Spring naar inhoud

Toegankelijkheidsopties:

RONDE JACHTEN VAN VISSER - PATERSWOLDE

​Pag. 303 - 309  SSRP Monografie 18 Ronde jachten van Visser - Paterswolde

mr dr T. Huitema

'Mijn grootvader is geboren in 1854 in een gehuchtje dat heette Werelds Eind, ergens tussen Groningen en Hoogkerk. Direct na schooltijd ging hij werken, bij veenbaas Warmolt. Met andere jongens moest hij geregeld veenpramen voor reparatie en onderhoud naar de werf brengen, aan de zuidkant van Groningen aan het Noord Willemskanaal. Als het kleine karweitjes waren bleven ze er op wachten en na enige tijd zei mijn grootvader: 'baas, laat die praam maar liggen, ik kan hem hier wel opknappen'. En weer wat later bouwde hij voor zich zelf een roeiboot. Z'n baas leende die boot een keer toen de eigen schouw stuk was. Toen hij terug kwam zei hij: 'jong, die schouw roeit stukken lichter dan mijn eigen, maak er voor mij ook zo één.' En zo is het eigenlijk begonnen'. Aldus Wiendelt (Wiep voor z'n vrinden) Visser, exploitant van de jachthaven aan de Blauwe Hand in Wanneperveen. 'Grootvader', zo vertelt hij verder, en dat doet hij graag, 'trouwde met een meisje Nijdam, ook al uit een vervenersfamilie en begon voor zich zelf op een klein boerderijtje aan de Hoornse dijk aan de Drentse A, tussen Groningen en Haren'.

De verhuurvloot van Visser. Tweede van rechts de 'Prinses Juliana'. Links wellicht de 'Medusa', het eerste scherpe jacht.

Daar maakte en repareerde hij veenpramen voor z'n vroegere baas Warmolt, was beroepsvisser, jager - en ook wel eens stroper - en vooral 's winters klompenmaker. Hij stond er voor bekend dat hij zijn gereedschap altijd zo erg scherp had. Dat gereedschap kwam van de dorpssmid, die het ijzer in het vuur had gehard en het was een hele kunst om er een goede 'eg' aan te houden. Langs die Hoornse dijk wandelden op een mooie zomeravond en op Zondagen veel 'Stadkers' voor de populaire wandeling van Groningen naar Paterswolde via die dijk en de Meerweg. Een Gronings echtpaar met dochter zag op zo'n wandeling bij het bedrijfje van Visser een roeiboot liggen en vroeg of ze er een eindje mee mochten varen. Ja natuurlijk was het antwoord, hij wordt toch niet gebruikt. Na terugkeer wilde het echtpaar betalen, maar Visser Sr. vond dat nergens voor nodig, "t bootje lag er ja toch'

Wiendelt Visser (1854-1937) grondlegger van het bedrijf. In het veen begonnen en op hoge leeftijd nog aan het bagger trappen.

Maar hij kreeg een kwartje en bedacht dat als men er zo veel voor over had, in de verhuur wel een boterham te verdienen zou zijn. En sindsdien is de verhuur altijd de belangrijkste pijler geweest van het bedrijf van de Vissers. Een soortgelijke ontwikkeling vond plaats bij de familie Helder aan de Meerweg, waarvan een zoon enige tijd later met dochter Marie Visser trouwde. Daarbij had Helder als vaste en goede klant het Familiehotel, terwijl hotel 'De Twee Provinciën' alle gasten naar Visser stuurde voor een rondvaart op het Paterswoldse meer.
Dat Paterswoldse meer is geheel door vervening ontstaan, waarmee omstreeks 1750 is begonnen door uit Friesland afkomstige verveners. Het gebied heette toen Neerwold. Op een kaan uit 1781 staan nog slechts een paar parallelle sloten aangegeven, aantonende dat inmiddels met de vervening is begonnen. De kadasterkaart van 1835 laat vervolgens zien dat het meer de huidige omvang praktisch al heeft gekregen, maar dat in het midden nog heel wat eilandjes en flinke stukken land liggen, die later voor het merendeel zijn weggespoeld of weggebaggerd.

De - verdwenen tjotter - 'Laura' met aan het roer Gerlof Visser, vader van W. Visser te Wanneperveen.
Hendrik Visser, geheel links, bekijkt in 1983 de 'Eeltje-Argo' aan de kade te Grouw.

Visser Sr had inmiddels zijn verhuurvloot uitgebreid met een paar punters en zeilschouwtjes. En toen er een omnibusdienst kwam van Groningen naar Paterswolde - iedere omnibus getrokken door drie paarden - werden in Friesland een paar tjotters gekocht. Dat waren fjouwer-acht tjotter 'Laura', de 6 meter lange 'Neptunus', gekocht in Heerenveen, en de witgeverfde 'Selma'. Een betere vestigingsplaats wordt uitgezocht en wellicht in het jaar 1901 verhuist de familie, inmiddels uitgebreid met vier zoons en drie dochters, naar de Meerweg en wordt een huis betrokken naast collega-concurrent en later familielid Jaap Helder. En dan wordt een belangrijke verdere stap gezet in de richting van het bouwen van jachten voor het eigen verhuurbedrijf en voor derden. Buurman Helder gaf eigenlijk de stoot daar toe.

Jaap Helder was in 1900 naar Joure getogen, in die dagen een hele onderneming, een echte 'ommelandsche reis' zoals men graag zei, en had van E.H. van der Zee het friese jacht 'Eeltje , gekocht. Dit is de huidige 'Argo' en waarover straks meer. Eeltjebaas vroeg f 1000,- voor het jacht, maar de oude Jaap Helder een goed koopman -zei dat hij maar f 900,- bij zich had. Waar Eeltjebaas het schip 'op de koop' dat wil zeggen op eigen risico had gebouwd, wilde hij het graag kwijt en Helder mocht het dus meenemen. De ontbrekende honderd gulden zou best in orde komen. Dat heeft kennelijk lang op zich laten wachten, want als de Vissers in die periode een bestelling plaatsten bij masten blokken makerij Van der Zee in Sneek, een neef van Eeltje, moesten ze vooruit betalen, want die Groningers moet je in de gaten houden! 

Helder, hij had inmiddels de 'Eeltje’ herdoopt in 'De Vliegende Hollander', merkte al gauw dat hij voor zijn verhuurbedrijf wel zo'n tweede schip kon gebruiken. Hij vroeg daarom aan de oudste zoon van Visser - Jan - een soortgelijk jacht voor hem te bouwen. Dat geschiedde en aldus werd in Paterswolde het eerste ronde jacht gebouwd. In 1902 kwam deze 'Zeeleeuwin' klaar, weliswaar geheel geïnspireerd op en volgens de lijnen van de 'Eeltje', maar iets kleiner en met sterker invallende boeisels. Dus beslist geen kopie zonder meer. Hendrik Visser, de in 1900 geboren en later naar Australië geëmigreerde jongste zoon van Visser, die in november 1983 met ons naar de 'Argo-Eeltje' kwam kijken, zag dan ook direct de verschillen. Ook deze 'Zeeleeuwin' beviel Helder goed en er werden nog twee jachten van dezelfde afmetingen door Jan Visser voor Helder gebouwd. Dat waren in 1906 de 'Maria' genoemd naar de dochter van Visser, die met Albert Helder was getrouwd, en in 1908 de 'Luctor'. Waar deze jachten zijn gebleven is niet bekend. Toen was eindelijk het moment aangebroken dat met de bouw van een rond jacht voor het eigen bedrijf kon worden begonnen. Het werd een schip van flinke afmetingen, 7.60 x 2.90 m, waarmee hele gezelschappen werden rondgevaren. Bijgaande foto, die aan een vrolijke dorpsschool klas in zondagse kleding doet denken, spreekt in dat opzicht duidelijke taal. Dit jacht kwam begin 1909 klaar, onmiddellijk na de geboorte van het lang verwachte prinsesje en werd derhalve prompt 'Prinses Juliana' gedoopt.

De 'Prinses Juliana' met zeker 40 man aan boord, klaar voor de rondvaart.

Van het overgebleven hout werd een merkwaardig scherp jacht gebouwd, dat een punter werd genoemd, maar een klippersteven had en brede zitbanken tot aan het dek, met daartussen een smalle ruimte voor de benen. Als resultaat bleek deze 'Medusa' praktisch onkenterbaar en liet zich na omslaan - wat bij huurschepen nog al eens placht voor te komen - gemakkelijk weer oprichten. Kenmerkend voor de 'Prinses Juliana' (l. 7.60 m br. 3.00 m) was de recht opstaande voorsteven en de enorme mast van niet minder dan 13 m lengte. Beide hadden ten doel - door een langere waterlijn en een groot zeiloppervlak - het jacht snelheid te geven, want er werd op het Paterswoldse meer veel en fel gehardzeild. De latere 30 m2 klasse en de zestien kwadraten van Visser hadden in dit opzicht dan ook een uitstekende reputatie.

De 'Prinses Juliana', thans met kajuit onder de naam 'Johan Willem Friso'.

De 'Prinses Juliana' was volgens het Jachtregister in 1925 nog in het bezit van de firma Visser. Omstreeks 1932 verkoopt Visser het jacht aan de schoenerkapitein Joris Brouwer. In feite werd het ronde jacht ingeruild tegen een scherp jacht omdat die meer geschikt bleken voor de verhuur.
Brouwer laat naar eigen idee een nogal groot uitgevallen kajuit plaatsen, die hij zelf aftimmert. Omstreeks 1938 wordt de boeier 'naar Holland' verkocht. Daarna is er een hiaat tot 1954 wanneer het schip onder de naam 'Johan Willem Friso' in het Stamboek van de Stichting wordt opgenomen als eigendom van Ir J. van der Linden uit Amsterdam. In 1958 gaat het schip over in handen van de huidige eigenaar J.H. Fransen te Meppel. Als ligplaats werd gekozen de jachthaven van de neef van de oorspronkelijke bouwer W. Visser te Wanneperveen.

'Poseidon' Foto: H.J te Siepe jr.

In 1910 bouwt Visser, wederom in opdracht van J. Helder, een jacht 'Poseidon' (5.40 x 2.20 m) genaamd. Op een onbekend tijdstip wordt de 'Poseidon' verkocht aan een ingezetene van Groningen, en na afloop van de oorlog, half gezonken, terug gevonden in het Helperdiep. Leden van de zeilvereniging 'De Twee Provinciën' kopen het wrak voor f 200,- en restaureren het schip volledig met behulp van W. Visser. Het onderhoud wordt op den duur toch te veel voor de zeilvereniging en in 1960 koopt de heer R. Sellies te Amsterdam het jacht voor f 4750,-. De naam wordt 'Fennigje' en bij Wester in Grouw krijgt het een grondige opknapbeurt. 

'Poseidon' Foto: H.J te Siepe jr.

In 1972 is de heer Gosschalk te Apeldoorn kort eigenaar, waarna in 1973 de heer H.J. te Siepe Jr het schip in bezit krijgt en de oude naam 'Poseidon' weer in ere herstelt. En ook in dit geval is de ligplaats bij de jachthaven van W. Visser, die onder meer naambordjes en de mastplank voor de 'Poseidon' heeft gesneden. Houtsnijden is toch een bijzondere hobby van deze Visser, die in de loods een unieke collectie uit notenhout gestoken dierenfiguren heeft opgehangen.

In 1911 wordt vervolgens 'de Zwaluw' te water gelaten, 6.00 x 2.50 m. Het Jachtregister vermeldt dat deze tjotter in 1925 toebehoort aan H.J.H. Tinga te Groningen, terwijl in de schepen lijst van de Stichting dit schip onder de naam 'Henriëtte' van 1954 tot 1969 staat ingeschreven op naam van L.A.G. Bosman te Amsterdam, later te Amersfoort. Er is inmiddels een vaste voorplecht aangebracht, waartoe zelfs het voor Visser typerende snijwerk in de bedelbalk werd weggekapt, terwijl de mast doft door ijzeren knieën schijnt te zijn vervangen.

De 'Stänfries'. Foto J Diepraam

Die behoefte bestaat gelukkig niet bij de 'Stânfries', weer een flink jacht van 7.05 m lengte en ook gebouwd in opdracht van J. Helder. Met de bouw werd in 1915 begonnen maar door materiaalgebrek volgde de tewaterlating eerst in 1917. Evenals bij de 'Juliana' wordt dit schip ingeruild tegen een scherp jacht namelijk de 7.10 m 'Fortuna', en wel in 1935 door kapitein J.G. Mulder. Evenals bij de 'Prinses Juliana' komt er ook hier een flinke kajuit op, waarna het schip, waarvan de naam inmiddels is veranderd in 'Meeuw', wordt verkocht aan neef H. Mulder te Warmond. 

Daarmee begint een hele reeks van eigenaars en naamswisselingen:
1939-1940 Dudshoorn, werf' Het Fort' te Warmond, geen naam
1940-1942 Mr A.A. Aberson te Amsterdam, 'Geus'
1942-1950 G.J. Willing te Bussum, 'Geus'1950-1960 E.J. Kuiper te Laren, 'Roode Leeuw'
Dat de invloed van Eeltjebaas duidelijk merkbaar is bij de schepen van Visser, blijkt ook hier wanneer de 'Roode Leeuw' op een gegeven moment wordt 'herkend' als de in 1894 door Eeltjebaas gebouwde 'Hou Moed'. Daarom wijzigde de eigenaar de naam dan ook in 'Hou Moed'. Toen Wiep Visser echter het schip eens bij Huisman aan de Ronduite zag liggen was het misverstand snel opgelost.
1960-1964 H. Wiersma te Boskoop, 'Stânfries' 21 DC
1964-1966 P.J. Pilon te Reeuwijk, 'Annechien'
1966-1973 W. Westerouen van Meeteren te Rotterdam, 'Maria Magdalena'
1973-1976 A.A. Zwamborn te Rottevalle, 'Maria Magdalena'
1976-1980 P. Steinhauer te Apeldoorn, 'Stânfries'
1980 J. Diepraam te Amsterdam, 'Stânfries'

Nadat het schip reeds eerder bij P. Piersma te Heeg grondig was gerestaureerd, is thans de ligplaats opnieuw in Heeg. En tenslotte als laatste bouwt Visser in 1917 de tjotter 'Nelly', 5.30 x 2.30. De bouw gebeurde in opdracht van de rector van het gymnasium in Groningen, De Jong, die later eenzelfde functie vervulde in Hilversum. Dit schip is naar Frankrijk verdwenen. De reputatie van de bij Visser gebouwde schepen blijkt ook uit het feit dat Philippona de 'Nelly' als voorbeeld van een tjotter afbeeldde in zijn boek 'Van Zeil kano tot Oceaanjacht'.

En met dit bescheiden aantal van acht ronde jachten, allen ongeacht de afmetingen en vorm steeds tjotters genoemd, kwam een einde aan de bouw van dit soort schepen in Paterswolde. Volledigheidshalve zij vermeld dat in 1914 de verhuurvloot nog was uitgebreid door aankoop van de tjotter 'Johanna' van de hiervoor reeds genoemde blok- en mastenmakerij H. van der Zee in Sneek. Volgens het Jachtregister zou dit schip in Duitsland zijn gebouwd, maar dat zal wel een vergissing zijn. W. Visser weet zich te herinneren dat hij als 14-jarige jongen in het bedrijf kwam en dat toen, in 1933, één van zijn eerste karweien was het stuk slaan van de 'Johanna' omdat het schip 'op' was en men brandhout nodig had om lood te smelten!

In 1918 wordt het bedrijf van de vader, bij wie de zoons in loondienst werkten, omgezet in de firma W. Visser & Co., waarbij de vier zoons de 'Co.' vormden. Men legde zich meer en meer toe op de bouw van scherpe jachten, vooraf in overleg met de NNWB, dikwijls gebaseerd op Duitse en Engelse ontwerpen. Het waren in het algemeen snelle schepen, die in belangrijke mate de stoot gaven tot de ontwikkeling van de, in het Noorden, zo populaire 7.10 m klasse. Dokter W.B. van der Meer liet zijn eerste en alle volgende 'Li's' dan ook steeds in Paterswolde bouwen.

Wiendelt Visser met zoons Hendrik en Gerlof (resp. 1e en 2de van rechts staande) en Andries en Jan (resp. 1e en 2de van links zittend).

Het was natuurlijk wel een hele overgang van de traditionele bouw naar de lattenbouw. Toen ze daarmee begonnen verzuchtte Jan Visser dan ook: 'het lijkt waarachtig wel of we konijnenhokken bouwen!' In 1971 werd de fa. W. Visser & Co geliquideerd wegens gebrek aan opvolging. Terrein en gebouwen werden verkocht aan het Meerschap Paterswolde, dat besloten heeft enkele loodsen met de typische, uit 1918 daterende, puntgeveltjes in stand te houden.

'Nelly'. Ontwerp en bouw J. Visser, Paterswolde, M. 5.30, M. 2.30. Zeiloppervlak 30 m2. Het tuig is laag maar zeer breed en berekend voor open wateren. Uit: Philippona: 'Van zeilkano tot oceaanjacht'

SSRP Monografieen 18 Ronde jachten van Visser - Paterswolde