
Een buitenstaander vindt ze allemaal krek eender - maar een kenner weet ze te onderscheiden in vele typen en talloze variëteiten. Daar zijn op de eerste plaats de ronde schepen en de platbodems. Dit onderscheid danken zij aan hun dwarsdoorsnede, de spantvorm. Een platbodem heeft duidelijk een platte bodem - het vlak - waartegen de rechte, gekromde of geknikte huid aansluit met een min of meer scherpe knik - de kim. Bij een rond jacht heeft de doorsnede van berghout tot kiel een soepel, vloeiend verloop met een ronde kim. Dit onderscheid kunnen wij dus alleen zien aan droog liggende jachten of soms aan voor- of achterschip van een te water liggend jacht, als het vlak naar de einden tot boven water opbuigt.
Voorblad
Rond- of Platbodemjacht? Waarom? Daarom!
Geheugensteuntje no 1
Publicatie in de serie Geheugensteuntjes
Over belangrijke onderwerpen, vastgelegd in het Geheugen van de SSRP, waarin het beeld even belangrijk is als het woord
Samensteller Jan Eissens, Stamboekbeheerder
Inhoudsopgave
- Allerlei soorten scheepstypen en welke wil je varen?
- De rol van de Stichting Ronde en Platbodemjachten hierbij
- De belangstelling voor het Traditioneel Nederlandse jacht levend houden (Gerard ten Cate)
- Waarom ik platbodem zeil (Olav Loeber)
- Deel het vaarplezier (Ineke Verkaaik-Hogervorst)
- Meedoen aan een reünie - Ter lering ende vermaeck (Martijn Perdijk)
- Het meest bijzondere evenement dat je kunt meemaken (Maarten Vermeulen)
- Herinnering aan de SSRP Lustrumreünie 1965 (Sikko Steenstra)
- Jubileumverhalen in het kader van 50 jaar SSRP in 2005
Allerlei soorten scheepstypen en welke wil je varen?
Plezierig varen met Ronde en Platbodemjachten

In 1972 publiceerden Jaap A.M. Kramer en Wim de Bruijn het boek "Plezierig Varen". Met de titel van dit boek wilden zij naast de informatie die het geeft, ook iets overdragen van het plezier dat talrijke watersporters elk seizoen beleven aan boord van ronde en platbodemjachten. Want dat is een van de dingen die zij zelf hebben ervaren: hoe je juist op deze jachten kunt genieten van wind en water, van een fijn gezelschap, van de rust van ondiepe of afgelegen vaarwateren, waar vaak alleen deze schepen veilig kunnen varen.
Een buitenstaander vindt ze allemaal krek eender - maar een kenner weet ze te onderscheiden in vele typen en talloze variëteiten. Daar zijn op de eerste plaats de ronde schepen en de platbodems. Dit onderscheid danken zij aan hun dwarsdoorsnede, de spantvorm. Een platbodem heeft duidelijk een platte bodem - het vlak - waartegen de rechte, gekromde of geknikte huid aansluit met een min of meer scherpe knik - de kim. Bij een rond jacht heeft de doorsnede van berghout tot kiel een soepel, vloeiend verloop met een ronde kim. Dit onderscheid kunnen wij dus alleen zien aan droog liggende jachten of soms aan voor- of achterschip van een te water liggend jacht, als het vlak naar de einden tot boven water opbuigt. Bij elk hoofdstuk is aan de dwarsdoorsnede te zien of het behandelde type een rond jacht of een platbodem-jacht is. Aan de verdere typische kenmerken bóven water leren wij ze geleidelijk van elkaar te onderscheiden. Daarom zijn de voornaamste kenmerken kort en bondig bij het begin van elk hoofdstuk gezet, zodat beeld en tekst een duidelijke indruk geven van het betreffende type. Daarbij is uitgegaan van de uiterlijke kenmerken zoals ze nu zijn. Wij zullen het dus niet hebben over de hoogte van de bun of de lengte van het luikhoofd en al die andere, voor de vissers en vrachtvaarders typerende kenmerken.
In de loop der eeuwen ontstaan
Al die verschillen in vormen en afmetingen, die wij nu nog in de jachten terugvinden, zijn in de loop der eeuwen ontstaan als gevolg van allerlei omstandigheden zoals gebruiksdoel, vaarwater, inzichten van de bouwer, beschikbare materialen en - ook toen al - het beschikbare bedrag. De botter kreeg zijn lage achterschip om het volle net gemakkelijker binnen boord te kunnen halen. De tjalk lijkt in verschillende standaardmaten bijna een rechthoekige bak met afgeronde hoeken, om in bepaalde sluizen te passen en toch een groot laadvermogen te hebben. De schepen van de oostwal van het IJsselmeer, die meestal lage wal is, zijn doorgaans beter geschikt om tegen de golven op te boksen dan de schepen van de westwal, die bij westelijke winden in wat rustiger en beschut water varen. De Vollenhovense bol is ontstaan uit het streven een zo klein mogelijke botter te bouwen met een maximum aan zeewaardigheid. En voor de krapste beurzen - want krap waren ze allemaal in die tijd, zowel bij vissers als vrachtschippers - was de eenvoudig te bouwen, hoekige schouw een uitkomst. Zo werden deze schepen zo goed mogelijk aangepast aan de omstandigheden van toen - zó goed, dat zij ook nog geschikt blijken te zijn voor de omstandigheden van vandaag.
Verdwenen scheepstypen
`Waren er vroeger niet meer typen vracht- en vissersschepen?' zal men misschien willen vragen. 0 ja, véél meer zelfs. Maar toen deze zeilschepen door de motor en een ander levenstempo in de verdrukking kwamen, zijn ze in stille hoekjes langzaam tot wrakken vervallen. Vele typen zijn zo tot aan het laatste exemplaar toe uitgestorven. Een betrekkelijk klein aantal bleef dit lot bespaard doordat deze schepen in handen kwamen van eigenaars, die hen ten koste van grote offers restaureerden en in vaarbare staat hielden of terugbrachten. Duur waren die schepen destijds niet. In 1945 kocht je voor f500,- een hele botter, compleet met tuig. Tien jaar later was dat ongeveer het dubbele geworden. Maar aan het merendeel van die schepen was al jarenlang niet meer dan het hoogst noodzakelijke gerepareerd of vernieuwd; vaak niet meer vanaf 1919, toen definitief besloten was de Zuiderzee af te sluiten. Tóen zagen de vissers al aankomen, dat daarmee de visserij in dat gebied te gronde zou gaan. Wij maken daar nu, na de invoering van het kuilverbod in 1971, een van de laatste fasen van mee ...

Maar terug naar de oude schepen, die voor een zacht prijsje werden gekocht en daarmee in elk geval voorlopig van de ondergang waren gered. De nieuwe eigenaars stonden voor een moeilijke keus: Of opvaren tot ze uit elkaar dreigden te vallen - en dat ging hen aan het hart; of restaureren - en dat kostte een kapitaal. Want dat laatste betekende vaak het gang voor gang en spant voor spant vernieuwen van de gehele romp, hetzij ineens, hetzij volgens een over vele jaren uitgestreken vernieuwingsplan. Velen besteedden er zelf een schier eindeloos aantal uren aan. Dank zij al deze enthousiastelingen zijn er nu nog vele authentieke, klassieke schepen als jacht in de vaart, sommige al meer dan honderd jaar oud!
In deze tijd van toenemende waterrecreatie is echter een aantal typen door de watersporters uitverkoren als comfortabel toevluchtsoord op het water; deze typen zijn thans hard op weg naar een nieuwe bloeiperiode, want ronde en platbodemschepen zijn weer 'in'. Van dat kleine aantal typen wordt een betrekkelijk groot aantal gebouwd en zo worden deze klassieke schepen aangepast aan de modernste 'trend' in de jachtbouw: de seriebouw. Welke oude scheepsbouwer zou dáár ooit van hebben gedroomd?!
Waarom zo'n Traditioneel Jacht
Het zeult zo rustig, zo gestadig door het water. Geen zenuwachtig schommelen maar een bedaarde, deinende beweging. De helling onder druk van een voortstuwende wind is veel kleiner dan bij scherpe jachten het geval is. Het leven aan boord kan dan ook rustig doorgaan tijdens de vaart. En er kán geleefd worden, want in verhouding tot hun lengte bieden deze jachten een zee van ruimte. Wie met zo'n jacht zeilt, neemt als het ware een varende bungalow mee op zijn tochten! Ruimte in de kombuis, ruimte om te slapen, ruimte om aan dek van de zon te genieten, ruimte in de kuip om gezellig te zitten en helmstok en schoten te hanteren, ruimte in de kajuit om samen te eten of met anderen na te kaarten over een ruige heerlijke zeildag.
Zo'n schip voelt zich heerlijk op ruim water, maar kan ook overal komen waar het maar een meter diep is. Zet de kop eens zachtjes tegen een wallekant en spring in het frisse gras - schuif met de bolle of platte buik eens op een beschut strandje langs een rivier - of zwalk over getijwater door geultjes, waar geen scherp jacht varen kan. Laat het schip dan droogvallen op een plaat en wees daar koning over vogels en zand en schelpen - tot de volgende vloed ons terugdrijft naar het eigen domein: ons deinende schip. Weet echter wel, dat deze schepen ook hun beperkingen hebben. Ze zijn - behalve sommige grote typen - niet gebouwd voor de open zee.
Bij zwaar weer vragen zij heel wat spierkracht om helmstok en schoten te bedienen - of vaardigheid om het schip handzaam te trimmen. En met dwars inkomende, steile golven kunnen zij onplezierig gaan slingeren. Maar het zijn schepen waarmee je nog 'echt kunt schipperen en zeemannen. Steeds meer kneepjes en handigheidjes lerend raak je steeds dieper onder de indruk van het technisch vernuft dat in deze ogenschijnlijk zo lompe schepen werd verwerkt. Generatie na generatie van hardploeterende vissers, vrachtvaarders en scheepsbouwers brachten steeds verdere verbeteringen aan. Onder hun sterke knuisten, hun zoekende ogen en vele zweetdruppels evolueerden de lompe schepen tot jachten van een onvergelijkbare schoonheid.

Waarom ... ? Dáárom!
De rol van de Stichting Ronde en Platbodemjachten hierbij
Liefhebbers bij elkaar brengen

Wellicht zouden de ronde en platbodemjachten vrijwel geheel van het water zijn verdwenen, als het niet gelukt was vele liefhebbers in een soort vereniging bij elkaar te brengen. Dat wilde eerst helemaal niet vlotten: toen in 1939 in `de Waterkampioen' een oproep verscheen voor het stichten van een 'boeier-club', kwam er amper enige reactie op. En het in 1948 gepubliceerde plan voor het oprichten van een 'platbodemclub' ging in eenzelfde ongeïnteresseerdheid ten onder.
Het tij keerde
Toch kregen steeds meer mensen in de gaten dat er iets moest gebeuren om deze schepen van de ondergang te redden en enige jaren later was het tij duidelijk gekenterd. Toen in 1951 de heer C. J. W. van Waning een serie artikelen publiceerde over de Friese ronde jachten, kreeg hij van vele zijden reacties. Er werd een commissie gevormd, met de opdracht een 'Stamboek van Friese Ronde Jachten' samen te stellen. Als uitvloeisel van deze activiteiten organiseerde in 1953 de Koninklijke Zeilvereniging 'Oostergoo', in samenwerking met de Commissie van het Fries Scheepvaart Museum, een reünie van Friese Ronde Jachten. Duizenden toeschouwers verlustigden zich daar in de prachtige aanblik van, 40 ronde jachten, die onder ideale weersomstandigheden In admiraalschap' zeilden en al hun charmes ten toon spreidden. De geïllustreerde pers en de televisie stimuleerden deze belangstelling en het gevolg was dat op 8 oktober 1955 te Amsterdam de 'Stichting Stamboek Ronde, en Platbodemjachten' werd opgericht.
Deze Stichting heeft tot doel: het bevorderen van de belangstelling voor het Ronde en Platbodemjacht.
Zij doet dit onder meer door het bijhouden van het `Stamboek Ronde en Platbodemjachten' en door het organiseren van reünies. In dat Stamboek zijn nu al zo'n achthonderd jachten ingeschreven en elk jaar komen er weer 50 à 100 bij.
Oorspronkelijk waren het grotendeels oude, meer of minder gerestaureerde schepen, die door hun eigenaars werden ingeschreven. Van de vele duizenden, die er een halve eeuw geleden nog rondvoeren, zijn er gelukkig nog enige honderden geregistreerd - en daarmee is dat gedeelte vrijwel op. De huidige aanwas bestaat dan ook voor het grootste deel uit nieuwe jachten. Natuurlijk vallen er ook wel jachten af, vooral oude schepen die van ouderdom uit elkaar vallen en niet meer gerestaureerd kunnen worden. Maar dat zijn er slechts enkele per jaar; dit wil zeggen dat het afsterven van de nog overgebleven klassieke schepen bijna tot staan is gebracht! Wat dit vele eigenaars kost aan tijd, geld en zorg voor het onderhoud, kan echter alleen een insider bevroeden. Voor de inschrijving van nieuw gebouwde jachten legt het Stamboek strenge normen aan wat betreft de vorm van romp en tuigage. Men gaat er van uit dat men de toestand wil fixeren zoals die was op het eind van de zeiltijd van deze vaderlandse scheepstypen, voor de meeste vallend zo tussen 1920 en 1930. Want toen ging men het zeil door de motor vervangen, en met de motor kwamen geheel andere scheepsvormen. Natuurlijk moet men hierbij concessies doen aan de technische ontwikkelingen.Nu zowel vlasdoek als het zware katoendoek bijna historische artikelen zijn geworden, heeft men - schoorvoetend - voor de zeilen ook dacron toegestaan. Maar intussen wordt er overleg gepleegd om speciaal voor deze schepen weer zwaar katoendoek te laten weven, zij het dan van veel betere kwaliteit en duurzaamheid dan vroeger het geval was. Zo heeft de Stichting open oog voor de moeilijkheden en mogelijkheden waarmee de eigenaars van deze jachten worden geconfronteerd en komt er zo ver aan tegemoet als zij uit hoofde van haar doelstelling verantwoord acht. Maar wie zijzwaarden gemakshalve vervangt door een ophaalbaar midzwaard of het grootzeil met gebogen gaffel en losse broek (loshangend onderlijk) door een modern torengrootzeil met rolrif, vindt het Stamboek onherroepelijk voor zijn schip gesloten. Dit is een punt dat vooral aanstaande eigenaars van zo'n jacht terdege in overweging moeten nemen, en wel om twee redenen. Op de eerste plaats omdat een volgens klassieke normen gebouwd schip doorgaans een hogere verkoopwaarde heeft dan een 'bastaard'. En voorts omdat men met een ingeschreven jacht kan deelnemen aan de ieder jaar door de Stichting georganiseerde reünie.

Onvergetelijk Reünies
Zo'n reünie is een evenement dat verder reikt dan alleen maar het samenkomen van pakweg honderd of zelfs tweehonderd jachten. Want als die hele vloot in eskaders - soort bij soort - gaat admiraalzeilen of in de avonduren een gefingeerde zeeslag levert, ontstaat een levend en levensgroot beeld dat wij alleen uit de geschiedenisboeken kennen. Bij de reünie in 1965 in Medemblik bij voorbeeld voer de hele vloot 's middags bij windkracht 7 uit om te gaan paraderen langs 'De Groene Draeck' van Prinses Beatrix, die als admiraal van de vloot het 'generaal saluut' zou afnemen. U had ze moeten zien weglopen van de haven, met een klein lapje grootzeil en een gereefde fok, hoog in de mast de vleugel - de lange wimpel - stijf klapperend in de harde wind, op één oor als jolige veulens dartelend over de golven. Al hadden wij zelf de handen vol en alle aan boord beschikbare spierkracht nodig voor het hanteren van het eigen schip, al zaten we af en toe van voor tot achter onder het buiswater, dat kon niet verhinderen dat wij intens genoten van het deelnemen aan dit schouwspel, dat de aanblik bood van een middeleeuws schilderij. De Stichting mag dan een 'varend museum' zijn, het is tevens een wonderschoon en een uniek museum!
Zo'n reünie is niet alleen een zeilspel, maar als het even kan wordt daarmee tevens een stuk plaatselijke geschiedenis onder de aandacht gebracht van de honderden deelnemers en de duizenden toeschouwers. Zo was de reünie te Enkhuizen in 1971 gebaseerd op de aanval van troepen van de Hertog van Gelre in 1537, die met 5 smakschepen in het donker voor de stad verschenen. Op de eerste avond van de reünie werden alle vijanden verdreven in een spiegelgevecht, waarbij de kanons lustig daverden en de kruitdamp niet van de lucht was. Daarna liepen vriend en vijand de haven binnen om broederlijk boord-aan-boord af te meren, soms wel 15 schepen tegen elkaar.
De volgende dag worden in een palaver met de kapiteins de uit te voeren manoeuvres besproken. De vaardigheid in het gemeenschappelijk manoeuvreren groeit en de vloot heeft al enige malen moeilijke manoeuvres uitgevoerd zoals het weven. Daarbij zeilen op enige afstand van elkaar twee eskaders - elk in kiellinie - op evenwijdige koersen. Op een vlaggesein van admiraal of eskadercommandant wijken zij allemaal tegelijk 50 à 60° van hun koers af in de richting van het andere eskader. De eskaders varen dan dwars door elkaar heen, tot elk op de oude koerslijn van het andere eskader komt en dan in de oorspronkelijke richting doorvaart. Een knap stuk vaartechniek, van een adembenemende schoonheid voor degenen die er als deelnemer of toeschouwer getuige van mogen zijn.
De zondag, de laatste dag van de reünie, begint met een kerkdienst en daarna wordt er een wedstrijd gezeild. Aanvankelijk werden alle jachten, type bij type, in groepen ingedeeld en er werd per groep gestart. Dit gaf echter onbevredigende resultaten; bovendien bleek het gebrek aan wedstrijdervaring van vele deelnemers grote risico's op te leveren in een vloot van één- à tweehonderd door elkaar varende jachten. Daarom kunnen sinds 1971 alleen door het Verbond gemeten jachten aan de wedstrijd meedoen; de anderen maken intussen een toertocht.
's Winters wordt er een 'droge' reünie gehouden, waar dia's of films van de zomeractiviteiten worden getoond of een lezing wordt gehouden over zeilschepen of de zeilvaart.
Al zijn die reünies het meest spectaculaire deel van de activiteiten van de Stichting, achter de schermen doet zij veel meer. Aan iedere belangstellende worden informaties verstrekt, adressen gegeven en medewerking verleend bij de aanschaffing, de restauratie, het tuigen of inrichten van ronde en platbodemjachten. Daarbij wordt er steeds op gehamerd, toch vooral' de 'traditionele vormgeving in ere te houden.
Een goed gerestaureerd oud jacht kan gerust een varend monument worden genoemd. Om de instandhouding van deze waardevolle schepen krachtdadig te steunen, heeft de Stichting een Restauratiefonds in het leven geroepen. De overheid erkende dit fonds in zoverre, dat bijdragen eraan aftrekbaar zijn voor de inkomstenbelasting. Een speciale commissie zal beoordelen of de restauratie van een bepaald jacht voor een bijdrage uit het fonds in aanmerking komt. Zo beijvert de Stichting zich met steeds nieuwe activiteiten voor de instandhouding van onze klassieke jachten. En de resultaten van haar werk blijken niet alleen uit haar prachtig geïllustreerde jaarverslagen maar wij kunnen ze bovendien 's zomers zien varen op alle Nederlandse wateren - en ver daarbuiten!
De Stichting is mede bekend geworden doordat onder leiding van haar secretaris, mr. dr. T. Huitema, een prachtig boek tot stand kwam over de historie van de oud-Hollandse scheepstypen: 'Ronde en platbodemjachten' beleefde inmiddels een derde druk en voor ieder die meer van deze scheepstypen wil weten, is dit hèt boek.
De SSRP heeft tot doel: het bevorderen van de belangstelling voor het Ronde en Platbodemjacht
De belangstelling voor het Traditioneel Nederlandse jacht levend houden (Gerard ten Cate)
Ik kan slechts mijn verhaal beschrijven

In 2011 ben ik na een verzoek van de toenmalige penningmeester Olaf Loeber begonnen met het samenstellen van het maandelijkse vlugschrift "Uit het Stamboek". Meestal is er wel een onderwerp of een foto die aanleiding is voor een verhaaltje. Soms is het oppervlakkig, soms is het uitgebreider. Soms is het een complete weergave van een onderwerp dat ik dieper uitgespit heb. Weet u nog wanneer u zich voor het eerst bewust werd van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten? Wat was voor u de reden om met een Rond- of Platbodem te gaan varen?
Voor mij begint dat ongeveer in 1970. Met mijn ouders en broer groeide ik op in een gezin waar altijd een zeilboot als een soort toegevoegde waarde was. Toen mijn broer en ik opgroeiden voer mijn vader eerst met een kleine Regina, later een Regina II. Schepen gebouwd door jachtwerf Valk in Franeker. Scherpe zeilscheepjes dus. De eerste was zeven meter lang. De andere 9 meter.
Waarom weet ik niet, maar ik vond toen met name kleine schouwtjes leuk. Die van Brandsma vond ik het mooist. Het heeft niet eens heel lang geduurd dat ik er een kreeg. Daarmee was ik in de familie een beetje een afvallige. Immers een schouwtje was geen scherpe zeilboot en wedstrijden werden er bij ons op het meer niet voor georganiseerd. Neemt niet weg dat ik er wel altijd mee op het water te vinden was.

Echter, er ging nog iets aan vooraf
Bij de jachthaven waar wij met de boten lagen waren veel leeftijdgenoten en een ervan mocht met de punter van zijn ouders varen. Het werd door de jonge schipper altijd alleen met een buitenboordmotor gevaren en de voltallige jeugd uit de jachthaven voer dan mee. Je zou het het toenmalige equivalent van de tegenwoordige rubberboten met buitenboordmotor kunnen noemen. Ergens in mijn herinnering is nog opgeslagen dat we er zelfs eens een ree uit het meer gehaald hebben. Het dier was totaal uitgeput en we konden het zo aan boord tillen. Dat we het beest aan wal gebracht hebben zal duidelijk zijn.
De ouders van de jeugdige punterschipper hadden een omgebouwde visaak en aan boord hadden zij een kleine bibliotheek. Een van de boeken die daar in stond was het boek Ronde en Platbodemjachten geschreven door de heer Huitema. Ik zal toen ongeveer tien jaar geweest zijn. Maar juist dat boek heb ik daar heel vaak aan boord bekeken. Later, rond een jaar of veertien, heb ik dat boek tijdens een vakantie in Heeg gekocht van mijn verzamelde zakgeld. Dat is volgens mij het moment dat ik me voor het eerst bewust werd van het bestaan van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten.
Dat we een jaar later louter toevallig in Heeg bij de Regionale Friese Regionale Reünie verzeild raakten, bevestigde slechts mijn interesse voor het Ronde en Platbodemjacht. Mijn belangstelling is nooit verdwenen. Waarom, ik weet het niet. Wel weet ik dat ik het nog altijd een uitdaging vind om een platboden te laten zeilen. Daar waar een scherpe zeilboot uit zichzelf zeilt, daar moet een platbodem gezeild worden. Misschien vind ik dat tegendraadse juist aantrekkelijk.

Wat heeft het hebben van een platbodem mij niet allemaal gebracht
Ik heb leren vergulden, gewoon omdat ik ook een vergulde vlaggenstokknop wilde. Ik heb hout leren branden omdat ik zelf een gang in mijn boot wilde vervangen. Ik heb passend bij mijn technische opleiding schepen opgemeten en getekend. Omdat ik informatie over schepen wilde vastleggen ben ik gaan fotograferen en nog weer later ben ik mijn kennis op gaan schrijven. Ik heb mensen ontmoet waar ik inmiddels al vijftig jaar mee bevriend ben.
Op dit punt kom ik weer terug bij de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten. Ik heb me vooral in één doelstelling van de SSRP kunnen vinden: De belangstelling voor het traditioneel Nederlandse jacht levend houden. De website van de SSRP is hier in 2025 het platform voor. Ook uw verhaal uw foto’s en uw kennis over platbodemschepen kunt u er op kwijt.
Dat er om de vijf jaar een SSRP-jubileum gevierd gaat worden lijkt me duidelijk. Zonder iets te weten over dat aanstaande lustrum, (ik kan wel in de bekende glazen bol kijken maar zie dan niets), is het misschien een leuke gedachte om daarop vooruitlopend uw herinneringen over de eerste kennismaking met de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten toe te vertrouwen aan het papier. De SSRP doet daar natuurlijk iets mee!
Wat is uw herinnering aan de eerste kennismaking met de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten?
Waarom ik platbodem zeil (Olav Loeber)
Met twaalf jaar mocht ik naar de Jantjes van de KWVL

Ik was een jaar of vijf toen ik in het jolletje van neef Carel eerst aangelijnd aan de steiger aan het roer zat te spelen dat ik de wilde baren trotseerde. Tot de landvast losschoot en ik alleen de Loosdrechtse Derde Plas op zeilde. Niet dat er veel wind was, want neef Carel haalde me zwemmend in en bracht me veilig terug.
Maar het zeilen zat er toch in. Eerst de kano met een lange stok als mast en laken erop. Sturen met een peddel. Niet erg professioneel, maar ik bereikte toch met ruime wind een aanzienlijke afstand. Terug was lastiger. Met behulp van de peddel kwam ik uiteindelijk toch terug.
Koninklijke Watersport-Vereeniging Loosdrecht
Met twaalf jaar mocht ik naar de Jantjes van de KWVL. In die tijd (1957) begon je, onder deskundige leiding van seniorleden, met het oefenen van de steken. Zeilen ging in de houten schouwen, waarvan de Vereeniging er drie grote en twee kleinere bezat. Later uitgebreid met drie kleinere. In die schouwen leerde ik de eerste beginselen van platbodemzeilen. Samen met andere leeftijdsgenoten, waarvan ik nu nog, na 68 jaar lidmaatschap van de KWVL, een aantal tot mijn goede vrienden kan rekenen. Rond vijftien-zestien jaar mochten we een schouw een dag afschrijven voor 7,50 gulden. Daar maakten we in de zomervakanties, tussen mijn wedstrijden met een stern, ruim gebruik van met vijf tot twaalf belhamels tegelijk. Menig keer schudde havenmeester Hoekzema zijn hoofd als wij met veel rumoer de haven uit- en inzeilden.

Toch trokken de grotere boten
Toch trokken de grotere boten. Met een aantal leeftijdsgenoten scheepten we in bij de grote jachten in Muiden om daar wedstrijd te zeilen. Daar waren we te gast bij nationaal en internationale zeilers, een gedegen leerschool.
Op een gegeven moment trok het gezinsleven, bovendien woonde Liesbeth en ik met de kinderen in Drenthe. Ver van het grotere water. Veel wandelen en fietsen.Pas toen we uit het Noorden en Oosten naar het westen terugverhuisden begon het water weer te trekken. Op Loosdrecht had ik Star gezeild in de oude boot van Olympisch zeiler Bob Maas. Ik kon een oude Star op de kop tikken, waarmee ik in Muiden en Friesland zeilde. Wie mij kent, weet dat ik eigenlijk te licht gebouwd ben voor zo’n racemachine. Ik kon, mede daardoor, niet een andere Star bijhouden. Wel genoten, maar niets voor een echtgenote van 1.67 m en 50 kilo’s.Dus een wedstrijdvalk, ook geschikt om te toeren in Friesland. Inmiddels gingen de kinderen naar de tjottervloot in Heeg, eerst als leerlingen, later als instructeurs. Wij als ouders keken met bewondering naar de platbodemvloot. Friese jachten en zelfs tjotters waren toen al kostbaar.
Visaak
Maar toen Liesbeth en ik langs de kade in Sneek liepen, lag er aan de overkant een 6.50 ijzeren platbodempje te koop. Het gesprek met de eigenaar leverde de gegevens op. Een visaakje van oorsprong, waarschijnlijk rond 1910 gebouwd door Van der Werff in Buitenste Verlaat. Wij waren verkocht. Wat een mooi rompje, wel wat aan te doen. De vorige eigenaar, werkend op een werf, had veel onderdelen van diverse schepen verzameld. Zoals de blokken van een skûtsje, de kajuit van een Fries Jacht. Kortom de koop werd gesloten.
Varend van Sneek naar Sanfurd (aan de Vlakke Brekken) lagen we even gemeerd aan een skûtsje en zagen de overeenkomsten, alleen onze 'Herstelling' was natuurlijk kleiner. Zo kreeg ze de naam 'Dreumes'.


Regionale Friese Reünie
Wie schetst onze verbazing toen we aan de mast een briefje vinden met de invitatie om lid te worden van de Friese Reünie. We hadden daar wel van gehoord, maar dachten dat daar alleen prachtig gelakte houten platbodems lid van mochten worden. Wij worden heel vriendelijk ontvangen, alhoewel de meeste schepen in het begin niet bij ons langszij leken te willen liggen, vanwege het enige ijzeren scheepje van de vloot. Omdat we volhielden met deelnemen aan de evenementen, kwam de acceptatie langzamerhand.
We kwamen ook tot de ontdekking dat de historie van ons scheepje in het Stamboek Ronde en Platbodemjachten stond vermeld. In het Scheepvaartmuseum Sneek hingen afbeeldingen van andere visaken. Dat bracht ons op het idee de kajuit te verwijderen en haar terug te brengen tot vissermanuitvoering, weliswaar zonder het oorspronkelijke klapdak voor de mast.
In plaats van ingedeeld te worden bij de Boeiers tijdens de wedstrijden, mochten we meedoen met de Fries Jachten, iets meer onze maat. Niet dat we zo snel konden, maar het bracht ons meer spannende momenten. Ook als omdat we ondertussen het katoenen tuig vervangen hadden door moderner materiaal en vorm.
In de loop van de jaren hebben we veel aandacht besteed aan de conditie en uitvoering van ons aakje. Dat gaf ons veel plezier, samen met de kinderen, later ook met de kleinkinderen. Toch troffen we geen opvolgers in ons gezin en verkochten haar voordat ze in onderhoud achteruit zou gaan. Jammer genoeg naar Harderwijk en ver van de Friese wateren waar ze eigenlijk thuishoort.
In schouwen leerde ik de eerste beginselen van platbodemzeilen
Deel het vaarplezier (Ineke Verkaaik-Hogervorst)
Hijs de zeilen!

Ineke Verkaaik-Hogervorst, voorzitter van de behoudsorganisatie Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten (SSRP), zegt altijd: ‘Alles begint met aandacht’. In 1953 vond de eerste reünie van Ronde en Platbodemjachten plaats in Grou. Een reden was dat de belangstelling voor deze schepen afnam en het ene na het andere schip bij verkoop naar het buitenland verdween. De oprichting van de SSRP vond twee jaar later plaats, in 1955. Een doelstelling van een aantal liefhebbers was de belangstelling voor rond en plat weer terug te laten keren.
Het silhouet van rond- en platbodems is onderdeel van het Friese landschap
Daarin is de SSRP vanaf 1955 goed geslaagd, maar nu is het wederom tijd voor actie, tijd om aandacht te vragen en te krijgen voor dit varend erfgoed en deze varende monumenten.
“Deze schepen behoren ook tot de identiteit van Friesland,” zegt Ineke. “Het silhouet van rond- en platbodems is onderdeel van het Friese landschap. Ik kom veel in Friesland, maar woon in Zuid-Holland en wanneer ik daar langs de Gouwe fiets en ik zo’n mooi Fries tuigje zie opdoemen aan de horizon, dan ga ik sneller fietsen. Als ik er zeker van ben dat er een houten romp onder zit, trap ik door naar Alphen aan den Rijn, omdat ik weet dat ze daar moeten stoppen voor de brug. Ik maak dan een kort praatje en vertel bijna ongemerkt dat ik actief ben in de SSRP. Jaren later kan het dan gebeuren dat ik word aangesproken door mensen die zeggen dat ze een gesprekje met me hebben gevoerd bij die brug. Rond- en platbodems brengen Friesland en de rest van Nederland dichterbij elkaar, zelfs als de één vaart en de ander fietst.

Er samen mee varen, is nog mooier
Rond en platbodemjachten moeten bewegen van A naar B en weer terug, dat is hun functie en blijven varen is noodzakelijk voor het behoud van een schip. Laat ze niet aan de kade liggen, het zijn geen museumstukken. Vaar met deze schepen, laat ze keer op keer overal zien en geef ze aandacht.
Voor rond en plat geldt dat ieder schip gestolde historie is. We kunnen nu nog steeds genieten van de tijd waarin ze ontworpen en gebouwd zijn. Het belang daarvan werd maar weer eens duidelijk toen in maart 2025 de laatste historische panden in het centrum van Arnhem in brand stonden.
Het besef dat deze eeuwenoude panden voorgoed verloren zijn gegaan, drong landelijk en politiek goed door. Het historische hart is uit de stad gerukt, Arnhem wordt nooit meer hetzelfde. Zo (hopelijk niet door brand) kan het onze schepen ook vergaan, als we in de huidige tijd even niet opletten. We moeten ons varend erfgoed heel goed verzorgen, bewaren en koesteren, want als het weg is, krijgen we het nooit meer terug.
Er samen mee varen, is nog mooier. Deze schepen brengen al eeuwen mensen van allerlei rangen en standen samen. Iedereen is dan opvarende en een gelijkgestemde. Tijdens reünies ervaar je dat overduidelijk. Je bent als bootjesmensen bijna familie van elkaar, in zo’n reünieweekend praat je elkaar weer bij en verstevig je de onderlinge band. De ontmoetingen, de contacten, de gezelligheid maken een belangrijk onderdeel uit van varen met onze rond- en platbodemjachten.

Hijs de zeilen!
Hoe mooi is het alleen al voor ons als eigenaren en bemanningsleden om al dat varend cultureel erfgoed bij elkaar te zien. Je geeft elkaar aandacht, maar ook de schepen krijgen zeilend en vanaf de wal aandacht. Ik geniet daar altijd met volle teugen van en ook het grote publiek kan het waarderen. In 2025 tijdens de viering van 70 jaar SSRP in Heeg zetten we zelfs een speciale -authentieke- rondvaartboot in voor belangstellenden die op het Heegermeer onze verrichtingen van dichtbij willen meemaken.

Met aandacht geven en aandacht vragen overtuig je mensen van het belang van deze schoonheden, die zo goed passen bij het landschap waarin ze varen. Ze zijn ons maritiem erfgoed en vertellen ons verhaal. Houd elkaar enthousiast en laat toeschouwers zien hoe schitterend onze schepen zijn. Misschien springt de vonk over en wil één van hen ook eigenaar worden van zo’n prachtig schip. Hijs de zeilen, ga het water op en deel het vaarplezier!”
Een reünie is een prachtige gelegenheid de schepen te laten zien
Meedoen aan een reünie - Ter lering ende vermaeck (Martijn Perdijk)
Je bent onder gelijkgestemden, die allemaal liefde hebben voor bootjes

Meedoen aan een reünie voor Ronde en Platbodemjachten doe je vooral voor de gezelligheid, vindt Martijn Perdijk, de werfbaas van 'Wind en Water' in Heeg. 'Je bent onder gelijkgestemden, die allemaal liefde hebben voor bootjes,' zegt hij, 'en je mag een heel weekend lang eindeloos praten over bootjes, al dan niet onder het genot van eten en een drankje. Dat is een heerlijke bubbel, want het is een echte reünie: velen kennen elkaar al langere tijd. Het gesprek gaat weer verder waar je gebleven was, ook al heb je elkaar een jaar niet gezien. Naast bootjes, komen ook het wel en wee aan de orde, want je bent allemaal goede kennissen van elkaar.'
Martijn Perdijk begon in 2000 met het bezoeken van de reünies. 'Er was toen nog sprake van allemaal groepjes waar je moeilijk tussen kon komen als 'buitenstaander'. Nu is de wereld van rond en plat veel meer een geheel en open naar de buitenwereld. Je wordt makkelijk opgenomen, wanneer je er zelf voor openstaat.'
Waar sta je?
Vermaak en gezelligheid zijn het belangrijkste, maar toch is het zeilen net zo'n leuk onderdeel van het weekend. Perdijk: 'Ik vind wedstrijdzeilen prachtig om te doen. Je kunt je dan meten met je concurrenten, je weet dan weer waar je staat in het veld. Nu vaar ik veel wedstrijden en ben ik altijd bezig geweest mijn tjotter Hilda te optimaliseren. Ik kan niet veel meer verbeteren aan de boot, maar probeer nu elke keer de beste wedstrijd te zeilen.

Ik spreek natuurlijk veel eigenaren en ook afgelopen winter heb ik bij verschillende boten zaken verbeterd, omdat de eigenaar afgelopen jaar niet meedeed in de top van zijn klasse. Denk aan nieuwe zwaarden, strijkklampen aanpassen voor een beter toespoor, het ophogen van zetboorden of het verjongen van de achtersteven onderwater. Allemaal aanpassingen waar je boot sneller door kan zeilen.
Natuurlijk bepalen de weersomstandigheden en de vaardigheden van de bemanning ook heel veel, maar als je materiaal goed is, dan sluit je die factor uit. Verbeteringen aanbrengen aan je boot heeft zeker zin. Zo was het Fries jacht 'Wytske' vroeger één van de snelsten, maar dat is niet meer het geval. Ze wordt nu voorbij gezeild door Friese jachten die geoptimaliseerd zijn, zoals de 'Dageraad'. De eerlijkheid gebied te zeggen dat dat niet altijd opgaat. Vorig jaar deed het Friese jacht 'Mercurius' na jaren weer eens mee. Daar is de afgelopen tijd niets aan verbeterd, maar ze kwam ruimschoots als eerste over de finish. De zeer ervaren wedstrijdbemanning had daarmee te maken, maar ook het schip zelf. De 'Mercurius' is gewoon een heel snel schip.'
Je hoort nog eens wat
Meedoen is belangrijker dan winnen en door mee te doen, hoor je nog wel eens wat. 'Al is je schip niet de snelste van de vloot is, dan krijg je je boot in ieder geval beter in de vingers wanneer je meedoet aan een reünie,' meent Martijn. Je krijgt tips van anderen en je ziet hoe ze met hun schip bezig zijn, waardoor je zelf op ideeën komt. Regelmatig word ik op de vingers gekeken, bijvoorbeeld als ik een rif steek. Dan willen andere zeilers weten hoe ik de schoothoek borg. Er zijn deelnemers die ervoor terugschrikken om met harde wind het water op te gaan. Maar op een reünie hoor je hoe je je daarop kunt voorbereiden en omdat iedereen uitvaart met een windje vier of vijf, dan ga je zelf ook makkelijker mee het meer op.
Het mooie van wedstrijdzeilen is dat je op het water fanatiek kunt zijn, maar ik vind wel dat iedereen zich aan de regels moet houden, zodat het de strijd fair blijft. Fanatiek én fatsoenlijk dus, want dan kun je er na de wedstrijd nog urenlang met je concurrenten over doorpraten onder het genot van een drankje. Voor mij is meedoen aan een reünie een feest. Dus schrijf je in en doe mee, dan weet je na de reünie uit eigen ervaring hoe het is geweest.'
Voor mij is meedoen aan een reünie een feest
Het meest bijzondere evenement dat je kunt meemaken (Maarten Vermeulen)
Het zijn schepen die onder je huid gaan zitten, die je niet meer loslaten

Maarten Vermeulen is al jaren voorzitter van de Regionale Friese Reünie. Sinds 1968 organiseert het comité jaarlijks de reünie voor Friese houten rond- en platbodems. Elke vijf jaar, wanneer de SSRP haar jubileum viert, schuiven ze aan bij de jubileumreünie van het Stamboek. “Wanneer je zoveel jaar op een rond- of platbodem zeilt, dan vind je dat gewoon, maar dat is het niet. Al die schepen bij elkaar vormen een bijzondere vloot, die je nergens ter wereld tegenkomt. Tijdens de grote reünies heb je de kans al die schepen samen te zien en er onderdeel van uit te maken.
Een jubileumreünie van het Stamboek is het meest bijzondere evenement dat je kunt meemaken. Mensen van over de hele wereld komen ernaartoe om met hun eigen schip deel te nemen. Eigenaren uit Monaco, Hong Kong, Dubai willen erbij zijn om mee te varen en het mee te maken. Op deze reünie komt de kernploeg van traditionele schepen samen voor het WK zeilen in rond en plat.
Als je ergens binnenkomt met je rond- of platbodem, dan staat iedereen te kijken en wil iedereen een praatje met je maken. Deze schepen ontdooien mensen, leggen contact, ze vallen op en mensen onthouden je. Heb je een houten rond- of platbodem dan willen mensen je schip ook altijd even aanraken.

Het zijn unieke schepen
Het zijn unieke schepen die allemaal anders zijn, maar die als vloot een eenheid vormen. Die eenheid is gegroeid in de loop der tijd. Heel vroeger hadden eigenaren schippers in dienst en behoorde je tot de gegoeden met een boeier of Fries jacht.
Rangen en standen zijn in de loop der tijd weggevallen en rond- en platbodems vormen nu één grote familie. Ik weet nog wel dat wij in het begin weinig contacten hadden met andere boeiereigenaren. Wij hadden onze boeier 'Mientje' nog maar net en bij vele anderen was de boot al generaties in de familie. Die eigenaren kenden elkaar allemaal al en vrij snel zijn ook wij opgenomen in die ‘familie’.
Zo’n 20 jaar geleden lagen we met de boeier in Muiden en een vrouw op leeftijd bleef bij het schip stil staan. We nodigden haar uit aan boord te stappen en toen ze zat haalde ze een kleine foto uit haar portemonnee. Daar stond zij op als klein meisje aan boord van 'Mientje', het schip was altijd van haar vader geweest. Ze was tot tranen toe geroerd dat ze weer aan boord was. Dit zijn schepen die onder je huid gaan zitten, die je niet meer loslaten.”
Rijk bezit
“Tijdens een reünie mogen we ons laten zien aan het grote publiek en mogen we genieten van elkaar. Vooral het admiraalzeilen is prachtig om mee te maken en evenzo mooi om te aanschouwen. Admiraalzeilen is niet moeilijk, het is spelevaren en ontzettend leuk. Wel blijkt dan goed dat sommige schepen met hun bemanning varen, in plaats van dat de bemanning met het schip vaart. Oefening baart kust en dat is met zeilen letterlijk zo. Gelukkig is het tijdens het admiraalzeilen juist niet de bedoeling elkaar in te halen, maar wel dicht bij elkaar te blijven. De dag na het admiraalzeilen gaat het er wel om de snelste te zijn. Wanneer je flink veel vaaruren maakt op de admiraal zeildag, nemen je kansen op het winnen van de wedstrijd de dag erna alleen maar toe.
Kom naar de jubileumreünie van het Stamboek in Heeg. Het ademt de sfeer van de Olympische Spelen en hier is meedoen echt belangrijker dan winnen. Na de reünie vertrekt een deel van de vloot gezamenlijk naar Amsterdam om deel te nemen aan Sail Amsterdam 2025.
Een klassiek schip is niet alleen een rijk bezit, maar ook een feest om mee te varen
Herinnering aan de SSRP Lustrumreünie 1965 (Sikko Steenstra)
Een buitengewone diversiteit aan schepen

De aankondiging van onze voorzitter, mevrouw Ineke Verkaaik-Hogervorst, van de Lustrumreünie in 2025 deed mij terugdenken aan mijn eerste reünie in 1965, 11 jaar oud, aan boord van de tjalk “De Maze” van mijn ouders. Niet alleen was het woord reünie een nieuw woord voor mij, de verhalen die de ronde deden waren inspirerend en gaven aan dat dit wel een uitzonderlijke belevenis moest worden.
De reünie zou starten in Sloten, het was volop zomerweer. Op het Slotermeer lag de jachtklipper 'Leonora II' van de familie Van Hasselt voor anker. De familie was bezig het fraaie zwart op te halen met doeken met petroleum. Nog dichter bij Sloten komende zagen we een woud van masten. Meer dan 100 schepen hadden zich reeds verzameld en de gracht door Sloten lag vol met ronde jachten. Overal werd nijver koper gepoetst, de geur van Brasso was overheersend en er was grote bedrijvigheid om het schip zo gunstig mogelijk te tonen. Niet alleen waren er veel tjalken, maar ook botters uit de visserij en met een kajuit er op, blazers, een bolpraam met een eettafel en een kleedje, een punter met één zwaard, een houten hoogaars geheel in het blik, een buitengewone diversiteit.
Op weg naar Sneek
De volgende ochtend was er een palaver voor de schippers in het stadhuis. Na geruime tijd kwamen de schippers weer naar buiten, allemaal gekleed in blauwe jasjes en grijze broeken, sommige met een witte schipperspet, anderen met een blauwe. De schippers keken ernstig, doordrongen van de opgave die zij hadden gekregen, naar Heeg varen en de dag daarna naar Sneek.

Aldaar op het meer admiraalzeilen, een waterspel, een diner, op zondag een kerkdienst, hardzeilen en zo meer. Wij kwamen in contact met de tweemasttjalk de 'Abrahams Schoot' van de familie Dammers. De motor deed het niet en of wij hen wilden slepen. Natuurlijk deden we dat. De familie bleek in Londen in het voorstadje Purley te wonen, en hoe bijzonder: mijn ouders woonden daar in 62/63 ook, slechts een paar straten verder.
Met een vloot van ruim meer dan 100, misschien wel 150 schepen door IJlst en later Sneek varen gaf weldra een gevoel van samenhorigheid. Alle schepen werden bevolkt door gezinnen, soms grote gezinnen. Er was veel publiek op de wal, circus Van Waning kwam voorbij. De bruggen stonden eindeloos open en als zij dicht waren moest het schip gaande blijven, niet eenvoudig natuurlijk. In Sneek was door de warrelende wind de sierwimpel om de mast gedraaid. Mijn vader vroeg mijn zuster Maaike de wimpel te klaren en zij schoot rap omhoog de mast in. Een toeschouwer op de kant nam deze handeling waar en riep mijn vader grappende het woord “kinderbeul” toe. Jarenlang hebben wij onze vader hiermee geconfronteerd.
Admiraalzeilen
Tijdens het admiraalzeilen op het Sneekermeer was er nauwelijks wind en het was warm, zeker voor de admiraal en zijn secondanten, allen gekleed in historische kostuums. Onze tjalk had nog het oorspronkelijke (uit de vrachtvaart) zware katoenen zeil. De fok had een enkele val en was na het groeten van de admiraal voor een iel mannetje van 11, maar nauwelijks omhoog te krijgen.
De beelden van deze reünie zijn te zien in de fantastisch film “Van Klik tot Kluiver” die in 1967 uit kwam. De schepen, maar de opvarenden zagen er ook anders uit. Het is voor eeuwig op het celluloid vastgelegd.
N.B.: Bij onze Evenementenverslagen in de Rubriek Er*Varen staat een uitgebreid verslag van deze reünie in 1965 en de andere in dat decennium.
De verhalen die de ronde deden waren inspirerend
Jubileumverhalen in het kader van 50 jaar SSRP in 2005
Bijlage bij Spiegel der Zeilvaart, 29ste jaargang nr. 6 juli/augustus 2005 ter ere van 50 jaar SSRP

In dit deel van Waarom? Daarom! vindt u een aantal "Jubileumverhalen" geschreven in de bijlage van de Spiegel der Zeilvaart juli/augustus 2005, handelend over een aantal in het Stamboek geregistreerde schepen en hun eigenaren. Om u enig inzicht te geven in de veelheid en diversiteit van scheepstypen die we kennen in deze behoudsorganisatie, hebben we een aantal veel op de Nederlandse wateren rondvarende voorbeelden daaruit gedestilleerd.
Het leek ons leuk om niet louter de schepen en hun eigenaren te beschrijven, maar om van deze gelegenheid gebruik te maken om ook de verschillende aspecten zoals die spelen binnen een dergelijke actieve club, aan bod te laten komen. Zodoende hadden we bij het schrijven verschillende uitgangspunten die we graag hebben benut.
Het heeft geresulteerd in een verhaal waarin óf de historie van het schip leidraad was, óf waarbij juist het wedstrijdzeilen aan bod is gekomen, de archiefstudie naar de oorsprong van het schip mee heeft geteld, de restauratie van een wrak bepalend was, de scheepssier opviel etc.
Voor de inhoud van de artikelen waren we aangewezen op de informatie zoals we die hebben gekregen van de enthousiast meewerkende eigenaren en op de standaardwerken die er op dit gebied zijn. Naast het werk "Ronde en Platbodemjachten" van Ir. Th. Huitema en de "Spiegel der Zeilvaart", zijn dat onder andere de fantastische trilogie over de Friesche kromstevens ( "Het Friese Jacht", "Tjotters en Boatsjes" en "De Boeier") van Dr. Ir. J. Vermeer, de boeken over de Zeeuws schepen van J. van Beylen ("De Hoogaars") en P Sopers ("Schepen die verdwijnen"), de boeken van J. Kooijman (o.a. "Varen en Beter varen met Ronde en Platbodemjachten") en vele andere bekende werken.

In de artikelen worden de bronnen die zijn gebruikt niet steeds genoemd om de leesbaarheid zo groot mogelijk te houden. Het mag duidelijk zijn dat zonder de enthousiaste medewerking van de diverse eigenaren en de eerder genoemde literatuur het niet mogelijk was geweest deze artikelen te schrijven. Uiteindelijk zijn we, als redactie, blij dat we u dit geheel, in deze vorm, kunnen aanbieden. We hopen dat we daarmee dan ook recht doen aan de inspanning die de verschillende auteurs van deze artikelen zich hebben getroost en willen hen bij deze voor hun bijdrage bedanken.
Inhoud van de Bijlage bij Spiegel der Zeilvaart
- 50 Jaar SSRP; Welkom in Grou
- Grouw, 50 jaar later
- De geschiedenis herhaalt zich 1955-2005
- Inleiding bij de scheepsverhalen
- Met een tjotter in 368 slagen door de Jeltesloot
- Het bouwen van een Fries jacht is emotie
- De boeier 'Sylnocht'
- Een honderdjarige Staverse jol
- De Hoogaars 'Banjaard'
- De Lemsteraak 'Schollevaer'
- De Vollenhovense bol
- Van schip tot wrak tot schip
- Veel vaarplezier met de Vreedenburgh Schokker
- Driewerf: Nieuw eikenhout in aantocht
Met een tjotter in 368 slagen door de Jeltesloot
De tjotter was in vroeger tijden een gebruiksartikel in het Friese land

Pier Piersma, scheepsbouwer uit Heeg en eigenaar/bouwer van tjotter met nummer 1, 'Froask', glundert nog als hij vertelt over de belevenissen in zijn jeugd met tjotters. Die herinneringen gaan ver terug omdat hij als zoon van Heit en Mem Piersma van de jeugdherberg op het Eiland in Heeg al vroeg kennis maakte met deze wonderschone scheepjes.
De tjotter was in vroeger tijden een gebruiksartikel in het Friese land. De kruidenier, de bakker, de veekoekenhandelaar brachten hun producten er mee naar hun klanten omdat dit over de weg nagenoeg onmogelijk was. Later nam het vervoer over betere en nieuwe wegen de taak van de fraaie schepen over. Ze kregen een andere functie en in Heeg werden en werden er zelfs zeilcursussen in gegeven. Op een gegeven moment beschikte de jeugdherberg zelfs over tien tjotters en een Fries jacht.
Het verhaal gaat dat Pier op vierjarige leeftijd de tjotters al herkende aan de vorm van de zwaarden. Als 7-jarige kreeg Pier van Heit een houten bak met een mastje erop als oefenvaartuigje in het haventje van de jeugdherberg. Hij zag de instructeurs met de tjotters komen en gaan.
Toen hij tien jaar werd mocht hij zo nu en dan een overgebleven tjotter meenemen om een eindje te gaan zeilen.
Vaak ging de club met instructeurs overdag halve wind weg uit Heeg naar Langweer, om 's avonds tegen de wind terug te komen. De sport, eigenlijk een wedstrijd, was het dan wie als eerste bij de Jeugdherberg arriveerde. Toen Pier een keer als tweede in 368 slagen (serieus geteld!) arriveerde, was het duidelijk dat men rekening met hem moest gaan houden.
Pier ging wedstrijdzeilen in tjotters. Eerst was het zaak om de grootste fok voor het wedstrijdschip te versieren, daarnaast werd het onderwaterschip nog gladder als glad gemaakt met grafiet.
Na de technische school en MTS kwam Pier in Heeg bij Berend de Jong in de leer. Berend bouwde tjotters, Friese jachten en ook boeiers op zijn werf. Als klein jongetje was Pier er al vaak tussen de krullen te vinden, maar nu mocht hij het vak echt leren. Als loon mocht hij er zijn eigen boot bouwen. Bij het zeilen met de jeugdherberg tjotters had hij geleerd wat een tjotter snel kon maken.
De eerste boot werd de 'Froask', een slanke, niet te brede tjotter. Dat de 'Froask' met haar schipper Pier een geduchte tegenstander is op de wedstrijdbaan mag duidelijk zijn als je uitslagenlijsten van de wedstrijden doorloopt. Dat het er wel eens fel aan toe gaat, mag blijken uit de opmerking van een tegenstander, dat als zijn vader in de buurt was geweest met een jachtgeweer, er zeker geschoten zou zijn .....

Zeer regelmatig is Pier op de eerste plaats te vinden. Dat doet recht aan zijn zeilnummer 1. Toen een oude tjotter met dit nummer werd gesloopt wist Heit Piersma van de Noord Nederlandse Watersport Bond gedaan te krijgen dat de 'Froask' met dit unieke nummer mocht gaan zeilen. Overigens is het balkje onder het cijfer kenmerkend voor de tjotters die maximaal 16 m2 zeil voerden vanwege een historische belastingmaatregel.

De 'Froask' is Pier's eerste tjotter van de lange lijst nieuwbouwtjotters uit latere jaren en de vele geslaagde restauraties die hij heeft uitgevoerd. Die lijst bestaat overigens naast de tjotters ook uit veel Friese jachten, boeiers en Staverse jollen. Zelfs in Duitsland, Japan en Amerika (en mogelijk binnenkort Moskou) heeft men kennis gemaakt met het vakmanschap van de scheepsbouwer en tevens geduchte wedstrijdzeiler uit Heeg.
Als klein jongetje was Pier er al vaak tussen de krullen te vinden
Het bouwen van een Fries jacht is emotie
Wat mooi is kan ook snel zijn, zoals het Fries jacht 'Windbreker'

Aan het woord is Robin van Son. Hij droomde al vroeg van het tekenen en bouwen van schepen. Dat het ronde schip daarvoor model stond is niet verwonderlijk. De vloot van de familie van Son bestaat naast een Friese zeilschouw, gebouwd door Brandsma in Augustinusga (Rohel) en twee Friese jachten. De 'Holland', ooit als Fries jacht door Lantinga in IJlst gebouwd, is later verbouwd tot boeier, maar door de familie bij Brandsma weer in oude luister hersteld.
Na jaren zeilervaring in deze schepen is hij zijn ideale Friese jacht gaan tekenen. Diverse ontwerpen werden in het groot op de muur geplakt. Elke keer in het voorbijlopen beoordeelde hij ze en bracht regelmatig veranderingen aan. Een ingewikkelde maar ook boeiende bezigheid voor de professionele ontwerper, werkzaam bij Amels in Makkum. In zijn jarenlange loopbaan daar, heeft hij meegetekend en gerekend aan ontwerpen voor diverse megajachten.
Ondertussen bouwde Bein Brandsma in Augustinusga zijn prachtige houten schepen. Vollenhovense bollen, kotters, Staverse jollen, Colin Archer's en zelfs een grote houten logger liet hij te water. Toen kwam Jeroen van der Wind langs: ik wil dat jij een Fries jacht voor mij bouwt! Bein accepteerde de opdracht, maar onder de voorwaarde dat Robin het jacht zou tekenen. Zo ontstond een uniek driemanschap, de tekenaar, de bouwer en de toekomstige eigenaar. Robin's tekeningen waren het begin en een uitgewerkt computermodel completeerde de uitwerking van zijn ideeën. Een afgeleid halfmodel liet vervolgens de fraaie lijnen zien.
Nadat Robin het definitieve lijnenplan had gemaakt, Bein de spanten volgens tekening had opgesteld, werden samen alle gangen uitgestrookt. Praktisch alles klopte, alleen in kop en kont werden handmatig nog een aantal correcties doorgevoerd naar tevredenheid van iedereen. Er is geen computerprogramma in staat om op dat punt het oog en het gevoel van de ontwerper te vervangen.
Robin is heel duidelijk over de vorm van een schip. Hij vindt dat de vorm moet intrigeren. Moet uitnodigen, zelfs dwingen tot het steeds weer opnieuw kijken. Een prachtig, vloeiend gelijnd schip spreekt tot de verbeelding. En wat mooi is kan ook snel zijn. Dat heeft de praktijk al vaker uitgewezen.

Het resultaat van de samenwerking is het Friese jacht de 'Windbreker' geworden. Op en top een fraai, maar ook snel schip. Het is een jacht geworden dat in wedstrijden mee kan doen in de voorste gelederen. Voor Robin van Son als ontwerper de uitkomst van een droom, voor Bein Brandsma als bouwer het bewijs van zijn vakmanschap en voor Jeroen van der Wind als eigenaar een jacht dat alom bewondering oogst. Een modern houten schip, goed te onderhouden en met een hele grote knipoog naar het verleden.
Kan de 'Windbreker' de vergelijking met de geesteskinderen van meesterbouwer Eeltje Holtrop van der Zee doorstaan?
Als je het aan Robin vraagt, zeker! De schepen die er nu nog van de hand van Eeltjebaes varen zijn zeker de mooiste die hij heeft gebouwd. Misschien een reden om ze te bewaren voor het nageslacht? Van de grote aantallen schepen die hij heeft gebouwd, zijn er echter vast ook minder geslaagde geweest. Maar die kennen wij helaas niet.

Het geheel overdenkend komt Bein tot de conclusie dat het jammer is, dat er tien jaar geleden niet een Jeroen is gekomen, die het aandurfde om met Robin en hem in zee te gaan om zo op een moderne manier een kwalitatief goed schip te bouwen. Dan hadden er misschien meer jachten van dit kaliber gevaren. Voor de bouwer geldt nu dat de drive onverminderd groot is, maar de jaren toch wel beginnen te tellen.
De vorm van een schip moet intrigeren, moet uitnodigen, zelfs dwingen tot het steeds weer opnieuw kijken
De boeier 'Sylnocht'
Een fantastisch familie- en wedstrijdschip, waar vind je dat nou nog?

Als de fameuze scheepsbouwer Lolke Lantinga te IJlst op de werf in 1917 de kiel legt voor een nieuwe boeier kan hij niet bevroeden dat nu bijna 100 jaar later daar nog eens een stukje over geschreven zal gaan worden. De opdrachtgever voor deze nieuwe boeier van ongeveer 7 m lang is de Amsterdammer H.C. Wesseling, directeur van de Amsterdamse Fijnhouthandel N.V. Hij had kennelijk goede ervaringen met deze scheepsbouwer want het is al het tweede schip dat hij op de IJlster werf laat bouwen.
Eerder ging daar voor hem een Friesch jacht van 5,40 m te water. Inmiddels is de zoon van Lolke Lantinga, Feike genaamd, ook al enige jaren in het bedrijf werkzaam. Hij wordt in het jaar 1918, nadat de boeier gebouwd is, de nieuwe werfbaas aan de Geeuw.
De boeier krijgt bij zijn doop de naam 'Kikker' mee. Bijzonder want Lantinga bouwde eerder een grote boeier met de naam 'Rana', hetgeen de Latijnse naam is voor kikker. De Nieuwe Meer en de Westeinderplassen zijn een geliefd vaargebied voor de eigenaar van het schip. Omdat het scheepje te klein wordt voor de tochten van het gezin Wesseling dat inmiddels uitgebreid is, wordt het verkocht aan de architect J.P. Berghoef te Aalsmeer, die het de naam 'Onrust II' geeft. Al in 1926 krijgt het schip weer een nieuwe eigenaar; de heer Borman te Amsterdam die het schip haar nu nog in gebruik zijnde naam 'Sylnocht' geeft. Het is een juiste naam voor het schip omdat het vooral als toerscheepje wordt gebruikt in die tijd. Dat zet zich ook voort onder de voorlaatste varende gebruiker van het schip, de apothekersfamilie Ten Harmsen van der Beek, eveneens uit Amsterdam. Vanaf 1938 tot 1970, met een onderbreking tijdens de Duitse bezetting toen het schip letterlijk ondergedoken heeft gezeten, worden heel veel en lange vaartochten met dit schip gemaakt o.a. van Zeeland naar Friesland, over de rivieren naar de Biesbosch, op de Overijsselse Vecht en zelfs door de Drentse en Groningse kanalen. Het is kennelijk een heerlijk schip om juist van dit soort tochten te maken. Reeds op jonge leeftijd krijgen de kinderen van Ten Harmsen het schip mee, en ook zij maken er dan lange tochten mee, tot zelfs in Frankrijk aan toe.

Nadat in 1965 een nieuw vlak in het scheepje is gezet en enige gangen in de kop aan de bakboordzijde zijn vervangen, wordt het schip in 1970 aan de werfbaas Tjeerd van der Meulen te Sneek overgedaan. Deze zet het op de wal om het na zijn pensionering te gaan restaureren. Dat komt er niet van als gevolg van ziekte zodat uiteindelijk in 1980 de heer H. Vochteloo eigenaar wordt. Deze is nog steeds de trotse eigenaar en vertelde ons het volgende: "Het schip was in een zeer slechte toestand toen ik het kocht en geheel en al verdroogd. Vanaf 1980 is het geheel gerestaureerd bij Van der Meulen, en sinds die tijd varen we er mee. Ook wij houden ervan om met de boeier als een soort van familieschip, tochten te maken en er onze vakanties op door te brengen. Het is zo geschikt juist voor tochten omdat het schip zo wendbaar en hanteerbaar is door zijn maat, nauwelijks diepgang kent (± 50 cm) en met de makkelijk strijkbare mast door het contragewicht, een kruiphoogte kent van slechts 1,55 m. In de wat hoge kop van het schip, die er voor zorgt dat het scheepje heel weinig water overneemt, hebben we onderdeks een dubbele en een enkele kooi. Met de twee kooien die we achter in de roef kunnen inrichten, genoeg slaapruimte dus. In de roef koken we natuurlijk ook, zittend op de bank of het trapje. Met elkaar kent het schip zo'n 6 zitplaatsen.
We hopen dat deze eigenaar en zijn familie nog heel veel jaren plezier in het varen en het onderhoud met de 'Sylnocht' mogen hebben.

Een fantastisch familieschip, dat in de wedstrijd ook nog goed kan meekomen, waar vind je dat nou nog?
Een honderdjarige Staverse jol
Zelden worden scheepstypen "uitgevonden", de Staverse jol 'Pinas' ook niet

Zelden worden scheepstypen "uitgevonden". Meestal ontstaan ze uit oudere scheepstypen en is vooral de schipper bepalend voor de vorm. De Staverse jol is daarop geen uitzondering. De eerste jollen waren klein omdat er vlak bij de dijk mee werd gevist. Toen de visserij op ansjovis sterk in opkomst kwam rond 1883, werden de jollen groter, omdat de vissers verder de zee opgingen en zware netten, gewichten en ankers aan boord hadden. Na de afsluiting van de Zuiderzee kreeg de Staverse jol opnieuw een andere functie, een tweede leven als plezierjacht. Ze werden vaak voorzien van een kajuit en men ging zelfs weer nieuwe jollen bouwen, zowel van ijzer als van hout.
De Staverse jol is familie van de sloep. Een sloep is vaak een bijboot van een groter schip en sloepen van zeeschepen werden soms Pinas genoemd. Zo komen we automatisch bij de honderdjarige Staverse jol 'Pinas' en haar eigenaar, jachtarchitect Henk Lunstroo, waarover we dit verhaal schrijven.
Henk Lunstroo is al sinds 1961 eigenaar van de 'Pinas'. Ondanks alle prachtige scheepsontwerpen die hij getekend en berekend heeft, is hij zijn Staverse jol trouw gebleven. In zijn jeugd trok hij met een aantal vrienden op, waarvan er twee een Staverse jol bezaten. Dat wakkerde de liefde voor dit scheepstype aan. Toen er een derde jol in de omgeving kwam en de eigenaar er snel weer afstand van moest doen vanwege de aankoop van een huis, kon hij het schip overnemen en sindsdien vaart het gezin er met veel plezier mee. De afgelopen jaren heeft Henk in gesprekken met oud-eigenaren en kenners het grootste deel van de geschiedenis van de jol kunnen achterhalen. Zo kwam hij in 1967 in de haven van Hindeloopen een visserman tegen die de jol onmiddellijk herkende als het schip dat Siemen Jordens (Broekerhaven) rond 1905 (in 2005 dus 100 jaar!) bouwde. Tot 1932 is er mee gevist met visserijnummers BC11 (Bovenkarspel) en MK20 (Marken), daarna is het gebruikt voor uitventen van vis en in de oorlogsjaren heeft de toenmalige eigenaar er sluikhandel mee bedreven.

In 1945 was de staat van de jol dusdanig dat het schip nagenoeg helemaal in het ijzer stond. De bekende botterbouwer Janus Kok in Huizen kreeg opdracht delen van de kont te vernieuwen. Deze reparatie is toen uitgegroeid tot een vernieuwing van nagenoeg het hele schip, op enkele stukken in kop en vlak na. De mast werd strijkbaar gemaakt met een mastkoker. Er is toen ook een berghout aangebracht, wat overigens niet ongebruikelijk was bij Staverse jollen, alhoewel zo'n berghout niet bij alle vismethoden even handig was. De gehele verdere afwerking van de jol verraadt de inbreng van Kok als botterbouwer. Door zijn inspanningen en later die van een aantal gerenommeerde houtbouwers als Jaap Tromp en Jan Schelling, zwager Hans Hulscher en natuurlijk eigenaar Henk zelf, kunnen wij de jarige Staverse jol nog steeds op het water bewonderen.
Tijdens het gesprek over de jol blijkt dat de liefde voor het Oudnederlandse schip er bij Henk Lunstroo al vroeg in zat. Z'n hele jonge leven had hij al bootjes getekend en toen hij als jonge knaap bij de beroemde scheepswerf van De Vries Lentsch jr. op de tekenkamer aan het werk kwam, was hij op zijn plaats. Overdag maakte hij scheepsbestekken en in de avonduren studeerde hij scheepsbouw aan de MTS in Amsterdam. Op de scheepswerf viel hij met z'n neus in de boter.
Op hetzelfde moment was de bouw van 'De Groene Draeck' voor (toen nog) Prinses Beatrix begonnen. Veel onderdelen van het schip zijn door zijn hand getekend. In 1961 is hij zijn eigen bureau begonnen met als resultaat dat er tot nu toe zo'n 350 ontwerpen zijn getekend, waarvan er tussen de 500 en 600 schepen zijn gebouwd. Veel van deze schepen zijn oer-Hollandse ronde en platbodems, waaronder diverse Lemsteraken, Vollenhovense bollen en Staverse jollen.

In de beginjaren van het Stamboek vond Henk Lunstroo ook de tijd om samen met mr. T Huitema op pad te gaan om veel oude schepen te beoordelen en in tekening te brengen. In de diverse boeken waarin deze schepen beschreven staan, zijn prachtige tekeningen van zijn hand te vinden. Voor een instituut als ons Stamboek van onschatbare waarde!
De liefde voor het Oudnederlandse schip zat er al vroeg in
De Hoogaars, een type schip met een rijk verleden
De Hoogaars 'Banjaard'

In 2005 is er een stevige restauratie uitgevoerd op de werf Joh. van der Meulen aan de Woudvaart te Sneek aan de hoogaars 'Banjaard'. Nadat we daar een kijkje namen, waren we van mening dat dit een goed voorbeeld is van een platbodem die sinds 1960 in onze bestanden voorkomt en die nu weer voor een groot aantal jaren verzekerd is van haar voortbestaan in een goede staat van onderhoud, dankzij uitstekend vakmanschap. Zoals veel van dit soort schepen kent deze hoogaars een rijk verleden en vertellen we u hier eerst iets over de geschiedenis ervan.
In 1932 wordt op de werf van Dirk van Duyvendijk op Tholen, door Dirk en Melis van Duyvendijk een nieuwe hoogaars gebouwd in opdracht van een garnalenvisser uit Terneuzen. Het schip krijgt als consentnummer TH29. Helaas heeft niemand ons iets kunnen vertellen over de opdrachtgever en over de eerste eigenaar van het schip. Daarmee was het ook niet mogelijk de registratiecijfers te achterhalen. Wellicht dat toekomstig archiefonderzoek door de huidige eigenaar daar nog eens verandering in brengt. De 'Banjaard' kan worden gekenschetst als een echte Tholense hoogaars met een lengte van 12,23 m en een breedte van 3,80 m, gaffelgetuigd. Tot 1938 werden op de Tholense werf van Van Duyvendijk veel hoogaarsen gebouwd, in totaal ongeveer 125 stuks. De laatste aldaar gebouwde hoogaars was de toenmalige 'Remcoline' tegenwoordig 'Atalante' geheten.
De hoogaars is van oorsprong het meest karakteristieke vaartuig van de Zeeuwse wateren en werd gebruikt als vracht-, veer-, maar vooral als vissersschip.
Er zijn verschillende subtypen bekend, zoals de Vlaamse, de Arnemuidense, de Kinderdijkse en de Tholense hoogaars. Vorm en bouwwijze daarbij verschillen op onderdelen behoorlijk van elkaar. Als gemeenschappelijk kenmerk hebben ze allemaal een plat vlak, druppelvormig met de ronde kant aan de voorzijde, ter hoogte van de mast de grootste breedte en onder de sterk vallende voorsteven het diepst stekend. In het achterschip zijn vlak en gangen sterk opgebogen.

Sommige deskundigen verklaren de naam van dit scheepstype dan ook uit de "opgestoken" kont. De kimplaten buigen in de boeg naar boven en raken de voorsteven een heel eind boven het vlak, aldus een driehoek vormend. Er zijn drie overnaadse huidgangen aan elke kant. Het berghout verloopt van voor tot achter in een vloeiende vallende lijn en heeft, van achteren gezien, een kenmerkende, liggende S-vorm. De hoogaars kent een zgn. vissend roer.
Al in 1936 wordt de hoogaars waar we het in dit stukje over willen hebben, uit de visserij gehaald en door Van Duyvendijk omgebouwd tot plezierjacht met registratienummer HB16. Wie daarbij de opdrachtgever was is helaas onbekend. Wel is bekend, dankzij de naspeuringen van de voormalige conservator van het Nationaal Scheepvaart Museum te Antwerpen; J. van Beylen, een autoriteit op het gebied van de kennis over de hoogaarsen en schrijver van het standaardwerk "De Hoogaars", dat het schip sinds die tijd ook bij Van Duyvendijk in onderhoud is geweest.
Sinds 1960 heeft het schip een tiental eigenaren gekend waaronder rond 1990 notaris Hans Muijs uit Kortgene, die het schip verkocht aan Peter Rinkes. Het schip is thans eigendom van de fam. C. en Y. van Hooft. In 1995 werd de gehele buitenkant gerestaureerd bij de fa. Biiltjer te Ditzum (Dld). Het schip was toen echter al enige jaren in onderhoud bij de Fa. Joh. van der Meulen, maar deze werf had er op dat moment geen tijd voor. Het was de tijd dat er naast nieuwbouw in de ronde en platbodemwereld veel werd gerestaureerd en opgeknapt.
Nu is ze dus opnieuw onder handen genomen en wordt ze op de werf van Van der Meulen van een aantal nieuwe inhouten voorzien en wordt opnieuw ingetimmerd met een opvallend ruime indeling. Ook wordt ze van een zelflozende, ook geheel vernieuwd betimmerde, kuip voorzien. Als slotstuk is er een nieuwe motor geplaatst. Een zeer omvangrijke klus die al met al een aantal maanden in beslag heeft genomen, en die het schip weer in een zeer stabiele conditie heeft gebracht. Een trots schip dat nu ook weer terecht een trotse eigenaar kent.
De hoogaars is van oorsprong het meest karakteristieke vaartuig van de Zeeuwse wateren
De Lemsteraak 'Schollevaer'
Een bijzondere geschiedenis

In 2001 zocht de Ier David Beattie contact met het SSRP-bestuur met de verrassende mededeling, dat hij eigenaar was van de Lemsteraak 'Schollevaer'. Dit schip is in 1913 als jacht gebouwd door P. van Groeningen te Leiderdorp in opdracht van de Rotterdamse industrieel J. van Vollenhoven, een voorvader van mr. Pieter, de zwager van onze Beschermvrouwe. In april 2001 werd het schip ingeschreven in het Stamboek. De historie van het jacht is zo bijzonder dat dit een goede gelegenheid is om daarover iets te vertellen.
Het jubileumboek 1851-1951 van de KZRV "de Maas" vermeldt, dat in het crisisjaar 1921 door scheepsmakelaars in totaal 27 Nederlandse Ronde en Platbodemjachten in Engeland te koop werden aangeboden. In 1923 voeren er al minstens 12 onder Engelse vlag. De 'Schollevaer' volgde deze weg in 1927. Toen verkocht Van Vollenhoven het schip aan mevrouw Elizabeth Markham, woonachtig in Bumham on Crouch in Engeland. Volgens de overlevering baarde deze dame enig opzien in Rotterdam door na afloop van de transactie alleen vergezeld van haar butler aan boord te stappen en koers te zetten naar Engeland. De emancipatie was in Rotterdam toen nog minder ver gevorderd dan kennelijk in Engeland, ook niet in de betere kringen.
Uit hetgeen bekend is over de periode, dat het schip in Engeland was, rijst het beeld op, dat het slecht werd onderhouden. Blijkbaar rekende de butler van mevrouw Markham dit onderhoud niet tot zijn taak. Zij moet het ook vrij snel weer verkocht hebben, maar hierover is alleen bekend, dat het omstreeks 1935 eigendom was van een voormalige kapitein van een z.g. "rum runner", een vrachtschip dat werd gebruikt om rum te smokkelen naar Amerika, tijdens de beruchte periode van de drooglegging. Deze kapitein woonde, nadat hij dit avontuurlijke bestaan vaarwel had gezegd, een onbekend aantal jaren op de 'Schollevaer', die was opgelegd in de haven van Rochester aan de Medway. Hij overleed op het schip in of omstreeks 1935.

De volgende eigenaar, van 1938-'47, was Captain Richard England, ook een zeeman. Van deze periode is veel bekend gebleven, omdat England in 1981 een boek heeft gepubliceerd over zijn zeemansleven onder de titel "Schoonerman". Hij beschrijft hoe hij na een periode aan de wal, samen met zijn jonge vrouw en een baby terugkwam aan de Medway, onweerstaanbaar aangetrokken door de zee. Op een avond wandelden ze in Rochester langs de rivier op zoek naar een geschikte woongelegenheid en ontdekten de mast, stagen, wimpel en vergulde kloot van een voor hen onbekend vaartuig. Eénmaal aan boord waren ze dermate onder de indruk van de mooie lijnen van het schip en de ruimte in de kajuit dat ze zich binnen enkele dagen de trotse eigenaars konden noemen, in weerwil van het feit, dat het schip in deplorabele staat verkeerde.
Ze sloopten het interieur tot op de spanten en bouwden het in zes maanden weer op tot een comfortabel woonverblijf. Ze genoten vanaf het dek van het vertier op de rivier tussen Rochester en Chatham waar in die dagen nog de Theems barges het beeld bepaalden. In hun vrije tijd zeilden ze de rivier af en verkenden het Theems estuarium en de kust van Kent. Hij beschrijft deze periode als de gelukkigste van zijn leven hoewel de naderende oorlog in de omgeving van de marinebases in Chatham en Sheerness spoedig zijn schaduwen vooruit begon te werpen.
Mr. England verhaalde 'Schollevaer', nog voor het uitbreken van WO II, naar Hartlepool aan de NO-kust tussen Rochester en Ramsgate. Hij had vrouw en kind de wal op gestuurd en voer met twee opstappers in december uit in zulk slecht weer dat na hun aankomst in Hartlepool een hooglopende polemiek ontstond in de lokale pers over het onverantwoorde karakter van dit soort waaghalzerij en de risico's waaraan vrouw en kind met zo'n man zouden kunnen worden blootgesteld. Hij las die stukken met gemengde gevoelens. Wat hem naar eigen zeggen het meest aansprak was een hekeldicht, dat op een gegeven moment tussen de ingezonden stukken verscheen onder de titel: "You can do that there anywhere else, but you can't do that there 'ere!
De 'Schollevaer' overleefde op miraculeuze wijze met zijn bewoners de oorlog met in de begintijd frequente Duitse luchtaanvallen. Mr. England maakte als marinier o.m. de landingen op Sicilië mee en kwam zwaar gewond in Engeland terug. Dit weerhield hem niet om in 1947 in Belfast een schoener te kopen waarbij 'Schollevaer' werd ingeruild. De lotgevallen van het schip raken dan weer in het duister gehuld. Tussen 1950 en 1956 lag het op de Shannon en in de jaren zestig was het eigendom van een havenloods uit Dublin die er ook weer een aantal jaren op gewoond heeft.
Eind jaren zestig kocht een zekere David Wheeler het schip, wederom in deplorabele staat en bracht het terug naar de Shannon. Hij begon een ingrijpende restauratie waar bij onder meer het hele vlak werd vervangen en een nieuwe motor werd geplaatst. Zwaarden en rondhouten waren verdwenen. Een hevige brand aan boord verwoestte het interieur maar ook die ramp kwam men te boven. Met de aldus als motorboot uitgeruste 'Schollevaer' werd omstreeks 1990 een tocht gemaakt over de Ierse binnenwateren waarvan het verslag als televisieserie in de publiciteit is gekomen, niet in de laatste plaats om de recreatievaart in ZW Ierland te bevorderen. De beelden zijn inderdaad fascinerend; men waant zich nu en dan in Eernewoude of NW-Overijssel!
Ze waren erg onder de indruk van de mooie lijnen van het schip
De Vollenhovense bol
Eén van de populairste platbodemschepen

Eén van de populairste schepen die er op de werf van Kooijman en de Vries, tegenwoordig Van Rijnsoever, in Deil aan de Linge, van stapel zijn gelopen is de Vollenhovense Bol. Dat het schip zo populair is onder platbodemzeilers komt doordat het in een aantal afmetingen te krijgen is, hanteerbaar zeilt en wendbaar is, bij zijn verschillende lengtes ruim van opzet is, door zijn bouwwijze in staal relatief weinig onderhoud vergt en gunstig geprijsd kan worden genoemd. Het ontwerp is van de bekende scheepsarchitect Ir. J.K. Gipon, die, vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw, een groot aantal moderne stalen ronde en platbodemjachten heeft ontworpen. Het door hem getekende ontwerp sluit aan bij het bestaand scheepstype met dezelfde naam.
Oorspronkelijk is het type ontwikkeld door de scheepsbouwer Kroese te Vollenhove, die voor zijn klanten iets zocht dat het midden hield tussen de visaken zoals die op de binnenwateren rond dit Zuiderzeestadje gebruikt werden, de wat grotere botters en de toenmalige 'nieuwe' Lemsteraken die het buitenwater bevoeren. We schrijven dan ongeveer het jaar 1900. Bij zijn ontwerp had Kroese nog geen jacht voor ogen maar een visserijscheepje, of een ander schip waarmee op bedrijfsmatige wijze de kost moest worden verdiend. De jachtontwerpen zijn eerst van later datum. De eerste bol bouwde Kroese naar het schijnt voor de visser A. Jongman Pzn, die tot dan toe met een punter op de Zuiderzee had gevist. Vaak wordt gedacht dat de Vollenhovense bol, de nazaat van de in veel oudere werfboeken genoemde "Vollenhoofse schuitjes" is, maar dat is een vergissing. Met dat laatste begrip werden door de meest Overijsselse scheepsbouwers, bonsjes aangeduid. Bonsjes werden zo genoemd omdat dit scheepstype een zeer geringe diepgang had, nodig om over de drempel die voor de haven van Vollenhove was gelegen heen te kunnen komen en de havenkom binnen te kunnen varen.
Wel heeft Kroese waarschijnlijk met zijn nieuwe ontwerp goed gekeken naar eerdere producten van zowel hemzelf, als die van anderen als bijvoorbeeld Schepman en ook van Van Goor. Opvallend is overigens dat Kroese op de rekening aan de visser Jongman zet dat hij "een vischaak" aan hem geleverd heeft.

Een tweede schip wordt geleverd in 1904 aan de lichtwachter op Schokland die het gebruikte voor zijn tochten van en naar het eiland. Er bleek vraag te zijn naar dit type schip en Kroese heeft er een aantal van gebouwd, tot een lengte van 10 meter!
Ook Snoek te Blokzijl ging er een aantal bouwen en ook Wolter Huisman op de Ronduite nam het type in zijn bouwprogramma op. Doordat deze laatste werf zich steeds meer op de jachtbouw ging toeleggen, werd de afwerking van het scheepje steeds fraaier. En zo ontstond in de loop van de jaren 1921 tot 1954 een serie van vier Vollenhovense bollen in jachtuitvoering. Tussen 1978 en 1982 zijn er door de scheepsbouwer B. Brandsma te Rohel nog twee eikenhouten Vollenhovense bollen gebouwd.
Op de vissersschepen zat eigenlijk nauwelijks versiering. Op het roer werd onder het helmhout wel eens een "prins" (rood wit blauwe driehoekjes) geschilderd, en in de top van de mast een hemelboender gevoerd, maar daar bleef het dan ook bij. Voor de jachteigenaren lag dat vanaf het begin toch wat anders. De kluisborden werden van een ster voorzien en langs het gehele boeisel werd een bies van voor naar achter getrokken, de vlaggenstok bekroond met een mooie knop.
Wie van zijn schip houdt wil graag dat het er mooi uitziet, en zo lijkt het, ontstaat er bij sommige scheepseigenaren een versierzucht, die bijna niet te beteugelen valt. Als we naar de moderne jachten van dit type kijken vormen die daarop geen uitzondering. Vele bollen hebben een mastbord, zorgvuldig uitgestoken en vaak beschilderd en verguld. De klik van het roer wordt eveneens besneden, liefst met een verwijzing naar de naam van het schip. Naambordjes, versierde helmstokken en vlaggenstokken met een gebeeldhouwde vergulde knop, zijn steeds vaker te zien. Zelfs een gestoken kajuitomranding zoals die bij de boeier, heb ik al op een van de scheepjes kunnen bewonderen. Natuurlijk is daar niets op tegen, maar ook hier geldt "overdaad schaadt". Het oorspronkelijke karakter van dit scheepstype is nog steeds de stoerheid van een werkschip, al is het dan ook als "plezierjacht" gebouwd. Het zou soms goed zijn als scheepseigenaren zich dat ook enigszins realiseerden.
Op oude vissersschepen zat eigenlijk nauwelijks versiering
Van schip tot wrak tot schip
Een nieuw leven voor de Zeeschouw 'Knorhaan'

In 1968 is door Klaas Westerdijk voor de familie Van Doorn uit Culemborg een zeeschouw met kajuit van 8,36 meter gebouwd. Deze schouw kreeg van de fam. Van Doorn de naam 'Geertje Catarina'. In eigen beheer is het schip door de fam. Van Doorn daarna verder ingetimmerd. Als vaargebied werd, toen het schip klaar was, gekozen voor de grote rivieren en de Biesbosch. De schouw overwinterde traditiegetrouw in een loods even buiten Culemborg.
In het vroege voorjaar van 1986 had de fam. Van Doorn de inventaris al aan boord gebracht, met de bedoeling dat de schouw spoedig weer te water zou gaan. Zover is het niet gekomen, want in maart 1986 stond de loods in korte tijd volledig in lichterlaaie en brandde tot de grond toe af. Van de polyester schepen bleef niet veel meer over dan een hoop stof. Enkele andere plat-bodemjachten waaronder een paar grundels, stonden of liever lagen, er als één grote verwrongen massa bij. De 'Geertje Catarina' zag er ook dramatisch uit. Al het houtwerk was tot houtskool geworden en het zo mooie zadeldak was een halve meter ingedeukt door een stalen dakspant van het loodsdak die op het schip was gevallen. De eigenaren stonden te huilen bij deze aanblik van hun eens zo mooi bezit. Later bleek dat iemand naast de loods aan een ijzeren bootje had geslepen. De loeihete slijpstraal was via een ventilatie gat in de loods beland en had de brand veroorzaakt.
Vrienden van Gijs en Hennie Witteman lagen met hun tjalk in Culemborg en belden hen, met de mededeling dat er een mooi 'casco' tussen de resten van de brand lag, maar "dat er nog wel iets aan moest gebeuren!" Gijs is er meteen naar toe gegaan om te kijken en te kloppen teneinde na te gaan of het staal nog goed was. De volgende dag zijn ze samen gaan kijken. Ze zagen, wonderlijk genoeg door de narigheid heen, een mooi scheepje met potentie. Door 100 gulden meer te bieden dan de schroothandelaar werden ze voor 2000 gulden eigenaar van een roestbak met een paar ton bluswater. Na het dichten van alle afsluiters hebben ze haar te water gelaten en naast de tjalk naar een werf in Zaandam gebracht.

Op die werf hebben Gijs en Hennie daarna drie maanden nodig gehad om al het staalwerk in orde te maken. Ook heeft Gijs in die tijd, de nog maar drie jaar oude, verbrande, motor gereviseerd. De grootste hitte van de brand had toegeslagen in het motorruim; de twee dieseltanks waren uit elkaar geklapt, alle aluminium delen, lagerschalen, dynamo, enzovoort waren gesmolten en vastgekoekt in en aan de motor. Van de schroef was niet meer over dan een hoop gesmolten brons. De kuipranden waren als golfplaat, zodat ze eruit moesten worden geslepen en door nieuwe worden vervangen. De bolstaande kuipvloer hebben ze eerst maar zo gelaten als herinnering aan het eerste leven van deze schouw. Achter aan het schip was het staal van het vlak tot het berghout één grote golfplaat geworden. De oplossing die daarvoor gekozen werd, was om de hoge kanten van de zeven golven in te slijpen en door middel van hulpspanten glad te trekken om vervolgens weer vast te lassen.
Het resultaat was dat de zijkanten en het vlak ook weer vlak werden. Het ingedeukte zadeldak is met een dommekracht weer in model gebracht en vast gelast. Alle hobbels en bobbels in het dak moesten heet gestookt worden, om ze daarna te laten schrikken met water en natte doeken. Een geduldwerk maar het bleek effectief.
In het motorruim zijn vervolgens twee stalen accubakken gelast en de dieseltanks werden hersteld. Toen al het staalwerk klaar was, is het casco, dat door de brand stijf stond van het roest, gestraald en in de epoxyprimer gezet. Dat was een werkje voor vaklieden, maar zelf hebben ze het nog twee keer in de tweecomponenten "ijzerglimmer" gezet. Resultaat was dat ze weer een schoon schip hadden waaraan ze nu verder konden werken. Gijs heeft de geheel gereviseerde en opgeknapte motor weer ingebouwd, en de schroefas plus schroef gericht. Op alle doorvoeren zijn nieuwe kogelkranen gezet.
Ondertussen hadden ze van kwartiers gezaagd eiken een roer gemaakt. De delen eiken zijn met rvs pennen en resorcinollijm aan elkaar gezet. Tot aan het berghout hebben ze de boot in de tweecomponenten teer gezet, het boeisel werd donkergroen en de kajuit in de kleur gebroken wit geschilderd. Na drie maanden stug doorwerken kon de tot Knorhaan omgedoopte boot weer opnieuw te water.
De motor liep als een zonnetje en de bedoeling was dat de schouw naar hun toenmalige huis in Zaandam zou worden gevaren, maar doordat ze geen medewerking kregen voor het openen van één brug, ging dat feest niet door. Uiteindelijk hebben ze samen de 'Knorhaan' onder politiebegeleiding op een dieplader naar huis laten brengen en is deze daar met een kraan te water gegaan. Wat een genot: voortaan hoefden ze niet meer met broodjes en koffie naar de werf maar konden ze heerlijk achter hun huis beginnen met het betimmeren.
Inmiddels waren Gijs en Hennie ook al op de werf van Klaas Westerdijk geweest, waar ze alle schouwen konden bekijken die in de winterstalling aldaar aanwezig waren. Na het beschouwen van de manier waarop de verschillende schepen waren ingericht en betimmerd, besloten ze dat het vooral licht en ruimtelijk moest zijn als je in de roef zou zitten. Westerdijk vertelde hen ook dat de mast eigenlijk best nog wat hoger mocht worden, en gaf hen allerlei goede adviezen over andere zaken; bijvoorbeeld waar ze nog de ovale patrijspoorten konden laten maken. Later hoorden ze dat hij eigenlijk geen enkel vertrouwen had in het restauratieproject, maar op dat moment heeft hij dat niet laten blijken en hen die indruk gelukkig niet gegeven!
In diezelfde tijd hebben ze ook nog veel andere zeeschouwen bekeken. Op een van die tochten hoorden ze ook van het bestaan van het Stamboek. Dezelfde dag nog hebben ze de criteria aangevraagd, om later niet ongewild buiten de boot te vallen, als ze zich zouden willen laten inschrijven.

Het voert te ver om hier alle details verder te bespreken over de manier waarop de schouw is betimmerd, geschilderd en gelakt, maar het volgende voorbeeld laat zien met welke zorgvuldigheid en met hoeveel liefde hun schip uiteindelijk is gerestaureerd. Voor het interieur hebben ze op de sloop een 18e eeuwse Amerikaans grenen kerkbalk op de kop getikt. De balk van 45x45 cm en 6.50 meter lang, zag er aan de buitenkant onooglijk uit. Toen echter deze balk in planken was gezaagd, kwam er het mooiste hout tevoorschijn dat je je maar kunt bedenken, met barslagen zo hard als glas. Van dit "gewijde" hout hebben ze de vloer gemaakt op een ondervloer van betonplex. Met de rest van dit hout en natuurlijk de nodige aanvullingen hebben ze het schip zelf op een fantastische manier betimmerd. Nog één detail: De staande schotten zijn voorzien van dubbele kraal-schroten, katjesgrijs geschilderd. Dit als link naar de Wieringer aak, waarbij dit gebruikelijk was, en een beetje om de vader van Hennie, die visserman was op dat voormalige eiland, te eren. Opeens waren ze dan aangeland op het punt dat alles "gemaakt" is, en als laatste ook de bank getimmerd kon worden. Deze klus werd voor het laatst bewaard, om zodoende de "werkplaats" ruim te houden, en niet onnodig te kunnen gaan zitten.
Na het tuigen, kon in 1988 de Knorhaan weer met een kraan en dieplader naar open water gebracht worden. Eindelijk konden ze proeven hoe het zeilen met een platbodem was. Alleen de bolle kuipvloer onder hun voeten beviel niet, en leverde steeds weer kramp op in hun voeten. Dus moesten er toen toch nog maar teakhouten blokroosters worden gemaakt.
Het tweede seizoen zijn ze naar Friesland getogen om even langs de werf van Klaas Westerdijk in Eernewoude langs te gaan. Na een hartelijk welkom van Klaas ging hij de Knorhaan bekijken; eerst de buitenboel, en daarna het interieur. Zoals het een echte Fries betaamt, ondertussen geen woord zeggend. Na anderhalf uur stapte hij van boord en nog steeds had hij geen woord gezegd. Gijs en Hennie keken elkaar vertwijfeld aan, benieuwd naar wat hij van hun werk zou vinden. Maar Klaas liep de werfloods in. Na enige tijd kwam hij terug met een oud verfplaatje. "Die moesten jullie er maar opzetten", zegt hij dan. Hij vond het prachtig geworden, en gaf hen zo het grootste compliment dat ze zich konden bedenken.
Elke keer als ze in Eernewoude zijn komt Klaas even kijken of alles er nog goed uit ziet. De schipper en zijn maatje zijn nog steeds bang, dat als dat niet het geval is, hij onmiddellijk het werfplaatje er weer afhaalt.
De eigenaren stonden te huilen bij deze aanblik van hun eens zo mooi bezit
Veel vaarplezier met de Vreedenburgh Schokker
Hoog aan de wind en is snel, ook met slecht weer

Wim de Bruijn, hoofdredacteur en in 1977 oprichter van Spiegel der Zeilvaart, zocht in 1978 een stoere platbodem voor zijn gezin met drie opgroeiende kinderen. Ze waren wat 'verwend' geweest met het 12,85 m lange botterjacht 'Pieternella' van Jaap Kramer, waarmee ze veel voeren. De 8 m lange, moderne platbodem, type Wadder die daarna werd afgebouwd, was na vier jaar toch te klein voor langere tochten en de keuze viel op een 10,75 m Vreedenburgh schokker.
"Na het bekijken van een 9,84 m schokkerjacht en het proefvaren met een 10,75m Vreedenburgh schokker was de beslissing snel genomen. Wat een ruimte in zo'n 4m breed schip. Het voordek werd op de werf van Kooijman en De Vries wat ronder gemaakt om meer stahoogte te krijgen. In het casco werd met een krijtje aangegeven waar allerlei lipjes en profielen moesten komen om later sneller te kunnen betimmeren. Van Deil werd het casco naar Harlingen vervoerd waar op een bevriende werf zaterdags kon worden getimmerd en waar de werklui door de week zaken als deurtjes, schuifluik en potdeksels konden maken. Na enige maanden was het casco glasdicht, geschilderd en de motor ingebouwd, toen kon de eerste tocht op de motor naar Heemstede worden gemaakt. In een slootje bij een boer werd een ideale werkplek gecreëerd met een tent op een frame over het hele schip. In totaal nam het aftimmeren een jaar lang alle zaterdagen in beslag. Weer werd naar Harlingen gevaren voor de finishing touch. De mast en rondhouten werden door Brasker Masten bezorgd, de gepensioneerde heer Kersken tuigde het schip en Jan de Boer uit Akkrum leverde de zeilen. Voorjaar 1980 werd het schip met de naam 'Petronella' gedoopt en vanaf dat moment werd, tot 1994 bijna elk weekend vanuit Monnickendam gezeild. De dochters werden ouder en gingen naar de middelbare school. Het weekend werd gekort tot de zondag en later was er, steeds minder tijd voor het zeilen beschikbaar. De belangrijkste reden was het met Theo Kampa op stap gaan naar zeilevenementen met de snelle redactieboot. Er werd een enthousiaste koper in de heer Humalda gevonden die het schip naar een ligplaats bij zijn huis in Sneek bracht.

De eigenschappen van de Vreedenburgh schokkers zijn uitvoerig beschreven in de Spiegel der Zeilvaart. Ik kan er alleen aan toevoegen dat het een heerlijk schip is, dat zich gemakkelijk door twee man laat zeilen. Door het scherpe voorschip en de uitgekiende rompvorm zeilt de schokker hoog aan de wind en is snel, ook met slecht weer. We hebben wel met twee reven in het grootzeil en een rif in de botterfok met NW 7 van Monnickendam naar Enkhuizen gezeild. Een heerlijke belevenis, evenals de tientallen malen dat we zijn drooggevallen op het Wad en op de Zeeuwse zandplaten."

Soms heb je even spijt dat je het schip hebt verkocht