Spring naar inhoud

Nummer 6: Centerboards en Kieljachten 1880-1900

De zeilsport aan het eind van de 19e eeuw was een wereld van heren en knechten, van sierlijke jachten en wolken van zeil. Er werd verpoosd bij het water, met spectaculaire waterfeesten als hoogtepunt. De evenementen werden opgeluisterd met lampiontochten, admiraalzeilen en hardzeilerij.

Voorblad

Centerboards en Kieljachten 1880-1900

Geheugensteuntje no 5

Publicatie in de serie Geheugensteuntjes
Over belangrijke onderwerpen, vastgelegd in het Geheugen van de SSRP, waarin het beeld even belangrijk is als het woord


Auteur Jaap Bernhard, Jaap Bernhard, een achterkleinzoon van N.A. Bernhard


Samensteller Jan Eissens, Stamboekbeheerder

Voorwoord

Sinds mijn zestiende jaar heeft aan de muur van mijn slaapkamer een halfmodel gehangen. Het was het model van de Sylvia, een sierlijk klassiek jachtje van 8 meter lang, gebouwd in 1884. Veel later, na het overlijden van mijn ouders, kwamen er meer spullen bij: wat lijnenplannen, een paar modellen en een map met brieven en foto's. Verder was er een zilveren lucifersdoosje met een afbeelding van een klassieke kotter. Het spul is aanvankelijk blijven liggen. Het is materiaal uit de boedel van de oude werf van mijn grootvader.
Wat later stuitte ik in Enkhuizen op de oude boeier Phoenix. De Phoenix lag te koop. Het werd hoog tijd dat iemand zich over de boot ontfermde. De Phoenix werd ooit door mijn overgrootvader gebouwd. Ik had een zwak moment, maar kon gelukkig de verleiding weerstaan. Kort daarna koos ik voor een handzamer scheepje: een volksboot van Kroes. 
Maar er bleef iets hangen. Mijn nieuwsgierigheid naar de oude jachten van de werf Bernhard was wakker geschud. Eerst richtte ik me op de oude boeiers. Nadat Dr. Vermeer zijn meesterwerk "De Boeier" had gepubliceerd, viel daaraan niet veel meer toe te voegen.
Gaandeweg raakte ik gefascineerd door de geschiedenis van de eerste Nederlandse scherpe jachten. Wat volgde was een zoektocht langs musea, bibliotheken en het web. Puzzelstukjes kwamen bij elkaar en langzaam ontstond een beeld van deze periode, die nog nauwelijks is gedocumenteerd. Mijn zoektocht heb ik vooral gericht op de periode 1880-1900. Na 1900 krijgt de zeilsport al snel zijn huidige vorm. Vóór 1880 is van de enkele scherpe jachten te weinig terug te vinden. De periode daartussen werd het werkterrein.
 
Er blijkt van die jaren nog veel materiaal te zijn, dat zelden of nooit de depots en archieven uit kwam. Een enkele veteraan vaart nog. De zeilsport aan het eind van de 19e eeuw was een wereld van heren en knechten, van sierlijke jachten en wolken van zeil. Er werd verpoosd bij het water, met spectaculaire waterfeesten als hoogtepunt. De evenementen werden opgeluisterd met lampiontochten, admiraalzeilen en hardzeilerij. Verder lagen de jachten gepavoiseerd of met bloemen versierd aan de kade. De heren dronken een glas op de sociëteit. Sommigen zeilden zelf de wedstrijd, anderen beleefden het spektakel vanaf de kant.
Aan boord had ieder zijn plek. Een jacht had een volkslogies in het vooronder en een salon midscheeps. Een enkele eigenaar bezat een stoomjacht waarop hij zijn gasten ontving. Voor de scherpe jachten was het een pionierstijd. In enkele decennia kreeg uit het niets een geheel nieuwe categorie van jachten gestalte. Hetzelfde geldt voor de reglementen. Rond 1864 werd nog alleen een globale lengtemaat gehanteerd, terwijl kort na 1900 al de eerste eenheidsklassen ontstonden.
Het beeld van deze periode wordt soms haarscherp, maar blijft op veel plaatsen nog vaag of zelfs leeg. De zoektocht is als schatgraverij. De ene keer ga je voor niets op pad, de andere keer stuit je bij toeval op goud. Bij het combineren en interpreteren van gegevens liggen vergissingen steeds op de loer. Buitenlandse bronnen blijken daarbij vaak een belangrijke steun. In Duitsland, Engeland en de USA bestonden in de 19e eeuw al standaardwerken die in ons land gretig werden gebruikt.
In deze publicatie wordt het resultaat van een zoektocht gepresenteerd. Het verhaal kan natuurlijk nog verder worden uitgebreid met informatie die op het moment van schrijven nog niet beschikbaar was. De ontwikkelingen op het gebied van digitalisering van archieven gaan natuurlijk heel hard. Het is geschreven als levend document dat elk moment verder kan worden uitgebreid en dus waardevoller wordt.
Jaap Bernhard

Halfmodel Sylvia 1884

Inhoudsopgave

Deel A Algemeen
  
1. De eerste scherpe jachten 5. Documentatie
1.1 een tijd van veranderingen5.1 tijdschriften
1.2 de kotters5.2 boeken
1.3 de eerste centerboards5.3 register van meting
 5.4 zeilverenigingen
2. Buitenlandse voorbeelden5.5 musea
2.1 op zoek naar nieuwe vormen5.6 behoudsorganisaties
2.2 Duitsland5.7 Internet
2.3 Engeland en USA5.8 particulieren
2.4 Frankrijk 
2.5 Australië6. Veteranen en replica's
 6.1 Wilhelmina
3. Ontwerptheorie6.2 Freija
3.1 ontwerpproces6.3 Sperwer
3.2 de wave line theorie6.4 Stella Matutina
3.3 op zoek naar snelheid6.5 Pimpernel
3.4 ontwerp en praktijk6.6 buitenland
3.5 niet voor snelheid alleen 
3.6 meting 
  
4. Kenmerkende onderdelen 
4.1 tuigage 
4.2 ballast 
4.3 bemanning 
4.4 het zwaard
 
Deel B Gedocumenteerde jachten per wedstrijdklasse
  
1. van 2 tot 4 wedstrijdton3. van 8 tot 12 wedstrijdton
1.1 Wilhelmina3.1 Nellie (Dauntless)
1,2 Mouette3.2 Najade
1.3 Vlieg 
1.4 Sylvana4. van 12 tot 20 wedstrijdton
1.5 Gitana4.1 Osiris, lsis en Zwerver
 4.2 Stella
2. van 4 tot 6 wedstrijdton4.3 Magnolia
2.1 Nautilus 
2.2 Nautiles5. groter dan 20 wedstrijdton
2.3 Amstel5.1 Johanna
2.4 Hollandia5.2 Sirene
2.5 Yum Yum5.3 Nevermind
2.6 Trekvogel5.4 Miage
2.7 Rival5.5 Freija
2.8 Waterlelie 
2.9 Mascotte 

Literatuurlijst

Bijlagen
  1. Literatuur
  2. Meetregister KNZRV 1890-1896
  3. Schepenlijsten gepubliceerd in tijdschrift Nederlandsche Sport 1880-1900
  4. Verwijsbladen gedocumenteerde jachten

Deel A Algemeen

1. De eerste scherpe jachten

1.1 Een tijd van veranderingen

Het Fin de Siecle, het einde van de negentiende eeuw, was een tijd van veranderingen. Er ging geld rond en er was ruimte voor vernieuwing. Het was de tijd van de Eiffeltoren, van het Cristal Palace in London en het Paleis van Volksvlijt in Amsterdam. Oude cultuur en nieuwe bouwwijzen werden gecombineerd. Naast de gevestigde orde verschenen nieuwe succesvolle ondernemers die uitdrukking wilden geven aan hun stand en daar ook de tijd voor hadden.

Links het clubgebouw van de Roei- en Zeilvereeniging De Hoop aan de Amstel en rechts het gezicht op de KNYC te Rotterdam, vóór de verbouwing van 1908-1909 toen een derde verdieping op het gebouw werd geplaatst.

Sport ontwikkelde zich als vrijetijdsbesteding. Watersporters troffen elkaar op roei- en zeilverenigingen, die als paddenstoelen uit de grond schoten. Ervaringen en ideeën werden daar uitgewisseld. Tijdens zeilevenementen werd gestreden om de eer.
Naast het klassieke ambacht verschenen in de jachtbouw nieuwe en lichte bouwmethoden. Voor het eerst werd ook voor de zeilsport vanaf tekening gebouwd. Het internationale verkeer groeide en ook dat had invloed op de Nederlandse tradities.

1.2 De kotters

Op diep water werden al vóór 1850 wedstrijden met scherpe jachten gehouden, met name in Amsterdam en Rotterdam. Aan de start verschenen de paar grote kotters die Nederland rijk was en een enkele schoener.

Het kotterzeilen was voorbehouden aan een select gezelschap.  De Prinsen Willem, Alexander en Hendrik waren prominente liefhebbers. In verslagen en op afbeeldingen duiken de namen op van de kotters Sperwer, Valk, Ondine, Paerel en Komeet en de prinselijke schoener No 1.

Het waren stoere schepen, scherp, zwaar en diep.  Ze werden als jacht gezeild, met een hoog tuig. Maar ze hadden nog het karakter van beproefde beroepsschepen uit de visserij en het loodswezen op het ruime water. Een kotter stak al snel 2,50 meter diep.

Met het oprichten van de Amsterdamse Kottervereniging in 1852 werd geprobeerd om de klasse een bredere basis te geven.  Maar op het Nederlandse binnenwater waar per traditie het meest werd gezeild, kwamen deze grote jongens niet tot recht. Een wedstrijd tussen drie kotters in 1852 werd volgens overlevering een treurig fiasco. De jachten liepen om de beurt aan de grond. In de grotere klasse zouden de kotters zich handhaven, maar er was concurrentie op komst. Er kwam een klasse die even snel was als de oude kotters, maar wendbaarder, handzamer en met minder diepgang: het moderne midwaardjacht, destijds aangeduid als “centerboard”.

1.3 De eerste centerboards

De eerste centerboards waren geïmporteerde Sandbaggers, van origine oestervissers van de Amerikaanse oostkust. Ze waren breed, ondiep en licht gebouwd. Ze hadden een scherpe rechte voorsteven, een brede platte spiegel met aangehangen roer en een groot cat-tuig. In wedstrijden werden ze later sloepgetuigd. De naam sloeg op de stapels zandzakken waarmee de scheepjes op het loefboord werden geballast.
Parole was een typisch voorbeeld van dit type.

La Parole

De eerste Nederlandse centerboard die wordt genoemd was de Nautilus. Deze zou al in 1846 uit de USA zijn geïmporteerd. Er is verder weinig van bekend. In 1853 volgde een tweede exemplaar, geïmporteerd door de heer Rockwell. Op 20 juli werd dit jachtje gepresenteerd, tijdens wedstrijden van de Koninklijke Nederlandse Yacht Club op de Nieuwe Maas. Sillem, lid van de Koninklijke Zeil en Roei Vereniging, was onder indruk. Hij kocht het scheepje en bracht het naar Amsterdam. 
In 1858 is sprake van een wedstrijd van twee centerboards: een geïmporteerd jacht Elise (het jacht van Sillem?) en een kleiner jacht Union, gebouwd in Nederland.
In 1853 werd ook in Engeland door Earl Mount Charles de eerste Amerikaanse sandbagger geïmporteerd.  In Engeland werd het type “Unaboat“ genoemd.  Duitsland volgde in 1862.  

Van de eerste centerboards zijn geen op naam gestelde afbeeldingen bekend. Waarschijnlijk waren het catboats, zoals afgebeeld op een lijnenplan in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam en een model in het Maritiem Museum Rotterdam.

Model Maritiem museum Rotterdam

Hun  snelheid en wendbaarheid  baarden groot opzien. Toch brak het type niet meteen door. Er was niet veel ruimte voor vernieuwing. In 1874 waren bij de KNZ&RV nog maar 14 centerboardjachten bekend. 

Model Maritiem museum Rotterdam

Maar er  kwamen geleidelijk navolgers, de één gebouwd in Nederland, de ander geïmporteerd. Ze waren vaak sneller dan de klassieke ronde en platbodemschepen. Ook grotere jachten werden uitgerust met een midzwaard. De centerboards werden bij wedstrijden ondergebracht in een aparte klasse, samen met andere kieljachten als kotters en sloepen. Ze vormden de klasse  van de “scherpe jachten”. 


2. Buitenlandse voorbeelden

2.1 Op zoek naar nieuwe vormen

Met rompvormen  werd in de beginjaren volop geëxperimenteerd. Het is arbitrair om daarin een eigen  Nederlandse traditie te ontdekken. Vrijwel alle vormen zijn te herleiden tot buitenlandse voorbeelden. Er werd gekopieerd, aangepast en soms op een andere schaal gebouwd. Met trial and error werd er getornd aan de vuistregels van de oude scheepsmaker. 
De praktijk is begrijpelijk. Nederland had een lange en rijke traditie van hardzeilerij in ronde en platbodemschepen. Dit heeft geleid tot beeldschone en geperfectioneerde jachten, zoals de statige boeier en het Friese jacht. In deze traditionele jachten mocht een man van stand gezien worden. Aan de ontwikkeling van scherpe jachten bestond in die situatie weinig behoefte. Op het moment dat de kieljachten uiteindelijk toch doorbraken was in Nederland  een kennisachterstand ontstaan. In die situatie kon van de buitenlandse voorbeelden het meest worden geleerd. 
Aan voorbeelden was er geen gebrek. Blijkens verwijzingen waren Engelstalige standaardwerken over jachtbouw hier bekend. Ook werden in het buitenland gericht ontwerpen besteld  zoals voor de Stella, (ontwerp Carey Smith ) de Rival (ontwerp Burgess) en de Mascotte (“naar gerenommeerd Amerikaans ontwerp”). Er was verder een sterke invloed uit Noord-Duitsland. Verschillende nieuwe en bestaande  jachten werden geïmporteerd.
Toen de Nederlandse werven de eigenaardigheden van het kieljacht eenmaal onder de knie hadden, werden ook hier schitterende jachten gebouwd. Maar er was voor een eigen Nederlandse traditie niet veel ruimte meer. De zeilsport was inmiddels internationaal georiënteerd. 
In die zin overwonnen de ronde en platbodemschepen. Zij wisten door de eeuwen heen hun kenmerken te bewaren. Zij bepalen nog steeds het beeld van het typisch Nederlandse jacht. 

2.2 Duitsland

Een aantal bekende Nederlandse jachten is gebouwd bij de werf Heidtmann in Hamburg. Heidtmann was vanaf 1864 de winterstalling van de Laura, het eerste uit Amerika naar Duitsland geïmporteerde midzwaardjacht. Laura was razendsnel. Laura was een volbloed sandbagger.

Laura

Heidtmann ging al snel zelf centerboards bouwen, en ook het grotere type midzwaardjacht ontwikkelde zich. Het relatief beschutte en ondiepe vaargebied rond Berlijn was bij uitstek geschikt voor de ranke centerboards. Ook stroomafwaarts op de Elbe werd volop gezeild. 

Rond 1890 hield de ontwikkeling in Duitsland  gelijk tred met die in de USA. Nieuwe types als de Gloriana werden direct overgenomen, vaak op wat kleinere schaal gebouwd en al dan niet voorzien van een midzwaard. 
Typisch Duits lijkt het gestrekte type van de Rennjolle, dat model lijkt te hebben gestaan voor onder meer de Nederlandse Hollandia.

De werf Heidtmann leverde voor Nederlandse opdrachtgevers onder meer de Sylvana, de Henriette Georgine, de Blondine en de Never Mind, en de Sirene.De Never Mind stond later model voor de grote midzwaardkotter Freija. 

De Yum Yum lijkt afgeleid van de Duitse centerboards zoals de 6 meter lange Germania. 

2.3 Engeland en USA

Er was ook een Engelse invoed. In 1890 leverde Fife drie nieuwe grote kotters af voor Nederlandse opdrachtgevers, de Zwerver, Isis en Osiris. Deze hadden een lwl van ruim 12 meter. Hoewel afbeeldingen van deze kotters ontbreken mag worden aangenomen dat dit klassieke diepstekende en relatief smalle kotters waren.  Tijdgenoten waren de (nog bestaande) Australische Fife kotter Sayonara en de voormalige Engelse winner Minerva, beide van vergelijkbare afmetingen. 

In de Nederlandse wedstrijden concurreerden  de Fife kotters en de Stella, een sterk van de kotters afwijkende centerboardjacht naar ontwerp van de Amerikaan Carey Smith. Carey Smith was enige jaren eerder ontwerper van de winnende Amerca’s Cupper Mischief. De verwantschap van de gedrongen Stella met de grotere Mischief is direct herkenbaar.

Mischief

Magnolia, een geïmporteerd jacht gebouwd door de Engelsman Payne werd wat later een sterke opponent in de strijd in delfde klasse. Magnolia had eerder in Engeland onder de naam Decima haar strepen al verdiend. 
De invoering van de Y.R.A. meting leidde vanaf 1887 in Engeland tot een serie kleinere jachten in de zogenaamde “rater” klassen. Er waren 0,5-, 1- en 2,5-raters. De Y.R.A. legde voor het eerst ook beperkingen op aan het zeiloppervlak. Dit leidde na wat experimenteren tot gemeenschappelijke kenmerken. De raters hadden in de regel een zeer ondiep en vrij brede romp, met vrij stevige kimmen. 
Opvallend is de afwezigheid van holle lijnen in het spantenraam. De raters hadden een diepe, korte vaste kiel, waarbij de bulb zijn intrede deed. 
De jachtjes maken daarmee nog steeds een moderne indruk. Een succesvol ontwerper van scows was Payne van Southampton. Hij tekende ondermeer de 1 rater Maharanee.

1-rater Maharanee

Het type werd wel als “scow” aangeduid. Scow was een ruim begrip. Zelfs een jacht als de legendarische America’s cupper Reliance werd door zijn ontwerper (met enig dedain!) aangeduid als scow. 
Veel van de karakteristiek van de scow is te herkennen in de Pimpernel, één van de  oudste Nederlandse scherpe jachten die nog in wedstrijden uitkomt.

2.4 Frankrijk

Frankrijk kende ook zijn centerboards. De tuigages zijn hier nog overdadiger dan in de noordelijke streken. Onder meer op de Seine bestond een vloot van deze lichte hooggetuigde scheepjes. 

De Devil, een centerboardscheepje dat rond 1970 verloren ging, was waarschijnlijk zo’n “Seine-klasser”, zij het van later datum. De Devil was gebouwd van woodcore avant la lettre: drielagen kruislingse dunne latjes met gelakt taftdoek ertussen.
Roguelboche, later Viviane, was een centerboard van het eerste uur. Dit unieke jacht werd in 1856 gebouwd door de werf Guibert in Nantes. Het scheepje was geheel opgetrokken uit gegalvaniseerd plaatstaal. Romp en cockpit vormden één geheel. 

Wellicht had de overal afgeronde romp geen of nauwelijks spanten. Er waren 8300 klinknagels nodig. Met dit innovatieve ontwerp werden de onbeperkte toepassingsmogelijkheden van het nieuwe materiaal gedemonstreerd. De bouwwijze resulteerde in een bijzonder licht scheepje. 

De rompvorm was eveneens verbluffend. Van voren een Laser, van achteren een surfplank, en dan  een meter of acht lang. Viviane was zeer snel, zij het weinig stabiel. Het enige dat dit jachtje dateert is het tuig. Op een zo geavanceerde romp lijkt het diepe gaffeltuig een treurig anachronisme. 
Van een directe Franse invloed op de Nederlandse jachten is niets bekend. 

2.5 Australië

Als curiosum moeten de “canvassers” van Sydney worden genoemd.  Down Under ging het er nog ruiger aan toe dan aan de Amerikaanse oostkust. 

De Australische Sydney Skiffs waren kleiner en  lichter dan de Amerikaanse  Sandbagger Sloops, maar ze voerden desondanks meer tuig, meer bemanning en meer zwaard. Dit type is tenslotte ontwikkeld tot de huidige vrije klasse van de  “49’ers”. 


3. Het ontwerp

3.1 ontwerpproces

In Nederland is eeuwenlang uit weerbarstig hout en merendeels op het oog gebouwd. Scheepsbouw was lang een ambacht, vooral bij kleinere scheepjes. Gelauwerde scheepsbouwers  als Van der Zee in Friesland bouwden zo topschepen, waaronder de allermooiste boeiers.  Alleen een naamplaat op de buitenmuur van de werf , en soms een genummerde schepenlijst of kasboek  documenteerden de bouw. Het kiezen van de lijnen, soms met de hulp van  strooklatten op mallen (of direct op de  spanten) was een kwestie van gevoel, ervaring, traditie en een scherp oog.  Bouwen was een kunst. Schepen die zo ontstonden zijn pas later opgemeten en gedocumenteerd.
Aan grotere beroepsschepen, en aan grote jachten werd vooraf wel al veel langer  gerekend en getekend. Folkert Van Loon was begin 19e eeuw één der eersten die ook voor kleinere (klassieke) jachten een rationele  en innovatieve ontwerpbenadering bepleitte.
Aan het eind van de 19e eeuw werd deze werkwijze voor het eerst breder toegepast bij de kleinere jachten.  Voor scheepsbouwer Bernhard was dit een vaste routine.  Er werd een lijnenplan gemaakt, een bestek, calculaties van materialen en gewicht, en een tuigplan. Bernhard schakelde daarvoor de beste, desnoods buitenlandse,  ontwerpers in. Het bestek werd uitgezet op de werkvloer, en daarna werd gebouwd. Het ontwerp werd vooraf gecheckt met het maken van een gestapeld halfmodel. Zo’n  model zal ook hebben geholpen om de opdrachtgever tot de dure aanschaf te verleiden. Dankzij deze werkwijze is van deze werf veel documentatie bewaard gebleven.
Jachtbouw veranderde daarna in korte tijd van een ambacht in een moderne bedrijfstak. Na 1900 werd de ontwerppraktijk al snel breed toegepast.  De nieuwe ontwerppraktijk leidde tot snelle invoering van nieuwe vormen en inzichten, tot een rationele en controleerbare bedrijfsvoering, en tot een andere verhouding tussen bouwer en opdrachtgever. De opdrachtgever zag vooraf wat hij kreeg en kon scherpe afspraken maken.
Tenslotte ontstonden begin 19e eeuw de eerste eenheidsklassen, waarmee de zekerheid over de kwaliteit en gelijkwaardigheid van jachten definitief werd verzekerd. 

3.2 De Wave line theorie

Kenmerkend voor de wat oudere jachtjes van rond of voor 1880 is de verhouding tussen vóór en achterschip. Het achterschip is opvallend vol en het voorschip schraal.  M.a.w. de waterlijnen zijn voor hol en achter bol. 

Dit was overeenkomstig de toenmalige inzichten, aangeduid als “waveline” theorie. De theorie was gebaseerd op golfonderzoek. Verondersteld werd dat een boot zich het snelst door het water beweegt als de romp de contramal is van de golfvorm. Dat leidde tot holle sinuslijnen in het voorschip, overgaand in parabolische lijnen in het achterschip.
Later zou uit sleepproeven blijken dat de theorie in beginsel juist was maar dat deze ten onrechte rechtstreeks was vertaald in het verloop van de breedte op de waterlijnen. Uit de sleepproeven bleek dat er geen aantoonbaar verband was tussen deze rompvorm en een weerstandsvoordeel. Als verklaring werd onder meer aangevoerd dat het water zich in praktijk niet via de waterlijnen langs een zeiljacht verplaatst, maar vooral via de sentlijnen. Het verloop van setlijnen werd later bepalender voor het ontwerp.
Werd de golftheorie niet op het verloop van de breedte maar op het verloop van het dwarsscheepse spantoppervlak onder de waterlijn toegepast, dan bleek de overeenkomstige rompvorm daarentegen wèl een aantoonbaar weerstandsvoordeel te bieden. Jachten van rond 1890 die opvallend snel waren, bleken vrijwel steeds aan deze verhoudingen te voldoen. Vanaf dat moment werd de kennis breed toegepast bij het ontwerp van (top-) wedstrijdjachten.
Of deze rekenkundige principes ook in Nederland bewust zijn toegepast is niet duidelijk. Waarschijnlijk zijn de rompvormen door navolging ook hier ingeburgerd. Na 1890 komt de extreme omgekeerde druppelvorm niet veel meer voor.

3.3 Op zoek naar snelheid

Het valt op dat nagenoeg  alle laat-19e eeuwse Nederlandse wedstrijdjachten (net als in Duitsland) een doorgestoken roer met een forse achterover hang hebben, ook de kleinere centerboardsloepen. 

links achterschip Yum Yum - rechts achterschip sandbagger

Hiermee onderscheiden ze zich van hun eerste Amerikaanse voorbeelden, de sandbaggers. Deze hadden een aangehangen “barndoor” roer en een outrigger achter de spiegel. De outrigger was nodig  om op de korte Amerikaanse  romp de grootschoot te kunnen voeren. Dat was bij en langere overhang niet nodig

De keuze voor of tegen een achter overhang kan een kwestie van snelheid of van smaak en traditie zijn. Maar het werd waarschijnlijk vooral bepaald door de meetwijze. Destijds zal, net als nu, de kwaliteit van schipper en bemanning bepalend zijn geweest voor de successen. Er zijn verschillende voorbeelden van jachtjes die pas bij een latere eigenaar hun kwaliteiten toonden. Omdat theorie en wetenschappelijk onderzoek zo goed als ontbraken was het lastig om die kenmerken te onderscheiden die de snelheid werkelijk bepaalden. Veel kwam nog aan op intuïtie, gevoel voor verhoudingen en ervaring.
Soms lijkt een experiment ten onrechte te zijn gesneuveld. Het is haast niet voor te stellen dat de Rival, ontwerp van Burgess (ontwerper van winnende America’s Cuppers), zo slecht was als de resultaten doen vermoeden. Wellicht bestond hier niet de kennis hoe deze sterk afwijkende diepe catboat met midzwaard en boegspriet getrimd en gevaren moest worden. In de USA was dit type, zeker in ruwer water, wel degelijk succesvol.

Een curiosum is het eenmalige ontwerp van een kimkieler. Dit jachtje was afgeleid van de Yum Yum. Het spantenraam was nog breder en schraler met bijna holle lijnen in het grootspant. De twee enorme sikkelvormige zwaarden waren onder een hoek van 20 graden geplaatst. De zwaardkasten zaten verwerkt in de kuipwand. De bediening van de zwaarden was als bij de klassieke ronden jachten: het loefzwaard werd opgehaald. Dit jacht is voorzover bekend niet gebouwd. 
Bij de grotere jachten lijkt het dat aan het eind van 19e eeuw een type komt bovendrijven dat zich bewijst. Het is een compromis tussen sloep en kotter. De romp is breder dan de klassieke Engelse kotter, en dieper dan de Amerikaanse centerboardsloep. De kimmen zijn gematigd. Bij de relatief diepe romp volstaat een klein centerboard. Er is een flinke achterover hang en een klipperboeg of rechte steven. Het is aannemelijk dat in deze jachten snelheid, comfort en schoonheid naar de Nederlandse maatstaven van die tijd het best werden gecombineerd. 

De ondiepe Amerikaanse wedstrijdcenterboard werd zo aangepast tot een jacht dat met een kleinere bemanning snel en comfortabel kon worden gezeild. Ook bij harde wind en deining kon het eenvoudig in de hand worden gehouden. Aan de extreme diepe Engelse kotters was op het Nederlandse binnenwater in wezen geen behoefte, en hun binnenruimte was beperkt.
De Nederlandse scherpe jachten hadden in de regel en rechte, soms licht terugvallende voorsteven of een sierlijke klipperboeg. Beide vormen waren bedoeld om door het water te snijden. De klipperboeg gaf voorin meer reserve drijfvermogen, maar de betekende ook extra strafpunten bij meting over dek.

links boeg Stella en rechts boeg sperwer

Rond 1890 maakte in het internationale wedstrijdcircuit de “Gloriana” boeg furore. Gloriana was een zeer succesvolle kotter van Herreshoff met een scherp weggesneden voorvoet en een lange nauwelijks gebogen lepelboeg. Het wegsnijden van de voorvoet vergrootte de wendbaarheid en verkleinde de wrijvingsweerstand. De lepelboeg tilde de boot over het water heen, waar de klassieke klipper- en rechte kottersteven veel dieper in het water groeven. De Gloriana zette daarmee de breed aanvaarde theorie op zijn kop.
Het werd een nieuwe standaard gezet, en zelfs een aantal bestaande jachten werd rücksichtloos naar dit type verbouwd. Later zou de de bocht van de lepelboeg nog dieper wordern. Een voorbeeld van het nieuwe type is de Duitse Pirat, een “Gloriana” van nog geen 9 meter lwl.

Er is een vergelijking te trekken naar de veel kleinere ranke engelse 1-raters. In Nederland voeren in de kleinere klassen ook zulke scheepjes rond, zoals de Vlieg van Molenpage.
Na 1900 zou voor grotere scherpe wedstrijdjachten de korte diepstekende ballastkiel, al dan niet met bulb, de algemene standaard worden.

3.4 Ontwerp en praktijk

Het is eigenaardig dat in originele lijnenplannen (cq halfmodellen) de horizontale doorsneden werden uitgezet ten opzichte van de onderkant van de kielbalk, d.w.z. ten opzichte van de bouwvloer. 

vertekend spantenraam bij nautiles en willem tell

Vooral in het spantenraam ontstaat een vertekend beeld van de rompvorm. In praktijk voorzag het ontwerp er in dat het jacht achter dieper stak dan voor. Dit betekent dat de feitelijke waterlijn niet parallel liep met de ontwerplijnen: achter lag het jacht dieper in het water dan de ontwerplijnen doen verwachten.
De lichte kleine centerboards met hun grote tuig en verplaatsbare ballast doen vermoeden dat deze ook de eigenschappen hadden om te kunnen planeren. Dit specifieke voordeel, vooral op ruime rakken, werd waarschijnlijk niet als een bijzonder verschijnsel herkend.
Het was blijkens wedstrijdverslagen niettemin een belangrijke succesfactor van een jacht als de Yum Yum. Zie citaat uit een wedstrijdverslag: “Maar Yum Yum ging voor de wind op de van haar bekende wijze weer vliegen als een meeuw”. Hetgeen niet verwonderlijk is gezien de brede platte bodem van dit jacht.
Omdat theorie over de mogelijkheden van het planeren ontbrak werd dit voordeel waarschijnlijk gezien als een bijkomstigheid en nauwelijks bewust gezocht.

3.5 Niet voor snelheid alleen

Het afwerkingsniveau was in Nederland in de regel hoog, waarschijnlijk gold dit vooral voor de grotere jachten. Een Nederlandse zeiler verwachtte een duurzaam en comfortabel jacht. Ontwerpen van Fife en Smith werden hier wat royaler ingericht, van duurzamer materiaal en zwaarder gebouwd. Dit ging ten koste van extra gewicht en het deed wat afbreuk aan de wedstrijdeigenschappen. Maar de Hollandse koopman wilde waar voor zijn geld.
Er werd behalve in hout ook gebouwd in geklonken staal of plaatijzer, en waarschijnlijk ook hybride dwz hout op staal. Het hout voor de romp was vooral eiken, waaronder het superieure “wagenschot”. Het dek is veelal van grenen.
De concurrentie uit het buitenland was groot. Fife in Schotland kon leveren tegen een lagere prijs.
Sommige zeiljachten zullen ook toen al zijn gebouwd als pure racemachine of als drijvend theepaviljoen, zonder veel scrupules over esthetica. Maar velen zeilden om gezien te worden, met een jacht dat de stijl en de waardigheid van de eigenaar onderstreept. Vrijwel alle ontwerpen stralen dit in meerdere of mindere mate uit. Er werd geen commentaar geschreven zonder aandacht voor de goede smaak.
Soms lijkt het dat de ontwerper schoonheid en snelheid niet meer wist te onderscheiden. De Waterlelie met haar vloeiende lijnen is op het eerste gezicht weinig anders dan een uiting van jugendstil in haar zuiverste vorm. Niettemin was de boot bedoeld als wedstrijdjacht zonder concessies. Aan die eisen voldeed het jacht niet, waarmee de Waterlelie in feite een mislukking was.

Niettemin is het één van de meest intrigerende ontwerpen: origineel, zonder precedent en beeldschoon. 
Er werd ook knikspant gebouwd. Op saam gestelde Nederlandse voorbeelden zijn niet bekend. Wel zijn er tenminste twee modellen in de musea. Ook daaraan is te zien hoe is gezocht naar een vorm die schoonheid en snelheid verenigde. 

3.6 Meting

Aanvankelijk werd alleen lengte op de waterlijn gemeten,  met klassen kleiner dan 7,50 m, 7,50 tot 9.00 meter, en groter dan 9 meter. 
Vervolgens werd vanaf circa 1885 gemeten door de officiele commissie van meting van de KNZRV volgens een Frans systeem, gebaseerd op loa, lwl, breedte en kettingmaat.  De kettingmaat werd bepaald door een ketting dwarsscheeps onder de romp door te halen, en op het punt van de grootste omtrek strak te trekken.  De lengte onderlangs van bovenkant boord tot bovenkant boord was de Kettingmaat.
In de meetformule werden Kettingmaat en grootste Breedte opgeteld tot de “Perimeter” (de omtrek van de romp). De formule voor meting  was: 

NB: Deze notatie is afgeleid uit de berekening van de wedstrijdmaten Waterlelie en Mascotte in het archief Bernhard. In het Metingsregister zelf wordt dezelfde formule wat anders genoteerd.  De 10% toeslag gold alleen voor centerboards. Het lijkt (op basis van de meetgegevens in het register) dat een correctie voor de overhangen in praktijk niet werd toegepast. Hierdoor voeren jachtjes met rechte steven en met extreme klipperboeg bij gelijke waterlijn in hetzelfde veld.

De correctie voor overhangen bedroeg:

De meetwijze pakte gunstig uit voor centerboards. Een diep kieljacht werd via de kettingmaat zwaar belast, terwijl een ondiep jachtje met een groot board zoals de Yum Yum weg kwam met een opslag van 10%. Dit sloot aan bij de Nederlandse traditie, waarbij werd gezeild op relatief ondiep en beschut water. 
Rond 1895 zijn wijzigingen in de meetwijze aangebracht: alle jachten hebben dan een wat grotere maat.
Vanaf 1903 wordt ook in Nederland het zeiloppervlak gemeten. Dan ontstaat snel meer uniformiteit in rompvormen en tuigages. De ongeremde vrije creativiteit van de periode 1880-1900 is voorbij. 


4. Kenmerkende onderdelen

4.1 Tuigage

Tuigplan Willem Tell

De centerboards voerden in de regel een sloep- of kottertuig. Het zeiloppervlak en de rondhouten werden aangepast aan de windsterkte. Een eenvoudig sloeptuig voor een kleine centerboard bestond uit een diepe fok op boegspriet en een grootzeil. De fok werd in de regel los gevoerd, en dus niet zoals in de USA op een boom. Het grootzeil lag met hoepels om de mast. Bij licht weer werd een gaffeltopzeil gevoerd op losse spieren. Voor de mast kon een kluiver of een grote jager of ballonfok worden bijgezet, eventueel op een losse kluiverboom.

Links Yum Yum met jager en rechts de Sylvana

De Yum Yum voerde bij zeer lichte wind achter het grootzeil nog een bezaan of broodwinner, een extra lap die op de verlengde giek werd uitgezet.
De Yum Yum voerde bij licht weer maximaal 135 m2 zeil op een waterlijn van nog geen 8.50 meter. Er is zelfs correspondentie over vergroting van het tuig tot 155 m2, maar het is niet duidelijk of ze daar mee gevaren heeft.

Voor de wind worden ook op grotere jachten alle zeilen bij gezet, zoals een foto van twee Vlaamse kotters op de Schelde laat zien.

Het is aannemelijk dat er ook met andere tuigvormen is geëxperimenteerd, zoals onder meer beschreven in Stephens en Kemp.
Vanaf 1890 wordt regelmatig voorgeteld om het tuig te gaan meten. Argument hiervoor: ”men komt met een geheele ligter beladen met tuigen, om het juiste op de wedstrijddag te kunnen kiezen”. Uiteindelijk gebeurde het pas vanaf 1903. Tot die tijd kon er van alles. Wel werd op extreme tuigages vaak misprijzend gereageerd.
Bij boeiers is er soms een maximum van drie zeilen tegelijk. Per wedstrijd verschilden de voorschriften.
Er wordt aanvankelijk uitgegaan van eerlijke competitie en good sportmanship. Voert de tegenstander geen jager, dan houd je je daar zelf ook aan. Maar daartegen werd ook gezondigd.
Over het voeren van een jager aan de wind werd flink gediscussieerd. Het zou de snelheid niet ten goede komen, ook bij licht weer. Anderen hielden het op het overzichtelijke standpunt dat dit gewoon niet hoorde.
Het voeren van een gaffeltopzeil door een lichte centerboard was ook zo’n onderwerp. Het zou gevaarlijk zijn en van slecht zeemanschap getuigen. Maar het gebeurt wel, en er werd mee gewonnen.
De grote centerboards en kotters voerden op de mast boven de gaffel een losse steng, die afhankelijk van de windsterkte werd bijgezet. Bij harde wind werd de steng gestreken, wat het zwaartepunt omlaag bracht. Bij licht weer werd op de steng het gaffeltopzeil gevaren, en bij kotters een vlieger voor de mast. De tactiek van de zeilvoering en de trim op de bijzeilen was het terrein van de ware zeiler. Met dit argument werd tuigmeting lang tegengehouden.
De zeilvoering speelde een grote rol bij het sturen van de ondiepe en overtuigde kleinere centerboards. Het inefficiënte roer was niet toereikend om de boot op koers te houden. De man aan de schoot op het achterdek en de voordekker aan de fok waren tweede en derde stuurman.

Voor de wind vormde oploeven bij harde wind een groot risico. De giek kwam dan in het water en de boot ging om of over de kop.
Omslaan in en wedstrijd werd als een blamage beschouwd. Een  ervaren zeiler overkwam dat niet. 
Vergeleken met de Amerikaanse strijd in de sandbaggers werd er meer naar competitie en stuurmanskunst gezocht en minder naar spektakel en absolute snelheid. De bemanning zit in Nederland ook bij harde wind in de regel in de kuip, met uitzondering van een knecht op het voordek en een man aan de grootschoot op het achterdek.

Het grootste tuig was in Nederland niet kleiner, maar er werd wel veel eerder gereefd. 

Centerboards bij harde wind

Het varen met een kleinere bemanning en minder losse ballast zal zeker zijn voordelen hebben gehad. Het maakte de wedstrijden toegankelijk voor een grotere kring van zeilers.

4.2 Ballast

Alle vormen van ballast werden toegepast: vaste ballast binnenboord, vaste ballast onder de kiel en verplaatsbare ballast in de zijden. Het accent lag op vaste ballast. Er werd uitgebreid mee geëxperimenteerd. Om een groter tuig te kunnen voeren werd een midzwaardjacht soms alsnog voorzien van een paar honderd kilo lood onder de kielbalk.
Er werd in de centerboards wel degelijk ook met zandzakken gevaren, blijkens een incidenteel bericht dat er één overboord viel tijdens de wedstrijd, hetgeen na afloop soms netjes werd gemeld. Bij de metingen is incidenteel sprake van meting inclusief ballast (vijf of zes zakken grind).
Blijkens “Zwervend langs het IJsselmeer” had de Trekvogel bovendien gewichten op rails die voor de wind naar achteren werd verplaatst om te voorkomen dat de boot over de kop ging. De lange overhang achter op lichte centerboards bood blijkens een Duitse bron de mogelijkheid om voor de wind de bemanning geheel achterop te zetten.

Links de Amerikaanse sandbagger Bull en rechts de Annie

Op Amerikaanse sandbaggers van gelijke maat was de bemanning twee keer zo groot als in Nederland (10 man of meer  i.p.v.5). De hoeveelheid verplaatsbare ballast liep in de USA bovendien op tot 750 of zelfs 1000 kg. In Nederland zal het waarschijnlijk zijn gebleven bij de 5 of 6 zakken die incidenteel worden genoemd. Dat zal zijn neergekomen op zo’n 100/150 kg.
De lichte Silvana, kleiner dan de Yum Yum, zou een loden kiel hebben gehad van 950 kg. Dit soort gegevens lijkt niet betrouwbaar. De Mouette zou volgens een vergelijkbaar tijdschriftbericht zelfs 4 ton lood in de kiel hebben, terwijl dit scheepje nog geen 9 meter lang was. Met zo’n gewicht onder de boot zou de Mouette direct zinken als een baksteen. 
Hoe dan ook, er worden meerdere voorbeelden genoemd van centerboards (waaronder de Yum Yum) die in tweede instantie zijn voorzien van een ballastkiel, waarmee het zeilvoerend vermogen werd vergroot.

4.3 Bemanning

In wedstrijdprogramma’s wordt wel onderscheid gemaakt tussen jachten gezeild door de eigenaar, dan wel  door professionele stuurman. Soms zijn er meer beperkingen voor de bemanning (zoals “maximaal twee knechten op het voordek”) Dit verschilt van wedstrijd tot wedstrijd.
Een standaardbemanning op een kleine centerboard bestaat uit een roerganger, een voordekker aan de fokkeschoot en een man op het achterdek aan de grootschoot. Deze drie moesten een goed ingespeeld team vormen. Met hun korte onderwaterschip en brede tuig waren centerboards erg trimgevoelig. 
Bij grotere centerboards werd de bemanning aangevuld met potig werkvolk. Zij bedienden de zwaardlier en de lenspomp en  versjouwden zonodig de ballast. Op de grotere jachten vroeg ook de behandeling van het tuig meer handen. 

4.4 Het zwaard

In tegenstelling tot de diepere  jachten met kiel en buitenballast had de centerboard het kenmerkende midzwaard.  Het zwaard scharnierde vooraan, onder de waterlijn. De vorm varieerde sterk: naar lengte-breedte verhouding, naar oppervlak en naar vorm. Als regel gold: “the more sail, the more board”. Wedstrijdjachten hadden een extreem groot zwaard. Yum Yum stak maximaal ruim 2,50 m. diep. 

Het zwaard had consequenties voor de inrichting. Bij een grote ondiepe wedstrijdkotter als de Stella werd er voor gekozen om de zwaardkast tot het kajuitdak door te trekken. Dat leverde op de brede romp aan weerskanten een smalle slaaphut op. De kajuit werd naar achter ver doorgetrokken, waarmee achter de zwaardkast nog ruimte ontstond voor een kleine salon.
De grotere Never Mind had een diepere romp, wat de mogelijkheid bood om de zwaardkast onder de kajuitvloer te houden. Dat legde beperkingen op aan de afmetingen van zwaard, maar bood vrijheid in het interieur.

Links de lier van Stella Matutina en rechts de lier van de Sperwer

Het zwaard was van een vaste houtsoort of van een metaal (vaak ijzer/staal). Een ijzeren (of bronzen) zwaard droeg enigszins bij aan de stabiliteit, maar verving nooit de noodzaak van levende of dode ballast.
Het zwaard werd met een lier bediend.


5. Documentatie

5.1 Tijdschriften

Vanaf 1882 verscheen in Nederland tweewekelijks (later wekelijks) het tijdschrift De Nederlandsche Sport. Het blad gaf het nieuws over de harddraverij, de jacht, het schaatsen, het cricket, en niet in de laatste plaats de roei- en zeilsport. Het blad was vooral georiënteerd op de Amsterdamse verenigingen, maar ook de Rotterdamse vereniging De Maas was aangesloten. Het Friese zeilen komt niet aan bod.

De Nederlandsche Sport bevat een schat aan informatie over de beginjaren van de georganiseerde Hollandse zeilsport. Het blad bevat programma’s, uitslagen en verslagen van de evenementen van de aangesloten verenigingen. Daarnaast gaf het blad “faits diverts” waaronder impressies van buitenlandse wedstrijden. Het tijdsbeeld dat daar uit opdoemt is fascinerend.
Een graaf, die in Rusland zijn vijfde beer schiet. De prestaties van een fameuze lange afstandsloper die na vijf flauwtes nogmaals op de been wordt geholpen en tenslotte de wedstrijd Rotterdam-Leiden-Rotterdam wint. De automobielwedstrijden tijdens de Olympische spelen, in de categorieën “vierzits met gesloten kap” en “tweezits met open kap”. Voor dezelfde Olympische spelen werden ook wedstrijden voor stoomjachten uitgeschreven, maar men kon geen passend reglement verzinnen. Daarom werden de stoomjachten op het laatste moment geschrapt. Bij deze eerste Spelen werden nog forse geldprijzen uitgereikt.
De Nederlandsche Sport maakte regelmatig melding van tewaterlatingen van nieuwe zeiljachten, en van de verkoop naar een nieuwe eigenaar. Incidenteel wordt een lijnenplan afgebeeld.
Naast De Nederlandsche Sport bestond vanaf 1889 het meer op Rotterdam georiënteerde Het Sportblad. Hert Sportblad had een wat vlottere stijl, met meer ruimte voor discussies. Het Sportblad adverteerde als “het goedkoopste sportblad van Nederland”. Van beide bladen zijn alle ingebonden jaargangen in te zien bij De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.

5.2 Boeken

Over de zeilsport is al vóór 1900 een aantal monumentale boeken verschenen. In Nederland waren de Engelstalige werken waarschijnlijk het meest bekend. 
Zo was er rond 1890 een zelfbouwer in Amsterdam die in een grachtenpand zijn eigen centerboard bouwde. Het uittakelen van de romp door de uitgenomen ramen naar de gracht wordt beschreven in De Nederlandsche Sport. De vaardige doe-het-zelver bouwde zijn jacht volgens het tijdschrift op basis van Dixon Kemp’s “Manual of Yacht and Boat Sailing”.

De eerste druk van dit schitterende boek werd in 1878 in London uitgegeven. Het boek is te beschouwen als een voorvader van onze vaderlandse zeilbijbel “De Zeilsport” van Van Kampen. Alle aspecten van de zeilsport werden behandeld, tot en met de bezoldiging van de bemanning. Dixon Kemp was ongetwijfeld bekend bij de Nederlandse professionele werven. Er zijn gelukkig betaalbare heruitgaven gepubliceerd, met veel ragfijne lijnenplannen en detailtekeningen.

Een Amerikaanse tegenhanger was Charles P Kunhardt. Kunhardt publiceerde veel, waaronder “Small Yachts, their Design and Construction.  Ook Small Yachts  is een standaardwerk. De eerste druk verscheen in 1885. 

Illustratie uit small yachts

Small Yachts is een Amerikaans pleidooi voor de diepere kieljachten.  Onder zeilers, ontwerpers en bouwers woedde destijds een heftige strijd tussen de aanhangers  van de engelse “Plank on edge” kotters,en de  en de voorstanders van de brede Amerikaanse centerboard-sloop. In wedstrijden ontliepen de types elkaar niet veel. Uiteindelijk bleek de waarheid in het midden te liggen, en nam eind 19e eeuw het compromis-type de leiding. 
Ook Kunhardt was in Nederland bekend. De werf Bernhard had in zijn archief enkele getekende copieen van afbeeldingen uit het boek. Van Smaal Yachts bestaat een mooie heruitgave door Woodenboat.

Ook Duitsland kende zijn eigen bijbel. In 1888 verscheen daar “ Seglers Handbuch” van Georg Belitz. Het boek is van gelijke opzet en kwaliteit als het meesterwerk van Kemp. In ruim 750 pagina’s worden alle kanten van het zeilen behandeld. 

Illustratie uit seglers handbuch

Ook dit boek bevat een schat aan lijnenplannen, zowel van duitse jachten als van  buitenlandse voorbeelden. Dit gehele boek is vrij in te zien op de internetsite van het duitse “Yachtsport Archiv”.

Als tijdgenoot  moet ook W.P. Stephens worden genoemd. Stephens publiceerde tussen 1939 en 1946 een uitputtende serie tijdschriftartikelen over de beginjaren van de Amerikaanse zeilsport. Geboren in 1855, heeft Stephens het allemaal zelf meegemaakt. Hij kende vrijwel alle grote Amerikaanse jachten en eigenaars, en heeft  veel jachten zelf opgemeten. Zijn huis was één groot museum. Aan het eind van zijn leven heeft hij zijn fenomenale kennis neergelegd in 83 tijdschriftartikelen, goed voor 350 pagina’s tekst voorzien van veel foto’s en tekeningen.

Zijn schrijfstijl is erg beeldend, en nauwelijks gedateerd. Zijn laatste artikel in het tijdschrift Motor Boating werd geschreven in mei 1946. De serie werd abrubt beëindigd door zijn overlijden op 91 jarige leeftijd.
Onder de titel “Traditions and Memories of American Yachting” is de serie in 1981 als boek herdrukt door International Marine Publishing Company.

5.3 Register van Meting

Vanaf 1890 werden jachten die deelnamen aan wedstrijden vooraf gemeten door de “Officieele Commissie voor het meten van zeilvaartuigen in Nederland en België”. Het originele metingregister maakt deel uit van het archief van de zeilvereniging Het IJ. Dit wordt bewaard in het Amsterdams Scheepvaartmuseum, en is op afspraak in te zien. Het register bevat een volledig overzicht van de gemeten kieljachten en centerboards. Van ieder jacht zijn op een eigen blad de hoofdafmetingen,  de naam, de eigenaar en de vereniging vastgelegd, met de handtekeningen van de aanwezige commissieleden. 
Het gaat in totaal om 72 jachten, met een lengte tussen de stevens van 4  tot 20 meter.
Veel jachten zijn meerdere malen gemeten, hetzij bij aanpassingen aan de romp, hetzij bij overdracht naar een andere eigenaar. In totaal zijn tussen 1890 en 1896 352 metingen verricht.

De gemeten Belgische jachten waren vooral afkomstig uit Antwerpen. Blijkens wedstrijdverslagen kwamen Belgen en Nederlanders regelmatig uit op elkaars wedstrijden. Soms was er ook een Engelse deelnemer, zoals de volbloed kotter Quick-step. 

5.4 Zeilverenigingen

De vroege geschiedenis van de verenigingen wordt onder meer beschreven in “Het water op”, een jubileumuitgave van het KNWV.  De oudste vereniging was de op Rotterdam georiënteerde Yacht Club. Deze was in 1845 op initiatief van prins Hendrik gesticht. 
In 1848 trad een aantal leden uit en werd door hen de meer op Amsterdam gerichte KNZRV gesticht. Ook elders in het land kwamen de eerste verenigingen tot stand. 
Een tentoonstelling van modellen in 1852, door de Yacht Club, vormde de basis voor het latere maritiem museum Prins Hendrik. In 1881 werd, bij de opheffing van Yacht Club, de boedel geschonken aan het museum. 
Na 1860 stagneerde de zeilsport in Holland, terwijl de zaken in  Friesland floreerden. Voor de Hardzeildag in Sneek maakten ook Hollandse zeilers de oversteek over de Zuiderzee.
Getracht werd om een overkoepelende Nederlandse Zeil en Roei Bond op te richten, hetgeen niet lukte. Als uitvloeisel van dat (Amsterdamse) initiatief werd in 1885 de zeilvereniging Het IJ gesticht. Deze vormde een stimulans voor het zeilen in de regio Amsterdam. In Zuid-Holland waren onder meer Hollandia en De Maas actief. Er werd ook gezeild bij Lekkerkerk en Dordrecht. Uitslagen en prijzen, soms genoemd naar de eerste winnaar, getuigen nog van de wedstrijden.

Waarschijnlijk bestaat nog een schat aan informatie in de archieven van de oude zeilverenigingen. Deze informatie is verspreid en daarmee moeilijk toegankelijk.

5.5 Musea

Het Amsterdam Scheepvaartmuseum  heeft een grote collectie van authentieke lijnenplannen, enkele half- en volmodellen, enige foto’s  en overige archiefstukken van de oude jachtbouw. Het overgrote deel is opgeslagen in depot. Het gaat om vele honderden stukken. In het museum wordt één volmodel geëxposeerd. 

Het Fries Scheepvaartmuseum heeft een fraaie collectie oude foto’s en een bescheiden dossier met overig materiaal. Het museum exposeert een vol- en halfmodel van een centerboard.
Het Zuiderzeemuseum exposeert in de schepenhal de originele Wilhelmina, een schitterende houten wedstrijd centerboard van rond 1885. Wellicht is hier meer materiaal beschikbaar.

Het Scheepvaartmuseum Prins Hendrik bewaart waarschijnlijk een deel van de boedel van de eerste Nederlandse zeilvereniging, de Yacht Club. In ieder geval bezit het museum een drietal modellen van zeer oude scherpe jachten, waaronder een klassieke “Unaboat”. De Unaboat was de Engelse navolger van de sandbagger-catboats.

Tenslotte beheert museumwerf Het Kromhout een deel van het archief van de werf Bernhard. Van dat archief zijn vooral de originele bestekken interessant. Bestekken waren de tabellen met coördinaten op basis van het lijnenplan. Met behulp van deze tabellen werden op de werf de spantuitslagen gemaakt. Onder de bestekken zijn een aantal 19e eeuwse centerboards, maar ook enkele bekende boeiers van Bernhard.
Van veel materiaal in de musea zijn de archiefnummers te achterhalen via Maritiem Digitaal. Maritiem Digitaal is het internet zoeksysteem van de Nederlandse maritieme musea. Vooral het Fries Scheepvaartmuseum heeft van veel materiaal inmiddels ook de afbeeldingen op het web gezet.

5.6 Behoudsorganisaties

Bij de Nederlandse behoudsorganisaties bestaat weinig materiaal over de oudste scherpe jachten. VKSJ en Old Gaffers zijn primair verenigingen van eigenaren. En centerboards en kieljachten van vóór 1900 moeten in Nederland met een lampje worden gezocht. Waarschijnlijk zijn ze op twee handen te tellen. Het bestand van de VKSJ en Old Gaffers is dan ook pas vanaf 1900 beter gevuld. 

5.7 Internet

Internet is onbeperkt en onbegrensd. Het voert te ver om sites te noemen. Zoekmachines als Google bieden eenvoudig toegang tot heel veel maar vrijwel uitsluitend buitenlands materiaal. Eén site verdient niettemin vermelding. 
Met Duitse grondigheid is door onze oosterburen de site “Yachtsport Archiv” opgezet. De liefhebber vindt hier een schitterend overzicht van de historie van de  Duitse zeilsport. Zelfs volledige tekstbestanden van boeken zijn opgenomen, met veel afbeeldingen. 

5.8 Particulieren

Bij particulieren zal kennis en materiaal bestaan dat lastig te achterhalen is. Zo bestaat in particulier bezit nog het volmodel van de Blondine bij een nazaat van de eerste eigenaar, Van der Giessen. Van der Giessen herinnert zich nog hoe hij als kind het model mocht laten varen in de Hollandse IJssel. Bij de zeiltochten op het jacht ging hij als kind soms mee. Intrigerend is de herinnering dat in de kuip van Blondine een Perzisch tapijt lag.

Hoe fragmentarisch ook, dit soort levende herinneringen geeft kleur aan de archiefstukken.
Uit de boedels van werven zal ook materiaal zijn doorgegeven naar volgende generaties. Zo zijn enkele modellen en tekeningen van de werf Bernhard in de familie gebleven. Ook eigenaren van jachten zullen documentatie hebben gehad, die na het einde van de boot is gaan zwerven. Dit is van het erfgoed van de centerboards het minst toegankelijk deel.


6. Veteranen en Replica’s

6.1 Wilhelmina

In het Zuiderzeemuseum ligt de houten Wilhelmina, die eerder is genoemd. Wilhelmina, van circa 1880, is nog geheel in oorspronkelijke staat, en geeft waarschijnlijk de beste indruk van een centerboard in de kleine open klasse tot 6 ton. 

6.2 Freya

De Freya uit 1887 vaart nog.  De stalen Freya is een midwaardjachtje van vergelijkbare afmetingen, maar een heel ander scheepje. 

Freya werd gebouwd als “Meeuw” voor de dominee van Terherne. De dominee zeilde op doktersadvies, om zijn zenuwgestel te sterken. Freya heeft het typische lijnenplan van een vroege centerboard, maar dan met een gedrongener en wat diepere romp, met meer vrijboord en stevige kimmen. De boot onderscheidt zich daarmee van de vlakke wedstrijdcenterboards. Freya werd gebouwd bij Bernhard in Amsterdam.
Freya heeft nu een roefje en vaste kiel, maar hield zijn klassieke lijnen en sobere uitstraling. Recent is de boot voorzien van een nieuw, klassiek kottertuig.

6.3 Sperwer

De herkomst van de Sperwer is niet zeker. De Sperwer is een wat kleinere centerboard. Het scheepje past geheel in de traditie van de 19e eeuwse wedstrijdcenterboards, met een extreme overhang achter, een sierlijke klipperboeg en een gestrekte, zeer ondiepe romp.

Links de Sperwer anno 2005, Rechts de Sperwer anno 2024

Het IJzeren scheepje zal tussen 1880 en 1900 zijn gebouwd. Ook de Sperwer heeft nu een vaste kiel. Ze is in de jaren twintig van een roefje voorzien, met karakteristieke beschilderde houten panelen binnen. Sperwer is in uitstekende staat en vaart onder een klassiek sloeptuig.

Impressie van de Sperwer met kajuit

De geschiedenis is vanaf 1926 bekend. De bouwer is onzeker. Er is gelijkenis met jachtjes van de werf Smit in Kinderdijk. Rond 1890 voer in Holland al een Sperwer van vergelijkbare afmetingen. Maar er zijn ook aanwijzingen dat het om de voormalige Cita van Hoolwerff gaat. Dat jachtje zou zijn gebouwd in België. Hoe dan ook: Sperwer is een unieke verschijning.

6.4 Stella Matutina

Van wat later datum is de Stella Matutina. De stalen Stella werd gebouwd door Auke van der Zee. Stella is (via vererving) steeds van de zelfde eigenaar gebleven. Hoewel opgeleverd in 1909 werd de Stella nog geheel volgens de tradities van het oude midzwaardjacht gebouwd. 

De Stella werd gebouwd als tourjachtje met kajuit. Het jacht is tot in alle details perfect bewaard gebleven en verdient de status van monument. De boot ligt in perfecte staat vaarklaar in een botenhuis in Friesland. Op een koperen knop in de kleerkast hangt de duffelse broek van de eerste eigenaar. De Stella is met 10 meter over alles wat groter dan de eerder genoemde jachten.

6.5 Pimpernel

Pimpernel is een bekende verschijning op reüniën en wedstrijden van klassieke scherpe jachten. 
Pimpernel laat nog steeds zien dat het oude scow-type  snel kan zijn. Ze vaart vooraan mee tussen de Nederlandse Gaffers. 
Voor een stevige wind wil de boot ondanks zijn gewicht planeren. Dat  is niet zonder risico.  Zakt de boot terug uit plané, dan moet volgens de eigenaar worden opgepast voor de hoog oplopende hekgolf.  Weinig gaffelaars zullen de Pimpernel dit kunstje nadoen.

Pimpernel laat nog steeds zien hoe snel het oude type van de vlakke centerboard kan zijn. Zou de huidige vaste kiel weer worden vervangen door het oorspronkelijke zwaard dan zou dit de zeileigenschappen misschien nog verbeteren. De herkomst van Pimpernel is niet bekend, maar wellicht in Engeland te zoeken. De ijzeren Pimpernel is waarschijnlijk rond of voor 1900 gebouwd.

6.6 Buitenland

Replica’s van de oudste kieljachten en centerboards zijn in Nederland niet gebouwd.

Links de Sorceress en rechts de Bull

In de USA daarentegen varen een paar schitterende copieën van originele 19e eeuwse sandbaggers, zoals de zusterschepen  Bull en Bear en de Scorceress. 
Bull en Bear varen regelmatig spectaculaire wedstrijden, onder meer in de baai van New York. In Frankrijk is in 2004 de sandbagger Ten Years After gebouwd, die regelmatig op evenementen verschijnt.

Replica ten years after

In het museum Mystic Seaport (USA) ligt de beroemde Annie, een originele sandbagger. Annie lag eerst voor de wal. Recent is de boot geheel gerestaureerd en ze scheert sindsdien weer regelmatig over het water, mét zandzakken. 

Van de grotere buitenlandse jachten zijn er gelukkig meer bewaard gebleven of recent nagebouwd. Daarover is veel gepubliceerd.


Deel B Gedocumenteerde jachten per wedstrijdklasse

1. Klasse 2-4 ton

DNS = tijdschrift De Nederlandsche Sport, met jaargang of volgnummer
SM = Scheepvaartmuseum Amsterdam

1.1 Wilhelmina

Wilhelmina is de vermoedelijk enige bewaard gebleven klassieke houten centerboard. Wilhelmina was langdurig in eigendom bij de familie Veen. Later was de boot van Ferwerda. Het was een snelle zeiler, die op wedstrijden vaak voorin zat. Wilhelmina werd waarschijnlijk begin jaren '80 gebouwd. Het Fries scheepvaartmuseum veronderstelt dat de boot in Amsterdam is gebouwd. In het Zuiderzeemuseum is sprake van de herkomst "Momburg" Dat laatste kan een verbastering van Hamburg zijn, wat zou kunnen betekenen dat ook dit jacht door werf Heidtmann is gebouwd. Het is een gematigd ontwerp met rechte voorsteven en gestrekte lijnen. Het vertoont gelijkenis met de oude Duitse Rennjolle.
Wilhelmina werd hard gezeild. Ze werd in 1891 gemeten "met zes zakken grint". Buiten de wedstrijden had het jacht een hoge afneembare roefkap.

Ze krijgt in 1895 een nieuwe huid, en is daarna opnieuw een gerespecteerde concurrent. Over de Wilhelmina bestaat veel documentatie. Er is tot na de oorlog veel mee gezeild.
Het originele jacht staat sinds 1989 in volle glorie opgesteld in het Zuiderzeemuseum. Er zijn foto's, tekeningen en documentatie over de respectievelijke eigenaren. Het Fries Scheepvaartmuseum exposeert een mooi recent model. In het archief van de werf  Bernhard zit een tot in details gelijkend lijnenplan. Dat ontwerp is wat gestrekter, zonder aanduiding van een midzwaard.

1.2 Mouette

In 1891 vermeldt DNS het nieuwe "kottertje" Mouette van Grisar. Het jachtje zou een zware loden kiel hebben. Mouette bleek later zeer succesvol, en won op het thuiswater in Antwerpen vrijwel alles. Mouette verscheen ook in Holland aan de start en was ook daar succesvol.
Mouette ("1895") was een Vlaams jachtje, van een eigenaar uit Antwerpen.
Een lijnenplan ligt waarschijnlijk onder vd.nr. 15820 (IV-G-60) in het SM, overigens met de foutieve vermelding "10.60 x 3.60". Deze blauwdruk is op fiche nauwelijks leesbaar. Blijkens het meetregister zijn de werkelijke afmetingen:
los     8.67
W      6.37
brd    2.30

1.3 Vlieg

De Vlieg werd in 1895 door en voor Molenpage in Amsterdam "bij De Omval" gebouwd. Het was een lichte centerboard met zeer lange overhangen, gebouwd voor wedstrijden. Vóór had de boot een heel licht gekromde lepelboeg. Molenpage maakte zelf het ontwerp, en oogstte voor zijn zelfstandige initiatief veel bewondering. Het jachtje had een sloeptuig met holle mast en een bamboe (!) gaffel. De ijzeren kiel woog slechts 75 kg, het zwaard van 2,00 x 0,75 m was 80.kg.
In DNS nr 667 is een foto (zijaanzicht) afgebeeld bij licht weer. Het profiel doet denken aan dat van de engelse 1-rater Sorceress, zoals afgebeeld in Dixon Kemp.
De Vlieg blijkt in haar klasse een snelle zeiler. Ze weet ook in sterk bezette wedstrijden prijzen te winnen.

1.4 Silvana

Silvana werd in 1890 in Hamburg door de werf Heidtman gebouwd en per stoomschip in Nederland afgeleverd. Het was een sierlijk jachtje met een sterk vallende klipperboeg en gestrekte lijnen achterin. Ze had een kiel met (volgens een vermelding in DNS) 950 kilo lood. Wellicht is dat een vergissing: het lijkt nogal veel.
Fok en grootzeil waren samen 74 m2.
Eigenaar was Teves, die eerder de Tjandi bezat. In het Fries Scheepvaartmuseum hangt een mooi halfmodel van de Silvana. Er is een aantal foto's van het jachtje tijdens wedstrijden in Friesland.
loa 9.00
lwl 7.00
brd 3.00

1.5 Gitana

Gitana werd in 1892 door Bernhard gebouwd voor Van Pallandt. Het was een zeer breed en ondiep scheepje met rechte voorsteven en onder water schrale lijnen. Het ontwerp was afgeleid van de grotere en zes jaar oudere Yum Yum. Het was blijkens correspondentie de opzet om naar dit ontwerp meerdere jachtjes te bouwen, maar nergens blijkt dat dit werkelijk is gelukt.Gitana bleek zeer snel. Het was een van de weinige scheepjes die de Mouette partij konden geven. Bestek, lijnenplan en tuigplan bleven bewaard in het Scheepvaartmuseum (A'dam)


2. Klasse 4-6 ton

DNS = tijdschrift De Nederlandsche Sport, met jaargang of volgnummer
SM = Scheepvaartmuseum Amsterdam

2.1 Nautilus

Een Nautilus van de Amsterdammer Schutte wordt al genoemd als winnaar van een wedstrijd van de KNZRV in 1882. Nautilus wint dan van Marguerite en Eugenia.
Nautilus was een brede lage centerboard met rechte voorsteven, breed uitwaaierende boeg en brede lage spiegel. Ze was overnaads gebouwd en had een vaste lage roef met ronde voorzijde. Nautilus verscheen regelmatig aan de start in Friesland en was ook daar succesvol.

Er zijn afbeeldingen van de Nautilus in Sneek, onder meer tijdens de Sneeker Hardzeildag van 1883. Het Fries Scheepvaartmuseum bewaart de zilveren "Nautilus beker". Deze beker werd in 1890 gewonnen door de familie Schutte uit Amsterdam, met de gelijknamige centerboard, aldus het jaarboek van het Fries Scheepvaart Museum 1971-1972. Er is verwarring mogelijk met een tweede Nautilus of Nautiles, met klipperboeg.

2.2 Nautiles

In het archief Bernhard in het SM liggen een lijnenplan en halfmodel van de Nautiles, gedateerd op 1884. De naamgeving van het plan is cryptisch: "Nautiles, voorheen Union". Het zou blijkens bijschrift gaan om een ontwerp dat boven de waterlijn is aangepast. Van een centerboard Union is niets bekend. Het lijkt verder niet aannemelijk dat er in één van beide gevallen verwantschap is met de Nautilus die volgens overlevering dertig jaar eerder werd geïmporteerd uit de USA. De oudere Amerikaanse jachtjes hadden in de regel een aangehangen roer.

De Nautiles van het lijnenplan is een ondiepe centerboard met kajuit en klipperboeg. De kajuit heeft een rondlopende voorzijde en een achtkantig schijnlicht. De overhangen zijn kort. Het fries Scheepvaartmuseum heeft twee foto's van de Nautiles, zeilend onder fok en grootzeil. Het weinig gepiekte grootzeil heeft een korte rechte gaffel.

2.3 Johanna, later De Amstel

Johanna was een jacht van één van de Smitten. Het jacht is waarschijnlijk voor 1886 gebouwd. Er zijn foto's van de Johanna tijdens de Sneeker Hardzeildag, waarschijnlijk in 1883. ("Sneeker hardzeildag", Halbertsma Uitgever van Kampen pag 53). De volgende eigenaar was Hultzer, voorzitter van de vereniging De Amstel. De boot werd vanaf dat moment naar de vereniging vernoemd. Ze was zeer snel.
In 1887 en 1888 voerde de Amstel het veld in de klasse van 4 tot 6 ton aan. Aan die successen kwam een eind toen de Yum Yum van eigenaar Six zich in de strijd ging mengen. Ondanks verwoede pogingen van Hultzer en herhaalde refits, gedocumenteerd in DNS, kwam de Amstel daarna niet meer terug.
Er is verwarring mogelijk met een andere Johanna, eveneens van een Smit. Deze Johanna was een veel grotere kotter van 13.86 meter op de waterlijn.
los 10.20
W 8.33

2.4 Hollandia

Er is al een Hollondia (van Vink en Schouten) in 1886. De Hollandia is tot na 1890 een zeer succesvoljacht. Later is Veder de eigenaar. Hollandia liep aan de wind hard, harder dan Yum Yum. Voor de wind werd die voorsprong in de regel weer verspeeld. Schipper en bemanning van Hollandia werden vaak geroemd om hun kundigheid. Ze vormden een vaste verschijning voorin het veld. Hollandia heeft waarschijnlijk sterk geleken op een ontwerp van Bernhard voor een jacht van 11.35 m. Hiervan bestaan een lijnenplan en origineel halfmodel. Dit ontwerp vertoont een frappante gelijkenis met een groter Duits jacht dat is afgebeeld in Kunhardt.

Het type maakt een solide indruk, gestrekt en met minder holle lijnen en meer vrijboord dan bijvoorbeeld de nerveuze Yum Yum. In het SM ligt een fraaie foto met het opschrift "Hollandia" van een overeenkomstige centerboard tijdens wedstrijden op de Braassem. Het is niet zeker of dit de bewuste centerboard is, of dat wordt verwezen naar de organiserende vereniging van gelijke naam. Hollandia zal gezien de meting waarschijnlijk een rechte voorsteven hebben gehad.

Naamplaatje

2.5 Yum Yum

Yum Yum werd onder de naam Nellie voor Kol gebouwd op de werf Bernhard. Waarschijnlijk kwam de boot in 1886 gereed. In 1887 en 1888 bleek ze aanvankelijk minder snel dan de eerder genoemde concurrent Amstel.
In 1889 verscheen Yum Yum op wedstrijden onder de naam waaronder ze later bekend zou blijven. De naam is waarschijnlijk ontleend aan de destijds populaire operette Mikado. Daarin figureerde een Japanse schone van deze naam.

Eigenaar was nu Six. Six was voorzitter van de KZRV en zeilde met Bangert, Ze waren begaafde zeilers. Op de pinksterwedstrijden in 1890 in Amsterdam, versloeg ze de Amstel royaal. Vanaf dat moment voerde Yum Yum het veld aan. Later dat jaar (op 28 september) werd revanche geboden in een te houden wedstrijd op de Nieuwe Waterweg. Het werd een roemruchte prestigestrijd. Er werd gevaren van Rotterdam naar Hoek van Holland en retour. De twee tijden werden opgeteld. De wedstrijd werd door De Maas georganiseerd en omkleed met een uitgebreid programma. Er was veel publiek. Yum Yum en Amstel vochten hun strijd uit in een open wedstrijd in de categorie van 4 tot 6 ton. Daarnaast waren er wedstrijden voor jachten in de andere categorieën.
Van het evenement staat een beeldend verslag in Het Sportblad en DNS van begin oktober.
Aan de wind, op de heenweg richting Hoek van Holland, werden Yum Yum en Amstel ruim voorbij gelopen door de verassend snelle Hollandia. Op de terugweg viel de beslissing en "ging Yum Yum op de van haar bekende wijze weer vliegen als een meeuw". In opgetelde tijd was Yum Yum uiteindelijk slechts 8 seconden sneller dan de Hollandia. Het verschil met de Amstel was aanzienlijk.
Ondanks het bij deze gelegenheid geringe verschil met Hollandia werd geconcludeerd dat Yum Yum onbetwist de snelste van het veld was. Hollandia kreeg veel waardering voor haar onverwacht sterke tegenstand.

In 1891 kreeg Yum Yum een loden kiel, wat haar in staat zal hebben gesteld om nog meer tuig te voeren. Er is in dat jaar correspondentie tussen Bernhard en ontwerper Van Breen over de maat van het tuig. Van Breen waarschuwt dan voor het al te driest vergroten van het tuig: "bij kalm weertje zal 't wel gaan maar één onverwachte windstoot kan soms zo'n droeve les wezen". Maar: "de keus is geheel aan uw schrandere bevarenheid en praktische ervaringen." Was getekend "Na minzaam groeten Hoogachtend Uw dienaar H.L. van Breen". Het is overigens ook mogelijk dat het hier om de voorbereiding van de beoogde opvolger Waterlelie gaat.
Bij meting van de Yum Yum in 1891 is sprake van 5 zakken ballast.
Door zilversmid Begeer werd voor de vereniging Hollandia in 1891 een "prachtige zilveren medaille" geleverd met en gedetailleerde afbeelding van de Yum Yum, en de naam van de vereniging in de rand. Wellicht is deze nog bij de vereniging Hollandia in bezit.
Yum Yum hield haar positie tot 1894. Toen liep een nieuwe jacht van stapel dat was gebouwd om haar te verslaan.
Van Yum Yum bestaan foto's, lijnenplan, bestek en wedstrijdverslagen.

Discussie: 
Vaak is de afgelopen decennia opgeschreven dat de Yum Yum een stalen centerboard was. Maar zelf heb ik daarvoor in originele bronnen nooit enige aanwijzing gevonden. Ik betwijfel of de werf in 1884 de bewerking van staal al voldoende beheerste om zo’n complexe rompvorm perfect strokend en licht genoeg te bouwen.  Op bijgaande oude foto lijkt het eerder dat de huid was opgetrokken uit latten, zoals ook de Wilhelmina in het ZZM. De Wilhelmina werd vermoedelijk bij  Heidtmann in Hamburg (“Homburg”) gebouwd. De werf  Heidtmann leverde ook andere centerboards voor Nederlandse eigenaren. Het is wat mij betreft aannemelijk dat Bernhard dezelfde bouwwijze heeft toegepast. Maar ik zal er niet om strijden. Zeker weten we zulke dingen niet. 

Afbeelding in het blad "Averij"

2.6 Trekvogel (voorheen Truida van Smit)

De Trekvogel was een stalen centerboard. De boot was onder meer verenigingsjacht van de zeilvereniging Het IJ. Er is heel veel mee gevaren waarmee de boot een bekende verschijning was in Amsterdam en op de Zuiderzee. De Trekvogel verscheen soms in wedstrijden en wist een enkele keer te winnen. Het was een laag jacht met een steile klipperboeg. De Trekvogel zou volgens een latere eigenaar de neiging hebben om voor de wind flink te dompen. Het jacht had daarom karretjes met ballast, die naar achteren konden worden gereden. Foto en korte beschrijving staan in het boek "Zwervend langs het IJsselmeer" van Wim Kuyper (toen Twee Gebroeders). De boot was onder meer van Smit, Claasen, De Vries Lentsch en verenigingsboot van Het IJ. Waarschijnlijk werd de boot bij Smit in Kinderdijk gebouwd. Er is alleen een foto bekend, en vermeldingen in uitslagen en schepenlijsten.

loa 9.05
Iwl 7.89
brd 3.28

2.7 Rival, ex Surprise

De Surprise was een ontwerp van Edward Burgess. Surprise werd in 1891 bij Feyenoord in Rotterdam gebouwd. Opdrachtgever was Van der Pot. Er werd heel veel van de Surprise verwacht. Ze was met enige bravour aangekondigd als puur wedstrijdjacht, dat de Yum Yum van de troon moest stoten.

Het scheepje was een compromis tussen kieljacht en centerboard. Het jachtje vormt een zuivere kloon van de amerikaanse cat-boats, met ondiepe kiel en zwaard. De mast stond extreem voorin, maar voor de rechte voorsteven zorgde een lange spriet toch voor een grote voordriehoek. In het voorjaar van 1891 liet de trotse opdrachtgever de tekeningen afdrukken in DNS.
Helaas, er mankeerde van alles aan de constructie van het jacht. Na de nodige zorgen werd de boot alsnog bij Feyenoord in orde gebracht. De naam Surprise kreeg daarmee een onbedoelde betekenis. Dit was voor eigenaar van der Pot een bittere pil en na alle kinderziektes doopte hij de boot om in Rival. Een rivaal voor de snelle centerboards bleek het kottertje helaas ook al niet. Het jachtje dompte en liet zich op wedstrijden na een mislukt eerste optreden (de boegspriet brak af) nauwelijks meer zien. Een jaar later werd de Rival verkocht aan een nieuwe eigenaar. Rival was één van de laatste ontwerpen van een groot scheepsbouwer. Burgess overleed in het jaar van de twaterlating. Lijnenplan en zeilplan met beschrijving staan in DNS 465/466, 1891 Ook in het SM liggen een tuig- en lijnenplan.

2.8 Ventie poeh / Waterlelie

Een lid van de KZRV loofde op 28-11-93 tijdens de a.l.v. blijkens DNS een prijs van 100 gulden uit voor "een nieuw te bouwen jacht, dat in haar klasse de Yum Yum weet te verslaan." Elders in het blad staat een tweede bericht van de redactie: "Er ligt een ontwerp bij een bouwmeester met naam van een goede klank. Deze is bereid 50% van de kostprijs te laten vallen als de boot trager is dan de Yum Yum. Daarom .. een oproep aan een ieder om de Yum Yum de eer van het snelste jacht te zijn te betwisten". Zie DNS nr 593, 2-12-93, pag 6.

De bouwer van naam was Bernhard. Zijn initiatief is terug te vinden in het werfarchief, bewaard bij Het Kromhout, onder de werktitel "Ventie-Poeh". Bernhard was er uiteraard op uit dat de kroon van de Yum Yum zou overgaan naar een ander jacht van zijn werf. Hij zal extra zijn geprikkeld door het bericht dat bij De Vink in Gouwsluis voor Baron Van Pallandt al een centerboard op stapel stond. Van Pallandt wilde met zijn nieuwe jacht "naar een beroemd Amerikaans ontwerp" de strijd aanbinden met de Yum Yum (DNS 29-7-93). En verder was er het gerucht over de "racemachine" die in Rotterdam zou worden gebouwd (Surprise, zie boven).
Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat het om dezelfde reden Bernhard zelf was die (anoniem) de prijs van 100 gulden heeft uitgeloofd, als lokker voor zijn ontwerp.
Toch vindt Bernhard voor de boot, die hij later Waterlelie noemt, geen opdrachtgever.

Uiteindelijk bouwt hij de Waterlelie in 1898 geheel voor eigen rekening. DNS vermeldt in dat jaar de tewaterlating. Bij de eerste thuiswedstrijd op het IJ is de boot echter niet succesvol. Het jacht van Van Pallandt had al vier jaar eerder de hegemonie overgenomen en stond deze niet meer af. De Waterlelie komt op het IJ op grote afstand binnen. Bij de vervolgwedstrijden een week later op de Zuiderzee geeft de Waterlelie kort na de start zelfs op. Bernhard behaalt ook later met de Waterlelie geen aansprekende successen.
De boot wordt volgens informatie van het Fries Scheepvaartmuseum verkocht aan H. Van Breemen. Bernhard zal er geen goede herinneringen aan over hebben gehouden.
In 1903 is de boot van Albert Velsink (Sneek). In 1898, 1907, 1910 en 1911 wordt deelname aan de Hardzeildag in Sneek vermeld. Het jacht komt ook uit op wedstrijden in Holland. De boot heeft dan een vaste kajuit.

De Waterlelie was naar ontwerp zeker een spectaculair jacht en buitengewoon sierlijk. De lijnen van de Yum Yum zijn in dit scheepje gecombineerd met een extreem slank voor- en achterschip met zeer grote overhangen en een sterk vallende klipperboeg. Het lijnenplan ligt in het SM.
Een showmodel in vitrine staat in depot in het Zuiderzeemuseum. Het jacht roept associaties op met een sierlijke vlinder.
Waterlelie leek snel maar helaas, ze was het niet.

2.9 Mascotte

In 1894 ging bij De Vink in Gouwsluis het nieuwe jacht van Van Pallandt te water. Dit jacht, de Mascotte is al snel tegen Yum Yum opgewassen en blijkt in de loop van het jaar inderdaad superieur. In nr 621 van DNS staat een beeldend verslag van één van de vele confrontaties tussen Mascotte en Yum Yum. Zoals meestal trekt Mascotte aan het langste eind. Dankzij veel stuurmanskunst en een goed getrainde bemanning weet Yum Yum niettemin nog regelmatig prijzen te pakken. De Mascotte had, net als de Waterlelie, extreem grote overhangen voor en achter. Maar afgaande op foto's had de Mascotte minder holle lijnen, een diepe lepelboeg en een breder en vlakker achterschip. Mascotte zal daarmee bij helling meer profijt hebben gehad van een verlengde waterlijn. Voor de wind zal het vlakke achterschip bovendien voordeel hebben gegeven. Mascotte was daarmee een moderner ontwerp.

Afmetingen Mascotte volgens DNS nr 580/1993:
los 10.90
iwi 7.13
breed 3.48
kettingmaat 4.27
Overhangen:
voor 1.91
achter 1.86
Board: 10 x 6 voet (!)

De wedstrijdtonnenmaat was 4.7 ton, gelijk aan de Yum Yum, maar kleiner en dus gunstiger dan de Waterlelie. Mascotte had een korte scheg voor het roer, en geen kiel. Het zwaard was, net als bij de Waterlelie, groot en diep.
Mascotte zette later ook in het buitenland haar zegetocht voort. Ze zeilde in 1900 op de Olympische Spelen in Parijs/Meulon naar de zilveren medaille in de klasse van 3 tot 10 ton. Het waren de eerste olympische zeilwedstrijden en het was de enige Nederlandse zeilmedaille in dat jaar.
Het prestige van de olympische wedstrijden was trouwens nog gering. De deelnemers waren vrijwel alle Frans. De organisatie was losjes. Bij de kleinere klassen, waar meer inschrijvingen waren, ontstond een chaos doordat de boten elkaar op de beperkte ruimte op de Seine voortdurend in de weg zaten. De grote jachten (groter dan 10 ton) zeilden in Le Havre. In DNS werden de wedstrijden aangekondigd als "een bezoek aan de wereldtentoonstelling in Parijs, en de daaraan verbonden zeilwedstrijden". Het was waarschijnlijk meer een evenement dan een wedstrijd. De Mascotte, gezeild door Smulders, ging niettemin naar huis met 1400 francs, de prijs voor een tweede en een vierde plaats. De resultaten van de twee wedstrijden werden niet opgeteld. Aan de uitslag en het verslag van de wedstrijden werd in DNS op geen enkele wijze aandacht besteed. Over de volledige uitslagen van de kleinere jachtjes is men het nooit helemaal eens geworden: niemand wist na afloop nog precies de finishvolgorde.
Mascotte markeert de overgang naar het modernere type Nederlandse open kieljachten van het begin van de 20e eeuw, zoals de bekende vierkante meterklassen. Vanaf 1903 werd ook het zeiloppervlak gemeten. De eerstvolgende olympische wedstrijden werden gezeild in de nieuwe internationale meterklassen.
Van Mascotte is alleen een enkele wat vage foto bekend.

Mascotte (fotoarchief Smit)

3. Klasse 8-12 ton

DNS = tijdschrift De Nederlandsche Sport, met jaargang of volgnummer
SM = Scheepvaartmuseum Amsterdam

3.1 Nellie, later Dauntless

Collecties Scheepvaart- en Zuiderzeemuseum)

Nellie was een middelgrote midzwaardkotter. Nellie, in 1887 gebouwd voor Kol op de werf Bernhard, was afgeleid van het succesvolle Duitse jacht Klabautermann. Op een aantal lijnenplannen is te zien hoe het aanvankelijke ontwerp is gewijzigd. Eerst had het jacht (Nellie) een rond hek. In het Zuiderzeemuseum hangt een prachtige foto van Nellie, hard zeilend met een knik in de schoot. In 1889 werd Nellie verkocht aan Van Vloten die haar grondig liet verbouwen. Er kwam een verlengd achterschip met recht hek, een hogere kajuit en een waterkering. De naam werd Dauntless. Het Zuiderzeemuseum heeft een origineel getuigd showmodel van de Dauntless. Dauntless had een wedstrijdmaat van 11,6 ton en paste daarmee nog net in haar klasse.
LOA 14.50m
LWL 11.00m
BRD 3.92m

3.2 Najade

Een zijaanzicht van de Najade ligt in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. Het plan is gedateerd 1891. Najade is een compacte klassiek kotterjachtje van bijna 10 meter lwl, met klipperboeg, matige overhangen en een royaal vrijboord. De romp is ondiep, misschien had ze een midzwaard. Het was een stalen jacht.

In het Meetregister komt een Najade van overeenkomstige afmetingen voor. Het jacht staat op naam van Gouda, een Amsterdammer. In wedstrijden speelt het jacht van Gouda geen rol van betekenis. Waarschijnlijk was het toen vooral een tourjacht.
Het Fries Scheepvaartmuseum heeft een aantal foto's van het jacht Najade van Wouda te Sneek. Deze foto's zijn waarschijnlijk van na 1900. Het kan om hetzelfde jacht gaan, de gelijkenis is groot. Wouda zeilt wel mee in wedstrijden.
Ioa 13.75
lwl 9.81
brd 3.50


4. Klasse 12-20 ton

DNS = tijdschrift De Nederlandsche Sport, met jaargang of volgnummer
SM = Scheepvaartmuseum Amsterdam

4.1 Osiris, Isis en Zwerver

De kotters Osiris, Isis en Zwerver werden in 1890 door William Fife in Schotland opgeleverd. Alle drie jachten maakten in dat jaar op eigen kiel een zware overtocht naar Nederland. Eigenaar werden respectievelijk en Von Rath, Hoyack en Kol. Isis, Osiris en Zwerver waren vrijwel identieke kotters van circa 16.50 meter over alles. Ze zullen hebben geleken op tijdgenoten van Fife zoals de in Australië nog varende Sayonara en de gedocumenteerde Engelse Minerva. Ze waren wel wat breder en waarschijnlijk minder diep.

Het was de opzet om het wedstrijdzeilen in deze klasse in Nederland met deze impuls te stimuleren. De kotters voeren inderdaad vooraan mee in de wedstrijden. De tegenstand kwam vooral en van de eveneens uit Engeland geïmporteerde Magnolia en van de centerboard Stella.
Van de Nederlandse Fife kotters is geen afbeelding bekend.

4.2 Stella

Een jacht van Nederlandse makelij was de Fife kotters vaak de baas. Dit jacht was de Stella, gebouwd bij Bernhard naar ontwerp van Carey Smith. Carey Smith had in de USA onder meer naam gemaakt als ontwerper van de snelle sandbagger Cornet en de succesvolle America's Cup verdediger Mischief. Stella was een sterk en compact jacht met rechte voorsteven. Hoewel over dek ruim 3 meter korter had het jacht vrijwel dezelfde wedstrijdmaat als de Fife kotters. In de Stella zijn de lijnen en het dekplan van de Mischief te herkennen, maar dan op een kortere en gedrongener romp. Het jacht had een zo groot midzwaard, dat er voor gekozen werd om ter hoogte van de zwaardkast de roef te scheiden in twee slaaphutten. Zo kon de zwaardkast tot het kajuitdak worden opgebouwd. De op comfort gestelde Hollandse jachteigenaren hadden voor deze compromisloze aanpak net weer wat minder waardering.

De levering van 3 jachten uit Schotland betekende voor de Nederlandse jachtbouw ongewenste concurrentie. Dat is terug te vinden in de onderhandelingen over de opdracht voor de Stella tussen opdrachtgever Vos van Hagestein en bouwmeester Bernhard. De opdrachtgever bedong voor dezelfde prijs een aantal extra's, verwijzend naar de lagere prijs in Schotland. Volgens Bernhard maakte zijn kwaliteit het prijsverschil overigens meer dan goed.
Aangenomen mag worden dat Bernhard tenslotte onder de kostprijs leverde. Koper en verkoper kregen zo hoe dan ook wat ze wilden: een winnend schip van topkwaliteit waarmee hun naam in de boeken kwam.
Stella was een relatief breed en sterk jacht met een hoog kottertuig. Het ontwerp is afgedrukt in Het Sportblad 1890 nr 17. Het bestek is ook bewaard gebleven, met wat correspondentie. In de publicatie "Uit het album van de Zuidwesthoek" staat een afbeelding van een grote onbekende kotter in de haven van Stavoren. Dit zou de Stella kunnen zijn.
Afmetingen Stella:

4.3 Magnolia

Gebouwd in 1889 in Engeland naar ontwerp en bouw van de bekende ontwerper Payne van Southamton. Haar naam in Engeland was Decima, haar eigenaar St Julian Arabin. Deze 10-rater kotter won in Engeland vele prijzen in haar eerste jaren. Daarna werd de boot gekocht door de Nederlandse eigenaar Laverge, omgedoopt tot Magnolia en voorzien van een meer luxueuze inrichting. Het was een klassieke kotter met een zeer lange overhang achter en een rechte voorsteven.

Vanaf 1891 verschijnt ze in Nederland aan de start, en strijdt vooraan mee. Een foto van Magnolia is afgebeeld in het gedenkboek 2001 van roei en zeilvereniging De Maas.
los 14.15
lwl 11.10
brd 3.15
diep 2.55 (8,5 voet)


5. Klasse groter dan 20 ton

DNS = tijdschrift De Nederlandsche Sport, met jaargang of volgnummer
SM = Scheepvaartmuseum Amsterdam

5.1 Johanna

Johanna van L. Smit uit Scheveningen was ook een grote kotter. Ze wordt genoemd in een namenlijst in DNS in 1886, met een lwl van 13.86. Verdere gegevens ontbreken, en in het latere meetregister komt de boot niet meer voor.
In het lustrum boek 2001 van de KRZV De Maas staat een foto van een jacht Johanna van deze afmetingen: een volbloed kotter met lange overhangen en een hoog tuig.
lwl 13.86

5.2 Sirene

De Sirene van eigenaar Bundten is gebouwd door Heidtmann.
Als Bundten in 1891 komt te overlijden gaat het jacht naar Ankersmit. De naam blijft gelijk. Rond 1925 vaart het jacht nog in Nederland onder de naam Breeveertien. Afbeeldingen zijn niet bekend.
Jos 19.33
lwl 16.53

5.3 Nevermind

Nevermind was besteld door Ankersmit bij de werf Heidtman. Ankersmit koos uiteindelijk voor de grotere Sirene. Het ontwerp van de Never Mind kwam hiermee vrij, het was op 11-11-1890 gereed. De opdracht wordt overgenomen door Gheel van Gildemeester.
In 1891 (DNS 469) komt de Nevermind van Van Gheel Gildemeester in Amsterdam aan. DNS vermeldt onder meer dat het jacht onder Lloyds special survey is gebouwd. Het jacht heeft zeilen van Lapthon en Ratseys, en een kiel met 6000 kg lood. Het jacht is relatief diep gebouwd, waardoor kon worden volstaan met en klein zwaard, waarvan de kast niet boven de kajuitvloer uit komt. Met de voor en achter licht oplopende kiellijn heeft de boot een licht weggesneden voor- en achterschip, wat de wendbaarheid ten goede kwam en het nat oppervlak verkleinde.
Heidtmann zou behalve de Nevermind en de Silvana ook de Sirene, Henriette Georgine en Blondine hebben gebouwd.
Originele lijnenplannen van Heidtmann (1891) + Nederlandse kopieën (1892) komen in het werfdossier Bernhard voor, SM.
Bovendien komt uit de werfboedel het identieke vitrinemodel, dat echter een oud naamkaartje heeft "Zwerver gebouwd door Bernhard in 1892 voor Kol." Van de bouw van een dergelijk jacht door Bernhard voor Kol is in DNS 1891/1895 echter geen spoor terug te vinden. Blijkbaar is het kaartje een vergissing, of was de wens de vader van de gedachte. Lijnenplannen en zeilplan van de Never Mind liggen in het SM.

los 18.49
lwl 13.96

5.4 Miage

Miage was een Vlaamse yawl, in 1887 Antwerpen op de werf Royers gebouwd voor baron de Vinck de Winnezeele uit dezelfde stad. Miage was een lange, slanke en ondiepe centerboard, met een extreem lange overhang achter. Het sierlijke jacht doet denken aan de Never Mind, maar dan langer en minder diep.
Miage werd verschillende keren gemeten en verscheen regelmatig op wedstrijden, ook in Nederland.
De wedstrijdmaat van Miage was vrijwel gelijk aan die van de Sirene. Het jacht zal een kleine 20 meter lang zijn geweest.

5.5 Freya

Naar de lijnen van Sirene en Nevermind II werd in 1894 voor van Biesen de nog grotere Freya gebouwd bij de werf Meursing in Nieuwendam. Het jacht was 20.00 meter en had waarschijnlijk (als één der eersten?) hulpstoomvermogen. Het verticale stoomketeltje was achterin de kuip getekend.

Er zijn een lijnenplan en foto's van het jacht op de werf en voor de kant bij Meursing. Meursing was een pionier in stalen schepen en jachten. De werf zou later in verval raken en (in 1916) door Bernhard worden overgenomen.

De onbekende grote kotter "in Groningen", afgebeeld op een ansichtkaart in het Fries Scheepvaartmuseum is waarschijnlijk onderstaand jacht.
LOS 20.00m


Literatuurlijst

Collecties Amsterdams Scheepvaart museum, Fries Scheepvaartmuseum, Maritiem Museum Prins Hendrik
Modellen, lijnenplannen en tuigplannen
Catalogi in te zien via Maritiem Digitaal
Zoektermen o.a:
Centerboard
"Naam jacht"
Bernhard
Scheepswerf Het Jacht
Meursing
Kieljacht
Midzwaardjacht
Zie ook apart bestand met archief nummers Maritiem Digitaal.
In Amsterdams Scheepvaart Museum zijn lijnenplannen in de bibliotheek op microfiche beschikbaar.
Zie ook de eigen database op de site van het Fries Scheepvaartmuseum.


Dossiers Scheepswerf Het Jacht, in depot bij museum Het Kromhout Amsterdam
Niet gearchiveerd, in te zien op afspraak, zie met name dossier "Jachten-1"

De Nederlandsche Sport 1882-1930 
Zie aanvraagnr 581 A 1, Koninklijke Bibliotheek Den Haag
NB: diverse schepenlijsten

Het Sportblad 1889-1890
Zie aanvraagnr 581 A 2, 581 A 3, Koninklijke Bibliotheek Den Haag

De Waterkampioen 1947, pag. 396-398, Artikel „Kiel- en Kimbooten”
Zie Bijlagen

Artikel "De bakermat der Amsterdamse zolderschuit"
Ons Amsterdam 1949, pag 166-167

Spiegel der Zeilvaart 2005 maart nummer 2: "Rietschuivers en Brillendozen"
Zie Bijlagen

Nederlandse Deelnemers aan de tweede Olympische Spelen tijdens de Olympische Spelen van 1900
Ton Bijkerk
Jaar: 2000
Uitgever: de Vrieseborch
https://www.mulierinstituut.nl/publicaties/26903/nederlandse-deelnemers-aan-de-tweede-olympische-spelen/
ISBN: 90-6076-478-1
12.50 euro
Aanvraagnummer KB: 2235242 DEPOTEXEMPLAAR (geblokkeerd (?))
(Mascotte won toen zilver)

Het water op - 400 jaar pleziervaart in Nederland
(jubileumuitgave KNWV, bevat onder meer de eerste geschiedenis van de zeilverenigingen) 1990, Jorissen, Kramer en Lengkeek.

Meetregister van de KNZRV 1890-1896
Scheepvaartmuseum Amsterdam
Zie Bijlagen

Archief zeilvereniging Het IJ o.a:
Het IJ 1885-1925
1993-1600
Jaarboekje 1888
1993-1653
Notulen 1885-1900
1993-1585
cursieve nrs maritiem digitaal, aanwezig en in te zin in Scheepvaartmuseum via bibliotheek, Anton Oordwijn
zie ook andere nrs in de serie 1585-1691,oa nrs 1671/1681 met verslagen en programma's van wedstrijden

Schepenlijsten vermeld in De Nederlandsche Sport 
(DNS = De Nederlandsche Sport, met volgnummer)
Lijst van plezierjachten: zie 1886 DNS 210
Lijst van jachten van leden van de KNZRV: zie 1891 DNS 462
In 1890 door KNZRV door de officiële commissie gemeten jachten: zie 1891 DNS 463
Tot eind 1891 door de officiële commissie gemeten jachten: zie 1892 DNS 504
In 1891 door de officiële commissie gemeten jachten: zie 1892 DNS 500
Toewijzing ligplaatsen in de haven van de KNZRV: zie 1891 DNS 462: Zwerver, Wildeman, Sirene, Osiris, Isis, Magdalena, Girofla, Flevo, Yum Yum, Parkeler, Noorman, Sylphide, Dauntless, Nydia
DNS is in te zien in Koninklijke Bibliotheek Den Haag
Zie Bijlagen

Bladzijden uit de geschiedenis der jachthavens en van de zeilsport te Amsterdam vereniging het IJ
In te zien in bibliotheek Maritiem Museum Rotterdam.

Sneeker Hardzeildag 
H Halbertsma
uitgave Van Kampen (Gosse)

Jubileum boek KNRZV De Maas 1851-2001
in te zien bij Maritiem Museum Rotterdam.

Engelstalig

Traditions and memories of American Yachting
W.P. Stevens
gebundelde artikelen in Motor Boating
international marine publishing company
1981

American sailing craft
Howard Chapelle 
Bonanza books

C.P. Kunhardt
Small yachts, their design and construction
ISBN 0937.822.019
Maritiem Digitaal, scheepvaartmuseum
S.0804 (05)
S.2725(nr.0006)
RA.1367(03)
American Yachts and Yachting
Fred S. Cozzens
Cassell&Company
1887
in te zien in Maritiem Museum Rotterdam

Dixon Kemp
A manual of yacht design and boat sailing
ISBN 0907.069-56-8 Ashford publishing
Maritiem Digitaal, scheepvaartmuseum
S.2725(0001)
S.3155(0001)
Tevens in te zien in Maritiem Museum Rotterdam

The sailing boat
H.C.Folkard
Edward Stanford/London 
1901

Sandbagger in general, cruiser in particular,
Rob Napier, Nautical Research Journal, volume 34, 1989, p33-43
artikel over sandbaggers en de beschrijving van een model hiervan gemaakt en een hele lijst verwijzingen: Camiel van Drimmelen

Duits

Seglers Handbuch
Georg Belitz
1897
in te zien bij de Deutsche digitale Bibliothek en op site "Yachtsport Archiv"

Katechismus des Segelsports
Otto Gusti
1898
in te zien op site "Yachtsport Archiv"

Diverse internetsites via google

Zoekterm oa:

  • Yacht sport Archiv
  • Maritiem Digitaal
  • Fries Scheepvaartmuseum

Bestekken

Jaap Bernhard schrijft:
Er zijn zes bestekken van centerboards, die voor NA Bernhard destijds werden opgesteld tbv de spantuitslagen. Een enkele keer met een aanbiedingsbriefje er bij van M.L van Breen. De originelen liggen verscholen in mappen in Het Kromhout. Ik heb uit een bestek een keer op millimeterpapier een spantenraam opgetrokken. Fascinerend: het jacht verschijnt opeens voor je. Ze zijn soms lastig te begrijpen, soms moeilijk leesbaar en visueel zijn ze niet spectaculair. Deze tabellen vormden het DNA van de jachten. 

De centerboard Yum Yum

Yum Yum

Bijlagen

Bijlage 1: Literatuur

De Waterkampioen 1947, pag. 396-398, Artikel „Kiel- en Kimbooten”
In de oude wedstrijdprogramma's uit de eerste tientallen jaren van het bestaan der Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging vinden we tal van boottypes genoemde die wij thans niet gemakkelijk kunnen thuisbrengen. Wij krijgen de indruk, dat er veel te weinig gegevens zijn overgebleven om, na slechts honderd jaar, nog een volledig beeld te krijgen van de jachten, waarmede onze grootvaders en overgrootvaders zeilden. Het is te hopen, dat dit onderwerp eens in studie zal worden genomen het is dat waard, zowel voor wat betreft de ronde- en platbodem-jachten, als voor de scherpe schepen. Terwijl verschillende oud-Nederlandse soorten nooit meer genoemd worden, omdat ze volledig zijn uitgestorven en vermoedelijk slechts oude modellen en prenten uitsluitsel kunnen brengen, is het met de scherpe jachten anders gesteld. Immers, werden de ronde schepen eigenlijk nooit naar een tekening gemaakt, met de scherpe is dit wel zo.

Nederlandse jachten 1875-1975 - Elisabeth Spits

Toen Nicolaas Bernhard in 188o zijn vader opvolgde als scheepsbouwer was een kieljacht het toppunt van moderne jachtbouw.
Gosse Aardema en Mille de Koe uit Lemmer zijn de eigenaar van zo'n scheepje een varend monument, de Freya. Na het nodige speurwerk, onder andere in de collectie van het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek en in het Fries Historisch en Letterkundig Centrum Tresoar in Leeuwarden en met een beetje geluk, kwam de geschiedenis boven water. Het schip bleek gebouwd te zijn bij scheepswerf Het Jagt in Amsterdam. Daar liepen in de laatste decennia van de negentiende eeuw regelmatig midzwaardjachten als de Freya van stapel. Zowel bij de nazaten van de oprichters van de werf, de familie Bernhard, als in de collectie van het Nederlands Scheepvaartmuseum zijn bouwtekeningen en scheepsmodellen bewaard gebleven. Van de Meeuw, de eerste naam van de Freya, bestaan geen tekeningen. meer, maar er is wel een halfmodel dat onmiskenbaar de lijnen van de Meeuw heeft. Een exacte datering is onbekend, maar circa 1885 komt aardig in de buurt. Opdrachtgever was de Friese schilder Tjomme Auke Stam (1845-1926). Hij beeldde zijn eigen schip af op een aquarel die zich in het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek bevindt, maar die ongedateerd is.

Scheepvaartmuseum: Jaarboek publicatie

Spiegel der Zeilvaart 2005 maart nummer 2: "Rietschuivers en Brillendozen"
Op een zonnige dag, het is de tweede helft 19e eeuw, verschijnt bij wedstrijden op het IJ in Amsterdam een eigenaardig jachtje aan de start. Het is rank en laag, met een sierlijke zeeg en een rechte voorsteven. De lange gaffel, giek en jagerboom bieden ruimte aan een wolk van zeilen. In de lichte wind maakt het scheepje een verbazingwekkende snelheid. Aan boord wordt hard gewerkt op schoten, zwaard en ballast. De tegenstand bestaat uit de snelste boeiers van het land. Ze worden gedeclasseerd tot ploegende werkpaarden. Een nieuwe klasse is geboren de Centerboard. Een energieke Amsterdamse scheepsbouwer ziet de kansen voor zijn bedrijf.
De eerste Nederlandse centerboard, de Nautilus, kwam in 1846 per schip uit de USA. De Amerikanen zeilden al langer met deze `sandbaggers' voor de oostkust hun wedstrijden, in beschut en ondiep water. In tegenstelling tot de grote kotters en schoeners waren Centerboards geen speeltjes van de rijken. Kroegbazen op de kade waren de exploitant. 

Spiegel der Zeilvaart juni 2007 nummer 5 - Kieljachten en Centerboards in de periode 1880-1900 (1)
In de tweede helft van de 19e eeuw verschenen de eerste scherpe jachten op het Nederlandse water. Over deze periode is in Nederland weinig gepubliceerd. In Spiegel der Zeilvaart van maart 2005 stond een ruwe schets van de opkomst van keelboten en centerboards. Tekeningen, modellen en foto's uit het archief van scheepswerf Het Jacht te Amsterdam waren hiervoor de basis. Met wat speurwerk bleek het mogelijk meer boven water te halen. Dit is het eerste deel van een serie van vier artikelen over deze intrigerende jachten. De volgende afleveringen gaan in op de strijd in de wedstrijdklasse van 4 tot 7 ton, de grote wedstrijdjachten en ontwikkelingen in het buitenland.

Spiegel der Zeilvaart juli 2007 nummer 6 - Kieljachten en Centerboards in de periode 1880-1900 - Klasse 4-7 ton (2)
In de jaren 1880-1900 zeilden scherpe jachten voor het eerst wedstrijden op basis van een vaste meetformule. Maar alleen de romp werd gemeten, het tuig was vrij. De maat werd uitgedrukt in wedstrijdtonnen. Er waren vijf klassen. Op het binnenwater was de middenklasse van 4 tot 7 ton toonaangevend. Dit waren jachtjes met de maat van een klassieke boeier, ruim 9 meter over dek. Voor in het veld voeren de centerboards lichte midzwaardjachten met een groot tuig. Veel ervaring had men met dit nieuwe type nog niet. Er werd volop geëxperimenteerd. Soms met succes, soms niet. In de eerste jaren kwamen er nog maar enkele centerboards aan de start.

Spiegel der Zeilvaart augustus-september 2007 nummer 7 - Kieljachten en Centerboards in de periode 1880-1900 - Grote Kotters (3)
Aan het eind van de 19e eeuw voeren de grote kajuitjachten hun wedstrijden in drie klassen van acht tot twaalf ton, van twaalf tot twintig ton en groter dan twintig ton. Een jacht van twaalf ton mat een kleine veertien meter over dek, een jacht van twintig ton ging naar de zestien meter en in de grootste klassen liep dat op naar twintig meter. Alle gemeten jachten waren kottergetuigd. De competitie was beperkt. Het waren kostbare schepen en het was een kleine vloot. De belangrijke wedstrijden werden gehouden op de Maas en op de Zuiderzee. Buitengaats werd er eens per jaar gezeild voor Scheveningen, het begin van de Northsea Regatta. De meeste strijd was er in de klasse van twaalf tot twintig ton. Dat veld werd gedomineerd door buitenlandse ontwerpers.

Spiegel der Zeilvaart oktober 2007 nummer 8 - Kieljachten en Centerboards in de periode 1880-1900 - Buitenland als voorbeeld (4)
In de i9e eeuw liep Nederland bij de ontwikkeling van scherpe jachten niet voorop. Hier werd gezeild in ronde en platbodemschepen. Traditie bood lang weerstand tegen de nieuwe trend. Als ten slotte rond 1880 de kieljachten ook bij ons doorbreken, is een kennisachterstand ontstaan. In het laatste deel ontdekken we uit welke landen in de ontwikkelingen voorop liepen. Rond de eeuwwisseling is de kennis over kieljachten gemeengoed geworden. In die smelt kroes verdween de scherpe tegenstelling tussen de Amerikaanse `centenboard sloop en de Engelse plank on edge kotter. Duitse, Engelse en Amerikaanse standaardwerken documenteerden de snelle ontwikkeling. Nederland maakte daar dankbaar gebruik van. De boeken bevatten een schat aan informatie die in ons eigen taalgebied niet is vastgelegd.


Bijlage 2: Meetregister van de KNZRV 1890-1896

1. Voorblad
2. Overzichtslijst gemeten scherpe jachten
3. Voorbeeld meetblad


Bijlage 3: Schepenlijsten vermeld in De Nederlandsche Sport

1. Alle gemeten vaartuigen 1890
2. Nieuw gemeten vaartuigen 1891
3. Jachten van leden van de KNZRV 1891
4. Alle gemeten vaartuigen 1891
5. Naamlijst van pleiziervaartuigen 1886


Bijlage 4: Informatiebladen van jachten conform Jachtenlijst Scheepswerf Het Jacht, opgesteld circa 1900

1. Jacht 1883
2. Nautiles
3. Willm Tell
4. Yum Yum
5. Sylvia
6. Meeuw (Freya)
7. Hollandia
8. Nellie (Dauntless)
9. Kimkieler
10. Paerl
11. Stella
12. Gitana
13. Never Mind
14. Waterlelie
15. Amerikaansche kielboot
16. Centerboard