
Pag. 1-18 SSRP Monografie 01 Van Commissie Stamboek Friese Ronde Jachten tot Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten (1952-1955).
C.J. van Waning
In de Waterkampioen van 25 maart 1939 stond het volgende artikel:
'De uitstervende Boeiers
Regelmatig klaagt men in dit blad over het verdwijnen van het boeiertype. Dit klagen is sympathiek en de schoone krans op het graf van den laatsten boeier, gelegd door de vereenigde Nederlandse klagers, zal ongetwijfeld ook een zeer sympathieke geste zijn.
Mij en ongetwijfeld vele anderen is het hijschen van de vlag op een nieuwe boeier nog sympathieker. Blijven we slechts klagen, dan zullen we dat niet vaak meer meemaken. Er moet iets anders gebeuren. Zou er geen belangstelling bestaan voor een Nederlandsche Boeierclub?
De leden, boeiereigenaren en belangstellenden, zouden met elkaar in contact komen, ervaringen kunnen gaan uitwisselen, propaganda gaan maken voor het type, een boeier-vlootrevue kunnen gaan organiseren, misschien zelfs heel mooie exemplaren van te vroege sloop kunnen redden, van een ongelukkige verkoop naar het buitenland.
Dit plan is misschien zeer idealistisch, doch is ons schoone nationale boottype niet een dosis idealisme waard? En tenslotte: zijn boeiervaarders vreemde vogelen reeds op onze wateren (ze sparen immers kosten noch moeiten om een schoone traditie te handhaven), geen idealisten?
BOEIERVRIENDEN, HANDHAVERS VAN NEERLANDS GLORIE OP DE BINNENWATEREN, VOOR!!!!'
Met deze klaroenstoot besloot IJsbrand Hiddes Galema zijn reveille, die helaas verloren ging in het rumoer van krijgsgeweld, dat medio 1939 zelfs tot het vredige Nederland doordrong met Hitlers invasie in Tsjechoslowakije.Op 1 april 1939 kondigde onze regering de voormobilisatie af. Er volgden zes jaren, waarin 'Neêrlands Glorie' hier en overzee harde klappen te verduren kreeg. Daarna volgden zes jaren van moeizame wederopbouw. Na tien turbulente marine-jaren buiten Nederland en twee in rustiger vaarwater, maakte schrijver dezes als onervaren 'boeier-eigenaar' voor het eerst met zijn 'Maartje' en zijn gezin een ontdekkingsreis over Frieslands wijde wateren.
Friesland was hem onbekend en van Friese boeiers wist hij weinig meer dan zijn 'Maartje' hem in drie maanden had kunnen leren. Hoe deze oud-zeeman er toe kwam een boeier te kopen - een 'zeeknoeier' volgens een 17e-eeuws dichter-zeeman - is een verhaal apart, dat in de scheepshistorie van 'Maartje' thuishoort. Hier zij slechts vermeld, dat wij op 3 juni 1951 in de jachthaven 'Het Fort' te Warmond kennis maakten met en meteen ons beider hart verloren aan deze boeier. Alle vernietigende expertise-rapporten ten spijt adopteerden wij haar als ons vijfde - niettemin oudste - kind. Daarmee rees meteen de vraag: Wat was haar bakermat en wie bouwde haar?
'Maartje' lokte, ondanks haar verwaarloosde uiterlijk, met haar schone lijnen bij haar weder verschijning in Friesland commentaren en verhalen uit. Reeds de eerste dag na aankomst te Grouw (1 aug. 1951) kregen wij een markante figuur aan boord, die straks mede aan de wieg van het Stamboek zou staan. Het was de heer H.Voordewind, commissaris van politie te Amsterdam. Toevallig lag hij ook in Grouw met zijn blank gelakte, blinkend gepoetste, Friese vis-aak 'Dolphijn'. Zijn wens nog eens een boek te schrijven over zijn jeugd-zeilherinneringen was bezig in vervulling te gaan.
Hiertoe friste hij zijn ijzeren geheugen nog eens op bij notaris Nanne Ottema te Leeuwarden, aartsverzamelaar en Friesland-kenner bij uitstek. Commissaris Voordewind meende in 'Maartje' het hem uit zijn jeugd welbekende Friese jacht 'Vrouwe Romkje' te herkennen. Het was later in opdracht van de heer W. Smilde te Akkrum door Auke van der Zee tot boeier verbouwd. Zijn zoon, de heer Smilde jr., herkende in 'Maartje' direct de boeier van zijn vader, zodat na twee weken zwerven door Friesland de identiteit van onze boeier wel vast stond. Een bedevaart naar het geboortenest te Joure leidde tot de eerste restauratie-opdracht.

Ruim een maand later brachten wij een bezoek aan de heer Voordewind in Amsterdam.Van hem kregen we couranten-artikelen over ronde jachten en adressen van deskundigen, maar het belangrijkste resultaat van het bezoek was een gezamenlijk opgesteld lijstje van nog bestaande boeiers en Friese jachten. Dit lijstje van 27 sept.1951 vermeldde de namen van zes boeiers en zes Friese jachten met hun eigenaars en slechts vier vermoedelijke bouwjaren. Men zou dit de eerste schepenlijst kunnen noemen. Aan een stamboek dacht nog niemand. Toch groeide tijdens die eerste zomer in Friesland de overtuiging, dat er gevaar dreigde voor het uitsterven van die prachtige Friese ronde jachten, waaraan wij ons hart verpandden. Uit verhalen van ouderen van boven de zeventig jaar, die de Van der Zee's te Joure en de Lantinga's en Crolissen te IJlst nog hadden gekend, klonk een zekere weemoed, zelfs wanhoop op over de toekomst van de boeiers en jachten, die zij eens bouwden. De weinige ronde jachten die nog in volle glorie op de Friese wateren zeilden waren eigendom van oudere heren, die zich nog de luxe van een boeierknecht konden veroorloven. De tijd scheen niet ver meer dat van die parels van Frieslands wateren nog slechts een enkel exemplaar zou worden bewaard in een museum met misschien nog wat fragmenten scheepssier. De nog bij ouderen levende herinneringen zouden vervagen tot overleveringen, waar zelfs het historisch verband aan zou ontbreken.
Hoe vreemd dit ook scheen, de historie van de Friese ronde schepen bleek een nog vrijwel braak liggend terrein. Op dit terrein te werken leek mij een nuttig winterwerkje. Mijn plannen gingen niet veel verder dan het voornemen de scheepshistorie van 'Maartje' na te gaan. De stimulans om mijn onderzoek verder uit te strekken kwam uit Friesland zelf. Binnen een maand nadat ik aan enkele bekende figuren in Friesland en aan het Fries Scheepvaart Museum te Sneek, enkele eenvoudige vragen over 'Maartje' stelde, zat ik opgescheept met een grote hoeveelheid werk. Het journaal van 'Maartje' vermeldt de korte inhoud van de tien brieven die tussen 1 en 29 oktober de grondslag legden voor de stamboekgedachte. 1)
Wel verre van als Bonifacius de Friezen te hebben bekeerd, brachten Friezen mij tot een nieuw geloof: het geloof in de toekomst van het Friese ronde jacht, ontleend aan en gestimuleerd door de inspirerende bronnen van puur Friese herkomst.
In welhaast in pastorale stijl gestelde brieven beschreef notaris Ottema zijn zeilervaringen met het Friese jacht 'Vrouw Romkje', de latere boeier 'Maartje', in de eerste decennia van onze eeuw. Kennelijk niet vermoedend, dat de jeugdherinneringen van Commissaris H. Voordewind, reeds ter perse waren, gaf Nanne Ottema nauwkeurig aan, hoe een boek over Friese boeiers en jachten in hoofdstukken zou moeten worden ingedeeld. Het merkwaardige daarbij was, dat Ottema's gedachten toen reeds uitgingen naar monografieën over vermaarde Friese boeiers en jachten, waarbij hij speciale aandacht vroeg voor de boeierknechten en hun veelzijdige taken aan boord en aan de wal. Naast de scheepshistorie van vermaarde boeiers en jachten, zouden volgens notaris Ottema ook de bekende boeierwerven, als die te Joure en te IJIst, in hun historische ontwikkeling moeten worden beschreven, uiteraard met levensbeschrijvingen van de 'skûtmakkers', die tussen tientallen bedrijfsvaartuigen door, haast bij uitzondering wel eens een boeier of Fries jacht bouwden. De door de historicus Nanne Ottema geschetste inhoud voor een boek over Friese ronde jachten komt goeddeels overeen met de opzet van de serie monografieën die in opeenvolgende jaarboeken van het Fries Scheepvaartmuseum, naar wij hopen, nu zullen worden gepubliceerd.
De aartsverzamelaar Nanne Ottema bezat ook op het gebied van de Friese ronde schepen gedrukte, geschreven en getekende bronnen, die na zijn dood overgingen naar de door hem in het leven geroepen Ottema-Kingma Stichting te Leeuwarden. In het bezit van deze Stichting bevinden zich thans ook de originelen van de 15 werfboeken van Eeltje Holtrop van der Zee, verworven van Eeltje Romkema, kleinzoon en naamgenoot van Eeltjebaas en door Ottema in bruikleen afgestaan aan het Fries Scheepvaart Museum. 2)
In het najaar van 1951 leerde ik drs. Herre Halbertsma kennen als conservator van het Fries Scheepvaart Museum en meer nog als enthousiast boeiervriend. Reeds bij ons gesprek opperde hij het idee een stamboek samen te stellen van en over Friese ronde jachten. Op mijn schriftelijk verzoek om enige informatie uit de werfboeken van E.H. van der Zee reageerde Halbertsma met het royale aanbod deze werfboeken compleet bij mij thuis te bezorgen. 'U kunt dan zelf uitzoeken, wat u weten wilt....' Bij het eerste bezoek van Herre Halbertsma werd de stamboekgedachte reeds wat nader uitgesponnen. Op voorstel van conservator Halbertsma besloot het bestuur van het Fries Scheepvaart Museum in april 1952, tot de instelling van een Commissie Stamboek Friese Platbodemjachten. Deze werd als volgt samengesteld: drs. H. Halbertsma, conservator van het Fries Scheepvaart Museum, H. Voordewind, oud-commissaris van politie te Amsterdam en C.J.W. van Waning, kapitein ter zee b.d.
De opdracht van deze commissie was eenvoudig: het samenstellen van een 'Stamboek van Friese Platbodem-jachten'. De commissie werkte deze ruime opdracht uit tot een taakomschrijving welke als volgt luidde: 'De opzet is, dat in het Stamboek al die oud-Friese Jachten worden opgenomen, die door hun bouw en sierlijkheid als monument beschermd moeten worden. Van elk ingeschreven vaartuig worden zoveel mogelijk gegevens verzameld, zowel wat de bouw en afmetingen betreft, als de bouwmeester, bouwjaar, eigenaar en vorige eigenaars. Verder al hetgeen van belang kan zijn voorde historie van de Friese jachtbouw in het algemeen en voor de geschiedenis van de ingeschreven schepen in het bijzonder'. Als toelichting hierop: 'Hierbij worden foto's en, voor zover deze bestaan, tekeningen of fotokopieën van de bouwbestekken uit de werfboeken verzameld. Het oogmerk van deze verzameling is niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats om voor de historie gegevens van deze jachten bijeen te brengen, doch tevens om de vaak latente belangstelling voor deze schepen te activeren'. 3)
Van de 15 werfboeken van E.H. van der Zee bleken de eerste twee van bijzonder belang voor het onderzoek.
Deel I, 'Het dagboek uit de scheep-makerij', bevat van elke bouwopdracht als regel slechts een summiere omschrijving. Alleen voor bijzondere opdrachten als voor boeiers en jachten is de omschrijving uitgewerkt met afmetingen en indeling van het schip, als ook van mast en zwaarden en voorts met de naam en woonplaats van de opdrachtgever en de afrekening.
Eeltjebaas hield persoonlijk dit dagboek bij van 7 september 1848 tot eind 1894. De leiding van de werf ging daarna geleidelijk over op de zoon Auke van der Zee, die wel een bekwaam 'skûtmakker' was, doch die niet van schrijven en van boekhouden hield. Zijn neefje Eeltje Romkema zou die taak eerst later overnemen en bewijzen dat hij behalve een goed boe-houder ook een bekwaam scheepstekenaar was.
Deel II van de werfboeken, door Eeltjebaas aangeduid als 'Grootboek', bevat uitvoerige en zeer gedetailleerde gegevens over de bouw en constructie van belangrijke opdrachten.
Het eerste resultaat van mijn 'winterwerkje' was een 'Extract van de werfboeken van Eeltje Holtrop van der Zee - IJIst 1848-1857 en Joure 1857-1894'. Hierin werden alleen de volledige gegevens uit Dagboeken Grootboek opgenomen, die betrekking hadden op boeiers, jachten en boten, kennelijk of vermoedelijk mede bestemd voor pleziervaart. Ik stel 'vermoedelijk', mede, omdat ook het merendeel van de met enige luxe afgewerkte boten, zelfs jachten en boeiers als regel bedrijfsvaartuig was, met als neven-bestemming die van plezierjacht. Het getypte origineel van dit 'Extract Werfboeken' (met commentaar) werd afgestaan aan het Fries Scheepvaart Museum, als mogelijke leidraad voor latere onderzoekers.
Het zoeken naar een bepaald schip in de werf boeken heeft veel gemeen met het zoeken naar een speld in een hooiberg. De identificatie wordt bemoeilijkt door de omstandigheid dat nooit de scheepsnaam, doch alleen de naam van de opdrachtgever in de boeken vermeld staat met de type-aanduidingen en afmetingen. Aan de identificatieproblematiek werd menige zitting van de Commissie Stamboek gewijd. Het stalen geheugen van commissaris Voordewind bracht ons menigmaal op het rechte spoor van de toenmalige of wel van een vroegere eigenaar. Zonder de mondelinge en schriftelijke informaties van de toen nog levende generatie van boeiereigenaren en andere liefhebbers zouden wij er vermoedelijk nooit zijn uitgekomen. De reeds eerder vermelde kleinzoon van Eeltjebaas, Eeltje Romkema te Joure, bleek bij nadere kennismaking een bijzonder waardevolle bron van informatie. Niet alleen hield hij in fraai handschrift het werfboek bij voor zijn oom Auke van der Zee van ongeveer 1907 tot 1925, doch bovendien trachtte hij oudere hiaten te vullen.
Ook betoonde hij zich een bekwaam scheepstekenaar toen Aukebaas in ijzer en staal ging bouwen en hiertoe zijn materiaal op maat moest inkopen. Herre Halbertsma, die tot het plotseling overlijden (1957) van Eeltje Romkema regelmatig contact onderhield met deze meer dan materiële, vooral ideële, erfgenaam van Eeltje- en van Aukebaas, roemt terecht diens ongelofelijke kennis. Hij was één van die stille figuren waar het Stamboek in zijn prille jaren veel gegevens aan ontleende en wiens verdiensten hier mogen worden gememoreerd.
Een nuttige, doch voor leken in de oude zeilmakerskunst moeilijk hanteerbare bron bleken de bestekboeken van de firma T. Molenaar en Zn. te G rouw. De oude heer Simke Molenaar kende echter de weg in deze boeken van zijn voorgangers. De boeken bleven bewaard van 1758 tot 1800 en van 1823 tot ca. 1920. Hoewel sindsdien de bestekken in moderner vorm werden geboekt, werden nieuwe zeilen voor oude boeiers tot in de vijftiger jaren gemaakt naar de bestekgegevens uit de vorige eeuw. Dit deed Simke Mol¬naar nog in 1954 voor het nieuwe tuig voor het Statenjacht 'Friso' en in 1956 voor onze 'Maartje'.
Op onze speurtochten in Friesland kwam ik reeds in de zomer van 1952 in contact met de heer H.G. van Slooten, die als secretaris van de K.Z.V. 'Oostergoo' het tot haar oprichtingsjaar 1848 teruggaande archief onder zijn berusting hield. De wedstrijdboeken zijn een schier onuitputtelijke bron voor de speurder naar scheeps- en eigenaarsnamen van ronde jachten, schouwen, beurt- en andere vrachtschepen en visaken, kortom al wat eertijds deelnam aan hardzeilpartijen van deze oudste Friese zeilvereniging.
In gedenkboeken en jaarboekjes van oude zeilverenigingen, in meetbrieven bewaard bij het Centraal Bureau voor Waterstaat, uit mondelinge en schriftelijke informaties werden de vroegere en latere eigenaren opgespoord, met de naamsveranderingen die ook oude ronde jachten te dikwijls moesten ondergaan. Zo werden moeizaam en in stilte de eerste bouwstenen voor het Stamboek bijeengegaard.
Eerste publicatie
In het oktobernummer van 1952 presenteerde de Commissie Stamboek zich aan de toen reeds brede lezerskring van de Waterkampioen met het reeds eerder genoemde artikel 'Stamboek Friese Platbodemjachten'. 3)
De in een bijlage opgenomen samenvatting van stamboekgegevens van 'Nog bestaande Friese boeiers en jachten, gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee (1823-1901) en van zijn grootvader Eeltje Tjeertes Holtrop' vormde de feitelijke basis voor deze publicatie. De reeds eerder vermelde taakomschrijving van de Commissie Stamboek werd gevolgd door een sober gestelde opwekking tot steun aan haar streven, meer belangstelling te wekken voor de Friese boeiers, jachten en tjotters. De bijzondere betekenis van Eeltje Holtrop van der Zee als geniale boeierbouwer werd kort belicht. Overigens bevatte dit artikel slechts een zakelijk gestelde toelichting op de bovengenoemde samenvatting met hier en daar een verborgen verleider. Waarom kreeg dit artikel zoveel positieve weerklank? Was het de combinatie van zakelijke informatie en reclame of was het eenvoudig zo gesteld, dat nu de tijd rijp was voor de vorming van een 'Nederlandse Boeierclub' waar IJsbrand Hiddes Galama in 1939 de boeiervrienden in zulke hartstochtelijke bewoordingen vergeefs toe opriep? Deze laatste factor speelde ongetwijfeld de hoofdrol. Niettemin is het opmerkelijk, dat juist in de tekst verborgen verleiders zoveel succes boekten. Wij geven hiervan enkele voorbeelden:
De oude scheepsbouwer A. Paans te Roodevaart (N.-Br.) schreef in een uitvoerige brief onder andere: 'Uw woorden - er zijn voor geringer kunstenaars dan E.H. van der Zee grafmonumenten opgericht, ook in Friesland - zijn mij uit het hart gegrepen'. De bewondering van Arie Paans voor Eeltjebaas werd gewekt door het Friese jacht 'Hou Moed', toen dit in 1895 door zijn eerste eigenaar, Mr. N.M. Lebret uit Steenbergen, voor winteronderhoud naar de werf van zijn vader werd gebracht. De beide zoons Paans, toen nog tieners, wisten van hun vader toestemming te verkrijgen de 'Hou Moed' op wat kleinere schaal na te bouwen. Zij volbrachten dit werkstuk met zoveel succes dat zij met dit jachtje van 5 meter in 1896 de eerste prijs wonnen in de wedstrijden van de Dordtse Roei- en zeilvereniging, waar zij zelfs de boeier 'Sperwer', met de heer Hooykaas zelf aan het roer, de loef afstaken. Het jachtje werd in moeilijke jaren verkocht en scheen verloren. Doch ziet! Na jarenlang vergeefs zoeken ontdekte een zoon van A. Paans het ergens in Den Haag en bracht het als wrak terug naar Roodevaart. Geheel gerestaureerd maakt het nu deel uit van de verzameling van het Rijksmuseum Het Nederlands Scheepvaart Museum te Amsterdam. De oude heer A. Paans maakte omstreeks 1950 met zijn zoon een bedevaart naar Jou re waar hij de werf van Eeltjebaas bezichtigde en daarna de begraafplaats bezocht. Hij vond inderdaad de graven van Eeltjebaas en Aukebaas, maar tot zijn teleurstelling slechts door een miniatuursteentje aangeduid.
De oude heer Paans schreef aan het bestuur van het Fries Scheepvaart Museum. De brief ging gepaard met een gift, bestemd voor een gedenksteen op het graf van E.H. van der Zee. Op 17 februari 1953 besloot het bestuur van het Fries Scheepvaart Museum de graven van Eeltje en Auke van der Zee op de begraafplaats Westermeer op naam van de vereniging te doen overschrijven en het onderhoud op zich te nemen. Na een geldinzamelactie kon kort daarna het besluit worden genomen tot het plaatsen van een gedenksteen op het graf van Eeltjebaas.
De ingezetenen van Joure zorgden voor een gedenksteen op het graf van Auke van der Zee. Deze werd gelijktijdig met die voor zijn vader onthuld. Bovendien werd die dag een gedenksteen onthuld in het hellinghuis bij de oude werf te Joure, waar beide vermaarde 'skûtmakkers' zovele jaren woonden. De jongste Eeltje Romkema jr., achterkleinzoon van Eeltjebaas, onthulde deze gedenksteen. Zijn moeder haalde jeugdherinneringen op aan haar grootvader tijdens een ontvangst bij Douwe Egberts. Het nooit gepubliceerde manuscript van deze interessante toespraak moet zich nog in het redactie-archief van de Waterkampioen bevinden. De Commissaris der Koningin Mr. H.P. Linthorst-Homan vertegenwoordigde het Provinciaal Bestuur met het statenjacht 'Friso'. De Stichting Stamboek verzamelde een keur van boeiers en jachten rond het werfterrein. Vele daarvan werden te Joure gebouwd. Zo bracht Friesland op deze stralende zomerdag een wel wat late, doch niettemin warme hulde aan de nagedachtenis van Eeltje Holtrop van der Zee en aan zijn zoon Auke, wier meesterstukken van Friese ambachtskunst tot de huidige dag de harten van velen verblijden. De oude heer A. Paans kon de bekroning van zijn initiatief niet persoonlijk bijwonen, doch zijn zoon, boeiervriend als zijn vader, vertegenwoordigde dit Brabantse scheepsbouwers geslacht op waardige wijze.

Een in kleine letters gestelde oproep tot behoud van Neérlands oudste boeier 'Tjet Rixt', in 1843 gebouwd door Eeltje Holtrop, grootvader en leermeester van Eeltjebaas, leidde tot de aankoop en restauratie daarvan door het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Daar maakt zij nu deel uit van de schepenverzameling in de hiertoe bestemde loods.
Op het droevige verhaal over de boeier 'Friso' ('ex Semper Idem') gebouwd door E.H. van der Zee in 1890, die in half gezonken toestand in een slootje tegenover het dorp Grouw lag te vergaan, reageerden niet minder dan zes liefhebbers. De laatste was de heer Van der Lande uit Helmond, die dit juweel naar Brabant liet slepen. Daar werd deze 'Friso' in haar oude glorie gerestaureerd onder het wakend oog van een bekende Grouwster boeierknecht, die haar nog jaren onder zijn hoede hield. Het was deze boeier, 8.70 meter lang, waarvan mevrouwRomkema na de hierboven beschreven plechtigheden het roerende verhaal van vertelde van de laatste hardzeildag die Eeltjebaas nog volgde op het Sneekermeer in zijn eigen Friese boot. Zijn oude ogen ontwaarden plotseling een prachtige boeier die onder volle zeilen langs zijn boot stoof. Bijna in extase riep Eeltjebaas: 'Sjoch, dat is nochris in skip'. 'Maar Pake, dat ha Josels boud' antwoordde zijn kleindochter. Dit prachtige schip droeg toen nog de mooie naam die zijn eerste eigenaar K.A. Wassenaar het schonk als eerbetoon aan de bouwmeester: 'Semper Idem', de lijfspreuk van Eeltjebaas. Een erenaam, waardig om te worden hergeven aan deze prachtboeier, wier huidige naam verwarring wekt met die van het Statenjacht.
De vraag: Waarom bestaat er wel een vereniging 'De Hollandse Molen' en niet een vereniging tot behoud van oudvaderlandse schepen?, lokte vele positieve reacties uit in het hele land, zelfs in Engeland. De heer A. Huysman te Twickenham wierp zich op als vertegenwoordiger van de Commissie Stamboek en spoorde binnen enkele maanden een achttal in Engeland verdwaalde boeiers op, compleet met wat hij van hun herkomst, toestand en wederwaardigheden kon nasporen. De reacties op deze eerste stamboekpublicatie werden in drie vervolgartikelen verwerkt. Onder de nu verbeterde titel 'Stamboek Friese Ronde Jachten' verschenen deze in de Waterkampioen van half mei, begin juli en half juni 1953.
Voorspel van de eerste reünie van Friese Ronde Jachten.
De kennismaking met Herman van Slooten zou, onverwacht, van beslissende betekenis blijken voor de ontwikkeling van het Stamboekidee. Frieslands oudste zeilvereniging 'Oostergoo', zou dank zij haar jeugdige secretaris het steunvlak van de Commissie Stamboek in de Friese en Nederlandse watersportwereld aanzienlijk versterken en verbreden. In juni 1952 deed ondergetekende als jongste lid zijn entree bij 'Oostergoo'. Hij verstoutte zich bij de rondvraag tijdens de algemene vergadering het woord te vragen en aandacht te verzoeken voor het werk en streven van de Commissie Stamboek. Tijdens de traditionele zeilpartij van een vloot van praktisch alleen ronde jachten viel hem wel de bijzondere eer te beurt uitgenodigd te worden door de voorzitter Roelof Buisman, eigenaar van het oudste Friese jacht 'Mercurius', voor een zeilpartij op de volgende dag. Eerst op die gedenkwaardige dag leerde ik iets doorschouwen van die aloude boeiertradities, welke slechts in de K.Z.V. 'Oostergoo' gehandhaafd bleven. 4)
Een voor mij onvergetelijke zeildag, besloten met een dinertje in hotel De Oude Schouw onder Akkrum, waarde nieuwe eigenaar nog tactvol moest worden ingewijd in de oude traditie, welke de voorzitter van 'Oostergoo' het recht geeft met zijn gasten aan te zitten aan de tafel, waar eens in 1810 koning Lodewijk Napoleon had gedineerd. In de naar het feodale riekende sfeer, welke het samenzijn van het toenmalige bestuur van 'Oostergoo' kenmerkte, vond het voorstel van de secretaris Herman van Slooten tot het organiseren van een reünie van Friese Ronde Jachten algemeen bijval. In hun wijsheid lieten de vier grijze eminenties Roelof Buisman, Hidde Halbertsma, Pieter Bokma en dokter Wytze van der Meer de voorbereiding goeddeels over aan genoemde secretaris, in nauwe samenwerking met de Commissie Stamboek. De gedachten gingen uit naar een waterfeest met admiraalzeilen zoals dit in vroeger tijden, zowel in Holland (Amsterdam) als in Friesland (Sneek), werd gehouden. De organisatie van zulk een historisch waterfeest vereist een degelijke voorbereiding, mede stoelend op de bestudering van de beschikbare historische bronnen.
Ernst Crone, die het werk van de Commissie Stamboek van de aanvang af met grote belangstelling volgde, schreef in 1925 als secretaris van de Zeilver. 'Het Y' een gedocumenteerd gedenkschrift ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van die vereniging. 5)
In hoofdstuk II gaf hij de resultaten weer van zijn uitvoerige bronnenstudie over het 'Zeilen in Admiraalschap' en de waterfeesten te Amsterdam. Mondeling toegelicht door deze deskundige gaf deze studie een welkome historische achtergrond voor het admiraalzeilen.
Naast de voornoemde bronnenstudie van Ernst Crone, waren van belang de aanwijzingen over het admiraalzeilen in Friesland, in het bijzonder op het Sneeker Meer. In de eerste plaats, hetgeen men hierover kan lezen bij Eelco Napjus in zijn Historische Cronyk of Beschrijvinghe van Oud en Nieuw Sneek (Sneek, 1772).
Het zeer zeldzame gedrukte 'Reglement op het Admiraalzeilen te Sneek', gedateerd 1868 is weliswaar afgestemd op het toen gebruikelijke admiraalzeilen in de naaste omgeving van Sneek, doch was niettemin voor ons doel interessant. 6)
Een analyse van historische gegevens en bronnen leidde Herre Halbertsma tot het doen van de conclusie dat de Friese gebruiken bij het admiraalzeilen op het Sneekermeer in vroeger eeuwen, geheel waren geënt op de formaties, toegepast door admiraal De Ruyter's verenigde vlootmacht. Dit was niet zó verwonderlijk. Immers, Gerard Brand zijn Leven en Bedrijf van Michiel Adriaanzoon De Ruyter behoorde in de 18de eeuw tot de standaard-bibliotheek van de gezeten Friese burgers. Sommige Friezen kenden hun Brand als hun Bijbel.
De reconstructie van Halbertsma verduidelijkte de betekenis van de formatieseinen, zoals deze bij het admiraalzeilen op breder water werden gegeven ter inleiding van het spiegelgevecht, dat hiervan het hoogtepunt placht te vormen.
Deze formatieseinen waren:
rode vlag: kiellinie (tevens slaglinie) witte vlag: frontlinie (opsporen of jagen van de vijand)
blauwe vlag: colonnes in frontlinie, de eskaders in kiellinie, zeilen op eskaderlengte van elkaar in frontlinie.
In deze laatste formatie naderden de vloten elkaar, de laatste voorbereidingen treffende voor het gevecht. Tijdig, voordat de beide vloten elkaar tot schootsafstand waren genaderd, hesen beide vlootvoogden de rode vlag (bloedvlag). Daarbij gaven zij met één, resp. twee schoten, te kennen, of zij hun vloot over stuurboord dan wel over bakboord oploevend wilden 'deployeren in de slaglinie'. Het tot halvermast strijken van de seinvlaggen diende als uitvoeringssein, waarbij tevens een schot werd gelost en/of een hoornsignaal werd gegeven. Op grond van de historische analyse en reconstructie van drs. Halbertsma, werd door mij het Reglement Admiraalzeilen samengesteld, dat behou-dens enkele wijzigingen en aanvullingen nog steeds door de Stichting Stamboek wordt gebruikt. 7)
Uit oude schilderijen en beschrijvingen blijkt duidelijk dat veel vlaggen en wimpels naast kanongebulder behoren tot onmisbare attributen van het admiraalzeilen. Teneinde dit te realiseren bij de komende reünie werd besloten, dat de vlagofficieren zouden varen onder de vlag van de K.Z.V. 'Oostergoo', waarbij de rangonderscheiding met witte ballen in de bovenste rode baan zou worden aangeduid. Alle deelnemers zouden van de 'admiraal' een oranje wimpel als onderscheidingsteken ontvangen.
Het kanongebulder gaf iets meer problemen. Het Fries Scheepvaart Museum bezat één paar boeierkanonnetjes, dat wij te leen kregen. Muziek was volgens onze historicus Herre Halbertsma een even onmisbaar attribuut bij het admiraalzeilen als vlaggen en kanongebulder. Bij zeilpartijen in en om Sneek was het van oudsher gebruikelijk het 'Ayrtje Wilhelmus van Nassauwe' te blazen. Dit oorspronkelijk Franse motief van de Prinsenmars dient bij de Koninklijke Marine nog steeds als trompetsignaal: 'Wilhelmus = saluutbatterij gereed maken'. De juiste toonzetting werd, uit eigen memorie, op muziek gesteld door de Sneker musicus Jac. N.D. Hoogslag. Twee Grouwster hoornblazers zouden dit tot nieuw leven gebrachte 'Ayrtje van 't Wilhelmus' ten gehore brengen bij de opening van het admiraalzeilen. Ook de resultaten van dit historisch speurwerk, in goede samenwerking volbracht, zouden verder reiken dan deze eerste reünie.
Het lag in de bedoeling de reünie op 4 en 5 juli 1953 te Grouw te houden.
Er ging een wervende circulaire uit naar alle bekende eigenaars van ronde jachten in Nederland. Hierin stond onder meer: 'Teneinde de glorie van deze schepen nog beter tot haar recht te doen komen en te demonstreren welk een kostelijk erfgoed zij vertegenwoordigen, heeft de Commissie (H.G. van Slooten en ondergetekende) aan de K.Z.V. 'Oostergoo', de oudste zeilvereniging in Friesland, verzocht te trachten een reünie van deze schepen te organiseren'. Het programma gaf aan: 'Op 4 juli 1953 ten 13.00 uur bijeenkomst van alle schepen op het Pikmeer te Grouw. Te 13.30 uur vergadering van de Federatie van Musea en Oudheidskamers in Friesland, waar kapt. ter zee b.d. C.J.W. van Waning een inleiding zal houden over 'De Friese Ronde Jachten en de mannen die ze bouwden'. Na afloop van de vergadering bezichtiging der schepen, vervolgens admiraalzeilen op het Pikmeer en daarna gemeenschappelijke borrel aan de Wijde Ee. De dag wordt besloten met een gemeenschappelijke maaltijd in hotel 'Oostergoo', terwijl op 5 juli tijdens de jaarlijkse wedstrijden van 'Oostergoo' één of meer klassen van ronde schepen worden uitgeschreven'.
De reacties op deze circulaire waren boven verwachting. Niet alleen uit Friesland, maar ook uit Holland kwamen aanmeldingen binnen. In totaal een veertigtal. Om het probleem van de tocht van Holland naar Friesland op te lossen, stelde het Rotterdams Rijnvaart Bedrijf (wiens vlag overeenkwam met de, aan de deelnemers uitgereikte, wimpel) een sleepboot ter beschikking. De sleep werd bij binnenkomst in Friesland bij Driewegsluis met open bruggen en open armen ontvangen en maakte een glorieuze tocht, die eindigde in Grouw, waar ze met kanongebulder werd begroet. Het leek wel een thuiskomstvan verloren zonen (of zijn het dochters?).
De sleepboot vertrok op 30 juni van Nieuwersluis met de boeier 'Maartje' van ondergetekende, de jachten 'Dolphijn' van H. Voordewind', 'Roetend' van F.G. Spits, 'Oom Kiek III' van L. J. A. van der Post, 'De Bonte Vogel' van mr. H. de Groot en de grote boeier 'Peep' van J.A. Vierssen, benevens het jacht 'De Oude Liefde van notaris A. van der Laan. Via het Amsterdam-Rijnkanaal werd die avond Doesburg bereikt. De volgende dag werd via Zwolle gevaren naar Zwartesluis, waarde watersportvereniging de sleep en haar hele bemanning een feestelijke ontvangst bereidde. Daar voegde ook het jacht 'Frisia' van R. Buisman zich bij de sleep en werd de reis vervolgd door Noordwest Overijssel naar Driewegsluis, waar de heer Brink namens het Provinciaal Bestuur van Friesland de sleep begroette. Voorafgegaan door de Provinciale motorboot voer men Friesland binnen. De boeier 'Sperwer van het Zuiderzeemuseum en het jacht 'Bestevaer' van A. Schermer voegden zich bij de sleep, terwijl de heer H.B. Halbertsma uit Grouw met zijn boeier 'Constanter' de vloot een hartelijk welkom toepraaide namens 'Oostergoo'.

Zo lagen reeds in de namiddag van 3 juli bij het theehuis, met feestelijke vlaggen en wimpels versierd, een veertigtal ronde jachten. Vooraan vijf boeiers, gebouwd door Eeltjebaas en wel 'Constanter' (1877), 'Albatros' (1881), 'Sperwer' (1886), 'Maartje' (1892), 'Jean-Bart' (ex-'Friso' 1894). Van vier Friese jachten stonden de Jouster herkomst en het bouwjaar eveneens vast: 'Mercurius' (1868), 'Dolphijn' (1868), 'Njord' (1868), 'Frisia' (1873). Er rezen bij Friese kijkers reeds twijfels over de Jouster herkomst van het Friese jacht 'Argo' en van de 'boeier' (liever Fries jacht met later opgebouwde kajuit) 'Rode Leeuw' (Kuipers). Niet ten onrechte, want later, bij nauwkeurig onderzoek, bleken het, geheel in Jouster stijl, keurig nagebouwde schepen te zijn van Visser te Paterswolde. Aan de identificatie van tjotters was de Commissie Stamboek nog nauwelijks toegekomen. Slechts de fraaie Friese jachten 'Oude Liefde' en 'Oom Kiek III' (de huidige 'Willemijntje') waren bekend als resp. gebouwd in 1917 en 1920 door F. Lantinga te IJIst.
Het scheepje kijken, vanouds een geliefde bezigheid van alle scheepsliefhebbers, werd voor menige Hollandse gast een leerzame ervaring. Men wilde meer weten van de herkomst van de schepen en omtrent de rijke tradities van het zeilen met ronde jachten. Niet alleen op dit gebied viel hier veel te leren, maar ook op het terrein van het onderhoud konden de Hollanders veel van hun Friese collega's opsteken. Door jong en oud werd dan ook ijverig gepoetst, opdat het verwaarloosde koper niet te zeer zou afsteken bij het blinkend metaal van de Friese zusters.
Het feest der ronde jachten
'Blauw is de lucht en witte wolken rollen
Al spelend door het strakke zomerzwerk.
Straks zullen zich de witte zeilen bollen
De vlag van 'Oostergoo' waait van de Grouwster kerk'.
Als admiraal van de vloot fungeerde ondergetekende aan boord van de boeier 'Maartje', waar tevens aanwezig was de Commissaris der Koningin, Mr. H.P. Linthorst Homan. Vice-admiraal was de heer H.B. Halbertsma met zijn prachtige boeier 'Constanter', terwijl het derde eskader werd geleid door de schout bij nacht H.G. van Slooten met het Friese jacht 'Argo'. Nadat het generaal saluut aan de admiraal was gebracht, werden op het Pikmeer de verschillende formaties gezeild, die mede dank zij het stralende weer en de lopende wind redelijk goed verliepen.
Ir. Jan Loeff schreef in de Waterkampioen van half juli 1953:
'Het was een vertoning om nooit te vergeten'. En even verder: 'Nadat er enige uren was gezeild, verzamelde de vloot zich aan de wal van de Wijde Ee, waar de vierkante jonge rondging. Daarna werd teruggekeerd naar hotel Oostergoo te Grouw, waar allen zich aan tafel verzamelden voor één van de aardigste zeilersdiners, die ik ooit heb meegemaakt. Dat deze maaltijd zo geslaagd mocht heten, was niet zozeer vanwege de keuken, maar vooral dankzij de kostelijke tafelpresident, die Oostergoo's voorzitter, de oude heer R. Buisman, zich toonde. Wij kregen enige voortreffelijke tafelredes te horen, die door de president snedig werden beantwoord'.

Op zondag 5 juli vonden de wedstrijden plaats. Er werd zonder handicap gezeild, mede omdat de meeste schepen niet gemeten waren. Bij de boeiers won 'Constanter' van H.B. Halbertsma, bij de Friese jachten 'Mercurius' van R. Buisman en bij de tjotters 'Twa Sisters' van J. Haagsma te Workum. Alle drie ook heden ten dage nog geduchte tegenstanders.
En hiermede eindigden deze zeer geslaagde dagen, waaraan niet alleen door de dagbladpers, maar ook door de periodieken, fotografen en radio landelijk veel aandacht werd besteed. De deelnemers ontvingen alle een 'túchje' van 'Oostergoo' als herinnering.
Ir. Loeff eindigde zijn verslag met de volgende hartenkreet: 'Zo is dit festijn der Ronde Jachten weer afgelopen. Er is natuurlijk gevraagd: Wanneer weer? Sommigen spraken van een jaarlijks weerkerende gebeurtenis, anderen dachten: Dit krijgen we nooit meer te zien. De waarheid ligt altijd in het midden. De lamp moet brandende gehouden worden.
De geestdrift nu gewekt voor het prachtige Friese Ronde Jacht, een monument in de Nederlandse jachtbouw, moet levendig blijven. Dat een bijeenkomst als deze in Grouw daarvoor het middel bij uitnemendheid is, lijkt mij buiten kijf. Daarom 'Oostergoo', daarom Stamboek. Laat het niet bij deze ene keer. Als het moet om de tien jaar, als het kan om de vijf, maar liever drie jaar. Ook liefde kan verkillen. Houdt het vuur warm. Het behoud van deze prachtige jachten is veel waard. Maar voor ditmaal: Ik dank u uit de grond van mijn hart'.
Ir. Jan Loeff kreeg zijn zin met deze hartenkreet, waarmede hij zich tot tolk van vele boeiervrienden maakte. De Commissie Stamboek, nu in samenwerking met de K.Z.V. 'Oostergoo', het Fries Scheepvaart Museum en met de K.Z.V. 'Sneek', organiseerde haar tweede reünie in juli 1954. Na het admiraalzeilen bij Grouw op zaterdag volgde op zondag een tocht 'in admiraalschap zeilende' naar het Sneeker Meer. De vloot, wat kleiner dan bij de eerste reünie, verzamelde zich op een beschutte plaats waarde Sneker gastheren en gastvrouwen de scheepsbemanningen een stijlvolle ontvangst bereidden, gevolgd door een traditionele Friese koffiemaaltijd, geserveerd door fleurige dames gehuld in even fleurige Friese kostuums.

Onverwachte gevolgen van de eerste reünie
Reeds op de avond van de laatste dag ging ik naar mijn mede-commissielid Herman van Slooten en besprak met hem de aankoop van het 'boatsje' 'Aurelia', dat in Heerenveen te koop was. Resultaat: wij kochten dit unieke scheepje, dat in 1883 gebouwd werd door E.H. van der Zee te Jou re en nog steeds vaart dit 'liefje' op de Grouw-ster wateren. Maar er was meer .... Het grootste schip van de reünie was de boeier 'Jean Bart' eigendom van de heer J.S. van Mesdag te Hilversum. Dit schip trok aller aandacht, niet alleen omdat het gebouwd was te Joure in 1894 voor de toenmalige Commissaris der Koningin, mr. B.Ph. baron van Harinxma thoe Slooten, maar vooral omdat er geruchten de ronde deden, dat het verkocht zou worden naar Frankrijk. Hoe dit monument veilig te stellen? In vorige eeuwen had Friesland zijn Statenjacht gehad en zo ontwikkelde zich de gedachte, waaraan gestalte gegeven werd door drs. Herre Halbertsma, om wederom te trachten een Statenjacht voor Friesland te verwerven. Ernstige pogingen werden aangewend om dit schip door de Provincie te laten kopen, maar deze mislukten. Het was de voorzitter van 'Oostergoo', de heer R. Buisman, die het initiatief nam tot de vorming van een z.g. 'Boeiercommissie', bestaande uit bestuursleden van 'Oostergoo' en het 'Departement Leeuwarden van de Nederlandse Maatschappij voor Nijverheid en Handel'. Deze commissie nu, en met name haar voorzitter Buisman, wist in korte tijd voldoende middelen te verzamelen, waardoor het mogelijk werd de 'Jean Bart' aan te kopen en reeds in november 1953 naar Friesland terug te voeren. Nadat deze boeier in de winter was opgeknapt en van een nieuw tuig was voorzien, vond op 22 mei 1954 de luisterrijke overdracht aan het Provinciaal Bestuur plaatste Grouw, waarbij ook een groot aantal ronde jachten acte de présence gaf. De oude naam 'Friso' werd in ere hersteld en sedertdien vaart dit schip als Statenjacht op de Friese wateren. 8)
Maar er waren meer gevolgen
Aanwezig was op de reünie de tjotter 'Elisabeth' van mr. dr. T. Huitema, te Wassenaar. Intensieve contacten met heer Huitema resulteerden in 1955 in diens secretariaat. Een functie, welke hij sedertdien op onnavolgbare wijze vervult. Reeds in mei 1953 vond een andere gedenkwaardige kennismaking plaats met de accountant Fred Spits, toen nog woonachtig in Amsterdam en eigenaar van de tjotter 'Wilhelmina', welk schip later door hem geschonken werd aan het Zuiderzeemuseum en thans in de schepenzaal staat. Samen met zijn vrouw Kiek de Rook uit Lemmer begon hij documentatie te verzamelen over boeiers, jachten, tjotters, lemsteraken en andere oude scheepstypen.
Hiertoe werden met grote nauwgezetheid de oude jaargangen van het tijdschrift Watersport (1913-1932), Ons Element (1918-1927) en De Waterkampioen (1927-heden) doorgenomen. Voorts de jaarboekjes van de K.Ned.Jachtclub (1843 en volgende jaren), het jachtregister van de ANWB en KVNWV (1924/25), de werfboeken van Eeltje (1848-1894) en Auke van der Zee (1900-1912), de wedstrijdboeken van de K.Z.V. 'Oostergoo' (1848-heden), de jaarboekjes van de Kon. Ned. Zeil- en Roeiver., het gedenkboek van de K.R. en Z. Ver. 'De Maas' (1851-1931), De Jachthavens van Amsterdam van dr. E. Crone (gedenkboek van 'Het Y', 1885-1925), Schepen die voorbij gaan (1927) van H.C.A. van Kampen en H. Kerskens: Schepen die verdwijnen en Lloyds Register of Yachts, om de voornaamste bronnen te noemen. Daarnaast onderhield hij een uitvoerige correspondentie met eigenaren en scheepsbouwers, waardoor een schat van gegevens werd verzameld, welke wat betreft de Friese ronde jachten in de zogenaamde Stamboekbladen der onderscheiden schepen werden verwerkt en vastgelegd. Een moeizame arbeid, welke echter fundamenteel is voor de geschiedschrijving, die het Fries Scheepvaart Museum met de in dit Jaarboek beginnende serie Monografieën verder hoopt te stimuleren. 9)
Het begrip 'Stamboek' houdt voor iedere rechtgeaarde Fries in: op kennis gebaseerde keuring op raszuiverheid, waarbij tevens het streven naar rasverbetering kan worden gevoegd.
Een moeilijke opgave, met daaraan verbonden wel consequenties, waaraan echter in de beginjaren niet zo zwaar werd getild. Wij bemoeiden ons in eerste aanleg uitsluitend met Friese ronde jachten, waarbij de raszuiverheid van het ene schip wel beter naar voren kwam dan bij het andere, maar doorslaggevend voor al of niet opneming was dit niet. Deze problemen kwamen eerst later, vooral na de oprichting van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, toen een grote toename der in te schrijven schepen moest worden verwerkt. Reeds na de eerste reünie in 1953, gevolgd door de overdracht van het Statenjacht in mei 1954, begon de belangstelling te groeien niet alleen in Friesland, maar in geheel Nederland, ja zelfs buiten onze grenzen in Engeland en België. Het ging nu niet alleen meer om Friese Ronde jachten, maar ook andere scheepstypen vereisten meer aandacht: de tjalken, de Zuiderzee-vissersschepen als botters, kwakken, blazers, bollen en Staverse jollen, de Zeeuwse schepen als hoogaarsen en hengsten, om maar enkele te noemen.
De taak van de oorspronkelijke Commissie Stamboek moest uitbreiding ondergaan. Van een onderlinge, Friese, werd het een landelijke aangelegenheid, waarvoor het gewenst was een andere vorm te kiezen. Lang is onder de vrienden van het eerste uur gesproken over de vraag: hoe lossen we dit probleem op?
'De onverwachte gevolgen van een ondoordacht idee', zoals ten onrechte boven dit artikel staat, vereiste een meer zelfstandige organisatie met eigen financiële middelen. Gedacht werd eerst aan een vereniging, maar daarvoor achtte men zelfs in 1955 de basis nog te smal. Het was uiteindelijk een klein clubje enthousiastelingen, dat met geringe middelen en opoffering van veel vrije tijd het werk verrichtte. Een landelijke vereniging zou nog meer organisatorisch werk meebrengen dan een Stichting. Om deze redenen is gekozen voor de stichtingsvorm, waarbij statutair het arbeidsveld aanzienlijk werd verbreed en uitgebreid tot alle originele typen Nederlandse ronde en platbodem vaartuigen, die als plezierjacht worden gebruikt. Weliswaar werd de doelstelling van de Stichting Stamboek gericht op 'de bevordering van de belangstelling voor het Nederlandse ronde en platbodemjacht' doch in de taakomschrijving bleef de cultuur-historische kern, ontleend aan die van de Commissie Stamboek, behouden.
De Commissie Stamboek Friese Ronde Jachten, die overigens nimmer officieel ontbonden werd, ging op in het stichtingsbestuur. Het Fries Scheepvaart Museum werd als 'stichtingsmoeder' als eerste der stichters in de statuten vermeld. Drs. H. Halbertsma vertegenwoordigt sinds 1955 het Fries Scheepvaart Museum in het stichtingsbestuur. Zijn reeds eerder vermelde studie 'Sneeker Hardzeildag' gaf niet alleen de stoot tot de glorieuze viering van het 150-jarig bestaan van deze hardzeildag tijdens de Sneek-week 1965, doch leverde hiertoe tevens de historische achtergrond. Dit veelzijdige waterfeest viel geenszins toevallig samen met de tweede lustrumreünie van de Stichting Stamboek, die als gebruikelijk in Friesland werd gehouden, ditmaal in Sneek en op het Sneekermeer.

In de commissie van voorbereiding onder leiding van burgemeester L. Rasterhoff waren naast de Kon. Zeil. Ver. 'Sneek' en de Sneeker Zeilclub, het Fries Scheepvaart Museum en de Stichting Stamboek vertegenwoordigd. De heer en mevrouw Halbertsma vervulden de hoofdrollen in het waterspel, gebaseerd op de ontvangst van stadhouder Willem V en zijn gemalin Prinses Wilhelmina van Pruisen binnen Sneek in 1787. Een avondlijke boeiervaart waarbij Bengaals vuur, aan boord en aan de wal ontstoken, weerkaatst tegen zeilen rompen van Friese ronde schepen, bovendien tegen de gevels van de huizen langs de Sneker grachten, behoort zeker tot de schoonste aller Friese zeiltradities. Reeds om die reden waardig om op zijn minst elk jubileum-zeilfestijn in Sneek te begeleiden.
Uit het bovenstaande moge blijken hoe waardevol het historisch-museaal fundament van het Fries Scheepvaart Museum was voor de ontwikkeling van het Stamboek en eveneens voor de latere ontwikkeling in stichtingsverband. De Commissie Stamboek moedigde steeds het stamboeklidmaatschap van de Vereniging Fries Scheepvaart Museum aan bij de boeiervrienden. En niet zonder succes. Wanneer deze vereniging en de redactie van het jaarboek van het Fries Scheepvaart Museum er in mochten slagen de serie monografieën over Friese schepen, werven en scheepsbouwers tot een succes te maken, twijfel ik niet aan de toeloop van een nieuwe, zeker ook jonge schare van stamboekleden.
Het museaal fundament van de Stichting Stamboek werd verbreed door de Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum. De eerste directeur S.J. Bouma van het Zuiderzeemuseum vertegenwoordigde zijn museum in de vereniging met de boeier 'Sperwer' bij de eerste reünie. Op zijn voorstel kocht deze vereniging Neer-lands oudste boeier 'Tjet Rixt', later 'Hilda' genoemd naar mevrouw Bouma.
De heer Bouma bracht in de winter van 1954-'55 het contact tot stand tussen de Commissie Stamboek en de organisatoren van de feesten welke in juli 1955 zouden plaats vinden ter gelegenheid van het 600-jarig bestaan van Enkhuizen als stad. In het kader van deze feestelijke herdenking werd de derde reünie gevierd in West-Friesland. In dit overgangsjaar van Commissie naar Stichting Stamboek, namen voor het eerst ook ronde en platbodemjachten van niet Friese origine deel aan de reünie. Zuiderzee-botters, bollen, hoogaarsen en de bekende Zeeuwse hengst 'Jonge Joseph' waren nu mede van de partij. Na dit door prachtig zeilweer begunstigde waterfeest nam de Stichting Stamboek Ronde en Platbodem-jachten het roer over. De jaarlijkse zomerreünieën zouden uitgroeien tot massale manifestaties. Wel indrukwekkend doch uiteraard minder intiem dan die uit de eerste jaren met hoogstens een zestigtal deelnemende ronde jachten. In Friesland zou de commissie Regionale Reünie de intieme sfeer bestendigen in haar samenkomsten van louter Friese ronde jachten en -schouwen in de vier jaren tussen elk lustrum dat de Stichting Stamboek steeds in Friesland viert met een lustrumreünie (1960 Grouw, 1965 Sneek, 1970 Lemmer, 1975 Sneekermeer). Zó wordt het vuur in Friesland brandende gehouden, al wordt dit vuur ook in deze provincie te weinig gevoed door jonge krachten met cultuur-historische belangstelling voor de varende monumenten en al wat hiermee samenhangt.
De ervaringen, opgedaan bij de eerste reünie en ook later, overtuigden de Commissie Stamboek ervan, dat de steun van op oude tradities bogende zeilverenigingen, ook in landelijk verband vruchten zou afwerpen. In deze gedachtengang werden vier oude verenigingen met traditionele bindingen aan het ronde en platbodemjacht uitgenodigd als medestichters op te willen treden, te weten:
de Koninklijke Zeilver. 'Oostergoo' (1848)
de Koninklijke Nederlandse Zeil- en Roeiver. (1847)
de Koninklijke Roei- en Zeilver. 'De Maas' (1851)
de Koninklijke Zeil Ver. 'Sneek' (1851)
Wanneer het bestuur van het Fries Scheepvaart Museum de hier beschreven ontwikkeling van zijn Commissie Stamboek Friese Ronde Jachten tot Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten betreurde, heeft dit bestuur toch alle mogelijke medewerking verleend bij het tot stand komen van de Stichting Stamboek. Notaris J. Zijlstra bestuurslid van het Fries Scheepvaart Museum reisde meermalen naarAmsterdam teneinde in overleg met zijn collega A. van der Laan de stichtingsstatuten in de juiste vorm te gieten. Het ontwerpstatuut moest uiteraard door alle zes stich¬ters worden goedgekeurd, alvorens het kon worden vastgesteld. De gehele procedure nam meer dan een jaar in beslag.
Op 8 oktober 1955 kwamen vertegenwoordigers van de stichters bijeen ten kantore van notaris A. van der Laan te Amsterdam, die zelf het Friese jacht 'De Oude Liefde' bezat. Toen werd de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten in het leven geroepen.
De drie leden van de Commissie Stamboek Friese Ronde Jachten maakten deel uit van het oprichtingsbestuur, dat bestond uit de heren:
C.J.W. van Waning te Rotterdam, voorzitter
Mr. Dr. T. Huitema te Wassenaar, secretaris-penningmeester
F.G. Spits te Diemen, beheerder van het stamboek
Drs. H. Halbertsma te Amersfoort, aangewezen door het Fries Scheepvaart Museum te Sneek
H.G. van Slooten te Leeuwarden, aangewezen door de K.Z.V. 'Oostergoo'
Ir. J. Loeff te Loosdrecht, aangewezen door de Kon. Ned. Roei- en Zeilver.
Mr. A. Blussé van Oud-Alblas te Rotterdam, aangewezen door de Kon. Roei- en Zeilver. 'De Maas'
H. Voordewind te Amsterdam, aangewezen door de K.Z.V. 'Sneek'
S.J. Bouma te Enkhuizen, aangewezen door de ver. 'Vrienden van het Zuiderzeemuseum.
Hiermede werd een tijdvak van vier jaren opbouw afgesloten. Elf jaren van voorzitterschap van de stichting zouden volgen; een levensperiode waar ik met veel voldoening aan terugdenk.
De adoptie van ons vijfde kind 'Maartje' had wel wat los gemaakt.
C.J. van Waning
Admiraalzeilen van Friese Ronde Schepen op zaterdag 4 juli 1953 's namiddags 3 uur op het Pikmeer te Grouw, onder auspiciën van de K.Z.V. 'Oostergoo' te Grouw en de Commissie Stamboek Friese Ronde Schepen van het Fries Scheepvaart Museum te Sneek.
ESKADER-INDELING ADMIRAALZEILEN 4 JULI 1953 TE GROUW
| 1ste eskader: | ||
| 1. Boeier Maartje | C.J.W. van Waning, admiraal | Bilthoven |
| 2. Boeier Albatros | P. Bokma | Leeuwarden |
| 3. Boeier Jean Bart | J.S. van Mesdag | Hilversum |
| 4. Boeier Sperwer | HetZuiderzeemuseum | Enkhuizen |
| 5. Boeier Njord | H.E. den Weduwen | Leiden |
| 6. Boeier Vliegende Hollander | C.J. van der Hoeven | Zoeterwoude |
| 7. Boeier J.W. Friso | W.J. van der Linden | Amsterdam |
| 8. Boeier Dolphijn | R. Swart | Leeuwarden |
| 9. Boeier Peep | J.A. van Viersen | Haarlem |
| 10. Boeier Oude IJssel | U.Tieleman | Doetinchem |
| 11. Beurtsch. Swalker | Gebr. de Boer | Lemmer |
| 12. Beurtsch. Ziet U Zelven | B.van Kampen | Amsterdam |
| 2de eskader: | ||
| 13. Boeier Constanter | H.B. Halbertsma, vice-admiraal | Grouw |
| 14. Jacht Mercurius | R. Buisman | Leeuwarden |
| 15. Jacht Frisia | R. Buisman | Zwartsluis |
| 16. Jacht Hou Moed | E.J. Kuipers | Laren (N.H.) |
| 17. Jacht Dolphijn | H. Voordewind | Amsterdam |
| 18. Jacht Oom Kiek III | L.J.A. van derPost | Den Haag |
| 19. Jacht De Oude Liefde | A. van der Laan | Amsterdam |
| 20. Jacht Bestevaer | A. Schermer | Arnhem |
| 21. Jacht Njord | Mr. H. Kingma-Boltjes | Leeuwarden |
| 22. Jacht Roeland | F.G.Spits | Amsterdam |
| 23. Jacht Tsjibbe Gearts | Jhr. Ds. C. van Eysinga | Aalsum |
| 24. | J.O. v.d. Werf | Drachten |
| 3de eskader: | ||
| 25. Jacht Argo | H.G. van Slooten, Schout bij Nacht | Leeuwarden |
| 26. Tjotter De Jonge Durk | S.Hepkema | Leeuwarden |
| 27. Tjotter Twa Sisters | J. Haagsma | Workum |
| 28. Tjotter Kijk Uit | HetZuiderzeemuseum | Enkhuizen |
| 29. Tjotter De Bonte Vogel | Mr. H. de Groot | Den Haag |
| 30. Tjotter Elizabeth | Mr. Dr. T. Huitema | Wassenaar |
| 31. Tjotter Anna | Ir. L.P. Fauel | Wassenaar |
| 32. Tjotter De Wâldfugel | E.G. v.d. Veen | Drachten |
| 33. Tjotter Truan | Mej. A. van Kampen | Leeuwarden |
| 34. Tjotter Oeral Thtís | E. Bosma | Leeuwarden |
| 35. Tjotter Bruzer | Fr. Zeilschool | Sneek |
| 36. | Tj. v.d. Meulen | Langweer |
| 37. Tjotter Kabeljauw | D. Visser | Langweer |
| 38. Tjotter Wilhelmina | Het Zuiderzeemuseum | Enkhuizen |
NOTEN:
1) Deze brieven bevinden zich in het archief van de Commissie Stamboek, dat wordt bewaard in het Fries Scheepvaart Museum te Sneek.
2) Fotokopieën van het Dagboek en Grootboek bevinden zich thans in het Fries Scheepvaart Museum te Sneek en in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen.
3) Zie mijn artikel 'Stamboek Friese Plat-bodemjachten' in de Waterkampioen Nr. 911, oct. 1953. Het huidige voornemen (1976) om een serie monografieën te publiceren in de jaarboeken van het Fries Scheepvaart Museum ligt duidelijk in het verlengde van deze taakomschrijving, die in de statuten van de Stichting Stamboek Ronde- en Platbodemjachten zou worden opgenomen bij haar oprichting in 1955.
4) H.G. van Slooten, Gedenkboek Kon. Zeil Ver. 'Oostergoo'. 1848-1973. Leeuwarden, 1973.
5) Dr. E. Crone, bladzijden uit de geschiedenis der Jachthavens en van de Zeilsport te Amsterdam. Amsterdam 1925.
6) Drs. H. Halbertsma, Sneeker Hardzeildag, hoofdstuk 2. Amsterdam, 1965.
7) Het kortelings door Jhr. van Foreest gemaakte voorstel tot aanpassing van het reglement admiraalzeilen van de Stichting Stamboek aan de eisen die grote vloten stellen is eveneens op Brands standaardwerk gebaseerd.
8) Ik ga op de geschiedenis van dit jacht niet nader in. Door het Provinciaal Bestuur van Friesland is in 1974 een boekje uitgegeven: Het statenjacht Friso, H.G. van Slooten en A.J. Wijnsma, in de handel gebracht door P.N. van Kampen en Zn. te Amsterdam. Hierin wordt over dit schip uitvoerig bericht.
9) Naast deze stamboekbladen verzamelde F.G. Spits zijn vondsten uit velerlei, vooral oude, bronnen in een groot aantal folioboeken, gewijd aan de historische scheepvaart en aan een groot aantal scheepstypen.