Boek Lemsteraak "Wielewaal"

Boekenplank

 

 

 

 

 

 

De Boekenplank is een project van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten

Eén van de doelstellingen van de SSRP is: Het maken van propaganda voor de ronde en platbodemjachten in zo breed mogelijke zin. Als onderdeel daarvan is nu de Boekenplank gerealiseerd. Een omgeving waarin publicaties digitaal als website worden opgenomen, met de mogelijkheid om er een kwalitatief goed gedrukt boek van te maken.
Heet eerste boek op de Boekenplank is van Gerard ten Cate en het is het verhaal van de Lemsteraak 'Wielewaal'. In 2018 is de 'Wielewaal' 93 jaar oud. En …. inderdaad, de mast is krom. Een zoektocht naar ruim 90 jaar geschiedenis van een Lemsteraak.

Gedrukt boek ISBN nummer: 9789491201073
Copyright © 2018 Gerard ten Cate, Zuidlaren

Herkomst foto's:
Ondanks uiterste zorgvuldigheid van de samenstellers was niet altijd vast te stellen wat de herkomst van bepaalde foto's was. Er is gepoogd alle mogelijke rechthebbenden op gebruikt beeldmateriaal te achterhalen.


Gerard hoopt dat zijn werk voor anderen een stimulans is om aansluitend onderzoek te gaan doen.
E-mail stamboek@ssrp.nl

Voorwoord

Negentig jaar 'Wielewaal'

Tijdens mijn zoektochten naar informatie over de watersport aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, kwam ik bij herhaling informatie over de Lemmeraak 'Wielewaal' tegen. Een schip dat ik ken, omdat het een paar keer per jaar bij ons in het dorp in het Zuidlaardervaartje ligt. Met genoegen kijk ik er altijd naar. Ze ligt dan bij haar eigenaar voor het huis.

Telkens gaf ik mijn vondsten aan hem door. Vaak ging dit dan vergezeld met aanvullende vragen. Vaak bleek het antwoord open te blijven. Er was geen antwoord. Jack Alsema suggereerde wel eens dat hij na zijn pensionering maar eens op onderzoek uit moest gaan naar oud eigenaren of nazaten ervan. Negentig jaar geschiedenis om uit te zoeken en vast te leggen.

Eén oud-eigenaar had ik wel eens gesproken, Willem Bon. Maar dat was misschien wel dertig jaar geleden, op een reünie van Friese Ronde jachten in Heeg. Verbaasd was ik, toen ik zijn zoon benaderde, met hoeveel passie en liefde hij over het schip schreef en hoeveel informatie hij nog had. Van hem kwam een compleet stripverhaal. Deze ervaring was voor mij reden om op zoek te gaan naar alle oud eigenaren of hun kinderen of kleinkinderen. Alle families heb ik kunnen achterhalen.

Ineens blijkt dan dat de kleinzoon van de eerste eigenaar nog altijd een model van de 'Wielewaal' op zijn schoorsteenmantel heeft staan. De zoon van de tweede eigenaar heeft nog altijd een paar foto’s van de 'Wielewaal' op zijn werkkamer hangen en de dochter van de vierde eigenaar stuurde, nadat ze mijn verzoek had ontvangen om informatie, direct een envelop met foto’s op.

Bij iedereen, die de afgelopen ruim negentig jaar bij deze Lemmeraak betrokken is geweest op welke manier dan ook, zijn er veel positieve herinneringen. Veel herinneringen en overleveringen die verklaren waarom de 'Wielewaal' zo is als ze is. Na mijn puzzeltocht is ook duidelijk geworden waarom er zo lang een deuk in het voordek heeft gezeten. Jack Alsema heeft het eruit gehaald.

Voor mij was het een genoegen de geschiedenis van de 'Wielewaal' te achterhalen en op te mogen schrijven. Dat de zoektocht de nodige jaren duurde was slechts een bijkomstigheid. Hopelijk is dit voor anderen een stimulans aansluitend onderzoek te gaan doen.

In 2018 is de Wielewaal 93 jaar oud. En …. inderdaad, de mast is krom.

Gerard ten Cate,  Zuidlaren 2018

Hoofdstuk 1 - Lemsteraak 'Wielewaal' 17 VB

Het schip

(ex 'Wielewaal', 'Margaretha', 'Vrouwe Maria')
Stamboeknummer: 214
 
FVEN registratie: 848
Bouwjaar: 1925 
gebouwd: bij H.A. Akerboom te Boskoop
ontwerp: H.A. Akerboom 1924
(in de stamboek beschrijving wordt Zijlstra abusievelijk als ontwerper genoemd)
afmetingen: 11.50 x 4.00 x 1.00m

Blauwdruk van het zeilplan van het Lemmeraakjacht 'Wielewaal' uit de collectie van het Stamboek van Ronde en Platbodemjachten, die wordt bewaard in het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek. De vrijwel complete set tekeningen van dit schip bevindt zich hier.

Type aanduiding

Met de informatie hierboven staat het schip ingeschreven in de schepenlijst van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten. De bijbehorende tekeningen uit haar archief, die bewaard worden in het Fries scheepvaartmuseum in Sneek, verwijzen maar beperkt naar dit schip. Ze zijn gearchiveerd als tekeningen van een 11.50m Lemmeraakjacht. Haar naam 'Wielewaal' staat er niet op vermeld. De naam Van Pieterson staat wel op de achterzijde geschreven.

Allereerst valt op dat de typeaanduiding verschilt. Op de tekeningen wordt het schip gekwalificeerd als Lemmeraakjacht terwijl ze in het Stamboek ingeschreven staat als Lemsteraak. Ze is ontworpen en gebouwd als jacht. Haar vormen zijn meer aangezet dan bij de aken die gebouwd zijn door de Boer uit Lemmer. De kop loopt wat hoger op en het achterschip is wat slanker. Ze stamt uit een periode waarin de begrippen Lemmeraak, Lemsteraak, Lemmeraakjacht, Boeier en Boeieraak door elkaar heen gebruikt werden en de huidige aken nog hun vorm moesten krijgen. Volgens schrijver Dirk Huizinga is pas met de bouw van 'De Groene Draeck' de benaming ‘Lemsteraak’ echt ingeburgerd. Zelf heb ik het altijd over een Lemmeraak. Immers het type schip heeft oorspronkelijk haar wortels in De Lemmer, de havenplaats in zuidwest Friesland.

Misschien is dit de plek om iets dieper in te gaan op het type schip dat de 'Wielewaal' is. Op de verschillende bladen van het tekeningenpakket van de 'Wielewaal' komen zelfs twee verschillende aanduidingen voor: Lemmeraakjacht en Lemsteraakjacht. De ontwerper is dus niet consequent in zijn typering. Op de eerste meetbrief uit 1925 wordt ze gekwalificeerd als boeierjacht.

Het Stamboek gebruikt in 2014 de volgende beschrijving (bron Dirk Huizinga) op haar website:

De Lemsteraak is in de tweede helft van de 19e eeuw ontwikkeld uit de visaak van de Friese binnenwateren voor de visserij op het noordelijk deel van de destijds open Zuiderzee, tussen Lemmer en Den Helder. Na 1900 werden zij als regel in staal gebouwd. In de grondvorm zijn de Friese ronde jachten te herkennen: kromme voorsteven, ronde lijnen met horizontaal een ei-vorm met de punt naar achteren. In de kop loopt het voordek sterk op.
Hoofdkenmerk is, dat het volume van het voorschip groter is dan dat van het achterschip. De oorspronkelijke Lemsteraak was voor de mast overdekt en had als regel een bun, hoewel voor de haringvangst gebruik werd gemaakt van bijboten, de z.g. haringvletten, die werden gesleept. De vissersschepen waren meestal 10 - 12,50m lang; echter al vroeg werden ook grotere aken (tot 17,50m) als jacht gebouwd met een kajuit achter de mast, een hoger achterschip en een boeierroer. De (bemiddelde) eigenaars veroorloofden zich een schipper + een knecht, tevens kok, die tijdens de vaart op het voordek de zwaardlieren en voorzeilen bediende en in het vooronder kookte. Zij verzorgden ook het onderhoud van schip en tuigage.
Er kunnen redenen zijn om de veelvormigheid van scheepstypen te beperken en de naamgeving ietwat te uniformeren. Voor het organiseren van zeilwedstrijden is het functioneel als de schepen die tegen elkaar zeilen zoveel mogelijk gelijk zijn. Dat voorkomt een hoop gedoe. Ook iedere organisatie die schepen wil beschrijven, indelen, archiveren of wat dan ook, streeft naar uniformiteit en standaardisatie. De visaken uit De Lemmer bleven voor de vissers gewoon ‘aken’. De grote aken die De Boer bouwde voor de watersport, werden ‘pleziervaartuig, model Lemsterjacht’ genoemd of ‘plezieraak’ of gewoon ‘jacht’.
Pas met de bouw van 'De Groene Draeck' raakte de benaming "Lemsteraak" echt ingeburgerd. Dat deze jachten weinig gemeen hebben met de traditionele visaken uit de Lemmer, was geen punt van discussie. De naamgeving kwam dus achteraf. De Lemsteraak is geen product dat als standaardontwerp van de tekentafel rolde, maar een gemeenschappelijke naam voor een verzameling van heel verschillende schepen die volgens de naamgevers echter wel gemeenschappelijke kenmerken hadden.
Cruciaal in deze ontwikkeling van scheepsbenamingen is de presentatie van ‘De Groene Draeck’ in 1957.


Het prinsessejacht werd gepresenteerd als perfect voorbeeld van een "Lemsteraakjacht". Bij het pas opgerichte Stamboek voor Ronde en Platbodemjachten werd de ‘De Groene Draeck’ de norm bij de beoordeling of een schip een Lemsteraak genoemd mocht worden. Prinses Beatrix werd bovendien beschermvrouwe van het Stamboek, wat de discussie over de vraag of dergelijke schepen inderdaad kenmerkend zijn voor het scheepstype "Lemsteraak" compliceerde.
Er is echter geen reden heel krampachtig te doen over de naamgeving van dergelijke schepen. De benaming van een scheepstype drukt geen essentie uit, maar is een manier om binnen een taalgemeenschap iets duidelijk te maken. Zolang er voor de gebruikers van bijvoorbeeld de term ‘Lemsteraak’ geen onduidelijkheid ontstaat over wat er feitelijk bedoeld wordt, is er geen probleem. Enige verscheidenheid maakt zo’n Lemsteraak juist tot een interessant schip. Je kunt er nog vele kanten mee op en de schepen blijven verbazen.
De grote Lemsteraakjachten die voor de Tweede Wereldoorlog gebouwd zijn, spelen in die recente discussie over wat een Lemsteraak is, een belangrijke rol. Die zien er weliswaar heel anders uit dan de oorspronkelijke Lemster visaken, ze komen ook niet voort uit de visaken, maar dragen nu wel de naam ‘Lemsteraak’. Voorheen werden ze geregeld Lemsterjacht genoemd. Een aantal van die schepen was ook ontworpen en gebouwd bij De Boer in De Lemmer. Die grote aken hebben door hun extreme aanwezigheid onbedoeld mogelijkheden gecreëerd voor de ontwikkeling van de moderne (wedstrijd)aken uit onze tijd (2013) . Lemsteraken konden klein, maar ook groot zijn. Het bleven Lemsteraken.
Om die grote boeieraken beter te laten zeilen, hebben moderne ontwerpers zich mede laten inspireren door de functionele mogelijkheden die de traditionele Lemster visaak hun bood. De moderne wedstrijdaken in vissermanuitvoering bieden het beste uit twee werelden. Ze staan als zeilschip dichter bij de originele visaak, dan de oude boeieraken, terwijl ze door hun lengte een comfort bieden waar de eigenaren van de kleinere visaken slechts van kunnen dromen.
Door scheepstypen die historisch eigenlijk geen band met elkaar hadden als "Lemsteraak" onder één noemer te brengen, werd in de praktijk ruimte gecreëerd om te experimenteren met de vormgeving. Het schip kon immers klein zijn als de LE10 een aakje van ruim 8 meter, maar ook zo groot als de 'Dolfijn', een boeieraak van 17.50 meter. De 17 meter lange 'Alcedo II' werd voorzien van een midzwaard en twee masten, Kersken ontwierp aken als kielschip. Eigenlijk was nu (bijna) alles mogelijk.

Op dit moment noemen we de volgende soorten schepen een Lemsteraak:
  • Originele, meestal gerestaureerde aken van Lemster vissers.
  • Originele visaken die verbouwd zijn tot jacht, zoals de LE12 (Rosshouck) en de LE6. Ook de Zevija, de houten aak LE39, die Eeltje Holtrop van der Zee bouwde, hoort in deze groep.
  • Pleziervaartuigen van voor de Tweede Wereldoorlog, die veelal gebouwd zijn als boeier, als boeieraak of als Lemsterjacht. Later werden die schepen Lemsteraakjacht genoemd. Toen de Lemsteraak niet langer als werkschip werd gebruikt, verviel de aanduiding ‘jacht’ en zei men kortheidshalve Lemsteraak.
  • Lemsteraken die na de oorlog als modern jacht zijn ontworpen binnen de traditie van grote Lemsteraakjachten van voor de oorlog. Voorbeelden zijn ‘De Groene Draeck’ van HKH Koningin Beatrix, de ‘Visotter’ van A. Sterk en de aken die ontworpen zijn door H. Lunstroo.
  • Lemsteraken die vanaf ca. 1970 als jacht zijn gebouwd naar het model van de originele Lemster visaak. Vele als roefschip, maar ook diverse als ‘visserman’, half gedekt, met een ruime, open kuip. De scheepswerven van Blom in Hylpen en Stofberg in Enkhuizen hebben hierin een belangrijke voortrekkersrol in vervuld.

De benaming ‘Lemster....’ is de Friese benaming. Het opvallende is, dat de Friezen een eeuw geleden helemaal niet consequent Fries spraken. Pas na de oorlog (WO II) is het provinciale beleid ontwikkeld om te voorkomen dat het Fries als taal geruisloos zou verdwijnen. Sindsdien is er een soort algemeen beschaafd Fries ontwikkeld, waar voorheen veel gemakzuchtiger met de taal werd omgegaan.

Lees meer

Traditioneel jacht

In De Watersport van 1914 heeft de hiervoor al genoemde ontwerper D. Zijlstra een artikel geschreven over het traditionele Nederlandse jacht. Hij gebruikt daar zelfs de benaming Lemster-aakjacht. De laatste visaken waren toen al gebouwd. Na de WO-I zijn er bij De Boer alleen nog enige aken voor Zeeuwse vissers gebouwd. Gebruikelijker was de benaming Lemsterjacht. De Boer maakte "pleziervaartuigen model Lemsterjacht". De benaming ‘aak’ zorgde voor misverstanden, omdat buiten Friesland vooral vrachtschepen de naam aak kregen. Kersken sprak ook al heel vroeg (zie De Watersport 1912 blz. 46 en verder) van Lemsteraakjachten, maar vergeleek die niet met de visaken van De Lemmer, maar met de Friese skûtsjes! 

Dat de 'Wielewaal' een Lemmeraakjacht of Lemsteraakjacht is zoals op de tekeningen staat is juist. De typeaanduiding Lemsteraak die het Stamboek als verzamelnaam gebruikt is zoals Dirk Huizinga beschrijft eveneens juist.

De Stamboekcommissie die zich ooit over de verschillen tussen een boeier, tjalk en Lemmeraak heeft uitgesproken kwam pas tussen 1955 en 1960. Uit deze periode stamt ook 'De Groene Draeck'. Eén van de dingen die volgens deze studie niet bij een Lemmeraak hoort is een botteloef waar de fok op wordt gevoerd: “Een botteloef hoort op de Lemsteraak niet thuis” (Mr. Dr T. Huitema, Ronde en Platbodemjachten blz.108 / vijfde herziene druk 1977). Net als overal is er een uitzondering die de regel bevestigd. De 'Wielewaal' vormt op deze regel een uitzondering evenals de Lemmeraken gebouwd door Auke van der Zee en de kleine 'Orion' die door De Boer is gebouwd. Deze hebben wel een botteloef. Waarvan acte!

Koninklijke Roei- en Zeil Vereeniging "De Maas"

Er werd tussen de beide wereldoorlogen met name in Rotterdam bij de Koninklijke Roei- en Zeil Vereeniging "De Maas" fanatiek wedstrijd gezeild met deze grote (zeewaardige) traditionele jachten. Volgens het Jachtregister 1924 - 1925 waren er 28 leden die met een rond of platbodem voeren. Van deze 28 leden, en dus ook 28 schepen, zijn er 10 die “Lemsteraak” worden genoemd. 35,7% van de platbodemvloot bij "De Maas" is Lemmeraak. Wanneer je het Jachtregister naslaat op het begrip “Lemsteraak” of “Lemsterjacht”, dan kom je uit op een totaal van 21 Lemmeraken in Nederland. Dit betekent dat 47,6% van de toen als Lemmeraak getypeerde schepen onder de vlag van "De Maas" voer. De 'Wielewaal' was er één van. Wat verder opvalt is dat twee van de 21 Lemmeraken een ligplaats hebben in het buitenland (Duitsland en België). De overige Lemmeraken uit het jachtregister hebben een ligplaats in Noord- of Zuid-Holland.
(NB. Alle informatie uit het Jachtregister 1924 / 1925 is gebaseerd op gegevens die de toenmalige eigenaren van de schepen verstrekt hebben. Er kunnen fouten of interpretatieverschillen in zitten. Verder: bij deze vergelijking is alleen gekeken naar de begrippen Lemsteraak, Lemsterjacht en De Maas. Bij de typeaanduiding boeier komen schepen voor die we nu op grond van hun afmetingen en bouwwijze Lemsteraak zouden kunnen noemen. Deze zijn buiten beschouwing gelaten. Overige platbodems waar bij De Maas gevaren werd waren boeiers, botters,schokker, hoogaars, Staversejol en een tjotter.)

Bij "De Maas" was de Lemmeraak blijkbaar een populair scheepstype dat geschikt was om in de riviermond en havens tussen de zeeschepen te kunnen varen. 

De toenmalige eigenaar van de 'Wielewaal' is lid van “De Maas”. Van deze vereniging is tijdens het bombardement van Rotterdam in 1940 veel archiefmateriaal verloren gegaan, maar in kranten publicaties en verslagen in De Watersport, Ons Element en later De Waterkampioen, kom je bij herhaling de 'Wielewaal' tegen. Op de volgende ansicht is de 'Wielewaal' te zien op haar ligplaats in de Veerhaven van “De Maas”.

Veerhaven Rotterdam Ansicht 27-25 (KLM fototechnische dienst Rotterdam / Jachthaven)

De foto is genomen na 1927. Volgens het archief in het Aviodome in Lelystad waar het originele negatief bewaard wordt is de foto gemaakt op 1 januari 1923. Dit kan niet kloppen omdat de schoener 'Vigilanter' op de ansicht te zien is. Dit schip had pas vanaf 1927 een ligplaats in de Veerhaven. Bovendien liggen er een aantal schepen al getuigd. Dit verwacht je niet op 1 januari. De 'Wielewaal' ligt links schuin tegen de steiger tegenover het botenhuis. Ze is te herkennen aan de voorlijk geplaatste mast.

Het Jachtregister 1924/1925

De eerste feitelijke beschrijving van de 'Wielewaal' is te vinden in het Nederlandsch Jachtregister 1924 - 1925. Een uitgave van de ANWB waarin bij benadering een overzicht gegeven wordt van de dan in Nederland rondvarende jachten of pleziervaartuigen. Ze staat genoemd in het supplement op bladzijde 34: 

Wielewaal, eigenaar: W.A.P.F.L. v Pieterson , 
adres: Prinses Julianalaan 69 Rotterdam,
Lemsteraak in de OB klasse, staal 16 ton overdekt, 
afmetingen 11.50 x 4.00 x 0.80m, 
motor: Roberts 10 pk, 
bouwer: H.A. Akerboom Boskoop 1925, 
lid van “De Maas”.

 

Motorvermogen

Het motorvermogen van 10pk lijkt aan de zuinige kant te zijn. Helemaal wanneer je het oorspronkelijke vaargebied van de 'Wielewaal' in aanmerking neemt. In het Jachtregister kom je de merknaam Roberts vaker tegen, maar in de literatuur vind je er nauwelijks iets over terug. Deze motoren werden verondersteld minder brandgevaarlijk te zijn dan andere scheepsbenzinemotoren. De Amerikaanse motorenfabriek Roberts was gespecialiseerd in het maken van vliegtuig- en bootmotoren.
“Roberts-motoren zijn twee-tact motoren, die het krukascarter als pomp gebruiken; ze zijn van het drie-poort-systeem, zonder poorten in de zuigers. Ze worden gemaakt door The Roberts Motor Company te Sandusky (Ohio, USA) en zijn in Nederland vertegenwoordigd door de firma Bingham rn Lugt te Rotterdam. In de overloopkanalen van deze motoren zijn platen aangebracht, en wel zo, dat om den ander telkens een vlakke en gegolfde plaat ligt. De platen hebben tot doel, te voorkomen dat een vlam uit den cylinder naar het krukascarter overslaat, zoals anders zou kunnen gebeuren, wanneer de in-laatpoort open is, terwijl de temperatuur in den cylinder hoog genoeg is om het daarin binnenstromend mengsel te ontsteken.”

Uit De Watersport van 1917: afbeeldingen van een tweetal Roberts motoren links een een-cilinder 3pk motor en rechts een drie-cilinder 15pk motor. 

Opdrachtgever

Eigenaar en opdrachtgever voor de bouw van de 'Wielewaal' was de heer Van Pieterson uit Rotterdam. In het Stamboek staat D. Zijlstra als ontwerper genoemd. Deze naam komt op de tekeningen niet voor. Bijna alle bladen zijn gesigneerd door H.A. Akerboom. In het jubileumboek van “De Maas” 1851-1951 staat beschreven dat de heer van Pieterson haar zelf ontworpen heeft. Deze notitie lijkt niet juist te zijn. De 'Wielewaal' wordt er genoemd naast de andere door Akerboom gebouwde Lemmeraken 'Alcedo I' (1920), 'Alcedo II' (1927 D. Zijlstra) en 'Annie Lavinia' (1920).

Oud Stamboekbeheerder en Lemmerakenkenner Jan Brilleman wees mij op ontwerpersplagiaat in het begin van de twintigste eeuw waarbij Akerboom een rol speelde. Een pennenstrijd hierover is terug te vinden in De Watersport van 1919. Hier betrof het een ingezonden stuk van ontwerper Kersken tegen scheepsbouwer Akerboom. Ik heb niet terug kunnen vinden of deze strijd ook voor de rechtbank is uitgevochten.

Echter: dit was ruim voordat de 'Wielewaal' getekend was. Er mag dan ook verondersteld worden dat Akerboom de 'Wielewaal' zelf ontworpen heeft. Waar de suggestie van Zijlstra zijn betrokkenheid bij het ontwerp van de 'Wielewaal' vandaan komt is onduidelijk.

Matenlijst

Tekeningen van schepen zijn altijd leuk om te bekijken. Bij de tekeningen van de Wielewaal, de lijnenplannen, de spantenplannen en interieur aanzichten zit ook een matenlijst. Spantuitslagen kunnen aan de hand hiervan zo gemaakt worden. 

In tegenstelling tot de aanduiding Lemmeraakjacht op het zeilplan, wordt hier het type als Lemsteraakjacht genoemd.

De werf

Het werfplaatje (foto GtC. 2011)

In het Nederlandsch jachtregister 1924/25 en haar supplement, en in watersporttijdschriften uit het begin van de twintigste eeuw zoals “De Watersport” en “Ons Element”, wordt de naam van Scheepswerf Akerboom uit Boskoop (NV Scheepswerf Akerboom, Boskoop 1891 – 1925) met de nodige regelmaat tegen als bouwer van luxe jachten genoemd. Zo staat er in “De Watersport” van 1921 een complete beschrijving met foto’s van het motorjacht 'Libelle' van Mr. Oving uit Groningen. Hij had het schip een jaar eerder nieuw laten bouwen door Akerboom. De Lemmeraak 'Annie Lavinia' een bekend deelnemer van wedstrijden bij “De Maas” uit Rotterdam was er gebouwd, tekeningen van deze aak staan in het boek “Het Zeilen” van Philippona uit 1919.

Johannes Akerboom, tweede zoon van Henricus, heeft het ondernemersbloed van zijn vader geërfd. In 1882 koopt hij een werf in Boskoop. In deze contreien, met vele honderden kilometers waterweg, is een scheepje een goed transportmiddel. Zowel voor zaken, als voor plezier. Johannes richt zich op een andere klantenkring dan zijn vader, namelijk op de streeknotabelen zoals de dokter en de notaris en op overheidsinstanties zoals politie en brandweer. De werf in Boskoop specialiseert zich in ‘den bouw van luxe en andere motorboten’. Van deze werf komen fraaie notarisbootjes, Lemsteraken, fotografenbootjes, doktersbootjes en pramen en vletten voor tuinders. Vakmanschap is in de familie iets vanzelfsprekends; de zoons gaan enkele generaties lang direct vanuit de schoolbanken de werf op.
(Bron:Historische vereniging Boskoop).

Omstreeks de twintiger en dertiger jaren in de 20e eeuw maakte de scheepsbouw moeilijke tijden door. In 1925 gaat het bedrijf in Boskoop, dat inmiddels wordt geleid door Hendrik, zoon van Johannes, failliet.

PUBLIEKE VERKOOP
    krachtens art. 1223 B.W.
    Notaris H. HOUTZAGERS te Boskoop zal op WOENSDAGEN 15 en
    22 JULI 1925, telkens des v.m. 11 uur in hotel KLAASSEN te Boskoop,
    bij inzet en toeslag publiek verkoopen :
    De Scheepswerf „Akerboom", Boskoop
    in volgende courant breeder te omschrijven. 4885
    De Machinerieën, enz. zullen op 21 Juli a.s. publiek worden verkocht,
    met recht van naasting voor den kooper van het onroerend goed.
    [BN&A, 08071925, p428]

 

Van de 'Wielewaal' is bekend dat ze gebouwd is in 1924 / 1925. Het exacte moment van de tewaterlating is niet bekend. Wel kennen we er nog de foto hierboven van. De originele tekeningen geven overduidelijk het moment van het ontwerpen aan, april 1924. Verder is de Nieuw Rotterdamsche Courant is duidelijk over het moment waarop ze haar eerste wedstrijd zeilt. Dit zal het weekend van drie en vier mei 1925 zijn geweest. In een verslag uit de krant van vijf mei 1925 staan de namen van haar en haar eigenaar genoemd. Het Jachtregister 1924/25 geeft nog eens de bevestiging. 

Tewaterlating 'Wielewaal' fotograaf onbekend, collectie Historische vereniging Boskoop). Deze foto komt eveneens voor in het familie archief Van Pieterson. Op de achterkant staat “Te Water gelaten (er in gegooid)”.

De 'Wielewaal' nog voor de wal bij de werf van Akerboom (collectie Van Pieterson)

Dat de werf op 21 juli 1925 publiek is verkocht doet vermoeden dat de 'Wielewaal' een van de laatste zo niet het laatste door Akerboom in Boskoop gebouwde plezierjacht is. In 2014 komt de naam Akerboom nog altijd voor in de jachtbouw. Er bestaat een rechtstreekse lijn naar het verleden naar de werf in Boskoop. Het bedrijf heet nu Akerboom Yacht Equipment en is gevestigd in Leiden. 

Eerste Meetbrief

In de beginjaren van het Watersportverbond werden zeilnummers wel eens opnieuw uitgegeven en hergebruikt. De 'Wielewaal' zeilde eerst onder nummer “7 OB” later werd dit “17 OB”. Wat de reden van deze omnummering is geweest is onduidelijk. Mogelijk is er een jaar niet betaald voor de verlenging van de meetbrief en is daarmee het nummer komen te vervallen. Tegenwoordig (sinds 1965) zeilt ze onder nummer “17 VB”. Hoewel de 'Wielewaal' in de eerste plaats een toerschip is, is het veel in wedstrijden uitgekomen. Direct na de tewaterlating komt ze al voor in wedstrijdverslagen bij “De Maas”. Haar latere eigenaren hebben allemaal de meetbrief in stand gehouden. In ieder geval hebben zij jaarlijks de verlengingskosten betaald. Anno 2019 gebeurt dit nog steeds.

De eerste meetbrief van de Wielewaal uitgegeven op 22 mei 1925. Het toegekende zeilnummer is 7 OB. Op de achterzijde van dit blad wordt ze gekwalificeerd als boeierjacht. (collectie Van Pieterson)

Het nummer 7 OB wordt in 1933 toegekend aan de onder Belgische vlag varende hoogaars 'Turc'. Een kopie van de bijbehorende meetbrief bevindt zich in het archief van de SSRP. Na een aantal omnummeringen vaart ze sinds 1996 weer met dit zeilnummer. In Ons Element jaargang 1921 (blz.147) staat de boeier 'Alk' vermeld met het nummer 17 OB . Volgens het Nederlandsch Jachtregister 1924 - 1925 wordt het nummer 17 OB in 1924 gebruikt door de hoogaars 'Zeeuw' van de heer Vinke uit Heemstede. Herkenning op basis van alleen een zeilnummer leidt dus niet per definitie naar het juiste schip (deze hoogaars is in 1925 verkocht naar België).

In 2014 moet een kanttekening bij de geldigheid van de meetbrief geplaatst worden. Het KNWV heeft bepaald dat er een markering op de stevens aangebracht moet worden waar de waterlijn aan afgelezen kan worden. Immers er zou ballast in het schip kunnen worden gebracht of het zou er uit gehaald kunnen worden voor een wedstrijd. Daarnaast moet volgens de huidige (2014) wedstrijdbepalingen het schip gewogen worden. Het gewicht moet op de meetbrief vermeld worden. Bij de 'Wielewaal' is de markering niet aangebracht en ze is niet gewogen. Op de jaarlijkse verlenging van de meetbrief staat dit aangegeven. Haar eigenaar Jack Alsema en het KNWV verschillen over dit punt van inzicht. Nog altijd wordt er wedstrijd met de 'Wielewaal' gevaren. Er zijn weinig schepen die zo lang aaneengesloten bij het KNWV ingeschreven staan.

De eigenaren in chronologische volgorde

1925 - 1952 W.A.P.F.L. van Pieterson uit Rotterdam
1952 - 1956 N.A.C. Pessers uit Waalwijk
1956 - 1960 Dr W.F. Bon uit Den Haag
1960 - 1973 J. Hoving uit Aalsmeerderbrug
1973 - 1995 J.G. Alsema uit Zuidlaren
1995 - heden J.C. Alsema uit Zuidlaren
   

 

 

 

 

 

 

Blz. 744 uit de Waterkampioen van 1930, links op de foto de 'Wielewaal'

Er-Varingen van de familie Bon

Ewoud Bon heeft in 1956 zijn vader kunnen overtuigen de 'Wielewaal' te kopen. Tijdens het schrijven van dit verhaal kwamen uit zijn verzameling een aantal verslagen, die in dit overzicht volledig opgenomen zijn. Ze geven een schitterend beeld hoe er door de familie Bon met de 'Wielewaal' werd gevaren. Het stripverhaal is afkomstig uit dit familiearchief.

Vanaf 1973 in Zuidlaren

Als liefhebber van historische schepen was het schip mij vaak opgevallen vanwege haar uiterlijk en de manier waarop ze onderhouden wordt. Sinds 1973 zie ik haar jaarlijks. In het voor- en najaar ligt ze in het haventje van Zuidlaren voor de woning van haar eigenaar de familie Alsema. Het dorp waarin ik zelf ook woon. Opvallend zijn de geweldige staat waarin ze verkeert, haar originele uitstraling en de fantastische roerversiering. Een uit teakhout gesneden zeeduivel.

Bij nadere bestudering van het zeil- en lateraalplan blijkt er aan de huidige 'Wielewaal' het nodige veranderd te zijn. Het grootzeil is smaller geworden, de giek korter. Het lateraalplan is aangepast met een diepere scheg en loefbijter. De huidige diepgang is dankzij de kielbalk 20 centimeter groter dan de opgave in het jachtregister. Blijkbaar is dit nodig geweest om haar onder zeil beter te kunnen besturen. Maar dankzij deze kielbalk vaart ze ook perfect achteruit op de motor. De kielbalk is onderdeel van het koelsysteem van de motor. In 2011 heb ik haar de volle lengte van de Noorderhaven in Harlingen achteruit zien varen. Rechtuit. De besturing werkt nu met een stuurwiel. Het getekende helmhout lijkt wat aan de korte kant. Er bestaan nog foto’s dat ze met een helmhout gestuurd werd. De stuurtalie die te zien is, levert het bewijs dat het sturen met een helmstok een behoorlijke krachtsinspanning moet zijn geweest.

Ewoud Bon in 1957 aan het roer. Let op de stuurtalie (collectie Bon)

Aanpassingen aan het ontwerp om de Wielewaal beter bestuurbaar te maken: loefbijter, scheg en het stuurwiel (foto’s 2011 GtC)

Van de 'Wielewaal' zijn alle oud eigenaren bekend. De zijn veel foto’s bewaard gebleven. Ze geven een goede indruk hoe het schip gebruikt is, wat er veranderd is en wat origineel gebleven is. Het schip viel op en voer in een omgeving waar het nodige werd vastgelegd, zowel op foto als in verslagen. In het tijdschrift De Watersport van 1926, -27 en -28 staat ze vaak op een foto afgebeeld. Nog altijd hebben de verschillende kinderen en kleinkinderen van oud eigenaren prominent foto’s en zelfs een model van de 'Wielewaal' in hun huizen of werkkamers staan.
Haar twee laatste eigenaren, vader en zoon Alsema, voeren en varen haar minder in de publiciteit. Niet dat ze niet met het schip varen, in tegendeel! Hun vaargebied was en is het Nederlands - Duitse waddengebied. Een omgeving waar niet heel veel evenementen georganiseerd worden. Ze is diverse keren winnaar van de "Groene Draeckprijs" geweest die verzeild wordt bij de Koninklijke Zeil- en Roeivereniging Neptunus in Delfzijl. Bij de jaarlijkse Pinksterfeesten in Delfzijl en bij de Borkumrace tussen Delfzijl en het Duitse Waddeneiland Borkum is de 'Wielewaal' vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw steevast deelneemster.

Dè Lemsteraak bestaat niet!

Dirk Huizinga

Hoofdstuk 2 - De eerste eigenaar W.A.P.F.L. van Pieterson

1925 - 1952

 

1925 - 1952 'Wielewaal', eigenaar W.A.P.F.L. van Pieterson te Rotterdam
Lid van: Koninklijke Roei- en Zeilvereniging “De Maas”
Ligplaats: Veerhaven in Rotterdam

 

Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk van Pieterson, (1880-1966) was werkzaam in het verzekeringswezen. Hij gaf opdracht voor het ontwerpen en de bouw van de Lemmeraak 'Wielewaal' bij de werf van Akerboom in Boskoop. Hij was toen vijf en veertig jaar oud. Als lid van de Rotterdamse Roei- en Zeilvereniging "De Maas" nam hij met het schip 'Wielewaal' deel aan diverse zeilwedstrijden (in het NRC uit het midden van de jaren twintig van de 20e eeuw staan uitgebreide verslagen van “de Maas” waarin de 'Wielewaal' genoemd wordt). Volgens het jubileumboek van “de Maas 1851 - 1951” was de heer Van Pieterson zelf de ontwerper van het schip. De nog bestaande blauwdrukken laten iets anders zien. De heer Van Pieterson was zeker in de begin jaren frequent deelnemer aan zeilwedstrijden bij “De Maas”. In 1925 laat hij het dan nieuwe schip direct meten. Vanaf dat moment zeilt ze met zeilnummer 7 OB. Het is een los wegneembaar nummer.

W.A.P.F.L. van Pieterson met rechts zijn echtgenote Berendina Wilhelmina Henkens en links zijn schoondochter Swanetta Maria Ruibing op 6 september 1938 in de haven van Oostende (België) (collectie Van Pieterson)

 

KRenZ "De Maas"

Bewijs van lidmaatschap van “De Maas” van de heer Van Pieterson in hard kaft en met lakzegel. Zijn schip wordt hier als boeier getypeerd. Datum 1 juni 1934. (collectie Van Pieterson)

Hoewel lang onduidelijk was wat het bouwjaar van de Wielewaal was, geven de tekeningen met het jaartal 1924, het Nederlandsch Jachtregister 1924/25, en het volgende citaat uit het NRC van 19 juni 1925 “ ….. In de klas OB van ronde vaartuigen zien we twee nieuwelingen: Blinkert van den heer H. van Vollenhoven en de Wielewaal van W.A. van Pieterson, die de strijd tegen Albatros II, Schollevaer en Hendrika zullen beginnen ……”, duidelijkheid over het bouwjaar: 1925.

 

Uit: De Watersport 1926 samen met de Regenboog 'Schrijverke' zeilend op de Maas

Opvallend is dat op de foto’s de nationale vlag niet op het roer wordt gevoerd. Het duidt erop dat er op deze foto’s wedstrijd wordt gezeild. Volgens de heersende etiquette hoor je tijdens een wedstrijd geen nationale vlag te voeren. Koninklijke Roei- en Zeilvereniging “De Maas” heeft een belangrijke rol gespeeld in het leven van zowel schip als eigenaar. Al direct in juni 1925 vaart de 'Wielewaal' mee in de Estafette wedstrijd. Een wedstrijd georganiseerd door de zeilvereniging. Er moeten handtekeningen van een aantal van te voren aangegeven haven- en sluismeesters in Zeeland worden opgehaald en geplaatst in een logboek. Alle locaties moeten zeilend worden aangedaan. Er mag niet op de motor worden gevaren en sleepboothulp is niet toegestaan. Handwerk dus. Wie het eerste terug is een naar behoren ingevuld logboek heeft bijgehouden, was winnaar in zijn categorie. De op naam gestelde programma’s / logboeken uit 1925, 1926 en 1927 zijn in de bijlage opgenomen.

De naam 'Wielewaal'

Eén van de vragen die ik aan kleinzoon Lex en kleindochter Tireen van Pieterson stelde was of zij wisten waarom het jacht van hun opa in 1925 'Wielewaal' was gedoopt. Ze bleven het antwoord schuldig. Na het bekijken van het nog aanwezige archief materiaal kwam kleindochter Tireen met een mogelijke verklaring: “Wat de naam betreft, ik heb gelet op de andere namen van boten van leden van De Maas. Het viel me op dat ook andere boten namen hadden van vogels. Misschien was dat toen in de mode en heeft mijn grootvader gekozen voor de 'Wielewaal' omdat hij dat een mooie naam vond. Eigenlijk ben ik dat roerend met hem eens. De naam alleen al lijkt te zeilen.”
Kleinzoon Lex van Pieterson memoreerde dat hij waarschijnlijk slechts één keer aan boord van de 'Wielewaal' is geweest dat was toen zijn familie het schip te koop had liggen. Met zijn vader Alexander is hij veel later nog eens op zoek geweest naar het schip. Ze hadden uitgevonden dat het in Durgerdam lag. De reis is toen eigenlijk teleurstellend geweest. De aak lag voor Durgerdam ten anker en kwam daar niet weg. Er was geen twijfel over dat dit de aak van vader en opa was geweest.

De 'Wielewaal' heeft met haar eigenaar van Pieterson aan het roer prijzen gewonnen. Van één wordt verteld dat deze, een eerste prijs, is uitgereikt door Prins Hendrik. Een porseleinen Meeuw. Of het verhaal klopt is niet bekend. De Meeuw is er nog altijd.

Schipper Toon

Vanaf 1928 werd er gezeild met een schipper. Toon, een vriendelijke man. Tireen herinnert hem zich nog. In de jaren na de oorlog heeft ze hem aan boord nog meegemaakt. Twee sollicitatiebrieven van hem zijn bewaard gebleven. De eerste is geschreven op 25 februari 1928 de tweede drie dagen later op 28 februari 1928. Hij benadrukt hierin dat hij wel heel veel prijs stelt op de baan als deeltijdschipper. De baan voor twee en halve dag of drie dagen in de week kan hij goed gebruiken. (zie bijlage).

Model

Zoon Alexander, de vader van Lex en Tireen, heeft in de oorlogsjaren twee modellen van de Wielewaal gemaakt van restanten traphout. Hij maakte ze in de periode dat hij ondergedoken zat. Eén voor zichzelf en één voor zijn vader. Beide zijn nog in het bezit van kleinzoon Lex. Het ene model is in de loop der tijd beschadigd geraakt. Het andere is nog altijd waard om naar te kijken. 

Rechts: Model van de 'Wielewaal' gemaakt door Lex van Pieterson sr. (2014) (Foto Lex van Pieterson jr.)

Herinnering

Nico Pessers jr. vertelde uit overlevering dat de familie Van Pieterson in WO II aan boord gewoond zou hebben. Na alles wat er tussen 1940 en 1945 in Rotterdam is gebeurd lijkt deze gedachte realistisch. Echter, zowel de oude heer en mevrouw Van Pieterson als ook hun zoon en schoondochter hebben in de oorlogsjaren in Rotterdam op bekende adressen gewoond. Voor zover na te gaan is heeft de 'Wielewaal' tijdens de oorlog afgetuigd en opgelegd gelegen. De plaats is onbekend. Misschien heeft iemand anders toen op het schip gewoond?

Na de oorlog is W.A.P.F.L. van Pieterson (1880) gepensioneerd. De 'Wielewaal' werd verkocht aan de heer Pessers uit Waalwijk. De heer van Pieterson is in Waalwijk nog wel eens aan boord geweest. De volgende foto’s komen uit het archief van de familie Van Pieterson. Het is onbekend waar de foto’s genomen zijn en wanneer. De laatste serie was zelfs binnen de familie Van Pieterson onbekend. Het zijn afdrukken van negatieven die waarschijnlijk nooit eerder zijn afgedrukt.

 


Bij deze foto’s schrijft Tireen van Pieterson (24 december 2014):
We vonden nog een doosje met negatieven. Lex heeft ze laten afdrukken en tot onze verrassing stonden er mooie foto's van de Wielewaal op met mijn vader als vrolijk jongetje dat zo van de boot het water in springt. Ik zag daarop het kleine bootje dat altijd achter de Wielewaal hing, de vlet. Opeens herinnerde ik me dat weer.

De 'Wielewaal' heeft in onze familie altijd een speciale plaats behouden, ook al had mijn grootvader haar verkocht. Zowel bij mijn grootouders als bij mijn ouders stond een model van de 'Wielewaal' in de kamer en er hingen foto's van de 'Wielewaal' aan de muur. Mijn grootouders en mijn ouders hebben de documenten over de Wielewaal zorgvuldig bewaard. Het zou mijn grootvader en mijn vader dan ook heel veel genoegen gedaan hebben te weten dat de schuit (zo noemde mijn grootvader de boot altijd) nu zo goed wordt onderhouden en dat de familie Alsema er zoveel plezier van heeft. Hetzelfde geldt voor Lex en mij.

Uit een e-mail van Jack begreep ik dat de 'Wielewaal', vanaf het moment dat zijn vader de 'Wielewaal' kocht, het onderhouden en restaureren van de boot als een hobby werd gezien. Wat een geluk hebben we daarmee gehad! Ik weet helemaal zeker dat de 'Wielewaal' in uitstekende staat was toen mijn grootvader haar verkocht. De boot was ook zijn grote hobby, hij was heel nauwkeurig en was er erg zuinig op. Ik denk dat het onderhoud, dat hem te veel werd, een van de oorzaken is geweest dat hij de boot heeft verkocht. Hij was inmiddels met pensioen, Toon ging met pensioen, hij was van plan naar Den Haag te verhuizen waar wij woonden en reed bovendien geen auto. Er waren dus vele redenen om de boot te verkopen, maar zeker deed hij het met pijn in zijn hart.

Mijn grootmoeder en moeder zijn een beetje onderbelicht gebleven. Mijn grootmoeder was Berendina Wilhelmina Henkens, geboren 12-5-1885 in Rotterdam en overleden 19-7-1979 in Wassenaar. Zij was echt een schattige oma en als meisje geloof ik knap, als ik op de foto's afga. Eigenlijk vond ze al die reizen best eng, ze heeft ook nooit leren zwemmen. Later gingen ze nog zeereizen maken naar Zuid-Afrika, het laatste in 1956, en dat vond ze nooit zo'n pretje. Wel kon ze in dat kleine keukentje op de Wielewaal goed uit de voeten. Er waren altijd veel gasten aan boord waar ze heerlijk voor kookte. Wel moet ik hierbij opmerken dat Toon nooit mee aan tafel at. Hij sliep in het vooronder. Je ging dan een trapje af onder het luik voor op het schip. Zover ik me kan herinneren zat hij op dat luik met een pannetje of bordje alleen te eten. Mijn moeder was Swanetta Maria Ruibing, geboren 27-1-1914 in Weesp en overleden 5-5-2007 in Wassenaar. Mijn moeder is op Bevrijdingsdag overleden. Zowel mijn oma als mijn moeder zijn over de 90 geworden en waren beiden tot op hoge leeftijd zeer fit.

Het antwoord van Jack Alsema aan Tireen van Pieterson hierop mag niet achterwege blijven hij schreef het op 5 januari 2015:
Sinds mijn vader de 'Wielewaal'' in zijn bezit had heeft er altijd een negen-voets sloepje achter de boot aan gesleept. Dit was een overnaads mahonie houten blank gelakt bootje . Op open water werd er steeds een kleedje over heen gespannen en zodoende was hij absoluut waterdicht . Slechts bij het wedstrijdvaren ging hij niet mee. Onze jol komt uit Engeland en is in 1970 gemaakt bij L.H. Walker, Leigh on Sea, Sussex en met een coaster naar Nederland gekomen. We hadden toen de Eilandkruiser nog, een Nienke 2 van de Boer uit Delfzijl. De betaling is door de bevriende coasterkapitein contant gedaan en wij hebben hem uit Rotterdam gehaald.

Toen onze kinderen klein waren hebben wij dezelfde sloep ook altijd meegesleept en konden we als we stil lagen in een haven of voor anker, er ook even mee spelevaren. Dit was dan wrikken, roeien, zeilen of met een aanhangmotortje varen. Pas de laatste paar jaar nemen we hem niet meer mee omdat we nu met zijn tweeën varen en dan maken we geen gebruik meer van de jol. Toch hebben we hem nog steeds en wordt hij in de toekomst weer gebruikt als er kleinkinderen komen?

Toen meneer Hoving de 'Wielewaal' aan mijn vader verkocht werd het vele onderhoud hem waarschijnlijk te veel. Maar het neemt niet weg dat de heer Hoving ontzettend veel aan de boot gedaan heeft. Voor zover wij na kunnen gaan heeft hij er een nieuwe motor in gezet, het houten berghout door één van staal vervangen, het schippersverblijf verwijderd, het vooronder tot één ruimte gemaakt, het zeilplan gewijzigd, een stuurwiel geplaatst en zelfs een complete beun kiel voor de koeling van de motor aangebracht .
Alleen vormde zich de laatste jaren toch hier en daar weer roest en dat was niet te zien toen mijn vader hem kocht omdat het schip net geschilderd was. Er valt Hoving zeker niets te verwijten want ook hij besteedde vast al zijn vrije tijd aan het schip.

De 'Wielewaal' heeft in onze familie altijd een speciale plaats behouden.

Tireen van Pieterson

Hoofdstuk 3 - Tweede eigenaar N.A.C.Pessers

1952 - 1956

Deze foto’s komen uit de verzamelingen van zowel Van Pieterson als Pessers. Gezien de vlagvoering is het waarschijnlijk dat deze afkomstig is van de familie Bon.

1952 - 1956 'Wielewaal', eigenaar N.A.C. Pessers te Waalwijk
Lid van: Watersportvereniging Bergse Maas
Ligplaats: Jachthaven "Het Stukske" Waalwijk

 

Kinderen en kleinkinderen van de familie Pessers zijn op 5 december 2011 bij de 'Wielewaal' op bezoek geweest. De wens om het schip nog een keer te zien, was reden geweest voor een zoektocht op het Internet. Ze hadden een aantal foto’s meegenomen, waarop de aak stond afgebeeld. Jammer genoeg zijn de kopieën niet geworden zoals ze beoogd zijn. Drie van de foto’s voldoen als grafisch werkje. De karakteristieken van de Wielewaal zijn echter goed herkenbaar. Op de afbeelding hierboven is het oorspronkelijke grootzeil te zien met de enorme gaffel. Curieus was het om in de nalatenschap van de heer van Pieterson dezelfde foto’s terug te vinden die ook voorkomen in het archief van de familie Pessers.

Er is dus na de verkoop door de heer Van Pieterson in ieder geval nog contact gebleven tussen toen de oude en de nieuwe eigenaar van de 'Wielewaal'. Wanneer de overlevering juist is, dan is de verkoop ongeveer als volgt gegaan: de potentiële koper Pessers bood de verkoper Van Pieterson een veel lager bedrag dan de vraagprijs.
Zodanig laag dat de heer Van Pieterson vroeg of de bieder het bedrag niet erg laag vond. Pessers bevestigde dat hij het bedrag ook laag vond. Maar zijn antwoord was dat hij niet meer geld bezat. De koop ging door. ….. Je bent koopman, of je bent het niet ……. 

Herinneringen

In het geheugen van de familie Pessers was er een schot dat in de lengte van het voorschip aanwezig was. Voorin zat een luik waardoor de kinderen een rondje door het schip konden maken. 
Nico Pessers sr. had de 'Wielewaal' gekocht van de heer van Pieterson, een grote rijzige man. Nico Pessers was leerhandelaar. Zijn zes kinderen vonden het afschuwelijk dat hun vader de 'Wielewaal' al vrij snel weer verkocht. In heel korte tijd na elkaar waren er vier directe zeilvrienden van hem overleden. Als reactie daarop heeft hij heel impulsief de 'Wielewaal' direct daarna verkocht. De verkoop heeft binnen het gezin de nodige spanningen opgeleverd.
Op aandrang van zijn gezin is er na de 'Wielewaal' direct weer een boot gekocht, 'De Goeree'. Dit schip is nog altijd eigendom van de familie Pessers. Niet vreemd dat de 'Wielewaal' nog altijd positieve gevoelens bij de kinderen Pessers oproept. Nico jr. heeft nog altijd foto’s van het schip in zijn werkkamer hangen. Een paar losse herinneringen die tijdens een telefoongesprek genoemd werden, waren de aanwezigheid van een watertank, een dagtank, die boven het toilet aan het kajuitdak hing. Nico jr. moest het de nodige keren vullen. Nico sr. nodigde met regelmaat gasten mee uit varen. Bij Keizersveer moest dan de mast worden gestreken en daarna moest deze weer gezet worden. De gasten werd dan gevraagd de lier te bedienen……… Daarna hoefden ze niet meer mee. Ze waren “kapot” van vermoeidheid.

'Wielewaal' met eigenaar Bon. Te herkennen aan de nationale vlag. Het wapen van De Maas is niet meer te zien. (Collectie Van Pieterson)

De familie Pessers had goede contacten in Willemstad. Een vaardoel waar in weekenden vaak naar toe gevaren werd. De komst werd dan van te voren telefonisch aangekondigd. De 'Wielewaal' mocht dan altijd langszij het betonningsvaartuig van 'De Visser' liggen. Als goed katholiek gezin bezocht de familie daar op zondagmorgen de kerk. Na afloop van de dienst werd ontbeten bij restaurant Bellevue.

Uit De Waterkampioen 1955: De 'Wielewaal' langszij bij het betonningsvaartuig in Willemstad samen met de botter 'Jonge Jaap' en de hoogaars 'Alalante'.

Je bent koopman, of je bent het niet …….

N.A.C. Pessers

Hoofdstuk 4 - Derde eigenaar Dr W.F. Bon

1956 - 1960

In de haven van Uitdam: eigenaar Willem Bon (Collectie Ewoud Bon)

1956 - 1960 'Wielewaal', eigenaar Dr W.F. Bon te ’s Graveland
Lid van: KNR&ZV te Muiden
Ligplaats: Muiden

De familie Bon blinkt uit in creativiteit en het vastleggen van hun daagse beslommeringen. De foto’s geven een goede indruk en springen er qua compositie uit. Er zijn tekeningen, er is een logboek en er zijn losse verslagen waar uit geput kan worden. Ondanks de weinige jaren dat Willem Bon eigenaar van de aak is geweest, is het schip intensief gebruikt. Ewoud Bon heeft zijn vader in 1956 kunnen overtuigen de Wielewaal te kopen. In 1960 is de Wielewaal verkocht nadat Ewoud na zijn afstuderen naar het buitenland vertrokken was. Dit hoofdstuk is bijna volledig ingevuld door bijdragen van Ewoud Bon. Hoogtepunt is een stripverhaal getekend door Hidde Bon.

De 'Wielewaal' - Ewoud Bon

Mijn vader Dr W.F. Bon kocht in 1956 een platbodem, een fraaie stalen lemsteraak genaamd 'Wielewaal', zeilnummer OB17, van de tweede eigenaar N.A.C. Pessers te Waalwijk. Het schip werd gebouwd in 1925 bij Akerboom te Boskoop (zie Gedenkboek "De Maas"). Thuishaven werd de Koninklijke in Muiden, van welke „Vereeniging“ Wim lid werd. Behalve dat vele zeiltochten werden gemaakt deden wij ook een enkele maal aan zeilwedstrijden mee. Met haar grote tuig en zeilgarderobe was de 'Wielewaal' een snelle zeiler, maar een zwaar schip om mee te varen. Bovendien was ze bij ruime harde wind zó loefgierig, dat het roer zelfs voor mijn jeugdige krachten en die van mijn metgezellen nauwelijks te houden was.

Ik gaf Wim de raad het grootzeil smaller en de giek een meter korter te maken, net zoals ons vorige schip, het vissersschip 'Hidde Riks', waar het uiteinde van de giek vanaf het achterdekje gemakkelijk te bereiken was. Hij ging hier niet op in, om het oorspronkelijke ontwerp van de 'Wielewaal' geen geweld aan te doen.
Een evenement dat we bijwoonden in 1957 was de aanbieding van 'De Groene Draeck' aan Prinses Beatrix te Muiden.
 



Op het voordek van de Wielewaal links Ewoud Hidde Bon rechts zijn vader Dr Willem F Bon. Augustus 1956 tijdens hellingbeurt bij Van Goor in Monnikendam (​Collectie Ewoud Bon)

Varen met de 'Wielewaal'

's Winters werd de 'Wielewaal' opgelegd in de 's-Gravelandse Vaart voor het huis van Wim & Elsbeth

Je ziet dat de Wielewaal hoog ligt: alle ballastbroodjes zijn en die winter uitgehaald om gemenied te worden en de buikdenning schoon te maken. Beulswerk!

Uit het Journaal: Juli/Augustus 1957: Met de lemsteraak 'Wielewaal' naar Zeeland door Hidde Bon

(Relaas van de tocht in brief van E.H.Bon aan Ben en Karin van Ruth, aangevuld met gegevens uit het Journaal, bijgehouden door mijn vader Willem Bon en door ondergetekende)
Amsterdam, 30 October 1957

Beste Ben & Ka,
Je kent het karakter van de Wielewaal: onverbiddelijk wanneer er fouten jegens hem gemaakt worden - dan wreekt hij zich door ergens tegenaan te varen, door geen vaart te lopen (of juist teveel), door manoeuvres te laten mislukken. Maar even onverbiddelijk is hij jegens de elementen, wanneer die hem trachten te overweldigen. Nooit een compromis: altijd ja of nee. Een geweldige schuit. We begonnen de reis op 26 Juli 1957 bij de haven van de Koninklijke in Muiden.

De bemanning: mijn vader Dr. W. F. Bon, die, zoals je weet, aan boord de titel ‘Directeur’ draagt, zijn vrouw Elsbeth, mijn zusjes Saskia (14), Marja (9) en Jotie (5), jongere broer Jan Bart (13), mijn vriend en studiegenoot Frits Cohen en ik zelf.
We gaan de Vecht op. De mast bleef staan, in de hoop af en toe te kunnen zeilen en zodoende benzine te sparen. Het schip is nl. uitgerust met een Ford-Scripps V-8 benzinemotor, die Goliath heet en navenant zuipt. Voorspoedig voeren we via Weesp tot Uitermeer, waar mijn broer (Jo-)Hannes (21) aan boord kwam. Hij verrijkte ons met zichzelf en zijn fiets – de laatste een onoverkomelijke sta-in-de-weg. De brug van de provinciale weg Weesp-Hilversum wilde na 8 uur niet meer wippen. In de Almanak staat dat de brug bediend wordt van 's ochtends 6 tot 's avonds 8 uur. We hielden de brugwachter aan de letter van het reglement en lieten klokslag 06.00 de volgende ochtend 3 aangehouden stoten op de toeter horen. Met nijdig gezicht, met pet over nachthemd kwam de man uit zijn huisje en draaide de brug open. Met een 6 knoops-vaartje stoomden we stroomopwaarts. Opeens klamme schrik: Komen we met staande mast onder de hoogspanningskabels door? Het was te laat om te stoppen of bij te draaien. De mast leek torenhoog, de draden, met al die tienduizenden volts, angstwekkend laag. Goddank. Het ging, met speling.

Maar Frits en ik, de enigen aan dek (de rest sliep de slaap des onschulds nog) waren meteen klaarwakker van de schrik. De pas opgekomen zon verdween al gauw en het begon ontzettend hard te regenen. Zo ging het voort, de ene kronkel na de andere, de roerganger in glimmend oliegoed met een druppel aan zijn neus, de rest lekker lezend en koffiedrinkend in de kajuit, langs al die weggetjes en stadjes die je alleen van de kant kent. Jammer dat het zo hard ging, maar Goliath was op zijn best en met half gas hielden we de fietsers bij. Het weer werd geleidelijk beter en de bruggen vlot bediend. De eerste keer dat f 0,20 in het klompje moest vond Elsbeth (die de boordkas beheert) nog wel leuk, maar bij elk volgend klompje (en dat waren er veel) betrok haar gezicht meer en meer. Ook het benzineverbruik baarde haar zorgen, maar er was nergens genoeg wind om te zeilen. In Loenen (het kan ook Breukelen geweest zijn) kregen we een warmloper in het schroefaslager. Dat gebeurde na een wedstrijd met een groot motorjacht, die door Goliath met glans gewonnen werd. Grote golven spoelden daarbij in de achtertuintjes van de Loenense burgerij. Maar uit de kuipbanken begonnen ongure dampen op te stijgen en opeens zat de boel muurvast. Het lager was gloeiend heet.

De Directeur kwam in zijn element. Hij kon zijn voorliefde voor mechanica geheel botvieren. Reusachtige sleutels met hefbomen, drevels en koevoeten werden ter hand genomen, en potten vol glanvet. Dat laatste zat tot op zijn alpinopet toen alles achter de rug was. En daar gingen we weer, Jan Bart, Saskia en Marja in de bijboot erachteraan. Toen kwam het nauwe sluisje met lage vaste brug in de toegang tot het Merwedekanaal. Mast neer, ook de bokkepoten? Halen we het zo? Ja! Nee! Volle kracht achteruit! Getier galmt onder het bruggetje. De uiteinden van de bokkepoten schraapten een kromme lijn in het beton van de brug-onderkant en toen waren we op het Kanaal. Een saai stuk varen. Bij Utrecht waren ze overal nieuwe kanalen aan het graven, we kozen het verkeerde. Toen dat eindelijk doodliep moesten we terug. Je weet dat de schroef linksom draait van achteren gezien. Als je een draai van 180° niet ineens haalt moet je eraan denken dat bij achteruitslaan de kont naar stuurboord trekt, dat helpt als je de draai naar BB maakt. Maar de Directeur draaide naar SB. Het werd uiteindelijk geen U-bocht, maar eerder een soort 8-bocht. Eindeloze uren motoren met de mast neer... Elsbeth keek met lede ogen toe telkens als er weer een jerrycan benzine in de tank moest. Ontelbare binnenschepen maakten vervelende golfslag. Gebrom en getuf in alle toonaarden om ons heen. 1230 door de Beatrixsluizen bij Vreeswijk de Lek op geschut.

Op de rivier plotseling harde wind tegen, met hoge golven. Goliath en de sterke stroom duwden de Wielewaal ertegenin. Buiswater spoot masthoog. Maar dat was van korten duur, want we moesten Vreeswijk binnenlopen. Ja, ik was het, die bij de nu volgende manoeuvre het commando voerde. Plan van den Directeur was in de monding van het oude Merwedekanaal aan te leggen om te ravitailleren. Die manoeuvre had hij me toevertrouwd. ("Je vaart gewoon aan stuurboord de eerste ingang binnen", luidde zijn instructie vanuit de kajuit). Ik meende dus dat het de bedoeling was het kleine oude haventje binnen te varen.
Op de Zuiderzee heb je met stroom niets te maken: als je een haven binnenloopt stuur je middenin het gat. Als er stroom staat ligt de zaak echter anders. En die stond er. In theorie had ik het tijdens de nadering zorgvuldig beredeneerd: er is in de havenmond een neer, een stroom tegengesteld aan die op de rivier. Dus...op het benedenstroomse havenhoofd aanhouden. Maar ook weer niet teveel, anders draait het achterschip teveel weg, naar BB in dit geval. Om alles goed onder controle te hebben moet je goed gang maken. Ik gaf dus gas. Iedereen (behalve Frits en ik) zat in de kajuit aan het middagmaal toen de Wielewaal met een enorme bons met z'n SB berghout tegen het havenhoofd donderde. Daarna nog een dreun, zwakker, toen de kluiverboom tegen het benedenstroomse havenhoofd stiet. Toen de Directeur zijn verwilderde hoofd uit het schuifluik stak, dreven we middenin de kleine havenkom van Vreeswijk. Hij was in de kajuit met stoel en al omgevallen en met zijn hoofd in de open haard beland. De schade aan de romp viel mee: zelfs geen deukje te bespeuren. Maar bij de tweede stoot had de kluiverboom de hele ankerlier van zijn fundering gestoten. De bouten waren alle 6 afgeknapt. Laat diezelfde dag was alles hersteld. Die avond zijn we een stuk stroomaf voor anker gegaan. Ankeren op stroom is ook iets wat je moet leren. Mijn idee was (a) te kijken in de Almanak hoe groot het tij-verschil ter plekke was, (b) de waterdiepte te peilen en (c) na te gaan of we daar rond konden zwaaien als het tij keerde. Aldus geschiedde echter niet. Mijn functie van roerganger was overgenomen door den Directeur en ik stond voorop. Van achteren klonk het commando: val anker! Ik liet het anker vallen. Het bleef vallen. Het was daar ter plaatse wel 20 m diep. Te ver van de kant dus. Hieuwen maar weer. Dichter naar de kant. Daar was het misschien 15 m diep. Ik moest onze hele ketting van 60 m steken voordat het anker hield.
Toen het de volgende ochtend licht werd ontwaarden we dwars van ons, dichtbij, het heerlijkste, meest idyllische aanlegplaatsje dat je je denken kunt, tussen 2 kribben, met een bosje, een weitje, een strandje. Er was zelfs een meerpaal waar we aan hadden kunnen vastmaken.

Die dag de Lek af, de Noord op (of ook af) en voorbij Dordrecht de Oude Maas opgevaren. Toen kon eindelijk de mast weer overend en tot Elsbeths tevredenheid kon Goliath worden stopgezet. Helaas was de wind tegen en de stroom mee was zwak. Maar het is daar een mooi, breed vaarwater en beurtvaart was er niet, dus we konden kruisen.
De bemanning oefende zich, elkaar afwisselend aan het roer. Op het laatst ging het gesmeerd met 2 aan de zwaarden, 1 voorop om de fok bak te houden en 1 aan het roer, totdat de zoveelste slag te ver werd doorgezet tussen twee kribben. Fok bak hielp niet meer. We zaten vast. Het hele repertoire werd afgehandeld: bomen, anker met de sloep uitbrengen en hieuwen, Goliath erbij, maar niets hielp. Uitgeput gingen we eten in de kajuit. Toen we weer aan dek kwamen dreef de Wielewaal gemoedelijk achter zijn anker. Verder.
Van de Oude Maas zeilden we het Spui in, een mooie verlaten kronkelende stroom (saai volgens WFB!), die ongeveer NO-ZW loopt richting Haringvliet. De vloedstroom liep daar al flink tegen. Toen het recht in de wind op ging kruisten we de stroom dood, wat wil zeggen dat we bij elke slag precies even ver kwamen als bij de vorige. Goliath kwam weer ter sprake. Maar zodra het bezeild was zweeg Goliath en de Wielewaal bruiste tegen de stroom in dat het een aard had, want het woei vrij hard. Toen het daarna weer een kruisrak werd moesten we ankeren: Goliath was ermee uitgescheeën. Benzine op. Dichtbij de wal, in ongeveer 4 m water lieten we het anker vallen. Maar hoeveel ketting we ook staken, het bleef krabben. Tot het bittere eind. Toen lagen we met het roer angstig dicht bij de andere wal. Ik peilde met het dieplood: 35 m! en dat in zo'n smal geultje, smaller dan de Amstel. Met stilwater kregen we het anker met vereende krachten weer binnen. Het was van de steile kant afgegleden en tot middenin de geul gekrabd.

Steeds maar kruisen. De stroom mee werd ondertussen steeds sterker. Met het invallen van de duisternis ankerden we opnieuw, niet ver van de monding van het Spui. In de verte zag je de gloed van Pernis en in de richting van het Haringvliet een paar lichtjes van boeien en vuurtorens. De volgende morgen welgemoed weer onderweg, kruisende met de ebstroom mee. Die liep daar geweldig sterk. Het is een vreemd gevoel tijdens het overstag gaan met grote snelheid door te varen en daarna zowat dwars weg te drijven bij de volgende slag. Bij zo'n slag naderden we een zwarte ton die de BB-kant (van onze kant gezien) van het vaarwater markeerde. Ik stond helaas weer aan het roer. Wat een rustige, routinematige wending zou worden werd bijna een ramp. De ton, een spitse, van ijzer, zeker anderhalve meter in doorsnede, met een gemene staak erop, naderde onverwachts snel. Frits en Hannes grepen pikhaak en vaarboom - te laat. Bovendien zinloos. De directeur, op het voordek, met grote tegenwoordigheid van geest, griste ergens een kurkezak vandaan. Die brak de 7-mijls klap enigszins, maar de 'Wielewaal' was niet te stuiten en voer over de ton heen. Een hol, onheilspellend geronkel begon voor onder de kop en kwam dreigend naar achteren. De sloep! flitste door me heen. Saskia zat daarin met haar vislijntje. Al wat ik kon doen was brullen 'Hou je vast!' en daar floepte de ton onder het schip vandaan, vlak naast het sloepje. Het ding vloog een volle meter boven water uit en plonsde toen weer terug. De enige schade was de verspeelde vislijn van Saskia. Dat was mijn aanvaring no. 2. We kruisten door. Toen we het ruime water van het Haringvliet naderden woei de zilte zeelucht ons tegemoet. Er stonden daar behoorlijke zeetjes. De stroom dreef de Wielewaal daartegenin. Het buiswater vloog zo hoog als de gaffel. Dat was pas zeilen! Iets opwindenders bestaat er niet.

Ons doel was Hellevoetsluis. We waren er in weinige uren. In de buitenhaven meerden we langszij een marineschip. Toen we nauwelijks vast lagen kwam een andere motortorpedoboot of zoiets met flinke gang voorbij. In de enorme zuiging braken beide landvasten. Frits en ik trachtten het te houden met de pikhaak, maar die werd onweerstaanbaar uit onze handen getrokken. Toen maakte de Directeur met de zware sleeptros, die gelukkig keurig opgeschoten op het voordek lag, de worp van zijn leven. Die werd door de marinemensen keurig opgevangen en vastgezet. De Directeur had de rest van de tocht last van zijn verrekte schouder. Het journaal meldt: Hellevoetsluis: een verlaten stadje. Geen drinkwater, geen scheepsbenodigdheden.  Na benzine halen met de bijboot zijn we later die dag met de vloed weer het Haringvliet opgevaren. De wind was nog krachtig. Je had die tonnen voorbij moeten zien stuiven! Een grote vliegboot daalde niet ver van ons af. Een machtig gezicht. Door het Ventjagersgaatje bereikten we het Volkerrak met zijn drukke scheepvaart. Daar kregen we de stroom weer tegen. Bij Ooltgensplaat werd geankerd om te wachten op de kentering, en tevens gezwommen en gegeten. De wind nam geleidelijk af in kracht en het klaarde zienderogen op.
Daarna ankerop en het Volkerak af. Die avond ankerden we in de Steenbergsche Vliet, een kreek die via een kronkelende betonde geul te bereiken was. Toen we daar lagen kochten we van een paar vissers voor een gulden een puts lekkere ondermaatse bot. Elsbeth maakte samen met ons (Frits & ik) een late avondwandeling over de drooggevallen platen.De volgende dag, dinsdag 30/7, stelden enkelen voor hier nog een tij te blijven liggen. De Directeur ging hier niet op in. Slik en riet verveelden hem, kregen wij te horen. Om 8 uur was hij aan dek samen met Marja. De rest bleef maffen. Met hulp van Elsbeth en Johannes, die later verschenen, werd de boot klaargemaakt. Wind W, laagwater. Enorme drukte op de Krammer, dus varen op de motor. Die kon pas gestopt bij Zype. Mooi & snel gezeild naar Zierikzee. Onderweg vatte de Directeur het plan op de zeilende Wielewaal te gaan filmen uit de bijboot. Hij in de vlet, vergezeld van Elsbeth met camera. Terwijl hij in de wind oproeide smeten wij het bij de wind en wachtten af. Daar kwam het sein. In perfecte orde werd door de bemanning gereageerd en model werden de wendingen uitgevoerd. Zwaardvallen werden terstond opgeschoten. Hannes wilde er zelfs pannekoeken van maken. Keurig strak, vol en bij stonden de zeilen. We zeilden langs het dobberende sloepje en maakten een volmaakte slag. Met bevrijde zuchten werden de schoten opgevierd. Sigaretten werden opgestoken en pijpen aangestoken die waren uitgegaan. Het geschiedde allemaal heel snel. De Directeur wilde aan lij contact nemen; ik wou langszij een opschieter maken. Twee man grepen een kurkezak, dezelfde, en lieten deze tegelijk weer los. Grepen toen tegelijk dezelfde haak. Een bovenmenselijke poging werd nog gedaan de klap af te weren met een riem – gekraak, gevloek. Gelukkig alleen het stootlijstje een beetje kapot. De riem werd later nog opgevist. De alpinopet was jammer genoeg al gezonken. Dat was aanvaring no. 3. Mijn zeil-reputatie ontving daarmee de genadeslag.

Geluncht in de Buitenhaven van Zierikzee. Naar het stadje gemotord om drinkwater: niet te krijgen vóór ‘s avonds half 8! Om 1800 uur bij H.W. de haven uit en in de Roompot kruisen met ebstoom mee. Tonnen, tonnen en nog eens tonnen. Voorbij Onrustplaat rondden we de ton bij de ingang van het Veersche Gat. Toen werden de schoten geruimd, maar o wee, wat liep die ebstroom hard! Veel meer dan ronden deden we die ton niet. Hij bleef naast ons. Goliath moest helpen. In ‘t stikkeduister getracht te ankeren bij Vrouwepolder: onmogelijk, veel te diep. We trachtten met de kop tegen de wal te ankeren, maar iemand seinde vanaf de wal S.O.S. De Directeur greep de zaklantaarn en seinde terug: A.A.P. (de enige letters die hij kende). Het seinen van de wal hield op. We voeren dus door, motor 1300 toeren, tegen de stroom in. Een paar honderd m voor de haven van Veere pft..., benzine op. De wind was gaan liggen, dus Goliath had het helemaal alleen moeten doen. Ankerden in 3,3 m met 15 m ketting. Heerlijk rustig overnacht.

Woensdag 31/7, de 'Wielewaal' bleek ‘s ochtends ver buiten de betonde geul te liggen, vlak naast een zandplaat. Wind was er niet, dus gingen Frits & ik er met de vlet op uit om benzine te kopen. Heen ging met de stroom mee buitengewoon voorspoedig. Terug, hm. Daarna opgetord naar de sluis. Erdoor en binnen gemeerd. De Grote Kerk gaan bekijken. Een aardig meneertje bezwoer den Directeur dat zijn vrouw zo’n zacht huidje had (ondanks 43 jaar getrouwd!) omdat ze zich alleen met regenwater waste. Koffie en koppen soep in de Stadsherberg. Hier vernamen wij dat de ankerplaats bij Vrouwenpolder niet meer bestond en door Rijkswaterstaat ten behoeve van de Deltawerken was volgestort met betonblokken. De S.O.S.-seiner heeft ons dus voor een kleine ramp behoed. Daarna weer onderweg. In Middelburg nog 50l bijgetankt. In Vlissingen lang wachten op een rotbrug, daarna meteen de zee op. Het was inmiddels mooi weer geworden, met NO wind. Talloze enorme stoomschepen voeren af en aan.
Wij overgestoken langs de 'Mercator' (het Belgische zeilende trainingsschip) met torenhoge masten, die daar voor anker lag. Hij beantwoordde ons saluut met de vlag heel correct (wat hem geraden was). We salueerden hem alleen uit waardering voor het mooie schip: een buitenlands schip salueer je vanzelfsprekend niet in Nederlandse wateren. Voor de wind stoven we de haven van Breskens binnen. Daar lagen de jachten 6 rijen dik, dus de stoptros gebruiken was te riskant (het waren voor het grootste deel motorboten). Dus snel Goliath te hulp geroepen. Het angstzweet moet velen in de haven zijn uitgebroken voordat we veilig en wel gemeerd lagen. Breskens is mooi!

Donderdag 1/8, om 0930 de haven uit en met de eb mee gezeild langs de Belgische kust tot bij Blankenberghe. Een prachtige tocht, met zon, wind en doorzichtig groen water met spierwit schuim. Daarna een lange slag de zee op en daarna hoog aan de wind terug. De golven waren lang en plezierig. Met vloed mee de Westerschelde op. Wind nu ± NW. We zouden ons laten droogvallen op een plaat in het Slaak (het restant van de geul tussen Walcheren en Z.Beveland). Helaas: geen mooi solide zand, maar we vielen droog in stinkende borrelende modder. Toen de 3 vrouwspersonen die in de bijboot zaten aan boord wilden komen was goede raad duur: lopen in de prut was onmogelijk, je zakte erin tot je kruis en bleef daarna wegzakken. Het piekeval werd losgenomen, overgeworpen en aan de vanglijn geknoopt. De Directeur hieuwde aan de vallenlier. Toen de spanning haast ondragelijk was kwam er waarachtig beweging in, en de vlet gleed met inhoud en al door de smurrie in de richting van de Wielewaal. De geestdrift bekoelde toen bleek dat samen met het piekeval ook het klauwval was opgewonden, waardoor een grote scheur in het grootzeil was ontstaan.

Vrijdag 2/8, terug naar Vlissingen. De enige zeilmaker die niet met vacantie was, was dronken (om 10 uur al), maar zeer terwille. Werken wou hij niet, maar bood ons zijn bootje te leen om naar Breskens te varen. “‘t Is een best schuutje, alleen doet de conservateur het niet zo best.” Wij daarom maar met 2 reven in het gescheurde grootzeil naar Breskens overgestoken. Daar werd bij Erasmus aan de haven voor f14,50 de schade aan het grootzeil hersteld, prima werk. Bovendien 3 kg manilla gekocht (= ± 15 m). Daarna weer overgestoken naar Vlissingen. Lekker gemaft in de Belgische jachthaven.

Zaterdag 3/8, buiten Walcheren om naar de Oosterschelde. Een vrij harde NO wind en aanvankelijk sterke stroom mee. Helaas te laat vertrokken, wegens bezoek van Frits & mij aan de De Ruyter tentoonstelling. Daardoor kregen we voorbij Westkapelle, waar de kust naar het NO ombuigt, al gauw de stroom tegen. Hoge zeeën, de Wielewaal stak keer op keer zijn kluiverboom onder, maar aan dek kwam alleen buiswater. Saskia zat gillend van plezier op het voordek, maar Elsbeth, die met de 2 meisjes in kapokken zwemvestjes in de kuip zat, werd bang.Anderhalf uur gebokst. Ondanks hulp van Goliath werd bijna geen voortgang gemaakt. Steeds raasde de schroef boven water. Zeeziekte en angst bij enkelen. Dus rechtsomkeert, met ruime wind, stroom nu tegen. ‘s Avonds weer terug in Vlissingen. Geschut en binnen de sluis overnacht.

Zondag 4/8, door het kanaal terug naar Veere. Voor de sluis is aan bakboord een jachthaven. Daar lag het beroemde scherpe jacht 'Orca', smetteloos wit. Wij langszij. Ondanks de vele kurkezakken die uitgebracht waren kreeg de 'Orca' een kras. Toen door de Zandkreek, tussen N- en Z-Beveland, een mooi stil vaarwater, waar je bij vloed op het niveau van de weilanden zeilt. ;In de Oosterschelde zijn talloze fraaie zandplaten. Het oude plan om het schip te laten droogvallen kwam weer op. Toen alle voors en tegens waren afgewogen was de eb al bijna verstreken. Het schip werd in de Krabbenkreek dichtbij het gat van Schelphoek met de kop op een plaat gezet.
Het voorschip kwam 10 cm omhoog, het achterschip bleef drijven. Lange wandelingen over de plaat gemaakt en een aardig maaltje alikruken verzameld. Toen door naar Burgsluis, de haven van Haamstede op Schouwen. Het binnenvaren ging als vanouds. Wind ruimschoots, een zwak briesje; stroom: bijna geen. Havenmond: wijd; de haven: groot en bijna leeg. Een halve km vóór de ingang klonk het commando: Grootzeil weg. Voetje voor voetje naderde de Wielewaal de kade, alle hens aan de pal van de fokkelier, in gespannen afwachting van het bevel: Fok weg.

De Directeur overzag de situatie in de haven met één oogopslag. Hoog aan de wind onder fok naderden we de kade. Fok weg! Haak klaar! Maar het was al niet meer nodig: de 'Wielewaal' zat aan de grond. Boom erbij! Goliath werd aangeslagen en woelde alle prut in de hele haven omhoog. Op een jacht dat daar al lag waren ze net aan het zwemmen. Toen zijn we maar aan het andere end van de haven gaan liggen, langszij een vaderlijke garnalenvisser. De fiets van Hannes kwam nu goed van pas: de Directeur ging met Elsbeth achterop het slot Haamstede en de zonsondergang bezichtigen. Onderwijl verzorgde de bemanning het avondeten.Maandag 5/8, om 7 uur op & uitgevaren en met de na-vloed langs Zierikzee de Oosterschelde opgekruist. In de Krabbenkreek ten anker en de eb laten betijen. Onderwijl gezwommen en geschiemand. Om 1700 weer onder zeil. Mooie nachtelijke zeiltocht bij zwakke O-wind. Gepuzzel om boeien en lichten te herkennen op onze kaart van vorig jaar. Bij Zype kenterde het tij. Later sterke vloedstroom in de rug. We trachtten tussen de rooie lichtboeien aan BB en de witte aan SB in te blijven. De Wielewaal zeilde onder fok & grootzeil. Hannes aan het roer, Frits fokkemaat en uitkijk. Ik, in de kajuit, navigeerde.

Naarmate de Krammer naar het Z boog ruimde de wind en bleef dus pal tegen. Het idee de Steenbergse Vliet binnen te lopen werd terecht verworpen, gezien de duisternis. Het was enerverend varen in aanwakkerende wind, vooral toen een groot schip met blauw rondschijnend licht ons achteropkwam. Bij een wending rolde arme Marja uit haar kooi. Om 2245 bijna boei Noord Vlije 3 aangevaren. Gebrul: Vallen! Bakboord! Overstag! Desondanks de boei net gemist. 23.30 (±) Dintelsas binnengelopen op de motor. Een wijde haven. Gemeerd buiten de sluis aan het NO-remmingswerk. Rijzing bij doodtij volgens de Almanak 2,10 m, dus we hoefden niet bang te zijn droog te vallen (het is hier ± 4 m diep). Het schip vastgemaakt met lange landvasten.

Dinsdag 6/8, wind ZW met motregen. Van Dintelsas naar Dordrecht met stop in Willemstad, met vloed (en nu dus ook de wind) mee. Vreselijke drukte van zware vrachtschepen. In Willemstad weer eens gemodderd bij het meren. Aldaar het graf bezocht van onzen voorvader Arie van der Hoog (1752 – 1840), ooit burgemeester van dat stadje. In Dordrecht gemeerd in de jachthaven. De 'Wielewaal' kreeg hier een nieuwe vleugel. Hier ontscheepten wij (Frits Cohen, Johannes en ik) ons met hobbelaars en wel. De Directeur met Elsbeth en de kinderen, plus Dr Solco Tromp en familie, die aldaar stonden te wachten, gingen door naar de Biesbosch.

Dit, beste Ben & Ka, was het relaas van een mooie en afwisselende zeilpartij op de Zeeuwse Stromen. Leerzaam en zeer nuttig ook voor het ontnuchteren van eigenwaan. De waarde van theorie is betrekkelijk, en die van ervaring onvervangbaar gebleken.
Met de beste wensen & tot ziens. Hidde

Lees meer

Opmerkingen van Ewoud Bon

Varen op de motor. Denk er in ‘s hemelsnaam aan: Met linksdraaiende schroef is een U-bocht naar SB die je niet haalt in één keer onmogelijk te maken met achteruitslaan. Dus: vooral niet volgas vooruit, maar heel langzaam draaien en heel bedaard de vaarboom gebruiken. Nooit woest schakelen vooruit-achteruit: Je kunt met de schroef niet alles doen. Als je met wind achter onder motor vaart, niet op de achteruit vertrouwen. Sterke stoptros klaarhouden op het voordek, buiten het want om naar achteren.

Zeilen tussen de groene walletjes. Met Noordenwind de Vecht opzeilen. Met staande mast kan je tot bij Utrecht komen. Hier en daar zal gekruist moeten worden, maar dat kan de Wielewaal best, mits er voldoende wind is (en die is er meestal niet door al het geboomte langs de kant). Het beste is in de middag van Muiden te vertrekken, of van Uitermeer. Na 8 uur ‘s avonds gaan veel bruggen niet meer open. Een aantal guldens en sigaren zijn vaak nuttig. En ergens op een mooi plekje overnachten.

We lagen een keer met harde wind in Staveren, op weg naar de Wadden. Staveren is het gat der gaten. We dachten erover binnendoor via Leeuwarden naar Harlingen te gaan. Waarom hebben we het niet gedaan? Het is een heel eind om. Voor de wind (of liever storm) is het heel kalm en plezierig zeilen voor de fok. Makkelijk sturen, maar owee als je bij moet draaien! Het is zaak het grootzeil dicht gereefd klaar te hebben.

De havenmond van Harlingen b.v. heeft een scherpe draai bij het invaren. Als je met een harde Zuidwester van Kornwerderzand aan komt varen moet je een halve draai naar SB maken. We deden het op de motor, maar bij dwarszees komen slingerde de 'Wielewaal' zo verschrikkelijk dat Elsbeth een klap van een los bungelende mot van het grootzeil kreeg, dat met giek en al heen en weer smakte.

We hadden die giek beter op het kajuitdak moeten vastsjorren, maar dan wordt de bewegingsvrijheid in de kuip erg belemmerd. Hoe zou dat binnenlopen zonder motor zijn gegaan? Ik weet niet of tussen de pieren genoeg ruimte is om een paar slagen te maken. Als ik me goed herinner was de situatie zo, dat je na die draai een stukje in zuidelijke richting moet en dan naar O afbuigen. In de eerste plaats zeker zijn dat geen grote schepen naar binnen of naar buiten varen. Dan is natuurlijk een anker klaar hebben een eerste vereiste. En alles moet klaar zijn voor razend snel manoeuvreren. Op ruime afstand van de havenmond fok en grootzeil strak schoten, beide bakstagen vastzetten op het voorste oog, beide zwaarden erin, iemand op het voordek om fok bak te houden en dan het beste ervan hopen. Als de stroom om de N loopt zal het niet meevallen. Maar vroeger deden alle beurtvaarders het toch maar.

Grote moeilijkheden levert vaak het meren op wanneer het schip de steiger of remming nadert voor de wind.
Vroeger waren remmingen bij sluizen en bruggen zo lang dat schepen voor de wind konden worden afgestopt, maar tegenwoordig is dat nergens meer zo. Neem b.v. de brug over de Vecht van Rijksweg no.1 bij Muiden. Deze brug wipt meestal pas na lang wachten. De remming is misschien 20 m lang. Toch was het mogelijk ook hier af te stoppen. We naderen die brug uit het Z met harde ZW wind. Minstens 200 m voor de brug zijn alle zeilen gestreken, maar nog loopt het schip minstens 3 knopen. Met krabbend anker achter afremmen? Er liggen kabels. Een zware tros is klaargemaakt, de lus voorop, de tros buiten het want om naar achteren. Sturen naar BB remming (zwaard natuurlijk op). Man voorop stapt over op remming en belegt lus om de eerste meerpaal (in geen geval een lasso-worp proberen, want 1 x missen kost je je mast!). Stuurman laat helmstok los, palmt de tros in en neemt torn op achterbolder zodra de meerpaal dwars van hem is en stop het schip met slippende torn. Tegelijk maakt de voordekgast verbinding met de remming.
E.H. Bon

"Tussen de tonnen blijven"

Een stukje, gemaakt na afloop van een tocht met de lemsteraak 'Wielewaal' op de Waddenzee in 1958

We kruisen door de Westmeep in de richting van West-Terschelling. Het is wind tegen en stroom mee, hard tegen hard. We maken fijne, lange slagen. De Wielewaal ligt goed op het roer onder gereefd grootzeil en de volle fok. Mijn zus Saskia, 17 jaar, en broer Jan Bart (16) staan beiden op het voordek, nat en huiverend van het buizen en de wind, maar vol geestdrift, in de felle zon.
Hard gaat het! Beide bakstagen staan strak doorgezet met de takels op het voorste oog, zodat ze de giek voldoende vrij laten. Daar hoeft niemand zich om te bekommeren. Het zijn de zwaarden en de fok die de aandacht van de bemanning opeisen. Ik hoef alleen maar te sturen en tijdens de wendingen de grootschoot door te halen, opdat het blok niet slaat.
De kop van de Lemsteraak botst in de korte nijdige golven, heeft de tijd niet zich op te richten, boort zich erdoor, de golven verstuivend tot een constante fijne regen. Het onderlijk van de fok glimt in de zon, telkens als het heen en weer flapt. Bruisend gaat het zwaard erdoor. Wind slaat neer op het water onder de giek. Een ton: scheefhangend trekt hij een zog door het water, vruchteloos nee, nee schuddend. Allemachtig, wat gaan we hard ! Waar is de volgende ton? schreeuw ik naar voren. Dáár! antwoordt Jan Bart, die de beste ogen heeft. Potverdrie, dan zijn we een heel stuk buiten de geul. Neer dat roer! Zwaard erin! Nee, geen nood: het is diep zat.
Voort rennen we weer, terwijl Jan Bart het loefzwaard ophaalt. Saskia heeft weer aan lij postgevat bij de fokkeschoot. Nu zijn we aan de andere kant van de geul. Waar zijn de tonnen? Ginds, vooruit is er één, maar waar is de voorafgaande? O, dan kunnen we nog een end doorzetten over deze boeg. Nu zijn we op de grens van de geul ongeveer, nee, er al over! Maar er is geen schuimstreep hier, dus neem ik aan dat het ook diep is buiten de betonning. 

Jan Bart is de eerste die het ziet: – 't Is ondiep! Met alle kracht duw ik de helmstok naar lij. We draaien, maar tijdens de wending gaat onnatuurlijk snel de vaart eruit. Het zwaard komt knersend in het zand omhoog. Ik zie de bodem met golfribbels en schelpen vlak onder het roer. Achter het schip kolkt opgewoeld zand. We liggen stil. Zwaar slaat het grootzeil. Maar de fok staat vol, bakgehouden door Saskia met een torn op het bakboordwant. Een spannend moment. Langzaam, heel langzaam draait de kop door de wind. Hij gaat! Het grootzeil vult zich over stuurboord, het schip helt over en vrij zijn we Vader Wim had ondertussen onderdeks een dutje gedaan, vertrouwend op mijn zeemanschap. Nu steekt zijn hoofd door het schuifluik - hij kijkt rond - begrijpt. "Tussen de tonnen blijven", vermaant hij.

Lees meer

De motor

 

Een advertentie uit 1934 uit Motorboating, waarin reclame gemaakt wordt voor de Ford Scripps V8. Scripps uit Detroit was de eerste motorenfabrikant, die een V8 motor produceerde. Een motortype dat in de VS nog altijd populair is voor allerlei toepassingen. Ze blinken niet uit qua energiezuinigheid. Scripps was de eerste motoren fabriek die een motor leverde voor een trans-Atlantische oversteek van een pleziervaartuig in 1912. De motor draaide toen 5000 uur continue.

Herinnering Ewoud Bon (7 juni 2016): Een oude brief van mijn zuster Saskia uit 1959

Toen ik je mail ontving las ik toevallig een oude brief van mijn zuster Saskia uit 1959 (ze was toen 16 en ik zat voor mijn werk in Brazilië).
Ik citeer:
…toen hebben we gezeild. Elsbeth, Jotie, Marja waren mee met Pappie, Jan Bart, Hans en ik. We vertrokken uit Dalfsen in Overijsel. Gauw naar zee. Schokkerhaven, ongezellig gat. Hier is Pappie van de loopplank gekukeld. Hij verdween wel 2 meter onder water tussen de steiger en de boot. God, wat bleef hij lang onder. Maar hij kwam boven met zijn pijp nog in zijn mond, bril op, lachend. Het eerste waar hij naar keek was of zijn tabak nog droog was. Ja hoor! Van Schokkerhaven naar Urk, bijna windstil en heiig. Maar Urk is heel leuk, vind je ook niet? De vloot voer net uit. Ik heb ze geteld: 58 kotters! Er was ontzettende drukte. Ze zouden een week naar de Noordzee gaan.
Nog dezelfde dag naar Enkhuizen, want de wind was aangewakkerd tot krachtig. Het ging heel fijn en hard. Maar voor Enkhuizen was er wat opwinding door al de veranderingen met dijken en boeien, maar het lukte, met veel vloeken en stom gedoe van ons. Bij het overstag gaan sloeg het fokkeblok steeds de pal van de lier eraf en daardoor vloog de fok naar beneden. De pal was versleten en het tandrad daardoor ook, daardoor kwam het. Later ook nog moeilijkheden ermee.

De volgende dag (28 Juli) gingen we weg met 1 rif in het grootzeil, want het was stormwind 6-7 en stormwaarschuwing voor de scheepvaart. Maar we trokken ons er lekker niets van aan en voeren naar Medemblik, vlak om de hoek. God zeg dat was een fijn tochtje, we stoven over het water. Ik heb de hele weg gestuurd. Medemblik is sloom nogal, en vertrokken we om zeven uur ’s avonds naar het Noorden en we hadden wind dwars, nog steeds krachtig. Om half 10 kwamen we in Den Oever. Deze keer stuurde ik weer helemaal en Jan Bart (15)  zorgde voor de navigatie. Pappie hield rust. De eindmanoevres lukken altijd goed als Pappie er zich niet mee bemoeit. Gek is dat. Nou de volgende dag ’s middags gingen we het zoute water op. Mieters is dat schuim hè?. We zetten koers naar Oude Schild op Texel. Me stroom mee ging dat prachtig. Met matige wind achter deden we het in 4 uur! Ik vind Texel onsympathiek, ja, een rommelige haven en verschrikkelijk veel moffen. 1 dag rust.

31 Juli, de volgende dag gingen we naar Harlingen, steeds met 1 rif. Dat was een spannende tocht, want we hadden in een geul stroom mee en de wind tegen. We moesten kruisen van rooie tonnen naar zwarte tonnen, nummers opnemen en uitwijken voor veel vissersboten die ons gewoon negeerden. Pappie deed ditmaal de navigatie en Jan Bart, Hans en ik hadden de stuurtijd verdeeld, ieder 2 uur. Het kwam net uit. In 6 uur hadden we Harlingen bereikt. Het laatste stuk hebben we gewoon over de banken heengevaren, de Zwanenbalgen, steeds peilen. We voeren met volle zeilen de haven in, in de wind op, zeilen neer en naar binnen getuft. Harlingen is altijd een leuke stad druk en welvarend. Elke avond zit Pappie hard na te denken over stromingen en wanneer we weg moeten. 

Volgende dag naar Terschelling! We hebben maar de gewone route genomen. Vertrokken om 6 uur ’s ochtends met ontzettend harde wind en 3 km harde stroom. We hadden 2 reven in het zeil en 1 in de fok. Al de andere schepen die van plan waren naar Terschelling te gaan bleven liggen tot beter weer. Ondanks de protesten van Elsbeth zijn we gegaan. Ewoud, dit was een tocht voor jou geweest zeg! Eerst ging het nog wel in de Vliestroom, maar toen kwamen de Noordzeegolven aanrollen door het Stortemelk met Noordwester storm. Maar de Wielwaal hield zich prima Ze zeilde als een bezetene over alles heen Je kon merken dat ze er plezier in kreeg in die hoge golven.

Maar ze kreeg het nog zwaarder. Er konden n.l. niet binnendoor naar Terschelling, want daar is de boel verzand. We moesten dus Dwars door het Stortemelk met wind en golven tegen en stroom achter! Het ging hoor, zonder ongelukken, alleen een reddingslicht verloren. De golven waren wel tot 4 meter hoog geloof ik. We kwamen zo te liggen en daarbij moesten we nog naar lichtboeien kijken en nog kruisen. We konden niet ankeren als dat nodig zou zijn, want het is daar wel 40 meter diep. Het was even angstig. Ik lag voorop om de zwaarden en de fok te bedienen, kletsnat en zout. Mijn handen waren spierwit en paars met ribbels van het water. Soms glee ik, terwijl ik lag op het voordek, gewoon naar achteren. Maar weet je, geen één keer is er groen water aan dek gekomen, alleen buis. Ik zei in mezelf als het wat té gek werd: Wielewaal, ik vertrouw op je, je houdt het. En dan wist ik zeker dat ze het zou houden. Het is net of het schip leeft onder je, hè? Het is een mieterse fijne schuit dat weet ik nu. Eerst wou ik dat Pappie hem verkocht, want dan zou hij paarden kopen. Maar nu moet Pappie hem houden, vind ik. En ik geloof ook dat jij hem niet weg wil doen voor paarden.

Op Terschelling zijn we anderhalve dag gebleven en aan de rechterkant van de haven drooggevallen. Helemaal op het zand lagen we! Meteen boenen om alle roestdruipen eraf te krijgen We hebben de beroemde zeesleper eigenaar Doeksen aan boord gehad! Ja, hij wou hem graag kopen, schijnt het. Aardige vent. 

De weg terug was nogal sloom. Het was een veel te korte tocht, want Elsbeth moest met de kinderen alweer naar Duitsland. We zeiden ga dan van boord hier in Harlingen en verder met de trein, maar dat wou ze niet, want dat kostte zoveel geld!! Nou ja, en toen zijn me maar weer teruggegaan. 
We haalden Kornwerderzand - Muiden in 1 dag. Het is stampvol in Muiden met allemaal buitenlandse jachten…

Dat was het. Saskia is in 2016 73 jaar geworden! 

Lees meer

Herinnering Ewoud Bon (6 oktober 2016): Brief aan oude zeilmakker Ben van Ruth

In oude paperassen vond ik deze brief van mijn hand aan oude zeilmakker Ben van Ruth:
"Het is jammer dat jij geen van de beide keren dat de 'Wielewaal' de haven van Muiden is binnen gekruist hebt meegemaakt. De tweede keer moest ik, als zijnde de schipper, na afloop door mijn bemanning met jenever over de gevolgen van de inspanning en de zenuwinzinking worden heen geholpen. Zij hoefden tijdens dat rak alleen maar 88 x de fok bak te houden. Er was een frisse Zuidenwind en voor de ingang van de monding van de Vecht wilde de motor niet starten. De eerste keer dat een dergelijk voorval had plaats gevonden was mijn vader de gezagvoerder. Hij had toegestemd met mijn voorstel de haven binnen te kruisen. Hij had vroeger het jacht van zijn vader, de houten Workumer aak 'Rob', de haven van Muiden naar buiten zien kruisen en meende dat de 'Wielewaal' dat ook wel zou kunnen. 

Je kent de situatie van de jachthaven nog wel. Tot de laatste wending bij punt A ging alles gesmeerd. Ik meende de laatste slag voor de haven van de Koninklijke A-B flink lang te maken, profiterend van de ruimte vóór de steigers. Maar bij punt B zonk de moed mij in de laarzen. Door een vlaag had de Wielewaal een behoorlijke vaart gekregen en ik was er zeker van dat de wending bij B ging mislukken en dat de boeg onweerstaanbaar de kont van de Piet Hein zou inbeuken. In een flits zag ik repercussies van die dreun op hoog niveau: frontpagina artikelen ('Piet Hein' op zijn ligplaats tot zinken gebracht door onverantwoordelijke zeiler. De heer B. te A. voor de raad van de Scheepvaart etc). Jij bent de enige persoon aan wie ik de vreselijkste zenuwpaniek van mijn zeilersloopbaan, die ik toen heb doorstaan, durf deelachtig maken.

Je weet hoe langzaam, maar ook hoe onweerstaanbaar de 'Wielewaal' draait. Gedurende die wending, nadat mijn mond het fatale ”Ree!” had uitgestoten, hield ik geparalyseerd de helmstok aan lij, de blik strak op die vermaledijde kont van de P.H. gevestigd, niet in staat iets te doen om de onherroepelijke calamiteit af te wenden. Niemand van de aanwezigen, aan boord noch aan de wal, heeft echter iets gemerkt.

Lees meer

Maar ik beschouw het als een onbegrijpelijke maar boven alle lof verheven daad van de Wielewaal zelf dat die wending zo goed verliep. Die goeie ouwe schuit moet het gevoeld hebben. Hij draaide als een tol, op de plaats zelf. De rest was voor mij een anticlimax, hoewel de manoeuvre om na de laatste wending bij C aan lij van het motorjacht 'Louise' aan de steiger te gaan liggen alom geprezen werd. De bemanning raakte even in paniek toen de kluiverboom zich richtte op de grote spiegelruiten van genoemd motorjacht, Maar er was niets aan de hand. Het gelijktijdig strijken van de fok (Goddank dat de lier deze keer niet klemde) en het opvieren van de grootschoot; het laten ophalen van het SB zwaard en het geleidelijk de helmstok aan lij brengen deden het hem. Er kwam zelfs geen pikhaak aan te pas.”

 

Deze manoeuvre heeft Hidde Bon in een stripverhaal verwerkt (bijlage).
 

Hoe gaat het met die goeie schuit? Mooie dingen beleefd afgelopen zomer? Ja, bij mij komen af en toe nostalgische gevoelens boven.
Het beste en groet van Ewoud

Tekening Dr W.F. Bon winter 1956 - 1957 Ankeveen 

"Het is een mieterse fijne schuit dat weet ik nu"

Saskia Bon

Hoofdstuk 5 - Vierde eigenaar J. Hoving

1960 - 1973

Middenpagina uit de Waterkampioen 1966 blz 108/109. De tekst in de foto is: Dit is het Lemsteraakjacht 'Margaretha' van J.Hoving uit Amsterdam, gefotografeerd tijdens wedstrijden op het IJsselmeer. Links op de achtergrond de toren van Ransdorp (foto Oppenheim)

1960 - 1973 'Margaretha', eigenaar J. Hoving te Aalsmeerderbrug
Lid van: Zeilvereniging Het IJ
Ligplaats: ’s zomers Durgerdam
’s winters voor de ouderlijke woning aan de Aalsmeerderdijk
te Aalsmeerderbrug

Margriet Hoving schrijft in 2014 het volgende over de 'Margaretha' en haar ouders: “Helaas zijn vader en moeder al een tijd geleden overleden, maar zij hebben met ons vele jaren genoten van de zeiltochten op het IJsselmeer, de Wadden en zelfs naar Denemarken. Mijn ouders zijn altijd zeilers geweest, begonnen met een klein kielzeiljachtje om op de plassen te varen, maar in 1960 de Lemmeraak gekocht om op groter water te varen. Ligplaats Durgerdam. De naam van het schip werd 'Margaretha', omdat mijn moeder zo heette.
Mijn vader heeft veel aan de Lemmeraak gedaan om de staat van het schip goed te houden. Ook zijn er op het IJsselmeer en de Waddenzee wedstrijden gevaren. Mijn vader was eigenaar van een meubelbedrijf in Amsterdam, maar moest door gezondheidsproblemen helaas de Lemmeraak verruilen voor een minder bewerkelijk zeilschip”.

Wanneer je de foto’s uit het familiearchief van de familie Hoving bekijkt en je legt de overleveringen van zowel Ewoud Bon als Margriet Hoving en Jack Alsema ernaast, dan kun je niet anders concluderen dan dat Joop Hoving veel in het schip heeft geïnvesteerd. 

Joop heeft het tuigplan aangepast, zoals Ewoud zijn vader ook al geadviseerd had. Het grootzeil is smaller geworden. Giek en gaffel zijn ingekort. Hij heeft de Ford Scripps motor vervangen door een Hanomag diesel. Hij heeft de kielbalk aangepast zodat er een koelsysteem in opgenomen werd en hij heeft de Zeeduivel op het roer gemaakt en geplaatst en de besturing met helmhout heeft hij veranderd in een besturing met stuurwiel.
Jan Alsema heeft deze later vervangen door een groter exemplaar. Het oude stuurwiel is nog altijd in bezit van de familie Alsema.

Familiearchief Hoving

De 'Margaretha' onder het oude tuig met een rif in het grootzeil met zeilnummer OB17. In 1965 is het KNWV begonnen met nieuwe lettercombinaties in het zeil. Foto G.L.W. Oppenheim 1966 (Collectie Hoving)

De 'Margaretha' onder een nieuw tuig met het nieuwe zeilnummer VB17. De giek en gaffel zijn ingekort. Het grootzeil is smaller geworden. Foto Dutilh 1968 (1068-12) (Collectie Hoving)

De al eerder gememoreerde Ford Scripps motor was gedeeltelijk ingebouwd onder de kuipvloer. Op het moment dat de Hanomag in gebouwd werd, bleek dat deze veel groter was. Er is toen voor gekozen om de motor verder naar voren te plaatsen grotendeels in de kajuit. Een grote gecapitonneerde kist zit er omheen gebouwd. De motorkoeling werd gedaan met een koelelement die op de huid was gemonteerd. Blijkbaar functioneerde dit niet goed. Onder de kielbalk is daarna een gesloten systeem gelast met een grotere capaciteit. Dit zal ongetwijfeld ook een gunstig effect hebben gehad op de zeil- en manoeuvreereigenschappen.

De 'Margaretha' op de werf in Durgerdam van Berhard waar Ype de Jong de leiding had. Op de foto onder ligt de Lemsteraak 'De Kamper' op de voorgrond tijdens de verbouwing naar plezier-aak. ( Foto's Archief SSRP)

Overleveringen

Wat er bekend is zijn vooral overleveringen. Een van deze overleveringen is dat de heer Hoving de spiegel die boven de schouw (kachel) zit verwijderde. Zijn dochter gebruikte dit verzilverde glas naar zijn inzicht te veel. De spiegel werd verwijderd en op deze plaats kwam een klok te hangen.

Margriet Hoving kende dit verhaal niet. Wel wist zij te vertellen dat haar vader vond dat aan boord van zo’n schip een klok hoorde die glazen sloeg. Deze kreeg een prominente plek midden in de kajuit. Mevrouw Alsema maakte later onder de klok een borduurwerkje met de afbeelding van een lemmeraak.
Jack Alsema heeft deze op zijn beurt weer vervangen door een spiegel met geslepen rand. 

Het interieur komt vrijwel volledig overeen met de manier zoals het oorspronkelijk getekend is. De bakboord deur zoals die op de tekening hieronder te zien is geeft toegang tot het toilet.

 

Joop Hoving in 1970 aan boord van een scherp zeiljacht (Collectie Hoving)

Twee jaar na verkoop van de 'Margaretha' aan de familie Alsema hebben de wegen van Joop Hoving zijn oude schip elkaar nog eens gekruist. In de sluis van Kornwerderzand. Een toevallige ontmoeting.

Het interieur komt vrijwel volledig overeen met de manier zoals het oorspronkelijk getekend is.

Hoofdstuk 6 - Vijfde eigenaar J.G. Alsema

1973 - 1995

Jan Alsema met zijn echtgenote Mieke (Maria) Alsema in de kuip ca. 1974 (foto Mikael Borre)

1973 - 1995 'Vrouwe Maria', eigenaar J.G. Alsema te Zuidlaren
Lid van: Koninklijke Zeil- en Roeivereniging Neptunus in Delfzijl
Ligplaats:  wisselend, ’s winters Zuidlaren

Mijn eerste kennismaking met deze lemmeraak was in 1973 toen de heer J.G. Alsema (Jan) pas eigenaar was. Zijn zoon Jack leidde mijn vader en mij toen rond door het schip. Het lag toen in het Zuidlaardervaartje voor het huis van de familie Alsema onder een kleed. Veel kan ik me van dat eerste bezoek aan boord verder niet meer herinneren. Jaarlijks zag ik het schip in voor- en najaar in het havenkanaal van Zuidlaren liggen. Af en toe kwam ik haar tegen onderweg ergens in Friesland of op de Eems. Het schip werd “Vrouwe Maria” genoemd naar de echtgenote van Jan Alsema. Jan Alsema was een bekende regionale wedstrijdzeiler in de Bergumermeerklasse. Later had hij een Nienke II, de 'Narwal', een voor de wadden ontworpen midzwaard kajuitzeilboot. Met dit schip lag de familie in de zomer van 1973 in Dorumersiel, vlakbij Cuxhaven, een Duitse waddenhaven, waar ze in gesprek kwamen met de Duitse schrijver/publicist Neumann. Deze vertelde met een Lemmeraak via Engeland over zee naar de Middellandse zee te zijn gevaren. Zijn verhaal was reden voldoende op zoek te gaan naar een dergelijk schip. De scherpe jachten zeilers Alsema hadden niet verwacht dat een Lemmeraak zo zeewaardig en goed zeilend zou zijn. Tijdens hun zoektocht in 1973 behoorde een nieuwe, door Iege Blom gebouwde aak, tot de mogelijkheden. De toenmalige levertijd van drie jaar was een struikelblok. Na meerdere schepen te hebben bekeken werd de “Margaretha” van de heer Hoving gekocht.
Jack vertelde mij dat de zoektocht vaak als volgt ging: er werd een afspraak gemaakt met een eigenaar of makelaar om een schip te bekijken. En passant werden ook havens in de buurt bezocht en werd er aan havenmeesters gevraagd of deze ook dergelijke schepen te koop wisten liggen. In Durgerdam werden de Alsema’s ’s morgens gewezen op de 'Margaretha' die te koop zou zijn. De eigenaar was zowaar aan boord. Het schip werd bekeken en al snel bleek dat dit het schip was waar ze ’s middags een afspraak hadden voor een bezichtiging. Na de bezichtiging is er nog een proefvaart geweest en is het schip nog droog gezet voor een inspectie van het onderwater schip. Hoewel de koop nog niet gesloten was, is er toen een standpijp voor een echolood in gelast. Jan Alsema wilde dat graag in de boot hebben.
Wat mij altijd opviel was de opvallende uniforme kleding die het gezin Alsema tijdens het varen altijd droeg. Rode kielen.

De Wielewaal tijdens een wedstrijd (de vlag wordt niet gevoerd) op de Eems. Let op de rode kleding. (fotograaf onbekend)


In 1974 nam het gezin Alsema deel aan een historische schepen festival in Kopenhagen. Als aandenken kregen de deelnemers een briefopener in schede naar het model van een ponjaard van een gala uniform van de Deense Marine.

 

Het water dun gevaren

Vader en zoons Alsema hebben het water dun gevaren met de “Vrouwe Maria”. Ze hebben tochten gemaakt die je je nauwelijks voor kunt stellen. In een weekend van Hemelvaart van Drachten naar Stavoren, naar Terschelling, Lauwersoog en op zondag door naar Delfzijl. Of in één dag van het Duitse eiland Juist naar Grouw! Het weer maakte niet uit. De zeilvoering werd gewoon aangepast. En als het helemaal niet te bezeilen was, bewees de motor goede diensten. Ook lange reizen werden gemaakt. Via de westkust van Denemarken tot Thyboron, door de Limfjord en vervolgens via de Oostzee terug naar Nederland.
De langste tocht was tot het Vänermeer (Götakanaal) in midden Zweden.

 
     
 


In de periode tussen 1975 en 1985 werd Sinterklaas in Zuidlaren met de Wielewaal jaarlijks binnengehaald. (Foto's collectie Jan Alsema).

Onderhoud in eigen beheer

Toen de kinderen Alsema niet meer mee zeilden met hun ouders, werd er veel minder met het schip gezeild. Het binnenhalen van de zeilen werd te zwaar. Dat zoon Jack het schip over wilde nemen van zijn vader zal ongetwijfeld tot wederzijds genoegen zijn geweest. De heer Alsema sr. was directeur van een aannemingsbedrijf dat gevestigd was (en is) aan het Zuidlaardervaartje in Zuidlaren. Bij dit bedrijf was de mogelijkheid takel- en onderhoudswerk en stalling in eigen beheer te doen. De familie Alsema woonde bij het bedrijf. Na de eerste winter in het water onder een kleed te hebben gelegen, heeft ze daarna alle volgende winters droog in een verwarmde schuur gelegen.

Hoewel Jan Alsema al bijna twintig jaar geen eigenaar meer is, siert een gestileerde windwijzer van de aak nog altijd de schoorsteen van zijn huis. Op 9 oktober 2011 vertelde Jan Alsema mij dat hij vond dat zijn zoon Jack het schip in een betere conditie houdt dan dat hij dat gedaan had.

Ansicht met de 'Vrouwe Maria' in het Zuidlaardervaartje. De opbouw is bruin geschilderd. De schokker, die Jack Alsema toen had, ligt er achter.

 

Veel foto’s van de 'Wielewaal' zijn genomen tijdens wedstrijden. Ze zijn te herkennen aan de vlagvoering. Bij de geldende etiquette wordt de nationale vlag zoals het hoort niet gevoerd. Tijdens een Flevorace is er tegen gezondigd. Er bestaat een foto van. Wel een geweldige actiefoto. Wie de foto genomen heeft is onbekend.

Vader en zoons Alsema  varen het water dun met de “Vrouwe Maria”

Gerard ten Cate

Hoofdstuk 7 - Zesde eigenaar J.C. Alsema

1995 - heden

(GtC foto 2011)

1995 - heden 'Wielewaal', eigenaar J.C. Alsema te Zuidlaren
Lid van: Koninklijke Zeil- en Roeivereniging Neptunus in Delfzijl
Ligplaats:  wisselend, ’s winters Zuidlaren

 

De heer J.C. Alsema (Jack) heeft in 1995 het schip van zijn vader overgenomen en heeft haar weer de oorspronkelijke naam “Wielewaal” terug gegeven. Jack is directeur van hetzelfde aannemersbedrijf, waarvan zijn vader eerder directeur was. Hoewel de familie Alsema en traditie heeft in het zeilen met en onderhouden van boten, spant Jack qua onderhoud waarschijnlijk de kroon. Daar waar bij zijn vader nog wel eens een spoortje roest te zien was, heb ik dit bij Jack nog nooit waargenomen.
Het schip verkeert altijd in concoursstaat, inclusief het gepoetste messing. Ter bescherming zit er altijd een laagje vaseline over het messing. De Stamboekplaquette met het stamboeknummer erin geslagen is zover weggepoetst dat het nummer bijna niet meer te lezen is. Gaande de tijd heeft hij bijna alle stalen bevestigingspunten vervangen door roestvrijstalen exemplaren, maar wel exact volgens het oorspronkelijke model, zodat het niet van het oorspronkelijke model te onderscheiden is. Alle onderdelen, ook hetgeen wat normaal gesproken vast gebout zit kan makkelijk weggenomen worden. Jan Alsema had de kajuit bruin geschilderd, Jack heeft hier voor donkergroen gekozen.
Hoewel Jack veel plezier aan het varen beleeft, vindt hij het onderhouden van het schip in de wintermaanden net zo leuk als het varen. Dat hij zich daarbij niet omdraait voor klussen waar een ander niet aan begint zal duidelijk zijn.
Een voorwaarde van Joop Hoving bij de verkoop van Lemmeraak aan de familie Alsema was dat het schip goed onderhouden zou moeten worden. Hij had veel tijd geld en energie in onderhoud van het schip gestoken. Zijn werk is door de familie Alsema gewoon voortgezet.

Links: Wedstrijdzeilen. Rechts: Droog liggen op het Oost-Groninger wad (Collectie Alsema)

In 2009 heeft zeilmaker Molenaar uit Grouw een nieuw tuig voor het schip gemaakt. Een iets lichtere kwaliteit dan het eerdere. Bij de grote hoeveelheid originele details van het schip, is er een onderdeel dat duidelijk van latere datum is, de motor. De Hanomag uit 1958 doet haar taak nog steeds zoals het hoort.Het interieur komt nog altijd overeen met de aanzichten zoals deze op de blauwdrukken staat.

Jack Alsema (links) juni 2010 tijdens filmopnames op de Dollard aan boord van de 'Wielewaal' (foto GtC)

Correspondentie tussen Jack Alsema en Ewoud Bon

Jack Alsema: “Het schip is in 1958(?) aan de heer Hoving verkocht en mijn vader is in 1973 eigenaar geworden. Na 15 jaar zag Hoving wellicht tegen het vele onderhoud op. Zo ook mijn vader, die in 1995 een Valkvlet kocht van 13,50 meter, omdat hij ineens de aak niet meer zag zitten. Ik had toen al 10 jaar een Vreedenburg schokker, maar na rijp beraad met mijn vrouw, hebben we besloten de aak toch maar over te nemen en de schokker te verkopen. Ik werd direct als nieuwe eigenaar met het nodige onderhoud geconfronteerd, maar ik wist waar ik aan begon, omdat ik als geen ander de staat van het schip kende. Na een winter noeste arbeid zag het schip er weer mooi uit. Met name het potdeksel was slecht, dus ik heb hier en daar er nieuwe stukjes (compleet onzichtbaar) in gezet en er nieuw teak op gezet. Elk volgend jaar heb ik elke winter het nodige onderhoud met veel plezier gedaan en ik durf rustig te beweren. dat ik nergens roest heb. Voorlopig zijn wij nog lang niet flauw van het schip."

Beulswerk

Ewoud Bon schreef in zijn relaas dat ze ooit alle gietijzeren ballastbroodjes uit het schip verwijderd hadden teneinde ze te schilderen en het vlak schoon te maken was. Beulswerk, schreef hij nog.

Hetzelfde hebben wij in 1975 nog eens gedaan, broodjes schilderen en vlak schoonmaken en schilderen. Eveneens beulswerk. Alles wat de familie Bon destijds en wij in 1975 herhaald hebben valt in het niets bij het volgende: Mijn vader kreeg van Defensie opdracht om het hoogspanningskabelnet op een defensieterrein geheel te vervangen door nieuwe kabels. Met andere woorden; de oude kabels opgraven en de nieuwe in dezelfde ontgraven sleuven te leggen. De oude verwijderde kabels vervielen aan de aannemer, zo stond in het bestek omschreven. Echter, de oude kabels waren koperen kabels met een loodmantel ofwel een loden buitenkant die diende als bescherming.
Je raad het vervolgens al. De zuinigheid van bootjesmensen is alom bekend. Dus alle oude kabels gingen naar ons opslagterrein en wij zijn in de weekeinden begonnen met “loodbranden”. De kabels werden in stukjes van 30 centimeter geknipt. Het ging tenslotte maar om ruim tweeduizend meter kabel, ofwel ruim 6500 stukjes kabel knippen. Vervolgens werd een bak met iets van vijftig korte rechtopstaande kabelresten in de fik gestoken zodat het isolatiepapier opbrandde en door de ontstane hitte het lood smolt. Dit gesmolten lood werd opgevangen in een tweede bakje en uit dit bakje werden in een vorm loodbroodjes van 15 kilogram gegoten.

Wekenlang zijn we elk weekend bezig geweest om tenslotte ruim 2000 kilogram aan broodjes te hebben gegoten. We hadden achteraf beter een krantenloopje kunnen nemen en van het verdiende geld nieuwe loodbroodjes kunnen kopen. Uiteindelijk waren we toen nog niet echt ongelukkig met het loodbranden waarmee je vandaag de dag in verzekerde bewaring gesteld zou worden vanwege een ernstig milieudelict.

We hadden ook nog een hoeveelheid koperdraad over als gevolg van onze branderij. En toen diende zich een opkoper van oude metalen aan en die bood 2000 gulden voor de partij koper. Daar hadden we niet op gerekend. Van deze opbrengst kochten we bij zeilmakerij Molenaar een enorme halve winder die ook heden ten dage af en toe nog gebruiken bij licht weer.

De ballast broodjes die jaarlijks in en uit de Wielewaal worden gedragen en het effect ervan op de waterlijn. (Foto 2012 GtC).

Het vaargebied strekt zich uit van Zuidlaren tot de Oostzee

In 2008 aan de Sluiskade in Groningen

Links: Op het Reitdiep - Rechts: In Tönning in de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein (Duitse Bocht)

Links: 2012, in het Noord-Oostzeekanaal - Rechts: 2012 op Neuwerk

2013, Op het Wad

:Links: 2013, zonsondergang tegemoet - Rechts: 2014, Noord-Oostzeekanaal (Kielerkanaal)

2014, Oostzee bij Sonderborg, Denemarken

Links: 2015, Neuwerk - Rechts: Onder Baltrum

2015, De tunnel bij de sluis bij Otterndorf (Elbe)

2016, Op de Eems

2016, De Borkumrace (Delfzijl - Borkum v.v.)

2016, De 'Wielewaal' in de Borkumrace (foto Han Poelman)

2016, In de jachthaven van Zeilvereniging Neptunus in Delfzijl

Links: 2016, Op de Eems - Rechts: 2016, Aan de steiger

2017, Op weg naar de haven van Juist

2018, In het Zuidlaardervaartje met op de voorgrond de bijboot

4e Generatie Alsema. Kleindochter Emma, in 2018 op Schiermonnikoog 2 jaar (l) en op éénjarige leeftijd aan het stuurwiel (r)

"Jack kennende zal hij bedoelen dat de 'Wielewaal' nergens roest heeft"

Hoofdstuk 8 - Scheepssier

Details

De Wielewaal is niet uitbundig versierd. Haar uiterlijk en haar staat van onderhoud trekken prominent de aandacht. Altijd ligt het schip er schoon en verzorgd bij. Altijd is het messing gepoetst. Na een zeiltocht op zout water wordt ze terug aan de steiger met leidingwater afgespoeld. Opvallend zijn de bronzen sierranden om de patrijspoorten in de kajuit. Dezelfde vind je ook bij de lemmeraak 'Annie Lavinia'. Blijkbaar een detail waar Akerboom aandacht aan besteedde.
De versieringen op het schip bevinden zich op de traditionele plaatsen. Kluisborden, beretanden, mastbord, mastwortel, naamborden, roerversiering en vlaggenstokknop zijn aanwezig. Het volstaat om een paar detailfoto’s van de afzonderlijke onderdelen te laten zien. Speciale aandacht verdient de roerversiering.
 

 
     
 

Kop van het roer

Zoals bij veel Ronde en Platbodemjachten is ook de kop van het roer van de 'Wielewaal' versierd. Het heeft een daagse en een zondagse versiering. Een klik voor door de week en een zeeduivel gesneden uit teakhout als “mooie” versiering. Met een grote gekrulde staart komt deze mythologische figuur uit het water en klimt op het roer. Daar vergrijpt het zich aan een varend schip.
Wanneer het op het schip is gekomen is niet bekend. Uit informatie van Margriet Hoving blijkt dat haar vader Joop het gesneden heeft. Op de middenfoto uit de Waterkampioen uit 1966 (blz.108/109) zit de zeeduivel op het roer. Op foto’s uit de 20er jaren van de 20e eeuw is ze niet te zien.

 
 


De foto’ s van de beide roerversieringen zijn genomen in 2010 en 2011. De klik heeft een eenvoudige schoonheid en bevind zich waarschijnlijk al vanaf 1925 op het schip. De zeeduivel is een versiering van totaal andere orde. Het is erg opvallend aanwezig. Het verplettert letterlijk en figuurlijk alles wat in haar klauwen komt. In 2010 is ze tijdens een zeilwedstrijd op de Eems van het roer gevaren door een andere Lemmeraak. De krul in haar staart die op de grote foto is te zien was verdwenen evenals een aantal doornen op haar rug. Er bestond geen twijfel over of deze figuur gerestaureerd moest worden. De restauratie is onzichtbaar uitgevoerd. Het snijwerk onder de klik, of onder de Zeeduivel tegen het vaste deel van de roerkop, daar waar het helmhout doorsteekt, is gemaakt door Jan Alsema. Hij heeft het gekopieerd van de klik van een Groninger tjalk. De Zeeduivel en de Zeedraak zijn figuren die in de Griekse- en Romeinse mythologie voorkomen. Het zijn niet bestaande zeewezens. Op het roer van de Lemmeraak van Prinses Beatrix bevindt zich een Zeedraak. 

Masttop

Een andere opvallende versiering is de mastwortel met hemelboender. De mastwortel is gedraaid en sober van vorm. De boender maakt de mastwortel speciaal. Deze versiering heeft in cultuur historisch perspectief haar wortels in Zeeland. Op foto’s die ooit afgebeeld stonden in de Watersport voert de Wielewaal geen mastwortel. De mastwortel is dan ook van latere datum. Het is niet duidelijk hoe deze Zeeuws georiënteerde versiering op het schip is gekomen. Het misstaat niet.

Mastwortel met hemelboender. foto 2011 GtC

De 'Wielewaal' ligt er altijd schoon en verzorgd bij.

Gerard ten Cate

Hoofdstuk 9 - Wielewaal Anno nu

Prima staat van onderhoud

 
     
 
     
 
     
 
     
 
     
 
     
 
     
 
     
 
     
 
     
 
     
 
     

Ter controle: een aanzichtstekening uit 1924

De kuipvloer is door de eigenaren Alsema aangepast, om het water beter af te kunnen voeren. Toen zij eigenaar werden werkten de loospijpen als vulpijpen wanneer er gezeild werd. De foto’s zijn genomen in 2010 en 2011. In de winter van 2014 en 2015 is het potdeksel los gehaald en is het eronder liggende ijzer tegen roest behandeld.

In 2018 ziet de Wielewaal er onveranderd goed onderhouden uit.

In 2018 ziet de 'Wielewaal' er onveranderd goed onderhouden uit.

Gerard ten Cate

Hoofdstuk 10 - Bronnen

Overzicht

Bijdragen van:
Jan G. Alsema, Jack C. Alsema, Ewoud H. Bon, Nico Pessers, Jan Brilleman, Jan Eissens, Jeanette Tichgelaar, Hansje van Douwen, Jurjen van Deen, Dirk Huizinga, Sjoerd Hoving, Margriet Hoving, Lex van Pieterson, Tireen van Pieterson, Bert Fokkema (TA46), Derck Steenstra, Maria ten Cate, Robin van Son. 

"Voor een mooie toekomst, heb je ook een sterk verleden nodig".

SSRP

Bijlage - Het Stripverhaal getekend door Hidde Bon (Periode 1956 - 1960)

Ben ("de Boots") & Ik ("de Schipper") met de Lemsteraak 'Wielewaal'

Ewoud Bon heeft in 1956 zijn vader kunnen overtuigen de 'Wielewaal' te kopen. Tijdens het schrijven van dit verhaal kwamen uit zijn verzameling een aantal verslagen, die in dit overzicht volledig opgenomen zijn. Ze geven een schitterend beeld hoe er door de familie Bon met de 'Wielewaal' werd gevaren. Het stripverhaal is afkomstig uit dit familiearchief. Het is het verhaal van het binnenkruisen van de haven van Muiden - Herinnering Ewoud Bon (6 oktober 2016): Brief aan oude zeilmakker Ben van Ruth.

Bijlage - Estafettewedstrijd 1925

Journaal

Bijlage - Estafettewedstrijd 1926

Het Journaal

Bijlage - Estafettewedstrijd 1927

Het Journaal

Sollicitatiebrief voor Jachtschipper in 1928

Van A.J. de Jong uit Rotterdam

Bijlage - Diploma ’s

K.V.N.W.V. 1925 en 1927

Bijlage - Kopenhagen 1974

Ostsjællands Folkeblad 9 juli 1974

In het Deense Ostsjællands Folkeblad van 9 juli 1974 staat de Wielewaal op de voorpagina afgebeeld volledig getuigd. Op pagina vijf vervolgens een redactioneel artikel. Als illustratie een paar foto’s gemaakt door persfotograaf Mikael Borre. Hij heeft een serie foto’s aan boord en van de Wielewaal en de familie Alsema gemaakt. De kranten tekst is vertaald door Robin van Son.

For fulde sejl til stævnemøde: De har store chance for pokal end Cruyff

 

 

 

Vertaling van Robin van Son

De familie Alsema uit Nederland gebruikt hun vier-weken-lange zomervakantie om met hun 7 tons “Vliegende Hollander” naar de Internationale Historische Schepen regatta te zeilen, die dit weekend in Kopenhagen wordt gehouden.
Het is tien dagen geleden dat het 11.6 meter lange tjalk-achtige schip via de Nederlandse waddeneilanden vanuit het kleine havenstadje Delfzijl is vertrokken. De zoute lucht van de Atlantische Oceaan en de zure regendruppels hebben het oude koper- en messing beslag van de ‘Vrouwe Maria’ geteisterd.
Dus in de adempauze van zondagavond tot vandaag werd er aan de kade van Køge gepoetst, zodat de schipper zich kon spiegelen in het metaal van de roerkop. De 49-jaar oude dame moet er fatsoenlijk uit zien, als ze morgenochtend naar de Kvæsthusbro wordt geloodst. Hier is namelijk een goed gezelschap van niet minder dan 91 andere zeilvoerende schoonheden. Een exclusief uitgenodigde groep, die zich in de Deense hoofdstad heeft verzameld om mee te doen aan de regatta en zeilwedstrijd.
De reis voerde langs de Atlantische kust, door het Kielerkanaal, via Langeland en Vordingborg naar Køge. Er wordt 87 m2 katoenen zeil gevoerd in de Bocht van Køge.

Onder vol tuig naar de Reünie

Op de foto het 87 m2 katoenen zeil gevoerd in de Bocht van Køge. Foto: Mikeal Borre.

 
 

Addendum

Aanvullingen van de auteur

De Wielewaal is in 2018 inmiddels 93 jaar oud. Het heeft drie jaar geduurd voordat de definitieve tekst klaar was. Drie jaar waarin Nico Pessers jr. en Jan Alsema zijn overleden, maar ook drie jaar waarin nog een paar aanvullingen gevonden zijn, die een plek in dit verhaal verdienden. Het spreekt allemaal voor zich.

 

Uit: De Watersport jaargang 1919

Advertentie in de Waterkampioen begin juli 1956 nummer 1973

Ansichtkaart uit 2000: De 'Wielewaal' voor de wal in Lemmer

Inkijkexemplaar van een kalender voor 2016 te koop op het Duitse Waddeneiland Juist (Foto Jan Eissens 2015)

De auteur

De liefde voor het Ronde en Platbodemjacht en de geschiedenis er van, openbaarde zich al vroeg bij Gerard ten Cate. Hij is al ruim 35 jaar eigenaar en ‘hoeder’ van diverse Friese jachten, eerst de ‘Murkjen’, daarna de ‘Bestevaer’ en vervolgens een aantal jaren de ‘Aeolus’, deze laatste gebouwd door Visser in Paterswolde. In 1992 heeft Gerard een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van het standaardwerk ‘Het Friese jacht’ van Dr. Ir. J. Vermeer. Daarnaast heeft hij de geschiedenis van zijn eigen schepen uitgezocht, gedocumenteerd en gepubliceerd. In 2011 heeft hij naar aanleiding van zijn naspeuringen het boek ‘Ouder zeilend Hout’ gepubliceerd aangevuld met veel digitaal materiaal.

Al zijn kennis en informatie stelt hij belangeloos ter beschikking aan het archief van het Stamboek, die daaruit mag publiceren op deze website en de website www.ssrp.nl. Gerard is ook de bedenker, inspirator en auteur van het maandelijks verschijnend digitaal Vlugschrift “Uit het Stamboek” met door hem gevonden "nieuwtjes" uit het verleden, met veel vertakkingen naar het Stamboekarchief. Een uiting vanuit het Stamboek waarvoor we van de lezers veel waardering krijgen.

Voor zijn verdiensten heeft Gerard in 2015 de Aurelia-prijs ontvangen.

"Hopelijk is dit voor anderen een stimulans aansluitend onderzoek te gaan doen"

Gerard ten Cate