Wat maakt een Hoogaars een Hoogaars?

Geschiedenis van de Hoogaars

De vloot van Nederlandse traditionele schepen kent een enorme verscheidenheid

De meeste vandaag de dag gebruikte typebenamingen dateren uit late 18e en begin 19e eeuw of later. Slechts enkele typen, de schouw, de boeier en de hoogaars worden al vermeld aan het einde van de 16e eeuw. 

De benaming schouw of scou dateert al uit de 14e eeuw, maar hoe een dergelijk schip eruit zag is niet met zekerheid vast te stellen. Volgens ‘Seeman’ (1631), het Maritiem Woordenboek van Wigardus à Winschoten, was de schouw “een praam, platboomde schuit met een platte voor- en achtersteven”, vooral gebruikt als veerpont. 
Volgens hetzelfde woordenboek is de “hoogers, een Schuit, dit wat hooger als een gemene boere Schuit opgeboeid is …”, waarbij een Schuit is omschreven als “een kleine soort van vaartuigen “, waaronder schepen van vergelijkbare afmetingen zoals de trekschuit, tochtschuit en steigerschuit. 

De boeier was van oorsprong een zeegaand vrachtschip, en is in de loop van de 17e en 18e eeuw verder ontwikkeld tot het model zoals we dat kennen van de huidige jachten. 

De schouw en de boeier hebben in de loop van de tijd de nodige ingrijpende veranderingen ondergaan, als gevolg van aanpassingen aan de behoeften van bedrijf en gebruikers.

De hoogaars wordt eind 16e eeuw vermeld als vrachtschip op de Maas, en komt regelmatig voor in de Oud Notariële archieven van Rotterdam (IJsselmonde) in het eerste kwart van de 17e eeuw. Het type wordt ook vermeld in rekeningen uit begin 17e eeuw, als vrachtscheepje bij dijkwerken rond Antwerpen. Kennelijk was het toen al een algemeen voorkomend type in de Zuidwestelijke delta. De oudst bekende afbeeldingen zijn een prent van Hendrick Avercamp en een schilderij van Porcellis uit het eerste decennium van de 17e eeuw, waarop een duidelijk herkenbare hoogaars is afgebeeld, respectievelijk als veerschip en als vissersschip.

Het model van de Hoogaars

De laatste jaren zijn veel documenten boven water gekomen m.b.t. de bouw van de hoogaars. Bijzonder daarbij is allereerst een (onvolledig) bestek van een hoogaars uit 1711, van de werf van Leendert Hoogendam uit Maassluis. Daarnaast zijn bij Van Duivendijk op Tholen tekeningen uit het begin van de 20e eeuw ontdekt, waaronder de vroegst bekende tekeningen van hoogaarzen voor zowel de visserijpolitie als voor de pleziervaart. De ‘schrijfboekjes’ van de werf van de Gebroeders Meerman in Arnemuiden zijn bijzonder omdat ze uitgebreide afmetingen geven van meer dan 100 gebouwde hoogaarzen over de periode van 1863 tot 1961, en zodoende een beeld geven van de ontwikkelingen van het model over een periode van ruim honderd jaar. 

Om te onderzoeken in hoeverre het hoogaars model in de loop van de tijd is veranderd, is aan de hand van deze recent beschikbaar gekomen documenten een analyse gemaakt van de afmetingen en verhoudingen van het type.

Gebruikte documentatie

De verhoudingen zijn gebaseerd op de statistische verwerking van de volgende beschikbare documenten:

  1. 105 geschreven bestekken van de werf Gebr. Meerman te Arnemuiden vanaf 1863-1913
  2. 39   geschreven bestekken van de werf Gebr. Jonker te Kinderdijk vanaf 1857-1875
  3. 19  veelal originele tekeningen van gebouwde hoogaarzen 1878-1990
  4. 4 tekeningen van Kinderdijkse hoogaarzen van A.C.Kriens (1863-1877) (Maritiem Museum Rotterdam). 
  5. 1 tekening van een kleine hoogaars van Boot (Delft-Vrijenban) 1877 (Maritiem Museum Rotterdam). 
  6. 1 (onvolledig) bestek van een hoogaars uit een handschrift door L. Hoogendam te Maassluis 1711 (Scheepvaartmuseum).

De bestekken van Meerman en Jonker zijn overwegend vissersschepen, de tekeningen van Van Duivendijk en een aantal moderne hoogaarzen zijn overwegend lijnenplannen van hoogaarsjachten. De tekeningen van Kriens en Boot zijn kleine Kinderdijkse hoogaarzen, zowel werkschepen als jachten. Het bestek van Hoogendam is onvolledig, en hoofdzakelijk gebruikt als referentie. 

Onderzoek van bestekken

Alle geschreven bestekken beginnen met de lengte van het vlak, de basis van alle afmetingen van een hoogaars. Het vlak heeft een vaste l/b verhouding van 3,6 op 1. Het is druppelvormig, de ronde kant naar voren, waarbij de randen voor op de hartlijn aansluiten in een hoek van 85 tot 90 graden. Bij vroege kleine (Kinderdijkse) hoogaarzen is het vlak aan de voorzijde aanzienlijk scherper, en de steven staat bij de werkscheepjes wat steiler (ca. 42 graden) dan bij de jachten (35 graden).

Het vlak versmalt naar achter in een vaste verhouding: de grootste breedte (in de hoos) t.o.v. de breedte t.p.v. de achterdogt (tweede volle spant van af de achtersteven) is 2,3 op 1 voor traditionele hoogaarzen, naar schatting 1,3 op 1 voor hoogaarzen met een opgebrand vlak in het achterschip, de zogenaamde jachtboten of Lemmers model. Bij de introductie van het “opgebrande vlak” tweede helft 19e eeuw, is niet alleen het vlak opgebrand maar ook de kimboorden zijn veel meer ingesnoerd.

Hoogaarzen zijn koplastig en hebben een vissend roer, met uitzondering van de Kinderdijkse versie, die doorgaans gelijklastig is en geen vissend roer heeft.

De hoogaars heeft rechte vallende voor- en achterstevens en toont bij jachten een loefbijter en soms een beperkte vlaktilling (max. ca. 4 graden). Andere gangbare kwalificaties zoals verloop van het berghout in het achteraanzicht en het verloop van de zeeg in zijaanzicht zijn niet eenduidig te af te leiden uit de beschikbare documenten.

Deze gegevens gelden voor alle bestudeerde bestekken en tekeningen, onafhankelijk van de werf of de bestemming van het schip (visserman, vrachtschip of jacht).

Daarnaast worden, afhankelijk van de werf, vaak nadere afmetingen beschreven, zoals de breedte van het vlak vóór het kot, doorzalen van het vlak, lengte en valling van de stevens, lengte van het ‘vooreind’ tot de achterkant van de voordogt, diepte in de hoos resp. over de boorden (dolboom) en de boei, zeeg over de stevens, breedte op de dolboom in de hoos en op de achterkant van de achterdogt. Sommige van deze afmetingen, bijvoorbeeld de zeeg, variëren met de werf waar de schepen zijn gebouwd.

Uit het overzicht blijkt verder dat er een tiental hoofdafmetingen zijn die, naast drie hoeken, bepalend zijn voor het aanzien van het hoogaarstype.  Deze afmetingen kunnen worden weergegeven als universele verhoudingen. De kimhoek werd bepaald met een vaste mal, die per werf licht varieerde. De valling van de voorsteven werd bepaald op basis van de lengte van de steven en de overhang. Daarnaast werden meerdere afmetingen gegeven die niet meer dan ca. 20 % afwijken van de gemiddelde waarde.

In hoeverre deze laatste afmetingen gebaseerd waren op vaste verhoudingen, of vanzelf ontstonden tijdens de bouw, is niet bekend. Opvallend is wel dat alle geschreven bestekken doorgaans dezelfde afmetingen benoemen, en dat de spreiding van de waarden relatief tot de lengte van het vlak beperkt is.

Gevonden afmetingen

De volgende verhoudingen zijn algemeen en bepalend voor het uiterlijk van de hoogaars. De geschreven bestekken zijn van hoogaarzen met een traditioneel plat of licht doorzalend vlak. De tekeningen zijn overwegend van hoogaarsjachten met een lemmerkont. Omdat de lengte en breedte van het vlak achter bij deze laatsten niet eenduidig kan worden gemeten wordt uitgegaan van de lengte tussen de loodlijnen hier: LOA) respectievelijk lengte waterlijn (Lwl), in plaats van de lengte van het vlak.

Verklaring (zie tekening)

  • A = LOA is de lengte over de stevens.
  • B = WL is gemeten op de waterlijn binnen de stevens.
  • C = Bmax is de grootste breedte van de romp gemeten binnen het berghout
  • D = Bvlak is de grootste breedte van het vlak.
  • E = breedte van het vlak t.p.v. de achterdogt
  • Slankheid van het vlak is D/E. (De achterdogt is tweede volle spant van af de achtersteven).
  • F = Lvlak is de lengte van het vlak.
  • D1 = de holte bovenkant boeisel tot bovenkant vlak t.p.v. het grootspant.
  • D2 = de holte bovenkant boeisel tot bovenkant vlak t.p.v. het tweede volle spant van achter.
  • H = Hoogte voorsteven is gemeten t.o.v. de constructie waterlijn (CWL).
  • J = Het minimum vrijboord, gemeten t.p.v. het laagste punt in zijaanzicht.
  • K = de hoek van de voorsteven met de CWL.
  • L = Plaatsing van de mast, gemeten van de voorkant van de steven tot de voorkant van de mast in het vlak van de stevens. (7)
  • M = de valling (hoek) van het kimboord gemeten t.p.v. Bmax
  • N = de valling van het boeisel gemeten t.p.v. Bmax
  • O = Locatie Bmax  (6)

Opvallend

Opvallend is de relatieve spreiding van deze waarden, die ruimte biedt voor variatie, maar desondanks de herkenbaarheid van het beeld van de hoogaars niet beïnvloed. Ze gelden voor alle hoogaarzen in dit overzicht, gebouwd door de werven van Meerman (Arnemuiden), Van Duivendijk (Tholen), De Klerk (Kruispolder), Jonker, Stam, Kriens (Kinderdijk) en Boot, over een periode van ruim 150 jaar.

Bevindingen

  1. De hoogaars was gedurende minimaal 350 jaar een eenduidig bepaald type, ondanks kleine aanwijsbare verschillen tussen bouwwerven. De hoogaars is daarmee aantoonbaar het enige scheepstype in de huidige jachtvloot, waarvan het model sinds het einde van de 16e eeuw vrijwel ongewijzigd is.
  2. De authenticiteit van het model van de scheepsromp kan worden beoordeeld aan de hand van niet meer dan een tiental gegevens, afgeleid van de traditionele bouwwijze.
  3. Het voorgaande rechtvaardigt de vraag in hoeverre de huidige zeer gedetailleerde klassen criteria relevant zijn voor het behoud van het traditionele schip.

Beschrijving van de Hoogaars

Beschrijving

De hoogaars heeft rechte vallende stevens en een druppelvormig vlak, met de bolle kant naar voren. Het vlak is niet tot licht opgebrand voor en achter, soms resulterend in een gebogen vlak met een diepte van ca. 2,5 % LOA (Arnemuiden). Bij hoogaarsjachten is sprake van een lichte vlaktilling, tot max. 4 %. Ook hebben hoogaarsjachten vaak een kleine loefbijter. De lijn tussen de kim en het berghout is recht, in het achterschip licht gepiekt. Vanaf het einde van de 19e eeuw werden hoogaarzen gebouwd met een rond achterschip, de z.g. lemmerkont.

De hoogaars is koplastig, en heeft een vissend roer. Het diepste punt van de romp ligt kort achter de mast. Kinderdijkse hoogaarzen zijn gelijklastig, zonder vissend roer.

Het boeisel heeft de grootste breedte ter hoogte van het grootspant, en versmalt geleidelijk naar voor en naar achter. Het berghout is op het boeisel (overnaadse bouw) of onder het boeisel (karveel bouw) gemonteerd.

Inrichting

De klassieke hoogaars heeft een gedekt voorschip tot de mast, achter de mast een open ruim, daarachter een kot, en een stuurkuip in het achterschip. Hoogaarsjachten hebben een roef in plaats van het ruim, geen kot en een vergrote stuurkuip. De kleine Kinderdijkse hoogaarzen, gebruikt als veerschip of vrachtschip, waren open met soms een kot in het achterschip.

Opbouw

De hoogaars als werkschip (visserman) heeft geen opbouw. Bij hoogaarsjachten bestaat de opbouw uit een roef over het ruim, soms doorgetrokken tot voorbij de mast. De afmetingen (hoogte, lengte) variëren naar behoefte.

Mast en rondhouten

De mast van de hoogaars is traditioneel ongeveer even lang als de lengte over de stevens. De giek reikt niet langer dan boven de top van het roer. De gaffel is recht of licht gebogen. De kluiverboom is wegneembaar of scharnierend bevestigd op het voordek.

Zeilen

De hoogaars heeft één mast, en voert een sprietzeil of een gaffelzeil. De hoogaars voert een grootzeil, fok en kluiver, soms een halfwinder of bollejan, en gaffeltopzeil. In uitzonderingsgevallen werd gebruik gemaakt van een broodwinner of een breefok. 

Staand en lopend want

Oorspronkelijk is de mast een ongestaagde steekmast. De spriet is getuigd met gijen of gijtouwen. Met de introductie van de bovendeks strijkende mast en het grotere gaffelzeil verscheen ook de verstaging, op hoogaarsjachten ook met backstagen.