Scheepstype: Hagenaar
Inleiding
De Hagenaar is ontstaan omstreeks 1880 en door het steeds belangrijker wordende vervoer met de trein en vrachtwagen verdwenen omstreeks 1925. De Hagenaar is typisch een schip in de overgang. Vrachtwagens en treinen waren nog niet noemenswaardig groot of betrouwbaar, terwijl de binnenvaart dit in die tijd nog wel was. Eind 19de eeuw was er in Den Haag een ommekeer gaande betreffende vervoer over water. Aan de ene kant werd er gezegd dat de grachten dicht moesten omdat deze vies en vuil waren en bronnen waren voor ziektes als cholera, aan de andere kant met de uitbreiding van Den Haag met buitenwijken was er een sterke behoefde om veel bouwmaterialen naar Den Haag te krijgen. Omdat voor 1880 diverse ophaalbruggen vervangen waren door vaste bruggen, is er een beperking ontstaan in de mogelijkheid om bestaande scheepstypen te gebruiken. Daarin werd voorzien door dit type schip. Voor dit type en de korte levensduur speelt ook nog mee dat het ontworpen was voor een sluis met een smallere speciale doorgang.Toen de Laakhaven klaar kwam begin 20ste eeuw, verdween de behoefte van het scheepverkeer om in de binnenstad te kunnen komen. Grotere Hagenaars werden gebouwd tot ongeveer 180 ton. Kleine schepen die aan de maten van de oude Wagenbrug gebonden waren werden wel "Wagenbruggers" genoemd. De term Wagenbrugger komt doordat men de Wagenbrug gebruikte om een schip geschikt te maken voor de vaart door de Haagse grachten. Kon een schip hier onderdoor dan kon het overal onderdoor.
De Hagenaars werden in eerste instantie gebouwd als een snelle rivier zeilschip (aak), vergelijkbaar met een Hasselteraak. De schepen werden gebouw langs de grote rivieren. Onder anderen in Westervoort of Dodewaard. De eerste schepen waren gemaakt van hout en overboordig gebouwd. In voorschip en achterschip versmalden de boorden en liepen zij met de heve van het vlak uit in een klos, enigszins als bij een vlet. De Hagenaar had een korte mast met schietende streng, dat wil zeggen deze streng kon men langs de mast laten zakken, waardoor obstakels als spoorbruggen zonder verdere problemen gepasseerd konden worden. Later is de Hagenaar in ijzer gebouwd en sterk in vorm veranderd. Van hoekig werd zij rond en glad. De Hagenaar kreeg de kenmerkende kop die we bij alle ijzeren aken terug vinden. Het achterschip van de Hagenaar is sterk geveegd. Het boeisel loopt rondom in de lijn met de romp. De bovenkant van de helmstok, de bovenkant van de mastkoker en de bovenpunten van de steven lagen in een één lijn om onder de Wagenbrug door te kunnen. Daartoe moest dan ook nog het bovenstuk van de anker en strijklier opklapbaar zijn. Veel onderdelen zoals zwaarden, strijkklampen en schilpadblokken van de zwaardlieren waren vaak wegneembaar. Daartoe konden enkele centimeters gewonnen worden, wat belangrijke winst opleverde.
De Tijdlijn van de Hagenaar
De Hagenaar is ontstaan omstreeks 1880
1880-1895
De Hagenaar is ontstaan omstreeks 1880 en door het steeds belangrijker wordende vervoer met de trein en vrachtwagen verdwenen omstreeks 1925. De Hagenaar is typisch een schip in de overgang. Vrachtwagens en treinen waren nog niet noemenswaardig groot of betrouwbaar, terwijl de binnenvaart dit in die tijd nog wel was. Eind 19de eeuw was er in Den Haag een ommekeer gaande betreffende vervoer over water.


Type beschrijving Hagenaar
- Geschiedenis van de Hagenaar
- Beschrijving van de Hagenaar
- Tuigage
Kenmerken van de Hagenaar
- De Hagenaar als werkschip
- De Hagenaar als jacht
3. Algemene kenmerken
- boeisel voor en achter in één lijn met de romp
- smal-schip ten opzichte van zijn lengte
- sterk geveegd voor- en achterschip
- geen voorsteven, geen stuizen
- meestal een laag loefje
- lage mastkoker
- vaak deelbare (in hoogte) ankerlier
- grootzeil, fok en soms kluiver
- grote soort: mast op mastdek
- kleine soort: mast onderdeks strijkend
4. Kenmerkende verhoudingen
5. Verklaring in tekening
6. Subtypen, specifieke kenmerken
Publicaties over de Hagenaar in het Stamboekarchief
Scheepstypologieën - Werkgroep Tuigerij & Documentatie LVBHB

De Hagenaar is een duidelijk voorbeeld van een scheepstype waarvan vorm en afmetingen samenhingen 'met de bestemming en met de gesteldheid van de wateren die zij bevoeren.' De naam Hagenaar of Haagvaarder is vermoedelijk al zeer oud. Hiermee werden de kleine schepen aangeduid waarin bij Delft moest worden overgeladen om de lading tot in het via waterwegen slecht bereikbare Den Haag te kunnen bezorgen. In de negentiende eeuw doet de Hagenaar zijn intrede als herkenbaar scheepstype op de Zuidhollandse wateren. De meeste auteurs beschrijven de houten Hagenaar als een keenachtig scheepje van ongeveer 17 meter lang (zie bijvoorbeeld Sopers). Achter hadden de scheepjes niet het doorgestoken kenenroer, maar een normale scheg met een aangehangen roer.
Dit is echter slechts een deel van de waarheid; er waren ook Hagenaars waarbij de boorden tegen de heve waren bevestigd, dit waren dus de hevel aken. Op oude foto's komt men deze schepen ook wel tegen met een gladboordige bouwen voorzien van een berg hout. Modelbouwer Hazenberg bouwde voor het museum Prins Hendrik een model van een dergelijk schip. Vermeld moet wel worden dat er geen achtergrondgegevens van dit model bekend zijn. De boegen zijn sterk gebogen, zodat er geen knik meer is tussen heve en boorden.
De ijzeren Hagenaar is een kopie van dit type Hagenaar (afb. 49, 50). De ijzerbouw doet zijn intrede in een tijd dat Den Haag sterk uitbreidde en er veel vraag naar schepen is die, geladen, door de ondiepe Haagse vaarten en onder de lage bruggen door in de binnenstad kunnen komen: naar Hagenaars dus.
Op veel werven in Zuidwest-Nederland worden dan Hagenaars van een tamelijk eenvormig type gebouwd. Hendriks in Dodewaard en Ruitenberg in Waspik worden genoemd als de bekendste werven. In de archieven van Ruitenberg wordt niet de term Hagenaar gehanteerd, maar wordt er over hevelaak gesproken. Wat verder opvalt is dat een groot gedeelte van die hevelaken te breed was voor de Wagenbrug in Den Haag. Deze scheepsbouwer wilde schepen die niet de Haagse maat hadden geen Hagenaar noemen en hield het consequent op de benaming hevelaak of hevenaak. Precies hetzelfde verschijnsel zien we bij Boot te Leiderdorp (afb. 51).
De afmetingen van een 'echte' Hagenaar werden begrensd door een aantal factoren: de maximale doorvaartdiepte werd bepaald door een drempel of vaarboom tegenover de gasfabriek aan de Trekvliet. Dit was een balk van T-ijzer die was bevestigd op 1,45 meter - DP (Delflands Peil). De kruiphoogte werd bepaald door de hoogte van het midden der liggers van de Wagenbrug, 2,40 meter + DP, en de breedte van het schip door de wijdte van deze brug, 4,17 meter (afmetingen anno 1905; gegevens van Openbare Werken van Den Haag van die tijd). In maart 1922 kwam er een vijzelbrug gereed, die slechts 1,90 meter hoogte doorliet, maar 's nachts tot een hoogte van 2,40 werd opgevijzeld. En dan kon de rij wachtende lege schepen de stad weer uit; aldus de Wegwijzer voor de Binnenscheepvaart uit 1926. Deze vermeldt verder als maximale lengte 26 meter; dit als gevolg van de scherpe bochten verderop in de stad. Om met deze beperkingen aan een zo groot mogelijk laadvermogen, ca. 80 ton, te komen moest de bouw van Hagenaars licht zijn. Als grootste maat voor een Hagenaar vinden we in de archieven van Ruitenberg: lengte x breedte x holte = 23,99 x 4,12 x 1,75 m. Voordat zo'n groot schip de stad inging moest er, vanwege de diepgang, eerst een gedeelte van de lading uitgevlet worden. Verder moesten de zwaarden eraf, inclusief de aanvaringsklampen, de strijkklampen van de zwaarden en zelfs de schildpadkatrollen van de zwaardvallen (afb. 52, 53). Een oud-tjalkschipper (er waren ook tjalken en IJsselaken met de Wagenbrugse maten) vertelde dat hij een vaste stek ergens op een graswalletje had, waar hij zijn zwaarden achterliet. En wanneer het schip leeg de stad uitwilde, dan moest nu de ankerlier, of eventueel alleen het bovenste gedeelte ervan achterover worden geklapt (zie afb. 54, 55, 56, 57).
De diepere schepen moesten bovendien, via een kraan in het vlak, water innemen. Veel hoefde dat over het algemeen niet te zijn; het bleef onder de buikdenning. Omdat hevelaken bij uitstek geschikt waren om met veel tonnen lading onder lage bruggen door te kruipen, is het niet verwonderlijk dat ze ook voor andere plaatsen gebouwd zijn. Speciaal willen we Scheveningen noemen. Als je via de Trekvliet Den Haag binnenvoer, kon je linksaf onder de Wagenbrug door zuidelijk om de stad heen, en rechtsaf om het noorden van de stad naar Scheveningen. De eerder genoemde Wegwijzer geeft dezelfde hoogtematen als voor de Wagenbrug, een breedtemaat van ruim 5 meter en een maximale lengte van 24 meter; dit laatste wegens een scherpe bocht in de vaarweg. Het gros van de 'te grote' hevelaken van Ruitenberg en Boot-Leiderdorp voldoet aan deze eisen; hiermee is een eventuele connectie natuurlijk niet echt bewezen.
Maar er waren ook kleine hevelaken, van rond de 17 meter, die om de een of andere reden opzettelijk klein waren gehouden; ze hadden de maat die Sopers opgeeft voor houten Hagenaars (afb. 58).
De hele grote 'Hagenaars' (de term is nu eenmaal zo gegroeid) lijken zich minder om hun kruiphoogte te bekommeren; op deze schepen staan vaak hogere roeven. Een maat die men nogal eens tegenkomt is 28 x 5 meter.
Zoals gezegd is het model van de ijzeren Hagenaars tamelijk eenvormig. Het toch al niet zo brede boeisel versmalt naar de kop toe behoorlijk. Meestal hangt de heve vóór behoorlijk naar voren toe over; achter is dit nog sterker, waardoor een fraaie geveegde rompvorm ontstaat (afb. 59) Sommige exemplaren van Hendriks zijn wat steiler, althans boven de lege-lastlijn.
Het tuig van Hagenaars was wat lager dan van andere even lange schepen; omdat ze smaller zijn en minder kunnen hebben en wellicht ook omdat de mast bij het onderdoor zeilen van bruggen minder ver gestreken hoefde te worden. Houten Hagenaars (en ook wel andere kleinere scheepstypen) hadden nogal eens een extreem korte mast op Rijnvaarthoogte (10,50 meter), waarmee ze, met gestreken steng, regelrecht onder de bruggen door zeilden. Sommige schepen zullen wel een kluiver hebben gevoerd. Er zijn ook gevallen bekend waarbij de boegspriet slechts een korte stomp was; via de nok van zo'n spriet kon, bij het voor-de-wind zeilen, een lijn de fokkeboom te loevert houden; een soort bulletalie voor de fok dus.
Na het tot stand komen van de Laakhaven, aangelegd tussen 1900 en 1922, nam de vaart op de binnenstad van Den Haag af (voornamelijk brandstoffen en beurtvaart). Het predikaat Hagenaar degenereerde in de jaren twintig en dertig, toen vrijwel ieder schip dat op Den Haag voer Hagenaar genoemd werd. Het gevolg hiervan was, dat er sindsdien 'Hagenaars' waren van wel 600 (!) ton; het toenmalige maximum dat in de Laakhaven kon komen.
De Hagenaar in het boek "Schepen die verdwijnen" van P.J.V.M. Sopers

Dit aardige scheepje ontleende zijn naam aan de omstandigheid, dat het slechts zoo hoog boven water opgebouwd was, dat het in ledigen toestand nog onder de bruggen van onze residentiestad Den Haag kon doorvaren. De afmetingen waren ongeveer 17.20 bij 4.25 bij 1.20 m. Deze afmetingen geven verhoudingen, die algeheel met die van Nederlandsche schepen overeenkomen. Ook de bouw komt daarmee overeen, behoudens dat de grootste breedte nog iets voorlijker lag. Overigens had het vaartuig geheel den gedrongen vorm van onze inlandsche schepen, wat het feitelijk dan ook was. Mooie Hagenaars werden gebouwd op een werf te IJzendoorn, gelegen 7 km boven Tiel, eveneens op den rechter Waal oever.
Voor- en achterschip waren wat bocht en beplanking betreft, gelijk aan die van de Keen, maar wat voller; achter was een groote scheg gebouwd. Hierin was onderaan een gat uitgespaard; het schip maakte daardoor gemakkelijker zijn wending, daar de scheg daarbij minder tegenstand bood aan het water.
Het hout was aan de voor- en achterzijde van dat gat iets aangepunt om wat beter stroomlijn te krijgen. De scheg werd door ijzeren stangen, schuin oploopend naar de heve, gestut. Het gewone tuig van den Hagenaar had een korten mast met schietende steng. Hieraan kon een gaffeltopzeil of vlieger gevoerd worden, waardoor het tuig iets jachtachtigs kreeg. Vermoedelijk zal deze combinatie wel gemaakt zijn om de doorvaart onder spoorbruggen te vergemakkelijken. De mast zonder steng zal plm. 10 m hoog geweest zijn, zoodat men dien niet zoo spoedig behoefde te strijken, maar volstaan kon met de steng te schieten, of ook zoo noodig den mast minder diep kon laten zakken.
Hagenaars zijn later veelvuldig van ijzer gebouwd; de karakteristieke vorm ging daarbij grootendeels te loor. De hoekige bouw werd verlaten. Het waren toen vergroote uitgaven van een kleiner scheepje, de boeier-aak. Ook de mast met steng raakte buiten gebruik, behoudens een enkele uitzondering. De meeste ijzeren Hagenaars voerden een gewonen mast met grootzeil, fok en kluiver. Thans varen er nog veel Hagenaars met een motor, die dus be-hooren tot de zgn. „omgebouwde" schepen.Het hout was aan de voor- en achterzijde van dat gat iets aangepunt om wat beter stroomlijn te krijgen. De scheg werd door ijzeren stangen, schuin oploopend naar de heve, gestut. Het gewone tuig van den Hagenaar had een korten mast met schietende steng. Hieraan kon een gaffeltopzeil of vlieger gevoerd worden, waardoor het tuig iets jachtachtigs kreeg. Vermoedelijk zal deze combinatie wel gemaakt zijn om de doorvaart onder spoorbruggen te vergemakkelijken. De mast zonder steng zal plm. 10 m hoog geweest zijn, zoodat men dien niet zoo spoedig behoefde te strijken, maar volstaan kon met de steng te schieten, of ook zoo noodig den mast minder diep kon laten zakken.
Hagenaars zijn later veelvuldig van ijzer gebouwd; de karakteristieke vorm ging daarbij grootendeels te loor. De hoekige bouw werd verlaten. Het waren toen vergroote uitgaven van een kleiner scheepje, de boeier-aak. Ook de mast met steng raakte buiten gebruik, behoudens een enkele uitzondering. De meeste ijzeren Hagenaars voerden een gewone mast met grootzeil, fok en kluiver. Thans varen er nog veel Hagenaars met een motor, die dus behooren tot de zgn. „omgebouwde" schepen.

