Spring naar inhoud

Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten

Tijdlijn: De oprichting van de SSRP in 1955 en wat daar aan vooraf ging

Met een voorgeschiedenis vanaf 1939 kent de SSRP vanaf haar ontstaan in 1955 een veelbesproken geschiedenis. Het varen met zijzwaarden maakt van een schip nog geen platbodem. Maar zo werd er bij de start van de SSRP wel een beetje tegenaan gekeken. Er voeren in 1955 eigenlijk alleen nog maar een aantal werkloze vracht- en vissersschepen en een klein aantal gekoesterde pleziervaartuigen. Wat de oprichters niet hadden voorzien, was de hausse aan nieuwbouw jachten in de jaren zestig en daarop volgend. Schepen vanaf zo'n zeven meter lengte werden populaire familieschepen, die er niet alleen als platbodem uitzagen, ze voeren ook als echte platbodems. Een ontwikkeling die als een rode draad door het Stamboek loopt.

De aanloop naar de oprichting

1939-1955

Oproep in De Waterkampioen 1939
Oproep in De Waterkampioen 1948
Eerste uitgave boek Voor de wind - Een schipperszoon vertelt door H. Voordewind 1951
Instelling Commissie Stamboek Friese Ronde jachten 1952
Reünie van Friese ronde jachten op het Pikmeer in Grouw 1953

Meer over ""

De oprichting

1955-1965

1955, 8 oktober de oprichting van de SSRP
1955, december de eerste schepenlijst
1957 Het Princessejacht 'De Groene Draeck'
1960 1e Lustrum Reünie SSRP in Grouw
1962 Huitema "Ronde en Platbodemjachten"
1965 2e Lustrum Reünie SSRP in Sloten/Sneek

Meer over ""

Een hausse aan nieuwbouw in de jaren zestig en daarop volgend

1965-1975

Onderzoek naar Criteria 1966
Jachtwerf Kooijman & de Vries Deil 1967
Normen voor Ronde en Platbodemjachten 1969
Gebr. De Jong / Pier Piersma Heeg 1970 +/-

Meer over "Een hausse aan nieuwbouw in de jaren zestig en daarop volgend"

25 jaar na de oprichting: Een idee verwezenlijkt

1975-1985

1972 Plezierig varen - Ronde en platbodemjachten - Wim de Bruijn en Jaap A.M. Kramer
1975 Samenwerking met Botterbehoud en LVBHB
1980 25-jarig bestaan van de SSRP in Grouw
1982 De Stichtingsmonografieën

Meer over "25 jaar na de oprichting: Een idee verwezenlijkt"

Een samenvatting van de geschiedenis van de SSRP

Elke maand mag het Stamboek een eigen pagina in de Spiegel der Zeilvaart vullen. Daar maken we natuurlijk dankbaar gebruik van. We hebben ze voor u verzameld op een aparte pagina in www.ssrp.nl. De Spiegel met al haar interessante artikelen vult onze website natuurlijk perfect aan. Ze schrijft regelmatig over onze in het Stamboek ingeschreven schepen en de problematieken daaromheen.

In 2025 bestaat de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten (SSRP) 70 jaar. Dit wordt gevierd met een grote Lustrumreünie in Heeg, waaraan meer dan 100 SSRP schepen meedoen.
De historie van 'het Stamboek' begon op 8 oktober 1955, toen in Amsterdam de SSRP werd opgericht door het Fries Scheepvaartmuseum, de Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum, de KZV "Oostergoo" in Grouw, de KZV "Sneek", de KNZ&RV in Muiden en de KR&ZV "De Maas" in Rotterdam.

Over de jaren na de oprichting valt veel te vertellen. Daarom zijn we begin 2020 begonnen om op de Stamboek-pagina in de Spiegel een aantal interessante gebeurtenissen en feiten van de SSRP te belichten. Al deze pagina's vormen samen een een boeiende inkijk in het leven van de SSRP, de schepen en scheepstypes, die tot haar aandachtsgebied behoren en de wereld daaromheen. Daarom presenteren we ze als één verhaal in diverse hoofdstukken op de Boekenplank van de SSRP.

Jan Eissens, Stamboekbeheerder en de auteur van de Stamboekpagina in de Spiegel

De aanloop naar de oprichting

Aan de oprichting van de Stichting ging ook het één en ander vooraf. Al in 1939 verscheen in De Waterkampioen een oproep om te komen tot de oprichting van een boeierclub. Helaas volgde vrij snel de Tweede Wereldoorlog. Daarna duurde het een paar jaar voordat in 1948 een volgende oproep werd gedaan.
In 1951 ontmoetten de heren Van Waning en Voordewind elkaar in Grouw. Voordewind was Fries van geboorte en bezig een boek te schrijven over zijn zeilherinneringen, waarin boeiers en jachten een grote rol speelden. Dat resulteerde in het boek "Voor de Wind, een schipperszoon vertelt", dat opnieuw werd uitgegeven door Boekhandel Verkaaik in 2012.

Voor de Wind, een schipperszoon vertelt

Hendrik Voordewind (1887-1972) schrijft in 1950: Uitsluitend afgaande op mijn geheugen heb ik in dit boek wat herinneringen opgehaald uit de jaren waarin ik vrijwel al mijn vrije tijd op het water doorbracht. Ik heb daarbij meer speciaal de lof bezongen van Friesland en zijn mooie vaartuigen van eertijds, die zo geheel in het landschapsbeeld pasten, doch helaas langzaam maar zeker verdrongen werden door allerhande scheepstypen van `vreemde komaf'. In de laatste vijftig jaar heb ik dan ook het karakter van de watersport geducht zien veranderen.

Voor de Wind, een schipperszoon vertelt

Instelling Commissie Stamboek Friese Ronde jachten in 1952

Op voorstel van Halbertsma besloot het bestuur van het Fries Scheepvaartmuseum in april 1952 tot de instelling van een Commissie Stamboek Friese Ronde Jachten. Hun opdracht was, een Stamboek van Friese ronde jachten samen te stellen waar zij onverwijld mee begonnen.

Watersporttijdschrift "De Golfslag": "Een Stamboek voor Jachten"
Het Fries Scheepvaart Museum te Sneek heeft een commissie ingesteld, die een ,stamboek" zal aanleggen van oude Friese jachten en boeiers. Het Museum is in het bezit van de werfboeken van de beroemde werf van Eeltsje Holtrop van der Zee te Joure en zijn zoon Auke en reeds menig oud Fries jacht kon uit deze bescheiden geïdentificeerd worden.
Men wil nu een register samenstellen, waarin de nog bestaande Friese jachten - en die zijn er nog heel wat, over de hele wereld verspreid - zullen worden ingeschreven en men verwacht daarvan dat de eigenaren daardoor er van doordrongen zullen worden, dat een kostbaar stuk uit het verleden aan hun zorg is toevertrouwd.
De Commissie bestaat uit de conservator van het Museum drs H. Halbertsma, de heer H. Voordewind te Amsterdam en de kapitein-ter-zee b.d. C. J. W. van Waning (Secretaris). Laatstgenoemde heeft reeds een register op de ruim 20 werfboeken gemaakt, waardoor het niet nodig is al de folianten door te zoeken als men een inlichting wenst.

Een op kennis gebaseerde keuring op "raszuiverheid" stond het bestuur van het Fries Scheepvaart Museum in 1952 echter niet direct voor ogen toen het besloot een Commissie Stamboek Friese jachten in te stellen. In dat Stamboek moesten "al die oud-Friese jachten worden opgenomen die door hun bouw en sierlijkheid als monument beschermd moeten worden". Er werden gegevens verzameld over bouwer, bouwjaar, achtereenvolgende eigenaren van schepen en over wat voor de historie van het schip en de jachtbouw verder nog van belang kon zijn.

Reünie op het Pikmeer in 1953

Op voorstel van Conservator Halbertsma van het Fries Scheepvaart Museum te Sneek besloot het bestuur van dat museum in april 1952 tot de instelling van een Commissie Stamboek Friese Ronde Jachten met Halbertsma, Van Waning en Voordewind als commissieleden. Ze kregen de opdracht mee het Stamboek van Friese ronde jachten samen te stellen waarmee zij onverwijld begonnen.
Samen met de secretaris van de KZV "Oostergoo", H.G. van Slooten, besloot de commissie een reünie van Friese ronde jachten te organiseren. Alle bij de Commissie bekende eigenaren werden aangeschreven en er kwam zowaar een veertigtal schepen samen in 1953, op het Pikmeer bij Grou. Er verschenen zelfs een tiental jachten uit "Holland". Het evenement trok duizenden toeschouwers en gaf aanleiding tot veel publiciteit. In De Waterkampioen verscheen een in juichende bewoordingen gesteld verslag. 

Waterkampioen half juni 1953 nr923 - Het feest der Ronde Jachten

De sleep uit Holland op weg naar Friesland bij de IJsselbrug te Zutphen, 1953 (foto Zeijlemaker)

Een persoonlijk verslag van de Reünie in 1953 door de familie van der Post

In 1952 werd L.J.A. van der Post uit Voorburg, later uit 's-Gravenhage, eigenaar van het Fries jacht 'Frealuck' (vroeger tjotter genoemd, tegenwoordig Fries jacht 'Willemijntje') waarop hij al vaak al als bemanning had gevaren. Hij had zelf al eerder een tjotter gehad en had nu zijn oog laten vallen op dit grotere en mooiere exemplaar. De naam werd veranderd in "Oom Kiek III". Onder die naam nam het jacht deel aan de eerste reünie van ronde jachten te Grouw in 1953 en voer mee in het konvooi, dat vanuit Holland via de grote rivieren voor dit evenement naar Friesland vertrok.
Van de voorbereiding van de tocht naar Friesland, de Reünie zelf en de periode daarna heeft hij een plakboek bijgehouden met alle relevante brieven, foto's en knipsels. Het plakboek is aan de SSRP aangeboden om te scannen.

De tjotter 'Oom Kiek III' tijdens het Admiraalzeilen

De taak van de oorspronkelijke Commissie werd als gevolg van deze aandacht stevig uitgebreid

Het kon niet uitblijven; het streven van de Commissie kreeg landelijke aandacht en enthousiaste ondersteuning. Dat had tot gevolg dat die aandacht zich ook begon te richten op andere typen 'Oud-Vaderlandse' zeilschepen, met name vrachtschepen voor de binnenvaart (tjalken, klippers e.d.) en vissersschepen van de (voormalige) Zuiderzee (botters, schokkers, bollen enz.).

De taak van de oorspronkelijke Commissie werd als gevolg van deze aandacht stevig uitgebreid en in 1955 ontstond uit de Commissie Stamboek, de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, waarvan de doelstelling werd 'Het bevorderen van de belangstelling voor het Nederlandse Ronde en Platbodemjacht, in de breedste zin van het woord'. In de taakomschrijving bleef de cultuur-historische kern, ontleend aan die van de eerdere Commissie, behouden.

Over de jaren na de oprichting valt veel te vertellen

De oprichting

De bakermat van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten ligt in Friesland

Dankzij de inzet en vasthoudendheid van een aantal echte liefhebbers kwam het uiteindelijk in 1955 tot de oprichting van de SSRP. Na de eerste reünie in 1953, gevolgd door de overdracht van het Statenjacht in mei 1954, begon de belangstelling te groeien, niet alleen in Friesland, maar in geheel Nederland, ja zelfs buiten onze grenzen in Engeland en België. Het ging nu niet alleen meer om Friese Ronde jachten, maar ook andere scheepstypen vereisten meer aandacht: de tjalken, de Zuiderzee-vissersschepen als botters, kwakken, blazers, bollen en Staverse jollen, de Zeeuwse schepen als hoogaarsen en hengsten, om maar enkele te noemen.

In de Schepenlijst worden vanaf de start dus niet alleen oud-Friese jachten opgenomen. Na de oprichting van de Stichting in 1955 is het aandachtsgebied uitgebreid naar alle schepen die overeenkomen met de oud-Nederlandse scheepstypen, die hun eindvorm hadden bereikt toen het zeil werd vervangen door de motor (voor de Stichting het jaartal 1955), zowel gebouwd in hout als ijzer/staal. In de 70 jaar na de oprichting in 1955, toen er 114 schepen in de Schepenlijst stonden, is dit aantal intussen uitgebreid naar meer dan 2800 schepen in deze Schepenlijst.

Het eerste bestuur van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten

De drie leden van de Commissie Stamboek Friese Ronde Jachten maakten deel uit van het oprichtingsbestuur, dat bestond uit de heren:

  • C.J.W. van Waning te Rotterdam, voorzitter
  • Mr. Dr. T. Huitema te Wassenaar, secretaris-penningmeester
  • F.G. Spits te Diemen, beheerder van het stamboek
  • Drs. H. Halbertsma te Amersfoort, aangewezen door het Fries Scheepvaart Museum te Sneek
  • H.G. van Slooten te Leeuwarden, aangewezen door de K.Z.V. 'Oostergoo'
  • Ir. J. Loeff te Loosdrecht, aangewezen door de Kon. Ned. Roei en Zeilvereniging
  • Mr. A. Blussé van Oud-Alblas te Rotterdam, aangewezen door de Kon. Roei- en Zeilvereniging 'De Maas'
  • H. Voordewind te Amsterdam, aangewezen door de K.Z.V. 'Sneek'
  • S.J. Bouma te Enkhuizen, aangewezen door de vereniging 'Vrienden van het Zuiderzeemuseum’.

Hiermede werd een tijdvak van vier jaren opbouw afgesloten.

De uitleg van Rienk Wegener Sleeswijk over het begrip "Ronde en Platbodemjachten"

Rienk Wegener Sleeswijk schrijft als bestuurslid van KZV "Oostergoo":
"Ronde en Platbodemjachten" is de enig juiste wijze van schrijven van het begrip. Dus de gedachte mag beslist niet postvatten dat ‘ronde’ in dit begrip alleen maar ziet op de vorm van de bodem of het vlak. Ergo : ook geen afkort-streepje na het woord ‘Ronde’.
Verwezen zij naar de reünie in 1953, wel eens aangeduid als de ‘geboorteakte’ van het Stamboek Ronde en Platbodemjachten. Aanvankelijk ging het om een reünie van ‘Friese ronde schepen’, uitgaande van de Vereeniging Oostergoo en de Commissie Stamboek Friesche ronde jachten. Let wel : de aanduiding ’ronde’ was in de visie van onze destijdse bestuurs-voorgangers letterlijk te nemen. Het ging uitsluitend om boeiers, open jachten en tjotters van het Friese type, die ‘nergens stilstonden’, d.w.z. de lijnen waren nergens recht. Dus niet in het bovenaanzicht, niet in het zijaanzicht, niet in voor-, resp. achteraanzicht, noch in de dwarsdoorsnedes. Korte tijd later bleek deze omschrijving te strikt en werd het begrip verruimd : Enerzijds ging het primair om ronde jachten, ook als de dwarsdoorsnedes rechte lijnen in het vlak vertoonden. Dus een plat vlak of een meer of minder V-vormig vlak. Anderzijds werd het bereik van het stamboek niet onaanzienlijk verbreed met schouwen, die als jacht waren gebouwd. Nota bene, historische knik-spantjachten die vrijwel nergens ronde lijnen toonden en derhalve qua romp heel weinig met ronde jachten gemeen hadden.
Omdat de organiserende heren het uitgangsbegrip ‘Ronde jachten’ als term onder geen beding wilden laten vallen werd deze aangevuld met het oude meer algemene begrip ‘Platbodemjachten’. Het begrip "Ronde en Platbodemjachten" was een feit, maar niet geheel nieuw, want werd incidenteel wel eerder in de eerste helft van de 20e eeuw gebruikt. Strikt genomen is het begrip "Ronde en Platbodemjachten" een pleonasme aangezien de ronde jachten ook behoren tot het algemenere genus platbodemjachten, d.w.z. niet diep stekende jachten. Feitelijk zijn Platbodems in beginsel immers alle oudvaderlandse niet-kielschepen, die kunnen droogvallen, zowel in de binnen- als in de buitenvaart, waaronder de Ronde jachten.
Met de begripsverruiming werd de deur tot toelating tot het stamboek ook geopend voor authentieke platbodem beroepsvaartuigen, die tot jacht waren getransformeerd. Daarmee was - afgezien van enige latere nog weer verdere verruimingen - het beeld van de "Ronde en Platbodemjachten" wel ongeveer afgerond. 
Helaas kan niet worden geconcludeerd, dat daarmee het begrip "Ronde en Platbodemjachten" een eenduidige weergave is van wat er wel en niet toe kan worden gerekend. In de praktijk is de verwarring soms groot, ook vanwege het ontbreken van voldoende historisch besef bij latere generaties bestuurders en commissieleden van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten en van Klasse-organisaties. Niet altijd zijn consequent de juiste begrippen gebruikt.

De eerste voorzitter van de SSRP: C.J.W. (Jumbo) van Waning op het dak van zijn oude trekschuit (collectie van Wim de Bruijn)

Aan het werk

In 1945 omvatte ons Varend Erfgoed slechts een fractie van wat er ooit had bestaan. En dat gold ook voor de kennis over deze schepen. Die hoorden zo bij het landschap, ze waren zo vanzelfsprekend, dat onze voorouders er vrijwel nooit over gepubliceerd hadden. De Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten sprong in dit gat. Haar oprichters zochten en kregen de publiciteit. Er werden reünies georganiseerd (de eerste in 1953, voorafgaand aan de officiële oprichting van de SSRP) en er werd een archief opgebouwd. Het opmeten van nog bestaande schepen was een initiatief van de SSRP. Hiermee lagen de oude scheepsvormen vast voor het nageslacht. Het publiceren ervan lag in het verlengde van haar doelstellingen.

Speurwerk

Intensief speuren naar nog bestaande Friese ronde jachten leerde in korte tijd dat enige tientallen boeiers, Friese jachten en tjotters nog bestonden, maar vaak verkeerden ze in uiterst erbarmelijke staat. Vele van de nieuwe eigenaren brachten aanzienlijke financiële offers voor herstel en soms voor algehele restauratie. De door de activiteiten van de Stichting gewekte belangstelling voor Ronde en Platbodem jachten bleek echter vooral uit te gaan naar schepen waarmee groter water kon worden bevaren (de voormalige Zuiderzee, de Wadden, Zeeuwse Stromen). Vanaf ongeveer 1960 gingen vele werven zich toeleggen op de verbouwing tot jacht van oude vrachtschepen, zoals tjalken en de nieuwbouw (in staal) van zeeschouwen, grundels, bollen, schokkers, hoogaarsen en Lemsteraken voor plezier.

Oproep aan scheepsbouwkundig tekenaars

In De Waterkampioen van september 1960 deed de Stichting een oproep aan scheepsbouwkundig tekenaars:
De Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten streeft er onder meer naar om van ieder type van de thans nog als jacht in gebruik zijnde ronde en platbodem-schepen een schip te doen opmeten en in tekening te brengen, teneinde aldus de vorm en lijnen van deze scheepstypen vast te leggen. Er zijn reeds een aantal opmetingen verricht en tekeningen vervaardigd, terwijl verschillende andere opmetingen op het programma staan. Het blijkt uiterst moeilijk om tekenaars te vinden die bereid en in staat zijn de opmetingen te verrichten en daarna de betreffende schepen in tekening te brengen. Indien onder de lezers van De Waterkampioen tekenaars zijn, die aan deze werkzaamheden hun medewerking zouden willen verlenen, zou de Stichting het bijzonder op prijs stellen met hen hieromtrent nader overleg te plegen. Zij die hiervoor belangstelling hebben worden verzocht zich in verbinding te stellen met het Secretariaat van de Stichting in Wassenaar. De redactie wil deze oproep gaarne warm ondersteunen. het documentatiewerk van het Stamboek is van grote waarde voor de geschiedenis van onze oudvaderlandse scheepstypes. Het mag als een werk van grote culturele waarde worden aangemerkt, dat onze belangstelling verdient en medewerking van wie daartoe in staat is.

Het Stamboek na de start in 1955: werfboeken, schepenlijsten en nog wat

De Waterkampioen december 1955 nummer 964 schrijft:
Zo'n stamboek voor jachten, dat zou een oneerbiedige geest bijna kunnen do en denken aan de inleiding van een goede grap, in de trant van: wat is de overeenkomst tussen een stamboekkoe en een rond jacht.... Maar welke antwoorden u hierop ook weet te vinden, een feit is in ieder geval, dat beide "ingeschreven" zijn, althans behoren te zijn, En daarom over die inschrijvingen allereerst een enkele opmerking. Op dit ogenblik zijn in het Stamboek Ronde en Platbodemjachten 114 jachten ingeschreven. Hoewel het uiteraard moeite heeft gekost hem zo ver te krijgen - want er is betere kopie denkbaar - zijn we onze hoofdredacteur bijzonder erkentelijk, dat hij er in toegestemd heeft deze lijst van 114 schepen in één der volgende nummers van De Waterkampioen op te nemen. Uit de lijst blijkt duidelijk de ontwikkeling van het Stamboek. Begonnen als Stamboek der Friese ronde jachten, zijn er thans niet minder dan ruim 80 van dit soort schepen (boeiers, Friese jachten, tjotters, Lemsteraken) ingeschreven, terwijl het aantal inschrijvingen van platbodems nog slechts een 30-tal bedraagt. Daaruit blijkt ook we I, dat de lijst nog verre van compleet is, terwijl bovendien ook van de wel-ingeschreven schepen soms slechts zeer summiere gegevens bekend zijn. Overigens hoeft niemand het zich aan te trekken, als het nog niet gelukt is de levensgeschiedenis van zijn jacht uit te zoeken, want zelfs de "beheerder" van dit Stamboek in hoogst eigen persoon heeft, ondanks verwoede pogingen, de historie van zijn eigen jacht nog niet kunnen navorsen! Wel echter zouden we op alle eigenaars van ronde en platbodemjachten een beroep willen doen om, voor zover dit nog niet is geschied, hun schepen bij het Stamboek te melden.
U zult het bemerken, zo'n speurtocht loont altijd de moeite. Want ook al wordt het gestelde doel niet steeds direct bereikt, u komt toch altijd vele dingen tegen, die wetenswaard zijn en die uw kennis omtrent dit soort schepen en de vroegere jachtbouw kunnen verrijken.

Het Stamboek na de start in 1955: werfboeken, schepenlijsten en nog wat

Het begrip 'Stamboek' houdt voor iedere rechtgeaarde Fries in: op kennis gebaseerde keuring op raszuiverheid, waarbij tevens het streven naar rasverbetering kan worden gevoegd.

De oprichters zochten en kregen de publiciteit

De Stichting heeft ten doel de bevordering van de belangstelling voor het ronde en platbodem jacht

Dit wordt ondermeer bereikt door het aanleggen van een verzameling van voorwerpen, documenten, bestekken, tekeningen, alsmede films en fotografieën, betrekking hebbende op de ronde en platbodem jachten. Er zijn ook plannen om enige mooie oude jachten te laten opmeten en in tekening te brengen, zodat de vorm, tuigage en bouwwijze voor altijd zullen zijn vastgelegd.

De doelstellingen van de SSRP

Het logo van de SSRP

De vloot in de beginjaren na 1955

In 1955 bestond de vloot volledig uit schepen die gebouwd waren door scheepsbouwers op scheepswerven die werkten volgens oude tradities. Het was een relatief beperkt aantal. Door alle publiciteit, het verbouwen van overbodig geworden zeilende vissersschepen en vrachtschepen, en natuurlijk het bouwen van nieuwe schepen met behulp van nieuwe technieken, zoals het lassen, werd het ronde en platbodemjacht populair. Handelaar Appie Hagewoud bood in de jaren zestig in De Waterkampioen zo ongeveer een halve skûtsje-vloot te koop aan. 'Ik koop ze overal in het land en heb eigen tipgevers, schippers en oude kennissen,' zo vertelde Appie in een interview. 'Want sinds de Prinses met een Lemsteraak zeilt, wil iedereen een rond schip of een platbodem hebben en daar worden dikke prijzen voor betaald, vooral als ze volgens tekening worden gerestaureerd en tot luxe jacht verbouwd.'

Wie is die man? A. (Appie) Hagewoud

Een advertentie had onze nieuwsgierigheid gaande gemaakt. Stond me daar in "De Waterkampioen" zo ongeveer een halve "skûtsje"-vloot te koop. Een zeetjalk, vijf Friese tjalkjes, Fries snik- zeilscheepje, Fries stalen boeiertje, nog een Fries tjalkje, noem maar op. "En dat moet je nou in Meppel zoeken!" zei de heer A. Hagewoud, die aan het Westeinde woont met een hele sjouw schepen voor zijn deur.

Hagewoud is handelaar in oude vrachtschepen

Het Prinsessejacht 'De Groene Draeck'

Het tweede jaar van de SSRP stond in het teken van de achttiende verjaardag van H.K.H. Prinses Beatrix, die een oud-Hollands rond jacht aangeboden kreeg van het Nederlandse volk. Een enorme aanmoediging voor iedereen die vaderlandse schepen een warm hart toedroeg.

Op 31 Januari 1956 vierde H.K.H. Prinses Beatrix haar achttiende verjaardag. Het lag, gezien de geschiedenis, voor de hand dat aan de Prinses een jacht werd aangeboden. Het aanbod luidde: Een jacht geschikt om ermede de binnenwateren van ons land te bevaren, met inbegrip van Waddenzee, Zuiderzee, Zuid-Hollandse en Zeeuwse Stromen. Een Comité, zich noemende "Varend Nederland", werd samengesteld en de Prinses koos voor een oud-Hollands, rond vaartuig. Een Lemsteraak bleek het beste aan haar verlangens te voldoen.
De eerste voorzitter van de SSRP, C. J. W. van Waning, lid van het Comité, schreef daarover: 'Dat H.K.H. Prinses Beatrix voor een Lemsteraak kiest, heeft iedereen, die in zijn hart een warm plekje heeft voor de typisch Nederlandse scheepsvormen, verheugd. Scheepsvormen, zoals deze in eeuwen zijn ontwikkeld en als het ware zijn vergroeid met ons waterland in al zijn verscheidenheid. We hopen dat het Oranjehuis in de persoon van onze Kroonprinses een voorbeeld heeft gesteld, dat aan de gelukkig weer groeiende belangstelling voor onze ronde en platbodemschepen die aanmoediging mag geven, die deze vaderlandse schepen zo ten volle verdienen. Deze aanmoediging is niet alleen gegeven door de keuze van een oud-Nederlands rond jacht, maar vooral ook door het aanvaarden van de functie van Beschermvrouwe van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten op 15 juni 1957, de dag, waarop 'De Groene Draeck' aan haar werd overgedragen.
De SSRP schonk de roerversiering, de draak. Over het schip verscheen een boek, de eerste monografie waaraan de SSRP ook heeft meegewerkt, uitgegeven door drukkerij Roelants in Schiedam. Dat de Prinses een voorbeeld heeft gesteld blijkt uit de ongekende populariteit van de Lemsteraak in de jaren die volgden.

H.K.H. Prinses Beatrix heeft met de al bijna 65-jarige "De Groene Draeck" vele reünies van bezocht. Op de foto de laatste keer in Lemmer in 2015 waar ze als Admiraal de vlootschouw afnam

Een jacht voor onze Kroonprinses ter gelegenheid van haar 18de verjaardag in 1957

Slechts uiterst zelden verschijnt er een uitgave die een zo uitvoerig beeld geeft in tekst en vooral ook wat de illustratie betreft van het ontwerp, de bouw, de inrichting en de historie van een echt Nederlands jacht-type. En wanneer dit dan geschiedt, zoals in dit boek, aan de hand van het tot stand komen van een dergelijk jacht bestemd voor onze Kroonprinses, dan mag men niet alleen een bijzonder verzorgd boek verwachten, maar ook een boek dat een indruk geeft van de zo persoonlijke keuze van Prinses Beatrix, die mede gestalte heeft gegeven aan „De Groene Draeck". Daarmee is dit boek meer dan een gelegenheidsuitgave.

Het boek: Het Princessejacht 'De Groene Draeck'

Zelden verschijnt er een uitgave, die een uitvoerig beeld geeft in tekst en ook wat de illustratie betreft van het ontwerp, de bouw, de inrichting en de historie van een echt Nederlands jacht-type. En wanneer dit dan geschiedt, zoals in dit boek, aan de hand van het tot stand komen van een dergelijk jacht bestemd voor onze Kroonprinses, dan mag men niet alleen een bijzonder verzorgd boek verwachten, maar ook een boek dat een indruk geeft van de zo persoonlijke keuze van Prinses Beatrix.

Het Prinsessejacht 'De Groene Draeck'

De Ronde en Platbodemschepen hoorden zo bij het landschap, ze waren zo vanzelfsprekend, dat onze voorouders er vrijwel nooit over hadden gepubliceerd. De Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten sprong in dit gat.

De eerste reünies

De eerste Lustrumreünie in 1960

In 1960, vijf jaar na de oprichting van de SSRP, kwamen ongeveer zeventig schepen bijeen op het Pikmeer en de Wijde Ee. Het houten schip overheerste het geheel nog. De 42 Friese ronde jachten (12 boeiers, 14 Friese jachten, 26 tjotters) vormden een meerderheid samen met grote eskaders schouwen en vissersschepen. Vijf jaar later in 1965 waren er twee keer zoveel schepen aanwezig en de verhoudingen waren aanzienlijk veranderd. Het was opvallend dat tijdens deze reünies nog een groot aantal "originele" vissersschepen zoals oude visbotters meededen, die nu waren veranderd in "plezierjacht". In de jaren erna verenigden de eigenaren van deze schepen zich meer en meer in "speciale" clubs met eigen doelstellingen, zoals Vereniging Botterbehoud. Dat is zeker ook een verdienste van de oorspronkelijke oprichters van het Stamboek!

Schepen tijdens de reünie van 1965 in Lemmer. In 1960 en 1965 deden vele, nog originele schepen meer. (foto Theo Kampa)

De reünies van Stamboek Ronde en Platbodemjachten in 1960 en 1965

De Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten heeft haar eerste lustrum op een luisterrijke wijze en, zo zou men kunnen zeggen, in een sfeer van culturele tradities, gevierd.

De grootse reünie in Grouw op zaterdag 9 en zondag 10 juli vormde een indrukwekkende bekroning van het werk dat het nijvere bestuur van „het stamboek" nu vijf jaar in het belang van de karakteristieke, oud-Nederlandse ronde & platbodem-jachten heeft verricht.

1960: 1e Lustrum Reünie Stamboek Ronde en Platbodemjachten in Grouw

De viering van het tienjarig bestaan van het Stamboek is dank zij een perfecte organisatie, een deelneming als nimmer tevoren en uitgelezen weersomstandigheden een succes geworden, dat velen in verrukking heeft gebracht.

1965: 2e Lustrum Reünie Stamboek Ronde en Platbodemjachten in Sloten/Sneek

De Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten heeft haar eerste lustrum op een luisterrijke wijze en, zo zou men kunnen zeggen, in een sfeer van culturele tradities, gevierd.

Het boek Ronde en Platbodemjachten, eerste uitgave in 1962

Het boek Ronde en Platbodemjachten van Mr. T. Huitema werd in 1962 uitgegeven onder auspiciën van de SSRP en is in ongewijzigde vorm nog altijd in de boekhandel te krijgen. Ten tijde van de uitgave was de tekst vernieuwend en waren de tekeningen documentair. Hoofdredacteur Jan Loeff van de Waterkampioen schreef daarover: 'Zo is dan eindelijk het lang verbeide "boek van het Stamboek", uitgekomen! Als er ooit een uitgave in ons land verschenen is, waarnaar velen hebben uitgekeken en dat een leemte opvult, dan is het zeker dit boek [ ].
Er hebben verschillende auteurs aan dit boek meegewerkt en deze hebben allen gegeven wat zij wisten of meenden te weten over het jachttype, dat zij hebben beschreven. Dit is een belangrijk werk, dat een schat van wetenswaardigheden bevat, een bron van kennis, die niet overschat kan worden, rijk geïllustreerd met foto's en tekeningen tussen de tekst.' 
Het boek is geschreven met de kennis van toen. Veel wat er in staat geldt nog steeds. Maar met de kennis van nu, zou je een nog veel informatiever boek kunnen samenstellen.

Het boek "Ronde en Platbodemjachten" een Standaardwerk onder redactie van Mr. Dr. T. Huitema

In 2000 is de laatste, zevende druk van het standaardwerk van de SSRP, waarin de ronde en platbodemjachten en hun 'afstamming' uitvoerig worden beschreven, van de persen gerold. Daarna is binnen de Stichting Ronde en Platbodemjachten de discussie ontstaan hoe verder publicaties over de Ronde en Platbodemjachten te verzorgen. Op www.ssrp.nl kunt u daarover natuurlijk alles lezen.

Het boek "Ronde en Platbodemjachten"

Het boek "Ronde en Platbodemjachten" een Standaardwerk onder redactie van Mr. Dr. T. Huitema

In 2000 is de laatste, zevende druk van het standaardwerk van de SSRP, waarin de ronde en platbodemjachten en hun 'afstamming' uitvoerig worden beschreven, van de persen gerold. Daarna is binnen de Stichting Ronde en Platbodemjachten de discussie ontstaan hoe verder publicaties over de Ronde en Platbodemjachten te verzorgen. Op www.ssrp.nl kunt u daarover natuurlijk alles lezen.

De bijbel voor de Platbodemliefhebber

De Tweede Wereldoorlog betekende de nekslag voor de nog overgebleven vracht- en vissersschepen

Wat de oprichters van de SSRP zeker hebben gedaan, ze hebben de belangstelling voor het ronde en platbodemjacht in 1955 een heel nieuw leven ingeblazen! Ronde en platbodemjachten zijn traditioneel allemaal verschillend en zij vonden juist die verscheidenheid geweldig. Een hoop verloren gewaande kennis hebben ze verzameld. En, eerlijk is eerlijk, na de Tweede Wereldoorlog hadden ze de wind mee.

Onze befaamde Nederlandse traditionele schepen verloren tussen de beide wereldoorlogen, van 1916 tot 1945 behoorlijk aan populariteit. De houten schepen van de Zuiderzee stierven een langzame dood na de omslag van zout naar zoet water in het IJsselmeer. De conserverende werking van het zout verloor haar werking. De zeilende beroepsvaart motoriseerde en in de pleziervaart bleef maar een deel van de platbodemjachten behouden. De Tweede Wereldoorlog betekende de nekslag voor de nog overgebleven vracht- en vissersschepen. Waren ze goed onderhouden, dan werden ze door de Duitse bezetters gevorderd. Was hun staat van onderhoud al matig, dan ontbraken vaak de middelen voor goed onderhoud. Dit betekende het einde van veel schepen. Gelukkig vonden er nog een aantal in de pleziervaart emplooi.

Opmetingen

Na de oprichting in 1955 nam de SSRP direct het initiatief om nog bestaande schepen op te meten. Hiermee lagen de oude scheepsvormen vast voor het nageslacht. Voor deze opmetingen werden vaak bekende jachtontwerpers gevraagd. O.a. Lunstroo, De Vries Lentsch, Stelwagen, van Beylen, Huitema en Gipon hebben verschillende oude schepen opgemeten en in tekening gebracht.
Het publiceren van deze tekeningen ligt in het verlengde van de doelstellingen van de SSRP. Niet om er een nieuwe botter, tjotter, hoogaars of ander schip van te laten bouwen. Daarvoor schieten alleen lijnenplannen te kort. Voor het ontwerpen van een nieuw schip kunnen ze wel een leidraad zijn.

Een hausse aan nieuwbouw in de jaren zestig en daarop volgend

Wat de oprichters zeker niet hadden voorzien, was de hausse aan nieuwbouw jachten in de jaren zestig en daarop volgend. Schepen vanaf zo'n zeven meter lengte werden populaire familieschepen, die er niet alleen als platbodem uitzagen, ze voeren ook als echte platbodems. Jachtontwerper L.M. Huitema bood tekeningen aan waarmee je zelf, mits je handig was, van de tekening af een zeeschouw kon bouwen. Anderen, zoals de werf van Westerdijk uit Eernewoude en Kooijman & de Vries in Deil bouwden zowel casco's als complete schepen. Vooral de casco's maakten vanwege de lagere kosten, een goed ontworpen schip bereikbaar voor veel watersporters. De vloot van de SSRP bestaat voor een groot deel uit deze nieuwe schepen. Van de bijna 2600 schepen in de schepenlijst van het Stamboek zijn er ruim 1800 na 1955 gebouwd.

De onverwachte gevolgen van een ondoordacht idee: de eerste 25 jaar van de SSRP

Het waren de mannen van het eerste uur die aan de wieg van onze Stichting stonden, die niet alleen de aandacht vestigden op het woord 'publicaties', maar die tevens activiteiten ontwikkelden die het mogelijk maakten om hier metterdaad wat aan te doen. De Stichting heeft ten doel de bevordering van de belangstelling voor het Ronde en Platbodemjacht in de breedste zin van het woord. Dat resulteerde in de realisatie van de SSRP Stichtings Monografieën tussen 1997 en 1990, die aan ieder van de Vrienden van de Stichting werden gestuurd, om te verzamelen in een groene map met het logo van de SSRp op de omslag.. 

Monografie 01 - De onverwachte gevolgen van een ondoordacht idee

Van Visserman tot Pleziervaartuig - Jaarboek 2013 van de Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum

Tussen 1900 en 1932 - het jaar waarin de Afsluitdijk klaar was - liep de visserij in het Zuiderzeegebied al flink terug. In de jaarverslagen van vrijwel alle visserijverenigingen is dit terug te vinden. Daarbij was dat beeld wel heel erg wisselend. Veel visserij, zoals de ansjovisvangst, was periodiek, d.w.z. sterk gebonden aan een bepaalde tijd van het jaar. Er waren goede jaren, maar ook slechte. Visserlui zijn typische overlevers die zich lange tijd aan de veranderende omstandigheden hebben weten aan te passen.
Aan het begin van de twintigste eeuw was de oude Zuiderzee volop ontdekt door de pleziervaart. Watersportbladen van het eerste uur, zoals het blad De Watersport en later, De Waterkampioen, staan vol met verhalen over vakantietochten over de Zuiderzee. Op getijwater werden vrijwel alle manoeuvres uitsluitend op zeil uitgevoerd. Een aanhang motor van 4 pk was handig op het binnenwater en om een haven in of uit te varen, maar op open, stromend water was een hulpmotor volstrekt onvoldoende. Deze jachtvloot aan `semi-zeegaandejachten-van-het-eerste-uur' bestond uit een merkwaardig samenraapsel van scheepstypen. Voormalige wedstrijdjachten voor de grote meren, tot jacht verbouwde reddingssloepen en omgebouwde bedrijfsvaartuigen kozen en masse het ruime sop. Enkele grotere boeiers en kajuit-aken begonnen aarzelend aan het charteren.
Van Visserman tot Pleziervaartuig - Jaarboek 2013 van de Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum

Jachtwerf Kooijman & de Vries (1967-1981)

Een grote speler in de bouw van deze jachten was Jan Willem Kooijman. Kooijman bouwde in 1961 in Zwijndrecht al de eerste platbodems. De oudste in het Stamboek dateert van 1963, een grundeljacht van 7,50 meten Grundels, een paar Vollenhovense bollen, maar ook de Enkhuizer bollen. Scheepjes van 7 meter, waarvan de eerste in 1965 op de Hiswa werd geëxposeerd.
De bol was een doorslaand succes en het vervolg was een serie van tien schepen. In 1967 werd de werf Kooijman & de Vries in Deil gestart, samen met de onlangs overleden Siem de Vries. De tekeningen voor deze schepen waren, vooral in het begin, van de hand van ontwerper J.K. Gipon. Later werden er ook ontwerpen van vele andere bekende jachtontwerpers gebouwd.
De werf in deze vorm heeft bestaan tot 1981, waarna Ted van Rijnsoever haar heeft voortgezet tot 2009. In 48 jaar werden er bijna 1000 ronde en platbodemjachten gebouwd. In 2006 stond bouwnummer 971 op stapel bij het 25 jarig bestaan van van Rijnsoever.

Eén van de bijna duizend casco's in aanbouw bij de werf van Kooijman & de Vries in Deil a.d. Linge. Het betreft de 10,75 m Vreedenburgh schokker van Wim de Bruijn, die het casco daarna zelf aftimmerde. (Foto Theo Kampa)

Ontmoeting met Jan Kooijman

Het verhaal in de Spiegel der Zeilvaart over een man die het Hollandse landschap weer trachtte op te sieren met Hollandse platbodems, daar aanvankelijk wonderwel in slaagde, maar door de recessie in de late jaren zeventig hardhandig werd teruggefloten. Jan was een echte Hollandse landschapsarchitect. Hij kleedde het Nederlandse landschap niet aan met bomen of huizen, maar met platbodems.

Ontmoeting met Jan Kooijman

Ontwerper Gipon (1910-1999)

In 1937 publiceerde de Waterkampioen zijn eerste platbodemontwerp, een houten zeeschouw. Gipon gebruikte de oorlogsjaren, wanneer dat mogelijk was, voor het observeren van oude scheepstypen. Hij richtte zich in het bijzonder op de vertaling van de oude scheepstypen naar een uitvoering daarvan als jacht. Gipon had een duidelijke ontwerpvisie. 

Platbodemjachten van JK Gipon

Plezierig varen Ronde en Platbodemjachten - Jaap A.M. Kramer en Wim de Bruijn

Een gids voor degenen die over de aanschaffing van een Rond of Platbodemjacht denken
Met de titel van dit boek willen de schrijvers naast de informatie die het geeft ook iets overdragen van het plezier dat talrijke watersporters elk seizoen beleven aan boord van ronde en platbodemjachten. Want dat is een van de dingen die zij zelf hebben ervaren: hoe je juist op deze jachten kunt genieten van wind en water, van een fijn gezelschap, van de rust van ondiepe of afgelegen vaarwateren, waar vaak alleen deze schepen veilig kunnen varen. 

Het boek Plezierig varen van Jaap A.M. Kramer en Wim de Bruijn

Wat de oprichters zeker niet hadden voorzien, was de hausse aan nieuwbouw jachten in de jaren zestig en daarop volgend.

Het Friese Heeg speelt een prominente rol in de geschiedenis van het Stamboek

Het Friese Heeg speelt een prominente rol in de geschiedenis van het Stamboek. Mede dankzij de tjotter-vloot van de plaatselijke jeugdherberg. Daarnaast was er een scheepsbouwer die op zijn werf al dat erfgoed kon onderhouden én nieuwe schepen kon bouwen. Direct na de oprichting van de SSRP kreeg hij het druk dankzij de nieuwe klanten.

In 1940 namen de broers Hendrik en Berend de Jong de werf in Heeg (bekend van de palingaken) over na het overlijden van hun vader. Een werf die deels was overgegaan op het bouwen van ijzeren schepen, maar slechts mondjesmaat. Hendrik deed het "ijzer" en Berend het "hout". Hendrik bleef tot 1960 verbonden aan de werf, daarna ging Berend als eenmansbedrijf door.
Het was in Heeg in die tijd nog niet gebruikelijk dat de inwoners een telefoon aanschaften. Maar kennelijk waren de contacten van De Jong met de "buitenwereld" toch al van dien aard dat telefoon op de werf noodzakelijk was. En die buitenwereld zou belangrijk worden, want op 8 oktober 1955 werd de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten opgericht. Al in november van datzelfde jaar betaalde Berend zijn contributie aan de Stichting: f15,00. Dat lijkt nu niet veel, maar het waren toen twee uurlonen.
In het bewaard gebleven werfboek valt één klant direct op: de Jeugdherbergcentrale. De vader van Pier Piersma, alom bekend geworden als Heit (vader) Piersma, werd na de oorlog jeugdherberg-vader in Heeg. Hij bleek een vaste klant, het hele jaar door was er onderhoud aan de tjottervloot van zijn jeugdherberg.

De vloot van jeugdherberg It Beaken (tot 1977 - daarna NJHC, nu Friese Tjottervloot)

In de tijd van Heit en Mem Piersma is de vloot van It Beaken gegroeid tot 10 tjotters en 1 Fries jacht. Bij hun afscheid in 1977 hebben Heit en Mem hun eigen tjotters overgedragen aan de NJHC. Maar de vloot ronde en platbodems van nu is niet meer dezelfde als in de tijd van Heit en Mem. De schepen zijn in 1995 ondergebracht in de Stichting Friese Tjottervloot. Met hulp van vrijwilligers houden ze de tjottervloot in optimale staat van onderhoud. Daarnaast is het doel van de stichting om zo veel mogelijk mensen te laten zeilen in de tjotters. Een belangrijke activiteit daarbij is de jeugd weer warm maken voor de traditionele scheepjes.

Stichting Friese Tjottervloot

Een lange rij klanten voor Berend de Jong

Het verlangen van een kleine groep mensen om het Varend Erfgoed niet te laten verdwijnen bleek door onverwacht velen herkend en gedeeld te worden. En Berend en Hendrik de Jong waren in de begintijd van de SSRP één van de weinige werven bij wie men terecht kon om aan dit verlangen vorm te geven. Plotseling verschenen er rijke "westerlingen" met namen die in heel Nederland bekend waren. En zij bestelden tjotters bij De Jong, de een na de ander. Ze verdrongen elkaar bijkans.
Een aantal opdrachtgevers kwam binnen na bemiddeling door de pas opgerichte SSRP. Zo ging er een deur naar de toekomst open, wagenwijd, maar tegelijkertijd werd die naar het verleden gesloten. Die van de boerenbootjes en van de vissersbootjes. In korte tijd werd het beroepsmatige vervangen door het recreatieve en het ging gepaard met lak, koper en witte zeilen. Wat niet veranderde was de geur van eikenhout in de werkplaats. Wat wel veranderde was het publiek, het geldende afwerking van de boten.

Gebr. De Jong - Heeg (1940-1980)

In 1940, na het overlijden van vader Michiel, namen Hendrik en Berend de werf over. Hendrik deed het "ijzer" en Berend het "hout". Hendrik trok met zijn gezin in het voorhuis op de werf. Berend bleef in het dorp wonen en hij voerde de administratie van de werf. Berend heeft twee duidelijke werfboeken nagelaten.

Berend Michiels de Jong (tot 1980)

Berend de Jong bouwt de drie tjotters 'Oude Jongen' (rechts achter), 'Doffert' en 'Beitske' tegelijkertijd in 1967
Berend de Jong werkt aan de tjotter 'Earrebarre' in de winter van 1969-1970. De 4,92 m tjotter was een geschenk aan Frits Philips van zijn personeel in Drachten.

Pier Piersma

Pier Piersma, opgegroeid tussen de tjotters van de jeugdherberg, kwam in 1966 bij Berend de Jong in de leer. In 1967 bouwde hij al zijn eerste tjotter, de 'Froask', waarmee hij later veel wedstrijden won. Pier begon in 1970 voor zichzelf in een loods op het eiland aan de overkant van het water. In de gehuurde loods restaureerde hij als eerste opdracht de boeier 'Maria Pauline', gevolgd door de bouw van de tjotter 'Jeltje'. De huidige loods met helling was eind 1970 klaar, met de gemeentelijke verordening dat het gehele terrein na drie jaar weer in oude staat opgeleverd zou worden. Gelukkig liep alles heel anders, zo heeft de geschiedenis geleerd. Een hele stroom gerestaureerde en nieuwbouwjachten heeft in de loop van de daarop volgende jaren de werf verlaten. Als groot ambassadeur van de houten ronde en platbodemvloot werd Pier niet alleen in Nederland bekend, maar ook ver daar buiten. Tot op de dag van vandaag draait de werf op volle toeren, nu onder de deskundige leiding van Martijn Perdijk.

Pier brandt een gang krom

In 2016 viert scheepsbouwer Pier Piersma zijn vijftig jarig jubileum

Nu 300 jaar geleden, in 1699, liet schuitmaker Joucke Fetzes in Heeg zijn huis en scheepswerf bouwen. Het is wel heel bijzonder dat daar nog altijd een scheepsbouwer is gevestigd en dat er sprake is van een welhaast ononderbroken eeuwenlange scheepsbouwtraditie, mogelijk wel van voor 1660 af.

Jachtwerf Piersma - Heeg

In 2025 presenteert Klaas Smit het boek: 50 Jaar Jachtwerf P.P. Piersma 1966-2016

Economisch tij of niet, er is altijd werk geweest. In een tabel per decennium ziet het er als volgt uit.

PeriodeNieuwbouwRestauraties
1970-1980   1937
1980-199099
1990-2000816
2000-2016519
Totaal4181
Het boek 50 Jaar Jachtwerf P.P. Piersma 1966-2016 door Klaas Smit

Hout vervangen door ijzer

Terwijl in Groningen al in 1858 het eerste ijzeren schip werd gebouwd, bleven de scheepswerven van Friesland veel langer hangen 'in het hout'. Er waren weliswaar genoeg werven die zeeschepen bouwden voor de handel overzee, maar na 1850 was deze tak van nijverheid een aflopende zaak. Grotere schepen kon men beter in ijzer bouwen, maar de Friese scheepsbouwers waren verknocht aan hout. Er hebben zich drama's afgespeeld in vele scheepsbouwfamilies; strijd van zoons tegen hun vaders, die geen ijzeren schepen wilden bouwen omdat ze 'geen roesttroep op hun werf' wilden. Een bijkomende reden was overigens dat de (zee)sluizen in Friesland te klein bleken om grotere schepen te kunnen bouwen (bron: het artikel van L. Kamminga in het jaarboek 1977 van het Fries Scheepvaart Museum).

Het artikel van L. Kamminga in het jaarboek 1977 van het Fries Scheepvaart Museum

Een volledige beschrijving van de geschiedenis van de Friese scheepsbouw zal nimmer mogelijk zijn. Daarvoor zijn in de loop der eeuwen te veel gegevens verloren gegaan. Het beeld is tot aan de 1e eeuw erg onsamenhangend, daarna is er wat meer een rode draad in te ontdekken. Echter ook dan zijn er nog zoveel hiaten, dat ons verhaal niet volledig kan zijn en waarschijnlijk nooit kan worden. Wij hebben getracht de Friese scheepsbouw en de Friese scheepvaart ook van de economische en sociale kant te bekijken, een gezichtshoek die tot nu toe veelal gemist werd. Begon de scheepsbouw in de Friese steden?

De Friese scheepsbouw en scheepvaart - Jaarboek Fries Scheepvaart Museum en Oudheidkamer, Kamminga, L. 1977

Een opmerking van Dirk Huizinga over dit rapport

Zo lees ik snel even, dat in de 17e en 18e eeuw vanuit Hindeloopen veel vrachtvaart was, maar vooral import en geen uitvoer. De schepen voeren met ballast uit. Dat is kenmerkend voor Friesland. Peter Dorleijn stopte zijn serie "Van gaand en staand want" over de visserijhavens rond de Zuiderzee bij De Lemmer. In die overige zeehaventjes van Friesland gebeurde immers niets. Het probleem was, dat er geen achterland was, de vissers hadden geen afzet. Pas toen Poppe de Rook en Johannes Sterk vanuit Lemmer gingen handelen met ansjovis, werd het aantrekkelijk voor vissers in Stavoren en Hindeloopen om dit visje te vangen. Normaal konden ze die vis niet kwijt, maar vanaf 1883 hadden ze het staand want (van Jan Pen uit De Lemmer) en kochten de grote handelaren uit De Lemmer de vis op, om de gezouten ansjovis in ankers naar Amsterdam te vervoeren. Daar gingen ze in vemen en geleidelijk werden ze met de trein naar Zuid Duitsland vervoerd. Dankzij de trein was er afzet voor ansjovis. Exporteren uit Friesland stelde niet veel voor. Importeren kon wel: hout uit de Oostzeegebieden.

Het verlangen van een kleine groep mensen om het Varend Erfgoed niet te laten verdwijnen bleek door onverwacht velen herkend en gedeeld te worden.

In het beschrijven van de scheepstypes en de individuele schepen ligt een grote kracht van de SSRP

In het beschrijven van de individuele schepen en scheepstypes ligt een grote kracht van de SSRP. Dat liet de stichting natuurlijk al zien in 1962 met de publicatie van het boek Ronde en Platbodemjachten van Huitema. Na deze eerste publicatie werd de zoektocht naar schepen, het onderzoek en het opmeten van schepen uitgebreid voortgezet.

Tussen 1977 en 1990 verschenen de resultaten van het speurwerk in een reeks artikelen, die gebundeld werden in twee ringbanden, in totaal 465 pagina's tekst + illustraties, de Stichtingsmonografieën. Ze werden aan de donateurs toegezonden. Een paar beschreven de geschiedenis van de SSRP, maar de meeste zijn echte monografieën die schepen, hun bouwers en ontwerpers behandelen.
In 1982 verscheen nummer 15, "Lemsteraken van visserman tot jacht", een monografie van Huitema. Hij opent zijn verhaal met de vraag: Wáár zijn de in de zeiltijd gebouwde vissermansaken, die nu nog als jacht in Nederland varen?
Maar hij beperkt zich niet tot de vissermanaken, want er werden vroeger ook aken gebouwd voor andere doeleinden. In de monografie probeert Huitema eerst het woord "aak" te herleiden. Vervolgens beschrijft hij de bouwers en de tijd waarin zij leefden en de nog varende schepen. Op deze monografie kwamen diverse reacties en aanvullingen zodat er later een vervolg kon worden uitgegeven. De monografie werd in 1982 ook in boekvorm uitgegeven.

Lemsteraken van visserman tot jacht

'Waar zijn onze aken gebleven?'
Deze vraag van de oud-Lemster Jan Wouda in 'Zuid-Friesland' van 28 februari 1980 vormde de aanleiding tot onderstaand overzicht. Maar nu luidt de vraag: Wáár zijn de in de zeiltijd gebouwde vissermansaken die nu nog als jacht in Nederland varen?
Het curieuze is nu - hoewel anderzijds ook weer een logisch gevolg van de geringe betekenis van de visserij - dat volgens de gemeenteverslagen pas in 1877 voor het eerst vissersschepen in de Lemmer zelf worden gebouwd. Het zijn twee aken, waarvan in ieder geval één is gebouwd door Pier de Boer.

Stichtingsmonografie 15 - Lemsteraken van visserman tot jacht

Stichtingsmonografie 20 - Lemsteraken van visserman tot jacht (vervolg)

De aak

Alle schrijvers over Lemsteraken, zoals van Waning, Vroom, Van der Molen, Petrejus, Halbertsma, Zwart en Hak leggen een verband tussen de tjotterachtige, Friese binnen-aken en de allengs 'groter gegroeide' schepen die de vissers op de Zuiderzee gingen gebruiken en die aangepast waren aan het ruimere water en de zich wijzigende vismethode (botslepen).
Het verband tussen de binnen- of vis-aak en de buiten- of botaak lijkt dus wel vast te staan. Verschillende werven (Croles, Bos, de Boer, van der Zee. Zwolsman) bouwden beide typen, maar Pier de Boer en zijn zonen bouwden verreweg de meesten en zij hebben aan dit scheepstype geleidelijk de lijnen en vormen gegeven die we daaraan zo zeer bewonderen. Het is dan ook een compliment aan de scheepsbouwersfamilie de Boer dat dit scheepstype tenslotte de naam Lemsteraak krijgt, zoals met de aanduiding 'Jouster boeier' Eeltjebaes en zijn zoon Auke worden geëerd.

Huitema schrijft:
'In feite kun je in het geheel niet spreken van 'de' aak. Met dit woord, dat in ieder geval reeds in de 17e eeuw voorkomt, worden immers een aantal geheel verschillende scheepstypen aangeduid, en het woord komt in diverse verbindingen voor. Nu eens worden er ronde schepen mee aangeduid, dan weer platbodems, vaak zijn het vissersschepen maar ook vrachtschepen, meestal zijn het schepen met een kromme, min of meer gebogen voorsteven, maar ook voor overnaads gebouwde schepen van het schokkermodel werd de naam aak gebruikt. Met andere woorden, het woord aak biedt als zodanig geen enkel houvast als het gaat om een typebeschrijving.'

Wat wij Lemsteraak noemen

Voor 1930 waren er in ieder geval vijf werven, die vissermanaken bouwden. Een aantal daarvan vaart nu nog als jacht. Daarnaast waren er een aantal ontwerpers die aken direct voor de pleziervaart tekenden en werven die ze bouwden. Eén van de vijf werven van visserman- en plezieraken was Gebr. de Boer in Lemmer. De werf begint in 1876 te draaien. Ze bouwden eerst uitsluitend aken in hout, maar vanaf 1899 ook in ijzer. In tegenstelling tot de voorgangers worden deze niet meer op het oog, maar vanaf tekening gebouwd. Vele ijzeren visaken verlaten de jaren daarna de werf.
De schepen hadden zo'n goede naam, dat er door De Boer vanaf 1907 aken ook direct als jacht werden gebouwd. Was de eerste, de 'Orion' (ex-Antje) nog niet zo groot, de daarop volgende jachtaken hadden al een lengte van 15 tot ruim 17 meter. Het aantal oude, nog varende Lemsteraken bleek in 1982 nog verrassend groot. Een grote aantrekkingskracht van onze oude scheepsvormen is dat het geen eenheidsworsten zijn, maar dat iedere bouwer, iedere ontwerper en opdrachtgever er iets eigens in brengt.

De vier "beroemde" 15-meter jachtaken

Gebr. de Boer in Lemmer bouwde in de jaren 1912-1915 vier "Pleziervaartuigen model Lemmerjacht" van ongeveer vijftien meter lang. De eerste aak die te water werd gelaten was 'De Wulp' en een maand later volgde de 'Salamander'. Daarna kwamen nog de 'Thistle' en als vierde 'De Onrust'. Over deze vier aken is veel geschreven (de laatste bijdrage was van Joost Geise in SdZ 2017.2). Van drie is tot op de dag van vandaag bekend waar ze varen, van de vierde, de 'Thistle' weten we dat helaas niet. Volgens de laatst bekende informatie zou de aak in 1988 in Florida te koop zijn aangeboden. Mogelijk bestaat ze dus ook nog! De drie andere zusterschepen voeren in 1990 voor het laatst samen bij de Vlootschouw tijdens SAIL Amsterdam. Voor het eerst sinds 60 jaar.

'De Onrust', 'De Wulp' en 'Salamander' geven acte de présence tijdens SAIL 1990

De W.H. de Vosprijs

De Lemsteraak 'De Onrust' is voor velen de bekendste van de vier aken, vooral omdat de naam elk jaar valt binnen de SSRP. In 1957 werd een zilveren model van de Lemsteraak 'De Onrust' als jaarlijkse wisselprijs aangeboden door de erven van de opdrachtgever W.H. de Vos, die ruim veertig jaar eigenaar was geweest van het schip. Op onze website staat het verslag van de uitreiking van de W.H. de Vos prijs 2020, uitgereikt aan de eigenaren van de 'Salamander', die vorig jaar als herboren feestelijk te water werd gelaten.

Het is een compliment aan de scheepsbouwersfamilie de Boer dat dit scheepstype tenslotte de naam Lemsteraak krijgt

De SSRP is de oudste Maritieme Behoudsorganisatie van Nederland

De SSRP is de oudste Maritieme Behoudsorganisatie van Nederland. Nu kun je natuurlijk veel behouden, maar het woord 'behoud' in combinatie met 'organisatie' slaat vrijwel altijd op Varend Erfgoed. De SSRP-schepen die in de Schepenlijst van het Stamboek zijn opgenomen zijn allemaal particulier eigendom. Wie in dat Stamboek kon worden ingeschreven werd in de loop der jaren wel een punt van discussie.

Particulier eigendom wil zeggen dat alleen de eigenaren iets te zeggen hebben over hun schepen. Hoe monumentaal of museaal het schip ook is, in wezen kan de eigenaar met zijn of haar schip doen wat hij of zij wil. Dat zal meestal niet zo extreem uitpakken als bij de Britse koning George V. Die bepaalde dat zijn zo geliefde jacht 'Britannia' na zijn dood afgezonken moest worden. Het mocht niet gesloopt of verkocht worden. Inderdaad is dat prachtige jacht in 1936 onder water verdwenen bij St. Catherine's Point aan de zuidkant van het Zuid-Engelse eiland Wight.

De Schepenlijst sinds 1955

De Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten groeide na het ontstaansjaar 1955 onstuimig, en veranderde na de komst van het Internet zelfs in een waar (inter)nationaal kenniscentrum. Het meest zichtbare deel van de SSRP zijn echter onze schepen op het water. In de Schepenlijst zijn oude, in een enkel geval héél oude, nog varende schepen opgenomen. Maar ook inmiddels verdwenen, doch voor de historie belangrijke, schepen. Maar net zo goed ook heel nieuwe, bij wijze van spreken gisteren gebouwde schepen.
De eigenaren vinden en vonden het om allerlei redenen nodig hun schip in het Stamboek in te schrijven. Sinds 1955 zijn de gegevens van circa 2700 schepen vastgelegd. Het vormt een database waar je u tegen zegt. Samen met de (oud)eigenaren van de ingeschreven schepen houdt de SSRP de database up-to-date, immers de tweede S in SSRP staat voor Stamboek. En zoals we allemaal weten beschrijft een Stamboek een ontwikkelingsgeschiedenis.

De vloot SSRP-schepen aan de kade bij Halbertsma in Grouw in 1980. Een schouwspel waar we op dit moment alleen maar van kunnen dromen. (Foto Jan Eissens)

Technische schoonheidscommissie

Het varen met zijzwaarden maakt van een schip nog geen platbodem. Maar zo werd er bij de start van de SSRP wel een beetje tegenaan gekeken. Er voeren in 1955 eigenlijk alleen nog maar een aantal werkloze vracht- en vissersschepen en een klein aantal gekoesterde pleziervaartuigen. Dat veranderde in de jaren daarna toen het ronde en platbodemjacht populair en betaalbaar werd en nieuw gebouwd kon worden op basis van oude uitgangspunten. Dat deze nieuwe - na 1955 - gebouwde schepen afwijken van de oudere zal duidelijk zijn. Daarom begon de Stamboekgedachte halverwege de jaren-60 te wringen. De vraag welke schepen in het Stamboek konden worden ingeschreven werd onderwerp van discussie. Na uitvoerig overleg stelde het bestuur nog eens uitdrukkelijk vast dat de Stichting haar belangstelling in het bijzonder richt op het zuivere oud-Nederlandse scheepstype, zoals dit tot aan het einde van de zeiltijd in de binnenvaart en de visserij werd gebruikt. Maar deze omschrijving was echter dermate algemeen, dat een nadere precisering gewenst was.

Een lastige opgave omdat "het" zuivere schip nooit heeft bestaan... Scheepsvormen zijn de uitkomst van vele overwegingen: van de stand van de techniek van het moment, economische omstandigheden, gebruiksdoeleinden en ook traditionele overwegingen. Daaraan moeten we nog de kennis en creatieve gaven van werfbaas en opdrachtgever toevoegen.
In 1969 werd een eenvoudige set van kracht als `richtsnoer en handleiding' voor de inschrijving van schepen in het Stamboek, de zogenoemde criteria of liever gezegd kenmerken. De beoordeling werd gedaan door de 'technische schoonheidscommissie' (de voorloper van de huidige Criterium Commissie) met het bestuur als uiteindelijke beslisser.

Het varen met zijzwaarden maakt van een schip nog geen platbodem.

De SSRP bestaat 25 jaar in 1980 - Een idee verwezenlijkt!

In 1975 ging de SSRP een samenwerking aan met de Vereniging Botterbehoud en de Landelijke Vereniging tot Behoud van het Zeilend Bedrijfsvaartuig (nu de LVBHB). Gezamenlijk richtten zij de Federatie Oud-Nederlandse Zeilschepen op, die zich ten doel stelde 'de bevordering van het behoud van het oud-Nederlandse zeilschip'. Ondertussen nam de SSRP zelf het initiatief voor restauratie van een houten Snik.

Aan deze oprichting is uiteraard heel wat voorafgegaan. De drie genoemde verenigingen verleenden ieder op eigen wijze steun aan de scheepseigenaren bij het dikwijls zo kostbare onderhoud van de schepen. Daarbij bleek al spoedig dat subsidieverzoeken altijd bij dezelfde instanties terecht kwamen. In de praktijk bleek het veel duidelijker en praktischer om tot een coördinatie van deze activiteiten te komen. Vandaar de oprichting van de Federatie, die de zelfstandigheid en het eigen karakter van de oprichtende organisaties onaangetast liet, maar gezamenlijk optreden naar buiten mogelijk maakte.

Er werd contact gezocht met de overheid

Er werd contact gezocht met de overheid om ook onze oude schepen onder bepaalde voorwaarden als monument te beschouwen met dezelfde voordelen, die dat predicaat in de "stenen wereld" al lang had. Daarnaast werd contact gezocht met het Prins Bernhard Fons (PBF) om een restauratiefonds voor de schepen van de drie aangesloten organisaties te kunnen inrichten. Dat laatste resulteerde al vrij snel in de oprichten van een materialenfonds. In 1985 werd de basis van de Federatie verbreed tot de FONV, die veel later de huidige naam FVEN kreeg. Helaas moeten we in 2020 constateren, dat het Varend Erfgoed nog een lange weg te gaan heeft om erkend te worden als volwaardig gesprekspartner bij de ontwikkeling van nationale en internationale wet- en regelgeving - die ondanks de EU overigens per land verschilt.

De restauratie van een Snik

In 1972 wordt in het SSRP Jaarverslag een bijzonder initiatief vermeld. Op voorstel van het Nederlands Historisch Scheepvaartmuseum wordt de vermoedelijk laatste houten Snikke gekocht. De Stichting stelde uit eigen - uiterst bescheiden - middelen het benodigde bedrag beschikbaar. Het schip lag als wrak bij werf "'t Kromhout" in Amsterdam. Met alle middelen wordt getracht het voor verdere achteruitgang te bewaren totdat een liefhebber wordt gevonden, die bereid is tot algehele restauratie over te gaan.

In 1978 stelde het PBF een subsidie beschikbaar om met de restauratie van romp en opbouw tot trekschuit te starten. Daarnaast betaalde de SSRP zelf ook het nodige. De Snik was gereed in 1982 om op de Internationale Tuinbouwtentoonstelling Floriade publiekelijk te worden vertoond en werd daarna overgedragen aan het Nederlands Historisch Scheepvaartmuseum te Amsterdam. Daardoor werd er weer een historisch scheepstype voor het nageslacht bewaard.

Het wrak van de houten snik bij 'Kromhout in 1972 (foto Oppenheim, jaarverslag SSRP 1972)

In 1984 verhuist de trekschuit naar Dokkum

In 1984 verhuist de trekschuit naar Dokkum, waar het nu al weer jaren vaart als reconstructie op ware grootte van de trekschuiten die een groot aantal jaren bepalend waren voor het personenvervoer over water in de Noordelijke provincies, maar ook in de rest van Nederland.

De jubileumreünie in 1980 - vanuit Leeuwarden naar Grouw

Mr. dr. T. Huitema schrijft:
Er zijn bij het overzicht van de reünies in de eerste 25 jaar al veel superlatieven gebruikt. Het is daarom moeilijk het succes van deze lustrumreünie, die in Friesland's hoofdstad begon, te beschrijven. Het was eenvoudig groots, uniek, overweldigend, niet te overtreffen. De organisatoren die zeer veel tijd aan de voorbereiding besteedden kunnen tevreden zijn. Alles werkte mee: het weer, de autoriteiten, de deelnemers, de bevolking. Ja zelfs onze maritieme historie gaf ons door de tocht met de trekschuit van admiraal De Ruyter in 1667 van Delfzijl naar Texel via Leeuwarden een uniek onderwerp voor het waterspel.
 

Dat vervolgens de hele vloot van Leeuwarden via Grouw en Sneek naar Heeg kon zeilen zonder één slag te hoeven maken is iets wat niet vaak voorkomt. Het leek daar in het wijde Friese landschap een ononderbroken rij van ronde en platbodemjachten onder vol tuig zo ver het oog reikte. En vele zeilers in tjotters en Friese jachten praten nog over de wonderbaarlijke tocht door onbekende vaarten en sloten ten zuiden van IJlst: 'Fryske marren, blauwe wetters, o, wy sjonge jimme rom'. Het admiraalzeilen van de 'houten Friese vloot' te midden van een carré van de grotere deelnemers was door de stevige bries wellicht moeilijk maar wel fraai.

Lustrumreünie 1980. De vloot in de stadsgracht bij de Prinsentuin in Leeuwarden. Foto: Friesch Dagblad

Stichtingsmonografie nummer 13: 25 jaar Stamboek: een idee verwezenlijkt

Wanneer u bedenkt dat aan de oprichting van de Stichting eigenlijk de vrees ten grondslag lag dat de oud-Nederlandse schepen op het punt stonden te verdwijnen, dan is het begrijpelijk dat wij van de ene verbazing in de andere vielen en dankbaar ervoeren dat zo velen met ons bereid waren zich in te spannen de traditionele scheepsvormen als uiting van een cultuur uit een voorbije periode in stand te houden.

Het bestaansrecht van de SSRP na 25 jaar in woord en beeld

Het was eenvoudig groots, uniek, overweldigend, niet te overtreffen.

De woelige jaren-80

De Stichting wordt vanaf de oprichting gedragen door een kring van ongeveer duizend Vrienden, de eigenaren van de schepen en daarnaast de liefhebbers van de Ronde en Platbodemjachten. Zij geven jaarlijks een financiële bijdrage waaruit de diverse activiteiten worden bekostigd. Elke belangstellende die het doel van de Stichting met een jaarlijkse bijdrage wil steunen, is van harte welkom, ook wie geen eigenaar is van een schip dat in het Stamboek is ingeschreven. Wie geniet niet van de oude Nederlandse jachten op het water, onder Hollandse luchten? Is dit stukje cultuurgoed niet waard zorgvuldig beheerd en levend gehouden te worden voor volgende generaties?

Wie Vriend van de Stichting wordt, steunt vooral ook het toegankelijk maken van de geschiedenis van de oude Nederlandse vaartuigen. Het verzamelen van documenten en gegevens is één ding, maar publiceren een andere, vaak kostbare, taak van de Stichting.

Scheiding SSRP en Vrienden

Na de overdracht van de trekschuit in 1982 werden ook de eerste barstjes in het SSRP-bestuur zichtbaar. De invloed van de mannen van het eerste uur was nog steeds zichtbaar. Uit de archiefstukken ontstaat het beeld dat de bestuursleden van de SSRP in 1985 niet meer eensgezind opereerden en dat vooral de financiële situatie (mede door de investeringen in de trekschuit) en het niet-communiceren daarover een belangrijk onderwerp werd op de agenda.
Daarnaast voelden een aantal Vrienden zich buitengesloten en wilden meer zeggenschap over de koers van de Stichting. De ontwikkeling van de Ronde en Platbodemvloot was sinds de oprichting van de SSRP drastisch veranderd en nieuwe ontwikkelingen vereisten steeds meer aandacht.
Daarop heeft een commissie van wijze mannen, later het Interimbestuur, in overleg de touwtjes naar zich toegetrokken en de oude bestuursleden gevraagd af te treden. 
Dat gebeurde en in de discussies in de jaren daarna is besloten om de "Vrienden" (eigenaren en donateurs vanaf de start van de SSRP) meer invloed te geven door het oprichten van een Vereniging en daarbij goede afspraken over de samenwerking te maken. In 1988 werd zo de oprichting van de VSRP naast de SSRP een feit.

Nieuwe ontwikkelingen

Na 1990 begon de democratisering van de watersport in algemene zin te stagneren. De bouw van de grote aantallen schepen en het aantal actieve inschrijvingen van schepen bij de SSRP nam af. Wel werden in die jaren meer Ronde en Platbodemjachten speciaal ontworpen en gebouwd voor het wedstrijdzeilen. Met het Watersportverbond was in eerste instantie afgesproken dat de SSRP een "bewijs van goedkeuring" op basis van haar criteria zou afgeven voor de tekeningen van elk nieuw te bouwen schip. Daarna kon de eigenaar een meetbrief voor het wedstrijdzeilen aanvragen. Dat bleek uitermate onhandig omdat zo'n schip daarna vaak niet in het Stamboek werd ingeschreven en zo uit zicht van het Stamboek verdween. Later werd dit veranderd in de eis dat een schip eerst "actief" in het Stamboek ingeschreven moet worden, voordat de meetbrief kan worden aangevraagd.

In de loop van de afgelopen jaren werd het bestuur steeds vaker geconfronteerd met een zich vooral binnen de Lemsteraken (VA) manifesterende ontwikkeling, waarin nieuwgebouwde schepen ter beoordeling werden aangeboden, die niet in het stamboek opgenomen konden worden omdat de ontwerpen duidelijk van de traditionele Lemsteraken afwijkende kenmerken vertoonden. Bepaald zorgwekkend was de ontwikkeling van de vorm van de onderwaterschepen, waarbij geconstateerd moest worden dat de thans geldende criteria kennelijk onvoldoende houvast boden om het ontwikkelingsproces te beheersen. Een soortgelijke ontwikkeling, zij het in mindere mate, was bij de schokkers en hoogaarsen aanwijsbaar. Een en ander noopte in de loop van het jaar 1990 het bestuur van de Stichting zich te beraden over mogelijkheden om aan deze onwenselijke situatie een halt toe te roepen.

In 1992 verscheen het zogenaamde oranje boekje, waarin op basis van de breed besproken adviezen van de& Werkgroep 'Herziening Criteria' de Algemene Criteria waren uitgebreid met gedetailleerde Aanvullende Criteria voor een aantal populaire scheepstypes, waarmee veel werd wedstrijd gezeild.

Traditionele jachten, de ontwikkelingen van de jaren 1950 tot 1990 door Mr. Dr. T. Huitema

In de Spiegel der Zeilvaart van december 1990 kijkt Huitema terug op een periode van meer dan 35 jaar ontwikkelingen in de ronde en platbodemwereld. Een ontwikkeling die zich na 1990 (soms in sneltreinvaart) heeft doorgezet.
Het ideaal: Het bewaren van de scheepstypen in de meest zuivere vorm en in stand te houden en de kennis omtrent historie, bouw en vormgeving ervan te bewaren. Dat de tijden in de jaren 50 snel veranderden, werd al heel snel duidelijk bij de inrichting van het Stamboek. Naast de reeds jaren bestaande 'oude' schepen werden er vele nieuwe schepen getekend en gebouwd. Vele aanvragen voor opname in het Stamboek volgden.
Het was een hoog en duidelijk ideaal dat in 1953 eerst de Commissie Stamboek Friese Ronde Jachten en in 1955 de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten voor ogen stond. De Nederlandsche Scheepsbouwkonst, zoals reeds in 1697 door Cornelis van Yk was "open gestelt", had voor binnenvaart en visserij fraaie zeilvaartuigen voortgebracht, die geheel dreigden te verdwijnen. Deze scheepstypen in de meest zuivere vorm te bewaren en in stand te houden en de kennis omtrent historie, bouw en vormgeving ervan te bewaren en te verdiepen was het met overgave nagestreefde doel. Tot ieders verrassing bleken er beduidend meer jachten in de vaart te zijn dan verwacht en in ieder jaarverslag van de Stichting schreef de secretaris met trots dat het aantal inschrijvingen weer was toegenomen.

Traditionele jachten, de ontwikkelingen van de jaren 1950 tot 1990 (Huitema, 1990)

Wanneer we weer teruggaan naar het Congresjaar 1915 dan is er inmiddels meer dan een mensenleeftijd verlopen. Ging tientallen jaren lang de belangstelling voor het traditionele jacht steil bergafwaarts, sinds evenveel jaren na 1950 is die belangstelling minstens even steil omhoog gegaan. Dat betekende vooral de bouw van nieuwe schepen. Van de rond 1400 jachten die in het Stamboek staan ingeschreven zijn er bijna 1000 gebouwd na 1930. En onder de ongeveer 70 bouwers daarvan kom je slechts een twaalftal werven tegen die van oudsher de traditionele scheepsbouw beoefenden.

Nu heeft er bij de Stichting nooit twijfel bestaan dat een nieuwgebouwd jacht kan worden ingeschreven, mits het uiteraard geheel als een traditioneel rond en platbodemjacht kan worden beschouwd. Dat leidde onvermijdelijk tot de noodzaak zich een duidelijk beeld te vormen van hetgeen onder zo'n traditioneel jacht moet worden verstaan: het boek "Ronde en Platbodemjachten" verscheen en iets later ontstonden de inschrijvingscriteria. Deze criteria dienden uitdrukkelijk ter ondersteuning en praktische uitwerking van het doel van de Stichting, namelijk consolidatie, bewaring en handhaving van de oude scheepsvormen zoals die tot ontwikkeling kwamen in de hierboven aangegeven periode.

Een andere manier om naar Ronde en Platbodemjachten te kijken

Naarmate de belangstelling groter werd, nam ook de behoefte toe om zich te onderscheiden. Jachtontwerpers stortten zich op de ‘nieuwe’ markt en zochten mogelijkheden hun ontwerpen sneller, comfortabeler en betaalbaarder te maken. Ook de moderne ontwikkelingen op het gebied van het jachtzeilen misten hun uitwerking niet. Om te voorkomen dat deze trends zouden resulteren in al te zeer afwijkende ontwerpen en uitvoeringen en om de authenticiteit van het beeld te waarborgen, werden de criteria voortdurend aangescherpt.
Zo ontstond in de loop der jaren een onsamenhangende verzameling voorschriften en bepalingen, die niet altijd een aanwijsbare historische basis hebben, maar ook een reflectie zijn van de met de tijd veranderende opinies van beleidsmakers en bewakers van het Stamboek.

Ook de behoudswereld is continu aan verandering onderhevig. Sinds de toenemende waardering van het varend erfgoed sinds de jaren 1980, en de sinds begin 21e eeuw uitgesproken bemoeienis van de overheid (o.a. opname van mobiel erfgoed in de monumentenwet) is de behoefte ontstaan de schepen te identificeren als cultureel erfgoed. Daarmee wordt de basis gelegd voor een ander soort waardering, niet alleen op basis van verschijningsvorm, maar vanuit een veel breder perspectief, waarbij de ontwikkeling van een scheepstype en de geschiedenis van een schip als uitgangspunt worden gehanteerd.

Om aan die ontwikkeling tegemoet te komen is een systeem ontwikkeld waarbij allereerst de historische ontwikkeling van een scheepstype wordt beschreven. Vervolgens worden de kenmerken van het bewuste type gedefinieerd op basis van onderzoek van historische bronnen. Die worden weergegeven op een tijdlijn, waarin de relevante maatschappelijke en historische gebeurtenissen worden weergegeven, wanneer ze hebben plaatsgehad en welk effect ze hebben gehad op de ontwikkeling van het type. Zo ontstaat een dynamische verzameling kenmerken, aan de hand waarvan de uiterlijke verschijningsvorm van een schip in de tijd kan worden geplaatst. Tot slot wordt de geschiedenis van het individuele schip beschreven, waarbij die aspecten en kenmerken worden belicht die het mogelijk maken het schip te plaatsen op de tijdlijn. Eventuele afwijkingen van de basis kenmerken kan dan worden vertaald in de mate van authenticiteit van het schip.

Naarmate de belangstelling groter werd, nam ook de behoefte toe om zich te onderscheiden.

Behoud, Daarom!

Na een globaal overzicht van de geschiedenis van de SSRP vanaf de oprichting zijn we nu aangekomen in de recente geschiedenis. In 2005 was het 50 jaar geleden dat de SSRP werd opgericht. Dat mocht natuurlijk niet ongemerkt voorbij gaan. Er werd een jaar gewerkt aan een groots feest in Grouw en Spiegel der Zeilvaart gaf een bijzondere bijlage uit onder de titel SSRP 50 jaar.
Voor het bestuur was het zonneklaar dat Grouw - zeg maar de bakermat - het middelpunt van de festiviteiten moest zijn. Gelukkig deelden gemeentebestuur en middenstand die mening. De Stichting, Vereniging van Vrienden en De Regionale Friese Reünie werkten ruim een jaar aan het feest dat zich grotendeels rond Hotel Oostergoo zou afspelen.

De hele reünie werd een aaneenschakeling van geweldige PR voor onze Ronde en Platbodemjachten, waarbij beschermvrouwe HKH Prinses Beatrix, toen onze Koningin, aan boord van haar Lemsteraak 'De Groene Draeck' de vlootschouw afnam. Het eerste onderdeel van de reünie was echter een symposium in de Sint Piterkerk met als thema 'Behoud, Daarom!' De SSRP presenteerde een aantal belangrijke onderwerpen met als titels `Behoud' en 'Licht op de toekomst'. Ook werd het project Driewerf voor het voetlicht gebracht, een initiatief om drie verdwenen scheepstypen terug te brengen op het water.

Het symposium in de Sint Piterkerk in Grouw met het thema "Behoud, Daarom!" (Foto Jan Eissens)

Een bijzondere bijlage van de Spiegel der Zeilvaart in 2005: SSRP 50 jaar

Dankzij de welwillende medewerking van eindredacteur Wim de Bruijn kwam deze bijlage van de Spiegel der Zeilvaart tot stand. De bijlage bestaat uit een verzameling "scheepsverhalen", handelend over een aantal in het Stamboek geregistreerde schepen en hun eigenaren, die de geschiedenis van de SSRP voor een deel weerspiegelt.
Om u enig inzicht te geven in de veelheid en diversiteit van scheepstypen, die we kennen in de SSRP als behoudsorganisatie, hebben we een aantal veel op de Nederlandse wateren rondvarende voorbeelden gedestilleerd en zijn met de eigenaren en ontwerpers in gesprek gegaan.

Verdwenen scheepstypen

In 2004 waren er drie grote herbouwprojecten in voorbereiding. Zij sloegen de handen ineen en vormden de "Driewerf": drie werven op drie verschillende plaatsen in Friesland. Over deze projecten is in de jaren daarna uitgebreid gepubliceerd in de Spiegel. Zo werd in Eernewoude vanuit het Skûtsjemuseum het initiatief genomen voor de bouw van een nieuw houten skûtsje. Leidraad vormde een uit 1861 daterend bestek uit de werfboeken van Eeltje Holtrop van der Zee voor het skûtsje 'AEbelina'. De bouw van de nieuwe 'AEbelina' startte in 2004 en ze werd in zoog te water gelaten. In Paesens Moddergat werd in 2004 de kiel gelegd voor de bouw van een nieuwe Wierumer Aek. Met dit soort aken werd gevist op de gronden boven de Waddeneilanden. In de vorige eeuw was het type geheel verdwenen.
De grootste van de drie projecten was de Palingaak in Heeg, met zijn 18,5 meter. De palingaken werden gebruikt voor het transport van levende paling tussen Friesland, het Oostzeegebied en Londen. De bouw startte eind 2005 en de 'Korneliske Ykes II' werd in 2009 te water gelaten. Een belangrijk moment in haar 10-jarig bestaan was de reis naar Londen in 2019.

Palingaak Korneliske Ykes II

Particuliere Restauraties

Naast deze projecten, vonden er op diverse werven spraakmakende restauraties plaats van ronde en platbodemjachten van soms al meer dan een eeuw oud, maar nog steeds in particuliere handen. In 1969 heeft de SSRP het initiatief voorbereid om een restauratiefonds in te richten. In de jaren-90 is er een restauratiefonds ingericht door de (toen) FONV. Over de aanleiding en de restauraties zelf zijn vaak intrigerende verhalen te vertellen. Als je door de Index van de Spiegel bladert, krijg je als resultaat meer dan 300 verwijzingen naar artikelen over restauraties waarover artikelen zijn geschreven. Bijvoorbeeld over de vier 15-meter Lemsteraken van De Boer in Lemmer. De restauratie van de 'Salamander' werd in 2019 afgerond. De restauratie van het zusterschip 'De Wulp' werd in 1990 voltooid.

Eigenaar van 'De Wulp', Joost Geise, schreef het hele verhaal op in een boek

Citaat uit het boek Honderd jaar De Wulp: 'Tijdens de SSRP-reünie in 1988 kregen de deelnemers een fraaie poster met een oude platbodem cadeau van de organisatie met daarop de Lemsteraak Georgette (nu De Wulp). In het najaar krijg ik een telefoontje van Jan Brilleman met de vraag of ik nog steeds geïnteresseerd ben in een oude Lemsteraak (ik had net mijn tjalk naar Engeland verkocht en overgevaren). Ze lag in Sappemeer achter een kerk, op een dwarshelling van een oude werf. Bezichtiging van het "wrak", want zo zagen we de status, maakte onze eerste indruk alleen nog maar erger. De aak was niet eens meer intact, want aan beide zijden waren grote huidplaten verwijderd. Voordeel was wel dat je van buiten ook meteen de binnenzijde kon bekijken.'

Joost bracht zijn project tot een prachtig einde. In 1990 presenteerde hij zijn Lemsteraak in volle glorie aan het publiek tijdens Sail Amsterdam. Hij had dat maar wat graag willen herhalen in 2020, samen met de 'Salamander' en 'De Onrust'.

In 2005 was het 50 jaar geleden dat de SSRP werd opgericht.

De opdracht voor de volgende 70 jaar

In 1957 schonk het Nederlandse volk kroonprinses Beatrix een oud-Hollands rond jacht. Een enorme aanmoediging voor iedereen die vaderlandse schepen een warm hart toedroeg, met als gevolg dat de populariteit van het ronde en platbodemjacht in de jaren daarna een enorme vlucht nam. Maar wat is de opdracht van de SSRP voor de toekomst?
Eén van de doelstellingen van de SSRP, die in 2025 alweer 70 jaar bestaat, was het in kaart brengen en documenteren van de nog bestaande schepen. Jachtontwerpers van naam werd gevraagd om diverse oude scheepstypen in tekening te brengen om de vormen gedetailleerd voor het nageslacht te bewaren. Maar er gebeurde veel meer: ontwerpers en werven bleken in staat om voor een grote groep liefhebbers aantrekkelijke en betaalbare schepen te ontwerpen en nieuw te bouwen. Schepen die op de goedkeuring van de SSRP konden rekenen en vervolgens ook in het Stamboek werden ingeschreven.

Varend Erfgoed

Gemakshalve worden de Ronde en Platbodemjachten gerangschikt onder de noemer Varend Erfgoed. Binnen het Stamboek wordt er vaak gediscussieerd over de "raszuiverheid" van een paar oude jachten, maar zeker ook van een aantal nieuw gebouwde schepen. Maar het was en is nog steeds geen eenvoudige zaak precies aan te geven wat de kenmerken van een bepaald type nu wel zijn. En dat is niet van vandaag of gisteren. In 1915 heeft een Commissie van deskundigen tijdens het Congres van de Watersport bijvoorbeeld de kenmerken van een boeier opgeschreven. Dit omdat er in die tijd vele ronde schepen als boeier werden aangemerkt en als zodanig ook op de wedstrijdbanen meezeilden. Maar de verschillen waren groot. Voor 1915 werden veel verbouwde beurtscheepjes en kleine tjalkjes na de vervanging van de luikenkap door een kajuit als boeier betiteld. Maar zij waren sneller dan de "echte" boeiers, een in die tijd geliefd schip.

De boeier 'Enterprise', een verbouwd beurtscheepje

Een passage uit het verhaal van de de boeier 'Enterprise':
Aan de Koninklijke (bedoeld wordt de KNWSB) zal de vraag worden voorgelegd wat men onder een boeier verstaat. In de brief wordt de onvrede van de boeiereigenaren goed verwoord, maar dat terzijde. In de gelederen van de zeilverenigingen was inmiddels een discussie gaande over wat nu precies een boeier was. Uiteraard zal – vele jaren later - in onze familie toen het idee zijn ontstaan dat men het vooral gemunt had op Douwe Hoekstra en in zekere zin was dat ook zo. Omdat hij steeds won met het snelle veerschip, dat geen boeier was, werd de noodzaak gevoeld om goed vast te leggen wat een boeier nu feitelijk was. Douwe Hoekstra geniet dus de twijfelachtige eer dat hij die discussie op gang heeft gebracht.

In 1915 vond het Congres voor de Watersport plaats. Eén resultaat was: Rapport Indeling der ronde en platbodemjachten met daarin "Omschrijving van verschillende typen ronde en platbodemjachten", door rapporteur R. Buisman.

Plaatselijke gewoonten

In 1956 werd geconstateerd dat de verschillen tussen de typen vaak zeer klein zijn en meer steunen op plaatselijke gewoonten dan op weloverwogen afwijkingen. De oude scheepsbouwers waarvan wij de typen in ere willen houden, gaven hun schepen "de allerindividueelste expressie van hun allerindividueelst kunnen" mee, in samenspraak met de opdrachtgevers en passend bij het doel waarvoor het schip wordt gebouwd. Door de digitale mogelijkheden van de afgelopen zo jaar komt er steeds meer informatie beschikbaar om steeds gerichter onderzoek naar de ontwikkeling van deze scheepstypen te doen. 

'De Groene Draeck' in Lemmer 2015 met SSRP-vlag en Koninklijke standaard (foto Jan Eissens)

Overzicht ingeschreven "actieve" schepen in het Stamboek vanaf de start in 1955

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

Jaar Totaal "actief" Nieuw- en Her-ingeschreven
1956 237  
1960 375  
1970 768  
1995 853  
2008 859  
2011 876 21
2012 878 24
2013 811 42
2014 834 41
2015 871 91
2016 885 36
2017 894 43
2018 900 58
2019 941 83
2020 915 46
2021 955 90
2022 960 59
2023 962 50
2024 1012 90

Het Stamboek in aantallen per 31-12-2024

CategorieTotaal
A299
B288
B+ (Blijvende dispensatie)12
D324
D+ (Blijvende dispensatie)31
D++ (Tijdelijke dispensatie)10
E (xtraordinair) - géén plaquette1
M (useum)23
R (estauratie en (Ver)Nieuwbouw) - nog géén plaquette24
 -----
Totaal "actief" in het Stamboek1012
O (pgeschort)9
V (erdwenen) - gesloopt, vergaan, verbrand of echt onvindbaar130
X ("Niet actief", Eigenaar geen donateur, zgn. Slapend bestand)1345
Z (Ooit) Geregistreerd zonder plaquette) - géén plaquette316
 -----
Eindtotaal2812
  

AANTALLEN schepen per SCHEEPSTYPE "Actief"

 
Totaal aantal schepen1012
Aantal AKEN OORSPRONG VISSERIJ255
Boeieraken visserij2
Lemsteraken256
Visaken4
Wieringer aken3
Aantal AKEN OORSPRONG VRACHTVERVOER3
Boeieraken vracht1
Rietaken1
Zandaken1
Aantal BLAZERS4
Blazers4
Aantal BOLLEN82
Enkhuizer bollen10
Maassluise platjachten1
Vollenhovense bollen68
Wieringer bollen2
Workumer bollen1
Aantal BOTEN3
Hollandse boten3
Aantal BOTTERS28
Botters27
Platgat Botters1
Aantal DRIJVERSCHUITEN5
Zalmschouwen5
Aantal FRIESE RONDE JACHTEN182
Boatsjes9
Boeierkes3
Boeiers43
Friese jachten49
Tjotters72
Wyldsjitters6
Aantal KLIPPERS1
Klipperaken1
Aantal MARKER RONDBOUWEN3
Marker rondbouwen3
Aantal PALINGAKEN1
Palingaken1
Aantal PUNTERS EN GRUNDELS30
Grundels20
Punters4
Zeepunters6
Aantal SCHOKKERS57
Bonsen2
Pluten1
Schokkers54
Aantal SCHOUWEN162
Kajuitschouwen22
Lelieschouwen2
Open schouwen25
Zeeschouwen113
Aantal SNIKKEN2
Snikken2
Aantal STAVERSE JOLLEN48
Staverse jollen48
Aantal TJALKACHTIGEN56
Paviljoentjalken1
Ponen1
Skûtsjes13
Tjalkjachten41
Aantal WAALSCHOKKERS1
Waalschokkers1
Aantal ZAAN- en WATERLANDSE VAARTUIGEN1
Waterlandse melkschuiten1
Aantal ZEEUWSE SCHEPEN74
Antwerpse knotsen1
Hengsten6
Hoogaarsen50
Lemmerhengsten3
Steekhengsten1
Tholense schouwen3
Zeeuwse Boeieraken1
Zeeuwse schouwen9
Aantal ZOMPEN4
Zompen4

Opmerkingen bij de genoemde aantallen

Jaarlijks vallen er schepen af door verkoop of andere redenen, maar dat aantal werd de laatste jaren ruimschoots goed gemaakt door de nieuwe en her-inschrijvingen. Nadat alle mutaties in het Stamboek zijn verwerkt, staat de teller eind 2024 op het aantal van 1012 "actieve" schepen. In de tijd gezien een absoluut record. Er veranderen veel schepen van eigenaar, er zijn nog een aantal in behandeling bij de Criterium Commissie, maar deze zijn niet alle op dit moment weer in het Stamboek "geactiveerd". Dus het aantal had nog hoger kunnen zijn.
In de Schepenlijst van de SSRP zijn bijna 2900 schepen opgenomen, onderverdeeld in 71 verschillende scheepstypes. Dit is maar een gedeelte van alle zeilende schepen zoals ze in het verleden in Nederland hebben gevaren. Maar allemaal types die de Tweede Wereldoorlog hebben overleefd. Van deze schepen zijn er op dit moment ruim 1000 “actief” ingeschreven in het Stamboek. 

Waar moeten we onze aandacht op richten

Net als in de rest van de zeilwereld vergrijzen ook de eigenaren van de vloot rond en plat, de vloot groeit niet meer, de kosten van bezit en onderhoud van de schepen zijn hoog en in de komende jaren komen allerlei onderwerpen op het gebied van milieu en daarbij de motorische aandrijving hoog op de agenda. Dit kan verstrekkende gevolgen voor de jachtvloot hebben en grote invloed krijgen op de belangstelling voor onze jachten. De SSRP moet zich dus duidelijk doelen voor de toekomst stellen. De afgelopen 70 jaar is een schat aan informatie vergaard en gedocumenteerd over de vele vroegere scheepstypes en de nu nog varende exponenten daarvan. Dat proberen we zo toegankelijk mogelijk te presenteren op onze website vanuit ons archief.
Sommigen noemen het een goudmijn, maar ook een mijn moet worden ontgonnen. Een doel is dus om de kenmerken van de nu nog varende historische schepen op nog beter gestructureerde en toegankelijker manier vast te leggen en te presenteren. Je kunt het ook formuleren als: "een individueel schip wordt pas echt cultureel erfgoed als het geplaatst kan worden in de cultuurgeschiedenis, d.w.z. gerelateerd kan worden aan de sociaal-maatschappelijke en technologische ontwikkelingen van zijn tijd".
Een hele opgave, maar absoluut belangrijk voor eigenaren, om de nodige trots uit te uitstralen met het kostbare bezit, maar ook voor liefhebbers die in de toekomst de waarde van het erfgoed kunnen herkennen, een comfortabel vaarplezier ermee willen beleven én de zorg ervoor willen overnemen. Met de nodige ondersteuning van het Stamboek, die daarbij een leidende rol in het Behoud kan blijven vervullen.

De SSRP moet zich duidelijk doelen voor de toekomst stellen

Wat willen we behouden?

Eén van de doelstellingen van de SSRP, die in 2025 alweer 70 jaar bestond, was het in kaart brengen en documenteren van de nog bestaande scheepstypen en de daarvan nog bestaande schepen. Jachtontwerpers van naam werd gevraagd om diverse oude scheepstypen in tekening te brengen om de vormen gedetailleerd voor het nageslacht te bewaren. Maar er gebeurde veel meer: ontwerpers en werven bleken in staat om voor een grote groep liefhebbers aantrekkelijke en betaalbare schepen te ontwerpen en nieuw te bouwen. Schepen die op de goedkeuring van de SSRP konden rekenen en vervolgens ook in het Stamboek werden ingeschreven.

Die ontwikkeling was in de vele jaren daarvoor natuurlijk ook zichtbaar. Binnen het Stamboek wordt er vaak gediscussieerd over de "raszuiverheid" van oude jachten. Maar het was en is nog steeds geen eenvoudige zaak precies aan te geven wat de kenmerken van een bepaald type nu wel zijn. En dat is niet van vandaag of gisteren. In 1915 heeft een Commissie van deskundigen tijdens het Congres van de Watersport bijvoorbeeld de kenmerken van een boeier opgeschreven. Dit omdat er in die tijd vele ronde schepen als boeier werden aangemerkt en als zodanig ook op de wedstrijdbanen meezeilden. Maar de verschillen waren groot.

De onduidelijkheid ontstaat vooral doordat het onderscheid verloren is gegaan tussen enerzijds gegevens voor behoud van de traditionele scheepsvorm en anderzijds de nieuwbouw vereisten voor de klassenorganisatie. Die laatste zijn door de jaren heen sterk doorontwikkeld, waardoor criteria zijn ontstaan die nauwelijks een herleidbare relatie meer hebben met de originele scheepstypen. Waren de oorspronkelijke criteria nog voornamelijk beschrijvend, de latere ontwikkelingen hebben geleid tot uiterst gedetailleerde afmetingseisen. Daarbij is de variatie die het onvermijdelijke gevolg is van ambachtelijk vakmanschap, materiaal eigenschappen en voorkeur van de opdrachtgever of gebruiker, tot nul gereduceerd.

De ideeën over het behoud van Varend Erfgoed zijn heel gevarieerd

De maatstaven die worden gedefinieerd verschillen per Behoudsorganisatie (BO) en variëren met de tijd. Bovendien is de interpretatie vaak afhankelijk van persoonlijke smaak of voorkeur. Dientengevolge zijn ze voor veel scheepseigenaren onbegrijpelijk. Het ideaal is daarom een objectieve maatstaf te ontwikkelen voor het behoud van traditionele schepen. Dat begint met de vraag wat we willen behouden: het individuele schip of het beeld, dus de scheepsvorm. Het antwoord op die vraag is noodzakelijk om te besluiten welke kenmerken als bepalend moeten worden beschouwd voor het behoud van scheepsvormen of traditionele schepen.

Het is vanzelfsprekend dat de authentieke schepen, de schepen die volgens de oorspronkelijke ambachtelijke bouwwijze zijn gebouwd en soms nog de sporen dragen van de oorspronkelijke bedrijfsuitoefening, als cultureel erfgoed behouden moeten worden. Die schepen illustreren de ontwikkelingsgeschiedenis van het type en vormen een aparte categorie binnen het varend erfgoed. Het zijn feitelijk museumstukken in (veelal) particulier eigendom. Dat deze schepen elk uniek zijn en niet in serie of van een tekening gebouwd, maakt het vrijwel onmogelijk om universele criteria vast te leggen. Hun ontstaansgeschiedenis is het criterium. De individuele schepen hebben wel een aantal gemeenschappelijke kenmerken, aan de hand waarvan ze zijn in te delen in groepen. Deze kenmerken hebben doorgaans betrekking op de (romp en/of tuig)vorm zijn daarmee beeldbepalend voor het betreffende type schip.De opeenvolgende publicaties in de Waterkampioen laten duidelijk zien hoe de ideeën over de scheepsvorm en daarmee over de toe te passen criteria zijn ontwikkeld in de tijd. Was oorspronkelijk de onderliggende gedachte dat de scheepsvorm slechts globaal kon worden omschreven (Waterkampioen nr. 1187, 1966), onder invloed van de zich ontwikkelende nieuwe technieken en materialen werden de geesten steeds behoudender.

Zo werden steeds verdere beperkingen opgelegd aan de natuurlijke ontwikkeling van het scheepsmodel, op basis van o.a. hedendaagse esthetische overwegingen en zelfs waar de ontwerpers verbeterde hanteerbaarheid of comfort voor ogen hadden (Spiegel der Zeilvaart 2006 nr. 9). Daarmee werd een essentieel kenmerk van de Nederlandse jachten en binnenschepen, met name de voortgaande aanpassing aan nieuwe technieken, behoeften en omstandigheden, effectief onderdrukt.

Maar het Varend Erfgoed is veel breder dan een Categorie Authentiek. Een schip is een stuk gereedschap, een gebruiksvoorwerp. En daarom: ook als traditionele schepen, oud dan wel nieuw gebouwd, zijn verbouwd of aangepast aan een nieuwe bestemming, vormen ze een illustratie van de dynamische ontwikkeling die de scheepsbouw kenmerkt en zijn ze het behouden waard. Geen enkele verzameling bestaat immers uit louter topstukken. Die onderscheiden zich pas in relatie tot de minder geslaagde exemplaren, de afwijkende vormen, mislukkingen en aanpassingen t.b.v. alternatief gebruik. Door die ‘mindere’ exemplaren te duiden en op te nemen krijgt de verzameling vorm en kleur. Zo ontlenen de schepen een intrinsieke waarde aan de historische context, het worden varende monumenten.

Twee benaderingen

Er vanuit gaande dat het behoud is gericht op de schepen zowel als cultuur uitingen als ook illustraties van hun ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis, inclusief de effecten van de technische en maatschappelijke ontwikkelingen, dan is objectief registratiesysteem essentieel.
Er zijn daarbij twee parallelle benaderingen te onderscheiden:

  1. De statische benadering, gericht op de kenmerken van het individuele schip, ter illustratie van de schoonheid van vorm en vakmanschap;
  2. De dynamische benadering, gericht op de rol en positie van het schip in de maatschappij, ter illustratie van zijn betekenis in relatie tot de technische en sociale ontwikkelingen van zijn tijd.

De statische benadering

De statische benadering wordt geïllustreerd door de toelatingscriteria van het Stamboek, gericht op de vorm en inrichting van een specifiek schip. Het voordeel van deze focus op het schip zelf is dat het behoud van het oorspronkelijke model en de oorspronkelijke uitvoering wordt benadrukt: het conserveren van een specifiek product van kennis en vakmanschap. Maar doordat dezelfde criteria van toepassing zijn op alle schepen die registratie ambiëren, inclusief nieuwbouw, worden de negatieve aspecten van deze benadering zichtbaar. Want wie de criteria nader bestudeert komt al snel tot de conclusie dat het varen met een gezin, met een kleine bemanning of met ouderen en minder validen niet voor de hand liggend is: zeereling: ongewenst; rolfok: alleen met ontheffing; mechanische bediening van zwaarden en zeilen: niet toegestaan; verhoogde of verlengde kajuit t.b.v. meer wooncomfort: niet toegestaan; stuurwiel: niet gewenst. Omdat deze schepen niet kunnen worden aangepast zonder de registratie te verspelen, zijn ze alleen aantrekkelijk voor een beperkt publiek.

Een ander nadeel van de statische benadering is dat, als gevolg van de exclusiviteit van de schepen, de aansluiting bij het grotere zeilende publiek mankeert. Behoud is dan al snel afhankelijk van die ene eigenaar. Zolang een schip uitsluitend wordt beschouwd als persoonlijk eigendom voor eigen genot, zolang blijft het een speeltje voor de ‘happy few’. Emotionele betrokkenheid is weliswaar belangrijk, maar is ook zeer persoonlijk en daarom geen garantie voor toekomstig behoud; er komt altijd een moment dat het schip verkocht moet worden. Het vinden van een nieuwe eigenaar voor een monumentaal schip met een beperkt gebruiksgemak is niet eenvoudig en investeringen in behoud zijn daarom met het oog op de toekomstige marktwaarde moeilijker te rechtvaardigen.

De dynamische benadering

De dynamische benadering wordt geïllustreerd in de criteria van het NRVE waar, naast de leeftijd, de oorspronkelijke rompvorm samen met de benoemde kenmerken bepalend is voor opname. Deze benadering garandeert door het voortschrijdende leeftijdscriterium het behoud van schepen in alle stadia van gebruik en modificatie, mits kan worden aangetoond dat ze identiek zijn aan de conditie op een bepaalde referentiedatum langer dan vijftig jaar geleden. Ze illustreert hoe de schepen, met behoud van de kenmerken van de oorspronkelijke rompvorm, werden aangepast aan de behoeften van de gebruiker. Deze benadering is door die flexibiliteit aantrekkelijk voor een grotere groep. Het is daarom belangrijk dat een schip dat wordt beschouwd vanuit de historische context, deel wordt van het verhaal van de scheepsbouwgeschiedenis.

Een praktijkvoorbeeld

Als voorbeeld van de dynamische benadering geldt een recente studie over de ontwikkeling van de hoogaars. Deze studie toont aan dat de authenticiteit van een hoogaars kan worden beoordeeld aan de hand van een tiental verhoudingen en drie hoeken. Veel minder en andere gegevens dan gedefinieerd in de huidige criteria van het Stamboek, zoals blijkt uit de hieronder weergegeven resultaten.

Historische relevantie

Het behoud van de klassieke schepen kan niet los worden gezien van juist die historische relevantie, van hun plaats in de ontwikkeling van de jacht- en scheepsbouw in relatie tot de maatschappelijke ontwikkelingen, te beginnen in de zeventiende eeuw en voorlopig eindigend in de jaren-50 van de vorige eeuw. Van de ontwikkeling van het scheepsmodel, van de tuigage, van de inrichting en de voortdurende aanpassingen aan de moderniteit. Er is een aantal gegevens dat een schip karakteriseert in elk stadium van haar bestaan en waaraan het type schip herkenbaar is. Die gegevens zijn niet exact, maar variëren binnen een bepaalde bandbreedte. Daarom is het beter te spreken van kenmerken dan van criteria. Hoe die kenmerken moeten worden gedefinieerd kan uitsluitend worden bepaald aan de hand van literatuurstudies en historisch onderzoek. Veel werk, maar essentieel voor het toekomstig behoud van de historische schepen.

Het schip als Cultureel Erfgoed

Een individueel schip wordt pas echt cultureel erfgoed als het geplaatst kan worden in de cultuurgeschiedenis, d.w.z. gerelateerd kan worden aan de sociaal-maatschappelijke en technologische ontwikkelingen van de tijd van ontstaan.
In de jaren na 1955 werd het begrip Cultureel Erfgoed van belang geacht om nieuwe generaties een goed beeld te geven van het verleden. Daarbij werd eerst het Materieel Erfgoed benoemd, de voor de cultuur en geschiedenis waardevolle materiële kenmerken van overblijfselen uit het verleden, in ons geval de nog bestaande scheeps­types van voor de oprichting van de SSRP. Later kwam er het begrip Immaterieel Erfgoed bij, waarin het bewaren en in stand houden van tradities centraal staan. In ons geval het bouwen, onderhouden van en varen met deze schepen naar oud-Nederlands voorbeeld.
De geschiedenis heeft uitgewezen dat het behouden van de schepen, die we van onze voorouders hebben geërfd, een heel andere tak van sport is dan de nieuwbouw van een traditioneel schip met de handhaving van het oorspronkelijk ideaal: het behoud van de hoofdkenmerken van het oud-Nederlandse scheepstype. Beide Erfgoed-werelden probeert de SSRP zo goed mogelijk te bedienen.

De tijd van ontstaan in de tijdslijn

De "tijd van ontstaan" kan worden weergegeven in de tijdslijn die voor de ontwikkeling van het scheepstype is vastgesteld na uitgebreid historisch onderzoek. Door de digitale mogelijkheden van de afgelopen 20 jaar komt er steeds meer informatie beschikbaar om steeds gerichter onderzoek naar de ontwikkeling van deze scheepstypen te doen.
In het eerder genoemde historisch onderzoek van het scheepstype Hoogaars is sprake van een tijdslijn in de ontwikkeling van het type Hoogaars (vergelijkbaar met bijv. het Stamboek van koeien met de ontwikkeling van het ras. De laatste koe in dat Stamboek is een doorontwikkeling van de eerst opgenomen koe). In die ontwikkeling van het type zitten allerlei duidelijk beschreven momenten waarin aanpassingen werden doorgevoerd en bepalend waren voor de verdere ontwikkeling van het type.
Als een Hoogaars bij het Stamboek wordt aangemeld is aan de hand van de benoemde kenmerken direct duidelijk of het ook echt om een Hoogaars gaat. Met het jaartal van de bouw kan dan direct worden “ingeprikt” in de tijdslijn van het type om duidelijk te zien waar de aangemelde Hoogaars in de ontwikkelingsfase van het type zit (het kan dus gerelateerd worden aan de sociaal-maatschappelijke en technologische ontwikkelingen in die tijd). Die informatie is ook weer gekoppeld met externe informatie over ontwerper, werf, omgeving en gebruik, enz. Deze benadering draagt bij aan het realiseren van het behoud van een jacht als expressie van de specifieke kennis en kunde van de ontwerper/bouwer.
De voorwaarde voor zo’n benadering is, dat er van alle gewenste types een dergelijke beschrijving wordt ontwikkeld. Vervolgens moet deze documentatie logisch, helder en overzichtelijk wordt gepresenteerd. Met de huidige ontwikkelingen in de automatisering van de presentatie is daarvoor een uitstekende basis beschikbaar!

Wat is een Scheepstype

Een scheeptype omschrijft een groep van schepen, herkenbaar aan een aantal overeenkomende kenmerken. Deze kenmerken zijn doorgaans beschrijvend, zelden exact en vooral bij types die al lang bestaan, zijn ze aan veranderingen onderhevig.

De kenmerken van een scheepstype zijn specifieke, beschrijvende, zichtbare eigenschappen of eigenaardigheden waaraan een scheepstype herkenbaar is, waarmee het zich onderscheidt van andere scheepstypen en waaraan een jacht dient te voldoen om tot dit type te worden gerekend. Kenmerken zijn doorgaans ontstaan als gevolg van aanpassing aan de werkwijze, lokale omstandigheden of specifiek vaarwater. 

In ons hoofstuk Typebeschrijvingen presenteren we het concept voor de beschrijving van de bij het Stamboek betrokken scheepstypes. De basis hiervoor is de eerder genoemde beschrijving van het Scheepstype Hoogaars.

De meeste gebruikte typebenamingen die tegenwoordig worden gebruikt, dateren uit late 18e en begin 19e eeuw of later. Slechts enkele typen, de schouw, de boeier en de hoogaars worden al vermeld aan het einde van de 16e eeuw.

Een jacht is een schip dat is gebouwd als plezierjacht of omgebouwd tot en in gebruik als plezierjacht.