Deel A Algemeen
1. De eerste scherpe jachten
1.1 Een tijd van veranderingen
Het Fin de Siecle, het einde van de negentiende eeuw, was een tijd van veranderingen. Er ging geld rond en er was ruimte voor vernieuwing. Het was de tijd van de Eiffeltoren, van het Cristal Palace in London en het Paleis van Volksvlijt in Amsterdam. Oude cultuur en nieuwe bouwwijzen werden gecombineerd. Naast de gevestigde orde verschenen nieuwe succesvolle ondernemers die uitdrukking wilden geven aan hun stand en daar ook de tijd voor hadden.

Sport ontwikkelde zich als vrijetijdsbesteding. Watersporters troffen elkaar op roei- en zeilverenigingen, die als paddenstoelen uit de grond schoten. Ervaringen en ideeën werden daar uitgewisseld. Tijdens zeilevenementen werd gestreden om de eer.
Naast het klassieke ambacht verschenen in de jachtbouw nieuwe en lichte bouwmethoden. Voor het eerst werd ook voor de zeilsport vanaf tekening gebouwd. Het internationale verkeer groeide en ook dat had invloed op de Nederlandse tradities.
1.2 De kotters
Op diep water werden al vóór 1850 wedstrijden met scherpe jachten gehouden, met name in Amsterdam en Rotterdam. Aan de start verschenen de paar grote kotters die Nederland rijk was en een enkele schoener.

Het kotterzeilen was voorbehouden aan een select gezelschap. De Prinsen Willem, Alexander en Hendrik waren prominente liefhebbers. In verslagen en op afbeeldingen duiken de namen op van de kotters Sperwer, Valk, Ondine, Paerel en Komeet en de prinselijke schoener No 1.
Het waren stoere schepen, scherp, zwaar en diep. Ze werden als jacht gezeild, met een hoog tuig. Maar ze hadden nog het karakter van beproefde beroepsschepen uit de visserij en het loodswezen op het ruime water. Een kotter stak al snel 2,50 meter diep.

Met het oprichten van de Amsterdamse Kottervereniging in 1852 werd geprobeerd om de klasse een bredere basis te geven. Maar op het Nederlandse binnenwater waar per traditie het meest werd gezeild, kwamen deze grote jongens niet tot recht. Een wedstrijd tussen drie kotters in 1852 werd volgens overlevering een treurig fiasco. De jachten liepen om de beurt aan de grond. In de grotere klasse zouden de kotters zich handhaven, maar er was concurrentie op komst. Er kwam een klasse die even snel was als de oude kotters, maar wendbaarder, handzamer en met minder diepgang: het moderne midwaardjacht, destijds aangeduid als “centerboard”.
1.3 De eerste centerboards
De eerste centerboards waren geïmporteerde Sandbaggers, van origine oestervissers van de Amerikaanse oostkust. Ze waren breed, ondiep en licht gebouwd. Ze hadden een scherpe rechte voorsteven, een brede platte spiegel met aangehangen roer en een groot cat-tuig. In wedstrijden werden ze later sloepgetuigd. De naam sloeg op de stapels zandzakken waarmee de scheepjes op het loefboord werden geballast.
Parole was een typisch voorbeeld van dit type.
De eerste Nederlandse centerboard die wordt genoemd was de Nautilus. Deze zou al in 1846 uit de USA zijn geïmporteerd. Er is verder weinig van bekend. In 1853 volgde een tweede exemplaar, geïmporteerd door de heer Rockwell. Op 20 juli werd dit jachtje gepresenteerd, tijdens wedstrijden van de Koninklijke Nederlandse Yacht Club op de Nieuwe Maas. Sillem, lid van de Koninklijke Zeil en Roei Vereniging, was onder indruk. Hij kocht het scheepje en bracht het naar Amsterdam.
In 1858 is sprake van een wedstrijd van twee centerboards: een geïmporteerd jacht Elise (het jacht van Sillem?) en een kleiner jacht Union, gebouwd in Nederland.
In 1853 werd ook in Engeland door Earl Mount Charles de eerste Amerikaanse sandbagger geïmporteerd. In Engeland werd het type “Unaboat“ genoemd. Duitsland volgde in 1862.
Van de eerste centerboards zijn geen op naam gestelde afbeeldingen bekend. Waarschijnlijk waren het catboats, zoals afgebeeld op een lijnenplan in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam en een model in het Maritiem Museum Rotterdam.
Hun snelheid en wendbaarheid baarden groot opzien. Toch brak het type niet meteen door. Er was niet veel ruimte voor vernieuwing. In 1874 waren bij de KNZ&RV nog maar 14 centerboardjachten bekend.
Maar er kwamen geleidelijk navolgers, de één gebouwd in Nederland, de ander geïmporteerd. Ze waren vaak sneller dan de klassieke ronde en platbodemschepen. Ook grotere jachten werden uitgerust met een midzwaard. De centerboards werden bij wedstrijden ondergebracht in een aparte klasse, samen met andere kieljachten als kotters en sloepen. Ze vormden de klasse van de “scherpe jachten”.
2. Buitenlandse voorbeelden
2.1 Op zoek naar nieuwe vormen
Met rompvormen werd in de beginjaren volop geëxperimenteerd. Het is arbitrair om daarin een eigen Nederlandse traditie te ontdekken. Vrijwel alle vormen zijn te herleiden tot buitenlandse voorbeelden. Er werd gekopieerd, aangepast en soms op een andere schaal gebouwd. Met trial and error werd er getornd aan de vuistregels van de oude scheepsmaker.
De praktijk is begrijpelijk. Nederland had een lange en rijke traditie van hardzeilerij in ronde en platbodemschepen. Dit heeft geleid tot beeldschone en geperfectioneerde jachten, zoals de statige boeier en het Friese jacht. In deze traditionele jachten mocht een man van stand gezien worden. Aan de ontwikkeling van scherpe jachten bestond in die situatie weinig behoefte. Op het moment dat de kieljachten uiteindelijk toch doorbraken was in Nederland een kennisachterstand ontstaan. In die situatie kon van de buitenlandse voorbeelden het meest worden geleerd.
Aan voorbeelden was er geen gebrek. Blijkens verwijzingen waren Engelstalige standaardwerken over jachtbouw hier bekend. Ook werden in het buitenland gericht ontwerpen besteld zoals voor de Stella, (ontwerp Carey Smith ) de Rival (ontwerp Burgess) en de Mascotte (“naar gerenommeerd Amerikaans ontwerp”). Er was verder een sterke invloed uit Noord-Duitsland. Verschillende nieuwe en bestaande jachten werden geïmporteerd.
Toen de Nederlandse werven de eigenaardigheden van het kieljacht eenmaal onder de knie hadden, werden ook hier schitterende jachten gebouwd. Maar er was voor een eigen Nederlandse traditie niet veel ruimte meer. De zeilsport was inmiddels internationaal georiënteerd.
In die zin overwonnen de ronde en platbodemschepen. Zij wisten door de eeuwen heen hun kenmerken te bewaren. Zij bepalen nog steeds het beeld van het typisch Nederlandse jacht.
2.2 Duitsland
Een aantal bekende Nederlandse jachten is gebouwd bij de werf Heidtmann in Hamburg. Heidtmann was vanaf 1864 de winterstalling van de Laura, het eerste uit Amerika naar Duitsland geïmporteerde midzwaardjacht. Laura was razendsnel. Laura was een volbloed sandbagger.

Heidtmann ging al snel zelf centerboards bouwen, en ook het grotere type midzwaardjacht ontwikkelde zich. Het relatief beschutte en ondiepe vaargebied rond Berlijn was bij uitstek geschikt voor de ranke centerboards. Ook stroomafwaarts op de Elbe werd volop gezeild.
Rond 1890 hield de ontwikkeling in Duitsland gelijk tred met die in de USA. Nieuwe types als de Gloriana werden direct overgenomen, vaak op wat kleinere schaal gebouwd en al dan niet voorzien van een midzwaard.
Typisch Duits lijkt het gestrekte type van de Rennjolle, dat model lijkt te hebben gestaan voor onder meer de Nederlandse Hollandia.
De werf Heidtmann leverde voor Nederlandse opdrachtgevers onder meer de Sylvana, de Henriette Georgine, de Blondine en de Never Mind, en de Sirene.De Never Mind stond later model voor de grote midzwaardkotter Freija.
De Yum Yum lijkt afgeleid van de Duitse centerboards zoals de 6 meter lange Germania.
2.3 Engeland en USA
Er was ook een Engelse invoed. In 1890 leverde Fife drie nieuwe grote kotters af voor Nederlandse opdrachtgevers, de Zwerver, Isis en Osiris. Deze hadden een lwl van ruim 12 meter. Hoewel afbeeldingen van deze kotters ontbreken mag worden aangenomen dat dit klassieke diepstekende en relatief smalle kotters waren. Tijdgenoten waren de (nog bestaande) Australische Fife kotter Sayonara en de voormalige Engelse winner Minerva, beide van vergelijkbare afmetingen.

In de Nederlandse wedstrijden concurreerden de Fife kotters en de Stella, een sterk van de kotters afwijkende centerboardjacht naar ontwerp van de Amerikaan Carey Smith. Carey Smith was enige jaren eerder ontwerper van de winnende Amerca’s Cupper Mischief. De verwantschap van de gedrongen Stella met de grotere Mischief is direct herkenbaar.

Magnolia, een geïmporteerd jacht gebouwd door de Engelsman Payne werd wat later een sterke opponent in de strijd in delfde klasse. Magnolia had eerder in Engeland onder de naam Decima haar strepen al verdiend.
De invoering van de Y.R.A. meting leidde vanaf 1887 in Engeland tot een serie kleinere jachten in de zogenaamde “rater” klassen. Er waren 0,5-, 1- en 2,5-raters. De Y.R.A. legde voor het eerst ook beperkingen op aan het zeiloppervlak. Dit leidde na wat experimenteren tot gemeenschappelijke kenmerken. De raters hadden in de regel een zeer ondiep en vrij brede romp, met vrij stevige kimmen.
Opvallend is de afwezigheid van holle lijnen in het spantenraam. De raters hadden een diepe, korte vaste kiel, waarbij de bulb zijn intrede deed.
De jachtjes maken daarmee nog steeds een moderne indruk. Een succesvol ontwerper van scows was Payne van Southampton. Hij tekende ondermeer de 1 rater Maharanee.

Het type werd wel als “scow” aangeduid. Scow was een ruim begrip. Zelfs een jacht als de legendarische America’s cupper Reliance werd door zijn ontwerper (met enig dedain!) aangeduid als scow.
Veel van de karakteristiek van de scow is te herkennen in de Pimpernel, één van de oudste Nederlandse scherpe jachten die nog in wedstrijden uitkomt.
2.4 Frankrijk
Frankrijk kende ook zijn centerboards. De tuigages zijn hier nog overdadiger dan in de noordelijke streken. Onder meer op de Seine bestond een vloot van deze lichte hooggetuigde scheepjes.
De Devil, een centerboardscheepje dat rond 1970 verloren ging, was waarschijnlijk zo’n “Seine-klasser”, zij het van later datum. De Devil was gebouwd van woodcore avant la lettre: drielagen kruislingse dunne latjes met gelakt taftdoek ertussen.
Roguelboche, later Viviane, was een centerboard van het eerste uur. Dit unieke jacht werd in 1856 gebouwd door de werf Guibert in Nantes. Het scheepje was geheel opgetrokken uit gegalvaniseerd plaatstaal. Romp en cockpit vormden één geheel.
Wellicht had de overal afgeronde romp geen of nauwelijks spanten. Er waren 8300 klinknagels nodig. Met dit innovatieve ontwerp werden de onbeperkte toepassingsmogelijkheden van het nieuwe materiaal gedemonstreerd. De bouwwijze resulteerde in een bijzonder licht scheepje.
De rompvorm was eveneens verbluffend. Van voren een Laser, van achteren een surfplank, en dan een meter of acht lang. Viviane was zeer snel, zij het weinig stabiel. Het enige dat dit jachtje dateert is het tuig. Op een zo geavanceerde romp lijkt het diepe gaffeltuig een treurig anachronisme.
Van een directe Franse invloed op de Nederlandse jachten is niets bekend.
2.5 Australië
Als curiosum moeten de “canvassers” van Sydney worden genoemd. Down Under ging het er nog ruiger aan toe dan aan de Amerikaanse oostkust.

De Australische Sydney Skiffs waren kleiner en lichter dan de Amerikaanse Sandbagger Sloops, maar ze voerden desondanks meer tuig, meer bemanning en meer zwaard. Dit type is tenslotte ontwikkeld tot de huidige vrije klasse van de “49’ers”.
3. Het ontwerp
3.1 ontwerpproces
In Nederland is eeuwenlang uit weerbarstig hout en merendeels op het oog gebouwd. Scheepsbouw was lang een ambacht, vooral bij kleinere scheepjes. Gelauwerde scheepsbouwers als Van der Zee in Friesland bouwden zo topschepen, waaronder de allermooiste boeiers. Alleen een naamplaat op de buitenmuur van de werf , en soms een genummerde schepenlijst of kasboek documenteerden de bouw. Het kiezen van de lijnen, soms met de hulp van strooklatten op mallen (of direct op de spanten) was een kwestie van gevoel, ervaring, traditie en een scherp oog. Bouwen was een kunst. Schepen die zo ontstonden zijn pas later opgemeten en gedocumenteerd.
Aan grotere beroepsschepen, en aan grote jachten werd vooraf wel al veel langer gerekend en getekend. Folkert Van Loon was begin 19e eeuw één der eersten die ook voor kleinere (klassieke) jachten een rationele en innovatieve ontwerpbenadering bepleitte.
Aan het eind van de 19e eeuw werd deze werkwijze voor het eerst breder toegepast bij de kleinere jachten. Voor scheepsbouwer Bernhard was dit een vaste routine. Er werd een lijnenplan gemaakt, een bestek, calculaties van materialen en gewicht, en een tuigplan. Bernhard schakelde daarvoor de beste, desnoods buitenlandse, ontwerpers in. Het bestek werd uitgezet op de werkvloer, en daarna werd gebouwd. Het ontwerp werd vooraf gecheckt met het maken van een gestapeld halfmodel. Zo’n model zal ook hebben geholpen om de opdrachtgever tot de dure aanschaf te verleiden. Dankzij deze werkwijze is van deze werf veel documentatie bewaard gebleven.
Jachtbouw veranderde daarna in korte tijd van een ambacht in een moderne bedrijfstak. Na 1900 werd de ontwerppraktijk al snel breed toegepast. De nieuwe ontwerppraktijk leidde tot snelle invoering van nieuwe vormen en inzichten, tot een rationele en controleerbare bedrijfsvoering, en tot een andere verhouding tussen bouwer en opdrachtgever. De opdrachtgever zag vooraf wat hij kreeg en kon scherpe afspraken maken.
Tenslotte ontstonden begin 19e eeuw de eerste eenheidsklassen, waarmee de zekerheid over de kwaliteit en gelijkwaardigheid van jachten definitief werd verzekerd.
3.2 De Wave line theorie
Kenmerkend voor de wat oudere jachtjes van rond of voor 1880 is de verhouding tussen vóór en achterschip. Het achterschip is opvallend vol en het voorschip schraal. M.a.w. de waterlijnen zijn voor hol en achter bol.

Dit was overeenkomstig de toenmalige inzichten, aangeduid als “waveline” theorie. De theorie was gebaseerd op golfonderzoek. Verondersteld werd dat een boot zich het snelst door het water beweegt als de romp de contramal is van de golfvorm. Dat leidde tot holle sinuslijnen in het voorschip, overgaand in parabolische lijnen in het achterschip.
Later zou uit sleepproeven blijken dat de theorie in beginsel juist was maar dat deze ten onrechte rechtstreeks was vertaald in het verloop van de breedte op de waterlijnen. Uit de sleepproeven bleek dat er geen aantoonbaar verband was tussen deze rompvorm en een weerstandsvoordeel. Als verklaring werd onder meer aangevoerd dat het water zich in praktijk niet via de waterlijnen langs een zeiljacht verplaatst, maar vooral via de sentlijnen. Het verloop van setlijnen werd later bepalender voor het ontwerp.
Werd de golftheorie niet op het verloop van de breedte maar op het verloop van het dwarsscheepse spantoppervlak onder de waterlijn toegepast, dan bleek de overeenkomstige rompvorm daarentegen wèl een aantoonbaar weerstandsvoordeel te bieden. Jachten van rond 1890 die opvallend snel waren, bleken vrijwel steeds aan deze verhoudingen te voldoen. Vanaf dat moment werd de kennis breed toegepast bij het ontwerp van (top-) wedstrijdjachten.
Of deze rekenkundige principes ook in Nederland bewust zijn toegepast is niet duidelijk. Waarschijnlijk zijn de rompvormen door navolging ook hier ingeburgerd. Na 1890 komt de extreme omgekeerde druppelvorm niet veel meer voor.
3.3 Op zoek naar snelheid
Het valt op dat nagenoeg alle laat-19e eeuwse Nederlandse wedstrijdjachten (net als in Duitsland) een doorgestoken roer met een forse achterover hang hebben, ook de kleinere centerboardsloepen.

Hiermee onderscheiden ze zich van hun eerste Amerikaanse voorbeelden, de sandbaggers. Deze hadden een aangehangen “barndoor” roer en een outrigger achter de spiegel. De outrigger was nodig om op de korte Amerikaanse romp de grootschoot te kunnen voeren. Dat was bij en langere overhang niet nodig

De keuze voor of tegen een achter overhang kan een kwestie van snelheid of van smaak en traditie zijn. Maar het werd waarschijnlijk vooral bepaald door de meetwijze. Destijds zal, net als nu, de kwaliteit van schipper en bemanning bepalend zijn geweest voor de successen. Er zijn verschillende voorbeelden van jachtjes die pas bij een latere eigenaar hun kwaliteiten toonden. Omdat theorie en wetenschappelijk onderzoek zo goed als ontbraken was het lastig om die kenmerken te onderscheiden die de snelheid werkelijk bepaalden. Veel kwam nog aan op intuïtie, gevoel voor verhoudingen en ervaring.
Soms lijkt een experiment ten onrechte te zijn gesneuveld. Het is haast niet voor te stellen dat de Rival, ontwerp van Burgess (ontwerper van winnende America’s Cuppers), zo slecht was als de resultaten doen vermoeden. Wellicht bestond hier niet de kennis hoe deze sterk afwijkende diepe catboat met midzwaard en boegspriet getrimd en gevaren moest worden. In de USA was dit type, zeker in ruwer water, wel degelijk succesvol.
Een curiosum is het eenmalige ontwerp van een kimkieler. Dit jachtje was afgeleid van de Yum Yum. Het spantenraam was nog breder en schraler met bijna holle lijnen in het grootspant. De twee enorme sikkelvormige zwaarden waren onder een hoek van 20 graden geplaatst. De zwaardkasten zaten verwerkt in de kuipwand. De bediening van de zwaarden was als bij de klassieke ronden jachten: het loefzwaard werd opgehaald. Dit jacht is voorzover bekend niet gebouwd.
Bij de grotere jachten lijkt het dat aan het eind van 19e eeuw een type komt bovendrijven dat zich bewijst. Het is een compromis tussen sloep en kotter. De romp is breder dan de klassieke Engelse kotter, en dieper dan de Amerikaanse centerboardsloep. De kimmen zijn gematigd. Bij de relatief diepe romp volstaat een klein centerboard. Er is een flinke achterover hang en een klipperboeg of rechte steven. Het is aannemelijk dat in deze jachten snelheid, comfort en schoonheid naar de Nederlandse maatstaven van die tijd het best werden gecombineerd.
De ondiepe Amerikaanse wedstrijdcenterboard werd zo aangepast tot een jacht dat met een kleinere bemanning snel en comfortabel kon worden gezeild. Ook bij harde wind en deining kon het eenvoudig in de hand worden gehouden. Aan de extreme diepe Engelse kotters was op het Nederlandse binnenwater in wezen geen behoefte, en hun binnenruimte was beperkt.
De Nederlandse scherpe jachten hadden in de regel en rechte, soms licht terugvallende voorsteven of een sierlijke klipperboeg. Beide vormen waren bedoeld om door het water te snijden. De klipperboeg gaf voorin meer reserve drijfvermogen, maar de betekende ook extra strafpunten bij meting over dek.
Rond 1890 maakte in het internationale wedstrijdcircuit de “Gloriana” boeg furore. Gloriana was een zeer succesvolle kotter van Herreshoff met een scherp weggesneden voorvoet en een lange nauwelijks gebogen lepelboeg. Het wegsnijden van de voorvoet vergrootte de wendbaarheid en verkleinde de wrijvingsweerstand. De lepelboeg tilde de boot over het water heen, waar de klassieke klipper- en rechte kottersteven veel dieper in het water groeven. De Gloriana zette daarmee de breed aanvaarde theorie op zijn kop.
Het werd een nieuwe standaard gezet, en zelfs een aantal bestaande jachten werd rücksichtloos naar dit type verbouwd. Later zou de de bocht van de lepelboeg nog dieper wordern. Een voorbeeld van het nieuwe type is de Duitse Pirat, een “Gloriana” van nog geen 9 meter lwl.
Er is een vergelijking te trekken naar de veel kleinere ranke engelse 1-raters. In Nederland voeren in de kleinere klassen ook zulke scheepjes rond, zoals de Vlieg van Molenpage.
Na 1900 zou voor grotere scherpe wedstrijdjachten de korte diepstekende ballastkiel, al dan niet met bulb, de algemene standaard worden.
3.4 Ontwerp en praktijk
Het is eigenaardig dat in originele lijnenplannen (cq halfmodellen) de horizontale doorsneden werden uitgezet ten opzichte van de onderkant van de kielbalk, d.w.z. ten opzichte van de bouwvloer.

Vooral in het spantenraam ontstaat een vertekend beeld van de rompvorm. In praktijk voorzag het ontwerp er in dat het jacht achter dieper stak dan voor. Dit betekent dat de feitelijke waterlijn niet parallel liep met de ontwerplijnen: achter lag het jacht dieper in het water dan de ontwerplijnen doen verwachten.
De lichte kleine centerboards met hun grote tuig en verplaatsbare ballast doen vermoeden dat deze ook de eigenschappen hadden om te kunnen planeren. Dit specifieke voordeel, vooral op ruime rakken, werd waarschijnlijk niet als een bijzonder verschijnsel herkend.
Het was blijkens wedstrijdverslagen niettemin een belangrijke succesfactor van een jacht als de Yum Yum. Zie citaat uit een wedstrijdverslag: “Maar Yum Yum ging voor de wind op de van haar bekende wijze weer vliegen als een meeuw”. Hetgeen niet verwonderlijk is gezien de brede platte bodem van dit jacht.
Omdat theorie over de mogelijkheden van het planeren ontbrak werd dit voordeel waarschijnlijk gezien als een bijkomstigheid en nauwelijks bewust gezocht.
3.5 Niet voor snelheid alleen
Het afwerkingsniveau was in Nederland in de regel hoog, waarschijnlijk gold dit vooral voor de grotere jachten. Een Nederlandse zeiler verwachtte een duurzaam en comfortabel jacht. Ontwerpen van Fife en Smith werden hier wat royaler ingericht, van duurzamer materiaal en zwaarder gebouwd. Dit ging ten koste van extra gewicht en het deed wat afbreuk aan de wedstrijdeigenschappen. Maar de Hollandse koopman wilde waar voor zijn geld.
Er werd behalve in hout ook gebouwd in geklonken staal of plaatijzer, en waarschijnlijk ook hybride dwz hout op staal. Het hout voor de romp was vooral eiken, waaronder het superieure “wagenschot”. Het dek is veelal van grenen.
De concurrentie uit het buitenland was groot. Fife in Schotland kon leveren tegen een lagere prijs.
Sommige zeiljachten zullen ook toen al zijn gebouwd als pure racemachine of als drijvend theepaviljoen, zonder veel scrupules over esthetica. Maar velen zeilden om gezien te worden, met een jacht dat de stijl en de waardigheid van de eigenaar onderstreept. Vrijwel alle ontwerpen stralen dit in meerdere of mindere mate uit. Er werd geen commentaar geschreven zonder aandacht voor de goede smaak.
Soms lijkt het dat de ontwerper schoonheid en snelheid niet meer wist te onderscheiden. De Waterlelie met haar vloeiende lijnen is op het eerste gezicht weinig anders dan een uiting van jugendstil in haar zuiverste vorm. Niettemin was de boot bedoeld als wedstrijdjacht zonder concessies. Aan die eisen voldeed het jacht niet, waarmee de Waterlelie in feite een mislukking was.
Niettemin is het één van de meest intrigerende ontwerpen: origineel, zonder precedent en beeldschoon.
Er werd ook knikspant gebouwd. Op saam gestelde Nederlandse voorbeelden zijn niet bekend. Wel zijn er tenminste twee modellen in de musea. Ook daaraan is te zien hoe is gezocht naar een vorm die schoonheid en snelheid verenigde.
3.6 Meting
Aanvankelijk werd alleen lengte op de waterlijn gemeten, met klassen kleiner dan 7,50 m, 7,50 tot 9.00 meter, en groter dan 9 meter.
Vervolgens werd vanaf circa 1885 gemeten door de officiele commissie van meting van de KNZRV volgens een Frans systeem, gebaseerd op loa, lwl, breedte en kettingmaat. De kettingmaat werd bepaald door een ketting dwarsscheeps onder de romp door te halen, en op het punt van de grootste omtrek strak te trekken. De lengte onderlangs van bovenkant boord tot bovenkant boord was de Kettingmaat.
In de meetformule werden Kettingmaat en grootste Breedte opgeteld tot de “Perimeter” (de omtrek van de romp). De formule voor meting was:

NB: Deze notatie is afgeleid uit de berekening van de wedstrijdmaten Waterlelie en Mascotte in het archief Bernhard. In het Metingsregister zelf wordt dezelfde formule wat anders genoteerd. De 10% toeslag gold alleen voor centerboards. Het lijkt (op basis van de meetgegevens in het register) dat een correctie voor de overhangen in praktijk niet werd toegepast. Hierdoor voeren jachtjes met rechte steven en met extreme klipperboeg bij gelijke waterlijn in hetzelfde veld.
De correctie voor overhangen bedroeg:

De meetwijze pakte gunstig uit voor centerboards. Een diep kieljacht werd via de kettingmaat zwaar belast, terwijl een ondiep jachtje met een groot board zoals de Yum Yum weg kwam met een opslag van 10%. Dit sloot aan bij de Nederlandse traditie, waarbij werd gezeild op relatief ondiep en beschut water.
Rond 1895 zijn wijzigingen in de meetwijze aangebracht: alle jachten hebben dan een wat grotere maat.
Vanaf 1903 wordt ook in Nederland het zeiloppervlak gemeten. Dan ontstaat snel meer uniformiteit in rompvormen en tuigages. De ongeremde vrije creativiteit van de periode 1880-1900 is voorbij.
4. Kenmerkende onderdelen
4.1 Tuigage
De centerboards voerden in de regel een sloep- of kottertuig. Het zeiloppervlak en de rondhouten werden aangepast aan de windsterkte. Een eenvoudig sloeptuig voor een kleine centerboard bestond uit een diepe fok op boegspriet en een grootzeil. De fok werd in de regel los gevoerd, en dus niet zoals in de USA op een boom. Het grootzeil lag met hoepels om de mast. Bij licht weer werd een gaffeltopzeil gevoerd op losse spieren. Voor de mast kon een kluiver of een grote jager of ballonfok worden bijgezet, eventueel op een losse kluiverboom.

De Yum Yum voerde bij zeer lichte wind achter het grootzeil nog een bezaan of broodwinner, een extra lap die op de verlengde giek werd uitgezet.
De Yum Yum voerde bij licht weer maximaal 135 m2 zeil op een waterlijn van nog geen 8.50 meter. Er is zelfs correspondentie over vergroting van het tuig tot 155 m2, maar het is niet duidelijk of ze daar mee gevaren heeft.
Voor de wind worden ook op grotere jachten alle zeilen bij gezet, zoals een foto van twee Vlaamse kotters op de Schelde laat zien.
Het is aannemelijk dat er ook met andere tuigvormen is geëxperimenteerd, zoals onder meer beschreven in Stephens en Kemp.
Vanaf 1890 wordt regelmatig voorgeteld om het tuig te gaan meten. Argument hiervoor: ”men komt met een geheele ligter beladen met tuigen, om het juiste op de wedstrijddag te kunnen kiezen”. Uiteindelijk gebeurde het pas vanaf 1903. Tot die tijd kon er van alles. Wel werd op extreme tuigages vaak misprijzend gereageerd.
Bij boeiers is er soms een maximum van drie zeilen tegelijk. Per wedstrijd verschilden de voorschriften.
Er wordt aanvankelijk uitgegaan van eerlijke competitie en good sportmanship. Voert de tegenstander geen jager, dan houd je je daar zelf ook aan. Maar daartegen werd ook gezondigd.
Over het voeren van een jager aan de wind werd flink gediscussieerd. Het zou de snelheid niet ten goede komen, ook bij licht weer. Anderen hielden het op het overzichtelijke standpunt dat dit gewoon niet hoorde.
Het voeren van een gaffeltopzeil door een lichte centerboard was ook zo’n onderwerp. Het zou gevaarlijk zijn en van slecht zeemanschap getuigen. Maar het gebeurt wel, en er werd mee gewonnen.
De grote centerboards en kotters voerden op de mast boven de gaffel een losse steng, die afhankelijk van de windsterkte werd bijgezet. Bij harde wind werd de steng gestreken, wat het zwaartepunt omlaag bracht. Bij licht weer werd op de steng het gaffeltopzeil gevaren, en bij kotters een vlieger voor de mast. De tactiek van de zeilvoering en de trim op de bijzeilen was het terrein van de ware zeiler. Met dit argument werd tuigmeting lang tegengehouden.
De zeilvoering speelde een grote rol bij het sturen van de ondiepe en overtuigde kleinere centerboards. Het inefficiënte roer was niet toereikend om de boot op koers te houden. De man aan de schoot op het achterdek en de voordekker aan de fok waren tweede en derde stuurman.

Voor de wind vormde oploeven bij harde wind een groot risico. De giek kwam dan in het water en de boot ging om of over de kop.
Omslaan in en wedstrijd werd als een blamage beschouwd. Een ervaren zeiler overkwam dat niet.
Vergeleken met de Amerikaanse strijd in de sandbaggers werd er meer naar competitie en stuurmanskunst gezocht en minder naar spektakel en absolute snelheid. De bemanning zit in Nederland ook bij harde wind in de regel in de kuip, met uitzondering van een knecht op het voordek en een man aan de grootschoot op het achterdek.
Het grootste tuig was in Nederland niet kleiner, maar er werd wel veel eerder gereefd.

Het varen met een kleinere bemanning en minder losse ballast zal zeker zijn voordelen hebben gehad. Het maakte de wedstrijden toegankelijk voor een grotere kring van zeilers.
4.2 Ballast
Alle vormen van ballast werden toegepast: vaste ballast binnenboord, vaste ballast onder de kiel en verplaatsbare ballast in de zijden. Het accent lag op vaste ballast. Er werd uitgebreid mee geëxperimenteerd. Om een groter tuig te kunnen voeren werd een midzwaardjacht soms alsnog voorzien van een paar honderd kilo lood onder de kielbalk.
Er werd in de centerboards wel degelijk ook met zandzakken gevaren, blijkens een incidenteel bericht dat er één overboord viel tijdens de wedstrijd, hetgeen na afloop soms netjes werd gemeld. Bij de metingen is incidenteel sprake van meting inclusief ballast (vijf of zes zakken grind).
Blijkens “Zwervend langs het IJsselmeer” had de Trekvogel bovendien gewichten op rails die voor de wind naar achteren werd verplaatst om te voorkomen dat de boot over de kop ging. De lange overhang achter op lichte centerboards bood blijkens een Duitse bron de mogelijkheid om voor de wind de bemanning geheel achterop te zetten.
Op Amerikaanse sandbaggers van gelijke maat was de bemanning twee keer zo groot als in Nederland (10 man of meer i.p.v.5). De hoeveelheid verplaatsbare ballast liep in de USA bovendien op tot 750 of zelfs 1000 kg. In Nederland zal het waarschijnlijk zijn gebleven bij de 5 of 6 zakken die incidenteel worden genoemd. Dat zal zijn neergekomen op zo’n 100/150 kg.
De lichte Silvana, kleiner dan de Yum Yum, zou een loden kiel hebben gehad van 950 kg. Dit soort gegevens lijkt niet betrouwbaar. De Mouette zou volgens een vergelijkbaar tijdschriftbericht zelfs 4 ton lood in de kiel hebben, terwijl dit scheepje nog geen 9 meter lang was. Met zo’n gewicht onder de boot zou de Mouette direct zinken als een baksteen.
Hoe dan ook, er worden meerdere voorbeelden genoemd van centerboards (waaronder de Yum Yum) die in tweede instantie zijn voorzien van een ballastkiel, waarmee het zeilvoerend vermogen werd vergroot.
4.3 Bemanning

In wedstrijdprogramma’s wordt wel onderscheid gemaakt tussen jachten gezeild door de eigenaar, dan wel door professionele stuurman. Soms zijn er meer beperkingen voor de bemanning (zoals “maximaal twee knechten op het voordek”) Dit verschilt van wedstrijd tot wedstrijd.
Een standaardbemanning op een kleine centerboard bestaat uit een roerganger, een voordekker aan de fokkeschoot en een man op het achterdek aan de grootschoot. Deze drie moesten een goed ingespeeld team vormen. Met hun korte onderwaterschip en brede tuig waren centerboards erg trimgevoelig.
Bij grotere centerboards werd de bemanning aangevuld met potig werkvolk. Zij bedienden de zwaardlier en de lenspomp en versjouwden zonodig de ballast. Op de grotere jachten vroeg ook de behandeling van het tuig meer handen.

4.4 Het zwaard
In tegenstelling tot de diepere jachten met kiel en buitenballast had de centerboard het kenmerkende midzwaard. Het zwaard scharnierde vooraan, onder de waterlijn. De vorm varieerde sterk: naar lengte-breedte verhouding, naar oppervlak en naar vorm. Als regel gold: “the more sail, the more board”. Wedstrijdjachten hadden een extreem groot zwaard. Yum Yum stak maximaal ruim 2,50 m. diep.
Het zwaard had consequenties voor de inrichting. Bij een grote ondiepe wedstrijdkotter als de Stella werd er voor gekozen om de zwaardkast tot het kajuitdak door te trekken. Dat leverde op de brede romp aan weerskanten een smalle slaaphut op. De kajuit werd naar achter ver doorgetrokken, waarmee achter de zwaardkast nog ruimte ontstond voor een kleine salon.
De grotere Never Mind had een diepere romp, wat de mogelijkheid bood om de zwaardkast onder de kajuitvloer te houden. Dat legde beperkingen op aan de afmetingen van zwaard, maar bood vrijheid in het interieur.
Het zwaard was van een vaste houtsoort of van een metaal (vaak ijzer/staal). Een ijzeren (of bronzen) zwaard droeg enigszins bij aan de stabiliteit, maar verving nooit de noodzaak van levende of dode ballast.
Het zwaard werd met een lier bediend.
5. Documentatie
5.1 Tijdschriften
Vanaf 1882 verscheen in Nederland tweewekelijks (later wekelijks) het tijdschrift De Nederlandsche Sport. Het blad gaf het nieuws over de harddraverij, de jacht, het schaatsen, het cricket, en niet in de laatste plaats de roei- en zeilsport. Het blad was vooral georiënteerd op de Amsterdamse verenigingen, maar ook de Rotterdamse vereniging De Maas was aangesloten. Het Friese zeilen komt niet aan bod.

De Nederlandsche Sport bevat een schat aan informatie over de beginjaren van de georganiseerde Hollandse zeilsport. Het blad bevat programma’s, uitslagen en verslagen van de evenementen van de aangesloten verenigingen. Daarnaast gaf het blad “faits diverts” waaronder impressies van buitenlandse wedstrijden. Het tijdsbeeld dat daar uit opdoemt is fascinerend.
Een graaf, die in Rusland zijn vijfde beer schiet. De prestaties van een fameuze lange afstandsloper die na vijf flauwtes nogmaals op de been wordt geholpen en tenslotte de wedstrijd Rotterdam-Leiden-Rotterdam wint. De automobielwedstrijden tijdens de Olympische spelen, in de categorieën “vierzits met gesloten kap” en “tweezits met open kap”. Voor dezelfde Olympische spelen werden ook wedstrijden voor stoomjachten uitgeschreven, maar men kon geen passend reglement verzinnen. Daarom werden de stoomjachten op het laatste moment geschrapt. Bij deze eerste Spelen werden nog forse geldprijzen uitgereikt.
De Nederlandsche Sport maakte regelmatig melding van tewaterlatingen van nieuwe zeiljachten, en van de verkoop naar een nieuwe eigenaar. Incidenteel wordt een lijnenplan afgebeeld.
Naast De Nederlandsche Sport bestond vanaf 1889 het meer op Rotterdam georiënteerde Het Sportblad. Hert Sportblad had een wat vlottere stijl, met meer ruimte voor discussies. Het Sportblad adverteerde als “het goedkoopste sportblad van Nederland”. Van beide bladen zijn alle ingebonden jaargangen in te zien bij De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.
5.2 Boeken
Over de zeilsport is al vóór 1900 een aantal monumentale boeken verschenen. In Nederland waren de Engelstalige werken waarschijnlijk het meest bekend.
Zo was er rond 1890 een zelfbouwer in Amsterdam die in een grachtenpand zijn eigen centerboard bouwde. Het uittakelen van de romp door de uitgenomen ramen naar de gracht wordt beschreven in De Nederlandsche Sport. De vaardige doe-het-zelver bouwde zijn jacht volgens het tijdschrift op basis van Dixon Kemp’s “Manual of Yacht and Boat Sailing”.

De eerste druk van dit schitterende boek werd in 1878 in London uitgegeven. Het boek is te beschouwen als een voorvader van onze vaderlandse zeilbijbel “De Zeilsport” van Van Kampen. Alle aspecten van de zeilsport werden behandeld, tot en met de bezoldiging van de bemanning. Dixon Kemp was ongetwijfeld bekend bij de Nederlandse professionele werven. Er zijn gelukkig betaalbare heruitgaven gepubliceerd, met veel ragfijne lijnenplannen en detailtekeningen.

Een Amerikaanse tegenhanger was Charles P Kunhardt. Kunhardt publiceerde veel, waaronder “Small Yachts, their Design and Construction. Ook Small Yachts is een standaardwerk. De eerste druk verscheen in 1885.

Small Yachts is een Amerikaans pleidooi voor de diepere kieljachten. Onder zeilers, ontwerpers en bouwers woedde destijds een heftige strijd tussen de aanhangers van de engelse “Plank on edge” kotters,en de en de voorstanders van de brede Amerikaanse centerboard-sloop. In wedstrijden ontliepen de types elkaar niet veel. Uiteindelijk bleek de waarheid in het midden te liggen, en nam eind 19e eeuw het compromis-type de leiding.
Ook Kunhardt was in Nederland bekend. De werf Bernhard had in zijn archief enkele getekende copieen van afbeeldingen uit het boek. Van Smaal Yachts bestaat een mooie heruitgave door Woodenboat.
Ook Duitsland kende zijn eigen bijbel. In 1888 verscheen daar “ Seglers Handbuch” van Georg Belitz. Het boek is van gelijke opzet en kwaliteit als het meesterwerk van Kemp. In ruim 750 pagina’s worden alle kanten van het zeilen behandeld.

Ook dit boek bevat een schat aan lijnenplannen, zowel van duitse jachten als van buitenlandse voorbeelden. Dit gehele boek is vrij in te zien op de internetsite van het duitse “Yachtsport Archiv”.
Als tijdgenoot moet ook W.P. Stephens worden genoemd. Stephens publiceerde tussen 1939 en 1946 een uitputtende serie tijdschriftartikelen over de beginjaren van de Amerikaanse zeilsport. Geboren in 1855, heeft Stephens het allemaal zelf meegemaakt. Hij kende vrijwel alle grote Amerikaanse jachten en eigenaars, en heeft veel jachten zelf opgemeten. Zijn huis was één groot museum. Aan het eind van zijn leven heeft hij zijn fenomenale kennis neergelegd in 83 tijdschriftartikelen, goed voor 350 pagina’s tekst voorzien van veel foto’s en tekeningen.

Zijn schrijfstijl is erg beeldend, en nauwelijks gedateerd. Zijn laatste artikel in het tijdschrift Motor Boating werd geschreven in mei 1946. De serie werd abrubt beëindigd door zijn overlijden op 91 jarige leeftijd.
Onder de titel “Traditions and Memories of American Yachting” is de serie in 1981 als boek herdrukt door International Marine Publishing Company.
5.3 Register van Meting
Vanaf 1890 werden jachten die deelnamen aan wedstrijden vooraf gemeten door de “Officieele Commissie voor het meten van zeilvaartuigen in Nederland en België”. Het originele metingregister maakt deel uit van het archief van de zeilvereniging Het IJ. Dit wordt bewaard in het Amsterdams Scheepvaartmuseum, en is op afspraak in te zien. Het register bevat een volledig overzicht van de gemeten kieljachten en centerboards. Van ieder jacht zijn op een eigen blad de hoofdafmetingen, de naam, de eigenaar en de vereniging vastgelegd, met de handtekeningen van de aanwezige commissieleden.
Het gaat in totaal om 72 jachten, met een lengte tussen de stevens van 4 tot 20 meter.
Veel jachten zijn meerdere malen gemeten, hetzij bij aanpassingen aan de romp, hetzij bij overdracht naar een andere eigenaar. In totaal zijn tussen 1890 en 1896 352 metingen verricht.
De gemeten Belgische jachten waren vooral afkomstig uit Antwerpen. Blijkens wedstrijdverslagen kwamen Belgen en Nederlanders regelmatig uit op elkaars wedstrijden. Soms was er ook een Engelse deelnemer, zoals de volbloed kotter Quick-step.
5.4 Zeilverenigingen
De vroege geschiedenis van de verenigingen wordt onder meer beschreven in “Het water op”, een jubileumuitgave van het KNWV. De oudste vereniging was de op Rotterdam georiënteerde Yacht Club. Deze was in 1845 op initiatief van prins Hendrik gesticht.
In 1848 trad een aantal leden uit en werd door hen de meer op Amsterdam gerichte KNZRV gesticht. Ook elders in het land kwamen de eerste verenigingen tot stand.
Een tentoonstelling van modellen in 1852, door de Yacht Club, vormde de basis voor het latere maritiem museum Prins Hendrik. In 1881 werd, bij de opheffing van Yacht Club, de boedel geschonken aan het museum.
Na 1860 stagneerde de zeilsport in Holland, terwijl de zaken in Friesland floreerden. Voor de Hardzeildag in Sneek maakten ook Hollandse zeilers de oversteek over de Zuiderzee.
Getracht werd om een overkoepelende Nederlandse Zeil en Roei Bond op te richten, hetgeen niet lukte. Als uitvloeisel van dat (Amsterdamse) initiatief werd in 1885 de zeilvereniging Het IJ gesticht. Deze vormde een stimulans voor het zeilen in de regio Amsterdam. In Zuid-Holland waren onder meer Hollandia en De Maas actief. Er werd ook gezeild bij Lekkerkerk en Dordrecht. Uitslagen en prijzen, soms genoemd naar de eerste winnaar, getuigen nog van de wedstrijden.

Waarschijnlijk bestaat nog een schat aan informatie in de archieven van de oude zeilverenigingen. Deze informatie is verspreid en daarmee moeilijk toegankelijk.

5.5 Musea
Het Amsterdam Scheepvaartmuseum heeft een grote collectie van authentieke lijnenplannen, enkele half- en volmodellen, enige foto’s en overige archiefstukken van de oude jachtbouw. Het overgrote deel is opgeslagen in depot. Het gaat om vele honderden stukken. In het museum wordt één volmodel geëxposeerd.
Het Fries Scheepvaartmuseum heeft een fraaie collectie oude foto’s en een bescheiden dossier met overig materiaal. Het museum exposeert een vol- en halfmodel van een centerboard.
Het Zuiderzeemuseum exposeert in de schepenhal de originele Wilhelmina, een schitterende houten wedstrijd centerboard van rond 1885. Wellicht is hier meer materiaal beschikbaar.
Het Scheepvaartmuseum Prins Hendrik bewaart waarschijnlijk een deel van de boedel van de eerste Nederlandse zeilvereniging, de Yacht Club. In ieder geval bezit het museum een drietal modellen van zeer oude scherpe jachten, waaronder een klassieke “Unaboat”. De Unaboat was de Engelse navolger van de sandbagger-catboats.
Tenslotte beheert museumwerf Het Kromhout een deel van het archief van de werf Bernhard. Van dat archief zijn vooral de originele bestekken interessant. Bestekken waren de tabellen met coördinaten op basis van het lijnenplan. Met behulp van deze tabellen werden op de werf de spantuitslagen gemaakt. Onder de bestekken zijn een aantal 19e eeuwse centerboards, maar ook enkele bekende boeiers van Bernhard.
Van veel materiaal in de musea zijn de archiefnummers te achterhalen via Maritiem Digitaal. Maritiem Digitaal is het internet zoeksysteem van de Nederlandse maritieme musea. Vooral het Fries Scheepvaartmuseum heeft van veel materiaal inmiddels ook de afbeeldingen op het web gezet.
5.6 Behoudsorganisaties
Bij de Nederlandse behoudsorganisaties bestaat weinig materiaal over de oudste scherpe jachten. VKSJ en Old Gaffers zijn primair verenigingen van eigenaren. En centerboards en kieljachten van vóór 1900 moeten in Nederland met een lampje worden gezocht. Waarschijnlijk zijn ze op twee handen te tellen. Het bestand van de VKSJ en Old Gaffers is dan ook pas vanaf 1900 beter gevuld.
5.7 Internet
Internet is onbeperkt en onbegrensd. Het voert te ver om sites te noemen. Zoekmachines als Google bieden eenvoudig toegang tot heel veel maar vrijwel uitsluitend buitenlands materiaal. Eén site verdient niettemin vermelding.
Met Duitse grondigheid is door onze oosterburen de site “Yachtsport Archiv” opgezet. De liefhebber vindt hier een schitterend overzicht van de historie van de Duitse zeilsport. Zelfs volledige tekstbestanden van boeken zijn opgenomen, met veel afbeeldingen.
5.8 Particulieren
Bij particulieren zal kennis en materiaal bestaan dat lastig te achterhalen is. Zo bestaat in particulier bezit nog het volmodel van de Blondine bij een nazaat van de eerste eigenaar, Van der Giessen. Van der Giessen herinnert zich nog hoe hij als kind het model mocht laten varen in de Hollandse IJssel. Bij de zeiltochten op het jacht ging hij als kind soms mee. Intrigerend is de herinnering dat in de kuip van Blondine een Perzisch tapijt lag.
Hoe fragmentarisch ook, dit soort levende herinneringen geeft kleur aan de archiefstukken.
Uit de boedels van werven zal ook materiaal zijn doorgegeven naar volgende generaties. Zo zijn enkele modellen en tekeningen van de werf Bernhard in de familie gebleven. Ook eigenaren van jachten zullen documentatie hebben gehad, die na het einde van de boot is gaan zwerven. Dit is van het erfgoed van de centerboards het minst toegankelijk deel.
6. Veteranen en Replica’s
6.1 Wilhelmina
In het Zuiderzeemuseum ligt de houten Wilhelmina, die eerder is genoemd. Wilhelmina, van circa 1880, is nog geheel in oorspronkelijke staat, en geeft waarschijnlijk de beste indruk van een centerboard in de kleine open klasse tot 6 ton.
6.2 Freya
De Freya uit 1887 vaart nog. De stalen Freya is een midwaardjachtje van vergelijkbare afmetingen, maar een heel ander scheepje.

Freya werd gebouwd als “Meeuw” voor de dominee van Terherne. De dominee zeilde op doktersadvies, om zijn zenuwgestel te sterken. Freya heeft het typische lijnenplan van een vroege centerboard, maar dan met een gedrongener en wat diepere romp, met meer vrijboord en stevige kimmen. De boot onderscheidt zich daarmee van de vlakke wedstrijdcenterboards. Freya werd gebouwd bij Bernhard in Amsterdam.
Freya heeft nu een roefje en vaste kiel, maar hield zijn klassieke lijnen en sobere uitstraling. Recent is de boot voorzien van een nieuw, klassiek kottertuig.
6.3 Sperwer
De herkomst van de Sperwer is niet zeker. De Sperwer is een wat kleinere centerboard. Het scheepje past geheel in de traditie van de 19e eeuwse wedstrijdcenterboards, met een extreme overhang achter, een sierlijke klipperboeg en een gestrekte, zeer ondiepe romp.
Links de Sperwer anno 2005, Rechts de Sperwer anno 2024
Het IJzeren scheepje zal tussen 1880 en 1900 zijn gebouwd. Ook de Sperwer heeft nu een vaste kiel. Ze is in de jaren twintig van een roefje voorzien, met karakteristieke beschilderde houten panelen binnen. Sperwer is in uitstekende staat en vaart onder een klassiek sloeptuig.
De geschiedenis is vanaf 1926 bekend. De bouwer is onzeker. Er is gelijkenis met jachtjes van de werf Smit in Kinderdijk. Rond 1890 voer in Holland al een Sperwer van vergelijkbare afmetingen. Maar er zijn ook aanwijzingen dat het om de voormalige Cita van Hoolwerff gaat. Dat jachtje zou zijn gebouwd in België. Hoe dan ook: Sperwer is een unieke verschijning.
6.4 Stella Matutina
Van wat later datum is de Stella Matutina. De stalen Stella werd gebouwd door Auke van der Zee. Stella is (via vererving) steeds van de zelfde eigenaar gebleven. Hoewel opgeleverd in 1909 werd de Stella nog geheel volgens de tradities van het oude midzwaardjacht gebouwd.

De Stella werd gebouwd als tourjachtje met kajuit. Het jacht is tot in alle details perfect bewaard gebleven en verdient de status van monument. De boot ligt in perfecte staat vaarklaar in een botenhuis in Friesland. Op een koperen knop in de kleerkast hangt de duffelse broek van de eerste eigenaar. De Stella is met 10 meter over alles wat groter dan de eerder genoemde jachten.
6.5 Pimpernel
Pimpernel is een bekende verschijning op reüniën en wedstrijden van klassieke scherpe jachten.
Pimpernel laat nog steeds zien dat het oude scow-type snel kan zijn. Ze vaart vooraan mee tussen de Nederlandse Gaffers.
Voor een stevige wind wil de boot ondanks zijn gewicht planeren. Dat is niet zonder risico. Zakt de boot terug uit plané, dan moet volgens de eigenaar worden opgepast voor de hoog oplopende hekgolf. Weinig gaffelaars zullen de Pimpernel dit kunstje nadoen.
Pimpernel laat nog steeds zien hoe snel het oude type van de vlakke centerboard kan zijn. Zou de huidige vaste kiel weer worden vervangen door het oorspronkelijke zwaard dan zou dit de zeileigenschappen misschien nog verbeteren. De herkomst van Pimpernel is niet bekend, maar wellicht in Engeland te zoeken. De ijzeren Pimpernel is waarschijnlijk rond of voor 1900 gebouwd.
6.6 Buitenland
Replica’s van de oudste kieljachten en centerboards zijn in Nederland niet gebouwd.

In de USA daarentegen varen een paar schitterende copieën van originele 19e eeuwse sandbaggers, zoals de zusterschepen Bull en Bear en de Scorceress.
Bull en Bear varen regelmatig spectaculaire wedstrijden, onder meer in de baai van New York. In Frankrijk is in 2004 de sandbagger Ten Years After gebouwd, die regelmatig op evenementen verschijnt.

In het museum Mystic Seaport (USA) ligt de beroemde Annie, een originele sandbagger. Annie lag eerst voor de wal. Recent is de boot geheel gerestaureerd en ze scheert sindsdien weer regelmatig over het water, mét zandzakken.

Van de grotere buitenlandse jachten zijn er gelukkig meer bewaard gebleven of recent nagebouwd. Daarover is veel gepubliceerd.




























