2.2 De bovengrens van het zeildragend vermogen (ZV) voor jachten met L < 6,0 m is 4,00. Voor jachten met een L > 11,0 m is de bovengrens 4,35. Tussenliggende waarden kunnen worden berekend door lineaire interpolatie middels de formule ZV < 0,07L + 3,58.

De ondergrens van ZV is 3,3 ongeacht de lengte van het jacht.

6.3 Vallen, schoten en stagen

6.3.3 In tegenstelling tot het bepaalde in 6.3 van de Algemene Criteria is het voor de Schokkers en Vollenhovense Schokkers toegestaan dat voor de kluiverboom de waterstag van staal, roestvast staal of kunstvezel in de kleuren wit of grijs wordt benut. De verstaging, zijstagen, voorstag en kluiverstag van de mast zijn van staaldraad of roestvast staaldraad, echter bakstagen mogen ook van kunstvezel zijn mits de kleuren wit of grijs worden toegepast. Dit geldt tevens voor de bakstag talies en zwaardtalies. 

D.2 Vollenhovense Schokkers

Van oudsher zijn er kleine schokkers gebouwd, die in feite hun oorsprong vonden in de punters op de binnenwateren. Deze Vollenhovense schokkers of 'skuutjes' zijn slanker en kleiner dan de schokkers, waarvoor hierboven de criteria zijn vastgelegd. Vollenhovense schokkers, waarvan de Vredenburgh-schokker een afleiding is, mogen niet langer zijn dan 11.0 m LOA en wijken op onderstaande punten af van de eerder genoemde schokkers. 

4. Romp

4.2a.1 De grootste breedte van alle waterlijnen en senten moet liggen vóór 0.515 LOA gemeten uit de verticale lijn door het voorste punt van de voorsteven. 

4.2a.2 De grootste breedte op CWL moet liggen binnen de afstand van 0,515 LOA gemeten uit de verticale lijn door het voorste punt van de voorsteven. 

4.2a.4 De intreehoek AL moet tenminste 530 bedragen. 
Voorts mag de kromtestraal van de CWL binnen 1 meter uit de voorkant van de CWL niet extreem toe- of afnemen. 

4.2a.5 Het diepste punt van alle verticalen en senten moet liggen vóór 0,515 LOA uit de verticale lijn door het voorste punt van de voorsteven. 

4.2a.13 De grootste breedte van het vlak moet tenminste 38,5% zijn van de grootste breedte over de binnenkant van het berghout. 

E. Hoogaarzen

Het meest bekende vissersvaartuig van Zeeland is ongetwijfeld de hoogaars. vroeger ook wel "Hoogaarts" of Hoogaerts" genoemd. Hoe oud dit scheepstype mag zijn is niet uitgemaakt. De naam hoogaars of hoogaerts of hoogeers komt reeds voor in de zestiende eeuw. Hiermede werd echter geen vissersvaartuig aangeduid, maar wel een vrachtschip van de Bovenmaas, het zogenaamde Overland. Deze hoogaars was een open vrachtschip met een laadvermogen van circa zeshonderd zakken zout en twee it drie last (last = ongeveer twee ton) andere goederen.

De hoogaars was bekend onder verschillende benamingen. Zo spreekt men van de reeds genoemde Kinderdijkse hoogaars, een Arnemuidense hoogaars of een Arnemuidenaar, een Oostduivelander of platte Duivelander, waarmee men doorgaans de hoogaars van Bruinisse bedoelt en de Tholense hoogaars. Het is een algemeen verspreide mening dat de geografische bepaling die aan de soortnaam vooraf gaat wel bepaalde kenmerken dekt, maar dit is slechts ten dele waar. Zo kan tussen een zogenaamde Tholense hoogaars en een Oostduivelander geen enkel onderscheid bestaan om de eenvoudige reden, dat ze van een zelfde werf komen en volgens hetzelfde bestek gemaakt werden. Aan de andere kant kunnen er merkelijke verschillen bestaan tussen twee zogenaamde Tholense hoogaarsen, omdat bijvoorbeeld de ene gebouwd is in Tholen zelf en de tweede op een andere werf of om de simpele reden dat de opdrachtgever bepaalde wensen ten aanzien van de uitvoering had

De geografische aanduiding doet dus weinig ter zake als men de werf niet kent. Hieruit vloeit dus voort, dat feitelijk de bouwplaats van belang is voor de typering van de soorten, wat overigens voor alle schepen het geval is. En dan nog zal men onderlinge verschillen bij schepen van een zelfde werf aantreffen, die onder meer ontstaan door de verschillende eisen van de onderscheiden opdrachtgevers. In het algemeen mag echter aangenomen worden, dat schepen van een zelfde werf hetzelfde "aangezicht" hebben. Dit is zo waar, dat insiders reeds op grote afstand kunnen zeggen dat dit schip van die werf komt, laat er dan nog bijvoorbeeld Arnemuiden (ARM) of Bergen op Zoom (BZ) op staan. Dit neemt niet weg, dat de bepaling "Tholense", "Arnemuidense" enzovoort wel degelijk een specifiek karakter aanduidt, vooropgezet, dat de betreffende schepen dan ook respectievelijk in Tholen, Arnemuiden enzovoort gebouwd zijn.

In het algemeen hebben de hoogaarsen gemeenschappelijke kenmerken die men met kleine nuances op ieder type terugvindt. Het vlak van de hoogaars is druppelvormig met de ronde kant naar voor. Deze ronde kant is bij de grote hoogaars vrij bot, bij de kleinere types scherper. De aanzet van de kimlijn tegen de voorsteven is bij de grote hoogaars vrijwel haaks en het vlak heeft op die plaats reeds een grote breedte. De boegen buigen in een korte bocht naar achter toe en het vlak bereikt ter hoogte van de mastbank zijn grootste breedte. Naar achteren toe versmalt het in een flauwe bocht en bereikt tegen de achtersteven een breedte die met deze laatste gelijk is. In de langsdoorsnede bestaat heel wat variatie. Bepaalde soorten hebben een geheel recht vlak, dat slechts opgebrand is aan de achterkant (Zeeuws- Vlaamse hoogaarsen). Onder het opgebrande deel wordt een lange scheg geplaatst. Andere schepen hebben een opgebrand vlak in voor- en achterschip, waarbij het diepste punt nabij de mastbank valt (Arnemuidense hoogaars). Een derde variatie is het lichtjes opbranden van het vlak in voor- en achterschip (Tholense hoogaars).

Ten slotte is er nog een bouwwijze van jongere datum, waarbij het vlak en het boord nogal ingrijpende veranderingen ondergaan hebben, namelijk het rond bouwen van het achterschip, waardoor de& zogenaamde Lemsterhoogaars ontstaan is. Hierbij wordt het vlak in het achterschip voorzien van een scheg, waartegen het vlak en de boorden geplaatst werden, zoals bij een rond schip. Men spreekt hier dan van een 'ronde konte', een 'Lemmergat', of een 'boeiergat' en de schepen worden ook nog als 'rondgatters' aangeduid. Deze ronde bouwwijze werd ook toegepast in het voorschip, waar het vlak en de boorden ook rond gebouwd werden. Dit soort hoogaarsen is bekend onder de benaming 'jachtboot'. Zowel de Lemsterhoogaars als de jachtboot werden overnaads, maar ook gladboordig beplankt.

Veel informatie over de Hoogaars is beschikbaar op onze pagina Hoogaars in www.ssrp.nl.

Lees meer

E.1 Aanvullende criteria voor Hoogaarzen

4. Romp

4.1 Rompvorm algemeen

Het lijnenplan van een nieuw te bouwen hoogaars dient te voldoen aan de in paragraaf 4.1 van de algemene criteria geformuleerde eisen.

4.2a Rompvorm onder water

4.2a.1 De grootste breedte van alle waterlijnen en senten moet liggen vóór ½ LOA. 

4.2a.2 De grootste breedte op de CWL moet liggen binnen een afstand van 45% van de LOA, gemeten uit de verticale lijn door het voorste punt van de voorsteven. 

4.2a.3 De verhouding tussen LWL en BWL moet liggen tussen 2,7 en 3,4 voor jachten met L ≥ 15,0 m en tussen 2,0 en 2,7 voorjachten met L ≤ 6,0 m. Tussenliggende waarden dienen te worden bepaald door lineaire interpolatie middels de formule: 0,078 L + 1,534 ≤ L WL/BWL ≤ 0,078 L + 2,234 

4.2a.4 De intreehoek AL van de LWL moet tenminste 65˚ zijn. De kromtestraal van de LWL mag binnen 1 meter uit de achterkant van de voorsteven niet extreem toe of afnemen. 

4.2a.5 Het diepste punt van alle verticalen en senten moet liggen vóór ½ LOA.

4.2a.7 De vlaktilling mag ter plaatse van het grootspant ten hoogste 2˚ bedragen.

4.2a.8 De vorm van de spanten mag niet belangrijk afwijken van die van de oorspronkelijke houten schepen. Het grootspant dient een knik in de kim te hebben. 
Het vlak tussen kim en kiel dient in dwarsdoorsnede recht te zijn. De kim mag voor en achter oplopen doch niet geknikt boven water komen. 

4.2a.9 De holtemaat D1 moet ≥ D2 zijn 

4.2a.10 SLG mag maximaal 4,0 bedragen voor jachten met L ≥ 6,0 m en maximaal 4,2 voor jachten met L ≥ 11,0 m. Tussengelegen waarden kunnen worden berekend door lineaire interpolatie middels de formule SLG < 0,04L + 3,76.

4.2a.11 DV dient ≥ 115% van DA te zijn. 
De waarden van DV en DA moeten worden berekend exclusief de stevens, de kielbalk, de scheg en in het geval van S-vormige spanten, exclusief de piek. De spanten dienen in het laatste geval te worden doorgestrookt tot een denkbeeldige achtersteven en scheg/kielbalk. 
BIJ extreem gepiekte schepen dient de waterverplaatsing van het gepiekte deel, indien dit meer dan 0,5% van DA bedraagt, in de berekening te worden meegenomen. 

4.2a.12 Op nieuw gebouwde jachten moeten aan stuurboord en aan bakboord diepgangskenmerken worden aangebracht op voor- en achtersteven op 10 cm boven de CWL. Op houten jachten moeten de merktekens messing bolkopnagels zijn en op stalen jachten dienen ze te worden ingehakt dan wel op andere, goed zichtbare wijze te worden aangegeven. 

4.2a.13 De breedte van het vlak moet tenminste 55% van die tussen de binnenkanten van het berghout ter plaatse zijn. 

4.2a.14 Bij jachthoogaarzen is een kleine loefbijter voor de voorsteven toegestaan. De onderkant van de loefbijter moet recht zijn en samenvallen met de doorgestrookte onderkant van de kielbalk. Als er geen kielbalk is dan moet deze samenvallen met het doorgestrookte vlak. De voorzijde en onderzijde van de loefbijter dienen recht te zijn. De hoek tussen voor- en onderzijde mag worden afgerond. Het oppervlak van de loefbijter voor de voorsteven mag maximaal 1,5% L * Tromp bedragen. Hierbij is Tromp de grootste diepgang van de romp zonder kiel of aanhangsels. De dikte van de loefbijter mag nergens groter zijn dan de dikte van de kielbalk en van de voorsteven.

4.2b Rompvorm boven water

4.2b.1 Hoogaarzen hebben een rechte, vallende voor- en achtersteven. De valling van een voorsteven van een hoogaars is 32 -35°, voor Zuid-Hollandse hoogaarzen geldt een valling van maximaal 42°. De overhang achter (OA) moet liggen tussen 7 en 9% van de LOA

4.2b.2 De aansnijding van de huid op de voor- en achtersteven dient goed strokend te zijn. 

4.2b.3 Hoogaarzen hebben over de gehele lengte invallende boorden boven de berghouten. De lijnen van potdeksel, berghout en huidgangen dienen een vloeiend verloop te hebben. De berghouten blijven in het voorschip geleidelijk oplopen. Bij het achterschip van een hoogaars behoort het berghout in het achteraanzicht een S-vorm te tonen. 

4.2b.4 Het diepste punt van het berghout moet liggen tussen 0,25 en 0,45 van de LOA, gerekend vanaf de achterkant van de achtersteven. 

4.2b.5 Het berghout mag over een beperkt gedeelte van gelijke hoogte zijn en dient naar het voor- en achterschip te zijn verjongd. 

4.2b.6 Het boeisel moet ter hoogte van de mast de grootste breedte hebben en moet naar voor- en achterschip geleidelijk smaller worden. Indien een verhoging van het boeisel wordt aangebracht dan dient die over de gehele lengte van gelijke hoogte te zijn. 

4.2b.7 Hoogaarzen mogen zowel boven als onder water geheel glad worden gebouwd. Gejoggelde bouw is niet toegestaan. 

4.2b.8 Een zeereling is bij dit scheepstype niet toegestaan. 

4.2b.9 De deklijn in het voorschip dient duidelijk voller te zijn dan die in het achterschip. 

4.3 Scheg en kielbalk

4.3.1 De kielbalk mag niet onderbroken worden en dient te eindigen bij de voorsteven, zodanig, dat de voorste lijn in het verlengde ligt van de voorkant van de voorsteven

4.3.2 De breedte van kielbalk en de scheg (en de loefbijter) mogen niet groter zijn dan de breedte van de stevens op de aansnijding van de huid. Voor en achtersteven dienen even breed te zijn. 
Bij jachten met L < 10,0 m mag deze breedte ten hoogste 10 cm bedragen en bij jachten met L > 10,0 m maximaal 1% van L. 

4.4 Opbouw

4.4.1 De bovenkant van de opbouw moet aan de achterzijde het hoogste zijn en in een vloeiende lijn naar voren verlopen. Deze lijn mag geen sprong vertonen. De hoogte boven het dek aan de voorzijde van de opbouw moet tenminste 20% kleiner zijn dan die van de achterzijde, zulks te bepalen op hart schip. 

4.4.2 Voor jachten met L ≤ 6,0 m mag het hoogste punt van de opbouw aan de achterzijde niet hoger boven de waterlijn liggen dan 2.0 x het vrijboord ter plaatse, gemeten van de bovenkant van het potdeksel tot de waterlijn. Voor jachten met 13,0 ≤ L is de genoemde waarde 1,7 x ipv 2,0 x. Voor jachten met L van 6,0 m tot 13,0 m wordt de vermenigvuldigingsfactor verkregen door lineaire interpolatie, middels de formule 2,257 – 0,0429 L. De hoogte van de opbouw van het dek tot het snijpunt van dak en zijkant gemeten langs de zijkant van de opbouw, mag maximaal 60 cm bedragen. 

4.4.3 De dakrondte aan de voorzijde mag voor schepen met L ≤ 8.0 m maximaal 11% van de dakbreedte zijn en maximaal 5% voor jachten met 11.0 m ≤ L. Voor jachten met L van 8.0 m tot 11.0 m wordt dit percentage verkregen door lineaire interpolatie, middels de formule 27.0 – 2.0 L. 

4.4.4 Er moet naar worden gestreefd dat de kajuitopbouw achter de mast blijft. Indien de kajuitopbouw vóór de mast doorloopt dan mag het vóór de mast uitstekende deel, te rekenen vanaf de achterkant van de mastvoet, niet langer zijn dan 40% van het voordek, te rekenen vanaf de achterkant van de mastvoet tot de voorkant van de voorsteven. 

4.4.5 Een losse opbouw vóór de mast mag niet hoger zijn dan de voorkant van de kajuitopbouw. 

4.4.6 Op een half gedekt jacht mag geen opbouw op de voorplecht worden geplaatst. 

4.5 Materiaal en bouwwijze van romp en opbouw

4.5.1 Stalen jachten mogen boven de waterlijn bij kop en kont overlappende huidgangen hebben. 

4.5.2 Het berghout van een stalen jacht moet worden opgebouwd uit plaatmateriaal met aan de buitenkant een plat halfrond. 

5. Roer en Zwaarden

5.1 Bij alle Zeeuwse schepen is het roer vissend; het steekt onder het vlak uit ter hoogte van het achterschip, doch niet of slechts weinig onder het diepste punt van het voorschip dat dieper hoort te liggen dan het achterschip.

5.2 De zwaarden dienen zeezwaarden te zijn. 

6. Tuigage, Staand en Lopend want

6.1 Rondhouten

6.1.1 Slechts één mast mag worden gevoerd. De voorkant van de mast mag ten hoogste 42% van de LOA achter het voorste punt van de voorsteven staan. 

6.1.2 De lengte van het bovenlijk van het zeil aan de gaffel (GBL) mag niet groter zijn dan 48% van de lengte van het onderlijk (Gol). De pijlhoogte van het zeil langs de gaffel (GPB), moet liggen tussen 5 – 20 % van de lengte van het bovenlijk. 

6.1.3 De afstand IZ mag niet groter zijn dan 1,05 x LOA. 

6.1.4 De maximale lengte van de giek wordt bepaald door de afstand tussen een denkbeeldige achterloodlijn over de achterkant van het roer en de plaats van de lummelbout als het grootzeil is gehesen en de kraanlijn of dirk voldoende is gevierd. De minimale lengte van de giek moet gelijk of meer zijn dan 2/5e deel van de IZ lengte van de mast.

6.1.5 De lengte van de kluiverboom LOA – KLB, indien aanwezig, dient tenminste 17,2 % van de LOA te zijn, terwijl de maximale lengte hooguit 23,4 % van de LOA mag zijn, gemeten vanaf het aangrijpingspunt van de voorstag op de steven tot aan hart schijf van de travellertalie in de top van de kluiverboom.

6.1.6 Bij hoogaarzen is een sprietzeil toegestaan, waarbij de spriet op klassieke wijze beneden met de mast verbonden moet worden.

6.2 Zeilen

6.2.1 Tot de standaard zeiluitrusting van hoogaarzen behoren een grootzeil, botterfok en/of een stagfok en een kluiver. Naast bovengenoemde zeilen kan een halfwinder worden gevoerd. 
Een topzeil is zowel op sprietgetuigde schepen als op gaffelgetuigde schepen toegestaan.

6.2.2 De bovengrens van het zeildragend vermogen (ZV) voor jachten met L < 6,0 m is 4,00. Voorjachten met een L > 11,0 m is de bovengrens 4,35. Tussenliggende waarden kunnen worden berekend door lineaire interpolatie middels de formule ZV < 0,07L + 3,58 .
De ondergrens van ZV is 3,3 ongeacht de lengte van het jacht. 

6.3 Vallen, schoten en stagen

6.3.3 In tegenstelling tot het bepaalde in 6.3 van de Algemene Criteria is het voor de Schokkers en Vollenhovense Schokkers toegestaan dat voor de kluiverboom de waterstag van staal, roestvast staal of kunstvezel in de kleuren wit of grijs wordt benut. De verstaging, zijstagen, voorstag en kluiverstag van de mast zijn van staaldraad of roestvast staaldraad, echter bakstagen mogen ook van kunstvezel zijn mits de kleuren wit of grijs worden toegepast. Dit geldt tevens voor de bakstag talies en zwaardtalies.

F. Zeeschouwen

De zeeschouwen zijn uit economische noodzaak ontstaan. Het ging weer eens slecht met de visserij op de Zuiderzee en de gebruikte schepen bleken te duur in bouw en onderhoud. Zo is men omstreeks 1900 begonnen een groter en robuuster schouw te bouwen, die zeewaardig zou zijn voor de visserman, die er in alle weersgesteldheden en jaargetijden mee op zee moest.

De zeeschouwen hebben alle sterk uitwaaiende zijden, in tegenstelling met de binnenschouwen, dit wil zeggen een smaller vlak; naar verhouding zijn ze veel breder op de knik. Hierdoor en door de grote breedte wordt een stijf schip verkregen met een rustige ligging in ruw water. Zeeschouwen kruisen vrij goed tegen zee op en liggen voor de wind goed op het roer. Dit laatste is mede te danken aan de ondiepe kiel, welke van voor de mast tot aan de achterspiegel doorloopt. Deze kiel heeft een drieledig doel: het bevorderen van een rustige ligging op het roer; het afremmen van de dwarsscheepse slingering en een hoge ligging aan de wind.

Wat het tuig betreft, heeft de zeeschouw een bottertuig: grootzeil met rechte gaffel, vissermanfok (grootzeil 15 vierkante meter, fok 14 vierkante meter bijvoorbeeld) en een kluiver op losse boom. Als jacht gebruikte of gebouwde zeeschouwen hebben dikwijls de oorspronkelijk rechte gaffel vervangen door een gebogen. Ook in het tuig kan men tussen beide typen verschillen ontdekken. 

Zeeschouwen zijn op veel plaatsen gebouwd. Dat gebeurde ook al in de tijd van de visserij. De houten botters en andere scheepstypes werden vervangen door schouwen, handzamer en goedkoper. Volgens overlevering heeft de regering Colijn voor de tweede wereldoorlog in de crisisjaren de vissers op en aan het IJsselmeer steun verleend. In een aantal visserijhavens aan de Westfriese kust werden de bestaande schepen door schouwen vervangen. Zo spreekt men bijvoorbeeld over de Hoornse schouw. De aanduiding heeft niets met het type te maken, maar met het feit dat deze schouw op een bepaald moment een alles overheersende rol ging spelen in de Hoornse vissersvloot. Overigens zijn deze schouwen nooit in Hoorn zelf gebouwd. Ze werden bijvoorbeeld in Enkhuizen, maar ook door Amels in Makkum gebouwd. Rond de tweede wereldoorlog telde de Hoornse vloot zo'n 17 Zeeschouwen.

Friese en Hollandse Zeeschouwen

De zeeschouwen die aan de Hollandse wal werden gebouwd, onder andere bij Van Goor in Monnickendam, vertonen over het algemeen meer zeeg dan de Friese, terwijl hun voordek wat meer oploopt waardoor ze een wat gedrongen indruk maken.

Bij de Lemster schouw is het tuig wat hoger en slanker. De mast heeft de korte top, welke in Friesland ook bij de binnenschepen gebruikt wordt, terwijl de Hollandse zeeschouw de wat langere top heeft, welke men ook bij de botter aantreft. Bekijkt men het vlak, dan ziet men bij de Lemster schouw dat dit over een behoorlijk grote afstand 'stil' staat, dat wil zeggen volkomen horizontaal is, terwijl sommige Hollandse schouwen helemaal geen stilstand vertonen.
De Lemster schouw wordt ook wel betiteld met de 'fraaie' naam spekbak, die trouwens ook voor de Zeeschouwen in het algemeen wordt gebruikt. Oorspronkelijk werd met deze naam uitsluitend een kleine, hoekige bak aangeduid waarmee niet gezeild werd. De vorm van de zeeschouw was blijkbaar aanleiding om de naam ook voor dat scheepstype te gebruiken.

Veel informatie over de Zeeschouw is beschikbaar op onze pagina Zeeschouw in www.ssrp.nl.

Lees meer

F.1 Aanvullende Criteria voor Zeeschouwen

4. Romp

Toen rond de eeuwwisseling de wagenmaker Wierda te Lemmer aan de behoefte aan een goedkoop en doelmatig schip voor de visserij op de Zuiderzee wilde voldoen was de basis voor zijn ontwerp de schouw, zoals hij die in de omgeving van Akkrum, zijn vorige domicilie, had gezien. De "spekbak", zoals de door hem ontwikkelde zeeschouw al gauw werd genoemd, heeft dezelfde hoekige spantvorm met dien verstande, dat het vlak relatief smaller is, het grootspant breder en een berghout aanwezig terwijl de knik in de zijde, zoals die bij de grote Friese schouw voorkomt, ontbreekt. 

De over de hele lengte vallende boeisels hebben smalle zetboorden, immers, er is bij een werkschip met zijn grote stabiliteit en relatief klein tuig geen behoefte aan de brede zetboorden van de Friese schouw, gebouwd als wedstrijdschip met een zeer groot tuig. 
Zij versterken de rustige lijn van dit typische vissersschip. Later, bij de ijzeren zeeschouwen, worden boeisels en zet boord één geheel. 

De sterkere kromming van de gangen bij de houten schouwen wordt verkregen door voorzichtig buigen: elke dag een beetje meer. Daardoor kan het tijdrovende branden achterwege blijven. 

Ondanks het feit, dat de vorm ontstond uit de behoefte aan een eenvoudig te bouwen en daardoor goedkoop schip bleek de zeeschouw zeewaardig en uitermate geschikt voor de visserij op de Zuiderzee. 

Door de hiervoor beschreven bouwwijze hebben alle waterlijnen, verticalen en senten tot daar, waar zij door de knik van de huid met het vlak gaan, een vloeiend verloop. 

Veel zeeschouwen hebben een valse steven of stevenklos op het voorbord. 

Het zeilplan vertoont overeenkomst met dat van de botter, met een oppervlakteverhouding tussen grootzeil en botterfok van ten minste 5:4 en een verhouding van ten hoogste 6,5:4. 

Zeeschouwen voerden oorspronkelijk een rechte gaffel; later als jacht gebouwde zeeschouwen hebben een licht gebogen gaffel. 

4.1 Rompvorm algemeen

Het lijnenplan van een nieuw te bouwen zeeschouw dient te voldoen aan de in paragraaf 4.1 van de algemene criteria geformuleerde eisen. 

4.2a Rompvorm onder water

In afwijking van de LOA wordt bij de schouwen en zeeschouwen gemeten over de borden zodat van een LOB (lengte over de borden) in plaats van de LOA sprake is.
In afwijking van de definities van de LWL in de Algemene Criteria (4.1) wordt de LWL bij de schouwen en zeeschouwen als volgt  gemeten en berekend;
LWL = de lengte van de waterlijn zonder de stevens.  =LOB-(OV+OA)
OA= Overhang Achter, de horizontale afstand tussen het achterste meetpunt LOB en het achterste meetpunt LWL, zijnde de doorgestrookte lijn van het achterbord op de waterlijn.
OV= Overhang Voor, de horizontale afstand tussen het voorste meetpunt LOB en het voorste meetpunt LWL, zijnde het aanrakingspunt van de rompzijde vóór en het wateroppervlak.

Verder blijft voor de zeeschouwen gelden:

4.2a.1  Alle waterlijnen en verticalen hebben hun grootste breedte en diepte minimaal 7,5% van de LWL vóór het midden van de LWL.

4.2a.2 Het grootspant, tevens de plaats van de grootste breedte op de knik, moet minimaal 10% van de LWL vóór het midden van de LWL liggen.

4.2a.3 de verhouding LWL : BWL ter plaatse van het grootspant mag voor zeeschouwen met een LWL ≤ 5,20 m ten hoogste 2,7 zijn en voor die met een LWL ≥ 8,60 m ten hoogste 2,9. 
Tussenliggende waarden zijn te berekenen door lineaire interpolatie middels de formule LWL / BWL  = 0,06L + 2,39.

4.2a.4 De valling van de zijden ter plaatse van het grootspant moet tussen 52 en 59° liggen. 

4.2a.5 De intreehoek van het vlak met de waterlijn in het voorschip moet tussen 25 en 32° liggen. 

4.2a.7 De zeeschouw heeft geen vlaktilling. 

4.2a.8 De vorm van het grootspant mag niet afwijken van die van de oorspronkelijke schepen. 

4.2a.9 De holtemaat D1 moet groter zijn dan D2. 

4.2a.10 SLG mag ten hoogste 4,15 bedragen. 

4.2a.11 Het zwaartepunt van de waterverplaatsing, het z.g. drukkingspunt, moet minimaal 5% van de LWL vóór het midden van de LWL liggen. 

4.2a.12 Op nieuw gebouwde jachten moeten aan stuurboord en aan bakboord ter hoogte van het grootspant diepgangskenmerken worden aangebracht op 10 cm boven de CWL. Deze merken dienen te zijn ingehakt of met een lasrups te zijn aangegeven.

4.2a.13 Zeeschouwen mogen onder het vlak voor de mast onder de waterlijn een scheg hebben waarvan de hoogte nergens meer bedraagt dan 2% van de lengte op de waterlijn. 

4.2b Rompvorm boven water

4.2b.1 De overhang van het voorschip zonder steven mag niet langer zijn dan 18% van de LWL en met steven en/of uithouder gemeten niet langer dan 21% daarvan. De LOB mag ten hoogste 12,5 m zijn. 

4.2b.3 De lijnen van het potdeksel en het berg hout dienen een vloeiend verloop te hebben. 

4.2b.4 Het diepste punt van het berg hout ligt rond 45% van de LOB, (dat is LOA zonder de achtersteven en de valse voorsteven) gemeten vanaf de achterspiegel. 

4.2b.5 Het verschil in hoogte ten opzichte van het laagst gelegen punt van de onderkant van het berghout mag in het voorschip ten hoogste 10% en in het achterschip ten hoogste 4% van de LOB zijn. 

4.2b.6 Het boeisel moet ter hoogte van de mast de grootste breedte hebben. 

4.2b.7 het vrijboord, gemeten in het midden van de LOB tussen potdeksel en CWL, mag maximaal 9% van de LOB + 15 cm bedragen. 

4.2b.8 Een zeereling is niet gebruikelijk. 

4.3 Kielbalk en scheg

4.3.1 Onder het vlak van een schouw mag een scheg worden aangebracht die ter plaatse van het grootspant niet hoger is dan 2% van de LWL. Ter plaatse van de spiegel mag deze scheg ten hoogste 1 % van de L WL dieper steken dan ter plaatse van het grootspant. 
De onderkant van de scheg mag nergens onder de lijn door de genoemde begrenzingen uitsteken. De scheg steekt niet verder naar voren dan tot de aansnijding S1 van het scheepsvlak met de CWL. 

De voorkant S2 van de schegbodem ligt daar minimaal de halve som van de diepgang d van de romp en 2% van de LWL achter, in formule: S2 - P ≥ ½(d + 0,02 LWL). 
De voorkant van de scheg mag niet uitsteken vóór de lijn door 51 en 52. E.e.a is in figuur 4.1 schematisch weergegeven. 

Het is niet toegestaan de scheg te onderbreken. 

In dwarse richting mag de scheg nergens breder zijn dan ten hoogste 2,5% van de LWL. 

4.4 Opbouw

4.4.1 De opbouw moet bij voorkeur zo laag mogelijk blijven doch het hoogste punt aan de achterzijde (de "kuif" of het schuifluik) mag iets hoger komen boven de waterlijn dan de bovenkant van het voorbord dan wel de stevenklos. met inachtneming van paragraaf 4.4.2. 

4.4.2 Het hoogste punt van de achterzijde van de opbouw mag niet hoger boven de waterlijn liggen dan 1, 7x het vrijboord ter plaatse, gemeten vanaf de bovenkant van het potdeksel tot de waterlijn. 
Voor jachten met L = 4,7 -8,5 m is deze waarde ten hoogste 1,8 en bij L < 4,7 m ten hoogste 2,0. 

4.4.3 De dakronding aan de voorzijde van de opbouw mag maximaal 5% van de dakbreedte ter plaatse zijn. 

4.4.4 Er moet naar worden gestreefd dat de kajuitopbouw achter de mast blijft. Indien de kajuitopbouw vóór de mast doorloopt dan mag het vóór de mast uitstekende deel, te rekenen vanaf de achterkant van de mastvoet, niet langer zijn dan 40% van het voordek, te rekenen vanaf de achterkant van de mastvoet tot de voorkant van de voorsteven. 
In de zijwanden van de opbouw zijn alleen in hout of metaal gevatte, ronde of ovale poorten of lichtranden toegestaan. 

4.4.5 Een losse opbouw vóór de mast is niet gebruikelijk. 

4.4.6 Op een half gedekt jacht mag geen opbouw op de voorplecht worden geplaatst. 

5. Roer en Zwaarden

5.1 Het roer mag niet onder de scheg uitsteken. 

5.2 De zwaarden dienen zeezwaarden te zijn.

6. Tuigage, Staand en Lopend Want

6.1.1 Slechts één mast mag worden gevoerd. De voorkant van de mast mag ten hoogste 44% van de LOB achter het voorste punt van het voorbord staan. 

6.1.2 De lengte van het grootzeil aan de gaffel (GBL) mag niet groter zijn dan 45% van de lengte van het onderlijk GOL. De pijlronding van de gaffel, gemeten tot de onderkant daarvan, mag maximaal 12% van GBL zijn. 

6.1.3 De afstand IZ van het snijpunt van het voorstag met de mast tot de zijkant van het dek mag niet groter zijn dan de LOA. 

6.1.4 De maximale lengte van de giek wordt bepaald door de afstand tussen een denkbeeldige lijn uit het verlengde van de achtersteven en de plaats van de lummelbout als het grootzeil is gehesen en de kraanlijn of dirk voldoende is gevierd. De minimale lengte van de giek moet gelijk of meer zijn dan 2/5e deel van de IZ lengte van de mast.

6.1.5 De lengte van de kluiverboom LOA – KLB, indien aanwezig, dient tenminste 17,2 % van de LOA te zijn, terwijl de maximale lengte hooguit 23,4 % van de LOA mag zijn, gemeten vanaf het aangrijpingspunt van de voorstag op de steven tot aan hart schijf van de travellertalie in de top van de kluiverboom.

6.2 Zeilen

6.2.1 Tot de standaard zeiluitrusting behoren een grootzeil. een botterfok en/of stagfok en een kluiver. Naast bovengenoemde zeilen kunnen een halfwinder. een aap of broodwinner en onder grootzeil en fok waterzeilen worden gevoerd. De halshoek van de halfwinder dient op de loopring om de kluiverboom gevoerd te worden. 

6.2.2 Het zeildragend vermogen (IV) van zeeschouwen is ten hoogste 3,9. 

6.3 Vallen, schoten en stagen

6.3.3 In tegenstelling tot het bepaalde in 6.3 van de Algemene Criteria is het voor de Zeeschouwen toegestaan dat voor de kluiverboom de waterstag van staal, roestvast staal of kunstvezel in de kleuren wit of grijs wordt benut. De verstaging, zijstagen, voorstag en kluiverstag van de mast zijn van staaldraad of roestvast staaldraad, echter bakstagen mogen ook van kunstvezel zijn mits de kleuren wit of grijs worden toegepast. Dit geldt tevens voor de bakstagtalies en zwaardtalies. 

G. Tjalkachtigen en Skûtsjes

De tjalk is een typisch inheems vaartuig, dat steeds weer schilders en tekenaars heeft geïnspireerd. In de tjalk heeft de houten scheepsbouw, aldus Sopers, een vrachtschip tot stand weten te brengen van de meest harmonische lijn, rustig en doelbewust de verschillende uitwendig zichtbare constructiedelen tot een logisch geheel samenvoegend. De hoofdkenmerken van de tjalk zijn de vlakke, brede bodem met ronde kim, de flauw gebogen voorsteven, de rechte vlakke zijden en de fraaie rondingen voor en achter. De tjalk is gebouwd op draagvermogen, waarbij de beperkte diepgang en de strijkende mast het mogelijk maken dat het schip bijna overal kan komen.

Men komt tjalken als motorvrachtschip tegen, als jacht met luxueuze kajuit opbouw en als woonschip met kistvormige opbouw als oeverstoffering. De tjalk is het meest verbreide vrachtvarende zeilschip in Holland en Friesland geweest en dat is ook de reden dat er tegenwoordig nog zoveel exemplaren van over zijn, alleen van ijzer. Houten tjalken zijn uitgestorven. De naam tjalk vindt men al in beschrijvingen van drie eeuwen geleden. Men verzuimde er echter een duidelijke beschrijving van te geven en de voornaamste maten. Pas later toen er iets van de scheepsbouw op papier werd gezet krijgt het type meer vorm. 

De tjalken hadden aanvankelijk een spriettuig dat op zee zeer lang in gebruik is geweest maar op de binnenwateren te onpraktisch in het gebruik werd door de onhandelbaarheid van de lange spriet. De schippersfamilie woonde doorgaans aan boord, in de oudere tjalken onder het iets verhoogde achterdek, het paviljoen. Het aangezicht over dek was dus helemaal vlak. Licht kreeg men in dit piepkleine woninkje door een schijnlicht, een klein vierkant kastje met een puntdak met glas voor het licht, en twee poorten in het achterschip.
In deze behuizing zijn vele schippersgeneraties groot geworden. Dit waren de zogenaamde paviljoentjalken met een laadvermoqen rond de vijftig ton. Achter de woning volgde het grote open laadruim en voor de mast was het vooronder, de bergplaats voor scheepsspullen, onderhoudsmaterialen, zeilen en tevens slaapplaats voor de kinderen. Latere tjalken kregen een woning tussen het achterdek en het ruim, en toen het zeiltuig werd vervangen door de motor kwam achter de woning een stuurhut.

Regionale verschillen

De Friese tjalk is het meest voorkomende type, gekenmerkt door een gestrekte vorm en vrij weinig zeeg. De steven valt enigszins voorover en de hoek tussen steven en berghout is scherper dan elders, terwijl het opboeisel op het voorschip duidelijk achterover, naar binnen valt. In Friesland was onderscheid te maken tussen de tjalken gebouwd in de ZW-hoek en bestemd voor ruw water van de grote meren en Zuiderzee, vandaar onder anderen de vrij hoge kop, en de tjalken, gebouwd bijvoorbeeld in Drachten en bestemd voor beurt- en vrachtvaart in de rustiger kanalen en vaarten.

De Groninger tjalk voor de binnenvaart is in verhouding tot de breedte bijzonder lang en plat met een uiterst geringe diepgang. Deze vorm houdt uiteraard verband met de afmetingen der veenkoloniale vaarten, waarin dit schip werd gebruikt. Deze lengte/breedte-verhouding is ook de reden dat,  zo'n tjalk een paar meter werd ingekort bij de verbouwing tot jacht.
De in Groningen gebouwde Oostzeetjalken zijn zware schepen met brede berghouten, hoge kop en veel zeeg.

In Zuid-Holland en Zeeland kennen we tot in de twintigste eeuw de benaming schuit, boeier, poon en pleit, scheepstypen die werden gekenmerkt door een duidelijke zeeglijn, een tamelijk rechtstandige steven en een grote forse kop. Het tuig is hoog en de fok wordt op de voorsteven gevaren. Wanneer we thans als soortnaam van Zuid-Hollandse tjalken spreken dan worden schepen bedoeld met dezelfde hoofdkenmerken. 

Skûtsjes

De eigenlijke Skûtsjes, schepen van ± 12 meter lengte en een draagvermogen van acht tot achttien ton. Deze schepen zijn de eigenlijke `skûtsjes', waarvan er vroeger heel wat in Friesland waren en als beurtschip, potschip, bloemschip en voor andere doeleinden werden gebruikt. De kleinste hadden meestal een `bollestal’ en een roer met vaste klik en losse helmstok. Bij de grotere modellen waren roer en helmstok tot een geheel verbonden. Ze voerden een gaffeltuig. Strikt genomen is dus de huidige aanduiding `skûtsje-silen' minder juist, omdat het geen wedstrijden zijn tussen `skûtsje', maar tussen grotere vrachtschepen. Voorheen sprak men van wedstrijden tussen 'beurt- en vrachtschepen' ; de beurtschepen zijn er niet meer, maar de naam is voor de wedstrijden behouden. Wanneer de beurtschippers vroeger ongeveer op precies dezelfde tijd uit 'de stad' terugzeilden naar hun dorpen, of ongeveer terzelfder tijd bij de stad aankwamen, probeerden ze elkaar uiteraard voorbij te komen en ontstonden als het ware onofficiële wedstrijden, die veel tot de goede ontwikkeling van het schip hebben bijgedragen.

De tjalk als jacht

De tjalk is door zijn goede zeileigenschappen en door de grote ruimte aan boord steeds meer als jacht in zwang gekomen. Men gebruikt daarbij ook wel de benaming boeiertjalk, waarbij de toevoeging 'boeier' zowel betrekking heeft op de vorm van de kop als de aanduiding inhoudt dat het schip als jacht in gebruik is. Zo sprak en spreekt men ook wel van boeieraak wanneer men een als jacht gebruikte of gebouwde Lemsteraak bedoelt. De boeier gold nu eenmaal als het plezierjacht bij uitstek! 

Veel informatie over de Tjalkachtigen en Skûtsjes is beschikbaar op onze pagina Tjalkachtigen in www.ssrp.nl.

Lees meer

G.1 Aanvullende Criteria voor Tjalkachtigen en Skûtsjes

4. Romp

De tjalk is oorspronkelijk een vrachtvaartuig om relatief veel lading te vervoeren bij een geringe diepgang in vergelijking met andere vrachtschepen met overeenkomstige lengte- en breedtematen. De tjalk onderscheidt zich van andere vrachtvaartuigen (aak, klipper, praam, e.a.) door de ronde einden voor en achter met verbrede, dus uitstekende berghouten (stuizen of stuiten), waarboven het boeisel naar binnen valt. In het middendeel steken de berghouten (wellingplaten) nauwelijks uit en valt het boeisel heel weinig of niet naar binnen. 

Binnen de tjalkengroep als soort zijn enige tientallen meer specifieke tjalktypen te onderscheiden. Enkele daarvan zijn het tjalk jacht en het skûtsje. Voor deze twee gelden onderstaande criteria. 

Een tjalkjacht is een pleziervaartuig met een tjalk-rompvorm en een tjalktuigage. In de plaats van het vrachtruim is een kajuit (roef) gebouwd met ramen en/of poorten in een verhoogde den en één of meer schijnlichten op het roefdek. Daarachter is een kuip ingebouwd. als regel met zitbanken. Een skûtsje is een in Friesland (of West Groningen) gebouwde binnenwatertjalk, die als een bedrijfsmatig zeilend vrachtschip is ingericht, met een ruim met luikenkap, een (kleine) roef en een achterdek. 

4.1. Rompvorm algemeen

Het lijnenplan van een nieuw te bouwen tjalkjacht of skûtsje dient te voldoen aan de in paragraaf 4.1 van de algemene criteria gestelde eisen. 

4.2a. Rompvorm onder water

4.2a.1 De grootste breedte van alle waterlijnen en senten moet liggen vóór ½ LOA. 

4.2a.7 Een tjalk is een platbodemschip. De kimstraal is maximaal 0,2 maal de breedte op de wellingplaat, het middelste deel is minimaal 0,6 maal de breedte op de wellingplaat. 
In de zijden boven de kimronding wordt het grootspant verticaal (of vrijwel verticaal), terwijl de boeisels boven de wellingplaten weinig of niet naar binnen vallen. 
Tjalken hebben geen vlaktilling in het grootspant. 

4.2b Rompvorm boven water

Een tjalk is een platbodemschip met een kromme voorsteven en een heel licht achterover hellende achtersteven (valling max. 1,5%), waaraan het roer hangt. De lengte/breedte verhouding (LOA/B) loopt van 3,2 - 5,2 en bij verlengde schepen soms wel tot 5,5 à 6,5. 

4.2b.1 De overhang voor (OV) moet tussen 4,5 - 9% van de LOA zijn. De overhang achter (OA) moet tussen 3% en 8% van de LOA zijn. 

4.2b.2 De lijnen van de voorsteven en de aansnijding van de huid op de voorsteven en de achtersteven dienen een vloeiend verloop te hebben. 

4.2b.3 De lijnen van potdeksel en berghout dienen een vloeiend verloop te hebben, evenals de huidgangen. De naden tussen de huidgangen (landen) in het voor- en achterschip lopen bovenaan vrijwel parallel aan de onderkant van het berghout, maar naarmate zij lager liggen lopen zij steiler naar de stevens. 

4.2b.4 Het diepste punt van het berghout ligt tussen 40% en 50% LOA van de achterloodlijn, bij een gelijklastig liggend schip. Het hart van het berghout ligt op het diepste punt niet hoger dan de halve hoogte van waterlijn tot potdeksel, zelfs als het schip ongeladen is. 

4.2b.5 Het berghout heeft in het middendeel van het schip een constante hoogte (1% - 1,5% van de LOA), maar behoort in het voor- en achterschip van de stuizen tot de stevens geleidelijk verjongd te zijn. 

4.2b.6 Het boeisel heeft in het middendeel een constante hoogte, maar wordt vanaf de stuizen geleidelijk smaller tot aan de stevens. 

4.2b.8 Indien de zitplaatsen in de kuip op de hoogte zijn van de gangboorden is een combinatie van een hekje en een zetboord uit veiligheidsoogpunt wenselijk. Een zeereling is ongebruikelijk. 

4.2b.9 De dekronding ligt tussen 2 en 4% van de dekbreedte.

4.2b.10 Gangboorden dienen aanwezig te zijn met een minimale breedte van 25 cm. De gangboorden dienen minimaal 15 cm onder het potdeksel te zijn aangebracht en dienen vanaf het voordek zonder sprong naar achteren te verlopen, tenzij dit historisch zo aanwezig was. 

4.3 Kiel, scheg en loefbijter

4.3.1 De scheg is in het middenschip onderbroken om de diepgang te beperken. De loefbijter steekt niet onder het vlak uit, d.w.z. niet dieper dan het bodemvlak op de halve lengte van het schip bij gelijklastige ligging. 
De verdiepte achterscheg mag onder het vlak uitsteken met dien verstande, dat dit niet meer mag zijn dan nodig voor het raam van de aanwezige schroef. Het voorste punt van deze verdiepte achterscheg mag niet onder de lijn van het vlak uitsteken. Een kielbalk is niet toegestaan tenzij hij van oorsprong aanwezig was. 

4.3.2 Scheg en loefbijter mogen niet breder zijn dan de hak en de steven. Verdikkingen, verbredingen en verdiepingen teneinde een motor lager in te bouwen zijn niet toegestaan. 

4.3.3 De loefbijter blijft bij tjalk jachten minimaal 5 cm binnen het voorste punt van de voorsteven. Binnen een afstand van maximaal 15 cm vanaf de voorzijde moet de loefbijter via rechte lijnen op volle breedte van de scheg en stevenbalk zijn. De scheg met loefbijter mag niet beneden het diepste punt van het vlak uitsteken. 
De loefbijter mag niet verder naar voren uitsteken dan 0-5% van de LOA voor de huid op de waterlijn gemeten bij een gelijklastig schip, met dien verstande dat de loefbijter niet verder naar voren mag uitsteken dan 5 cm binnen de loodlijn van het voorste punt van de voorsteven. De kleinste maat van deze twee is het maximum. 
De loefbijter mag aan de voorzijde niet scherp zijn. 

Voor skûtsjes is de loefbijter aan de voorzijde max. 3 cm dik (afgerond). Binnen een afstand van max. 15 cm vanaf de voorzijde moet de loefbijter via rechte lijnen op volle breedte van de voorscheg zijn. Vernauwingen of verdikkingen zijn niet toegestaan. De bovenzijde van de loefbijter moet vlak verlopen naar de voorsteven. De onderzijde van de loefbijter moet in één lijn zijn met het vlak van het skûtsje en achtersteven (niet hoger/niet lager). De lengte van de loefbijter mag op de waterlijn niet langer zijn dan 85 cm. 

4.4. Opbouw

4.4.1 De bovenkant van de opbouw moet aan de achterzijde het hoogste zijn en in een vloeiende lijn naar voren verlopen. Deze lijn mag een sprong vertonen. 

4.4.2 De afstand van het hoogste punt van de achterkant van de opbouw tot potdeksel mag niet groter zijn dan 1,3 maal de afstand potdeksel tot de waterlijn. 

4.4.3 De roefdekronding aan de voorzijde moet tussen 2 en 8% van de dakbreedte zijn. Voor schepen met een LOA < 12.00 meter moet dit tussen 2 en 12% zijn. 

4.4.4 De kajuitopbouw moet achter de mast blijven. 

4.4.5 Een losse opbouw voor de mast is niet gebruikelijk. Een losse verhoging op de plaats van het mastluik is toegestaan, mits in vloeiende lijn niet hoger dan 2 maal de hoogte van dek tot het potdeksel ter plaatse. 

4.4.6 Bij gebruik van ramen dienen deze in horizontale lijn aan de onderzijde zoveel mogelijk mee te lopen in lijn met het potdeksel en aan de bovenzijde in lijn met de bovenkant van de zijkant van de opbouw. De zijkanten van de ramen dienen verticaal te staan. Ook mogen de ramen van het traditionele model zijn, n.l. met een lichte ronding aan de bovenkant. De maximale glashoogte mag 2/3 van de hoogte ter plaatse zijn. 

4.5. Materiaal en bouwwijze romp en opbouw

4.5.3 De huidgangen dienen naar de uiteinden verjongd te zijn en overlappend aangebracht. Gejoggelde huidgangen zijn toegestaan. 

5. Roer en Zwaarden

5.1 Het roer dient voorzien te zijn van een helmstok. Alleen bij jachten met een L > 13 m is een stuurrad toegestaan. 

5.2 Het roer mag niet onder het laagste punt van de achterscheg uitsteken. 
De hak van het roer mag niet langer zijn dan de breedte van het roer boven de hak. 

5.3 De zwaarden hebben een ronde vorm. De lengte ligt tussen 0,8 tot 1,1 maal de breedte van het schip. De verhouding lengte van het zwaard gedeeld door de breedte van het zwaard loopt van 1,5 bij sommige skûtsjes tot 2,5 bij grote tjalken en bij zeetjalken tot 2,75. 

6. Tuigage, Staand en Lopend Want

6.1 Rondhouten

6.1.1 De voorkant van de (1e) mast mag maximaal 33% van de LOA achter het voorste punt van de voorsteven staan. 

6.1.2 De lengte van het bovenlijk van het grootzeil aan de gaffel (GBL) dient 20-40% te zijn van de lengte van het onderlijk GOL. De pijlhoogte van de gaffel, gemeten tot onderkant gaffel, dient 0-20% van de lengte van het bovenlijk (GBL) van het grootzeil of het bezaanzeil te zijn. 

6.2 Zeilen

6.2.1 Tot de standaard zeiluitrusting behoren een grootzeil en stagfok, eventueel een bezaan en een kluiver. Naast voornoemde zeilen mogen onder grootzeil, bezaan en fok waterzeilen gevoerd worden. 

6.2.10 In grootzeil, fok en bezaan zijn 4 houten zeillatten toegestaan, evenredig verdeeld over het achterlijk. met een maximale lengte van 20% van GOL en FOL met dien verstande dat de bovenste zeillat van de fok maximaal de helft van de fokbreedte ter plaatse mag zijn, gemeten loodrecht op het achterlijk. De pijlhoogte van het achterlijk is maximaal 4%. 

6.5 Ankers

Moderne ankers, zoals Danforth, C.Q.R., Bruce, ploegschaar of ploegstaartankers en dergelijke mogen niet zichtbaar gevoerd worden.