Spring naar inhoud

Toegankelijkheidsopties:

'COURLIS' - EEN ANTWERPSE KNOTS

Pag. 103-107 SSRP Monografie 09 'Courlis' een Antwerpse Knots

mr. dr. T. Huitema

Meestal is de verwerking van nieuwe aanmeldingen voor inschrijving in het Stamboek een routinezaak. Maar soms doen zich onverwachte complicaties en verrassingen voor, waarvan veel plezier valt te beleven. Zo ook een aantal jaren geleden. Van een bijna 8 meter lang, houten jacht waarvoor de heer Kloet uit Nieuw en St. Joosland inschrijving aanvroeg, waren niet alleen bouwer en bouwjaar onbekend, maar ook het type van het schip was onduidelijk. De Courlis - want dat was de naam - deed denken aan een Wieringer Bol, maar varende naast de Eudia tijdens de reünie te Zierikzee in 1972 bleek duidelijk dat de kop stomper, voller was en de zeeg rechter. Wij kwamen er niet uit. Voorhands werd het er toch maar op gehouden dat we met een - misschien in zuidelijker kontreien - gebouwd bolletje te doen hadden, want verwantschap daarmee leek toch wel duidelijk. De heer Kloet liet het er evenwel niet bij zitten en ging, zoals ieder rechtgeaard eigenaar van een rond of platbodemjacht, aan het snuffelen. En met resultaat. In juni 1973 kreeg hij een lange brief van een toen 81 jaar oude Antwerpenaar. Deze brief is zo kostelijk, dat we hem hier onverkort laten volgen:

De 'Courlis'

'Dinsdag 9 3/4 uur

Geachte Mr en Mevr Kloet,
Ik zit hier blootsvoets in m'n pyama met een blocnote op m'n knieën. Ik schrijf U mijne belevenissen van deze voormiddag. 't Is vast langdradig maar schenk mij uw geduld, ik heb er genoegen aan. Dank U. Mr Kloet heeft ons zien weggaan niet? 81/2 uur later wist ik meer van de Courlis (spreek uit 'Koerli' en is de franse vertaling van 'Wulp'). Hier is het verhaal! 

Ik ben recht van Goes naar onze vereniging op de linker-schelde-oever gereden. Werk daar aan het opschilderen van een boot van een jonge (arts) vriend, die geen tijd heeft en erg graag wil varen. Ik zie er uit als een molenaar, maar vol verfstof. Hier vlakbij woont een leraar met veel tijd. Komt weer een praatje maken. Ik laster God heel stilletjes, misschien heeft de Grote het niet gehoord. Mijn spelbreker haalt een foto album van onder z'n arm . toont mij een foto van een Sta verse jol, schuin vanachter genomen. 'Zeg Cees kent gij soms die staverse jol' -ik -'jazeker man dat is de mijne' -hij -'heb ik ook gedacht maar die foto is genomen toen ik U nog niet kende' -ik -'dat klopt, 't is tussen de jaren '34-'40 en ik weet pertinent zeker dat het mijn jol is, het roestvrij staal was in die jaren zeer schaars en ik had een plaatje van 2 mm dik, daar kwam erg krap BRUINVIS uit. Toen al 'n vereenvoudigde spelling en niet een langgetrokken Nazi (SS) S. 'Mijn vriend zette een aantekening onder die foto en vroeg of ik het negatief voor afdruk wilde. '0, nee, foto's zat, dank U'. Bladert verder en toont van tijd tot tijd een foto uit 't verleden. 

'Zeg Pierre dat is de Courlis hè?' hij -'ja? en dat ben ik voor ik naar Congo ging'. Hij murmelde stilletjes, maar ik hoor het toch, dat waren prettige jaren! 'Heb je daar lang mee gevaren?' 'Wil ik geloven, van '40 tot '54'. Voor mij lagen reepjes schuurpapier en een schrijnwerkerspotlood. Hij rammelde maar door (dit schrijven geeft de geest weer). 'Dat bootje is gebouwd door Pochet in 1928 in opdracht van een Waals hoogleraar uit Luik', (vandaar die frans Wulp). Pochet was een scheeptimmerman, die vooral Brabantse bijboten bouwde te Merxem een voorstad van Antwerpen (Pochet bouwde in '26 mijn boeierke van 6 meter), rond de jaren '44 à '45 is hij gestorven. 

De Courlis is gebouwd op de lijnen van een Vlaamse pleit (straks meer daarover). Mijn vriend gaat verder. 'Rond de jaren '35-'36 kocht een zekere juwelier Cosemans de boot van de eerste eigenaar, een zoon van Cosemans was met mij op de normaal school voor onderwijzers (op de knieën schrijven is niet alles). Ik was gek op boten, werd uitgenodigd, deed mijn uiterste best en was een vast lid der bemanning. Die Mr Cosemans gaf opdracht aan een beeldhouder om een Roerkop die een Wulp in zijn vlucht voorstelt en toen Mr Cosemans in '54 de boot aan een zekere Eisen (verzekeraar) verkocht heeft hij de roerkop als sierstuk thuis bewaard. 

Mr Cosemans is jaren dood. Na zeer korte tijd kocht een zekere Andersen, elektrieker, de boot. Toen heeft hij een algemene revizie gehad en dit te Noeveren bij Boom op de werf 'Meert'. Enkel daar betaalde men 46.000 franken een ontzettend hoog bedrag voor die tijd. Toen eerst kwam er een motor in (jaar '59). Zie ik de verteller nog dan vraag ik of hij het merk kent. Sinds die tijd kreeg de Courlis de naam, veel maar veel trager te lopen dan voorheen. Wie de laatste eigenaar was dat wist hij niet. Ik zal dit trachten te weten. Een bijzonderheid was wel, dat wanneer hij ergens afmeerde aan de Belgische kust en er waren oude schippers in de omtrek die zóó bij de boot stonden met de uitroep, 'kijk hier zie nog een pleit, is dat raar! 

Ik heb voor jullie opgezocht wat een pleit is. In het boek 'Schepen, die verdwijnen' door SOPERS uitgegeven door Van Kampen Amsterdam vind ik: Een pleit is tjalkachtig zeeschip en is een oud Vlaams schip. Later bouwde men kleinere boten voor de kanalen. Sopers verteld, dat hij er een heeft opgemeten, lengte 23,50 meter, breedte voor 4, 70 meter, midden 5 meter, achter 4 meter, hoogte voorsteven 2,18 meter. Nog dit: de Courelis had zeil nummer 3OD. 

Zie zoo beste vrienden, mijn kous is af, die ongemakkelijke houding voor die 81-jarige handen maken van het briefje stilaan een hanen gekribbel. Moest U nog wat meer weten, schrijf mij en zoek het op. – 10 1/2 uur goeden nacht.
C. Offermans'

Wel zo'n brief met zoveel informatie wil ieder onzer die de historie van z'n schip uitzoekt, graag ontvangen. De Courlis moest dus een Vlaamse pleit zijn volgens dit verhaal. Inmiddels kreeg het schip een nieuwe eigenaar, de heer Idema uit Arnemuiden. Geïntrigeerd door de naam pleit ging hij zich verdiepen in de vele soorten schepen, die in het Vlaamse land gebouwd zijn en kwam daarbij uiteraard terecht bij de heer J. van Beylen van het Antwerpse Scheepvaartmuseum. Van Beylen is de man die het meest, misschien wel alles weet van de schepen die op de Ooster- en Westerschelde voeren. En het was dan ook op grond van deze en andere verdiensten, dat de Stichting hem in 1977 de W.H. de Vos prijs toekende. En ziet, de heer Van Beylen was het er helemaal niet mee eens, dat de Courlis een als jacht gebouwde pleit zou zijn. En zijn argumenten gebaseerd op historische publicaties en afbeeldingen waren uiteraard overtuigend. De pleit, zo melden Seghers en De Bock, is een oud tjalkachtig schip, dat reeds in het reglement voor de scheepvaart en de heffing der tollen op het Zwin van 1252 wordt genoemd. Petrejus vertelt dat de pleit tot die binnenschepen behoorde, waarvan de grotere exemplaren voor de kustvaart werden gebruikt. De pleit had een gestrekt profiel, was voor en achter gelijk gebouwd, had weinig zeeg en oplopende stevens. 'Vlaamse pleiten', aldus Nicolaas Witsen, 'zijn schepen lang en plat, met luiken overdekt, daar een voetgang te wederzijden neven staet. Voeren smack-zeils, die de gemeene overtreffen in lengte'. Wanneer voorts wordt bedacht dat de afmetingen van de pleit varieerden van 23 m. lengte bij 4,80 m. breedte tot respectievelijk 35 en 5 m., ligt de conclusie inderdaad voor de hand, dat een jacht van 7,69 x 2,64 m. z'n vorm en type niet aan dit schip kan hebben ontleend.

Maar waaraan dan wel? Hiervoor zeiden we reeds dat de pleit een tjalkachtig schip was. En tot dezelfde familie rekent van Konijnenburg derhalve de otter - een grote zwaargebouwde hektjalk met veel zeeg - ook de Antwerpse knots. Ook dit is een oud scheepstype, maar dan geen binnenvaartuig maar een vissersschip. Een Mechels Reglement van 1711 spreekt van: 'een cleyn mosselschuit oft Cnotsbol'. Hier dus al het woord 'bol' en het is eigenaardig dat de knots 'ontegenzeggelijk' (aldus Petrejus) wonder veel verwantschap vertoont met het vroegere 'bolletje' van Urk en ook enigszins met het 'jacht' van Blokzijl. Een overeenkomst dus met bepaalde ronde schepen van het Friese type. Wellicht is hier enig verband te zoeken met de omstandigheid dat de bevolking langs de Schelde een Friese inslag schijnt te hebben en dat bij sommige oude Antwerpse plaatsnamen een Friese afkomst is te onderkennen. 

De knots had een bun met daarvoor nog een kleine laadruimte. Er werd gewoonlijk met een kop op bot en garnalen gevist. De tuigage bestond uit een gaffeltuig met een lange, zware gaffel. waarboven een gaffeltopzeil, een fok en een kluiver. Groot is het aantal knotsen waarschijnlijk niet geweest. In 1912 werden te Zierikzee 7 visvergunningen verstrekt aan knotsen voor de visserij Benedenschelde. In 1920 worden er nog twee vermeld door Frans Blij in zijn werk 'Onze Zeilvischsloepen'. De lengte van de knots bedroeg 10 meter. 

Het is de overtuiging van Van Beylen, gebaseerd op boven aangehaalde beschrijvingen, tekeningen van Maurice Seghers en een enkele oude foto, dat dit schip ten voorbeeld is genomen toen de Courlis in 1928 als jacht werd gebouwd. Daarmee is de toch al rijk geschakeerde familie van onze ronde en platbodemjachten opnieuw uitgebreid met een waardige representant van een scheepstype dat we als uitgestorven beschouwden.
Mr.dr. T. Huitema