Werf het Jacht (Jagt) - H. Bernhard Amsterdam
Grote diversiteit in schepen

Grote diversiteit in schepen
In Amsterdam, aan de Looijersgracht, bij de Lijnbaansgracht lag de bloeiende scheepswerf Het Jacht (eerder Het Jagt) van N.A. Bernhard. Hier werden in de periode 1880-1900 zowel de klassieke boeier als het scherpe jacht met succes gebouwd. Bernhard had op zijn werf de ruimte om te experimenteren en kwaliteit te leveren. Anders dan de Friese jachtbouwers had Bernhard de stap van ambacht naar industrie al gemaakt. Later is deze werf door N.A. Bernhard sterk uitgebreid.
In Amsterdam, aan de Looijersgracht, bij de Lijnbaansgracht lag de bloeiende scheepswerf Het Jacht (eerder Het Jagt) van N.A. Bernhard. Hier werden in de periode 1880-1900 zowel de klassieke boeier als het scherpe jacht met succes gebouwd. Bernhard had op zijn werf de ruimte om te experimenteren en kwaliteit te leveren. Een constante stroom van beroepsschepen vormde een solide basis voor zijn bedrijf. Anders dan de Friese jachtbouwers had Bernhard de stap van ambacht naar industrie al gemaakt. Zijn bedrijfsvoering was professioneel en efficiënt. Waar Van der Zee in Friesland nog bouwde op het oog, werden de jachten aan de Lijnbaansgracht vooraf getekend en gecalculeerd. De klant wist vooraf wat hij kreeg, wanneer hij het kreeg en wat het ging kosten. Later is deze werf door N.A. Bernhard sterk uitgebreid.
Elisabeth Spits schrijft in haar boek Nederlandse jachten (1875-1975):
In 1855 kocht scheepstimmerman Harmen Bernhard (1825-1880) de vervallen werf De Jaagschuit aan de Lijnbaansgracht bij de Vijzelgracht in Amsterdam. Hij veranderde de ouderwetse naam De Jaagschuit in het meer eigentijds klinkende Het Jagt. Misschien duidde deze raamwijziging ook al op zijn wens jachten te gaan bouwen. Harmen Bernhard was een energieke man en al snel liepen de zaken beter. Die zaken bestonden aan de ene kant uit het verhuren van dekschuiten en daarnaast uit de bouw van kleine binnenvaartschepen en zo nu en dan een jacht. Bernhard stapte al vroeg over op ijzerbouw, maakte offertes, en liet bouwtekeningen maken, waar concurrenten nog op het oog en alleen met mallen bouwden.
Na de dood van Harmen Bernhard in 1880 nam zoon Nicolaas Adrianus (1856-1926) de leiding over en veranderde hij Het Jagt in Het Jacht. Het was voor die tijd een modern georganiseerde werf. De bouw van bedrijfsvaartuigen was weliswaar de corebusiness, maar de werf kreeg ook naam in de jachtbouw.
Bernhard begon met traditionele platbodemjachten, maar toen de belangstelling bij de watersporters voor scherpe jachten toenam, werden er ook midzwaard- en kieljachten gebouwd. Deze scheepstypen waren het modernste wat de jachtbouw in die tijd te bieden had. De oudste tekening van een scherp jacht in het archief is gedateerd 1883. Dat kieljacht werd in 1884 afgeleverd.
Waarschijnlijk was Nicolaas' broer Harmen de belangrijkste aanbrenger van opdrachten. Hij werkte ook op de werf en was zelf een enthousiast zeiler en lid van Zeilvereniging Het Y. Het Jacht was een vanzelfsprekend adres voor de leden van Het Y. Voor zover nog na te gaan in het archief, dat bestaat uit bestekken, bouwtekeningen, correspondentie en scheepsmodellen, hebben de scheepsbouwers H. en N.A. Bernhard zo'n vijftien midzwaard- en keeljachten afgeleverd Voor huidige begrippen lijkt dat geen opzienbarend aantal, maar de jachtvloot was rond 1900 vele malen kleiner dan tegenwoordig Daarnaast zat er veel werk in onderhoud en reparatie.
Een vaste bron van inkomsten was de bouw van simpele bedrijfsvaartuigen, vooral de dekschuit was een bestseller. Om het toenemende aantal opdrachten te kunnen uitvoeren was uitbreiding noodzakelijk. Op het terrein aan de Lijnbaansgracht, ingeklemd tussen woonhuizen, was dat niet mogelijk. Daarom kocht Bernhard er maar liefst drie werven bij. In 1899 kocht hij de enige jaren eerder gesloten scheepswerf van Meursing in Nieuwendam, die ook Het Jacht werd genoemd en in 1904 de voormalige werf van Seijmonsbergen in Oostzaan. Later werd ook een oude botterwerf in Durgerdam in gebruik genomen. De oude werf aan de Lijnbaansgracht bleef tot de onteigening in 1931 voor schuitenverhuur en reparaties in gebruik. Op de vestiging in Nieuwendam verdween in die jaren de jachtbouw. Na de Tweede Wereldoorlog werden er alleen nog kleine opdrachten en reparaties uitgevoerd. In Nieuwendam hield Bernhard het vol tot in 1968, de werf in Oostzaan sloot in 1973 zijn deuren. Durgerdam onderging hetzelfde lot.



Begin jaren vijftig van de negentiende eeuw verhuisde scheepstimmerman Harmen Bernhard vanuit Sloten, een dorp ten zuidwesten van Amsterdam, naar de hoofdstad. Hij kon aan de slag op een scheepswerfje aan de Lijnbaansgracht, vermoedelijk door bemiddeling van Notaris C. Molenpage. In Sloten dat tot 1852 aan het wijde water van het Haarlemmermeer lag, zal er na de inpoldering nog maar weinig behoefte hebben bestaan aan een ondernemende scheepstimmerman. Vermoedelijk kende Harmen Bernhard de notaris al, want die was een fervent zeiler en wellicht had hij al aan boten van de notaris gewerkt. De gemeente Sloten waar hij vandaan kwam grensde aan het buiten van de notaris aan de Schinkel.
Niet veel later bouwt Harmen voor de heer Molenpage op de Amsterdamse werf het fraaie paviljoenjacht 'De Koophandel' dat volgens Ernst Crone in 1851 uitkomt in een wedstrijd, zoals hij schrijft in zijn boek over de jachthavens en de zeilsport in Amsterdam (verschenen in 1925 bij het 40 jarig bestaan van Zeilvereniging Het Y).
Een vaste bron van inkomsten was de bouw van simpele bedrijfsvaartuigen, vooral de dek schuit was een bestseller. Tot halverwege de negentiende eeuw was een zeiljacht een rond- of platbodemjacht met weinig diepgang, herkenbaar aan de zijzwaarden. Dit type kwam in de zeventiende eeuw als vanzelfsprekend voort uit de typisch Nederlandse omstandigheden van ondiepe meren, rivieren en kustwateren.
Naast de traditionele zeiljachten als Spiegel-, Paviljoenjachten en Boeiers, bouwden ze bij Bernhard ook kotters en spectaculaire Centerboards. Gedekte boten met een kleine kuip een groot midzwaard en een imponerende hoeveelheid zeil.
In de Spiegel der Zeilvaart van Oktober 2014 schrijft Peter Tolsma het volgende:
Begin 2014 kreeg ik een bijzondere foto in handen, waarop een heer van stand te zien is. Hij poseert voor zijn vroeg twintigste-eeuwse villa, aan de rand van een vijver. In die vijver drijft een boeier, geen echte maar een miniatuur, als een drijvende trapauto voor de kleinkinderen. Ik begin een speurtocht naar de achtergrond van het scheepje.
De opmerkelijke foto kreeg ik via Gerard ten Cate, de auteur van Ouder Zeilend Hout opgestuurd. Het is een foto die meteen een geweldige sfeer oproept. Zo te zien is hiervoor geposeerd. Op de foto staat een heer van stand, voor zijn villa, aan de rand van een vijver, met daarin het model van een boeier.
Eigenlijk is het, gezien de grootte, nog meer een miniatuur-boeiertje dan een model. Als ik zoiets zie, is mijn nieuwsgierigheid gewekt en wil ik er achter komen wie de persoon op de foto is, waar de prent geschoten is, wat voor boeiertje daar drijft, en of dat boeiertje ook nog bestaat. Gerard kon me op de eerste vragen direct antwoord geven. De persoon op de foto is de heer Nicolaas Adrianus Bernhard, een gerenommeerde Amsterdamse scheepsbouwer, voor zijn villa te Zandvoort rond het jaar 1915.
De villa "Nevermind" (het huis op de foto) werd in begin 1914 gebouwd te Zandvoort aan de Kostverlorenstraat 118, op een duintop voor Nicolaas Adr. Bernard. Inmiddels is het huis geheel ingebouwd geraakt in de uitbreidingen van Zandvoort, maar bestaat het nog steeds. Het heet thans "Het huis met de Vijver". De oplevering geschiedde op 16 juni 1914. Aan het huis waren meerdere serres gebouwd, waarvan een die uitzag op het vijvertje, dat Nicolaas overigens apart heeft laten aanleggen nadat hij het boeiertje had besteld.
Het boeiertje dat de naam Stânfries draagt, werd besteld bij Auke van der Zee te Joure, nota bene de zoon van zijn grootste concurrent, Eeltje Holtrop van der Zee. In de werfboeken vinden we het Boeiertje ook terug met vermelding 4a-134 1916 boeijertje Bernhard. Wat de reden van deze opdracht is, is helaas onbekend, maar het is hoogst opmerkelijk te noemen dat hij niet zelf aan de slag ging, of een van zijn zoons opdracht gaf een dergelijk scheepje te maken.
Transcriptie:
Joure 5 november 1915
Den Weledele Heer Den heer A Bernhard Kostverlorenstraatweg …!
’t Is zo al enige tijd geleden dat ik de eer had een brief van Uedele te ontvangen over een 7 voets boeiertje. Daarop heb ik u goedschiks geantwoord, toch nadien geen berigt terug ontvangen. Nu denk ik misschien is mijn schrijven niet aan Uedeles adres overgekomen vandaar dit mijn bericht. Ik had uedele gerantwoord ik wel gaarne zo’n boeier zou willen maken dacht dan gepiekt wat.
Uedeles als vakman wel zal weten wat dat is. Ik heb na mijn schrijven er zo nog allens nagedacht en dan was dat. Moest geheel een boeier uit eiken worden. Vast dek. Roef warings stuurstoel alles als een boeier. Wat zou Uedeles daarvan denken. Om er eens over te spreken. Zou ik na vergoeding der reiskosten bij geen accoord worden genegen zijn over te komen. Gaarne ontvang ik toch gaarne even berigt en verblijf
Hoogachtend Gr A Holtrop vd Zee
NB Dat kon iets prachtigs worden

Het is bovendien het enige bekende model dat door Auke van der Zee gebouwd is. Als ik kijk naar het feit dat er een flink braadspil op het voordek staat, er wat langere zwaarden aan hangen en de gangboorden ook doorlopen naast de kuip (eigenlijk dus geen kuip maar een "stuurstoel"), dan zal Aukebaes een echt grote boeier voor ogen hebben gestaan. Ook andere details wijzen daarop. Het model is met een grote nauwkeurigheid gemaakt en geheel volgens de wijze waarop boeiers ook in werkelijkheid gebouwd werden. Achter de luikjes van de instap voorop, zijn de handstukken in de kop te zien en op de berghouten de droge naadstukken net onder de boeisels.
Apart vermeld moet natuurlijk worden het snijwerk op de hennebalk. Door dit steekwerk kennen we nu de naam van het model, iets wat tot nog toe onbekend was gebleven: "STANFRIES" . Maar hoe komt Bernhard erbij om het model in zijn tuin de naam Stânfries mee te geven? Zou hij de echte oude Stânfries (ook wel Standvries en Standfries genoemd en geschreven) hebben willen eren en daarmee Eeltjebaes, die dat schip voor G. de Vries uit Grouw als Fries jacht heeft gebouwd en voor wie hij haar ook rond 1878 perfect heeft omgebouwd tot boeier?
In 1926 overleed Nicolaas Adrianus Bernhard op 70 jarige leeftijd en in 1927 werd de villa Nevermind verkocht. De inboedel werd bij veiling onder de nazaten verdeeld. Daarvan bestaat nog de volledige beschrijving. Tot de grootste stukken behoorden in die tijd de zilveren bestekcassette, de piano, de canapé (!) en het boeiertje. Grootste afnemer was de oudste zoon Harmen, die was geïnstalleerd in de grote nieuwe werf in Nieuwendam. Daar werd in dezelfde periode een iets soberder maar overigens vergelijkbare villa gebouwd.
Het boeiertje wordt met vitrine en al in de hal van de scheepswerf te Nieuwendam gezet. Het heeft daar een groot aantal jaren gestaan, maar uiteindelijk wordt het door de erfgenamen verkocht aan het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Het heeft daar enige tijd in de vaste opstelling van de schepenhal gestaan, onderaan de trap, maar is later in depot gegaan.
Het Zuiderzeemuseum opent 24 mei 2025 de tentoonstelling 'Tussen werf en schip'. Deze tijdelijke tentoonstelling toont heel veel scheepsmodellen, waaronder het boeiertje 'Stânfries'. Gerard ten Cate maakte een aantal foto's.

De eerste Archivaris van de SSRP, de heer Spits, schrijft in november 1955 in de Waterkampioen:
De door de heer Dierdorp in een vorige aflevering van De Waterkampioen genoemde gegevens van de thans onder Engelse vlag varende boeier „Ludana" komen inderdaad overeen met die van de boeier, die indertijd eigendom is geweest van de heer Sprenger te, Loosdrecht. Laatstgenoemde boeier is door de werf Bernhard te Amsterdam in 1898 gebouwd. Zij was lang 10.25 meter en wijd 4 meter. Werf, bouwjaar en afmetingen komen dus overeen met de gegevens van de Engelse meetbrief.
Voor wiens rekening de boeier is gebouwd, is ons onbekend. Omstreeks 1904 was hij eigendom van de heren de Lanoy Meyer- en Boissevain te Amsterdam. Hij droeg toen de naam „Olga". Volgens mededeling van de heer E. J. Kuipers te Laren kocht zijn vader te Leeuwarden in 1907 dit schip, die het doopte met de naam „Hludana", later veranderd in „Ludana".
In September 1909 liep voor rekening van de heren de Lanoy Meyer en Boissevain een nieuwe „Olga" van de werf van Auke Holtrop van der Zee te Joure van stapel. Dit is thans de boeier „Duyfken" waarvan de heer Rodenhuis in De Waterkampioen van juni j.l. berichtte dat hij van Hongkong weer naar Europa werd verscheept.
In 1914 werd de „Ludana" verkocht aan een syndicaat, gevormd door de heren Sprenger, Beekhuis en Lucardie te Leeuwarden, waarna zij in eigendom overging van de heer Sprenger te Loosdrecht. In 1931 werd zij naar, Engeland verkocht. De Engelse eigenaar koos als ligplaats een der havens van de Franse Rivièra. De verdere geschiedenis is ons niet bekend.
Evenals bij „de oude" „Ludana" het geval was, blijkt uit de foto de Engelse „Ludana" voor een boeier vrij smalle zwaarden te hebben. Naar onze mening kan aangenomen worden, dat beide schepen identiek zijn.
De werf Bernhard te Amsterdam heeft verschillende boeiers gebouwd, die indertijd als snelle zeilers bekend waren' namelijk de verdwenen „Parkeler" en de nog bestaande „Miami" en „Frans Naere-bout".
De „Parkeler" was 9 meter lang en werd gebouwd in 1887. Tot 1912 was zij eigendom van de heer Roeters van Lennep. Later kwam zij in het bezit van de heer van Alphen te Rotterdam, die haar omdoopte in „Lethe". In 1925 is zij naar Indië verkocht.
De „Miami" (ex-„Piet Hein") is in 1898 gebouwd en is 9.50 m lang. Deze zeer stoer gebouwde boeier ligt thans in Loosdrecht, in vrij verwaarloosde toestand. Wie ontfermt zich, over deze prachtige boeier?
De „Frans Naerebout" is een stalen boeier, in 1919 gebouwd voor rekening van de heer Van Duyl te Amsterdam. Zij is thans eigendom van de heer De Haas te Amsterdam en ligt in de haven van de vereniging ,,Nieuwe Meer" te Aalsmeer. Zij bevindt zich in uitstekende staat.
Prijst men terecht de Friese boeiers om hun bezeildheid en schoonheid, de boeiers van de werf Bernhard doen naar onze mening hiervoor niet onder. Merkwaardig is, dat de bouwwijze ook nagenoeg overeenkomt met die, toegepast door de beroemde scheepsbouwers E. en A. Holtrop van der Zee te Joure in Friesland. Evenals de Jouster boeiers zijn de boeiers van de werf Bernhard gepiekt gebouwd, terwijl de boegen bij de stevens iets naar binnen vallen.
Het voor de dag komen van de „Ludana" leek mij een goede gelegenheid om de aandacht te vestigen op deze. Hollandse boeiers, gebouwd op een Amsterdamse werf.
SPITS.
De heer A: Sprenger te Loosdrecht berichtte ons, dat de „Ludana" die onder Engelse vlag in Zeeland werd gefotografeerd (zie De W.K. van begin September 1955, blz. 474), inderdaad zijn oude schip is. Een andere lezer citeert voor ons de volgende gegevens uit het jachtregister 1924-'25: Ludana (ex-Olga) boeier, hout, 16 ton, overdekt. Lengte 10.25 m, breedte 4.08 m, diepgang 1.04 m, bouwer: Bernhard H., Amsterdam 1898. Clubvlag Loosdrecht, ligplaats Leeuwarden.
(Redactie)

De hier gepresenteerde bijzonderheden betreffende deze werf zijn deels gebaseerd op speurwerk van de heer dr E.H. Bon in de archieven van het Nederlands Scheepvaartmuseum te Amsterdam. Reeds eerder verscheen een publicatie van zijn hand over de door de firma Bernhard gebouwde boeiers in het tijdschrift 'Spiegel der Zeilvaart'. Verder zijn de navolgende historische gegevens over de werf Het Jagt (zoals het bedrijf destijds heette) ontleend aan een artikel uit 1949 in het blad 'Ons Amsterdam'.
De eerste Bernhard die in de scheepsbouw werkzaam was, Harmen Sr. (1825-1880), werd geboren in Loenen a/d Vecht. Hij begon als scheepstimmerman in Sloten (NH), toen nog een zelfstandige gemeente. In 1855 kocht hij door bemiddeling van notaris H. Molenpage de in verval geraakte scheepswerf "De Jaagschuit" aan de Lijnbaansgracht, die na herstel de naam "Het Jagt" kreeg. In die dagen lag de werf nog aan de rand van de stad, in de nabijheid van de Weteringbarrière. Behalve trekschuiten en zolder- en dekschuiten bouwde Harmen Bernhard voor pleziervaarders een aantal hekjachten, een mooi antiek scheepstype, boeierachtig van voren met een platte spiegel achter, onder de helmstok een kajuit of paviljoen. Voor notaris Molenpage bouwde hij een dergelijk paviljoenjacht. Zijn grote verdienste voor het economisch verkeer in de stad was het ontwerpen van de typisch Amsterdamse dek- of zolderschuit, met de laadvloer op gelijke hoogte van de kade, zodat tijdrovende hijswerkzaamheden overbodig werden. Harmen Bernhard had intussen zijn bedrijf behoorlijk uitgebreid door een aantal panden aan de Derde Weteringdwarsstraat aan te kopen
Na het overlijden in 1880 van zijn vader nam Nicolaas Adrianus (1856-1926) de leiding van het bedrijf op zich. Hij kocht zijn broers Harmen en Herman uit en betrok het door zijn vader in 1870 gebouwde huis aan de Lijnbaansgracht. Het gehele werfterrein kreeg een houten overkapping. Nicolaas Adrianus was een ambitieus en onverzettelijk man. Hij kwam met nieuwe ideeën. Onder meer introduceerde hij het bouwen in ijzer, eerst voor bedrijfsvaartuigen, later ook voor plezierjachten. Zo bouwde hij de eerste stalen `centerboard', het in zijn tijd bekende midzwaardjacht "Yum-Yum", en ook een groot ijzeren rond jacht van 15 meter, de "Nautilus", dat doorgaat voor de eerste stalen boeier. Met het uitgroeien van de stedelijke bebouwing kwam de werf geheel binnen de stad te liggen, tot toenemend ongenoegen van de omwonenden, die zich bij het gemeentebestuur beklaagden over het lawaai, speciaal van het klinkwerk. In 1901 werd het grootste gedeelte van de activiteit van de werf verplaatst naar een te Nieuwendam braakliggende werf. Nicolaas hield de oude werf voor het maken van kleine vaartuigen en het verhuren van dekschuiten. Op de werf in Nieuwendam werden rivier- en zelfs zeeschepen gebouwd. Dit bedrijf deed Nicolaas na de moeilijke oorlogsjaren over aan zijn zoons Harmen Nzn en Nicolaas Adrianus jr. Na het overlijden van Nicolaas Adrianus Sr. in 1926 kwam het bedrijf aan de Lijnbaansgracht stil te liggen. Het hierboven aangehaalde blad 'Ons Amsterdam', waaraan wij het hier weergegevene ontlenen, bevat een foto van de verlaten werf, zoals die er na de Tweede Wereldoorlog bijlag.

De bekende boeierbouwer, N.A. Bernhard, eigenaar van de werf aan de Lijnbaansgracht, was mijn overgrootvader. Om het lekker overzichtelijk te maken heetten zijn zoon en vader allebei H. Bernhard. Ook zij bouwden in hun tijd jachten, maar minder innovatief en minder bekend.
De broer van N.A. Bernhard heette ook al H. Bernhard. Deze broer was destijds de eigenaar van de "Telephoon", maar het lijkt dat broer H. soms ook namens de werf optrad. En de werf van N.A. Bernhard had dan weer wel de officiële naam H. Bernhard. Verwarring ligt dus op de loer. Er was ook nog een werf van een broer van N.A. Bernhard in Oostzaan, en N.A. Bernhard werd ook nog eens eigenaar van het voormalige werfje van Kater in Durgerdam. Daar bouwde meen ik Porsius nog lang ronde jachten, een soort boeiers.
Nog meer verwarring: in het werfarchief zitten vermoedelijk ook ontwerpen van een De Vries Lentsch, die na 1900 enige tijd op de werf werkte. En volgens mij zit er documentatie tussen uit de oude werf Meursing in Nieuwendam, waar zoon H. Bernhard de werf van zijn vader voortzette en uitbreidde nadat N.A. Bernhard deze vestiging gekocht had.
Door dit soort dingen ben ik erg behoedzaam geworden met het identificeren van jachten en hun herkomst. Over hetgeen ik heb aangeleverd, ben ik niettemin zeker.
Het ontwerp van de jachten werd uitbesteed bij een tekenaar van naam. Lijnenplannen uit deze periode zijn gesigneerd door M.L. van Breen.
Machiel Leendert van Breen (geboren 1841 Vlissingen en overleden in Den Haag 1925) was eerst "Hoofd A. Min. van Marine" en vanaf 1906 "Hoofdtekenaar". Aanvankelijk in Vlissingen, en later in Amsterdam. Blijkbaar deed hij de jachtjes voor Bernhard er bij.
Personeel werd zonodig geronseld in de noordelijke provincies. Tuigen gebeurde bij de firma Schouten in Gouwsluis. Bij aanbestedingen kon Bernhard op deze manier scherp inschrijven. Met deze troeven was Nicolaas Adrianus Bernhard voor de klassieke jachtbouwers een nieuwe en gevaarlijke concurrent. Hij veroverde zich binnen enkele jaren een plaats op de markt voor boeiers en Friese jachten. In vijftien jaar bouwde hij tenminste tien boeiers. Hij had het voordeel in Amsterdam te zitten, waar het geld rondging. De zeilvereniging Het Y was zijn vaste klantenkring. Zijn broer Harmen was daar vooraanstaand lid en een geduchte wedstrijdzeiler, maar ook actief op de werf.
Van deze boeiers zijn er volgens de heer E.H. Bon (zie artikel Spiegel der Zeilvaart 1993 nr 6 hieronder), gebouwd respectievelijk in 1885, 1892, 1898, 1900, 1919 en 1938. Met het weer in de vaart komen van de boeier "Ludana" zijn de Nederlandse wateren een bijzonder schip rijker geworden. Dit schip, de grootste houten boeier van de Ronde- en Platbodemvloot, werd in 1898 gebouwd door Bernhard in Amsterdam. Een goede gelegenheid om de aandacht te vestigen op deze Hollandse boeierbouwer. Rond 1900 was het plezierzeilen voor lang niet zovelen weggelegd als tegenwoordig, en zeker niet het zeilen in boeiers. Die zijn daarom nooit in grote aantallen gebouwd. De geleidelijk afnemende belangstelling voor het traditionele schip in het begin van deze eeuw was er de oorzaak van dat van dat toch al kleine aantal uiteindelijk maar weinig is overgebleven.


Ewoud Bon schrijft:
De meeste boeiers die nog in oude glorie rondvaren zijn afkomstig uit Friesland. Toch werden ze vroeger in andere provincies ook gebouwd (bijv. de Zaanse. de Amsterdamse. de Leidse en de Dordtse boeier). Tegen het eind van de vorige eeuw hadden deze lokale vormen echter plaats gemaakt voor een standaardtype verwant aan (of afgeleid van) de tjalk, eertijds het meest verbreide binnenlandse beurtschip. Onder de niet-Friese boeiers nemen die van Bernhard een belangrijke plaats in. Van deze boeiers zijn er hij mijn weten nog 6 over, gebouwd respectievelijk in 1885. 1892. 1898, 1900, 1919 en 1938.
Harmen Bernhard Sr. bezat sinds 1851 de scheepswerf „Het Jagt" aan de Lijnbaansgracht in Amsterdam. Behalve trekschuiten en zolder- of dekschuiten zijn hier ook een stel hekjachten gebouwd, een mooi antiek scheepstype, boeierachtig van voren. met een platte spiegel achter en onder de helmstok een kajuit of paviljoen, achterin en opzij voorzien van grote ramen. De zoon van Harmen, Nicolaas Adrianus, die in 1880 de werf overnam, kwam met nieuwe ideeën. Hij begon in ijzer te bouwen en voor de pleziervaart liepen er boeiers van het "moderne" type van stapel, de eerste in 1884 voor zijn broer Harmen Jr. de „Telephoon" genaamd. Die naam duidt op iets nieuws en iets snels: de telefoon was in 1876 door Bell uitgevonden.
In hetzelfde jaar werd de „Wilhelmina" gebouwd, gevolgd door de grote boeier „Brunette" voor de zoon van de Amsterdamse notaris Molenpage, die de eerder genoemde hekjachten had laten bouwen en die kennelijk ook met zijn tijd mee wou gaan. Beide schepen zijn allang verdwenen, maar de in 1885 gebouwde „Nora" bestaat nog en heet nu „Phoenix"

Zoals vermeld, kwam Nicolaas Adrianus bij de overname van zijn vaders bedrijf met nieuwe ideeën, ook in de jachtbouw. Voor de pleziervaart liepen er boeiers van het 'moderne' type van stapel, de eerste in 1884 voor zijn broer Harmen Jr, "Telephoon" genaamd. Voor ons staat buiten kijf dat Nicolaas zich heeft laten inspireren door het succes van Eeltje Holtrop van der Zee in die jaren. Zoals we reeds zagen, was onder meer door de voortdurende uitbreidingen van de stad Amsterdam, met name langs de oevers van het IJ, de zeilerij aldaar in de voorafgaande jaren in een staat van stagnatie geraakt. Wij zagen ook dat hiertegen een reactie op gang kwam die onder meer leidde tot de oprichting van de Zeilvereeniging "Het Y" en de stichting van een eigen jachthaven voor die vereniging.
Opvallend is dat juist in 1880 de Amsterdamse oud-Indischman Clignett aan de Jouster werf opdracht had gegeven een nieuwe boeier te bouwen en dat in de jaren daarna verschillende andere opdrachten uit Holland volgden.
Nicolaas Bernhard zal de gezonde ambitie hebben gehad een deel van deze nieuwe opdrachten voor zijn bedrijf te verwerven. Inderdaad lukte het hem in de jaren daarna van een aantal Amsterdamse notabelen de opdracht voor de bouw van een boeier binnen te halen, zodat hij zijn `nieuwe ideeën' in de praktijk kon verwezenlijken. Het ligt wel voor de hand dat de boeiers van Eeltje Holtrop van der Zee Nicolaas Bernhard min of meer tot voorbeeld hebben gediend toen hij zelf tot het bouwen van plezierboeiers overging. Het is ontegenzeglijk waar dat hij erin slaagde een eigen karakter aan zijn schepen mee te geven. In tegenstelling tot Van der Zee werden op de Bernhard-werf de schepen niet op het oog gebouwd, maar eerst getekend en daarna gebouwd. Twee van dergelijke tekeningen van houten boeiers zijn opgenomen in het boek van H. Kersken Sr, die zelf in zijn jonge jaren bij Bernhard heeft gewerkt.
Wij hebben helaas geen primaire documenten als werfboeken of andere bescheiden van de werf zelf onder ogen gehad. Daardoor berust het hierna te geven overzicht op secundaire bronnen, zoals het reeds genoemde artikel van Bon in het blad Spiegel der Zeilvaart uit 1993. Dit artikel bevat een opsomming van de boeierproductie op de werf aan de Lijnbaansgracht en die te Nieuwendam op grond van zijn naspeuringen in het Amsterdamse Scheepvaart Museum en gesprekken met nazaten van N.A. Bernhard.
| Bouwjaar | Opdrachtgever | Lengte | Bijzonderheden | Naam | |
| 1. | 1884 | H. Bernhard Jr Amsterdam | 8,66 | Telephoon | |
| 2. | 1884 | C. Jaski Amsterdam | 8,73 | Wilhelmina | |
| 3. | 1884 | H. Molenpage Amsterdam | 10,57 | Brunette | |
| 4. | 1884 | W.C. Havie Amsterdam | 8,1 | Hendrika | |
| 5. | 1885 | Y. Feenstra Amsterdam | 8,06 | Nora | |
| 6. | 1887 | P. Altink Jr Amsterdam | 11,01 | Elisabeth | |
| 7. | 1887 | G. Roeters van Lennep Amsterdam | 9,1 | Parkeler (Lethe) | |
| 8. | 1889 | C.P.J. Vuerhard Amsterdam | 8,8 | Fata Morgana nu Phoenix (Willemina, Piet Hein, Miami) | |
| 9. | 1894 | N.J.C. Lette van Oostvoorne, Amsterdam | 10,25 | Fenna, Ludana (Olga, Hludana) | |
| 10. | 1895 | D. Slis Pzn Middelharnis | 8,1 | Albatros | |
| 11. | 1900 | onbekend - | Geklonken staal/ijzer. Gebouwd bij Schouten te Muiden. Ontwerp van N.A. Bernhard. | Sextet | |
| 12. | 1919 | gebouwd voor eigen rekening - | Geklonken staal/ijzer | Frans Naerebout | |
| 13. | 1932 | gebouwd voor eigen rekening - | 9 | Bovendeel van de romp in klinkwerk uitgevoerd. De huidplaten zijn gelast. Afgebouwd in 1960 in Voorschoten. | Vrouwe Christina |
Dit overzicht behoeft echter enige correctie, zoals hierna zal blijken. Ten eerste is daar een brief uit 1955 van Harmen Bernhard Nzn aan de heer F.G. Spits, de eerste beheerder van het in datzelfde jaar opgerichte Stamboek Ronde en Platbodemjachten. De brief bevat een aanvulling op het overzicht van Bon. Verder zijn uit de negentiende-eeuwse wedstrijdlijsten van de KNZRV en het oudste register van gemeten wedstrijdjachten enkele conclusies te trekken, zoals hierna zal blijken.
Tussen 1884, toen als eerste de "Telephoon" van stapel liep, en 1900 zijn in totaal tien houten boeiers gebouwd. Aan het overzicht van Bon moet blijkens bovengenoemde brief de boeier "Hendrika" worden toegevoegd. Anderzijds blijkt dat de boeier "Persévérance", die volgens Bon in 1899 voor een Antwerpse opdrachtgever zou zijn gebouwd, reeds voorkomt in het jaar 1896 in het oudste register van gemeten wedstrijdjachten. In het register wordt uitdrukkelijk verwezen naar een meting in 1890 van de boeier "Catharina Elisabeth", die exact dezelfde afmetingen blijkt te hebben als de in 1896 gemeten "Persévérance". Deze boeier zou dus niet door N.A. Bernhard gebouwd zijn maar door E.H. van der Zee.
Van de dertien boeiers in de tabel zijn er heden, voor zover wij hebben kunnen achterhalen, nog vijf in de vaart, twee gebouwd in hout en drie in staal, en wel de volgende nummers:
In 1885 werd de Zeilvereeniging 'Het Y' opgericht en een eigen jachthaven gerealiseerd. Het openingsfeest met ouderwets admiraalzeilen op het IJ, waarbij `admiraal' Clignett met zijn Friese boeier een hoofdrol speelde, werd een groot succes. Doordat nu ook de Koninklijke Zeil- en Roeivereeniging uit haar lethargie ontwaakte, leek de zeilerij in Amsterdam en omgeving een opleving tegemoet te gaan. Dit oplevend enthousiasme leidde zelfs tot de bouw van een aantal nieuwe boeiers voor rekening van Amsterdamse en andere Hollandse opdrachtgevers, zowel op Friese werven als op de Amsterdamse werf van Bernhard, zoals hierna ter sprake zal komen.
Bij onze speurtocht naar boeiers in de negentiende eeuw zijn de archieven van verenigingen die destijds wedstrijden uitschreven, waardevolle bronnen. Ook het gedenkboek van Ernst Crone bevat waardevolle informatie met name betrekking hebbende op de omgeving van Amsterdam.
Bij de beschrijving van het Scheepstype Boeier hebben we ook het hoofdstuk uit het boek De Boeier van Vermeer, dat handelt over de Boeier als wedstrijdjacht opgenomen.
Zoals vermeld, Nicolaas Bernhard waagde zich ook in de jachtbouw aan de introductie van staal. Als eerste probeersel in ijzer liep in 1892 een schip met een lengte van 15 meter van stapel, de "Nautilus". Naar huidige maatstaven is dit geen echte boeier. De lijnen zijn duidelijk aangepast voor gebruik op groot open water: een V-vormige bodem en een naar verhouding zeer grote holte. Afgezien van deze eersteling, die nog aan de Lijnbaansgracht tot stand kwam en al spoedig naar Engeland werd verkocht, is naar ontwerp van Bernhard een drietal stalen schepen gebouwd. Op grond van hun onvervalste klassieke vormen verdienen ze wel degelijk de naam van boeier. Gezien het ontstaan vanaf 1900 veronderstellen wij dat de stalen boeiers onder toezicht van zoon Harmen Nzn te Nieuwendam zijn ontstaan.
In totaal zijn dus dertien boeiers naar ontwerp van Nicolaas Adrianus Bernhard gebouwd, tien in hout en drie in staal. Deze dertien zijn in bovenstaande tabel in chronologische volgorde bijeengebracht. Afgezien van de door ons aan Van der Zee toegeschreven "Persévérance"/"Catharina Elisabeth" wijkt dit overzicht ook overigens iets af van dat in het artikel van Bon. De rechtvaardiging hiervoor moge blijken uit de beschrijving van de historie van de betreffende schepen.
Opvallend is dat in de zes jaar van 1884 tot en met 1889 acht houten boeiers van stapel liepen, alle gebouwd voor rekening van inwoners van Amsterdam. Hier weerspiegelt zich de oplevende belangstelling voor de zeilsport, die in 1884 onder meer leidde tot de oprichting van de Zeilvereeniging 'Het Y'. De meeste opdrachtgevers waren inderdaad lid of bestuurslid van deze vereniging. Pas weer in het midden van de jaren negentig kwamen nog twee houten boeiers tot stand, waarvan één voor een niet-ingezetene van de stad Amsterdam.

Registratie in het Stamboek onder nummer 9145
Ls/B: 8,66/3,58 m
Bouwjaar: 1884
Gebouwd voor Harmen Bernhard jr, Amsterdam Laatst bekende eigenaar: J.G. van Rossum, Rotterdam
De eerste boeier die onder verantwoordelijkheid van Nicolaas Adrianus Bernhard op de werf Het Jagt aan de Lijnbaansgracht van stapel liep, was bestemd voor zijn broer Harmen jr. De naam "Telephoon" moest in die dagen kennelijk associaties oproepen met het toen nieuwe en snelle communicatiemiddel van die naam. Harmen Bernhard jr was op-en-top een watersportman. In zijn jonge jaren ontpopte hij zich als een fanatieke wedstrijdzeiler, die niet gauw een gelegenheid om te hardzeilen oversloeg, met name bij zijn eigen vereniging `Het Y'. Hij was, zoals Crone in zijn gedenkschrift opmerkt ... een liefhebber van zeilen zooals er weinig waren, een kenner van schepen ook, ... een der ijverigste leden der vereeniging. Ook bij de wedstrijden van de KNZRV verscheen hij aan de start: In de bewaard gebleven deelnemerslijsten van deze vereniging komt H. Bernhard met de boeier "Telephoon" voor in de jaren 1885, 1889, 1890, 1896 en 1897. In 1885 waren de concurrenten: Wouda uit Sneek met de "Bever" en de Amsterdammers Molenpage met "Brunette", Feenstra met "Nora" en Havie met "Hendrika". In 1889, 1890, 1896 en 1897 ontmoette de "Telephoon" verschillende andere Amsterdamse boeiers, waaronder een aantal eveneens gebouwd op de werf van zijn broer Nicolaas, zoals "Fata Morgana" van Vuerhard, "Parkeler" van Roeters van Lennep en opnieuw "Nora", nu eigendom van Bangen. Daarnaast komen in deze jaren aan de start de boeiers "Batavier" van Bakker, "Sperwer" van Jurrjens en "Catharina Elisabeth" van Van Campen (later als "Persévérance" eigendom van Van Vloten en Titsingh). Bernhard meed de oversteek van de Zuiderzee niet, want in 1890 vinden we de "Telephoon" vermeld in de bewaard gebleven deelnemerslijst van de Zeilvereeniging 'De Zevenwolden' in Lemmer, die toen haar 25-jarig bestaan vierde met een groots georganiseerde hardzeilerij (zie par. 3.2.4). In de klasse `Boeiers en jachten' ontmoette zij de boeiers "Zwijger" van Sleeswijk uit Lemmer, "De Jonge Dirk" van Bakker uit Sneek, "Time is money" van Sult uit Enkhuizen en (de juist nieuw afgeleverde) "Semper Idem" van Wassenaar uit Hilversum. Of Bernhard toen ook de Sneeker Hardzeildag bezocht weten we niet, omdat de deelnemerslijst uit dat jaar niet bewaard gebleven is; de veronderstelling lijkt voor de hand te liggen.
In 1890 begint de officiële meting van wedstrijdjachten namens de Verbonden Zeilvèreenigin-gen van Nederland en België (zie par. 3.1.2). In het bewaard gebleven oudste register van gemeten ronde vaartuigen komt de boeier "Telephoon" voor met een wedstrijdtonnemaat WT van 6,2. Uit de deelnemerslijst van de KNZRV uit 1897, toen een nieuw voorgiftsysteem berustende op de zogenaamde Wedstrijdmaat van kracht was geworden, blijkt dat de "Telephoon" een WM van 8,8 had toegewezen gekregen.
Wanneer Harmen Bernhard zijn boeier verkocht weten we niet precies, waarschijnlijk echter kort na 1900. Op de lijst van vaartuigen van leden van de Zeilvereeniging 'Het Y' uit 1889 vinden we de "Telephoon" inderdaad vermeld; in 1903 blijkt dat zij geen ligplaats meer heeft in de jachthaven van deze vereniging. In 1907 neemt de "Telephoon" deel aan de Sneeker Hardzeildag. Hoewel de betreffende deelnemerslijst in het Fries Scheepvaart Museum ontbreekt, weten we dat uit het clubboekje van de Sneeker Zeilclub uit het jaar 1930. Dit bevat de uitslagen van de hardzeilerij van 21 augustus 1907 op het Sneekermeer: de 1e prijs was voor de boeier "Noordster" van H. van Beek uit Amsterdam en de 2e prijs voor de "Telephoon" van J.G. van Rossum uit Rotterdam. De klasse 'Boeiers' bestond uit zes deelnemers, de andere deelnemers staan helaas niet bij name genoemd. Voorts vermeldt het gedenkboek dat ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de KRZV 'De Maas' in 1951 verscheen, dat in de beginjaren van de 20e eeuw de boeier "Telephoon" eigendom was van J.G. van Rossum (waarschijnlijk de toenmalige Rotterdamse tabaksfabrikant of een familielid daarvan) .
Dit is dan alle historische informatie die wij over deze boeier konden vinden. In het Nederlandsch Jachtregister van 1924-25 komt geen boeier van Bernhard met de naam "Telephoon" voor, noch een andere boeier die wij als de "Telephoon" zouden kunnen identificeren. Mogelijk is hij, zoals zoveel andere ronde en platbodemjachten, na de Eerste Wereldoorlog naar Engeland verkocht.
De bekende eigenaren waren
1884 - 1900 H. Bernhard jr
Amsterdam Telephoon
1900 - J.G. van Rossum
Rotterdam Telephoon
Opmerkingen
Behalve de vorenstaande foto van de "Telephoon" varend op het IJ, is bij nazaten van de bouwer nog een halfmodel bewaard gebleven, waarvan hier een foto is opgenomen. De identiteit staat vast blijkens een origineel naamplaatje achter op de plank. Opmerkelijk is de hoekige vorm van het schijnlicht op het roefdak.
Pieter Halbertsma kwam in de collectie van het MAS in Antwerpen een oude foto tegen van de Parkeler, gebouwd door H. Bernhard in Amsterdam. Ook komt de boeier voor in oude weekjournaals van Polygoon. Hij stuurt de foto rond naar andere belangstellenden en het resultaat van de discussie is de gedeelde conclusie dat de boeier 'Wilhelmina' hetzelfde schip is als de 'Lethe'. Het onderzoek naar de geschiedenis van dergelijke schepen wordt tegenwoordig makkelijker gemaakt door digitale kranten- en tijdschriftenarchieven zoals www.delpher.nl, de digitale database van de Scheepsmetingsdienst en diverse digitale fotoarchieven zoals die van het MAS in Antwerpen.
Een prachtige foto van het boeierjacht "Parkeler" op een rivier

Dat is inderdaad een mooie foto. Er werd veel tuig opgezet. Heel lang had ik van de 'Lethe' (voorheen 'Parkeler') geen afbeeldingen. Afgelopen jaren is dat ruim in orde gekomen!
Ik vraag me al heel lang af wat de relatie is van de 'Parkeler' met de sterk gelijkende boeier 'Wilhelmina'. Die verdween van de radar kort na de bouw in 1886. Een paar jaar daarna duikt de 'Parkeler' met eigenaar Roeters van Lennep voor het eerst op in wedstrijdverslagen (o.a. in 1890). Van de 'Parkeler' ken ik de aanname dat deze in 1886 door Bernhard zou zijn gebouwd, maar ik vond daarvan geen bewijs. De enige basis is voor zover ik weet een vermelding in een “lijst van jachten” in het werfarchief. Die lijst is waarschijnlijk na 1900 door een medewerker opgemaakt, en er zitten nogal wat fouten in. Zou het kunnen dat de 'Parkeler' dezelfde boeier is als de 'Wilhelmina'?
De 'Wilhelmina' werd in 1886 gebouwd door Bernhard, voor eigenaar Jaski. Daarvan ken ik het op naam gestelde bestek, het lijnenplan en het halfmodel. Plus een vermelding in 1886 op naam van Jaski in een schepenlijst van tijdschrift "De Nederlandse Sport". Er zijn mij geen vermeldingen in wedstrijdverslagen bekend. Wilhelmina was een extreem gepiekte boeier.
Kortom: zou het om dezelfde boeier kunnen gaan?
Antwoord Pieter Halbertsma
In een kranten artikel uit 1886 (Delpher) staat dat de Boeier 'Wilhelmina' van Jaski voor het eerst aan de start verschijnt. Dat wijst er dus op dat er daarvoor met een ander schip gevaren werd. Jaski was daarvoor kapitein op een stoomschip de 'Prinses Wilhelmina' tussen Amsterdam en Batavia dus het zou goed kunnen.
Conclusie Jaap Bernhard
In Delpher vond ik in "De Nederlandse Sport":
15-05-1886:
De centreboard 'Henriette Georgina' van J.A. van Straten is overgegaan aan den heer H Bernhard alhier. Van Straten verkoopt dus zijn boot, een centerboard.
08-09-1888 pag 9:
C. Jaski’s 'Wilhelmina' is overgegaan naar J.A. van Straten en zal voortaan de naam van 'Henriette Georgina' voeren. Van Straten koopt in plaats van zijn vroegere centerboard een bestaande boeier, en geeft die dezelfde naam.
20-07-1889 pag 11
De 'Henriette Georgina', zoals we verleden week gemeld hebben in eigendom overgegaan aan den heer G.A. van Lennep, zal voortaan de naam dragen van 'Parkeler'.
Van Straten verkoopt zijn boeier na een jaar aan Jaski, en die noemt haar 'Parkeler'!
Het lijkt er dus op dat de boeier 'Parkeler', dezelfde boot is als de Wilhelmina die bij Bernhard werd gebouwd.
NB. Het boek "De Boeier" is verschenen in 2004 met alle kennis die op dat moment beschikbaar was, vaak via overlevering. Het digitale tijdperk, zoals wij dat nu kennen, moest nog beginnen. Door de digitalisering en nu ook al met behulp van AI, worden we nog regelmatig aangenaam verrast met nieuwe, onbekende informatie.

Registratie 'Wilhelmina' in het Stamboek onder nummer 9148
Ls/B: 8,73/ , m
Bouwjaar: 1884
Opdrachtgever: C. Jaski, Amsterdam
Laatst bekende eigenaar: C. Jaski, Amsterdam
De tweede boeier die onder het patronaat van Nicolaas Adrianus Bernhard aan de Lijnbaansgracht te water liep, was gebouwd voor rekening van de Amsterdammer Christiaan Jaski, telg uit een geslacht van scheepskapiteins, oorspronkelijk afkomstig van Schiermonnikoog. Reeds in 1884 neemt hij met zijn nieuwe boeier actief deel aan de feestelijke tocht op 12 oktober van een groot aantal Amsterdamse zeilers naar Zaandam ter afsluiting van het vaarseizoen. Behalve de nieuwe "Wilhelmina" deden aan deze tocht ook mee de boeiers "Mignon" van Van Meeteren, "Hendrika" van Havie en "Charlotte" van Clignett. Op de bijeenkomst waarop tot deze tocht werd besloten, werd in feite de grondslag gelegd voor de oprichting van de Zeilvereeniging 'Het Y' een halfjaar later. De heer Jaski werd daarvan de eerste voorzitter.4 De naam Jaski kwamen wij reeds eerder tegen. In 1855 liep op de werf van Eeltje Holtrop van der Zee (toen nog in IJlst gevestigd) een boot (Fries jacht) van stapel met een lengte van 23 voet (6,50 meter) voor rekening van F.C. Jaski te Amsterdam. Deze Jaski was waarschijnlijk de vader van degene die dertig jaar later bij Bernhard de boeier "Wilhelmina" liet bouwen.
Slechts eenmaal kwamen wij de boeier "Wilhelmina" van Jaski tegen in een deelnemerslijst van de Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging en wel in 1886. De andere deelnemende boeiers waren toen "Sperwer" van Jurrjens, "Nora" van Feenstra, "Hendrika" van Havie en "Mignon" van Van Meeteren. In 1889 legde Jaski het voorzitterschap van `Het Y' neer, waarbij hij werd opgevolgd door P. Altink Jr van de boeier "Elisabeth". De "Wilhelmina" hebben we na dat jaar niet meer kunnen traceren. In het oudste reglement van geregistreerde wedstrijdjachten, geldig van 1890 tot en met 1896, komt geen boeier "Wilhelmina" voor. Mogelijk heeft zij van een nieuwe eigenaar een andere naam gekregen of is zij naar het buitenland verkocht.
Evenals van de "Telephoon" is het hier afgebeelde halfmodel van deze boeier bewaard gebleven.
PARKELER - Houten Boeier
Registratie 'Parkeler' in het Stamboek onder nummer 9123
Op onze pagina "Papieren Schepenlijsten" in ons hoofdstuk "Stamboek" hebben we een overzicht opgenomen uit het Stamboekarchief "Verdwenen of gesloopte boeiers na 1890".
Gedenkboek Het IJ blz. 116
Wedstrijd in 1893 "kleinere" boeierklasse Parkeler, eig.: Roeters van Lennep.
Gedenkboek de Maas
De kleine boeier Parkeler gebouwd bij Bernhard te Amsterdam in 1887 is omstreeks 1912 naar Rotterdam gekomen, eigenaren: J.C. Haantjens, Gebr. Ruijs.
(0.E. 1922/196) 1922. W.J. van Alphen. Naam Lethe. In 1925 verkocht aan Dr. van Wely die haar mee nam naar Indië.
J.R. 1925
Lethe ex Parkeler. eig. W.J. van Alphen, Rotterdam, boeier W.M. 8.8
OB 18, hout, overdekt, lang 9.15 m. breed 3.15 m. Bouwer H. Bernhard, Amsterdam 1887. Ligplaats de Maas.
Br. E.J. Kuipers te Laren 28/1/1952
Een soort zusterschip van de Ludana 1,5 meter korter was de Parkeler van Roeters van Lennep te Haarlem. Beide mooie Hollandse boeiers, zwaarden en korter gebouwd maar goede zeilers. Gebouwd te Nieuwendam.
Br. Buisman, Zwartsluis 30/1/1952
Beschrijft een wedstrijd op de IJssel bij Zwolle waarbij de Parkeler het van de Sperwer won. Eig. Th. van Heemstede Obelt.
W.S. 1919/224
Wedstrijd de Maas in de boeierklasse 7.5 - 9.5 W.M. Eerste prijs de Parkeler van de Gebr. Ruijs.
Jaarboekje Kon. 1909
Boeier eig. G.J.A. Roters van Lennep
Foto in W.S. 1925/3
Opgave Petrejus, 1914 - 1922 eig. Gebr. Ruijs, Rotterdam.

Latere naam: Lethe
Bouwjaar: 1887
Opdrachtgever: G.J.A. Roeters van Lennep, Amsterdam
Laatst bekende eigenaar: Dr L.C. van Wely, Rotterdam
Zeilnummer: 18OB
De tweede boeier die Nicolaas Bernhard in het jaar 1887 afleverde, was gebouwd in opdracht van de heer G.J.A. Roeters van Lennep, wijnhandelaar te Amsterdam. De naam "Parkeler" was ontleend, zoals mevrouw De Blocq van Kuffeler-Roeters van Lennep te Bergen ons vertelde, aan de naam van het landhuis in het Gelderse Twello, dat in de tweede helft van de negentiende eeuw eigendom was van de familie Roeters van Lennep.69 Ook van deze boeier zijn in het oudste meetregister (Bijlage M) de afmetingen af te lezen. De "Parkeler" is tweemaal gemeten, in 1890, het eerste jaar dat hij in wedstrijden uitkomt, en nogmaals in 1893, met klein verschil in lengte en in wedstrijdtonnemaat, namelijk 7,2 en 7,3. De naam Roeters van Lennep komt tot en met 1909 voor in alle bewaard gebleven ledenlijsten van de KNZRV. In de ledenlijsten van de Zeilvereeniging 'Het Y' komt hij niet voor.
Van 1890 tot en met 1895 kwam Roeters van Lennep met de "Parkeler" in de wedstrijden van de KNZRV aan de start en elk jaar ook was Jurrjens met zijn "Sperwer" zijn concurrent. Maar ook andere Amsterdamse boeiers nemen aan deze evenementen deel, zoals in 1890 H. Bernhard met "Telephoon", in 1891 J.Th.C. van Campen met "Catharina Elisabeth", in 1892 de heren De Wetstein Pfister en Thurkow met "Fata Morgana", maar ook J.F. Bangen met "Nora" en W. Heijbroek met "Hora". De twee laatstgenoemden kwamen eveneens in 1893, 1894 en 1895 aan de start. Ten slotte kwam Van Lennep nog eenmaal uit in 1898, met als tegenstanders Joh. Smit uit Slikkerveer met de nieuwe ijzeren boeier "Kampioen" en opnieuw "Nora" van Bangen. Vermeldenswaard is een mededeling in een brief uit 1952 van de heer R. Buisman te Zwartsluis aan de secretaris van de toenmalige Commissie Stamboek Friese Ronde Jachten, C.J.W. Van Waning. De heer Buisman schrijft als veertienjarige in 1899 getuige te zijn geweest van een zeilwedstrijd op de Gelderse IJssel bij Zwolle tussen de boeiers "Parkeler" en "Sperwer". Wie van de twee toen won wist hij niet meer. Hieruit blijkt dat Roeters van Lennep voor grotere tochten niet terugschrok. In Friesland is hij voor zover wij konden nagaan niet geweest.
Berichten van deelname aan wedstrijden na 1900 hebben we niet gevonden. Zeker is echter dat de "Parkeler" in 1909 nog in het bezit was van de heer Roeters van Lennep. Na zijn overlijden in 1911 ging de boeier naar Rotterdam, zoals blijkt uit het al meermalen aangehaalde gedenkboek van de Koninklijke Roei- en Zeilvereeniging 'De Maas'. Dit vermeldt': ... dat de kleine boeier "Parkeler", gebouwd bij N.H. Bernhard te Amsterdam in 1887, omstreeks 1912 naar Rotterdam kwam en achtereenvolgens eigendom was van J.C. Haentjens, de Gebrs Ruys en - in 1922 - van WI van Alphen. Zij kreeg onder laatstgenoemde de naam van "Lethe" ...
Onder deze naam komt de boeier inderdaad voor in het Nederlandsch Jachtregister van 1924-25 op naam van W.J. van Alphen te Rotterdam, bouwer Bernhard 1887, afmetingen 9,15 bij 3,15 meter; als wedstrijdnummer staat genoteerd 18OB, de wedstrijdmaat is 8,8. In de Appendix bij het Nederlandsch Jachtregister staat vermeld dat de thuishaven van de "Lethe" Batavia (Nederlandsch-Indië) was geworden. De nieuwe eigenaar, Dr L.C. van Wely, had haar inderdaad meegenomen naar zijn standplaats Batavia. Diens zoon, de heer R. van Wely te Rotterdam, berichtte ons dat zijn vader destijds lid was van de Bataviasche Jachtclub; het schip had ligplaats in een jachthaven aan het Kotjakanaal oostelijk van de havenplaats Tandjong Priok. Er werden wedstrijden gezeild in de baai van Batavia. Toen Dr Van Wely in 1936 naar Bandung werd overgeplaatst, verkocht hij de boeier aan twee jongelui. Deze waren van plan ermee te gaan vrachtvaren tussen de eilanden. Het lijkt waarschijnlijk dat de boeier de Tweede Wereldoorlog niet heeft overleefd.
De bekende eigenaren waren dus
1887 - 1911 G. Roeters van Lennep Amsterdam Parkeler
1912 - J.C. Haentjens Rotterdam Parkeler
- 1922 Gebrs Ruys Rotterdam Parkeler
1922 - 1925 W.J. van Alphen Rotterdam Lethe
1926 - 1936 Dr L.C. Van Wely Batavia Lethe
na 1936 onbekend

De tenaamstelling van het bestek is glashelder. De afmeting correspondeert exact met die op het lijnenplan. Dat plan staat niet op naam, maar gezien jaartal en afmetingen neem ik aan dat het dezelfde boeier is. Je zou dat kunnen bewijzen door het bestek opnieuw uit te tekenen, maar dat is me te veel werk. Het halfmodel komt exact overeen met het lijnenplan. Op het halfmodel zit bovendien een oud naamplaatje “Wilhelmina”. Met die naamplaatjes is volgens mij wel eens iets mis gegaan, maar in dit geval lijkt het me correct.
Kortom: deze set lijkt inderdaad te zijn gemaakt voor de bouw van de 'Wilhelmina' in 1886 die vervolgens ook op tenminste één wedstrijd is gestart. Weliswaar zou volgens Vermeer - met bronvermelding - Jaski met de Wilhelmina al in 1884 naar Zaandam zijn gezeild, maar dat lijkt me een vergissing, tenzij er ook al een oudere 'Wilhelmina' heeft bestaan. Er is overigens een vermelding van de 'Wilhelmina' in een schepenlijst in DNS uit 1886 waarin de lengte over de stevens op 8.73 werd gesteld. De boot is naar mijn weten niet door de KZRV gemeten. Kort na 1886 is de boot van de radar verdwenen. Dat is eigenaardig, want Jaski was in die tijd een zeer bekend en vooraanstaand lid bij de KZRV.
De 'Parkeler' was even groot als de 'Wilhelmina' en zou een jaar later zijn gebouwd op dezelfde werf. Aanvankelijk heb ik ze verwisseld. Pas nadat ik ook het bestek vond (bij Het Kromhout) werd e.e.a. me duidelijk. Verder zijn er de gegevens uit het meetregister van de KZRV en de 'Parkeler' verscheen vanaf 1890 in wedstrijdverslagen.
De 'Brunette' van Molenpage was, anders dan meestal wordt aangenomen, geen boeier die werd ontworpen en gebouwd door NA Bernhard. De 'Brunette' stond in 1884 wel bij Bernhard op de helling, maar dat was voor een ingrijpende renovatie in opdracht van Molenpage. Het zou gaan om het voormalige “17 tons Friesche kopjacht” 'Dolphijn'. Zie bijgaand artikel in De Tijd, 1884.
Vóór 1884 was de 'Dolphijn' van P Altink jr. Altink was blijkbaar in 1884 over de oude “boeier” niet meer tevreden. Altink zal om die reden de 'Dolphijn' hebben verkocht aan Molenpage. Altink gaf zelf kort daarna opdracht aan NA Bernhard voor het bouwen van de boeier 'Elisabeth' (daarbij ook het artikel in het Y-Journaal zomer 2020: P. Altink Jr. : Y-lid van het eerste uur).
Van 'Brunette' ken ik alleen de gegevens die zijn genoemd in het boek van Vermeer. De Dolphijn van Altink heb ik niet kunnen achterhalen.

Mensenredder met de Dolphijn
De eerste zeilwedstrijd waarmee Altink in de krant verschijnt is begin oktober 1882, waar hij zeilt in de klasse 'overdekte platbodems (boven 7 ton)' met de Dolphijn.
Het is waarschijnlijk het '17 tons friesche kopjacht Dolphijn' geweest, de in 1884 bij werf "Het Jacht" van Bernhard in Amsterdam `grotendeels vernieuwde boeier', die later door H. Molenpage Brunette wordt gedoopt. Waarschijnlijk was hier sprake van restauratie in plaats van nieuwbouw, zoals tot nu toe gedacht. Pieter Altink komt vaker met de Dolphijn aan de start, zo wint hij op de Voorzaan in 1883 een wedstrijd.
In juli 1884 redt Altink met zijn Dolphijn op de Zuiderzee, ter hoogte van Naarden, de omgeslagen tjotter Henriëtte van ene `van Kampen'. De vijf bemanningsleden worden van een `wissen dood gered' zo melden De Tijd en De Gooi- en Eemlander.


Registratie in het Stamboek onder nummer 9204
Ls/B: 10,60/3,62 m
Bouwjaar: 1884
Opdrachtgever: H. Molenpage, Amsterdam
Latere eigenaars: Onbekend
De derde boeier die Nicolaas Adriaan Bernhard in 1884 bouwde, was bijna twee meter langer dan de beide voorgaande. De opdrachtgever was de heer H. Molenpage, zoon van notaris C. Molenpage, die vader Harmen Bernhard sr in 1855 had geholpen de werf Het Jagt aan de Lijnbaansgracht te beginnen en voor wie hij volgens Bon in 1851 een paviljoenjacht genaamd "De Koophandel" bouwde en in 1875 een hekjacht met de naam "De Watergeus".
Over deze boeier, die de naam "Brunette" kreeg, is weinig bekend. Molenpage moet lid zijn geweest van verschillende Amsterdamse zeilverenigingen. In ieder geval was hij lid van de in 1885 opgerichte Zeilvereeniging 'Het Y'; maar ook van de Amsterdamsche Roei- en Zeilvereeniging 'De Hoop', want in het oudste meetregister van de Verbonden Zeilvereenigingen van Nederland en België staat hij vermeld als lid van deze vereniging; mogelijk was "De Hoop" de thuishaven. Verder komt ook nog een vermelding voor in de ledenlijst van de Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging van 1894. De meting van de "Brunette" als wedstrijdjacht door de Officieele Commissie van de Verbonden Zeilvereenigingen vond plaats in het jaar 1890, de wedstrijdtonnemaat kwam uit op WM = 8,4. Een hermeting vond plaats in 1893.
Wat de deelname aan wedstrijden betreft, wij vonden de boeier "Brunette" vermeld in programma's van de KNZRV in de jaren 1884, 1885, 1887 en 1893 tot en met 1895. In 1893 en 1895 staat in het programma als eigenaar genoteerd de Amsterdamsche Roei- en Zeilvereeniging 'De Hoop'. Na laatstgenoemd jaar hebben wij geen vermeldingen van deze boeier gevonden. Mogelijk dat hij naar het buitenland is verkocht of een andere naam gekregen heeft, waardoor de identiteit niet meer vastgesteld kan worden.

Registratie in het Stamboek onder nummer 9208
Ls/B: 8,10/ m
Bouwjaar: 1884
Opdrachtgever: W.C. Havie, Amsterdam
Laatst bekende eigenaar: W.C. Havie, Amsterdam
Als aanvulling op een artikel van F.G. Spits over de boeiers van Bernhard in de 'Waterkampioen' van 1955 schreef H. Bernhard Nzn aan de heer Spits een brief met enige aanvullingen over de jachtproductie op de werf 'Het Jacht'. Hij noemt daarin ook de boeier "Hendrika" gebouwd voor W.C. Havie. Het bouwjaar vermeldt hij niet. Daar de boeier "Hendrika" voor de eerste keer voorkomt in de deelnemerslijst van de Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging van 1884, nemen wij aan dat dit ook het bouwjaar van deze boeier was. Uit het gedenkboek van Crone blijkt dat Havie ook tot de oprichters van de Zeilvereeniging 'Het Y' behoorde. De lijst van boeiers en jachten van leden van 'Het Y' uit 1889 vermeldt voor de "Hendrika" een lengte over de stevens van 8,10 meter en een waterlijnlengte van 7,52 meter. Deze boeier was niet het eerste zeiljacht dat Havie bezat. De bewaard gebleven deelnemerslijst van de KNZRV uit 1880 vermeldt een klasse 'Jachten en Boeijers' boven 6 tot en met 8 meter, waarin zes 'tjotters' staan genoteerd (in feite Friese jachten volgens huidige opvattingen), onder meer een genaamd "Beijenkorf' van W.C. Havie uit Amsterdam en een "Charlotte" van Clignett eveneens uit Amsterdam. Ook Havie behoorde dus tot de degenen die in het begin van de jaren tachtig een nieuw groter schip in de vorm van een boeier lieten bouwen.
Zoals gezegd, Havie kwam in 1884 met zijn nieuwe boeier uit in de wedstrijd van de KNZRV, 'Jachten, Boeijers enz., met vaste roef boven 7 tot en met 10 meter. De klasse telde zes deelnemers; behalve de "Hendrika" namen deel: "Brunette" van Molenpage, "Charlotte" van Clignett, "Batavier" van Bakker, "Mignon" van Van Meeteren en "Antonia Jacoba" van Lefering. Ook de volgende jaren komen steeds veel boeiers aan de start en Havie doet elk jaar mee, het laatst in 1888. Het lijkt erop dat Havie zijn boeier na dat jaar van de hand heeft gedaan, want de vermelding in de ledenlijst van 'Het IJ' uit 1889 is de laatste die we hebben gevonden. Met name komt de "Hendrika" niet voor in het oudste meetregister van de Verbonden Zeilvereenigingen van Nederland en België, dat betrekking heeft op de periode 1890 tot en met 1896. Mogelijk heeft deze boeier bij een volgende eigenaar een andere naam gekregen.

Registratie in het Stamboek onder nummer 9184
Ls/B: 8,06/3,56 m
Bouwjaar: 1885
Opdrachtgever: Y. Feenstra, Amsterdam
Laatst bekende eigenaar. J. Fred. Bangen, Amsterdam
De vijfde boeier die door N.A. Bernhard werd afgeleverd was een opdracht van Y. Feenstra te Amsterdam. Tot voor kort werd deze aangezien voor de heden nog bestaande boeier "Phoenix". Met name in het artikel over de boeiers van Bernhard in het blad Spiegel der Zeilvaart gaat de auteur, de toenmalige eigenaar E.H. Bon hier zonder meer van uit. Pas sinds kort kennen wij evenwel de afmetingen van de meeste door Bernhard gebouwde boeiers vrij exact, dankzij het oudste register van gemeten wedstrijdjachten dat in 1998 uit het archief van de Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging tevoorschijn kwam. Het blijkt dat de boeier "Nora", in 1892 en 1893 gemeten door de Officieele Commissie voor het meten van zeilvaartuigen van de Verbonden Zeilvereenigingen van Nederland en België, een lengte had van 8,06 meter en een breedte van 3,56 meter; de wedstrijdtonnemaat WT bedroeg 5,6. De lengte blijkt dus bijna een meter minder dan die van de huidige "Phoenix"; de schepen kunnen derhalve niet identiek zijn.
Zowel Feenstra, als de volgende eigenaar J.F. Bangert, vinden wij veelvuldig vermeld in de deelnemerslijsten van de KNZRV, Feenstra in de jaren 1886 en 1887, Bangen vanaf 1892 tot en met 1901 elk jaar (met uitzondering van 1897). Samenvattend geven wij een overzicht van de andere boeiers waarmee "Nora" zich moest meten. Feenstra kwam uit tegen de nieuwe boeiers "Wilhelmina" van Jaski en "Sperwer" van Jurrjens, alsmede tegen "Hendrika" van Havie, "De Batavier" van Bakker en "Mignon" van Van Meeteren. Bangen ontmoette, behalve in alle wedstrijden weer de "Sperwer", nog de volgende boeiers: "Parkeler" van Roeters van Lennep, "Fata Morgana", achtereenvolgens van De Wetstein Pfister & Thurkow en van Van Hall & WalIer, "Hora" van Heijbroek, "Albatros" van Slis en "Telephoon" van Bernhard. Verschillende van deze boeiers zijn in dit boek beschreven. Wanneer precies Bangert de boeier van Feenstra overnam, is niet bekend, in ieder geval uiterlijk in 1892.
Duidelijk tot zeer grote welstand gekomen geeft de heer Bangen in 1911 opdracht aan Auke van der Zee een boeier van ruim 18 meter te bouwen, die onder de naam "Almeri" in 1912 te water liep. Aan wie de "Nora" werd overgedaan hebben wij helaas niet kunnen opsporen.
bouwjaar: 1885
afmetingen: 8.06 x 3.43
opdrachtgever: Y. Feenstra
latere eigenaren: o.a. J. Bangert (1892-1912)
lijnenplan: op textiel/transparant, naamloos, en ongedateerd bij Bertus Bernhard
identiek plan in Kerskens, nr 21.
model: niet beschikbaar.
foto’s: Spiegel der Zeilvaart 1993/nr 6, pag 16. Nora afgemeerd in Muiden, 1912.
kenmerken:
zeilnummer RC 99
kleinere houten boeier, ondiep, licht gepiekt.
overige documentatie:
Zeilde blijkens wedstrijdregister met eigenaar Bangert wedstrijden bij ZV het IJ, in de periode 1895- 1900
Opgenomen in eerste register van meting KZRV
Zie ook lijst van zeiljachten in De Nederlandse Sport 1886, no 210 pag 15/16

Het Friese jacht Union werd door Bernhard in 1885 op werf “Het Jacht” aan de Lijnbaansgracht in Amsterdam gebouwd voor opdrachtgever Spanjer (= Spanjaard?). Het jacht is in 1890 gemeten en opgenomen in het Register van Meting van de KNZRV. Het zeilde in 1890 met de toenmalige eigenaar Thijssen op wedstrijden op het IJ. In 1894 werd de Union omgedoopt tot La Sandria en verscheept naar Zuid Amerika.
Het originele lijnenplan is gestempeld door scheepswerf Het jacht, en gesigneerd door ontwerper Machiel Leendert van Breen. In het lijnenplan is later met potlood een variant als boeiertje ingetekend.
De Union is afgebeeld in het boekje met aquarellen van Van Konijnberg.
Het bestek ligt in dossier Jachten 1 van de werf Het Jacht van Bernhard, in Museum Het Kromhout in Amsterdam.
De Union is niet vermeld in het boek “Friese jachten” van Vermeer, want was toen nog niet bekend.
Er zijn geen foto’s bekend.


Elisabeth L/B: 11,01/4,27 m,
Bouwjaar: 1887,
Opdrachtgever. P. Altink Jr, Amsterdam,
Laatst bekende eigenaar: P. Altink, Amsterdam
De opdrachtgever was een der initiatiefnemers tot de oprichting in 1885 van de Zeilvereeniging 'Het Y' en bekleedde vanaf 1889 tot zijn dood in 1904 het voorzitterschap. De boeier die hij door Nicolaas Bernhard liet bouwen, was met zijn 11 meter de grootste die aan de Lijnbaansgracht van stapel liep. De precieze afmetingen staan genoteerd in het oud¬ste register van ronde vaartuigen, boeiers enzovoort, gemeten door de Officieele Commissie voor het meten van zeilvaartuigen in Nederland en België uit de jaren 1890 tot en met 1896. De "Elisabeth" was een der eerste boeiers die door deze commissie werd gemeten; de wedstrijdtonnemaat kwam uit op 11,8.
Als voorzitter van Zeilvereeniging 'Het Y' gaf Altink het goede voorbeeld. Hij nam, voor zover wij konden nagaan, deel aan alle evenementen en wedstrijden die zijn eigen vereniging organiseerde, maar ook aan die van de KNZRV van 1887 tot en met 1898. In deze wedstrijden streed hij met de "Elisabeth" tegen de andere grote boeiers uit de regio Amsterdam, als Molenpages "Brunette", de "Maria" van Hendrichs, de "Noordster" van Dury van Beest Holle en later tegen de "Bato" van de gebroeders Bakker.
In 1891 vergezelde hij twee andere Amsterdammers, C. Jurrjens en J.Th.C. van Campen met respectievelijk hun boeiers "Sperwer" en "Catharina Elisabeth" naar Friesland, om deel te nemen aan de Sneeker Hardzeildag.
Interessant is wat de heer Ernst Crone, destijds voorzitter van de KNZRV, in 1953 aan de secretaris van de toenmalige Commissie Stamboek Friese Ronde Jachten C.J.W. van Waning over de heer Altink schreef.
Wij citeren: ... De afbeelding van het boeierjacht op den omslag van de Waterkampioen is zeker niet de "Noordster", die mijn vader eenige jaren bezat. Ik zie er veeleer in de "Elisabeth" van de heer P. Altink jr, destijds voorzitter van de Zeilvereeniging "Het Y". De heer A. bezat die houten boeier tot 1900 of 1901 toen hij een stalen Lemsteraak liet bouwen, die ook "Elisabeth" werd genoemd. Aan boord van dat jacht overleed hij in 1904. ...
De Lemsteraak van den heer Altingh kwam later aan den heer Tromp Meesters te Steenwijk, veel later aan een mijnheer van Vloten te Brussel, die aan boord woonde in Nederland gedurende de vorige oorlog. Later werd het de "Karin" van Piet Blom. Als kleine jongen heb ik nog wel eens aan boord van de houten "Elisabeth" meegevaren. De heer A. woonde Keizersgracht 119, waar in een tochtdeur in de hall een matglas zat met afbeelding van de houten "Elisabeth". Eenige jaren geleden zag ik de deur eens openstaan en zag ik de afbeelding op glas nog.
Aan wie de boeier "Elisabeth" omstreeks 1900 is verkocht hebben we niet kunnen achterhalen.
Ook van deze boeier is een halfmodel met origineel naamplaatje bewaard gebleven.


Registratie in het Stamboek onder nummer 9189
Gedenkboek Het IJ
blz. 167 - In 1887 onderging de jachtvloot zelfs een uitbreiding van 6 schepen, waarvan enige nieuw gebouwd waren, zoals de boeier Elisabeth van den Heer Altink.
blz. 115 - Wedstrijden op het IJ in 1888: w.o. de boeier Elisabeth van den Heer P. Altink Jr.
blz 193 - Het jaar 1901 leverde grote aanwinsten op voor de vloot der vereniging o.a. de grote en fraai ingerichte stalen boeier Elisabeth van den Heer Altink.
blz. 198 - De Heer Altink overleed aan boord van de Elisabeth in Zeeland (1904)
Foto in het archief
van de houten boeier - volgens Heer Crone is dit de Elisabeth van Altink geweest. Vlag van de Zeilver. Het Y in de top. Deze foto moet dus van voor 1901 zijn geweest.
Opgave Heer Petrejus
Elisabeth - houten boeier - W.M. 7.1 - bouwer van der Zee te IJlst (!!) -bouwjaar onbekend - Zeilen: Ooms 1893 - volgens Lloyds 1897 - 1901 eigenaar: C. Hooykaas te Rotterdam.
Eigenaar 1900 H. Kortlandt en Jvd. Velden Rotterdam
1902 - 1905 - Jvd. Velden Jr.
Dat de boeier van Kortland c.s. dezelfde is als die van Hooykaas staat niet vast, doch is wel waarschijnlijk; In 1900 had Hooykaas de Sperwer. Voor 1900 eigenaar van P. Altink voorz. Het IJ. Foto watersport 1913 blz. 359.
Lloyds Register
Pamela ex Elisabeth
houten boeier, 27' x 8'
Gebouwd in Friesland, 1900.
Eigenaars:
1911/1913 H.Douglas-Hoberts, Rotterdam
1919 idem, Plymouth
1920 gesloopt.
Misschien dezelfde als de Elisabeth van Altink?
bouwjaar: 1887
afmetingen: 11.05 x 4.00 tonnenmaat 12
opdrachtgever: P. Altink jr.
lijnenplan: spantenplan opgenomen van model,
Zie ook:
Halfmodel met bouwjaar en naam, bij Jaap Bernhard
Foto’s: Scheepvaartmuseum
1999.0026, 1999.0028, Elisabeth
S5707 (08) 24 groepsfoto op Elisabeth foto Dumoulin Koster
S7166 (75) op IJ voor CS, foto Elfrinkhoff
Kenmerken: Grote boeier met gestrekte lijnen, flinke zeeg en vallende steven
Overige documentatie:








Stephens toont ook het lijnenplan vgl Belitz en noemt de naam van tekenaar/ontwerper Van Breen. De boot werd feitelijk gebouwd door Bernhard.


ex Fata Morgana, Willemina, Piet Hein, Miami Bouwjaar: 1889
Opdrachtgever: C.J. Vuerhard, Amsterdam
Huidige eigenaar: N. Krul, Enkhuizen
Zeilnummer: 99 RC
De huidige boeier "Phoenix" kan niet identiek zijn met de door Bernhard in 1885 voor Y. Feenstra gebouwde boeier "Nora", zoals Bon vermeldt in zijn overzichtsartikel in Spiegel der Zeilvaart. Voor de argumentatie zij verwezen naar de beschrijving van de historie van de "Nora". Naar onze mening komt daar eerder voor in aanmerking de boeier die in 1889 als "Fata Morgana" van stapel liep. Met absolute zekerheid kan dat niet worden vastgesteld, maar het is wel zeer waarschijnlijk, zoals uit het navolgende zal blijken.
Deze bijna 9 meter lange "Fata Morgana" is volgens Bon gebouwd in opdracht van C.J. Vuerhard te Amsterdam, volgens Crone een gepensioneerde marineman. Vuerhard bezat eerder al een kleinere boeier of open jacht met dezelfde naam "Fata Morgana", zoals blijkt uit de lijst van deelnemers aan de zeilwedstrijden van de Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging (KNZRV) op het IJ voor Amsterdam in 1886. Dit jacht komt in de klasse 'Jachten en Boeijers enz. boven 5,50 tot en met 8 Meter' uit tegen onder meer de eerste "Annie" van C.A. Volk (zie voor de tweede "Annie" de beschrijving van de "Maartje").
Direct al in het jaar 1889 neemt Vuerhard met zijn nieuwe aanwinst deel aan de zeilwedstrijden van de KNZRV op het IJ voor Amsterdam en op de Zuiderzee buiten de Oranjesluizen. In zijn klasse ontmoette de "Fata Morgana" nog drie andere bijna nieuwe boeiers, en wel de "Telephoon" van H. Bernhard (gebouwd in 1884), de "Sperwer" van C. Jurrjens (uit 1886) en de "Catharina Elisabeth" van J.Th.C. van Campen (uit 1888), alsmede de kleinere "Batavier" van mr W. Bakker. Het is gelijk de enige keer dat Vuerhard met deze boeier aan de start verschijnt. Mogelijk was hij teleurgesteld in de snelheid van zijn schip, zoals zou kunnen blijken uit de verderop te citeren brief. Feit is dat hij het spoedig heeft verkocht, want drie jaar later, in 1892 komt de "Fata Morgana" uit in dezelfde serie wedstrijden, nu eigendom van mr F.J.M. de Wetstein Pfister en mr C.Th.F. Thurkow te S-Gravenhage. In datzelfde jaar is de boeier als wedstrijdjacht gemeten, hetgeen blijkt uit het reeds eerder ter sprake gekomen oudste meetregister van de Verbonden Zeilvereenigingen van Nederland en België. De afmetingen van deze boeier zijn volgens het meetformulier 8,79 bij 3,62 meter en de bijbehorende wedstrijdtonnemaat WT 6,6.
Ook deze heren laten zich slechts eenmaal op de wedstrijdbaan zien. Pas in 1900 en 1901 komt de "Fata Morgana" opnieuw aan de start. Hij blijkt weer in Amsterdamse handen teruggekeerd; eigenaren zijn nu F.A. van Hall en A. Wallen In de klasse met wedstrijdmaat boven WM 7,5 tot en met 9,5 streden in 1900 vijf boeiers om de eerste prijs: "Sperwer", nu van de Rotterdammer C. Hooykaas, de "Persévérance" van F. de Surgeloose, de "Nora" van J.F. Bangen en de nieuwe stalen boeier "Kampioen" van de Marine Jachtclub. In 1901 troffen vier van deze vijf elkaar opnieuw. Er is een fraaie actiefoto overgeleverd van de spannende race tussen "Kampioen" en "Fata Morgana".
Weer enkele jaren later blijkt de boeier eigendom van mr P. Blussé van Oud Alblas te Dordrecht. Diens zoon mr A. Blussé van Oud Alblas schreef in 1953 aan de toenmalige conservator van het Fries Scheepvaart Museum Halbertsma het volgende:
... In 1907 kocht mijn vader een boeier, lang 8,80 m, breed 3,60 m. ... Ik meen dat dit schip vroeger "Morgana" geheten heeft. Mijn vader bracht het in de vaart onder de naam "Willemina".... De overlevering wilde, dat deze boeier voor de hardzeilerij was gebouwd, doch geen succes was geweest. Het schip was buitengewoon fraai gebouwd. Lekkage aan dek of in de roef deed zich nimmer voor. De "Willemina" werd in 1909 door mijn vader verkocht aan W.H. de Vos te Dordrecht - thans nog in leven - die haar weer doorverkocht. Toen in Juli 1914 in België de mobilisatie werd afgekondigd logeerden wij te Duinbergen bij Heijst (België). Op den ochtend van ons vertrek zagen wij de "Willemina" onder de kust voorbij komen, bestemd voor de Wielingen. Het schip zag er toen erg donker en verweerd uit en was vermoedelijk Belgisch eigendom.
Waarschijnlijk vergiste de schrijver van de brief zich (na 45 jaar!) in het jaartal, want de "Willemina" komt al voor op een lijst van deelnemers aan de voorgiftwedstrijden van de Dordrechtsche Roei- en Zeilvereeniging op 11 september 1904. Hoe dit ook zij, het is merkwaardig dat deze boeier, waarover in de brief met zoveel lof werd geschreven, toch telkens maar kort bij zijn respectievelijke eigenaars bleef. Ook W.H. de Vos (lange jaren eigenaar van het bekende Lemsteraak-jacht "Onrust") verkocht hem spoedig weer door, waarschijnlijk naar België, zoals uit de brief zou kunnen worden opgemaakt. De veronderstelling ligt verder voor de hand, dat de Belgische eigenaar bij het uitbreken van de oorlog geprobeerd heeft de boeier in veiligheid te brengen, wij nemen aan naar Nederland en waarschijnlijk naar Rotterdam.
Hier raken wij het spoor van deze boeier bijster. Feit is nu dat omstreeks 1915 een grote boeier van Bernhard eigendom werd van de heer L.J.C. Vuyk jr te Rotterdam onder de naam "Piet Hein", zoals blijkt uit het gedenkboek van de Roei- en Zeilvereeniging `De Maas'. Vuyk had namelijk een Fries jacht met dezelfde naam in 1915 van de hand gedaan. Hij had dit jacht in 1909 overgenomen van Carl Jurrjens, de eerste eigenaar van de beroemde Jouster boeier "Sperwer". Vuyk was in de tijd toen hij het Friese jacht bezat een fervente wedstrijdzeiler. Of hij deze activiteit voortzette met zijn nieuwe boeier hebben wij niet kunnen terugvinden. De hier afgedrukte foto van de "Piet Hein" zeilend in de omgeving van Rotterdam komt voor in het tijdschrift "Ons Element".
Het gedenkboek van 'De Maas' vermeldt dat deze boeier in 1923 eigendom werd van W.N.H. van der Vorm te Rotterdam, een lid van de rederijfamilie van de toenmalige Holland-Amerika Lijn. Diezelfde Van der Vorm bezat eerder een tjotter genaamd "Alfa" (zeilnummer 1 OF, WM 5,0), waarmee hij wedstrijden bezocht, onder andere in 1919 de Tweede Kaagweek. Ook met de tot "Miami" omgedoopte boeier kwam hij herhaaldelijk aan de start, ook weer in de Kaagweek 1924, waar gezeild werd tegen de concurrenten "Albatros" van Bokma, "Mientje" van Touw en "Eudia" van Dieperink. Het Nederlandsch Jachtregister van 1924-25 vermeldt inderdaad de boeier "Miami" (ex "Piet Hein") op naam van W.N.H. van der Vorm te Rotterdam, bouwer H. Bernhard te Amsterdam, bouwjaar 1885 (Bijlage B nr 55); dit moet dus zijn N.A. Bernhard, bouwjaar 1889.
In het aangehaalde gedenkboek van 'De Maas' lezen wij dat "Miami" in 1926 plaats moest maken voor de stalen "Valk", een jacht in reddingbootmodel. Het ligt voor de hand dat Van der Vorm de "Miami" toen heeft verkocht. Een bericht in het tijdschrift "Ons Element" vermeldt inderdaad dat Van der Vorm de boeier heeft verkocht aan A. Oudshoorn te Warmond. Vaststaat, dat in het jaar 1935 de boeier in handen kwam van de Amsterdamse fabrikant Van Werkhoven en dat hij toen verhuisde naar de Loosdrechtse Plassen. Een foto uit dat jaar is opgenomen in "De Waterkampioen. In de stamboekmonografie van Bon gewijd aan deze boeier komt een dochter van Van Werkhoven aan het woord, die in 1979 nog de volgende interessante bijzonderheden weet te vertellen:
... De boeier was tot na de oorlog in ons bezit. De laatste hongerwinter was hij uitgeleend aan verzetsmensen, die met boot en al onderdoken ergens in het riet. Wijzelf hebben van de boeier, de oorlog door, veel genoten. 't Was ons zomerhuis. We zeilden platbodemwedstrijden met de schepen die uit Muiden weg moesten. Later moesten wij nog de zeilen inleveren, maar kwamen toch nog heel veel aan boord. In onze tijd was de boeier nog volkomen origineel, ook de binneninrichting, met in 't vooronder de kooien met schuifdeuren.... Ook de mast had zijn volle lengte met een enorm grootzeil, fok en kluiver. We waren vol tuig een van de snelsten en hij lag heerlijk rustig op 't roer, als de kluiver er maar bij stond. Wij vonden hem wel eens overtuigd. maar daardoor ook zo prachtig.
Tot 1947 bleef de "Miami" in bezit van Van Werkhoven, waarna hij in handen kwam van het jachtverhuurbedrijf Ottenhome te Loosdrecht. Enige jaren later, in 1955, kocht de heer R. Visser te Huizen, directeur van een textielfabriek, de boeier, die zich toen in halfgezonken toestand bevond bij jachthaven 't Kompas. Eigenaar bleek te zijn Th. Cohen te Oud-Loosdrecht. De in zeer slechte staat verkerende boeier werd verhaald naar de botterwerf van Janus Kok te Huizen. In een brief aan de heer Spits schrijft de heer Visser, dat hij de boeier bij Kok laat restaureren, waarbij de roef 10 centimeter wordt verhoogd en naar achteren iets verlengd. Ook "De Waterkampioen" meldt in de rubriek De Uitkijk de restauratie als een verheugend bericht en in de in hetzelfde nummer verschenen eerste schepenlijst van de nieuwe Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten is de "Miami" opgenomen op naam van R. Visser te Huizen.5 De restauratie kostte vrij veel tijd omdat alles boven de berghouten werd vernieuwd. Behalve bovengenoemde wijzigingen aan de kajuit werd het dek vervangen en de kuip zelflozend gemaakt met verhoogde vloer, alles in teakhout. Bovendien werd het boeisel bij de kop iets verhoogd. Ook werd een nieuwe motor ingebouwd en werd het tuig iets verkleind. Na twee jaar kwam de boeier in herboren staat, onder de nieuwe naam "Phoenix", weer in de vaart, net op tijd om aanwezig te zijn bij de overdracht en plechtige tewaterlating van het Prinsessejacht "De Groene Draeck" op 14 juni 1957. Een plaquette die de aanwezigheid daarbij van de boeier aantoont, is nog steeds aanwezig. In de tijd dat de heer Visser de boeier bezat, was het IJsselmeer het vaargebied, met als thuishaven Muiden.
In 1962 meldt H. Engelbracht te Haarlem in een brief aan de secretaris van het Stamboek dat hij de boeier "Phoenix" heeft gekocht van de heer Visser te Blaricum. Hij houdt hem evenwel slechts kort, want reeds na een jaar meldt hij de verkoop aan A. Bos. De heer Bos, huisarts te S-Gravenhage, bezat een zomerwoning in het gebied van de Oude Venen bij Eernewoude, waar de boeier een ligplaats kreeg. Het onderhoud werd gedaan op de werf van Wester in Grouw. Na het overlijden van de heer Bos in 1970 kocht de scheepsbouwer W. Stofberg te Leimuiden de boeier van de weduwe Bos.
In 1973 werd de "Phoenix" eigendom van de heer E.H. Bon te Amsterdam. In overleg met Stofberg werd een meerjaren-restauratieplan opgesteld voor zowat alle onderdelen van het schip en de tuigage. Meteen in hetzelfde jaar werden uitvoerige opmetingen van vorm en constructie uitgevoerd, resulterende in het reeds gememoreerde artikel Beschrijving van de boeier "Phoenix", dat met gedetailleerde tekeningen is opgenomen in de serie monografieën van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten. De familie Bon gebruikte de boeier intensief voor zeiltochten op het IJsselmeer, de Zeeuwse en Friese wateren en de Wadden. In 1986 was de "Phoenix" admiraalschip van de Nederlandse vloot in New York bij de `Operation Sail'. Vanaf 1974 werd meegedaan aan de jaarlijkse zomer reünies van de Stichting Stamboek. Ook aan zeilwedstrijden werd deelgenomen. In de Trintel-wedstrijd op 31 augustus 1974 won de "Phoenix" in zijn klasse de eerste prijs.
De heer J.F. Vergunst te Hilversum verwierf de boeier in 1988. Friesland werd nu weer het vaargebied, aanvankelijk vanuit Heeg; later was Grouw de thuishaven, waar de "Phoenix" een schiphuis als ligplaats kreeg. De boeier werd intensief gebruikt. Behalve verschillende keren aan de 'kleine reunie' in Heeg, werd deelgenomen aan SAIL-Amsterdam in 1990 en 1995. Ook maakte men grote reizen. In 1992 werd de bijeenkomst in Brest/Douarnenez bezocht en in 1993 volgde een tocht naar Denemarken. In 1997 ondernam de familie een reis naar Duitsland. Vanaf de Elbe bezocht men het merengebied ten noorden van Berlijn en via deze stad werd ook het gebied ten westen hiervan verkend.
In 2000 deed de heer Vergunst de "Phoenix" over aan de heer N. Krul te Enkhuizen. Deze gebruikte de boeier zeer weinig en verkocht hem in 2003 aan jachtwerf Piersma in Heeg. In datzelfde jaar werd hij overgenomen door de familie Brenninkmeijer, die Piersma opdracht gaf tot een grondige restauratie.
Technische gegevens
Hoofdafmetingen
- Lengte over de stevens
- Grootste breedte over de berghouten
- Holte op het grootspant
- Diepgang
- Zeiloppervlak: grootzeil + fok
- Kluiver
Bijzonderheden
- kielbalk 10 x 10 cm
- over de gehele lengte gepiekte bodem
- vlaktilling 13°
- vrij ver naar buiten gelegen ronde kimmen
- 11 doorlopende huidgangen
- betrekkelijk ver naar voren staande mastkoker
- geen snijwerk
- roerkop bekroond met vergulde leeuw
Opmerkingen
Opvallend fraai zijn de waterlijnen die op snelheid wijzen. De "Phoenix staat hier exemplarisch voor: een stoer schip met fraaie zeeg. De opmerking van mevrouw Van Werkhoven dat de boeier het beste zeilde met de kluiver erbij, is in overeenstemming met de enigszins voorlijk geplaatste mast.
Opgenomen in het Stamboek met plaquette 37
J.R. 1925
Miami, ex Piet Hein. Eig. W.N.H. van der Vorm te Rotterdam. Boeier, hout, overdekt, 10 ton W.M. 8. Lang 9.50 m. breed 3.65 m. Gebouwd Amsterdam 1885 Vlag de Maas.
Gedenkboek de Maas
L.O.J. Vuijk te Rotterdam had later (na 1915) een andere Piet Hein, een boeier, gebouwd bij Bernhard in 1898. Dit schip werd in 1923 verkocht aan W.N.H. van der Vorm, die het de naam Miami gaf.
W.K. 1935 blz. 983
Foto van de boeier Miami.
Eigenaar 1954
Theo Cohen te Oud Loosdrecht. Schip opgemeten met van Waning juni 1954. Lang 9.05 m. breed 3.70 m. (incl. berghouten) berghouten 2 x 6 cm. Enigszins gepiekt. Verwaarloosd.
Eigenaren
1915-1923 L.C.J. Vuijk, Rotterdam Piet Hein
1923-1935 W.N.H. van der Vorm, Rotterdam Miami
1935-1941 Van Werkhaven, Amsterdam Miami (dit. Maggifabrieken)
1941-1948 E.O. Dwarshuis, Oud Loosdrecht Miami
194- Th. Cohen, Oud Loosdrecht Miami
Volgens Petrejus zou Miami door van der Vorm in 1926 verkocht zijn aan Jachthaven van A. Oudshoorn te Warmond. Volgens van der Vorm zou dit schip de vroegere Piet Hein van Carl Jurrjens zijn geweest. OB 5.
W.S. 1229 (30/3 achter blz. 42) en blz. 143
Twee foto's van een boeier. Vooral de foto van 30/3/1929 is schitterend. Waarschijnlijk is dit de Miami. Voert vlag van de Maas.
OE 1922/29,5
Foto van de boeier Piet Hein, op de Rottemeren.
OE 1923/336
W. van der Vorm verkoopt de boeier Piet Hein aan L.Vuijk te Rotterdam, die deze herdoopt. in Miami ??
OE 1926/118
W. van der Vorm verkoopt de boeier Miami aan A. Oudshoorn te Warmend.

De boeier is een voor de pleziervaart bestemd scheepstype dat van ouds in vele delen van Nederland gebouwd werd. In de loop van de 19de eeuw verdwenen locale varianten zoals de Zaanse, de Leidse en de Dordtse boeier en het kopjacht, om plaats te maken voor het tjalkachtige model waarvan een gering aantal nu nog bestaat, merendeels afkomstig uit Friesland. Slechts weinig boeiers zijn volgens tekening gebouwd; enkele zijn later opgemeten en in tekening gebracht. In enkele gevallen zijn deze tekeningen gepubliceerd.
De volgende zijn mij bekend:
Constanter, gebouwd door E.H. van der Zee te Joure in 1877, in T. Huitema. 'Ronde en Platbodemjachten' (1962).
Sperwer, E.H. van der Zee, 1886, in W.K. Versteeg, 'Scheepsmodellen' (1947) en in H.C.A. van Kampen, 'De Zeilsport'.
Tekeningen van 2 boeiers van Bernhard, gebouwd in Amsterdam, in H. Kersken, Hollandse jachten van de toekomst (1963).
Bij deze gepubliceerde tekeningen is met name de constructie vrij summier weergegeven. Toen ik in 1973 eigenaar werd van de Phoenix heb ik daarom het plan opgevat deze door Bernhard in Amsterdam gebouwde boeier op te meten en zodanig in tekening te brengen dat het mogelijk zou zijn aan de hand ervan een nieuw schip te bouwen. Hierbij is in het bijzonder aan de modelbouw gedacht. Vanzelfsprekend zijn de tekeningen niet volledig daarvoor is het aantal constructiedetails veel te groot. Toch hoop ik een globaal beeld gegeven te hebben hoe een dergelijk schip in elkaar zit. De tekeningen van de tjotter 'Albert en Nelly' uit de serie monografieën van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten hebben tot voorbeeld gediend.

Ewoud Bon schrijft in zijn boek "Het leven met een boeier" over zijn 'Phoenix':
Vader Willem Bon was in 1973 op zoek naar een ander schip, omdat hij, naarmate zijn gewrichten wat stijver werden, zijn Kroes jachtje Blauwe Slenk te bewegelijk vond. Samen gingen we op zoek. Na de hoogaars Atalante van Minister Mansholt, die te koop was, bezichtigd te hebben, kwamen wij terecht bij een stalen klipperjacht genaamd Eleonora II. Een prachtig schip, maar net tevoren gekocht door een werfbaas genaamd Stofberg. Die gingen we opzoeken. Hij zei: Ik heb een ander schip voor je. Dat was de Phoenix. De boeier Phoenix, gebouwd door Bernhard, 1889. Daar staat-i, grauw en stoffig, in de halfdonkere loods van de werf Stofberg in Leimuiden. Het houtwerk geschuurd maar nog niet gelakt. Maar wat een mooi model! Ik zie naden tussen de huidplanken en denk met schrik hoe mijn houten schoenerjachtje Annabella lekte vorig jaar.
Sommige mensen doen rare' dingen om zich te vermaken. Varen met traditionele schepen bijvoorbeeld. Je zou het kunnen noemen 'zeilen met een handicap', als je nagaat hoeveel geld en moeite het kost zo'n boot in goeie conditie te houden. Je ziet collega jachtslieden zorgeloos varen in fiberglas jachten zonder de eindeloze zorgen over lekken, lakwerk en rotte plekken: Efficiëntie en comfort, dat hebben ze: stahoogte in hun kajuit, geen angst voor kapseizen. Waarom, in 's hemelsnaam, gaat iemand varen in traditionele schepen?
Misschien omdat het een ander gevoel geeft. Mijn boot is niet `mass-produced', maar heeft een eigen persoonlijkheid die het karakter, de ervaringen het inzicht van zijn overleden bouwers met zich meedraagt. En we kunnen! daarbij genieten van het voortbewegen door de wind op precies dezelfde manier waarop onze voorouders dat deden sinds de 17'eeuw. -
Mijn boeier Phoenix was 84 jaar oud toen ik hem kocht. Een lange reeks eigenaren heeft hij aan boord gehad en vele anderen zal hij nog hebben na mijn tijd.
Ik werkte indertijd in het buitenland en de boeier was bedoeld om ermee te varen tijdens mijn jaarlijkse verlof in Nederland. Mijn vader Willen Bon had op zich genomen het schip te verzorgen tijdens de rest van de tijd en ermee te zeilen samen met de rest van de familie. Dit boek gaat over het onderhouden van en het zeilen met dit antieke boeierjacht,- kortom, ons beider lasten en lusten ervan.


Kreeg deze foto van de tewaterlating van een grote, zo te zien stalen boeier(-aak) bij de werf Het Jacht van NA Bernhard aan de Lijnbaansgracht in Amsterdam. Werf is herkenbaar aan o.a. de twee topgeveltjes op de achtergrond. Gezien de kleding schat ik de datum begin/ eerste kwart 20 eeuw. Dat woonhuis links staat op voormalig werfterrein. Dat zal er dus pas na de gloriejaren van de werf zijn gebouwd (na 1900?). De werf werd in 1931 gesloten. Ik weet iets van de boeiers van Bernhard, maar deze is voor mij nieuw. Het zou in theorie om de mysterieuze 15 meter lange 'Willem van Oranje' kunnen gaan. Die drijft blijkbaar misschien nog ergens rond. Maar dat is speculatief. Het bouwjaar in de Schepenlijst is ook 1893. Gezien de feestelijke oploop lijkt het me geen renovatie maar nieuwbouw.

Wij namen in ons vorig nummer een kort bericht op aangaande het van stapel loopen van den stalen boeier Nautilus, op de werf "het Jacht’’, van den heer Bernhard. Eene meer uitvoerige beschrijving dier plechtigheid, vermeenen wij, onzen lezers niet te mogen onthouden, daar het te water laten van een pleiziervaartuig, waaraan een kundig amateur, wat het ontwerp, en een ervaren bouwmeester, wat de uitvoering betreft, hunne beste krachten hebben gewijd, eene gebeurtenis van buitengewone beteekenis in onze zeilsport is.
Toen wij op de werf kwamen, om van de plechtigheid getuige te zijn, dank zij de invitatie van den bouwmeester, door middel van een sierlijke met oud-Hollandsche letter op geschept papier gedrukte kaart, vonden wij daar reeds vele belangstellenden bijeen. Nautilus, smetteloos wit geverfd, stond rustig het oogenblik te verbeiden, waarop zij uit de boeien geslagen zou worden. Sommigen liepen herhaaldelijk om haar heen, anderen beschouwden haar meer op een afstand, doch alle waren eenstemmig in den lof over haar fraaie lijnen en solieden bouw.
Daar stond het stalen lichaam, dat weldra van vleugelen van canvas voorzien, het water tot schuim zal persen in snelle vaart of kalm daarheen zal varen, naar mate de wind buldert of lispelt.
Een slag door een lieve kinderhand (die van het dochtertje van den heer H. Schutte) met een bijltje gedaan op een lijn, die gespannen was tot in het huis des bouwmeesters, een doffe bons van den gevallen klink, en daar glijdt het gevaarte, duikt, trillend van vreugde, zijn boeg onder water, doch wordt door krachtige mannenarmen behoed voor het gevaar om van louter vreugde, de beschoeiing van den tegenover de werf des heeren Bernard gelegen wal tot splinters te rammen.
Het water, niet op de ontvangst van zulk een gast voorbereid, schuimt van schrik, en een luid hoezee-geroep van de omstanders is het eerste eere-saluut, hetwelk Nautilus ontvangt. Haar naamvlag wordt midscheeps geplant, aan voor- en achtersteven waait als bij tooverslag de Hollandsche driekleur, en eigenaar en bouwmeester worden van alle zijden geluk gewenscht met den voorspoedigen afloop.
De heer Bernhard hield een korte toespraak tot den eigenaar, den heer G. Schutte Jr., waarin hij den wensch uitsprak, dat het schip vele prijzen moge behalen, en kort daarna werden de vrienden vereenigd om een hartigen dronk te wijden op het welzijn van de jong gedoopte.
Nader wordt ons aangaande het vaartuig het volgende gemeld :
Gepasseerde week werd reeds de mast in het vaartuig geplaatst en het rondhout aan boord gebracht. Met de binnenbetimmering wordt de meest mogelijke spoed gemaakt, de salon is van een stookplaats voorzien, die met een fraaien marmeren schoorsteenmantel versierd is.
Het streven is thans, het vaartuig gereed te hebben vóór de wedstrijden op het Braassemermeer.



Stamboekno.: 36
- ex Fenna, Olga, Hludana
Bouwjaar: 1894, of iets eerder
Opdrachtgever: N.J.C. Lette van Oostvoorne, Amsterdam
Huidige eigenaar (2005): A.W. Verwaaijen , Rotterdam
Deze grote boeier zou volgens Bon, waarschijnlijk op gezag van de heer Dierdorp die in zijn stukje in "De Waterkampioen" een eigenaarsreeks vermeldt, onder de naam "Olga" in 1898 van stapel zijn gelopen in opdracht van de heer Lette van Oostvoorne te Amsterdam. Later was deze "Olga" dan eigendom van de heren De Lanoy Meyer en Bois-sevain. In één van de bewaard gebleven ledenlijsten van de Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging, en wel die van het jaar 1894, komt de naam van mr N.J.C. Lette van Oostvoorne te Amsterdam. Deze is eigenaar van een boeier genaamd "Fenna", groot 18 Ned. tonnen. Latere ledenlijsten laten zien, dat een boeier met de naam "Olga", in 1901 in het bezit van de heer A.A.H. Boon Hartsinck te Baarn, in 1907, 1908 en 1909 inderdaad eigendom is van H.J. de Lanoy Meijer en A.A.H. Boissevain Ezn te Amsterdam. Deze "Olga" meet ook 18 ton; de inhoudsmaat in Nederlandse tonnen duidt op het resultaat van de scheepsmeting krachtens de wet op het patentrecht waaraan alle binnenvaartuigen (ook plezierjachten) in de negentiende eeuw onderworpen waren. Wij veronderstellen dat "Fenna" en "Olga" twee opvolgende namen voor dezelfde boeier zijn. Als de boeier van Lette van Oostvoorne door N.A. Bernhard is gebouwd, zal het bouwjaar dus op 1894 of mogelijk nog eerder moeten worden gesteld. Dat in de overlevering de naam Lette van Oostvoorne en het jaar 1898 met elkaar verbonden zijn, zou erop kunnen wijzen dat hij in dat jaar de boeier heeft verkocht en dus waarschijnlijk aan de heer Boon Hartsinck te Baarn.
Lette van Oostvoorne heeft de boeier "Fenna" niet als wedstrijdjacht laten meten; hij komt niet voor in het oudste meetregister van de Verbonden Zeilvereenigingen van Nederland en België. Ook onder de naam "Olga" vonden wij geen vermeldingen in wedstrijdlijsten, noch van de ZV 'Het Y', noch van de KNZRV. In 1909 kreeg Auke van der Zee van de gebroeders Boissevain te Amsterdam de opdracht een nieuwe boeier van bijna 15 meter te bouwen; deze kreeg weer de naam "Olga". De oude "Olga" zal omstreeks die tijd zijn verkocht; zowel Bon als Spits beweert in 1907. Als de informatie in de ledenlijsten van de KNZRV, waarin de (oude) "Olga tot 1909 nog op naam van De Lanoy en Boissevain staat juist is, vond de verkoop echter waarschijnlijk pas in 1909 plaats.
De volgende eigenaar was W.E. Kuipers te Leeuwarden. Deze herdoopte de boeier met de naam "Hludana", ontleend aan een Romeinse geloftesteen, volgens de Encyclopedie van Friesland' in 1888 gevonden op de terp van Beetgum (Fr). Deze steen zou door Romeinse pachters in het jaar 100 n.C. zijn opgericht voor de godin Hludana, schutspatroon van schippers en vissers. Over deze korte periode is verder niets meer bekend.
In 1914 verkocht de heer Kuipers de boeier aan een syndicaat gevormd door de heren Sprenger, Beekhuis en Lucardi te Leeuwarden. De naam werd vereenvoudigd tot "Ludana". Later ging hij over in eigendom van de heer A. Sprenger te Loosdrecht. Over deze periode is verder niets bekend; wel vonden wij een foto in "De Waterkampioen". Een bericht in de rubriek De Uitkijk van hetzelfde blad uit 1931 luidt: Door de firma A.L.E. Rambonnet te Bussum werd het boeierjacht "Ludana" van den heer A. Sprenger te Loosdrecht naar Engeland verkocht.
Het artikel van Bon vermeldt een vijftal namen van Engelse eigenaren. Allereerst vermelden we hier een mededeling in "De Waterkampioen" van S.C. Dierdorp te Zutphen, die in 1955 bij een bezoek aan Zierikzee een ontmoeting had met de heer A.E. Lea uit Wimbledon, eigenaar van een boeier genaamd "Ludana", waarmee hij naar Nederland was overgestoken. Dit schip bleek inderdaad volgens een Engelse meetbrief gebouwd door Bernhard te Amsterdam. Het bericht was vergezeld van een foto van de boeier onder zeil. De romp bleek ingeblikt en blauw geverfd. De eigenaar deelde mee dat de boeier tijdens de oorlog in Falmouth verbleef. Het was op dit bericht dat de heer F.G. Spits als beheerder van het pas opgerichte Stamboek van Ronde en Platbodemjachten reageerde met een aantal historische bijzonderheden betreffende de werf van Bernhard. De heer Dierdorp ontving verder een aantal reacties, waaruit hij de bovengenoemde reeks van eigenaren tot 1933 kon afleiden. Acht jaar later, in 1963, meldde H.Th.G. Steenstra uit Rotterdam, eigenaar van het tjalkjacht "De Maze", aan de secretaris van het stamboek dat hij in Whitby had kennisgemaakt met de heer F.G. Bessant, woonachtig in Leeds, eigenaar van de boeier "Ludana" (ex "Olga") en dat deze in contact met de Stichting wilde komen. De heer Bessant werd inderdaad donateur van de stichting en de boeier "Ludana" komt op diens naam voor in de schepenlijst van 1966 tot en met 1972. Omstreeks dat laatste jaar verkocht hij de boeier, want vanaf 1974 tot en met 1976 staat in deze schepenlijst als eigenaar vermeld T. Chapman te Torpoint (GB). De onderhoudstoestand was kennelijk zo slecht geworden, dat ook deze het schip weer spoedig doorverkocht. De laatst bekende Engelse eigenaar was Clive Wallace.
In "De Waterkampioen "van 1974 biedt hij door bemiddeling van de firma Kooijman en De Vries te Deil de boeier te koop aan met de volgende tekst, voorzien van foto: Houten boeier 10.25 x 4.08 m, bouwer N.H. Bernhard. Dit in Engeland gestationeerde jacht is de bekende "Ludana". De eigenaar is bereid het jacht naar Nederland over te zeilen. Een expertiserapport is voor serieuze gegadigden beschikbaar. Prijs: F. 30.000,-. De foto laat het schip zien onder zeil, geheel wit geschilderd met bruine zeilen.
De heer Gravenstein te Utrecht, die de boeier van Clive Wallace overnam, verkocht hem spoedig weer door aan H.B. Beernink te Wetering Oost (0v). Deze zou er weinig mee gevaren hebben, waarschijnlijk door de slechte toestand waarin het schip verkeerde.
De voorlaatste eigenaar, de heer Combert Burger, kocht de "Ludana" in 1991. Hij begon eigenhandig vol moed aan de restauratie, die enkele jaren in beslag zou nemen. De volgende vernieuwingen werden daarbij uitgevoerd: nieuwe huid onder het berghout met diverse inhouten, nieuw voordek, nieuwe binnenbetimmering (was niets meer van over), nieuwe mast en tuig, nieuwe motor. De oorspronkelijke bedoeling van de heer Burger was dagtochten te gaan maken met betalende passagiers; daar is het echter nooit echt van gekomen. De boeier werd daarom verkocht. De huidige eigenaar, de heer Dries Verwaaijen te Rotterdam, heeft verschillende restauratiewerkzaamheden, zoals de complete vernieuwing van boeisels en berghouten, door Combert Burger laten uitvoeren. Hij gebruikt het schip als werkplek voor zijn bedrijf; aan boord geeft hij communicatietrainingen aan teams van allerlei organisaties. De thuishaven is Galamadammen bij Koudum. De "Ludana" is thans weer in goede staat en een sieraad in de vloot van het Stamboek.
Technische gegevens
Hoofdafmetingen
- Lengte over de stevens 10,32 m
- Grootste breedte over de berghouten 4,12 m
- Holte op het grootspant 1,67 m
- Diepgang 0,95 m
- Zeiloppervlak: grootzeil + fok 90,0 m2
- Kluiver, c.q. halfwinder n.a.
Bijzonderheden
- kielbalk 12 cm hoog + aangezette kielbalk van 16 cm
- gepiekte bodem
- vlaktilling
- kielgang + 13 gangen
- betrekkelijk smalle zijzwaarden
- snijwerk op rand van de kajuit, waarin deurtjes met glas-in-lood
- roer bekroond met leeuw (nieuw), vroeger eenvoudige klik
Opmerkingen
De zijzwaarden zijn smaller dan gebruikelijk. Zoals de oude foto uit de tijd van de heer Kuipers laat zien, was dat destijds ook al het geval. Enkele bijzondere kenmerken van deze boeier zijn verder: de breedte is groter dan bij vergelijkbare andere boeiers met een lengte van meer dan 10 meter, zoals de "Friso", "Catharina" en "Tjet Rixt"; het achterschip is vrij vol, de zeeg fraai. Ook hier staat de mast wat ver naar voren. Verder bleek bij de opmeting de kiel in voor- en achterschip ongeveer 5 cm uitgezakt, waarschijnlijk als gevolg van langdurig verkeerde ondersteuning op de wal.
Opgenomen in het Stamboek met plaquette 36
J.R. 1925
A. Sprenger, Loosdrecht. Boeier, hout, overdekt 16 ton lang 10.25 m., breed 4.08 m. Bouwer H.Bernhard, Amsterdam 1898.
Br. E.J. Kuipers te Laren. 28/8/1952
De Olga later Ludana van mijn vader te Leeuwarden (1907-1914) nu in Nice in Engels bezit was op Nieuwendam gebouwd.
W.K. 1929 blz. 71
Foto van de boeier Ludana van A. Sprenger te Loosdrecht (foto P.E. Moes Jr., Hilversum).
W.K. 1931 blz. 239
Door Rambonnet werd het boeierjacht Ludana van A. Sprenger te Loosdrecht naar E.41geland verkocht.
Jaarverslag Scheepvaartmuseum te Amsterdam 1946-1947
A. Sprenger schenkt een bouwtekening van een boeier, lang 10 m. wijd 3.88 m hol 1.68 m. Waarschijnlijk de Ludana?
Blijkens brief E.J. Kuipers d.d, 28 augustus 1952 was de Olga gebouwd voor een zekere Lette te Brielle, *) daarna van de L.M. en Boissevain te Amsterdam, van 1907 tot 1914 van de vader van Kuiper die het de naam Ludana gaf.
*) Volgens Jaarboekje Kon. 1905 was er inderdaad een Olga van de L. Meijer en Boissevain. Deze lieten in 1909 een nieuwe Olga bouwen.
W.S. 1927 t.o. blz. 142
Foto van de Oranjesluizen, waarop een gedeelte van de boeier Ludana is te zien.

Opdracht voor de bouw van de Fenna
Op 26 juli 1892 ondertekende scheepsbouwmeester H. Bernhard de opdracht, waarin hij verklaart een boeierjacht te zullen leveren aan de Weledele Heer mr. N. J.C. Lette van Oostvoorne, wonende aan de Leidsche Kade te Amsterdam. De opdracht voor de bouw van de boeier sluit af met "Mocht de afwerking op december 1892, en de aflevering op 1 april 1893 niet op genoemde datum zijn volbracht dan verplicht zich de heer H. Bernhard voor elke dag te late aflevering f 25,- boete per dag aan de heer mr. N.J. C. Lette van Oostvoorne te betalen."
Harmen Bernhard heeft met deze ondertekende opdracht andermaal de bouw van een jacht binnengehaald. Dat zijn naam onder de opdrachtbevestiging staat en niet die van zijn broer en werfeigenaar N.A. Bernhard geeft aan dat de verkoop tot het takenpakket van Harmen behoorde.
Akkoord gaan met een boeteclausule was voor de werf geen enkel probleem. Met hun efficiënte en professionele werkwijze, met tekeningen, calculaties en een halfmodel als uitgangspunt, wisten ze waar ze aan begonnen. De boeier voor Lette van Oostvoorne was bovendien het negende jacht dat ze zouden gaan bouwen. Acht maanden was op een grote werf ruim voldoende tijd voor het bouwen van een jacht.
De opdracht laat ook zien hoe gedetailleerd sommige onderdelen van de bouw en de boeier werden vastgelegd. Dat Lette van Oostvoorne wist wat hij wilde, komt ook duidelijk naar voren in het stuk. Hij had goed gekeken naar de Parkeler, gebouwd in 1887 en in de opdracht wordt veelvuldig naar deze boeier verwezen.
"De ondergetekende H. Bernhard Scheepsbouwmeester wonende Lijnbaansgracht 304a te Amsterdam verklaart te zullen leveren aan de Weledele Heer mr. N.J. C. Lette van Oostvoorne wonende Leidsche Kade te Amsterdam een Boeierjacht volgens aangehechte en door beide gewaarmerkte tekeningen en op de volgende voorwaarden.
Lengte over alles 10,00 meter.
Lengte op de lastlijn 9,50 meter.
Grootste breedte buitenkant huid 3,88.
Grootste breedte over de berghouten 4 meter.
De buitenhuid, stuurstoel, roef van eiken of [...] .
Het dek, de waardings en het dek in de stuurstoel van Amerikaans grenen evenzo bewerkt en van dezelfde houtsoort als het dek der REGINA van de heer. Jhr. Smisaert.
De binnenbetimmering, afwerking, assemblering, bekleding en schilderwerk zijn in evenredigheid van afmetingen, zoals in het boeierjacht PARKEIER van den heer Van Lennep.
Aan stuurboord bij het ingaan der roef een kast voorzien van lavatorij en aan bakboord een kast waarin closet direct buiten boord werkend evenals de lavatoij, een en ander geheel naar keuze van de heer mr. N.J. C. Lette van Oostvoorne. De drempel van de roef alsmede de drempels van de kasten in de stuurstoel zullen minstens 4 cm hooger moeten zijn als in PARKELER. De uitlozingsbuizen der stuurstoel moeten meer horizontaal liggen. In de stuurstoel aan te brengen koperen mikken voor de zonnetentstutten. De knippen op alle kasten moeten zijn van de soort als op de deur van den kast en privaat der PARKELER. Het slot der roefdeur eender als van PARKELER. Alle sloten, knoppen en hengsels van koper. Bij het ingaan der roef een waterschot vervat in koperen roede van voldoende hoogte. De kooien evenals in PARKELER met twee vaste beddeplanken. Kasten en buffet gemaakt als in PARKELER. De met trijp bekleede zitbanken breeder naar keuze. De doorgang naar het vooronder zal zijn aan stuurboord, terwijl aan bakboord een hangkast onder de zeilbalk wordt gemaakt die in het vooronder doorloopt, de afmeting hiervan naar keuze van de heer mr. N.J. C. Lette van Oostvoorne.
In het vooronder een geslagen ijzeren schoorsteen en fornuis. Het laatste niet kleiner doch eer groter als in PARKELER. Boven dek een koperen schoorsteen in twee stukken evenzoo en even lang als van PARKELER. De bank aan weerszijden van het fornuis niet vastgespijkerd. De kettingkoker (?) met een luikje of deurtje in het vooronder. Op de ijzeren bak waarin de ballast van de mast een tafeltje.
Het roer moet van vorm zijn evenals van NORA van de Heer Fred Bangert met koperen achterbeslag en koperen beugel voor vlaggestok.
De zwaarden iets smaller doch langer als van PARKELER. De verbinding aan dek en over het boord is evenals bij ROELOFFINE van de heer J. Herfst. Ter plaatse evenals bij PARKELER twee koperen knieën ter versteviging van het bovenboord. Oogen van voldoende sterkte voor de bakstagen.
De uithouders en de steunder der botteloef moeten met afzonderlijke bouten aan de botteloef bevestigd worden.
De opstaande kanten waarover de kraam (?)luiken sluiten minstens zo hoog als in PARKELER.
Bolderpennen moeten geheel door de bolders lopen. Het schip moet voorzien worden van twee koperen pompen waarvan een vlak en een lens(?)pomp. Al het ijzerwerk dat door de heer mr. N.J. C. Lette van Oostvoorne niet blank wordt verkozen moet gegalvaniseerd zijn.
De nodige losse ballast moet worden bijgeleverd naar keuze van de Heer mr. N.J. C. Lette van Oostvoorne om het schip bij de lastlijn te krijgen.
Bevestiging alles kopervast.
De houten krommers, leggers van prima droog eikenhout. Ingevolge berekening zal deze boeier voorzien worden van een loden kiel en met koperen bouten van voldoende sterkte worden bevestigd. De loden kiel zal 1500 kilogram moeten wegen.
De mast van Rigo Grenen hout zal lang zijn 30 voet tussen bout en hommer en voorzien zijn van voldoende loden ballast om behoorlijk te kunnen strijken. De ballast die uit stukken lood ter zwaarte van hoogstens 20 kilogram ieder bestaat, wordt in een ijzeren kast van voldoende sterkte, die voor dit doel aan de mast is bevestigd, gelegd.
De mastkoker moet zijn van voldoende sterkte en bevestiging. De stootklamp minstens 10 cm hoog zijn en de achterkant der mastkoker geheel dichtgetimmerd met eikenhout van 15 cm dikte.
Het rondhout zal bestaan uit giek, gaffel, boegspriet. Jagerspier, fokkenstutter, 2 bomen, 2 haken, vlaggenstok alles van voldoende afmeting. Blokken van palmhout. Het klauwval met twee schijven.
Bakstagen van staal (bekleed) met toebehoren. Het touwwerk enz. voor de tuigage benodigd van prima kwaliteit.
Inventaris. 2 Wrijfkussens, 1 puts, 1 dwijl, 1 luiwagen, gegalvaniseerd anker en ketting van voldoende zwaarte soort en afmeting, 1 koperen bollantaarn, 2 landvasten ieder 20 voet, 1 trosje touw, 20 v alles sleeptros.
Grootzeil, fok, stormfok, kluiver van het [...] doek, no Ivan half , [...1 en doorgenaaid. Het doek dicht geweven bij de firma Sijpenstein. Een linnen jager. Bij alle zeilen zakken. Voor het grootzeil en fok onder en boven en botenhuik waterdicht.
Zeilen, blokken, touwwerk, rondhout te vervaardigen door de firma Schouten te Gouwsluis.
Tijdens de bouw wordt de verzekering van de boeier door de heer H. Bernhard gedragen terwijl de polis daarna in het bezit van de heer mr. N.J.C. Lette van Oostvoorne moet zijn. Voormeld boeierjacht moet voor of op den 1ste april 1893 geheel gereed worden afgeleverd doch in geen geval voor den 13den maart 1893.
Terstond na tekening van deze acte moet aan de bouw worden begonnen.
Voor de 1ste december 1892 zal het schip buitenom geheel dicht moeten zijn en voor de 1ste maart 1893 geheel [...] klaar.
Voormeld jacht wordt door de heer H. Bernhard aan de heer mr. N.J. C. Lette van Oostvoorne onder boven omschreven voorwaarden geleverd voor de som van vijfduizend driehonderd gulden.
De betaling zal zijn in termijnen. Wanneer de kiel is gelegd en stevens staan vijfhonderd gulden. Wanneer het jacht buitenom dicht is een duizend gulden. Wanneer de gehele [...] klaar is vijftienhonderd gulden en achttienhonderd gulden wanneer de boeier wordt afgeleverd op de 1 juli 1893. Tweehonderdvijftig gulden als blijkt dat geen reparaties nodig zijn tengevolge van onvoldoende constructie van schip of tuig en tweehonderdvijftig gulden als laatste termijn op dele oktober 1893 als het blijkt dat geen reparaties of veranderingen nodig zijn van onvoldoend zeildoek of slechte afwerking.
Voor omschreven boeierjacht met toebehoren te bouwen onder toezicht en goedkeuring van de heer C. Jaski* te Amsterdam of een in zijn plaats gemachtigde van den heer mr. N.J.C. Lette van Oostvoorne.
Mocht de afwerking op 1 december 1892, en de aflevering op 1 april 1893 niet op genoemde datum zijn volbracht dan verplicht zich de heer H. Bernhard voor elke dag te late aflevering f 25 boete per dag aan de heer mr. N.J. C. Lette van Oostvoorne te betalen.
Amsterdam 26 juli 1892
H. Bernhard
N.J.C. Lette van Oostvoorne
* De heer Jaski was eigenaar van de boeier Wilhelmina, gebouwd in 1884 door Bernhard (red.)
Jaap Bernhard schrijft:
Ik neem aan dat uiteindelijk de versie van de door koper en verkoper ondertekende contracttekening gebouwd is. Die lijkt me overeenkomstig één van de schrale varianten in bijgaand plan, misschien de (vage) binnenste potloodlijn. Beter dan deze afdruk krijg ik het niet. Het is nu eenmaal een dunne lijnvoering, op een groot vel zwaar papier. De prent heb ik uit vererving, uit de werfboedel. Andere, overeenkomstige lijnenplannen uit deze periode zijn gesigneerd door M.L. van Breen, een ontwerper die door Bernhard werd ingeschakeld. Machiel Leendert van Breen (geboren 1841 Vlissingen en overleden in Den Haag 1925) was eerst "Hoofd A. Min. van Marine" en vanaf 1906 "Hoofdtekenaar". Aanvankelijk in Vlissingen, en later in Amsterdam. Blijkbaar deed hij de jachtjes er bij. Hij tekende en berekende voor Bernhard ook snelle centerboards en een (niet gebouwd) schoenerjacht. Daar is wat correspondentie van. Zelf heb ik een door hem gesigneerd en gedateerd ontwerp van een Fries jacht (Union, 1885). Of Van Breen ook iets met dit plan voor de Fenna te maken heeft gehad weten we niet. Het is mij niet gelukt om meer van Van Breen te achterhalen. In het Scheepvaartmuseum in Amsterdam liggen meer ontwerpen op zijn naam. Het was naar mijn indruk een begaafde en zeer vooruitstrevende man, van het nodige aanzien.





De Stichting Behoud Boeier is in 2016 in eerste instantie opgericht met het doel de boeier Ludana te behouden voor de toekomst. De Stichting ziet zichzelf niet zozeer als eigenaar maar wel als rentmeester in dienst van volgende generaties zeilers. Per 1 januari 2017 heeft de Stichting de Ludana van Dries Verwaaijen overgenomen. Voor onderhoud - en de uiteindelijke restauratie - van de Ludana is veel geld nodig. Ook zullen er te zijner tijd nieuwe zeilen moeten worden aangeschaft en wil de Stichting de kluiver in ere herstellen. Om dit te kunnen bewerkstelligen is de Stichting op zoek naar ‘rentmeesters’, donateurs en sponsoring door bedrijven en organisaties.
Een tweede doelstelling van de Stichting is het scheepstype boeier in het algemeen bekender en meer geliefd te maken bij een breder publiek. Het zijn schepen met een vaak lange geschiedenis. Is het verhaal van de Ludana voltooid? Allerminst! Haar avonturen gaan door, de boeier vaart verder. De Ludana is de grootste nog varende Amsterdamse boeier van Bernhard. Het bestuur van de Stichting Behoud Boeier hoopt dat haar verhaal u grijpt en dat u samen met ons deze grande dame van hout tot in lengte van jaren nog meer en vele nieuwe avonturen gunt.
In 2023 start een grote restauratie door Peter Schouten in Kortenhoef.

Registratie in het Stamboek onder nummer 9209
Voor D. Slis Pzn te Middelharnis bouwde Bernhard deze houten boeier in 1895 als negende in de rij. Ook van deze zijn de afmetingen bekend doordat de heer Slis hem als wedstrijdjacht liet meten door de Officieele Commissie van de Verbonden Zeilvereenigingen van Nederland en België. Dit is tweemaal gebeurd, in 1895 en opnieuw in 1896, met exact hetzelfde resultaat: lengte-over-de-stevens 8,10 m, grootste breedte 3,60 m; de wedstrijdtonnemaat WT bedroeg 5,7.
Hetzelfde jaar dat de nieuwe boeier werd afgeleverd, verscheen hij voor het eerst (en voor het laatst) aan de start in de zeilwedstrijden van de Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging en in die van de ZV 'Het Y'. Gezien de woonplaats Middelharnis van de eigenaar zal hij later waarschijnlijk meer de zuidelijke wateren bevaren hebben. Daarover hebben wij echter geen aanwijzingen.
Eigenlijk is dit alles wat we over deze boeier weten. Omtrent deze "Albatros" heeft enige verwarring geheerst, aangezien er een aantal boeiers met dezelfde naam hebben bestaan en dus verwisseling mogelijk was. De Koninklijke Roei- en Zeilvereeniging De Maas' in Rotterdam had namelijk in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw achtereenvolgens twee verschillende boeiers met de naam "Albatros" in bezit ten dienste van de leden, beide gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee. Zij werden gebruikt voor zeillessen, zeiltochten en wedstrijden: van 1898 tot 1911 de "Albatros" (ex "Charlotte" van Clignett) en van 1911 tot na 1925 de "Albatros II" (ex "Prins Hendrik" van Hopperus Buma).
Het artikel van Bon over de boeiers van Bernhard vermeldt dat de "Albatros" van Slis van 1901 tot 1916 eigendom van 'De Maas' was. Auke van der Zee evenwel constateerde in 1914 dat de eerstgenoemde "Albatros" inderdaad de door zijn vader Eeltje gebouwde "Charlotte" van Clignett was. Dat deze Van der Zee-boeier kon worden verward met de door Bernhard gebouwde "Albatros" is onder meer het gevolg van het feit dat de afmetingen ongeveer dezelfde waren. Wij weten niet wat er van de "Albatros" van Bernhard na omstreeks 1900 geworden is.

Opgenomen in het Stamboek met plaquette 692
Stamboekno.: 692
Bouwjaar. Omstreeks 1900
Opdrachtgever: Onbekend
Huidige eigenaar: P.C. Hanekamp, Wilhelminaoord
Zeilnummer: 32 RC
Tegen het einde van de negentiende eeuw vond de toepassing van ijzer, reeds enkele decennia gebruikelijk bij de bouw van vrachtschepen, ook ingang in de jachtbouw. Na tien houten boeiers gebouwd te hebben ontwierp Bernhard omstreeks de eeuwwisseling een boeier in ijzer. Het klinkwerk werd uitgevoerd bij de firma Schouten in Muiden145, waarschijnlijk omdat het lawaai hiervan op de werf aan de Lijnbaansgracht niet meer getolereerd werd (zie par. 4.7.1). Zo ontstond de huidige boeier "Sextet". Dit schip was trouwens niet het eerste jacht in ijzer dat onder regie van Bernhard tot stand kwam. Over een opdrachtgever is niets bekend en ook het exacte bouwjaar niet. Omdat er geen primaire bronnen meer beschikbaar zijn waaruit wij iets over de totstandkoming te weten zouden kunnen komen, zijn we aangewezen op mededelingen van voormalige eigenaren en/of hun nazaten. Wij hebben daartoe contact gezocht met de voorlaatste eigenaar, de heer J.D. de Goederen te Rotterdam en via hem met een zoon van degene van wie hij de boeier in 1969 overnam, de heer H. Veldhuizen, destijds eveneens woonachtig te Rotterdam. Deze zoon, de heer R. Veldhuizen, schreef ons een zeer uitgebreide brief, vergezeld van een aantal foto's. Het navolgende is een samenvatting van de inlichtingen die wij van beide heren ontvingen.
De bouw moet volgens de heer De Goederen inderdaad in 1900 of 1901 getraceerd worden. Volgens Veldhuizen zou de boeier eerder in de buurt van Dordrecht (Dordrechtse Biesbos) dienst hebben gedaan als postboot met de mogelijkheid enkele passagiers mee te nemen. Mogelijk dat hier dus de opdrachtgever gezocht moet worden; we zullen het waarschijnlijk nooit te weten komen. De inrichting zoals die door de heer Veldhuizen werd aangetroffen, was duidelijk in overeenstemming met dit gebruik. In de ruimte onder de opbouw achter de mast bevond zich aan bakboord onder het gangboord een buffetkastje met dubbele paneeldeurtjes en een aantal laatjes en kleinere kastjes dienende om gesorteerde post op te bergen. Aan stuurboord bevond zich een opklapbed en in het midden twee losse langsbanken zonder leuning. Onder het voordek waren twee vaste kooien en was de motor opgesteld. Daarvoor, afgeschermd door een houten aangemeld bij de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten en vanaf 1972 staat hij dan ook weer in de schepenlijst vermeld onder nummer 692. Aanvankelijk was het thuiswater als vanouds de Kralingse Plas, later werd dit het Haringvliet vanuit Hellevoetsluis. In het begin nam de heer De Goederen met de "Sextet" een aantal keren deel aan zomer reünies van de Stichting Stamboek, zoals in 1972 in Zierikzee, in 1973 in Monnickendam aan de Gouwzee en in 1974 in Den Helder. Op vakantietochten in de jaren zeventig werd meermalen Friesland aangedaan. Aan zeilwedstrijden werd daar niet deelgenomen, wel kwam de "Sextet" geregeld aan de start bij de wedstrijden voor ronde en platbodemschepen op de Westeinder en enkele malen werd deelgenomen aan de Deltaweek op de Oosterschelde in de jaren rond 1980.
In 1997 verkocht de heer De Goederen de "Sextet" aan de heer P.C. Hanekamp te Wilhelminaoord. Deze liet de romp stralen waarbij onder de bijna honderd jaar oude verflagen een klokgave huid tevoorschijn kwam. Verder liet hij de motor uit het vooronder verwijderen. Men vaart nu indien nodig, met een aanhangmotor, die aan een demontabele steun aan het roer hangt. De thuishaven is Blokzijl en het vaargebied de Kop van Overijssel en de Friese meren.
Technische gegevens
Hoofdafmetingen
- Lengte over de stevens 9,00 m
- Grootste breedte over de berghouten 3,61 m
- Holte op het grootspant 1,51 m
- Diepgang 0,74 m
- Zeiloppervlak: grootzeil + fok 52,9 m2
Bijzonderheden
- kiel hoog 8 cm breed 4 cm
- over de gehele lengte gepiekte bodem
- vlaktilling 12°
- 6 geklonken gangen
- geen kluisborden
- boven dek strijkende mast door middel van bokkepoten
- geen houtsnijwerk of andere versieringen
Opmerkingen
Zoals de heer Bon al opmerkte, zijn de boeiers van Bernhard alle naar eenzelfde gepiekt model gebouwd, inclusief die in staal, zoals de "Sextet", de "Frans Naerebout" en de "Vrouwe Christina", uiteraard met kleine afwijkingen. Opvallend is bij alle een uitgesproken zeeg en daarmee een stoer uiterlijk.

Opgenomen in het Stamboek met plaquette 179
Stamboekno.: 179
Bouwjaar: 1919
Opdrachtgever: Gebouwd voor eigen rekening
Huidige eigenaars: P.A. Bos/Th.L. Keijzer, Voorschoten
Zeilnummer: 57 OC
Na de "Sextet" uit 1900 is dit het tweede (overnaads geklonken) ijzeren schip naar ontwerp van Nicolaas Bernhard, met echte boeierlijnen. Het werd aanvankelijk gebouwd voor eigen rekening en gebruikt door zijn zoon Harmen. De boeier kreeg de naam van een aan het eind van de negentiende eeuw bekende Vlissingse loods en mensenredder Frans Naerebout. Bij meting door de KVNWV ontving de boeier het zeilnummer 14 OB, de wedstrijdmaat was WM 8,5.
Harmen Bernhard wil kennelijk direct de zeil-kwaliteiten van de nieuwe boeier op de proef stellen. In 1919 vinden wij hem al vermeld in de deelnemerslijst van de Sneeker Hardzeildag, waar de "Frans Naerebout" zich moest meten met de bekende Friese boeiers "Constanter" van Halbertsma, "Albatros" van Bokma, "Njord" van Boltjes en "Stánfries" van Faber. Ook de volgende jaren nam Bernhard intensief aan hardzeilerijen deel. In 1920 bezocht hij Grouw om deel te nemen aan de jaarlijkse wedstrijden van `Oostergoo'. Het blad "Ons Element"meldt voorts deelname aan wedstrijden van "Hollandia" op het Braassemermeer, zowel in 1920 als in 1921, waar onder meer de boeier "Rana" van W. Jongejan de concurrent is, die beide keren met de eerste prijs gaat strijken. In dezelfde jaren komt de "Frans Naerebout" ook voor op de deelnemerslijst van de Kaagweek. In 1921 verschenen daar vier boeiers aan de start, behalve dus H. Bernhard met "Frans Naerebout" ook weer Jongejan met de "Rana", en verder P. Bokma uit Leeuwarden met de "Albatros" en H. van Essen uit Amsterdam met de "Bever".
Een bericht in "Ons Element" 1922 meldt ... dat de heer Bernhard zijn boeier "Frans Naerebout" heeft verkocht. De nieuwe eigenaar is zeer waarschijnlijk H. van Duyl te Amsterdam. Op diens naam komt de boeier namelijk twee jaar later voor in het Nederlandsch Jachtregister van 1924-25 In 1927 meldt het nieuwe blad 'De Waterkampioen"echter ... dat het boeierjacht "Frans Naerbout" van den heer H. van Duyl is verkocht aan den heer Van den Beugel te Amsterdam. Een jaar later wordt hij echter blijkens een advertentie in hetzelfde blad alweer te koop aangeboden: BOEIER Te koop "Frans Naerebout", lg. 8,90, br. 3,65 M. Lux ingericht, ingebouwde motor "Universal", tuig en zeilen zonder gebr., als nw., 4 slaapplaatsen. Te bezien en adres: IJ-haven Amsterdam, S. de Boer, schipper.
Wij hebben (nog) niet kunnen achterhalen wie in 1928 de boeier heeft gekocht en hoe hij de bezettingstijd is doorgekomen. Een eerste naoorlogs bericht vonden we in een verslag in 'De Waterkampioen" van 1951 betreffende zeilwedstrijden op de Westeinderplassen, waar als stuurman van de "Frans Naerebout" de naam Bax staat vermeld. Op een titelblad van een nummer van "De Waterkampioen" uit 1949 komt een fraaie actiefoto van de boeier voor.
In de eerste schepenlijst van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten5 staat als eigenaar van de "Frans Naerebout" genoteerd A.J. de Haas te Amsterdam. Deze was destijds secretaris van de Watersportvereniging 'Nieuwe Meer'. Diens zoon liet ons het volgende weten. Zijn vader kocht de boeier in 1952 bij de firma Gebrs Valentijn te Langeraar. Hij herinnerde zich niet de naam van de vorige eigenaar: de naam Bax zei hem niets. Het blijft dus onzeker wie tussen 1928 en 1952 de eigenaar(s) geweest is (zijn). De familie De Haas bevoer hoofdzakelijk de Westeinderplas en omgeving. Een enkele vakantiereis werd gemaakt naar Zeeland. Wel werd geregeld deelgenomen aan de Westeinder Zeilwedstrijden, bij welke organisatie het tot op heden traditie is ook wedstrijden voor ronde en platbodemjachten uit te schrijven. In 1953 behaalde De Haas met de "Frans Naerebout" daar een eerste prijs; ook werd eenmaal de O.G. ter Gast Memorial Trophee gewonnen. Naar de heer De Haas Jr vertelde, verkocht zijn vader de boeier omdat het zeilen hem te zwaar werd. Volgens Jachtwerf Stofberg, die bij de verkoop bemiddelde, moet dat in 1964 geweest zijn. De boeier kwam in handen van een Twentse textielfabrikant en kreeg een ligplaats nabij Vinkeveen. In korte tijd ging de toestand van het schip door totale verwaarlozing sterk achteruit. Ten slotte kreeg Stofberg in 1966 opdracht een nieuwe koper te zoeken.
In 1967 werd de boeier eigendom van L. Grootemaat, aanvankelijk woonachtig in Dubbeldam, later 's-Gravenwezel (B) en vanaf 1976 druivenkweker en wijnmaker in Gallician bij Vauvert, Frankrijk. De thuishaven werd aanvankelijk de jachthaven van WSV 'De Amer' te Drimmelen. Grootemaat zorgde bijzonder goed voor de boeier. Direct al werd bij de scheepswerf Paans in Roode-vaart een nieuwe bodem in het schip aangebracht en werden andere reparaties uitgevoerd. Nadat de familie naar Frankrijk was verhuisd, werd de boeier naar Aalsmeer gebracht en aldaar goed opgeborgen
in een overdekte loods. Als de eigenaar 's zomers enige weken vrij kon maken, werd de boeier te water gelaten en zeilklaar gemaakt en werd er door de familie mee gevaren. Na afloop van de vaarvakantie werd de boeier weer goed opgeborgen. Op deze wijze was het behoud van een goede conditie gewaarborgd. In 1999 meldde de eigenaar ons dat hij wegens gevorderde leeftijd de "Frans Naerebout" wel zou willen verkopen. Hij lag in dat jaar bij Jachtservice Peter van Klink te Aalsmeer in winterberging. De staat van onderhoud was zeer goed. In 1999 is de boeier overgegaan in handen van de heer P.A. Bos en mevrouw Th.L. Keijzer te Voorschoten.
Technische gegevens
Hoofdafmetingen
- Lengte over de stevens 8,87 m
- Grootste breedte over de berghouten 3,59 m
- Holte op het grootspant 1,51 m
- Diepgang 0,74 m
- Zeiloppervlak: grootzeil + fok 50,4 m2
- Kluiver 9,3 m2
Bijzonderheden
- kielbalk, staalprofiel dik 6, hoog 7 cm — grootspant licht gepiekt
- naast de kielgang 8 overnaads geklonken gangen
- gangboorden lopen door naast de kuip
- fraai snijwerk met naam op kajuitrand en aan weerszijden van de roerkop
- roer bekroond met leeuw
Opmerkingen
Met doorlopende zijwaring is een boeier zeewaardiger dan zonder. Bijna alle verhoudingen zijn vrij normaal, waarbij wij opmerken dat deze veel overeenkomst vertonen met die van de boeiers van Van der Zee. Bij de "Frans Naerebout" staat de mastkoker wat verder naar voren.

Opgenomen in het Stamboek met plaquette 202
Stamboekno.: 202
Bouwjaar casco: 1932
Afbouw: 1962
Opdrachtgever afbouw: J.H. Meyer, Heemstede
Huidige eigenaar: G.G.J. van Weeghel, Hasselt (0v)
Dit is voor zover wij kunnen nagaan de laatste boeier gebouwd op de naar Nieuwendam verplaatste werf. Het casco kwam tot stand in 1932 en heeft ongeveer dezelfde afmetingen als de "Frans Naerebout". Het bovendeel van de romp is nog in klinkwerk uitgevoerd, de huidplaten zijn gelast. Kennelijk was het de bedoeling van de werf ervaring op te doen met de nieuwe methode om door middel van lassen ijzeren constructies tot stand te brengen. Er schijnt geen directe opdrachtgever voor deze boeier te zijn geweest, althans het casco bleef in handen van Harmen Bernhard jr. Op de winterreünie van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten in Monnickendam (1956) werd de heer J.H. Meyer te Heemstede, eigenaar van een drukkerij in Haarlem, opmerkzaam gemaakt op het casco, dat zich in een loods van jachtwerf Stofberg in Leimuiden bevond. Aanvankelijk wilde de heer Bernhard het casco niet verkopen, maar zwichtte toch. Het werd uiteindelijk afgebouwd op jachtwerf Klaassen te Voorschoten en liep in 1962 onder de naam "Vrouwe Christina" te water. In plaats van het oorspronkelijke tuigplan van 70 m2 kreeg het schip een toertuig van 58 m2. De thuishaven werd de Watersportvereniging `Braassemermeer' te Roelofarendsveen. Het schip kreeg na verzoek van de heer Meyer om opneming in het Stamboek het nummer 202 toegewezen.
Na het overlijden van de heer Meyer in 1996 vererfde de boeier in 1999 aan de heer G.G.J. van Weeghel te Hasselt (0v). Deze vertelde ons dat het schip sedert omstreeks 1990 niet meer was gebruikt en opgeborgen had gelegen in een loods van jachtwerf P. de Vries te Aalsmeer. Na de boeier een opknapbeurt te hebben gegeven is het de bedoeling deze te verkopen aan een liefhebber, hetgeen tot nu toe nog niet is gelukt.
Een aantal van de bovengenoemde bijzonderheden is ontleend aan een artikel uit 1990 in het tijdschrift Spiegel der Zeilvaart over de bouw van een model van de "Vrouwe Christina" door de modellenbouwer, de heer Bram de Graaff te Haarlem. Dit model is gebouwd van messingplaat naar het oorspronkelijke spantenraam.
Technische gegevens
Hoofdafmetingen
- Lengte over de stevens 8,80 m
- Grootste breedte op de berghouten 3,57 m
- Holte op het grootspant 1,30 m
- Diepgang 0,51 m
- Zeiloppervlak: grootzeil + fok 64,8 m2
- Kluiver, c.q. halfwinder 13,4 m2
Bijzonderheden
- kielbalk, dik 12 hoog 8 cm
- gladboordig geklonken romp, bodem gelast
- rond grootspant
- snijwerk op kajuitrand, hennebalk en beretanden
Opmerkingen
De verhoudingen wijken heel weinig af van die bij de andere boeiers van Bernhard, behalve op het punt van de holte, die relatief wat kleiner is; daardoor is de zeeg forser dan bij de andere. Opmerkelijk is dat de mast bovendeks gestreken wordt met behulp van bokkepoten. Door afslijpen van de lasnaden zijn deze als zodanig uitwendig niet meer te onderkennen. De huid toont een geheel glad oppervlak.
Zoektocht van Jaap Bernhard, een achterkleinzoon van N.A. Bernhard, naar de eerste Nederlandse scherpe jachten

Sinds mijn zestiende jaar heeft aan de muur van mijn slaapkamer een halfmodel gehangen. Het was het model van de Sylvia, een sierlijk klassiek jachtje van 8 meter lang, gebouwd in 1884. Veel later, na het overlijden van mijn ouders, kwamen er meer spullen bij: wat lijnenplannen, een paar modellen en een map met brieven en foto's. Verder was er een zilveren lucifersdoosje met een afbeelding van een klassieke kotter. Het spul is aanvankelijk blijven liggen. Het is materiaal uit de boedel van de oude werf van mijn grootvader.
Wat later, inmiddels vier jaar terug, stuitte ik in Enkhuizen op de oude boeier Phoenix. De Phoenix lag te koop. Het werd hoog tijd dat iemand zich over de boot ontfermde. De Phoenix werd ooit door mijn overgrootvader gebouwd. Ik had een zwak moment, maar kon gelukkig de verleiding weerstaan. Kort daarna koos ik voor een handzamer scheepje: een volksboot van Kroes.
Maar er bleef iets hangen. Mijn nieuwsgierigheid naar de oude jachten van de werf Bernhard was wakker geschud. Eerst richtte ik me op de oude boeiers. Nadat Dr. Vermeer zijn meesterwerk "De Boeier" had gepubliceerd, viel daaraan niet veel meer toe te voegen.
Er blijkt van die jaren nog veel materiaal te zijn, dat zelden of nooit de depots en archieven uit kwam. Een enkele veteraan vaart nog. De zeilsport aan het eind van de 19e eeuw was een wereld van heren en knechten, van sierlijke jachten en wolken van zeil. Er werd verpoosd bij het water, met spectaculaire waterfeesten als hoogtepunt. De evenementen werden opgeluisterd met lampiontochten, admiraalzeilen en hardzeilerij.
In enkele decennia kreeg uit het niets een geheel nieuwe categorie van jachten gestalte. Hetzelfde geldt voor de reglementen. Rond 1864 werd nog alleen een globale lengtemaat gehanteerd, terwijl kort na 1900 al de eerste eenheidsklassen ontstonden.
Het beeld van deze periode wordt soms haarscherp, maar blijft op veel plaatsen nog vaag of zelfs leeg. De zoektocht is als schatgraverij.
In deze publicatie worden de eerste jaren van een zoektocht gepresenteerd.
Jaap Bernhard
