Spring naar inhoud

Toegankelijkheidsopties:

Scheepstype: Zeeschouw

Inleiding

In de periode tussen 1895 en 1920 ging het ronduit slecht met de visserij in de Zuiderzee. De vangsten vielen tegen en mocht er dan toch eens een goede vangst zijn, dan vielen de opbrengsten vies tegen. Veel vissers liepen langs de rand van de afgrond en wisten maar met moeite een balans te vinden tussen onderhoud van het gezin en geld besteden aan de boot. Veel schepen zagen er dan ook niet uit en de meeste waren hard aan groot onderhoud toe of moesten zelfs vervangen worden. Een beetje aak kostte al snel rond fl. 800, laat staan dat men een grote aak wilde of een botter of een blazer. Dan liepen de kosten snel op in de richting van de fl. 1500. Vissers die de stap wel zetten wisten dat ze er jaren over zouden doen om een nieuw schip af te betalen. Het was een enorme verassing dat in Lemmer een wagenmaker met de naam Wierda, een schouw begon te bouwen met dezelfde zeewaardigheid als een kleine aak, maar voor de helft van de prijs. Dit moet onder de vissers en zeker onder de werfeigenaren tot de nodige verwondering hebben geleid.

Wierda zelf had als jongeman gevaren op een visaakje en wist wat er geëist moest worden van een zeeschip. Door omstandigheden is hij later aan de wal opgeleid tot wagenmaker en in de buurt van Akkrum woonachtig geweest. Hij heeft dus ook veel open schouwen gezien. Daarna is hij in Lemmer een zwaarder type schouw gaan bouwen. Volgens mededelingen van zijn zoon waren al zijn schouwen 8 meter over de stevens. Daar een zeeschouw onder moeilijker omstandigheden moest varen, werd ze veel breder gemaakt, 3 meter en meer, met meer oplopend voordek en een holte van ruim 1 meter.

Zeeschouwen zijn op veel plaatsen gebouwd. Dat gebeurde ook al in de tijd van de visserij. De houten botters en andere scheepstypes werden vervangen door schouwen, handzamer en goedkoper. De Zeeschouw is na de oprichting van de SSRP enorm populair geworden als plezierjacht. Op vele werven zijn ze gebouwd en ook op basis van uitgewerkte tekeningen van ontwerpers, door particulieren

Wat het tuig betreft, heeft de zeeschouw een bottertuig: grootzeil met rechte gaffel, vissermanfok (grootzeil 15 vierkante meter, fok 14 vierkante meter bijvoorbeeld) en een kluiver op losse boom. Als jacht gebruikte of gebouwde zeeschouwen hebben dikwijls de oorspronkelijk rechte gaffel vervangen door een gebogen. Ook in het tuig kan men tussen beide typen verschillen ontdekken. 

De zeeschouwen hebben alle sterk uitwaaiende zijden, in tegenstelling met de binnenschouwen, dit wil zeggen een smaller vlak; naar verhouding zijn ze veel breder op de knik. Hierdoor en door de grote breedte wordt een stijf schip verkregen met een rustige ligging in ruw water. Zeeschouwen kruisen vrij goed tegen zee op en liggen voor de wind goed op het roer. Dit laatste is mede te danken aan de ondiepe kiel, welke van voor de mast tot aan de achterspiegel doorloopt. Deze kiel heeft een drieledig doel: het bevorderen van een rustige ligging op het roer; het afremmen van de dwarsscheepse slingering en een hoge ligging aan de wind.

Friese en Hollandse Zeeschouwen

Zeeschouwen zijn op veel plaatsen gebouwd. Dat gebeurde ook al in de tijd van de visserij. De houten botters en andere scheepstypes werden vervangen door schouwen, handzamer en goedkoper. Volgens overlevering heeft de regering Colijn voor de tweede wereldoorlog in de crisisjaren de vissers op en aan het IJsselmeer steun verleend. In een aantal visserijhavens aan de Westfriese kust werden de bestaande schepen door schouwen vervangen. Zo spreekt men bijvoorbeeld over de Hoornse schouw. De aanduiding heeft niets met het type te maken, maar met het feit dat deze schouw op een bepaald moment een alles overheersende rol ging spelen in de Hoornse vissersvloot. Overigens zijn deze schouwen nooit in Hoorn zelf gebouwd. Ze werden bijvoorbeeld in Enkhuizen, maar ook door Amels in Makkum gebouwd. Rond de tweede wereldoorlog telde de Hoornse vloot zo'n 17 Zeeschouwen.

De zeeschouwen die aan de Hollandse wal werden gebouwd, onder andere bij Van Goor in Monnickendam, vertonen over het algemeen meer zeeg dan de Friese, terwijl hun voordek wat meer oploopt waardoor ze een wat gedrongen indruk maken.

Bij de Lemster schouw is het tuig wat hoger en slanker. De mast heeft de korte top, welke in Friesland ook bij de binnenschepen gebruikt wordt, terwijl de Hollandse zeeschouw de wat langere top heeft, welke men ook bij de botter aantreft. Bekijkt men het vlak, dan ziet men bij de Lemster schouw dat dit over een behoorlijk grote afstand 'stil' staat, dat wil zeggen volkomen horizontaal is, terwijl sommige Hollandse schouwen helemaal geen stilstand vertonen. De Lemster schouw wordt ook wel betiteld met de 'fraaie' naam spekbak, die trouwens ook voor de Zeeschouwen in het algemeen wordt gebruikt. Oorspronkelijk werd met deze naam uitsluitend een kleine, hoekige bak aangeduid waarmee niet gezeild werd. De vorm van de zeeschouw was blijkbaar aanleiding om de naam ook voor dat scheepstype te gebruiken.

De Tijdlijn van de Zeeschouw

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Type beschrijving Zeeschouw

  1. Geschiedenis van de Zeeschouw
  2. Beschrijving van de Zeeschouw
  3. Tuigage

Kenmerken van de Zeeschouw

  1. De Zeeschouw als werkschip
  2. De Zeeschouw als jacht
  3. Algemene kenmerken
  4. Kenmerkende verhoudingen
  5. Verklaring in tekening

6. Subtypen, specifieke kenmerken

  • Enkhuizer schouw
    De Enkhuizer schouw was een zeeschouw waarbij het voorbord was verkleind tot een kleine ruit of smalle hoge klos. Het vlak liep voor uit in een punt. In 1939 werden in Sloten enkele exemplaren gebouwd voor Enkhuizense vissers. Afmetingen: lengte volgens Dorleijn ca. 7 m, volgens Van Beylen ca. 8 m.
    In het Stamboek staat een Enkhuizer schouw (gebouwd rond 1900) ingeschreven met plaquette 209: Kamper Steur.
Tekening Enkhuizer schouw in het Fries Scheepvaart Museum (Collectie SSRP)
Voorsteven 'Kamper Steur'
  • Wieringer schouw
    Over het type Wieringerschouw is weinig bekend. Er staat één schip van dit type in het Stamboek ingeschreven. Daar staat bij vermeld dat het gebouwd zou zijn door Lantinga in IJlst. Maar in de nog bestaande werfboeken is daar niets van terug te vinden. Een korte beschrijving: soort Zeeschouw, die aan de voorzijde scherp eindigt en waar het voorbord dus in het geheel ontbreekt.In het Stamboek staat een Wieringer schouw (gebouwd in 1920) ingeschreven met plaquette 53: Berendina
Tekening Wieringer schouw 'Berendina' (Collectie SSRP)
(Zuiderzee collectie)
(Zuiderzee collectie)
(Zuiderzee collectie)
Wieringer scheepsbouwer Piet Portegijs en twee jongens zittend in een Wieringer schouw (rond WOII, Zuiderzee collectie)

Publicaties over de Zeeschouw in het Stamboekarchief


Criteria SSRP

Diverse Zeeschouwen worden met een aanhangsel ingeschreven op grond van het feit dat de kiel onder de kuipvloer als een 'soort' doos (ook wel dooskiel genoemd) is verbreed in een peervorm om ruimte te krijgen voor de motor onder de kuipvloer. Bijvoorbeeld zijn veel zgn. Blok-schouwen met zo'n dooskiel gebouwd. Dat is strijdig met de aanvullende Criteria voor Zeeschouwen. Het gaat daarbij om de bepaling, dat de kielbalk nergens breder mag zijn dan 2,5% van de lengte op de waterlijn.

In 1998 is in de Criteria bepaald dat Zeeschouwen met een verbrede dooskiel blijven en worden ingeschreven, mits te water gelaten vòòr 1 januari 1996. Schepen gebouwd na deze datum kunnen helaas NIET worden ingeschreven.

Voorbeeld van motoren die voor een deel zijn ingebouwd in de dooskiel

De Zeeschouw in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

De zeeschouwen zijn uit economische noodzaak ontstaan. Het ging weer eens slecht met de visserij op de Zuiderzee en de gebruikte schepen bleken te duur in bouw en onderhoud. Zo is men omstreeks 1900 begonnen een groter en robuuster schouw te bouwen, die zeewaardig zou zijn voor de visserman, die er in alle weersgesteldheden en jaargetijden mee op zee moest. De bouw van dit type is waarschijnlijk in 1898 door Wierda in Lemmer als eerste ter hand genomen. Wierda zelf had als jongeman gevaren op een visaakje en wist wat er geëist moest worden van een zeeschip. Door omstandigheden is hij later aan de wal opgeleid tot wagenmaker en in de buurt van Akkrum woonachtig geweest. Hij heeft dus ook veel open schouwen gezien. Daarna is hij in Lemmer een zwaarder type schouw gaan bouwen. Volgens mededelingen van zijn zoon waren al zijn schouwen 8 meter over de stevens. Thans vaart er nog een door hem in 1914 gebouwde zeeschouw, inmiddels als jacht verbouwd. Daar een zeeschouw onder moeilijker omstandigheden moest varen, werd ze veel breder gemaakt; 3 meter en meer, met meer oplopend voordek en een holte van ruim 1 meter. Verschillende van deze schouwen heeft Wierda zelf met zijn zoon naar de Hollandse wal overgezeild.
De zeeschouwen die aan de Hollandse wal werden gebouwd, onder andere bij Van Goor in Monnickendam, vertonen over het algemeen meer zeeg dan de Friese, terwijl hun voordek wat meer oploopt waardoor ze een wat gedrongen indruk maken.
Wat het tuig betreft, heeft de zeeschouw een bottertuig : grootzeil met rechte gaffel, vissermanfok (grootzeil 15 vierkante meter, fok 14 vierkante meter bijvoorbeeld) en een kluiver op losse boom. Als jacht gebruikte of gebouwde zeeschouwen hebben dikwijls de oorspronkelijk rechte gaffel vervangen door een gebogen. Ook in het tuig kan men tussen beide typen verschillen ontdekken. Bij de Lemster schouw is het tuig wat hoger en slanker. De mast heeft de korte top, welke in Friesland ook bij de binnenschepen gebruikt wordt, terwijl de Hollandse zeeschouw de wat langere top heeft, welke men ook bij de botter aantreft. Bekijkt men het vlak, dan ziet men bij de Lemster schouw dat dit over een behoorlijk grote afstand 'stil' staat, dat wil zeggen volkomen horizontaal is, terwijl sommige Hollandse schouwen helemaal geen stilstand vertonen.
De zeeschouwen hebben alle sterk uitwaaiende zijden, in tegenstelling met de binnenschouwen, dit wil zeggen een smaller vlak; naar verhouding zijn ze veel breder op de knik. Hierdoor en door de grote breedte wordt een stijf schip verkregen met een rustige ligging in ruw water. Zeeschouwen kruisen vrij goed tegen zee op en liggen voor de wind goed op het roer. Dit laatste is mede te danken aan de ondiepe kiel, welke van voor de mast tot aan de achterspiegel doorloopt. Deze kiel heeft een drieledig doel: het bevorderen van een rustige ligging op het roer; het afremmen van de dwarsscheepse slingering en een hoge ligging aan de wind.
De Lemster schouw wordt ook wel betiteld met de 'fraaie' naam spekbak, die trouwens ook voor de zeeschouwen in het algemeen wordt gebruikt. Oorspronkelijk werd met deze naam uitsluitend een kleine, hoekige bak aangeduid waarmee niet gezeild werd. De vorm van de zeeschouw was blijkbaar aanleiding om de naam ook voor dat scheepstype te gebruiken.
In Lemmer gebruikte men voorts als volgbootje achter de grote vissersschepen ook wel een kleine schouw met bun. Dit was een betrekkelijk smal scheepje, circa 6 meter lang, met een duidelijke zeeg en een klein voorbord. Dit schouwtje, dat zeer geschikt bleek voor ruw water, was uitgerust met één zwaard, dat dus bij het overstag gaan verplaatst moest worden.
In Enkhuizen kende men een schouw, waarbij vlak, zijkant en boeisel in het voorschip samen komen tegen een klein ruitvormig spiegeltje.
De Wieringer schouw heeft geen voorboord, maar is scherp van voren. 

De goede zeileigenschappen, de grote ruimte aan boord en de betrekkelijk lage bouwkosten ten gevolge van de eenvoudige constructie hebben ertoe bijgedragen dat de zeeschouw als jacht veel opgang heeft gemaakt.