Spring naar inhoud

Toegankelijkheidsopties:

Scheepstype: Hengst

Inleiding

De 'Pegasus' (plaq 450)

Hengsten zijn gebruikt voor de visserij, voor het vervoer van materialen voor dijkwerken en anderszins

De hengst is het meest karaktervolle vissersvaartuig van de Westerschelde geweest, waar ze tot voor een twintigtal jaren nog veelvuldig in de vaart was. De laatste (gemotoriseerde) hengsten trof men voornamelijk in de Oosterschelde aan, onder meer in Tholen en in Yerseke. Evenals dit het geval is voor de hoogaars, kan de ouderdom van dit scheepstype moeilijk vastgesteld worden. Misschien kan men het kleine vissersvaartuig met rechte voorsteven op het redegezicht van Antwerpen, 1515, als mogelijk prototype van de hengst aanduiden. De oudst bekende vermelding van de hengst wordt aangetroffen in rekeningen die betrekking hebben op reizen die hengsten maakten naar aanleiding van de dichtingswerken aan de Scheldedijken.
Tot hun verdwijning in het begin van de twintigste eeuw, zijn ze dit in zekere mate ook gebleven, want behalve voor de visserij werden zij ook voor het vervoer van materialen voor dijkwerken en anderszins gebruikt op de Schelde. Een goed plan van een kleine hengst van omstreeks 1800 bevindt zich in de verzameling van het Nederlands Scheepvaartmuseum te Amsterdam en eveneens een model van een grote hengst uit de 20e eeuw. Ook in het Nationaal Scheepvaartmuseum te Antwerpen worden modellen van hengsten bewaard.

De volgende ons bekende vermelding van de hengst komt voor in het proces-verbaal betreffende de verdrinkingsdood van Johan Willem Friso in 1711. En ook in de rekeningen van Fop Jans Smit wordt eveneens de hengst genoemd: "1778, 21 May. Een henstije gemaekt voor Krijn den Boer, op Groot-Ammers, met mast en spriet". In dezelfde rekeningen komt nog een tweede vermelding voor: "1779, den 13 Februari Een henst gemaekt voor Adriaan Vogelzangh woonende te Alblasserdam, volgens bestek gemaekt, met volle genoegen ontvangen".
Ten eerste blijkt uit deze gegevens, dat het "henstije" of kleine hengst duurder was dan een Kinderdijkse hoogaars, maar heel wat goedkoper dan de grote hoogaars. Ten tweede kan men aannemen dat de vermelding "henstije" en "henst" wijst op twee maten, dus twee soorten, wat bevestigd wordt door het verschil in prijs. In het eerste geval wordt waarschijnlijk een scheepje aangeduid, zoals dit afgebeeld is door G. Groenewegen. Het kleine vaartuig met spriettuig, dat de tekenaar een "Heijnst" noemt, is geladen met goederen, en deed dus dienst als vrachtschip.

Tot hun verdwijning in het begin van de twintigste eeuw, zijn ze dit in zekere mate ook gebleven, want behalve voor de visserij werden zij ook voor het vervoer van materialen voor dijkwerken en anderszins gebruikt op de Schelde. Een goed plan van een kleine hengst van omstreeks 1800 bevindt zich in de verzameling van het Nederlands Scheepvaartmuseum te Amsterdam en eveneens een model van een grote hengst uit de 20e eeuw. Ook in het Nationaal Scheepvaartmuseum te Antwerpen worden modellen van hengsten bewaard.


Spiegel der Zeilvaart 1997 november nummer 9 - Hengsten niet alleen in Zeeland

Hengsten staan bekend als een Zeeuws scheepstype. Daarbij wordt dan gedacht aan de mosselhengst van Zeeuws-Vlaanderen. Er waren ook andere hengst-typen, ooit te vinden bij 's-Hertogenbosch, ten zuiden van de Biesbosch en aan de Brielse Maas. Bij Mosselhengsten spreekt men in het algemeen van een Zeeuwse hengst. Hengsten waren vooral in Zeeuws-Vlaanderen te vinden. 

Mosselhengsten (ca. 11 x 4 meter) hadden een recht vlak waarvan de achterpunt een weinig en de voorpunt heel sterk was opgebrand. Vanwege het overhangend voorschip lag ook bij dit type het voorschip dieper. Op deze einden stonden rechte vallende stevens. Ook de mosselhengsten waren gebouwd volgens het bouwpatroon van de hengsten. In de jaren tachtig van de vorige eeuw (voor 1900) werden bij de werf Verras in Paal enkele grote hengsten gebouwd bestemd voor de garnalenvisserij . In de werfboeken is ook een blazerhengst te vinden. In het algemeen is hij gebouwd als een mosselhengst, alleen zijn de afmetingen (12,65 x 4,2 meter) en het vlak anders. 
Vele Zeeuwse mosseltelers haalden ook mosselzaad op van de Waddenzee. Daar maakten ze kennis met de snelle Lemmeraken. Omstreeks de eeuwwisseling begon men ook Lemmerhengsten te bouwen; dat wil zeggen een hengst met het ronde achterschip van een Lemmeraak.

Waterkampioen maart 1966 nr1169 - Schepenschouw De Hengst

Men zegt dat de hengst het voor de Westerschelde meest typische type vaartuig is geweest. Evenmin als het andere bekende type Zeeuws vissersvaartuig, de hoogaars, kan met nauwkeurigheid worden bepaald wanneer het type hengst is ontstaan. Stellig bestond het omstreeks het jaar 1700 reeds, want het wordt genoemd in het procesverbaal over de dood van Johan Willem Friso, die in 1711 in het Hollandsch Diep verdronk. In „Schepen die voorbijgaan", het onder auspiciën van de ANWB uitgegeven boekwerk, vonden wij jackijst als andere naam voor het type hengst; elders echter lazen wij, dat deze twee type-namen elkaar echter niet zouden dekken. Hoe het precies zit, weten wij niet.

Hengst en hoogaars hebben voor de oppervlakkige beschouwer en op het eerste gezicht veel gemeen. In de eerste plaats zijn het beide platboomde schepen. Dan hebben zij beide een rechte en sterk vallende - bij de hoogaars echter sterker dan bij de hengst - voorsteven. Maar bij de hengst, zo zegt J. van Beylen in zijn boekje „Zeeuwse vissersschepen van Ooster- en Westerschelde", is de voorsteven bovendien aan de bovenkant verhoogd door een zogenaamde kluit, waardoor dit deel aanzienlijk verbreed wordt, zodat voldoende ruimte voorhanden is om het breed boeisel te bevestigen. Wij hebben deze voorsteven altijd gemakkelijk gevonden om op het eerste gezicht .!en hengst van een hoogaars te onder-scheiden. Verder valt het boeisel bij een hengst veel minder naar binnen dan dat bij een hoogaars, en geeft de hengst een veel gedrongener, minder sierlijker indruk dan een hoogaars; wij zouden zeggen meer de indruk van een stoere zwoeger, een werkschip.
Zoals het met vele typen schepen is gegaan zijn er bij de hengst ook varianten ontstaan. Bij een werkschip telt efficiency zwaar. Zo is waarschijnlijk de Lemsterhengst als variant ontstaan uit de wens naar groter snelheid, door de hengst min of meer het achterschip van de Lemsteraak te geven. Volgens Van Beylen, hierboven reeds genoemd, werd de Lemsterhengst ook wel als „jachthengst" aangesproken.

Hengst 'D'n Bruinen' (plaq. 1660)

De Tijdlijn van de Hengst

De Hengsten zoals wij die nu kennen

1655 - nu

De eerste Lemmerhengst loopt van stapel bij De Klerk (1899)

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Typebeschrijving Hengst

  1. Geschiedenis van de Hengst
  2. Beschrijving van de Hengst
  3. Tuigage

Kenmerken van de Hengst

  1. De Hengst als werkschip
  2. De Hengst als jacht
  3. Algemene kenmerken
  4. Kenmerkende verhoudingen
  5. Verklaring in tekening

6. 6. Subtypen, specifieke kenmerken

De Steekhengst was het hengst-type dat in gebruik was bij de zalmsteken
Van de Steekschuit geeft Van Konijnenburg een tekening met afmetingen 8,1 x 2,5 meter. In het algemeen is de meest betrouwbare bron over de vorm van een boot altijd nog een foto. Eerst is gezocht bij de oudheidkundige vereniging van Zwartewaal. Dit leverde een informant, namelijk A. van der Zee te Zwartewaal die als kind deze schuiten zelf had gezien. De tekening van Van Konijnenburg werd vergroot en gaf bij Van der Zee de reactie dat Steekschuiten midscheeps een bun hadden en achter een klein achterhuisje met bank. Verder waren ze geheel open. Dat moest ook wel, want met die schuiten werden ook de lange, zware palen vervoerd waarmee de steek in de grond werd vastgezet.

De Lemmerhengst is een ontwikkeling van de hengst
Het is een visserschip, dat vooral ingezet is voor de mossel- en garnaal-visserij vanuit de havens aan de Westerschelde. Tegen het einde van de 19e eeuw leerden de Zeeuws Vlaamse hengsten (en hoogaarzen) de Lemmeraak kennen als concurrent bij de vaart op de Zuiderzee toen de verschillende typen schepen ingezet werden bij het halen van mosselzaad. De schippers van Bruinisse gebruikten veelal lemmeraken, ook Lemmerjachten genoemd. Ongeladen op de heenweg deden de hengsten niet onder voor de aken. Maar op de terugweg, volgeladen, lieten de aken hun ronde kont zien aan de hengsten. Het is een groot voordeel om eerder op de markt te zijn met de koopwaar! En zo groeide de vraag om een sneller schip. Waarom dan niet meteen een lemmeraak genomen? Het antwoord daarop is wel duidelijk: een lemmeraak is een rond schip met een ondiepe kielbalk en een rond, getild vlak. En dat is bepaald een nadeel als je regelmatig wilt droogvallen! Het moest dan maar een kruising worden, gericht op de praktijk van de mosselvisserij en met behoud van alle goede vaareigenschappen.
Een 'ronde konte', ook wel een 'Lemmergat' of 'boeiergat' leek de belangrijkste oplossing te zijn. Enerzijds 'Iaat die vorm het water beter los', anderzijds geeft ze meer draagvermogen, dus meer snelheid aan het beladen schip. Maar het platte vlak van de hengst bleef. De eerste Lemmerhengst liep in 1899 van de helling bij de Werf J.F. de Klerk te Kruispolder.

Publicaties over de Hengst in het Stamboekarchief

De Hengst in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

De hengst is het meest karaktervolle vissersvaartuig van de Westerschelde geweest, waar ze tot voor een twintigtal jaren nog veelvuldig in de vaart was. De weinige (gemotoriseerde) hengsten die nu nog in gebruik zijn, treft men voornamelijk in de Oosterschelde aan, onder meer in Tholen en in Yerseke. Evenals dit het geval is voor de hoogaars, kan de ouderdom van dit scheepstype moeilijk vastgesteld worden. Misschien kan men het kleine vissersvaartuig met rechte voorsteven op het redegezicht van Antwerpen, 1515, als mogelijk prototype van de hengst aanduiden. De oudste ons bekende vermelding van de hengst komt voor in het reeds genoemde procesverbaal betreffende de verdrinkingsdood van Johan Willem Friso in 1711.

En ook in de hiervoor geciteerde rekeningen84 van Fop Jans Smit wordt eveneens de hengst genoemd: «1778, 21 May. Een henstije gemaekt voor Krijn den Boer, op Groot-Ammers, met mast en spriet, 2 rimen voor 122-0-0.» In dezelfde rekeningen komt nog een tweede vermelding voor: «1779, den 13 Februwarii Een henst gemaekt voor Adriaan Vogelzangh woonende te Alblasserdam, volgens bestek gemaekt, met volle genoegen ontvangen en daarvoor bedongen... 250-0-0.»

Ronde en Platbodemjachten - Standaardwerk onder redactie van Mr. Dr. T. Huitema

Ten eerste blijkt uit deze gegevens, dat het `henstije' of kleine hengst duurder was dan een Kinderdijkse hoogaars, maar heel wat goedkoper dan de grote hoogaars. Ten tweede kan men aannemen dat de vermelding `henstije' en `henst' wijst op twee maten, dus twee soorten, wat bevestigd wordt door het verschil in prijs. In het eerste geval wordt waarschijnlijk een scheepje aangeduid, zoals dit afgebeeld is door G. Groenewegen. Het kleine vaartuig met spriettuig, dat de tekenaar een `Heijnst' noemt, is geladen met goederen, en deed dus dienst als vrachtschip. Tot hun verdwijning in het begin van de twintigste eeuw, zijn ze dit in zekere mate ook gebleven, want behalve voor de visserij werden zij ook voor het vervoer van materialen voor dijkwerken en anderszins gebruikt op de Schelde.

Een goed plan van een kleine hengst van omstreeks 1800 bevindt zich in de verzameling van het Nederlandsch Historisch Scheepvaartmuseum te Amsterdam87, terwijl het Nationaal Scheepvaartmuseum te Antwerpen een model bezit. Ten slotte dient ook nog het gebruik van de hengst als veerschip vermeld te worden.88

Op het reeds genoemde schilderij van P.J. Schotel staat behalve een hoogaars, ook een grote hengst voor de visserij afgebeeld, getuigd met een bezaantuig en geheel van het soort zoals deze schepen er tot in onze tijd uitzagen. Aan de andere kant toont een potloodtekening van dezelfde tijd door J.C. Greive (1857) uit de verzameling van het Nederlandsch Historisch Scheepvaartmuseum te Amsterdam een grote hengst met een spriettuig.89 De oudste afbeelding van een hengst is — voor zover bekend — te vinden op een schilderij van Engel Hoogerheyden (1740-1809), 'Gezicht op Dordrecht' (Maritiem Museum 'Prins Hendrik' te Rotterdam).

Voor het overige zijn goede afbeeldingen van hengsten veel zeldzamer dan deze van hoogaarsen. Ook technisch zijn wij er veel minder goed over ingelicht. Praktisch al deze schepen werden gebouwd op de werven van de Westerschelde in Zeeuws-Vlaanderen en men gebruikte hier normaal noch plan noch bestek. Enkele hoofdmaten en vuistregels waren - naast een stel mallen - de enige basiselementen. In praktisch alle werken waarin over de hengst sprake is - dit zijn er weinige en steeds zonder veel bijzonderheden - leest men dat de hengst een vaartuig is dat op de hoogaars gelijkt op enkele kleine verschillen na. Dit is beslist een wanbegrip. Men zou eerder moeten zeggen dat de hengst en de hoogaars enkele kleine overeenkomsten hebben, maar verder geheel verschillend zijn. Deze twee scheepstypen gelijken op elkaar door hun plat vlak - beide zijn platbodems - en door de indeling van het casco. Voor het overige zijn het twee volkomen andere typen. In de eerste plaats door hun silhouet. Verder door de plaatsing van het spantwerk en de vorm van de spanten, de wijze van beplanking, de roervorm, kortom door alles wat een schip 'karakter' geeft.

Zoals bij de hoogaars is het vlak van de hengst druppelvormig met de ronde zijde naar voren. Ook hier treft men de verschillende bouwwijzen van het vlak aan, waarbij dit al dan niet opgebrand wordt, hetzij matig, hetzij sterk, waardoor een ronde kim in het voorschip verkregen wordt. Bij de hengst is steeds een loefhouder en scheg onder het vlak aangebracht. Maar hier houden dan ook alle overeenkomsten op.

De stevens van de hengst hebben een andere helling dan bij de hoogaars: beide steiler. De voorsteven is bovendien aan de bovenkant verhoogd door een zogenaamde 'kluit', waardoor dit deel aanzienlijk verbreed wordt, zodat voldoende ruimte voorhanden is om het breed boeisel te bevestigen. De kluit geeft aan de voorsteven een massieve indruk, geheel in tegenstelling met de scherpe, spitse hoogaars. De zeeglijn, die de voorsteven met de achtersteven verbindt, heeft in het voorschip een diepere boog, waardoor de kop van de hengst hoger lijkt dan deze van de hoogaars. Meteen heeft men een geheel ander silhouet, die veel forser is dan deze van de elegant gestrekte hoogaars.

Het spantwerk van de hengst verschilt aanmerkelijk met dit van de hoogaars. Een spant wordt bij de hengst samengesteld uit twee knieën en een kalf. De knieën zijn uit één krommer gezaagd en worden niet verlengd door een klos, zoals bij de hoogaars. Tussen iedere twee spanten ligt maar één ligger, precies tussen beide in. Kussens worden bij hengsten doorgaans niet aangebracht. Het hoekige beeld van de hengst wordt vooral onderstreept door de spantvorm en door het verloop van het berghout. Bij de hengst is de vorm van de spanten veel afwisselender dan bij de hoogaars. Bij dit schip ligt het berghout - midscheeps - veel lager tegen het vlak. Op het grootspant is de lijn kim-berghout recht en vermits het berghout lager ligt, ook korter. Dit heeft tot gevolg, dat dit deel van de hengst met één plank kan gedicht worden; zij het dat deze dan ook de enorme breedte van 75 tot 100 centimeter kan bereiken! Indien men niet altijd over dergelijke brede planken kan beschikken worden er twee boorden gebruikt, maar deze worden gladboordig naast elkaar gelegd. Om deze naad te versterken en omdat de spanten van de hengst gewoonlijk nogal breed uit elkaar staan, plaatst men nog extra knieën tussen de grote spanten. De knieën reiken echter maar tot aan de onderkant van het onderboord van het boeisel en worden 'zitters' genoemd. Op het grootspant is de lijn berghout-bovenkant boeisel niet recht, maar vertoont ze een lichte knik naar buiten. Het gehele boeisel helt slechts lichtjes naar binnen, in tegenstelling met de hoogaars, waar dit boord sterk naar binnen valt. Het boord boven het berghout is samengesteld uit twee planken: de bovenste is feitelijk het boeisel, de onderste is het bovenboord, dat in het voorschip onder het boeghout, maar midscheeps boven het berghout ligt. Beide planken liggen gladboordig naast elkaar, maar het bovenboord ligt overnaads op het daaronder liggende kimboord en het bekboord, waarover verder sprake is. De knik in het boeisel ondergaat naar achter toe slechts weinig verandering. Enkel in de achterboegen wordt hij iets meer uitgesproken. De naad tussen boeisel en bovenboord duidt hier de hoogte van het dek van de beun aan. In het voorschip wordt de knik steeds scherper om tegen de voorsteven ongeveer een rechte hoek te vormen. Het bovenboord zwaait gaandeweg naar binnen en valt overnaads in hetzelfde plan op het bekboord. Het boeisel behoudt dezelfde breedte en valt tegen de kluit.

In de boegen van het voorschip kan men onmogelijk de romp dichten met het zelfs zeer brede kim-boord. Er blijft altijd een spie open, tussen de bovenkant van het kimboord en de onderkant van het onderboord. Deze spie wordt gedicht door een bekboord, dat tegen de voorsteven dezelfde breedte van een normaal boord heeft, maar ter hoogte van het grootspant nog slechts enkele centimeters breedte heeft. Bij oudere hengsten werd dit bekboord overnaads op het daaronder liggende kimboord gelegd. Bij de nieuwere schepen werd het gladboordig geplaatst, maar ook weer met een duidelijk zichtbare knik op de naad. Omdat het kimboord, zoals bij de hoogaars, op een zeker punt van het vlak naar boven zwaait tegen de steven, blijft ook hier een `soldatengat' open. Deze driehoekige ruimte wordt, zoals bij de hoogaars, gladboordig beplankt.

De vorm van het spantwerk maakt ook een bijzondere schikking voor het berghout noodzakelijk. Waar de uiterste punten van de omtreklijn van even voor de mast tot aan de stuurkuip op de onderkant van het bovenboord liggen, verplaatsen deze punten zich naar de naad tussen bovenboord en boeisel van even voorbij de mastbank af. Bijgevolg laat men het berghout verspringen op de stootpunten. Te beginnen achter de boegen van het voorschip wordt het berghout op de onderzijde van het bovenboord gelegd. Het eindigt in de boegen van het achterschip. Het tweede deel van het berghout vangt aan in de helft van het voorschip en ligt op de onderkant van het boeisel tot tegen de voorsteven. Men spreekt hier niet meer van een berghout, maar van een 'boeghout'.

Oudere hengsten hadden ook een dolboom. Deze lag zoals bij de hoogaars onder de spanten tegen de binnenkant van het boord, maar niet op dezelfde plaats. Bij de hoogaars volgt dit verbanddeel de gehele naad tussen het bovenboord en het boeisel. Bij de hengst ligt deze dikke lat op de naad die gevormd wordt door de twee boorden van het boeisel. Jongere hengsten hebben geen dolboom.

Een bijzonderheid, die men slechts bij hengsten aantreft, is het boogvormig uitsnijden van de achterkant van de voorplecht. De dekplanken laat men hier over de mastbank schieten en worden dan in een boog uitgesneden. Het midden van de boog ligt tegen de mastkaken en de uiteinden ervan stoten tegen de zwaardknieën. In de dekplanken, die nabij deze knie boven het ruim vallen, wordt een opening gemaakt voor het plaatsen van de pompen.

In de werfboeken van J. F. de Klerk te Kruispolder wordt vermeld: «buiten accoord volgens opgaaf bijgekomen als volgt voor het doortrekken van de Pligt met kromme waterlijsten 10 gld.».

Deze bijzonderheden van de hengst tonen duidelijk aan dat dit schip vrij sterk van de hoogaars afwijkt in talrijke punten, in zoverre dat praktisch niet meer van enige gelijkenis kan gesproken worden.

De Lemsterhengst

Dit schip is een kruising tussen een hengst en een Lemsteraak. Het ontstaan ervan is te zoeken in de vaart op de Zuiderzee voor het ophalen van mosselzaad. De Zeeuws-Vlaamse hengstschippers leerden hier de Lemsteraak kennen als concurrent. Want ook de schippers van Bruinisse haalden mosselzaad op, meestal met Lemsteraken, ook Lemsterjachten of kortweg jachten genoemd. Er werd toen vastgesteld dat de ongeladen hengst de gelijke was van de Lemsteraak, maar dat deze op de terugweg de geladen hengst achter zich liet. Dit betekende dat deze Lemsteraak vroeger op de markt toekwam met het mosselzaad wat een wezenlijk voordeel was.

Men trachtte nu de voordelen van de hengst

  • de platbodem die gemakkelijk kon droogvallen
  • te koppelen aan deze van de Lemsteraak
  • de snelheid.

Hieruit ontsproot de Lemsterhengst, dat is de hengst met een rond achterschip zoals een Lemsteraak. Maar er werden nog andere aanpassingen doorgevoerd in de bouwwijze. Het tweedelige berghout van de hengst werd vervangen door een doorlopend berghout zoals bij de Lemsteraak. Het ligt in zijn geheel ook hoger want het volgt geheel de onderkant van het boeisel en dit deel boven het berghout is dus aanzienlijk smaller dan bij de gewone hengst, terwijl het ook een grotere helling naar binnen heeft. Ook de spantvorm werd gewijzigd. De lijn kim-berghout is langer en staat veel boller dan bij de gewone hengst. Bovendien is de beplanking overal gladboordig. Bij de Lemsterhengsten werden tussen de normale knieën ook nog zitters aangebracht, die eindigden ter hoogte van het berghout, terwijl de andere knieën normaal doorliepen tot aan de bovenkant van het boeisel. Ook de roervorm werd dikwijls veranderd en vele Lemsterhengsten hadden een roer met een klik van een Lemsteraak.

De Lemsterhengst ontstond rond de eeuwwisseling en werd ook `jachthengst' genoemd. In 1899 werd bij de werf J.F. de Klerk te Kruispolder de eerste Lemsterhengst gebouwd en deze mag als één van de eerste, zo niet als de eerste van dit soort aangezien worden.

Aantekeningen

87 W. Voorbeijtel Cannenburg Beschrijvende catalogus der scheepsmodellen en scheepsbouwkundige tekeningen 1600-1900, Amsterdam 1943, p. 127.
88 Crone Nederlandsche Jachten, Binnenschepen, Vis-schersvaartuigen en daarmee verwante kleine zeeschepen 1650-1900, p. 210, plt. 31.
89 Potloodtekening door J.C. Greive, uit de verzameling van het Nederlandsch Historisch Scheepvaartmuseum, Map tv E a 5, nr A 1854(4), gedateerd 16 september 1857.

Lijnen, constructie en zeiltekeningen hengst CLN1

De Hengst - De botvisserij en de mosselvangst in Zeeland en in Vlaanderen door Jules van Beylen (2007)

Geschiedenis

In Vlaanderen - dat zich indertijd uitstrekte tot aan de zuidelijke oever van de Schelde - en in Zeeland werden al eeuwenlang platbodems gebruikt voor de visserij, het goederentransport en het personenvervoer. Een platbodem was het enige scheepstype dat in de ondiepe kreken en schorren tussen de toenmalige eilanden kon worden gebruikt. Hoe die scheepjes er uitzagen en welke typenaam ze droegen, zal wel altijd een open vraag blijven. Op de oudste kaarten van dit gebied werden een aantal vaartuigen afgebeeld. Daar kan enkel worden vastgesteld dat het ging om zeeschepen, binnenvaartuigen en waarschijnlijk vissers. Maar een echte typenaam kan er nauwelijks bij worden vermeld.' Van sommige schepen is de naam bekend, maar er kan slechts zelden een kenmerkend beeld van worden geschetst. Vooral voor kleinere, plaatselijke vaartuigen is een eigentijdse bron die het type vermeldt en het beeld toont, dan ook zo goed als uitgesloten.

De Hengst - De botvisserij en de mosselvangst in Zeeland en in Vlaanderen

Hengsten werden voor het eerst bij naam bekend in de 17de eeuw. Hoeveel er van die scheepjes waren, valt zelfs niet bij benadering te schatten. Daar is pas verandering in gekomen toen de Nederlandse vissersschepen in 1825 bij het Bestuur der Visscherijen op de Schelde en de Zeeuwsche Stroomen een consent moesten aanvragen om te mogen vissen. In de registers van de uitgereikte consenten werd het scheepstype soms, maar ook weer niet altijd vermeld.

Hetzelfde kan worden vastgesteld in het officiële register, waarin de Nederlandse vissersschepen door het gemeentebestuur van iedere vissershaven werden geregistreerd, vanaf 1 september 1911 tot 1947. Daardoor is het vrijwel onmogelijk een volstrekt volledige inventaris op te stellen van alle vissersschepen en zeker niet van de hengsten of andere platbodems, die in de Zeeuwse of Vlaamse havens thuishoorden. Het blijft bij schattingen, die soms ver uit elkaar liggen. Vele vaartuigen staan te boek als half gedekte platbodem of gewoon halfgedekt. De meeste klassieke Zeeuwse vissersschepen uit de zeiltijd beantwoorden aan die omschrijving, maar dat is ook bij andere het geval. Het is meestal niet mogelijk uit te maken of achter die ambtelijke omschrijving een hengst of een hoogaars of wat dan ook schuilgaat. Slechts af en toe wordt het echte scheepstype genoemd en slechts zelden correct. In dit verband waren de almanakken, die in de tweede helft van de 19 de eeuw werden uitgegeven, veel vollediger.

De oudste vermeldingen

Het zal wel altijd een open vraag blijven hoe, waar en wanneer de hengst is ontstaan. Vermoedelijk heeft dit vaartuig een lange voorgeschiedenis, waarover niets bekend is. Op een bepaald tijdstip werd het scheepje - waarschijnlijk was het maar een klein ding - gebruikt door een bestuur voor één of andere betaalde opdracht. Daarvoor werd een rekening uitgeschreven en zo belandde de naam van het plaatselijk scheepje in een archief, vanwaar het vroeg of laat een plaats kreeg in de geschiedenis. De tot nu toe oudst bekende vermelding van een hengst werd aangetroffen in een rekening van 1655, geschreven door de penningmeester van de Vlaamse gemeente Kieldrecht (Oost-Vlaanderen) (zie afbeelding hierna). Zo terloops wordt in deze rekening kond gedaan dat ook hoogaarzen voor vletwerk werden gebruikt.

Of de hengst ouder is dan de hoogaars is een hypothetische vraag, maar men kan wel met zekerheid stellen dat de hengst ouder was dan het jaar van bovenstaande rekening. Het vaartuig werd gebruikt voor de vletterij, waarschijnlijk met materiaal voor bedijking. Of er toen ook mee werd gevist, kan enkel worden verondersteld. Evenmin is bekend hoe de hengst er uitzag.

In de dertiende eeuw lag in het toenmalige Vlaanderen, nu Zeeuws-Vlaanderen, ten noorden van Hulst een dorp, Heynsdijk genaamd.

In de loop der tijden heette dat dorp Huinstdijk, dan Heijnstdijk, nu Hengstdijk. Nog in de 20ste eeuw werd op de scheepswerf J.F. De Klerk te Kruispolder een hengst steeds Huinst genoemd. Het kan zuiver toeval zijn dat Hengstdijk in de buurt ligt van het gehucht Zandberg, de plaats van het vroegere Fort Sandbergen en het gadt van Sandtbergen, dat in het archief van Kieldrecht werd genoemd. Dat is dus het gebied dat in de oudste geschreven bron over de hengst wordt vermeld. Onwillekeurig borrelt de vraag op of de naam van het dorp Hengstdijk iets te maken heeft met de toch wat vreemde naam van dit vaartuig. Een probleempje voor taalkundigen. Het is overigens niet ongewoon dat schepen de typenaam dragen van de plaats waar ze ontstaan zijn of thuishoorden: een Hagenaar, een Hasselter aak, een Doornikenaar, een Lemmeraak, een Drimmelaar, een Dorstense aak, een Ertvelder en vele andere.
De Belg J.P. Clays (1819-1900) tekende, omstreeks 1865 en later, diverse nauwkeurige afbeeldingen van hengsten met een spriettuig." Echt uitzonderlijk zijn evenwel de talrijke tekeningen van hengsten door de Antwerpse marinetekenaar en aquarellist Henri Seghers (1848-1919) en door zijn zoon, marineschilder en modelbouwer Maurice Seghers (1883-1959).

Hengsten in Zuid-Holland

De naam hengst wordt ook nog in latere geschriften aangetroffen, zoals in een proces-verbaal betreffende de verdrinkingsdood van de Friese erfstadhouder Johan Willem Friso (1696-1711). In 1711 stak de prins met zijn gevolg het Hollands Diep over met een hoogaars en een hengst. Of de paarden in de hoogaars werden geladen, is niet met zekerheid bekend. De koets werd op een hengst geladen en het laat zich aanzien dat de prins daar met zijn gevolg ook aan boord was. Door het slechte weer maakte de hengst zodanig slagzij, dat de hoge gast en zijn gevolg uit de koets in het water sukkelden.

De prins verdronk. In het boek dat in 1716 werd gepubliceerd, staat een gravure afgedrukt, die de tragische gebeurtenis weergeeft. De prent met de zogenoemde hengst is een vaartuig, dat in de verste verte niet lijkt op een hengst van het type dat later in Zeeland voer, maar een pont van het soort dat bij de meeste veren wordt gebruikt. Het is best mogelijk dat de tekenaar van de prent nooit een echte Zeeuwse hengst had gezien en zich bij een veer enkel de gebruikelijke pont kon voorstellen. Hoe men met een hengst, zoals die in Zeeland werd gebruikt, een koets kon overbrengen, is dan ook niet te verklaren, tenzij met de typenaam hengst nog een ander soort vaartuig werd aangeduid, bijvoorbeeld een soort veerschuit, met een oprit en afrit, geschikt om een voertuig aan boord te nemen. Dergelijke "hengsten" voeren onder meer ook als veerpont bij Hardinxveld en Werkendam en die werden eveneens hengst genoemd. De Rotterdamse tekenaar en etser Gerrit Groenewegen (1754-1827) heeft een soortgelijke pont afgebeeld. Het is een feit dat hengsten inderdaad als veerschip werden gebruikt. In de archieven betreffende Zeeuwse veren wordt het type veerschip slechts zelden vermeld. Meestal gaat het over het veerschip, de schuit, soms wel over de poon. De hengst wordt wél bij naam vermeld in verband met de veren van Terneuzen, Ellewoutsdijk, Baarland, Hoedekenskerke, Vlissingen en Breskens. In 1781 werd door de Ambachten van Mei en Neuzen besloten een klein schippersveer op te richten van Terneuzen naar het Land van Hulst. Het vaarwater was echter te ondiep voor de normale grote poon van de buitenschippers van het grote schippersgild. De overtocht diende daarom veelal te geschieden met een kleiner vaartuig zoals een hengst of een hoogaars.

De hengst wordt over het algemeen als een Zeeuws vissersschip beschouwd, maar hengsten werden eveneens in Zuid-Holland gebouwd. De rekeningen uit 1775-1789 van de Kinderdijkse scheepsbouwer Fop Jansz. Smit leveren daarvan het bewijs:

Ook wordt in de rekeningen nog een halfschaft henst genoemd, wat dat dan ook mag zijn.

De vermelding van een henstije en een henst wijst erop dat het over twee soorten gaat: een kleine en een grote. Dat wordt trouwens weerspiegeld in de prijs. Maar er rijzen ook vragen: waren deze Zuid-Hollandse hengsten van hetzelfde type als de Zeeuwse hengst of dragen ze enkel dezelfde naam? Zijn hengsten oorspronkelijk ontstaan in Zuid-Holland en zijn ze van daar uitgevoerd naar Zeeland? Of werden ze ontwikkeld aan de oevers van de Schelde, in Vlaanderen, zoals de rekening van Kieldrecht doet vermoeden? Misschien was de hengst een scheepstype dat verspreid was over Zeeland, Brabant en Zuid-Holland. Dat de hengst voor het eerst bij naam werd vermeld in Vlaanderen, betekent niet persé dat hij terzelfder tijd ook niet in het Noorden zou hebben bestaan. In de 18de eeuw bestonden, naast de kleine, reeds grote hengsten. Zo'n grote hengst, getuigd met een zwaar sprietzeil, werd geschilderd door Engel Hoogerheijden (1740-1809), ter hoogte van Dordrecht. Het valt wel op dat dit schip zo sterk op de voorgrond is geplaatst, als was het iets bijzonders. Misschien was het een veerschip of een vrachtvaarder van elders (Zeeland?), maar dat is niet duidelijk. Een goed beeld van een hengst van omstreeks 1800 geeft een zeldzaam eigentijds plan. Het vaartuig was veel vlakker en ondieper dan de latere Zeeuwse hengsten. Wie weet waren het soortgelijke vaartuigen, die door Fop Jansz. Smit in Kinderdijk werden gebouwd. Deze hengst van 1800 was feitelijk een vrij grote open boot van 33 voet 2 duim lang (9,39 m), gemeten over de stevens. De breedte binnen de huid bedroeg 11 voet 3 duim (3,19 m) en was hol uit de boom (bodem = het vlak) en dolboom 3 voet 4 duim (95 cm). De afmetingen benaderen zeer sterk die van de latere kleine Zeeuwse hengst. Maar het is de vraag of dit scheepje kan worden vergeleken met een Zeeuwse hengst uit dezelfde periode.

Hengsten als veerschip in Zuid-Holland

Een hengst was op de wateren van Zuid-Holland geen ongewoon gezicht. Die zogenoemde hengsten werden eveneens gebruikt als veerschip. De overtocht van erfprins Johan Willem Friso over een rivier als het Hollands Diep was niet uitzonderlijk. Op die rivier bestonden geregelde veerdiensten, onder meer op de Merwede, tussen Hardinxveld en Werkendam. Dat na het ongeval van de prins in 1711, reglementen werden uitgevaardigd om dit soort ongevallen te voorkomen is niet ondenkbaar. Hoe die Zuid-Hollandse zeilhengsten precies waren gebouwd, is niet bekend. Het is twijfelachtig of die schepen ook enige overeenkomst vertoonden met de hengsten die in Zeeland voor de visserij werden gebruikt. Dit versterkt het vermoeden dat de zogenaamde zeilhengsten enkel hun naam gemeen hadden met de Zeeuwse hengst en gewone ponten waren.

De hengst in de literatuur

Merkwaardig is het, dat in Zeeland zelf weinig of geen aandacht aan deze vaartuigen werd besteed, ook niet door Zeeuwse auteurs of schilders. De Westerschelde blijkt daarbij geen belangrijke plaats te bekleden, behalve als het over militaire gebeurtenissen ging. Deze toestand kan waarschijnlijk worden verklaard door het feit dat vooral Oost-Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Beveland jarenlang oorlogsgebied waren. Sedert het begin van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) stonden grote delen van de streek onder water en het duurde vele tientallen jaren eer het land werd bedijkt en weer drooggemalen. Talrijke kleine rivieren en inhammen verbrokkelden die gebieden. Zeeuws-Vlamingen zijn, psychologisch, maar ook geografisch, lange tijd afgescheiden geweest van Holland.

Nog vandaag hoort men de Zeeuws-Vlamingen door Zeeuwen van boven de Schelde nog steeds die van de overkant noemen. Anderzijds hadden ze lange tijd via het water meer contact met het nabijgelegen en gemakkelijk te bereiken Antwerpen. Het is dan ook verklaarbaar dat hengsten en hoogaarzen beter bekend waren in Vlaanderen dan in Nederland.
In 1905 werd in Brussel de Internationale Permanente Vereeniging voor de Scheepvaartcongressen opgericht. Deze organisatie gaf in 1907 een album met tekst in drie delen uit, geschreven door E. van Konijnenburg, ingenieur bij de Nederlandse Waterstaat. Hij begon aan dit werk in 1895 en het werd in 1905 beëindigd. Deze driedelige studie was bedoeld om een standaardwerk te worden, waarin alle Nederlandse houten binnenschepen en vissersvaartuigen zouden worden opgenomen. Daarnaast werd een ruim historisch overzicht gegeven van de voornaamste zeeschepen. Het is jammer te moeten Bij de tekst hoort eveneens een plan van een hengst, getekend door W.K. Versteeg. Het profiel van dit scheepje is zo goed als zeker getekend naar het plan van een hengst van omstreeks 1800, dat hiervoor al werd aangehaald. De langsdoorsnede is echter onvolledig weergegeven.

In het in 1926 verschenen standaardwerk van G.C.E. Crone over Nederlandse schepen wordt wél iets over het model van een hengst geschreven. Alleen is het niet correct dat Crone de hengst heeft ondergebracht bij de binnenschepen. Tezelfdertijd wordt daardoor duidelijk hoe weinig de auteur met de Zeeuwse hengst bekend was:

De hengst was een overboordig platboomdscheepje op de Zuid-Hollandsche stroomen, dat in gedaante veel op de Zeeuwsche hoogaars lijkt; de voorsteven is echter niet zoo sterk vallend en de achtersteven nagenoeg rechtstandig. Kleine open hengsten waren bij de visscherij in gebruik, terwijl grootere die met een roef waren ingericht, als veerschip dienst deden, zoals bij het Rijksveer van Willemstad op Numansdorp. Het zeer fraaie palmhouten model behoort aan het Nederl. Museum, waar het bekend is als een veerschip in de eerste helft van de 19de eeuw aan het Strijensche Sas, ten dienste der koninklijke familie voor de overtocht naar den Moerdijk in gebruik. Groenewegen geeft een duidelijke afbeelding van een leijnst als klein vrachtscheepje met platte luiken, hellende mast en sprietzeil." De vermelding dat kleine open hengsten bij de visscherij in gebruik waren, heeft waarschijnlijk betrekking op de hengstjes van het soort dat is getekend op het plan van omstreeks 1800.

Crone was blijkbaar niet op de hoogte van het feit dat ten zuiden van de grote rivieren grote hengsten in de vaart waren. Tevens meende hij uit het model uit de verzameling van het Scheepvaartmuseum te Amsterdam te mogen besluiten dat dergelijke scheepjes algemeen als veerschip werden gebruikt. Feitelijk werd dit hengstjacht enkel gebruikt door de koninklijke familie. Deze hengst was hun privé-veerschip. Daarom is het ook gebouwd met een roef, zoals een jacht. In die tijd kon men zich niet voorstellen dat de koninklijke familie met de gewone veerdienst over het Hollands Diep zou varen. Steunend op van Konijnenburg, deelt hij ook de mening dat de hengst zoiets als een hoogaars is.

Iets beter ingelicht waren H.C.A. van Kampen en H. Kersken Hzn die in 1927 schreven:

Een ander "droog" visschersvaartuig, eveneens in Zeeland thuis behorend is de "hengst", die hoofdzakelijk voor de oester- en mosselvisscherij gebruikt wordt. Het grootste onder deze vaartuigen wordt ook gebezigd voor het vervoer van het zogenaamde "mosselzaad" dat zij aan de Waddeneilanden gaan halen, om het uit te zetten op de mosselpercelen in Zeeland. In de Belgische jachtvloot treffen wij enkele hengsten aan, omgebouwd als jacht. Voor de vaart in Zeeland vallen zij zeer in den smaak.

De afbeelding die bij deze tekst werd gedrukt toont een zeer grote hengst, reeds uitgerust met een motor, de YE98. De tweede afbeelding stelt een Lemmerhengstjacht voor, gemeerd ter hoogte van het clublokaal van de Antwerpse SRNA (Société Royale Nautique Anversoise, nu Antwerpse Watersport Vereniging). Het plan bij de tekst toont het profiel en een half gezicht op het voor- en achterschip met de beplanking. Het werd getekend naar gegevens van J. Quist."

Het duurde nog tot 1942 eer een publicatie het licht zag waarin iets geloofwaardigs over hengsten was opgenomen. In dat jaar verscheen het werk van Maurice Seghers en R. De Bock, Binnenvaartuigen en visschersschepen op de Schelde. Daarin werd een reeks schepen afgebeeld en beknopt beschreven." Twee van de 40 tekeningen tonen een hengst: een grote met bezaantuig (plaat 32) en een kleine met spriettuig (plaat 33). In dit werk werden voor het eerst enkele verschillen aangehaald tussen de hoogaars en de hengst:

De hengst is evenals de hoogaars een platbodem-scheepje van de Schelde, de Zeeuwse en de Zuid-Hollandsche stroomen. De voorsteven is minder vallend dan bij de hoogaars en de achtersteven is rechtstandiger. Het boeisel is minder naar binnen gebogen en het berghout loopt van voor naar achter eerst onder langs het boeisel, zoals bij de hoogaars, maar breekt af vóór het zwaard, en loopt dan verder naar achter, onder langs de volgende huidplank en eindigt op zekeren afstand van den achtersteven.

In het midden zijn hengsten open zoals de hoogaarzen, ze voeren hetzelfde tuig, hebben eveneens smalle zwaarden en brede huidplanken. Ze meten gemiddeld 10 Ton en beoefenen mossel- en garnaalvisscherij evenals de hoogaars. Enkele hengsten komen voor als jacht. De meeste nog in de vaart zijnde hengsten hebben ook nog een motor gekregen, en dus ook een lelijk achterschip.

Tot ongeveer het begin der XXste eeuw kwamen op de Schelde ook tamelijk veel kleinere hengsten voor, die nog het oude spriettuig voerden en gebruikt werden voor transport van materialen voor de dijkwerken, enz." In de loop van de 19de eeuw waren deze kleine hengsten veelvuldig te zien op de Schelde: in Zeeland op het oostelijk deel van de Westerschelde, in Vlaanderen op de Zeeschelde tot Antwerpen en verder zuidwaarts. Misschien waren ze te onopvallend of werden ze niet belangrijk genoeg geacht om de aandacht van auteurs en van de Nederlandse schilders te wekken, met uitzondering van de Belgische Charles Mertens en de Antwerpse tekenaar en aquarellist Henri Seghers. Deze laatste tekende talrijke kleine hengsten, zeilend of afgemeerd op de Schelde.

Ontwikkeling van de hengst

Of de oudst bekende vermelding van een hengst in de rekeningen van de Kieldrecht-Vredepolder van 1655 " betrekking heeft op een grote of een kleine hengst, blijft een open vraag. Waarschijnlijk waren het kleinere vaartuigen die werden ingezet voor dijkwerken, zoals aan het Gat van Sandbergen, een soort werk waarvoor ze nog tot aan hun verdwijning in het begin van de 20ste eeuw werden gebruikt. Overigens, talrijke Zeeuwse vissers werkten mee aan soortgelijke werken, onder meer aan de Sloedam, vooral dan met hun hoogaarzen. Er zijn trouwens geen 17de-eeuwse bronnen bekend, die met zekerheid het bestaan van grotere hengsten bevestigen. Die duiken eerst later op. De kleine heijnst met spriettuig van Groenewegen is mogelijk de oudst bekende afbeelding van zulk scheepje. Het gelijkt op een Zeeuws-Vlaams hengstje, zoals dat in de 19de eeuw op de Schelde voorkwam, zij het met enige detailverschillen aan de tuigage. In Zeeland hadden de Zeeuws-Vlaamse sprietgetuigde hengstjes ook nog een evenknie, namelijk de hengstjes die werden getuigd met een bezaantuig.

Het is vreemd dat deze kleine hengstjes zogoed als nooit te zien zijn op schilderijen of prenten, zelfs niet als achtergrondvulling, dit in tegenstelling tot hoogaarsjes. Nu zijn de oostelijke hoek van de Westerschelde in Zeeland en het noorden van de Zeeschelde in Vlaanderen niet bepaald plaatsen waar veel kunstenaars kwamen, behalve dan enkele verloren gelopen Belgen. De streek langs beide oevers van de Schelde was vele tientallen jaren oorlogsgebied, grotendeels overstroomd en moeilijk bereisbaar. Bovendien vormden deze hengstjes geen opzienbarende verschijning. Ze kwamen echter veelvuldig in Antwerpen, waar soms vissersschepen werden gefotografeerd. Desondanks is er tot op heden nog geen behoorlijke foto van zulke hengstjes onder zeil opgedoken. Er is enkel een prentkaart van omstreeks 1900 met een gezicht op de rede van Antwerpen. Daarop is nabij een kleiner stoomvaartuig (een politieboot of pleziervaartuig?) een hengstje met spriettuig onder zeil te zien.

De afmetingen van dit soort hengstjes worden bevestigd door een officieel document, met name een METINGSBEWIJS (meetbrief), uitgereikt te Antwerpen door de Belgische expertmeter op 9 augustus 1919 aan P.J. Vermont uit Kruiningen. De hengst Maria Louisa, was 9,85 meter lang, 3,15 meter breed en had een tonnenmaat van 8,19 ton. Het vaartuig werd in 1894 gebouwd te Kruispolder. Volgens de lijst van schepen, gebouwd op de werf J.F. De Klerk, werden daar in dat jaar drie nieuwe hengsten gebouwd. Steunend op de prijs, moeten dit grotere schepen zijn geweest". De Maria Louisa werd in augustus 1911 ingeschreven als halfgedekte platbodem, KN 5 (Kruiningen), 8 ton, bestemd voor de mosselvisserij op de Zeeuwse Stromen en op de Zuiderzee. Op 13.11.1925 verhuisde het scheepje naar het Vlaamse Boekhoute. "

Talrijke halfgedekte platbodems worden aangetroffen in de registers van de Zeeuwse vissersschepen. Vele daarvan werden verkocht naar Antwerpen, Zandvliet, Berendrecht, Mariekerke en zelfs naar Tournai (Doornik). " Bij het raadplegen van een lijst met Nederlandse vissershavens uit 1887, waarin de schepen bij hun typenaam worden vermeld in plaats van het vage halfgedekte platbodem, blijkt dat hengsten in de vaart waren in: Bergen op Zoom 2; Bosch-Kapelle 2; Clinge 95; Cortgene 1; Graauw 62; Hontenisse (Kruispolder) 10; Krabbendijke 1; Maassluis 1; Philippine 3; samen 177 schepen. De hengsten hadden doorgaans een tonnenmaat van 8 ton, bij uitzondering 9 ton. Andere Zeeuwse platbodems voor de visserij hadden een tonnenmaat die veelal aanmerkelijk hoger lag: hoogaarzen tussen 15 en 20 ton, schouwen tussen 9 en 12 ton. Uit de lijst kan worden besloten dat de meeste hengsten in Clinge en Graauw (Paal) thuishoorden. In Yerseke ontbraken ze geheel.

In die periode moeten hengsten met een spriettuig als een verdwijnend soort worden beschouwd. In de lijst met schepen, gebouwd op de scheepswerf van J.F. De Klerk te Kruispolder, wordt maar één-maal naar een spriet verwezen:

8. Sept. 1882 Pieter de Rooi Wegens het overnemen van een ouden Hungst, den 10 September 1882, Volgens overeenkomst zonder mast, Spriet...

Op 22 september van hetzelfde jaar werd nog voor 3 gulden herstellingen aan dezelfde spriet uitgevoerd", (Bijlage III). Later werd steeds een gaffel en/of boom voor een bezaantuig vermeld. Meestal werd een onderscheid gemaakt tussen een gebogen en een rechte (essen) gaffel, wat een verschil in prijs meebracht.

In de chronologische lijst van De Klerk zijn nog meer aanwijzingen over de bouw van hengsten te vinden. Zo werden sommige schepen gebouwd met een olmen vlak, liggers, roer en zwaarden, andere geheel in eik. Aanvankelijk werden geen afmetingen vermeld en kan enkel van de prijs worden afgeleid of het om een groter of kleiner vaartuig gaat. Eerst in 1891 wordt de lengte van het vlak genoemd. Het is een feit dat hengsten door de band 15 à 17 ton en meer groot waren, bijna het dubbele van de kleine hengsten, want een gewone hengst was 16 tot 27 ton groot. Dit blijkt uit een Meetbrief voor binnenvaartuigen, uitgeschreven te Dordrecht op 8 augustus 1904. Daar had men blijkbaar geen meetbrief voor vissersschepen, of misschien dacht men daar ook dat een hengst een binnenschip was. De gewone hengst was om en bij de 12 meter lang, getuige de meetbrief van 1904. Daarop wordt een lengte van 11,80 meter vermeld, een breedte van 4,22 meter. Tonnenmaat Zeventien duizend vierhonderd zeven en twintig kilogram (17,427 ton).

De grote of gewone hengst

Uit de literatuur over de hengst is reeds gebleken hoe weinig de meeste auteurs van het scheepstype afwisten. Steeds werd verwezen naar de hoogaars. De hengst mag dan wel een Zeeuwse platbodem zijn met een rechte, vallende steven en gebouwd met een gelijkaardige indeling van de romp, verder gaat de vergelijking niet op. Vergeleken met een hoogaars, heeft een hengst een ander silhouet, andere lijnen en is hoekiger gebouwd, stugger dan de hoogaars.

De Lemmerhengst

Voor de bouw van een Zeeuws vissersschip werd vrijwel nooit een plan getekend of gebruikt. Misschien was dat op de werf van J.F. De Klerk wél het geval. In de lijst van bij De Klerk gebouwde schepen werd in 1899 (nr. 342) Wegens een Nuie-wen Huingst, Model Lemmer-Huingst gebouwd, groot 35 voet Vlak met bylevering van masten giek Roer en zwaarden en 2 boomen en 2 riemen en 1 aak gebogen gaffel en 2 Pompen.

In juli 1899, (nr. 345) liep andermaal een schip van stapel voor Den Heer Johannes van der Heyden schipper te Couterlinge. Wegens voor hem gemaakt een Nieuwen Huingst Model Lemmer Jacht volgens Accord en Overeenkomst van den 16 February 1899. Beide schepen waren aanzienlijk duurder dan een gewone hengst. Dat kon niet anders, rekening houdend met het groot aantal knieën en oplangers. Deze Lemmerhengsten van De Klerk waren bijna zeker de eerste in Zeeland gebouwde Lemmer-hengsten.

Dat men op de werf J.F. De Klerk te Kruispolder niet scheen vast te houden aan de traditionele werkwijze om een schip zonder plan op het oog te bouwen, wordt onderstreept door het plan van een Lemmerhengst. Ontwerp voor een Lemmervaar-tuig - schaal 1/ 20. Deze hengst was niet bepaald een klein schip en bleek nauwelijks koplast te hebben. Door wie en waarom dit plan werd getekend, is niet duidelijk.
Het nieuwe scheepstype kreeg niet direct navolgers, want het duurde tot 1902 eer vele andere - wat meer vooruitstrevende - schippers een Lemmerhengst bij de Klerk bestelden. Het type, ook Lemsterhengst genoemd, was een kruising tussen een hengst en een Lemmeraak. De reden voor de verspreiding van deze schepen in Zeeland dient gezocht te worden in de aanvoer van mosselzaad uit de Zuiderzee. De Zeeuwse hengsten hoogaarsschippers leerden de Lemsteraken kennen als geduchte concurrenten. Ook schippers uit Bruinisse gingen mosselzaad in het Noorden halen, dikwijls met Lemsteraken, ook Lemmer-jacht of kortweg jacht genoemd. Het woord jacht moet hier worden begrepen in de betekenis die het reeds in de 16de eeuw had: een snel schip, een jager, waaruit het woord ventjager is ontstaan. Die namen de vracht van vissersschepen over om ze in de kortst mogelijke tijd naar de markt te brengen. Het moesten dus snelle schepen zijn. De Bruinisser vissers hadden deze schepen laten bouwen bij de Gebr. de Boer en van Bos te Echtenerbrug en bij A. van der Zee te Joure. " Tijdens de mosselvaart werd vastgesteld dat een ongeladen hengst de gelijke was van een Lemmeraak, maar dat een met mosselzaad geladen hengst het moest afleggen tegen een Lemmeraak. De geladen Bruinisser Lemmerjachten bleken sneller aan de Antwerpse markt te komen dan de andere schepen en kregen daardoor betere prijzen voor hun vracht, wat uiteraard evenmin onopgemerkt bleef. In Zeeland werd getracht de snelheid van de aak te koppelen aan het voordeel van de platbodem, zoals een hengst, die moest kunnen droogvallen. De Lemsteraak was namelijk een rond schip met een lage kiel en een rond, getild vlak.

Het einde

Toen het werk van Maurice Seghers & R. De Bock verscheen (1942), werd nog een beperkt aantal houten hoogaarzen en hengsten als vissersschip gebruikt. Ze waren praktisch alle met motor uitgerust en de meeste vertoonden daardoor een min of meer geschonden silhouet. Bij vele werd het boeisel verhoogd, de romp geheel gedekt en bezet met een stuurhuis. De mast werd ingekort, het zeil verkleind en de zwaarden werden verwijderd. De houten schepen werden echter al vóór de Tweede Wereldoorlog stilaan vervangen door stalen kotters. De oorlog bespoedigde het verdwijnen van de traditionele, in hout gebouwde Zeeuwse vissersschepen. Talrijke vaartuigen werden door de Duitse bezetter opgeëist voor militaire doeleinden. Ze kwamen nooit terug, Sommige werden vernield door oorlogshandelingen, andere gesloopt of verdwenen zonder een spoor na te laten. De oude schepen werden in schorren en haventjes als Emmahaven en op het strand van Bergen op Zoom achtergelaten. Daar vervielen ze op korte tijd tot wrakhout of verzonken door verlanding, terwijl andere als brandhout in rook opgingen. Uitzonderlijk werden enkele hengsten en Lemmer-hengsten gered en omgebouwd tot pleziervaartuig.

Consent 2021 voorjaar: De Lemmerhengst - Een beknopte beschrijving

Je zou denken dat in de dertig voorgaande Consenten er eerder aandacht aan dit scheepstype geschonken zou zijn. Maar dat is niet het geval. Deze omissie maken we nu goed: in dit artikel een korte beschrijving, en, verderop, in een volgend artikel, een weergave van een gesprek met een bouwer over de aanpak.

De lemmerhengst is een ontwikkeling van de hengst, een visserschip, dat vooral ingezet is voor de mossel- en garnaal-visserij vanuit de havens aan de Westerschelde. In het boek De Hengst, waar deze beschrijving veel gegevens vandaan heeft, pluist de auteur, Jules van Beylen, de herkomst van de hengst uitgebreid uit.
Tegen het einde van de 19e eeuw leerden de Zeeuws Vlaamse hengsten (en hoogaarzen) de lemmeraak kennen als concurrent bij de vaart op de Zuiderzee toen de verschillende typen schepen ingezet werden bij het halen van mosselzaad. De schippers van Bruinisse gebruikten veelal lemmeraken, ook lemmerjachten genoemd. Ongeladen op de heenweg deden de hengsten niet onder voor de aken. Maar op de terugweg, volgeladen, lieten de aken hun ronde kont zien aan de hengsten. Het is een groot voordeel om eerder op de markt te zijn met de koopwaar! En zo groeide de vraag om een sneller schip. Waarom dan niet meteen een lemmeraak genomen? Het antwoord daarop is wel duidelijk: een lemmeraak is een rond schip met een ondiepe kielbalk en een rond, getild vlak. En dat is bepaald een nadeel als je regelmatig wilt droogvallen! Het moest dan maar een kruising worden, gericht op de praktijk van de mosselvisserij en met behoud van alle goede vaareigenschappen.
Een 'ronde konte', ook wel een 'lemmergat' of 'boeiergat' leek de belangrijkste oplossing te zijn. Enerzijds 'Iaat die vorm het water beter los', anderzijds geeft ze meer draagvermogen, dus meer snelheid aan het beladen schip. Maar het platte vlak van de hengst bleef. De eerste lemmerhengst liep in 1899 van de helling bij de Werf J.F. de Klerk te Kruispolder.


De Steekhengst

Eén van de hengst-types was de Steekhengst in gebruik bij het zalmsteken. Steken bestonden uit een rij palen dwars op de oever met daartussen gevlochten schuttingen van lange wilgetenen. In die schuttingen moesten de openingen tussen de twijgen tenminste 10 x 20 cm bedragen. Steken werden in 1913 gebruikt in het Haringvliet (22 stuks), de Oude Maas beneden Spijkenisse en Botlek (10 stuks), de Brielse Maas tot aan zee (46 stuks), op de Scheur en de Nieuwe Waterweg (18 stuks) en op het Hollands Diep beneden de Moerdijk (5 stuks). In de 18e eeuw en daarvoor waren ze ook veel te vinden in de zuidelijke Biesbosch. Van de steekschuit geeft Van Konijnenburg een tekening met afmetingen 8,1 x 2,5 meter.

In het algemeen is de meest betrouwbare bron over de vorm van een boot altijd nog een foto. Eerst is gezocht bij de oudheidkundige vereniging van Zwartewaal. Dit leverde een informant, namelijk A. van der Zee te Zwartewaal die als kind deze schuiten zelf had gezien. De tekening van Van Konijnenburg werd vergroot en gaf bij Van der Zee de reactie dat steekschuiten midscheeps een bun hadden en achter een klein achterhuisje met bank. Verder waren ze geheel open. Dat moest ook wel, want met die schuiten werden ook de lange, zware palen vervoerd waarmee de steek in de grond werd vastgezet. Deze palen lagen vanaf de achterbank over het gehele schip om naast de voorsteven overboord te steken. 
De reconstructie van de Steekhengst is gedaan op de maten van Van Konijnenburg. De vorm is getekend met de foto voor ogen. Het binnenste kon worden getekend naar het model van de steekschuit. Het tuig is getekend naar het tuig van de modellen. Ze werden gebruikt in de Botlek, op de Scheur beneden Maassluis en in de Biesbosch; ze zeilden bijzonder goed. Ook waren het waakzame en zeewaardige schepen.


Spiegel der Zeilvaart juni 2015 nummer 5 - Steekhengst gered van uitsterven

De Steekhengst is een onbekend scheepstype; alleen Gerrit Schutten noemt het in zijn boek "Verdwenen Schepen". Door diepgravende studie van Peter Hamer is er nu echter veel boven water gekomen. We moeten terug naar 1899 tot 1903 toen in Den Briel vier Steekhengsten werden vermeld, van 1903 tot 1911 werden twee zalmsteekhengsten vermeld. Na 1947 is er over dit type niets meer terug te vinden. Wel wist Peter Hamer te achterhalen dat de steekhengst 'Boreas' die in Kortenhoef werd "gelicht", op de werf van Richter Uitdenbogaardt in Maassluis moet zijn gebouwd. Na 1947 is er over dit type niets meer terug te vinden. Wel wist Peter Hamer te achterhalen dat de steekhengst 'Boreas', die in Kortenhoef werd "gelicht", op de werf van Richter Uitdenbogaardt in Maassluis moet zijn gebouwd. In de negentiende eeuw was de zalmvisserij een belangrijke bedrijfstak waarmee grote inkomsten werden gegenereerd. In 1885 werden er in de Maasmond maar liefst 100.000 zalmen aangevoerd. Het visrecht was verdeeld in verschillende afdelingen: visserij met de grote zalmzegen, visserij met drijfwant en< visserij met zalmsteken en stallen en daaraan verbonden fuiken, korven, kubben, schutnetten, enz. Elke afdeling was onderverdeeld in geografisch nauwkeurig omschreven percelen en bepalingen over het maximaal aantal steken of het toegestane aantal schepen.

Spiegel der Zeilvaart december 2015 nummer 10 - Twee IJzeren Steekhengsten

Na de publicatie over de 'Boreas' in de Spiegel ontving Peter Hamer van Stichting Behoud Hoogaars bericht van Gerard van Stokkum, eigenaar van de Gouwe Slak. Hij schreef: 'Ik las het bericht over de 'Boreas', de laatst overgebleven steekhengst etc. De betreffende werf, Richter Uitdenbogaardt te Maassluis, heeft in 1903 nog twee ijzeren steekhengsten gebouwd. Die zijn beide nog in de vaart. Een daarvan is de 'Gouwe Slak' en hoort mij. Hij ligt in Kampen. Volgens informatie van internet zou die boot bij u als Hoogaars zijn geregistreerd, toenmalige eigenaar Giel Payens. Voor het schrijven van een artikel lees ik me altijd zoveel mogelijk in. Bij de 'Boreas' was ik wat bevooroordeeld omdat iedereen sprak over 'de laatst bewaarde steekhengst'.
Het betrof hier echter het laatst overgebleven houten exemplaar. Ik zocht niet veel verder. Dom. Dom! En als ik de index van de Spiegel wat zorgvuldiger had bekeken, dan was ik zeker het artikel van Gerrit Schutten in 1997 tegengekomen, getiteld: 'Hengsten, niet alleen in Zeeland'. In zes pagina's beschrijft Schutten steekhengsten, mosselhengsten, garnalenhengsten en de Lemmerhengst. Hij maakte ook een reconstructietekening van een steekhengst van 8 x 2,4 m, gemaakt aan de hand van de maten van Konijnenburg. 

Spiegel der Zeilvaart mei 2016 nummer 4 - 35 jaar 'De Gouwe Slak'

In het artikel over twee ijzeren steekhengsten, in SdZ2015.10, is ten onrechte de indruk gewekt, dat de gouwe slak vanaf 1979 tot heden in het bezit is geweest van de huidige eigenaar. Ook het ware relaas over de vele verbeteringen aan het scheepje was verre van volledig en daarom hier het complete verhaal.
Joke Rijnveld was met haar man al een tijdje op zoek naar een geschikte, maar niet te dure boot. In 1977 stond er een advertentie in de vaarkrant van De Telegraaf: hoogaars te koop. Het scheepje heette toen 'Goevaert'. Zo gauw ze het schip in Hindeloopen zagen liggen, waren ze verliefd op de lijn. Het schip was van Ton Bruns, die later, van 1996- 2001, met zijn andere zeiljacht 'Tonkin' een reis om de wereld maakte. De hoogaars werd gekocht door de familie Rijnveld en van Hindeloopen, verkast naar Sloten en daarvandaan naar Aalsmeer, waar jachthaven Dragt jarenlang de thuishaven was. Op de Westeinder werd veel gezeild. Opkruisen van lager wal naar de hoge wal en dan voor de wind terug. Zo werd met twee opgroeiende kinderen 24 jaar met de 'Gouwe Slak' gezeild, tot Joke's man ziek werd en in 2001 overleed. Daarna heeft de bevriende familie Payens er nog enige jaren mee gevaren en het droevige afscheid was eind 2012 in een verkoophaven in Aalsmeer.