Scheepstype: Botter
Inleiding
De botter is het meest bekende schip van de oude Zuiderzee, door velen geprezen wegens zijn forse, vloeiende lijnen, en zijn voor die Zuiderzee uitstekende zeewaardigheid en zeileigenschappen. De oorsprong en de ontwikkeling van de botter zijn niet met zekerheid vast te stellen. Er wordt verondersteld, dat dit schip zich heeft ontwikkeld uit de zogenaamde Tochtschuit of Drijver.
Hoe gemakkelijk door verschrijvingen andere woorden ontstaan, blijkt hieruit, dat Witsen op een gegeven moment spreekt van 'Koch-ever', terwijl in 1636 in de 'Kroniek van Holland' het woord 'Toch-ever' voorkomt. In het oorspronkelijke manuscript van bedoelde aanval staat echter 'Tochener'. Blijkbaar heeft Witsen een zekere overeenkomst aanwezig geacht met de 'Ever', die op de Zuiderzee ook voor visserij gebruikt werd en eveneens een vlakke bodem had met hoekig daarop staande beplanking.Ook de scheepsarchitect W.K. Versteeg en Le Comte, die de botter beschrijven als een snel vaartuig, zeilende op vier streken aan de wind, twijfelen er niet aan dat de botter zich uit de Togenaer ontwikkeld heeft.
Woord 'botter'
Voor het woord 'botter' is ook nog geen bevredigende verklaring gevonden. In het Middel-Nederlandse Woordenboek wordt het woord enerzijds in verband gebracht met butte, botte, boter en butter, anderzijds met de bekende vissoort bot. Een in 1518 te Edam gebouwde galei (de zogenaamde Baardze van Hoorn) werd wel het 'butterschip' genoemd. De keuren van de stad Brielle spreken in de zestiende eeuw onder andere van bodtschepen. Dat het woord verband zou houden met de 'botte' scheepsvorm van het type lijkt niet erg aannemelijk, terwijl de verklaring dat we te doen hebben met een ontwerp van een Marker werfbaas die Klaas Bot heette, wel aardig gevonden, maar historisch niet houdbaar is.
Diverse variaties
Naast de Zuiderzeebotter kennen we ook de Noordzeebotter. Deze is uiteraard nog zwaarder gebouwd, heeft een hoger achterschip en meestal een dek over het gehele schip. Ook in Zeeland en op de Schelde tot Antwerpen werden botters gebruikt; Baasrode in België was lange tijd een centrum. Deze botters visten weinig of niet, doch vervoerden paling van de Zuiderzee naar België. In de Zaanstreek werd vroeger - toen er nog een open verbinding met de Zuiderzee was - eveneens een botter gebouwd, zij het met een wat hoger achterschip dan aan de Zuidwal gebruikelijk.
Er zijn een aantal werven geweest waarop houten en stalen jachtbotters werden gebouwd
Janus Kok, scheepsbouwer in Huizen, schreef in 1954 in De Waterkampioen:
'In de zomer van 1941 ontving ik van een Hollandse scheepsmakelaar opdracht voor de bouw van een botterjacht van 16 meter. Deze opdracht gaf mij grote voldoening, aangezien ik bouwer van dat type ben voor de Noord- en de Zuiderzee. Door de drooglegging van de Zuiderzee raakten die botters hoe langer hoe meer op de achtergrond. Voordien bouwde ik botterjachten van 9, 10 en 11 m lengte. Dat het bouwen van een 16 m botterjacht een kolfje naar mijn hand was, behoeft geen nader betoog. Het vaartuig werd op stapel gezet en eerst in 1942 vernam ik dat het jacht voor een Duitser was bestemd. Van dat ogenblik af heb ik de afbouw zoveel mogelijk getraineerd, omdat ik onder geen enkel beding wilde medewerken met de vijand (zie ook jachtbotter Groote Beer). De oplevering zou eind 1942 moeten geschieden, doch het schip was bij het einde van de oorlog slechts voor de helft klaar. Uiteraard heeft het mij heel wat moeilijkheden en hoofdbrekens gekost om de boot uit handen van de Duitsers te houden, temeer omdat begin 1945 mijn werf door de Duitsers werd bezet en ik daar geen voet meer mocht neerzetten.'
Er bestaan echter twee versies van dit verhaal. De een heeft het over de Duitse opdrachtgever Theodor H. Temmler, een ander over luchtmaarschalk Herman Goering. De laatste zou voor grote voorraden teakhout en eikenhout hebben kunnen zorgen. Janus Kok vertelde indertijd aan Nico Claasen dat hij zoveel hout had besteld dat er genoeg voor het botterjacht 'Geertje' overbleef. Daarom heeft het nu nog zo'n mooie teakhouten kajuitopbouw en potdeksels. Zelfs het dek en het krophout waren indertijd van teak!
De Tijdlijn van de Botter
Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925
1924-1925
Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Typebeschrijving Botter
- Geschiedenis van de Botter
- Beschrijving van de Botter
- Tuigage
Kenmerken van de Botter
- De Botter als werkschip
- De Botter als jacht
- Algemene kenmerken
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
- Subtypen, specifieke kenmerken
Publicaties over de Botter in het Stamboekarchief
Botters in de Stichtingsmonografieën
De Botter in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

Mr Dr T. Huitema schrijft in het hoofdstuk Botter:
De algemene kenmerken van een botter zijn dus: een platbodemschip met een rond gebouwd, breed, hoog oplopend, overdekt voorschip en een laag, open achterschip. In nog sterkere mate dan bij de Lemsteraak vertoont de botter dus het kenmerk van een zeer groot volume van het voorschip bij een gering volume van het achterschip. Hoe lager het achterschip, hoe gemakkelijker voor de behandeling van de netten, maar... de zeewaardigheid kwam in het gedrang, vooral bij achteroplopende zee. Vandaar dat op een gegeven moment de oude botterbouwer Joost Kok ertoe overging, het achterschip drie duim hoger te bouwen.
Bij de als jacht gebouwde of tot jacht verbouwde botters wordt het achterschip gewoonlijk eveneens wat verhoogd; bij de 'Houtrib' is het verschil met een gewone visbotter 15 centimeter. Gewoonlijk is de botter op het vlak half zo breed als op het berghout. Het opboeisel is smal en loopt in voor- en achterschip tot aan de stevens nog extra smal uit. Het roer is tamelijk breed en dikwijls versierd met een 'prins', die we ook wel aantreffen op de dwarsbalk onder de helmstok, en boven het deurtje dat toegang geeft tot het vooronder. Zo'n 'prins' is een langwerpige band met twee banen, ieder beschilderd met driehoeken; iedere driehoek vertoont een der kleuren oranje-blanje-bleu. Men noemt dit `geprinst'.
Op de plaats waar de bun zit, ontbreken de huidgangen, leggers en spanten, terwijl vier zware schotten, de deken en een zestal knieën op de deken van de bun het nodige verband waarborgen. Wanneer een botter tot jacht wordt verbouwd en de bun wordt weggenomen, dient er dan ook bijzondere zorg aan te worden besteed dat het verband niet wordt verzwakt.
Het zeil is een gaffeltuig met fok, kluiver en soms een bezaanzeil, dat bij gunstige gelegenheid wordt bijgezet. Dit bezaanzeil, ook wel de 'broodwinner', 'bras', 'aap' of 'ransel' genoemd, wordt aan de kraanlijn gehesen, de hals en de schoothoek worden aan een boom, de bezaanstutter, bevestigd. Deze boom steunt in een uitgeholde klamp aan de achterkant van de bun, terwijl het uiteinde, de nok dus, met de bezaanschoot wordt bediend. In enkele gevallen, als het oude zeil dat men als bezaan gebruikte, niet precies paste werd de hals niet op de stutter, maar op het achterdolboord vastgemaakt. De naam 'broodwinner' dient eigenlijk alleen te worden gebruikt voor een rechthoekig zeil met bovenra, zoals op voor-de-windse rakken door de kwak werd gevoerd, en dat met de fokkeval werd gehesen.
De fok bij een botter is de brede, zware botterfok, die tot ver achter de mast reikt. Dit tuig antidateert als het ware de moderne `genua' met vele, vele jaren, misschien wel met eeuwen. De spleet-werking van de botterfok is enorm. Naast een goede scheepsvorm en een optimaal zwaard, behoort ook nog een optimaal werkzaam zeiloppervlak tot de voorwaarden om een zwaar schip met een laag zeiloppervlak toch te doen zeilen.
Een botterfok sluit voorts vrijwel geheel bij de plecht aan, zodat ook hier een hoog rendement aanwezig is. Windvang is bij de botter in tuigage tot een minimum gereduceerd. Er is slechts één mast, zonder want, en één stag, een ijzeren staaf. Men vindt dus in deze tuigage alle elementen reeds aanwezig der moderne jachten. Alles is alleen vele malen zwaarder, omdat de visserman (terecht!) geen lichtere constructies voor zijn werk aanvaardde, met het oog op zeer langdurig gebruik. De botterfok werd bij het overstag gaan even bak gehouden met het voettouw of buiketouw, dat om een 'mannetje' of kleine bolder tegen het boeisel werd geslagen.
Behalve deze botterfok kan ook een gewone fok worden gevoerd, op een overloop op het voordek, bevestigd tegen de waterlijst. Deze overloop is vaak van hout.
Eén der blokken van het fokkeval heeft een afwijkende vorm. Door de onderkant van dit 'botter-blok' of schaapskopblok, loopt een ijzeren stang, die aan weerszijden in twee haken uitloopt. Ieder van deze haken wordt in een dwarsstaande kous of een oog van het koplijk van de fok ingepikt. Dit blok wordt ook op andere Zuiderzeeschepen gebruikt.
Het kluiverval is op een enigszins afwijkende manier geschoren. Het loopt eerst door een blok aan de mast, vandaar door een tweede blok - dat met een haak in een oog van het koplijk van de kluiver pikt - en daarna weer naar boven naar een apart, hoger geplaatst oog aan de mast. De verklaring voor deze afwijking is eenvoudig. Indien het vaste part bevestigd zou zijn aan een hondsvot van het eerste blok, zou draaiing kunnen optreden. Bij de stagfok bestaat dit gevaar niet, omdat deze aan het voorstag is bevestigd. Het vaste part van het fokkeval zit dan ook aan een hondsvot van het aan de mast bevestigde blok.
De mast is zijdelings niet gestaagd en daarom zeer zwaar uitgevoerd. De verbinding tussen mastbank en oplangers is verstevigd door drie knieën aan iedere zijde, terwijl aan de voorzijde een speciale knie is aangebracht, de zogenaamde voordewinder, die de mastbank steunt bij het voor de wind varen.
De zware kluiverboom is evenmin gestaagd. Deze boom loopt door een ring naast de voorsteven en steunt van achteren tegen de waterlijst of waterbalk. Daartoe zitten in de waterlijst twee gaatjes waardoor een touw. De aldus gevormde lus houdt het achtereinde van de boom vast, dat daartoe enigszins conisch is afgewerkt. De ring voor de kluiverboom zit soms aan stuurboord, soms aan bakboord. Dit houdt verband met de soort van visserij waarvoor de schepen werden gebruikt. Bij de visserij met het rechthoekige sleepnet op haring, ansjovis, spiering of bot werden twee schepen gebruikt, die samen een span vormden. Aan elk schip is een eind van het ongeveer 150 meter lange net bevestigd, waarbij het ene schip over bakboord vaart en het andere in tegengestelde richting over stuurboord. De schepen zeilen zo ver uit elkaar dat het net in een grote U-vorm over de bodem wordt getrokken. Daarbij hebben ze geen voorwaartse beweging, maar worden beide dwarsuit gezet. Om bij deze dwarsuitgaande beweging het net toch met voldoende snelheid over de bodem te halen, wordt zoveel mogelijk zeil gevoerd, het lijzwaard opgehaald en het roer dwars gezet.
De beide schepen zijn dus als het ware elkaars tegenhanger en wanneer de beide schippers, die als elkaars maat worden aangeduid, steeds samen vissen en vaak uit dezelfde familie zijn, dan worden de schepen reeds bij de bouw op dit samenspel ingericht. Het ene schip wordt als Oost-, het andere als West-overligger gebouwd. Deze benaming houdt verband met de overheersende zw-wind, zodat het ene schip over stuurboord west tot NW en het andere over bakboord oost tot zo zeilt. Dit brengt met zich dat de West-over-ligger het toegangsdeurtje naar het vooronder aan bakboord heeft, het zeilval en het dirkval aan bakboord van de mast belegd worden, het fokkeval aan stuurboord zijn plaats heeft, de kluiverboom aan bakboordzijde van de voorsteven wordt uitgestoken, de dreg en de stevenklamp (snoes, beer) zich aan stuurboordzijde van de voorsteven bevinden. De kluiverboom wordt dus onder het zeilen steeds tegen de voorsteven gedrukt, wat het losrukken van de ring tegengaat. De plaats van het toegangsdeurtje voorkomt dat de windval uit het zeil in het vooronder komt. Kluiverboom en deurtje zitten dus aan dezelfde kant, aan 'cleurtjeskane. In de top van de mast wordt de hanepoot van het dirkval iets naar bakboord gedraaid en het oog van het fokke-val aan stuurboord geplaatst. Bij de Oost-overligger is dit alles precies andersom. Aldus is ook de uitdrukking rechtse en linkse botters, rechtse en linkse pluten ontstaan, termen die een zeiler vreemd in de oren klinken, omdat hij opgevoed is met de leer dat de woorden links en rechts aan boord taboe zijn.
Bij een span botters of kwakken, dat met de wonderkuil vist, speelt rechts en links niet zulk een grote rol, omdat hierbij de schepen steeds vóór de wind zeilen, met grootzeil en eventueel breefok dwarsuit. Daarbij zijn de schepen met een koptouw aan elkaar verbonden, om te voorkomen dat ze te ver van elkaar af raken.
Wanneer de kluiverboom buiten gebruik is, ligt hij geheel binnenboord. Om de boom weer in positie te brengen, wordt hij naar voren gewipt met behulp van de kluiverval, die daartoe aan de `traveller' wordt bevestigd. Deze manoeuvre vereist de nodige vaardigheid!
De beplanking van een botter heeft als bijzonderheid, dat het hoge voorschip meestal zes gangen telt, één gang meer dan het lage achterschip. Daartoe laat men ter hoogte van de bun een gang verloren lopen. Vóór het achterschot, de zogenaamde staande doft, waarin altijd een rechthoekige opening, ziet men verschillende constructies voor de overloop. Dikwijls bestaat deze overloop uit een ijzeren stang, die aan de voorkant is bevestigd van de bank, de liggende doft, waarop de stuurman gedurende het zeilen staat om over het hoge voorschip te kunnen uitzien. Ook wel is tegen deze liggende doft een balk bevestigd met een tussenruimte, de overloopla, waarin een ring vrij kan glijden; ofwel is in de bank een ruimte uitgespaard, waarin de overloop is vastgemaakt, dan wel is een aparte overloopsbalk op de leggers geplaatst, waarop de overloop is bevestigd. Het is uitzondering dat de schoot in een vast oog in de leggers is bevestigd.
De botter viste van oudsher met de dwarskuil. Dit net bevond zich dwars en achterwaarts van het schip en werd voortgetrokken terwijl het schip krachtig en opzettelijk verlijerde. Botters hebben ook wel andere vismethoden toegepast, ze hebben wel eens met een beug gevist (hoekwant), ze hebben getweeën wel een 'moordkuil' voortgetrokken en ze hebben wel met het 'staande want' op haring gevist, maar hun hoofdwerk, waar de hele bouw op was gebaseerd, was de dwarskuil. Hiervoor moest het achterschip niet alleen laag zijn, maar ook volkomen vrij van uitsteeksels. Vandaar dat de botters geen achterbolder hebben, maar twee ijzeren of houten pennen, die men in een handomdraaien kan verwijderen.
Vissend voor de dwarskuil had de botter bij redelijk weer steeds de kluiver en de bezaan bijstaan. Door het instellen van de schoten (de bezaan trok soms achterwaarts!) en door het zwaard minder of meer diep te steken, kon men nu het verlijeren van schip en net precies regelen. Men kon dit geheel instellen naar de windkracht en naar de vissoort die men vangen wilde. Voor paling moest de kuil wat 'zwaarder gaan' dan voor haring. Als de kuil uit zichzelf zwaarder werd (door de gevangen vis), dan kwam het zwaard nog meer naar boven. Kortom, een goed visserman kon dit zware en kwasi logge geheel van schip en net bijzonder nauwkeurig afstellen op het werk van het ogenblik. Het schip vroeg niemand aan het roer zolang er gekuild werd. De bemanning was steeds in de weer met de duizend en één karweitjes, die op een vissersschip nooit klaar komen. En soms, als ze werkelijk te moe waren, dan werd er bij vast weer op de `schokkertrek' (van de Kuil van Marken tot Schokland) wel eens een haastig uiltje geknapt.
Als het stil was, kon er uiteraard niet gevist worden. Men kon kuilen van windkracht 2 tot windkracht 7. Daarboven ging de kuil te 'rauw' door de zee over de bodem; er werd Of niets gevangen Of de vis `stikte'. Bij stormachtig weer kwamen de botters meestal thuis, niet omdat het schip zulk weer niet hebben kon, maar omdat er niets verdiend werd.
Als dan de trek beëindigd was, de vis in de bun en de boom over de plecht, het net geborgen en het schip weer kant, dan liet de botter zien waartoe hij nog meer in staat was. Daar de trek gemiddeld van de wind verliep, was de koers naar huis bij de wind. Welnu, met dichte schoten, voor fok en zeil, het roer vaak op de pen, begon de botter scherp bij de wind over steven te schieten en vaart te maken om de vis zo gauw en zo vers mogelijk bij de afslag te krijgen.
Wanneer men nu bedenkt, dat er per ton waterverplaatsing nog géén 4 vierkante meter zeil beschikbaar was, dan verbaast men zich over de bekwaamheid van de scheepsbouwers en zeilmakers, die - zonder énige theoretische kennis van de hydro- en aërodynamica - zulk een schitterend stuk zeilgereedschap vermochten te maken.
De voortreffelijke eigenschappen van dit 'gereedschap' werden reeds door F.N. van Loon in een uit 1825 daterende publikatie uitbundig geprezen en komen het beste tot hun recht in des botters eigen water, de zuidelijke kom, en bij zijn eigen weer, dat is windkracht 4 tot 6. Bij de wind zijn de meeste botters gemakkelijke en vriendelijke schepen, die nauwelijks een roerganger behoeven. Halverwind en met achterlijke wind zijn ze lastig en behoeven vaak een takeltje op het roer. Maar dat is ook immers de koers die ze anders moeiteloos met de kuil aflegden! Als men voor de wind onder een wal uitzeilt, wil er wel eens graag een zeetje nieuwsgierig aan boord komen. Dat is het nadeel van de lage kont.
Het reven deden de vissers wel op zijn allersimpelst. Men liet de fok een eindje zakken en verplaatste de schoot. Hierdoor verminderde men niet alleen zeil, maar het spleeteffect verdween grotendeels, zodat ook het grootzeil veel minder druk te verwerken kreeg. Hoewel men dus vrijwel uitsluitend vóór de mast zeil minderde, werd het schip door bovengenoemde werkingen en door de achterlijke stand van de mast toch niet onmatig wreed op het roer. De balans bleef lang behouden. Als men een visserman vroeg waarom hij het grootzeil nooit meteen reefde (dat deed men alleen in de verval-jaren, toen de zeilen slechter en zwakker werden), dan was het antwoord: «Als dát nodig is, ben jij allang uit zee!» - En als je van dubbel rif sprak, dan kwam er geen antwoord. Zulk weer bespreekt men niet! Bij stil weer waren de botters hulpeloos. Nochtans kon de kluiver (die van linnen was en dus nooit snit had maar ook niet rotte) op sommige koersen bij stil weer van een traag schip een vluggerd maken.
Zo kon de botter bij windkracht één tot twee op ruime koers met de kluiver nog 4 knoop lopen. In de diepe wateren van de Noordelijke kom der Zuiderzee waren de botters minder goed thuis. Bij de wind, boven het Vrouwenzand, vlogen de Staverse jollen als meeuwen boven een botter langs. De deining had hier vaak (en heeft die nu nog) juist zo'n ongelukkige lengte, dat de botter tweemaal in hetzelfde gat viel, om met de Engelsen te spreken. Hier kwamen de veel kleinere jollen en de langere aken beter tot hun recht.
De botter was nog tot aan zijn dood als zeilschip toe aan het evolueren. De Huizer botter werd nog steeds iets hoger in de kop, iets eleganter van lijn, iets lager in de kont.
De als jacht gebouwde botters verraden alle het compromis. Ze zijn doorgaans kleiner en daardoor soms minder mooi. Een enkele, zoals de 'Grote Beer', was veel groter. De motor maakte het vissen met stil weer mogelijk. Maar hij bedierf de scheepstypen. Door het gewicht van de motor zonk het schip dieper, zodat de boeisels, en met name het achterschip, verhoogd werden. Ook de vorm van het achterschip werd gewijzigd, met name wanneer de helmstok door een stuurinrichting met wiel werd vervangen. In de dertiger jaren werd ook het voorschip vereenvoudigd en ontstonden de rondkoppen. De Zuidwal-botters waren allemaal gemiddeld even snel, al was er wel eens een enkele luie of vlugge bij. Alleen de vishalers, visjagers of viskopers, die de gevangen vis zo vlug mogelijk, tegen de wind in, naar de afslag moesten brengen, waren beduidend sneller. Nog voller in de kop, en een meer geveegd achterschip. Bij een wedstrijd van Huizen naar Urk, recht in de wind, lag de door Kok gebouwde viskoper HZ57 twee uur eerder in de haven dan de rest van de vloot. En de oude Joost Kok kon niet zeilen. Maar bouwen kon hij als de beste!
Het is wrang te bedenken, dat met de zeilbotter niet meer gevist wordt. Gelukkig dat een aantal enthousiaste zeilers verenigd in de Coöperatieve Vereniging `Botterbehoud' met veel toewijding en geduld de visbotter in zijn oorspronkelijke vorm voor het nageslacht bewaart.
Botters - J. Peereboom

Juist in een tijd dat de hypermoderne zeiljachten, met hun wiskundig uitgebalanceerde vormen, tuigages en hun alles biedende comfort, aan de lopende band het zilte nat inglijden komt de oude zuiderzeebotter weer in de belangstelling van het grote publiek. Een belangstelling waar ik als ex IJsselmeervisser trots op mag zijn. Ik heb vaak gedacht: „Het is toch doodzonde dat die stoere houten zeilschepen zo maar van het water verdwijnen". Ik beschouw het dan ook als een voorrecht om er nu nog zoveel mogelijk over te kunnen vertellen.
De botter heeft een rijke en interessante historie voor iedere watersporter die met hart en ziel van zijn sport houdt. Het moet voor een rasechte zeiler een lust voor het oog zijn om ze weer te zien zeilen met hun brede voorste-yens en bolle zeilen. Een zeilende botter is een brok levende historie, het doet je weer denken aan de stoere vissers van weleer. Ja, waar eens het hart vol van was, loopt nu de mond van over. Zoals een prins droomde van „Zijn Koninkrijk", zo droomde de zoon van een visserman van „Zijn Botter" waar hij eens als schipper op zou varen.
Het moet voor een schipper een groots moment geweest zijn om zijn splinternieuwe botter van de helling te zien glijden. Ook voor het eerst het nieuwe tuig bijzetten moet een machtig ogenblik zijn geweest. Stond het tuig er goed bij, zaten er niet te veel plooien in, had het de juiste maat? Het waren allemaal vragen waarop het antwoord pas kon worden gegeven als het tuig erbij stond. Sommige schippers liepen in het begin zoveel mogelijk op hun kousen en als het zeil op de giek lag werd er tussen iedere vouw van het achterlijk een stuk zeildoek gelegd om onnodige slijtage te voorkomen. De botter was hun tweede tehuis, hun tweede vrouw, hun tweede leven, het was hun heiligdom, daar moest niemand aan komen. Van een Marker is bekend dat de beste dekens naar de botter gingen. Als jongen zag je een botter als een groot en machtig.
Verschillende typen botters
Als wij alle soorten vissersschepen op een rijtje zetten die op de voormalige Zuiderzee hebben gevist, dan komen we uiteindelijk tot de conclusie dat er maar vier soorten botters waren. De Marker- of Noord walbotter, de Gooise- of Zuidwalbotter, de Urker- of Oostwalbotter en de grote Volendammer kwak. Wie een Lemsteraak, Wieringeraak, Harderwijker-pluut, de Vollenhovense bons en de Texelse blazer ook een botter noemt, heeft het mis.
Met de zg. wallenvissers mee zijn er wel 30 verschillende soorten vissersschepen geweest die op de een of andere wijze op de Zuiderzee ter visvangst gingen. Het aantal liep zelfs in de 2000. Maar van die 2000 zijn er hooguit 1000 botters geweest.
Marker- of noordwalbotter
Deze was de kleinste en had het laagste achterschip van de vier soorten grote botters. De lengte bedroeg 12,50 m, de breedte 4.20 m. de diepgang ± 90 cm. Het zeiloppervlak was 80 m'. (fok en grootzeil). De Markervloot is gebouwd in Monnickendam bij Kater of de Haas. Over de bouw en het lage achterschip leest u verder meer. Marken heeft een vloot gehad van 160 botters. In de jaren twintig werd het wel de „Goudenvloot" van de Zuiderzee genoemd. Maar er werd ook beweerd dat ze de schrik van de Zuiderzee waren. Het zal je Bab (grootvader) maar wezen. Markers visten in span met sleepnetten tussen twee botters in. De een lag dan over SB, de ander over BB. Men viste altijd met het deurtje van het vooronder aan de loefkant, dan vielen de valwinden er niet in en trok de kachel ook beter. Een span slepers was meestal familie van elkaar. Ook visten er enkele spannen met de grote wonderkuil of ook wel langskuil genaamd. Zeker zo'n tachtig Markers visten op haring en ansjovis met de staandewantbeug. Een Marker had een ietwat kromme gaffel en drie bunnen, waarvan de middelste tevens de grootste was. De zeilen werden getaand met gekookte cachou. Het werd er met de dweil ingeslagen, waarbij men de zeilenpatters aan de benen droeg voor het spatten van de hete taan. Het tanen deed men op het schuine gedeelte van de havendijk. 's Morgens de ene kant van het tuig, 's middags de andere kant. Als het plotseling begon te regenen zat je goed in de boot.
Ik weet nog goed dat er een jongen over de getaande zeilen van mijn vaders pas gekochte botter liep. Het eerste wat je werd voorgehouden was: „Loop nooit over pas getaande zeilen heen-. Ik heb daarom toen een stevig robbertje met die jongen gevochten. Nooit zal ik dat meer vergeten, want diezelfde jongen is dezelfde middag bij de vuurtoren in een diepe mui bij het zwemmen verdronken.
Op Marken zijn geen botters gebouwd, wel fuikenboten en een enkele haring- of ansjovisvlet. Er was een helling voor reparatie en onderhoudswerkzaamheden aan het onderwaterschip. Verder had Marken een taanderij en een visafslag. Markers hebben ook met grote haringfuiken gevist, rondom het eiland stond het altijd tjokvol met fuiken. Maar er waren maar een paar bottereigenaren die dat deden o.a. mijn ooms. Met de kub- en later met de specifieke fuikenboten viste men rondom Marken, maar met de botter ging men naar het Kinselmeer, Pampus, de Knar (b.g.n.de Knaar), de Noordwal en zelfs naar Schokland. Bij de NW hoek van Marken heb ik de fuiken zó vol zien zitten dat de fuikenstokken stonden te zwiepen in het water. Ook aan de kleur van het water kon je zien dat ze tot berstens toe vol met haring zaten. Men schepte dan uit één fuik de boot vol.
Zuidwal- of gooise botter
Door een bijna rechte gaffel en een lange masttop waren deze schepen van verre reeds te herkennen. De lengte van deze schepen bedroeg 13,50 m, de breedte 4,40 m en de diepgang ± 90 cm. Het zeiloppervlak bedroeg 100 m2 (fok en grootzeil).Deze botter was wel een meter langer en een voet breder dan de Noordwalbotter. Ook had hij een hogere voorsteven en enkele meters meer tuig. Die hogere voorsteven hield verband met het feit dat de zuidwalvissers bij gebrek aan een haven op de rede voor anker gingen. Pas na een ware scheepsramp kreeg men toestemming om een haven te graven. Aan het einde van een lange buiten- en binnengeul werd een kade gebouwd waar de botters met de voorsteven tegenaan lagen. Veel breder dan twee botterlengten waren deze havens niet. Als de wind pal op het gat stond was het bomen geblazen.Op Harderwijk heb ik het gezien dat tien botters tegelijk door een sleepbootje naar buiten werden gesleept tot voorbij de lichtboei. In Huizen zijn hele vloten van deze botters gebouwd, vandaar de bijnaam „Gooise". Ook zijn in Huizen de zg. koopbotters gebouwd. Dat waren botters met vier bunnen, grotere tuigen en bijzeilen. Ook de kluiverboom was een stuk langer. Dit alles om de op zee opgekochte vis zo snel mogelijk aan de visafslag te brengen. Zij kochten in hoofdzaak garnaal en bot. Als herkenning voeren zij met de Hollandse vlag in top. Na de afsluiting van de Zuiderzee was het afgelopen met viskopen op zee. Toch heeft het zich gedurende de tweede wereldoorlog herhaald maar toen was het min of meer zwarte handel. Het voordeel voor de visserman was, dat niemand aan de weet kwam wat je verdiend had. De Huizervloot liep dik in de 200 botters, zij visten veel in span. Eigenaardig is dat de Huizervloot de eerste was die begon af te haken met de visserij.Toch heb ik ze nog meegemaakt met het dwarskuil vissen. Mensenkinderen wat konden die grote botters een hoop wind hebben. Zeil minderen deden de heren ook niet gauw. Maar die ene keer heb ik het toch opgenomen tegen een Gooier. Wij visten met een wakkerende oosten-wind gelijk op en lagen over BB zodat wij niet behoefden vol te houden voor een ander. Met een kleine kluiver voorop en een bezaan achterop en met al het gewicht op de lijnen dat er aan boord was ging de MK 30 je zwelgen door het water. Het lijboord ging af en toe onder water. Het was maar goed dat vader doof was en rotsvast kon slapen, anders was hij mooi de kooi uit gekomen. Het invallen van de duisternis maakte aan onze trots om niet voor elkander te strijken een einde.
Urker- of oostwalbotter
Urk had twee soorten botters t.w. de Zuiderzee- en Noordzeebotter. De Zuiderzeevloot is boven de 300 geweest. De Urker zuiderzeevloot was een mengelmoes van alle soorten botters die er langs de Zuiderzee gebouwd zijn. Zij kwamen veelal uit Monnickendam en Huizen. Op Urk zijn ook botters gebouwd. Ik kan mij nog herinneren dat wij voor stormweer in de grote vluchthaven van Emmeloord naast een Urker zuiderzee-botter lagen. Het enige verschil dat ik mij kan herinneren was dat het achterschip iets spitser toeliep dan een Noordwal- en Zuidwalbotter. Ook in tuigage zat geen verschil. Wel hadden de Urkers een soort uitneembaar loopdek op bun-hoogte om het Aat met de gevangen vis gemakkelijker in het bun te krijgen. De Urkers visten in span op de Oostwal, maar het waren ook staandewant vissers. De Urkers hebben met de Zuiderzeebotter op de Noordzee gevist op garnalen. Natuurlijk hadden zij grote moeilijkheden bij stormweer met het lage achterschip. Scheepsrampen bleven niet achterwege.Maar de Urkers hebben die moeilijkheden overwonnen door de specifieke Noordzeebotter te laten bouwen. Deze botters kregen een gesloten achterschip wat je „Zelflozend" noemt. Zij leken wel een beetje op de Texelse blazers. Als tuigage hadden zij een grootzeil met stagfok.Toen de overbekende Kromhoutmotoren hun intrede in de visserij deden werden de zwaarden weggelaten. De helmstok werd vervangen door een stuurrad met gesloten brug. Het roer kwam onder het achterschip te zitten en het achterhuisje werd vervangen door een rond achterschip met kniehoogte verschansing. Het waren de voorlopers van de huidige grote Noordzeekotters. Urkers waren en zijn nog steeds voortvarende visserslui die nergens voor terug deinzen. Dat geluid van die Kromhoutmotoren klinkt mij nog in de oren, het dikke vette pannenkoeken geluid vergeet ik nooit meer. De zeer betrouwbare motoren hebben er in hoge mate toe bijgedragen wat Urk nu is. Bij de overschakeling van zeil- naar motorvermogen hadden de Urkers een enorme voorsprong op andere vissers. Dat is ook een van de redenen geweest dat er maar een gering aantal vissers uit andere plaatsen hun voorbeeld volgden. Alleen een twintigtal Volendammers hebben het voorbeeld van de Urkers gevolgd.De laatste houten Noordzeebotter is in 1928 in Monnickendam gebouwd. Daarna werden er ijzeren Noordzeebotters gebouwd. Ik heb mij vaak staan te verbijten als wij dagenlang voor blakte lagen en de Urkers op nog geen tien meter achter je langs visten. De benzinemotor was veel te licht om de kuil met voldoende snelheid over de grond te slepen. Toen de haring en ansjovis nog op de Zuiderzee gevangen werden, visten de Urker Noordzeebotters ook met de kor op deze vis. Tot grote ergernis van de staandewant vissers visten zij tussen de beugen door. Dat gaf tijdens de duisternis nogal eens aanleiding tot moeilijkheden. Eén zo'n zeeslag heb ik als schooljongen in de Pinkstervakantie meegemaakt. Geweldig, wat een belevenis. Het was prachtig weer en windstil. Mijn vaders ansjo-visbeug stond „Toren aan de Poort" (grote kerktoren en drommedaris van Enkhuizen inéén) tegen de Lemmersevaart aan in zee. Dat was een zeer visnamige plek maar vanwege de drukke scheepvaart tevens een van de gevaarlijkste wat de veiligheid van de beug aan ging. Ook de laverende zeiltjalken raakten met hun zwaarden nog wel eens de netten. Dat was dan ook de reden dat er een mannetje met een stakellicht bij de hand aan dek de wacht moest houden. Wie geen echt stakellicht (een langwerpige kan gevuld met terpentine en een lange tuit waaruit een dot poetskatoen stak die dan in de brand werd gestoken) had, gebruikte wel een lange turf gedrenkt in petroleum. Om brandgevaar te voorkomen ging men dan op het achterhuisje staan. Na het schieten van de beug ging de botter voor anker op het buitenste joon (stok met kurken met van boven een vlag met het nummer van de botter en van onderen verzwaard met bladlood) om bij dag worden direct te kunnen beginnen met het halen van de beug.Het zal ongeveer één uur geweest zijn toen de knecht onraad hoorde en alle hens aan dek riep. Met dat stille weer kon je heel duidelijk het gehakkepuf van een Kromhoutmotor horen. Het moest dus een Urker zijn die zonder licht tussen de beug aan het vissen was. Onmiddellijk gingen wij anker op en op de motor op het geluid af. Even later hoorden wij duidelijk dat er een anker in het water werd gegooid. Mijn vader schoot langszij en brulde boven alles uit: „Niet snijden en gooi geen ankers buitenboord." De Urker kon geen kant meer uit want er zaten meters ankerlijn in zijn schroef. Inmiddels waren de knecht en mijn broer overgesprongen. Ik zie ze nog in het flauwe schijnsel van een petroleumlantaarn een stevig robbertje vechten met de Urkers. Het was een levensechte enterpartij uit vroeger eeuwen. Het nummer in het zg. katzeil was niet te lezen en het nummer op de boeg hadden ze bedekt met een gonje zak. Later bleek dat zij het nummer in het getaande zeil nog niet wit overgeschilderd hadden en dat was voorschrift. Toen vader met een pikhaak die gonje zak wegtrok zat ik op mijn knieën bij SB bolder en heel duidelijk zag ik UK 110 staan. Via het visserij-inspectievaartuig kreeg de Urker een procesverbaal en kreeg mijn vader de geleden schade vergoed. Na de oorlog lag de UK 110 nog een keer in de Markerhaven. Hij was verhuurd aan pleziervaarders.
Volendammer kwak
Als ik nu de afbeelding in het boek van La Comte zie van de „Quack" dan kom ik tot de conclusie dat daar de eerste vormen van een botter zijn uit te halen. De voorsteven, het roer, de zwaarden, tuigage, alles wijst in die richting. Alleen het voorschip is later verhoogd maar dat zal wel uit pure ervaring zijn geweest. Heel duidelijk kun je de kwakkebomen zien liggen, het hele kwakkestel kun je er uithalen. Ook het bezaantuig met zijn rechte gaffel is al in gebruik.Het bezaanzeil werd vroeger gebruikt als stuurzeil wanneer men het schip niet meer met het roer kon sturen, men noemde het ook wel een slingerzeil. Het bezaantuig wordt nu bottertuig of ook wel gaffel- en sloepstuig genoemd. De naam Kwak is dus afgeleid van het woord Quack. Wist u dat in de jaren dertig het watermerk van het Nederlandse Bankpapier een Volendammer Kwak was met de breefok op? Ik vind het nu maar een nietszeggende tros druiven, wat weer gauw een botterkop moet worden.Een Volendammer Kwak is 15,50 m. lang en 4,40 m. breed. Met zijn drie meter meer lengte en maar dertig centimeter meer breedte is hij ten opzichte van een Markerbotter een slank zeilvaartuig. Hij heeft een diepgang van ± 90 cm en een zeiloppervlak (fok en grootzeil) van 120 m'.Volendam heeft de grootste vissersvlooti4fan de Zuiderzee gehad. Het aantal was bij de 350 botters waarvan er 200 grote Kwakken waren. Er waren ook kleine Kwakken die de afmetingen van een koopbotter had-den. De Kwakken zijn op verschillende plaatsen gebouwd. In Volendam, in Edam, (de meesten bij Kater), in Monnickendam, maar de mooiste bij Kok in Huizen. Er bestaat nog een aardige anekdote van een kwak die in Huizen is gebouwd. De botter was klaar en de Volendammer met de bouwer maakten een laatste ronde. Ineens zag de Volendammer een kwast in een van de huidgangen op de boeg. Hij zei: „Die wil ik er uit hebben, dat is geen gezicht." De hellingbaas zei toen: „Als je hem er dan persé uit wil hebben dan zal ik zorgen dat je er niets van ziet." De kwast in het hout was niet door en weer door. Als bewijs voor waterdichtheid deed de hellingbaas er een stukje krant achter. Vijftig jaar later, nadat die Kwak twee jaar onder water had gezeten, werd hij gesloopt en kwam het stukje krant nog leesbaar te voorschijn.Ook is er bij een andere Kwak achter een legger een leesbaar stuk krant te voorschijn gekomen. Vakmanschap is meesterschap zullen we maar zeggen. In eerste instantie is de kwak gebouwd voor het garnalenvissen op de Noordzee. Maar een ware scheepsramp in het jaar 1846, waarbij zeven Volendammers het leven verloren, maakte daar een definitief einde aan. Bij het binnenlopen van de zeegaten tussen de eilanden door met stormweer, liepen de verraderlijke grondzeeën over het lage open achterschip.In uiterste nood werd dan het beschot van het vooronder eruitgeslagen om het water naar voren te laten lopen en op die manier het achterschip omhoog te krijgen. Daarna bleven de Volendammers op de Zuiderzee. Op de Zuiderzee kon een Kwak alle weersgesteldheden verdragen. Ik heb nog nooit gehoord dat er op de Zuiderzee een Kwak vergaan is. In de nacht van de grote watersnood van januari 1916 was de VD 54 van Kes als enige botter op zee. De VD 54 was één van de acht ijzeren kwakken die er gebouwd zijn. Zij voldeden niet, die vis ging dood in de bun, men gaf het ijzer de schuld.Volendammers waren ook sterk in hun uitdrukkingen, waarvan ik die ene nooit meer vergeet. Ik hoor de schipper van de VD 68 nog zeggen: „Ik ga niet eerder van zee of het vel van mijn neus moet beginnen te krullen als ik m'n gezicht buiten het zwaard omsteek." Eerlijkheidshalve moet ik erbij vertellen dat het in een café was. Maar deze schipper was wel de „Baas" van de vloot en was dag en nacht op zee.De Volendammers visten met de kwakkuil tussen de specifieke grote kwakkebomen in. Volgens de geschiedenis zouden de Quacken dat al in de 15e eeuw gedaan hebben. Dat noemde men toen Quackelen. De 10 m. lange kwakkebomen stonden vanaf het achterschip dwarsuit in zee met daar tussenin aan lijnen de kuil. De kwak viste praktisch vóór de wind waardoor er dus altijd terug gezeild moest worden om weer voldoende hoogte te hebben voor de volgende trek.De Kwak had de zwaardophanging van een zuidwalbotter, dus geen zwaardbolder maar een ijzeren beugel met haak. Er waren Volendam-mers die visten voor de wind dwars over de Zuiderzee van Muiderberg naar Lemmer. Onderweg werd de kuil 4 à 5 maal geledigd, wat men „Aanhalen" noemde. Het gebeurde wel eens door windstilte dat dan de week meteen om was voordat ze weer in de haven terug waren.Ook hebben zij met de grote wonderkuil tussen twee botters in gevist. De wonderkuil werd in de jaren dertig verboden vistuig. Na de afsluiting, 28 mei 1932, werden er geen garnalen meer op het IJsselmeer gevangen en was de kwakkuil niet rendabel voor het palingvissen. Daarna schakelden de Volendammers over op het vissen met de dwarskuil die aan de loefzijde door de kuilstok werd uitgehouden en door op maat gestelde lijnen schuin achter de botter werd aangesleept. De grote kwak had het voordeel dat hij scherper aan de wind viste dan een gewone botter, minder tijd verspeelde met terug zeilen en dus meer ving. Het scheelde zeker vier streken per week. Met zijn 120 m2 zeil was hij gewoon niet bij te houden.De Volendammers visten met de zg. Engelse-vleugelkuil die 1600 mazen in de rondte was. Een Hollandse-kuil werd met 1000 mazen opgezet. Met zijn roodgeverfde zeilen en rechte gaffels was het een indrukwekkend gezicht om de Volendammervloot te zien zeilen. Je kon ze mijlenver herkennen. Ook 's nachts kon je aan het sneller verplaatsen van het licht ten opzichte van de andere botter, zien dat je met een kwak te maken had. Van een Volendammer kan gezegd worden dat er altijd een mannetje aan dek stond. Zij visten vaak met drie man aan boord.De Kwak had vier bunnen om de garnalen in leven te houden. Eenmaal heb ik een Kwak met z'n kluiverboom dwars door het grootzeil van een Elburger zien varen. Het was prachtig weer zodat de gehele vloot met de bijzeilen aan de kuil lag. Het was een prachtig gezicht, ik zie nog de kluiverboom door het zeil steken. Wij moesten voor hen uitwijken en zaten als het ware op de eerste rij.Ik heb de Volendammerhaven zó vol Kwakken zien liggen dat je van de ene kant van de haven naar de andere over de botters kon lopen. De Kwak had de waterbalk op de plecht achter de mast, een gewone botter ervóór. Om meer ruimte in het achterschip te hebben hadden ze eerst een ijzeren overloop voor het grootzeil, maar dat beviel niet en kwamen er weer houten overlopen. Ook was het zo dat de man aan het roer bij het overstag gaan met een houten overloop meer ruimte had en dus minder kans had om het grote staartblok van de schoot tegen zijn benen te krijgen. Wie alles over het kwakkuilen wil lezen moge ik verwijzen naar het lijf blad van de Vereniging Botterbehoud waarin een echte Volendammer visserman daar over verteld.
Tot zover het type botter.
Een overzicht van het aantal vissers van plaatsen langs de voormalige Zuiderzee
Durgerdam
Een vloot van ongeveer 100 botters. Er zijn botters gebouwd op de werf van Kater. In Durgerdam werden ook van die kleine bottertjes gebouwd die wel „De Durgerdammer" werd genoemd. Het was een verdraaid leuk bottertje om te zien. Na de oorlog is er nog een op Marken terecht gekomen met no. MK 6. Zij werden veel gebruikt door de fuikenvissers.
Bunschoten
Bunschoten behoorde met zijn ruim 200 botters tot de grootste vloot van de Zuiderzee. In Bunschoten zijn veel botters gebouwd maar een eigen type botter had men niet. De vloot bestond uit Noordwal- en Zuidwalbotters. De Bunschoters waren felle visserlui die niet gauw van zee gingen. Het waren staandewant-, kuil- en fuikenvissers.
Harderwijk
Harderwijk heeft een vloot van 100 botters gehad. Er zijn ook botters gebouwd. In Harderwijk waren veel zg. Wallenvissers. Deze wallenvis-sers visten met een kleine beug op ansjovis en werden ook wel „Ziënnetters" genoemd. Het waren de keuterboeren van de Zuiderzee. Maar de vissers met de grote botters waren staandewant, kuil- en fuikenvissers. De fuikenvissers hadden hun fuiken langs de gehele zuidwal staan maar hun meest geliefde visstek was toch „de Knar". De grote haringscholen schoten de Zuiderzee in en gingen op de Knar kuitschieten. Er stonden dan ook veel afgebroken fuikenstokken die voor de latere kuilnetvissers heften in zee waren om aan vast te lopen en de kuil open te scheuren.
Elburg
Elburg heeft nooit een grote bottervloot gehad. Ik schat in de jaren dertig het aantal botters, meestal opgekocht uit andere plaatsen, op 30 tot 35. Het waren typische Oost- Zuidwalvissers, je zag ze bijna nooit bij de Noordwal of benoorden Enkhuizen. Die ene keer dat ik met mijn vader met vliegend stormweer Elburg ben binnengelopen moet ik u toch vertellen. Wij visten vanaf de Lemmervaart richting Zuidwal. De wind begon te krimpen en het weer werd bar en boos. Het werd té gek. Vader besloot om vóór donker een haven op te zoeken. Harderwijk konden wij niet bezeilen dus bleven Schokland (Emmeloord) en Elburg over. Het werd Elburg want Emmeloord was te ver om nog voor donker binnen te zijn. Zoals alle havens langs de Zuidwal was ook de haven van Elburg door een geul te bereiken. Maar de haven liep haaks op de geul. Daarom hadden wij uit voorzorg de motor bij staan. Met de botter reeds half vol water gingen wij met de giek op boord op de haven aan. Eigenlijk kwam je na de buitengeul in de binnengeul die naar de haven liep. Ik lag voor op de plecht met mijn benen om de kluiverboom te kijken of alles goed ging. Ineens zag ik de botter oploeven, toen ik achterom keek zag ik tot mijn grote schrik dat mijn vader over de achterlanen lag te rollen. Hij had kramp in zijn been gekregen en had de helmstok moeten loslaten. Met ware tijgersprongen sprong ik van de plecht naar het achterschip en gaf de motor vol gas om de botter door de wind te krijgen. Het is gelukt maar ik kan u wel vertellen dat het een spannend moment is geweest. Vlak voor de ingang liepen er nog een paar rollers over het achterhuisje. We waren blij dat wij veilig en wel binnen waren. Enkele Elburgers waren naar het havenhoofd gelopen om eventueel hulp te bieden. Maar ondanks al het water in de botter bleef de motor draaien en hadden wij geen hulp nodig.
Kampen
Het zal aan maar weinigen bekend zijn dat Kampen ook een vloot van ruim dertig botters heeft gehad. Voor zover mij bekend zijn er geen botters gebouwd. Wel zijn er botters in Hasselt gebouwd. De Kampenaren waren typische Oostwalvissers. Ik heb er nooit een bij de Noordwal gezien.
Genemuiden
Met turfvaren kwamen wij er langs en ik heb wel een paar botters zien liggen. Maar van een vloot was geen sprake.
Zwartsluis
Hier waren ook enkele botters, ik heb nog naast een dwarskuilder gelegen. Maar van een vloot was ook hier geen sprake.
Vollenhove
Hier is een vloot Bonzen geweest met de specifieke rechte stevens. Toch waren er ook enkele botters die ik nog aan de dwarskuil heb zien liggen. De Vollenhovers hebben met de Bonzen ook de sleepnetvisserij uitgeoefend.
Lemmer
De Lemmer had z'n eigen scheepstype en wel de Lemmeraak. Vóór de afsluiting ben ik een keer als schooljongen in Lemmer geweest. De haven lag toen vol met Lemmeraken maar toch waren er ook enkele botters bij. Die enkele botters kwamen van Urk of Monnickendam. De Lemmeraken konden ook ontzettend veel wind hebben. Ik heb op de Oostwal wel eens naast ze gevist maar ik heb altijd het eerst moeten strijken. Het waren veelal slepers maar ook staandewantvissers en later, na de sluiting, dwarskuilders. Het juiste aantal vissers te zeggen is niet mogelijk, maar ik dacht dat het er zo'n 150 geweest zijn. De Zuid- en de Oostwalvissers hadden een achterland. Met een slecht visseizoen werd de botter opgelegd en ging men aan de wal werken. Ik moet u toch nog het verhaal van de stoutmoedige redding vertellen van een gestrande Lemmersman door mijn ooms en mijn vader toen ze in span visten. Met gevaar voor zelf te stranden hebben ze met stormweer een Lemmersman van het Enkhuizerzand getrokken. Oom Kaatje was toen de oudste en had de leiding, hij kon het heel smakelijk en spannend vertellen. Dat was een echte botterman, schootje vieren, schootje aanhalen, hij was altijd bezig. Dat heb ik van hem geërfd want als ik nu zeil ben ik ook altijd in de weer.
Stavoren
Hier was een hele vloot echte Staversejollen. Met deze jollen viste men op haring en ansjovis met verkleinde staandewant beugen. Een jol kon ook veel wind hebben. De beug werd via de kleine plecht binnenboord gehaald. De grote open kuip was twee derde van het schip.
Hindeloopen
Geen botters wel mooi snij- en schilderwerk. Hier overheerste ook de Staverse jol.
Den Helder
Volgens de Ingenieur van 1903 heeft Den Helder 44 botters gehad. Inderdaad heb ik in 1938 nog een oude botter zien liggen. Deze botter had een loopdek op bun-hoogte. Hij had dezelfde vorm en grootte als de zg. koopbotter. Hij lag in een verlaten hoekje, er werd niet meer mee gevist.
Wieringen
Geen botters maar de bekende Wieringeraken met een gesloten achterschip.
Medemblik
Met het dwarskuilen ben ik wel eens in Medemblik geweest maar ik kan mij niet herinneren dat ik botters heb gezien. Toch waren er vóór de sluiting een aantal vissers, maar een speciaal type had men niet. Bij een ongunstige wind ten opzichte van Enkhuizen liepen de staandewantvis-sers, die benoorden de Kreupel visten nog wel eens de haven binnen.
Enkhuizen
Dit was een van de grootste havens van de Zuiderzee maar had geen eigen type vaartuig, het was een mengelmoes van Botters, Lemmeraken, Wieringeraken en Vlettenvissers. Het aantal botters moet ongeveer 45 zijn geweest. Het waren overwegend Noordwal botters. De EH 15 van Piet de Kat vaart nu nog als plezierbotter. Enkhuizen is de door-de-weekse thuishaven geweest van zeker 200 staandewant vissers. Er stond iedere nacht ongeveer 500 km beug rondom Enkhuizen in zee. Ik vind Enkhuizen nu nog een van de gezelligste havens langs het IJsselmeer. In vroeger jaren visten de melkboer, kruidenier en de bakker ook met een haringvlet. Een botter of een Aak bracht ze op de plaats van bestemming. De Enkhuizers waren de eersten die met een Kromhoutmotor in een gewone botter visten. De EH15 was daar een van. Ik heb vaak gezegd tegen vader: „Wat de Enkhuizers kunnen, kunnen wij ook." Toch zijn er maar heel weinig Enkhuizers aan een kotter begonnen.
Broekerhaven
Broekerhaven heeft zelf niet zo'n grote vloot gehad, zeker geen eigen type botter. Met het staandewantvissen was het een vluchthaven voor de vissers die binnen het Enkhuizerzand visten, dus aan de Markerwaard kant. De overheersende type vissersschepen waren jollen en de zg. Spekbakken die men nu schouwen noemt. Heel veel Markers lieten hier hun tuig maken bij Kalsbeek. Een keer ben ik met de ooms meegeweest een nieuw tuig halen. Ik weet nog heel goed dat die oude zeilmaker astma had, ik dacht maar steeds dat hij zou stikken. Dat wilde ik niet zien en kroop achter mijn vader.
Het nieuwe tuig aanslaan was een ware belevenis. Oom Kaatje keurde het zeil af, het was volgens hem 20 cm. te kort. Met bewondering heb ik toen staan luisteren naar het marchanderen van de prijs. Die zeilmaker wilde natuurlijk niet met dat tuig blijven zitten. Toen het tuig er uiteindelijk bij stond zei mijn onvergetelijke Noom Sijmen tegen Noom Kaatje: „In dit zeil hoeft nooit geen rif". Dat heeft ie wel geweten want het begon op de terugweg toch te waaien dat het niet mooi meer was. Ik zie mijn Noom Sijmen nog met die oude hoed en een zijden-das als stormband aan het roer staan. Jaren later heb ik gehoord hoe ze het toen geklaard hebben zonder een rif in 't zeil te steken. Ze zijn met de giek op het boord op Marken gekomen.
Hoorn
Ook hier geen grote vloot van botters, het aantal zal ongeveer 30 zijn geweest. Hier was wel de bakermat van de zg. spekbak die ook wel hoornsman werd genoemd. Of men het model heeft afgekeken van de Friese Kerk- en Melkschouw weet ik niet. Wel weet ik dat er een hele vloot spekbakken met de lijnen op paling visten. Dat noemde men Hoekwantvissen. De bijnamen van deze vissers waren, Hoekers, Tjoekers of Lijners.
Edam
In Edam zijn ook veel botters gebouwd. Ook zijn daar grote Kwakken gebouwd. Als vissersplaats heeft het nooit veel betekent. Ik kan mij alleen maar herinneren dat er enkele fuikenvissers waren. Toch moeten de Volendammers eerst met ED in het zeil gevaren hebben want Volendam behoort nog steeds tot de gemeente Edam.
Monnickendam
Eigenaardig is dat in Monnickendam honderden botters zijn gebouwd maar dat het als vissersplaats nooit veel heeft betekend. Van een vloot is dan ook nooit sprake geweest. Buiten enkele fuikenvissers heb ik voor zover ik mij kan herinneren maar één visserman met een botter gezien die aan de dwarskuil lag. Monnickendam was meer een plaats waar de vis verwerkt werd. Er waren rokerijen en inleggerijen. De gerookte bokking en paling uit Monnickendam was de lekkerste. De visventers zongen: „Lekkere paling, een dubbeltje een bos, wie maakt me los".
Ondergang van de botter?
De plannen voor het afsluiten van de Zuiderzee dateren al van de vorige eeuw. Maar officieel dateert de wet op het droogmaken van de Zuiderzee van 1918. Nog vóór de afsluiting op 28 mei 1932 begonnen de oudere schippers hun botter te verkopen, maar de ware uittocht was toch daarna. Buiten de Huizerhaven was de Markerhaven een van de eerste die leegstroomde, kat achter kat verdwenen ze. Het gekke was dat de meeste botters van Marken verhuisden naar een haven aan de Zuidwal. Zo ook onze botter die onder het nummer BU87 tot in de jaren zestig heeft gevist. Ook gingen er botters de Rijn op naar Duitsland. Men verankerde de botter en viste met grote kruisnetten, ook wel totebel genaamd. Met mijn vaders botter heb ik twee Marker botters afgeleverd achter het centraal station in Amsterdam. Hier werden ze achter een Rijnschip vastgebonden en begonnen zo aan hun laatste reis.
Aan het einde van de jaren vijftig leek het erop dat de botter voorgoed van het toneel zou verdwijnen. De tweede wereldoorlog heeft het uitsterven enige jaren uitgesteld. Maar nu was het zover dat de ijzeren kotters hun plaats innamen. Het was mensonterend wat er toen met de resterende botters gebeurde. Ze vielen in handen van woningzoekenden en studenten die er een feesttent van maakten. Ik zie nog die botter op de Westeinder met lallende en brallende jongelui. Het sneed mij door de ziel, het deed mij pijn. Ook zag je in praktisch alle binnenwateren een botterwrak liggen. Alleen al in de ringvaart telde ik zeven botterwrakken. Het definitieve einde van een stoer vissersvaartuig was nabij. Zelfs het Zuiderzeemuseum beschikte toen nog niet over een botter in haar collectie. Waar bleef de redding? Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Die redding kwam.
Vereniging botterbehoud
In oktober van het jaar 1968 werd de botter gered door een groep enthousiastelingen die zich gingen verenigen in de Vereniging Botterbehoud. Wat deze mensen gepresteerd hebben en nog doen, is werkelijk ongelooflijk. Via een bezoek aan de Hiswa in het jaar 1970 heb ik deze mensen leren kennen. Na jaren zat ik weer in het vooronder. Op dat moment kon ik niet geloven dat zo'n vooronder enkele jaren dag en nacht mijn verblijf was geweest. Ik dacht ook: „Wie hier voor z'n plezier in gaat wonen is bepaald niet goed bij zijn hoofd". Toen ik in mijn enthousiasme vertelde dat ik enkele belevenissen met mijn vader op de botter had beschreven, vroeg men mij om ze beschikbaar te stellen voor hun lijfblad Tagrijn. De eerste uitgave met die mooie botterkop op de omslag was net uit. Die grote botterkop deed me wat. Vanaf dat moment leerde ik een groep mensen kennen die, om een echte Marker uitdrukking te gebrui¬ken: „Hun ziel en hun zaligheid aan een oude botter verkwanselen". Ook al gaat dit ten koste van een bijna niet te dragen financieel offer, om van de honderden uren handenarbeid niet eens te spreken.
Er varen nu botters waar praktisch geen stuk hout van het oorspronkelijke schip meer aan zit. Een naam als „Duitendief" spreekt boekdelen. Een nieuwe mast maken van een oude laadboom die van onderen net zo dik is als van boven, is toch een geweldige prestatie. De hobby „botterzeilen" kost jaarlijks ongeveer f. 5 àf. 6000,—. Om deze grote onkosten gedeeltelijk op te vangen vaart men in de weekends en vakanties met gezelschappen. De eerste kennismaking met een botter ontstaat dan ook meestal via zo'n dag- of vakantietocht. Dan raakt men in de ban van het botterzeilen, waar men, eenmaal aan begonnen, niet meer genoeg van kan krijgen. Botterzeilen is iets romantisch, dat blijft iets aparts. Dank zij deze botte-rikken varen er nu weer 35 botters onder vol tuig. De slechte naam die de bottermensen in het verleden hadden is volledig verdwenen, een ieder spreekt nu weer met respect over de varende monumenten. Het mooiste van de historie van de botter vind ik dat er in die twee eeuwen van zijn bestaan niets aan veranderd is. Ook het Zuiderzeemuseum heeft net op tijd een botter aan zijn schepencollectie toegevoegd. Het is de MK53 die als viskoper is gebouwd in Huizen, naar Harderwijk verhuisde onder het nummer HK110 en als laatste Markervisser onder bovengenoemd nummer heeft gevist.
De Botter - Geschiedenis en bouwbeschrijving van een Nederlands visserschip door Jules van Beylen

In de reeks monografieën over klassieke Nederlandse scheepstypen verscheen in 1982 het boek "De Botter" van J. van Beylen, oud-conservator van het Nationaal Scheepvaartmuseum te Antwerpen. De botter is wellicht het bekendste Nederlandse vissersschip dat in de tweede helft van deze eeuw uit de beroepsvaart verdween. Een veertigtal schepen dat door restauratie van de ondergang gered werd, vormt nu een sieraad - als een 'levende' herinnering aan de Zuiderzee -tussen de vele andere pleziervaartuigen op het IJsselmeer. In dit boek wordt de geschiedenis van de botter beschreven en de evolutie die het type heeft doorgemaakt.
Daar het boek over een vissersschip handelt, wordt eveneens een beknopt overzicht gegeven van de visserijmethoden op de Zuiderzee tot aan de afsluiting en van de voornaamste vistuigen. Er voeren op de Zuiderzee verschillende typen botters, zoals de kwak en de zogenaamde kleine botter. Buiten het Zuiderzeegebied kon men onder meer de botter van Baasrode (België) en de Noordzeebotter aantreffen.
Al deze schepen worden beschreven aan de hand van nieuw getekende plans en originele bouwtekeningen; hetzelfde geldt voor de minder bekende botterjachten die in het boek behandeld worden. Uiteraard wordt ook een hoofdstuk gewijd aan de werven en de hellingen waarop de schepen gebouwd en onderhouden werden.
Het tweede deel van het boek bestaat uit een gedetailleerde beschrijving van de bouw van een model op spanten van een Marker botter op schaal 1 : 20. De tekst kan worden gelezen als een handleiding voor modelbouwers, maar tevens als een gedetailleerde beschrijving van een botter in al zijn onderdelen. In het historische gedeelte zijn naast een reeks scheepsplans talrijke unieke illustraties opgenomen, foto's zowel als tekeningen. Ten behoeve van de modelbouw zijn in het boek een groot aantal detailtekeningen opgenomen, evenals de plans van het model. 'De Botter' is het eerste boek waarin dit bekende Nederlandse scheepstype op zo uitgebreide wijze in al zijn facetten beschreven wordt. Deze monografie verdient dan ook een plaats in de boekenkast van iedere liefhebber van zeilschepen en van iedere serieuze modelbouwer.
Geschiedenis van de botter
De geschiedenis van de ontwikkeling van de botter tot het schip zoals het er uiteindelijk in de eerste helft van de 20e eeuw uitzag, is erg vaag te noemen, zoals dat trouwens het geval is bij vele soortgelijke schepen. Nadere beschouwing leert dat deze geschiedenis nog nooit op grondige wijze onderzocht is, maar dat is ook niet verbazingwekkend. Over het ontstaan en de ontwikkeling van dit scheepstype is nauwelijks iets in de bronnen terug te vinden dat een enigszins duidelijke kijk op het onderwerp zou kunnen geven. Slechts hier en daar duiken fragmentarische aanduidingen op die iets tot een betere kennis van het onderwerp kunnen bijdragen.
Het onderzoek dat men aan dit thema kan wijden, steunt dan ook grotendeels op hypothesen, die slechts hier en daar gestaafd worden door een paar feiten waarmee men een inzicht in de historische ontwikkeling krijgt. Misschien zou een diepgaand archiefonderzoek meer feiten aan het licht kunnen brengen, maar men moet er wel rekening mee houden dat over deze schepen slechts zeer schaarse en oppervlakkige gegevens neergeschreven werden. Ook de bestaande iconografie biedt slechts een beperkt perspectief.
Enkele auteurs noemen het waterschip en de tochtschuit als de voorlopers van de botter, zonder echter diep op deze bewering in te gaan. Toch zit er een grond van waarheid in deze stelling.
Hoe men uiteindelijk tot de laatste vorm van de Zuiderzeebotter is gekomen, zal waarschijnlijk nooit helemaal duidelijk worden en men zal steeds op een aantal gissingen en hypothesen aangewezen blijven. De ontwikkeling is trouwens tot aan het uitsterven van de visbotter verder blijven gaan, want er werd steeds getracht hem te verbeteren." De ontwikkeling van de botter is een zaak van een paar eeuwen geweest en zij is erg voorzichtig en geleidelijk doorgevoerd. Vissers en scheepsbouwers zijn van huis uit conservatief en niet zonder reden. Als een schip van stapel gelopen is, kan men het niet 'even' veranderen als blijkt dat het niet helemaal voldoet. Men zal dan wellicht trachten wijzigingen aan te brengen bij de bouw van een ander vaartuig, maar dan moet het vorige toch eerst zijn tijd uitdienen. Verbeteringen werden dus trapsgewijs doorgevoerd, op grond van economische overwegingen. Veranderingen kwamen tot stand door overleg met en op aanbevelingen van de visser-opdrachtgever en het technisch en ambachtelijk kunnen van de scheepsbouwer, soms door het inzicht van één man. Deze evolutie, die vooral empirisch verliep, nam decennia in beslag.
Het in tekening brengen van botters moet er ongetwijfeld toe hebben bijgedragen om betere schepen te bouwen omdat men daardoor bij voorbaat een betere kijk op het werk had. Dit tekenwerk voor botters moet al begonnen zijn in het midden van de 19de eeuw, voor Noordzee-botters misschien al eerder.
Peter Dorleijn schrijft terecht dat elke werf graag de uitvinding van een bepaald succesvol scheepstype voor zich opeist, maar de loutere bewering van een werf is niet overtuigend om dit te bewijzen. Mondelinge overleveringen zijn vaak niet objectief en zij worden zo lang en hardnekkig doorgegeven, al dan niet aangedikt, dat ze uiteindelijk als vaststaand aangenomen worden, want 'iedereen zegt het'. Het spreekt echter vanzelf dat bepaalde werven op één of andere wijze een opvallende bijdrage hebben geleverd aan de vormgeving of bouwwijze van de botter en er op die wijze in zijn geslaagd hun werf een zekere faam als 'uitvinder' van een type te bezorgen. Zo zou de werf Nieuwboer te Spakenburg de Zuidwalbotter hebben uitgevonden. Het is duidelijk dat aan die uitvinding een lange voorgeschiedenis is voorafgegaan en dat ze in feite kan worden herleid tot het verwezenlijken van een laatste fase in de evolutie die al vele decennia aan de gang was.
Bottertypen
Men zou kunnen stellen dat alle botters op het eerste gezicht van hetzelfde type zijn, tenminste als men de schepen van ver en oppervlakkig bekijkt, dan lijkt dat zo.
Nochtans zijn alle botters niet van hetzelfde type en enkele soorten, zoals de Noordzeebotter en de kwak, onderscheiden zich zeer sterk van de gewone schepen, al was het maar door hun afmetingen. Maar de schepen vertoonden nog andere verschillen. Het feit dat verscheidene werven dit scheepstype bouwden en omdat ze voor verschillende visserijen werden gebruikt, zijn al redenen genoeg om de variaties te vermoeden. De hand van de bouwer is immers steeds duidelijk in zijn werk terug te vinden, zo sterk zelfs dat plaatselijke vissers de herkomst van de schepen alleen al aan hun lijn kunnen noemen. Iedere werf bouwde toch een schip met een eigen karakter, nog afgezien van de plaatselijke technische en ambachtelijke vaardigheden. Ook de visserij stelde haar eisen en wat men met het ene schip kon, was niet steeds mogelijk met het andere, omdat het niet dezelfde eigenschappen had.
De evolutie van het scheepstype die geleid heeft tot de vorm van de laatste botters verliep ook niet overal langs dezelfde wegen, zodat op bepaalde plaatsen vaartuigen ontstonden die eigen kwaliteiten vertoonden en als het ware een afzonderlijk type gingen vormen. De schepen die op een bepaalde werf en binnen een omschreven periode van stapel liepen, kan men wel 'standaard' noemen. Door verkoop naar andere havens, verbouwing en reparatie werd die plaatselijke eenheid echter verbroken en zo kon men in een bepaalde thuishaven allerlei bottersoorten aantreffen, in het bijzonder tijdens de laatste tientallen jaren van hun bestaan.
In ruimere zin werden de botters van de Zuiderzee in verschillende groepen ingedeeld, afhankelijk van hun bouwplaats en ook wel naar hun gebruik. Zo kende men de grote Noordzeebotter en de grote botter of kwak. De eerste was veelal thuis in Urk, de tweede in Volendam. De kleinere typen werden op hun beurt genoemd naar hun bouwplaats, zoals de Noordwalbotters waartoe de Marker en de Volendammer botter behoorden. Zuidwalbotters waren schepen die in Muiden, Huizen en Spakenburg van stapel waren gelopen en daarom als Gooise of Gooier botters bekendstonden. Botters van Urk waren de zogenaamde Oostwalbotters.
Men deelde botters soms ook in naar de aard van hun bedrijf, maar dit moet meer als een functionele rangschikking worden beschouwd. Zo noemde men bepaalde botters: sleepbotter, hoekbotter, kuilder, staand wantvisser, kwakkuilvisser, koopschuit enzovoort.
De Noordzeebotter
Reeds in de loop van de 18de eeuw - omstreeks 1780 - ging men voor de Noordzeevisserij vanuit Zuiderzeehavens een aangepast bottertype bouwen, bestand tegen de werkomstandigheden die op de zoveel ruwere Noordzee heersten. Men noemde ze `Noordzeeschuiten'. Hoe deze eerste schepen eruitzagen is niet duidelijk, al kan men stellen dat ze groter en zwaarder waren dan de andere types. In het begin van de 19de eeuw waren zij alleszins uitgegroeid tot schepen van 60 voet (16,98 m) lang, zoals blijkt uit een scheepsplan uit deze periode.
Een kwak
Als men de vlootlijsten van de Volendammer vissersvloot uit 1886 leest, die 247 nummers telt, valt het op dat de naam van de eigenaar van de schepen eenentwintig maal Kwakman luidt. Men kan zich dan afvragen of deze achternaam iets te maken had met de kwak, het botter-type dat in Volendam werd gebruikt. Volgens Peter Dorleijn zou de benaming 'kwak' voor de grote botter die de kwakkuilvisserij beoefende, pas geruime tijd na de afsluiting van de Zuiderzee zijn ontstaan. Uit andere bronnen blijkt echter dat de benaming al vroeger werd gebruikt om grote botters aan te duiden. Van Hoogstraten beweert dat oude, niet meer voor de Noordzeevisserij geschikte, grote botters die daarom enkel nog op de Zuiderzee gebruikt werden, 'kwak' werden genoemd.
Een Volendammer botter
Het plan van een kleine `Vollendammer Botter' toont een schip dat nauw verwant schijnt aan de reeds beschreven Volendammer botter van P. de Haas te Maassluis. Het betreft een schip dat volgens de opgave van het plan 12,35 m (43 voet) lang over stevens was. De voorloodlijn is echter niet aan het uiteinde van de voorsteven neergelaten, zoals dit aan de achtersteven is gebeurd. De totale lengte bedroeg in feite 12,65 m (44 voet).
Een Marker botter
Wellicht de mooiste tekening van een Zuiderzeebotter, die een uitstekend beeld van dit schip geeft, werd in 1878 gemaakt door C. de Haas. Het plan draagt de titel `Botter', maar door vergelijking met een andere tekening die 'Marker Botter' als opschrift draagt, is bewezen dat het hier om dit type gaat.
Een hoekbotter
Het lijnenplan van een zogenaamde hoekbotter werd in 1880 getekend door W. Romke. Het is afkomstig van de werf Thomas Pauw te Muiden. Dit plan is op een vrij bewerkelijke wijze getekend, vooral de gebogen lijnen van het voor- en achterschip en van de boegen.
Een Gooise botter
Deze benaming, die ook gebruikt wordt voor een Huizer botter, staat te lezen op een `Teekening eener Gooysche Vischbotter', een niet gedateerd of gesigneerd lijnenplan. Waarschijnlijk dateert dit plan van vóór 1900.
Varianten
Behalve de hiervoor aan de hand van tekeningen onderzochte bottertypen waren er nog meer varianten. Eén ervan werd 'drieling' genoemd. Dit blijkt het grootste type van de kleine botters te zijn geweest. Dorleijn neemt aan dat hiermee de Gooise botter wordt bedoeld. Naar zijn mening rekende men dit soort ook tot de weinige botters die naar de inrichting van een kwak met een naar achteren afwaterend deken waren gebouwd.39 De hiervoor genoemde hoekbotter had zo'n deken en dit schip was eveneens groter dan de gewone kleine botter, zodat dit waarschijnlijk een drieling botter moet zijn geweest.
Aan de andere kant bestonden er ook botters die kleiner waren dan de gewone soorten. Deze kleine schepen werden onder andere te Hoorn gebruikt. Ze waren maar 32 voet (10 m) lang en hadden een tonnenmaat van 10 ton." Maar ook in Durgerdam blijkt men zulke kleine bottertjes te hebben gebruikt, die men daar toepasselijk `Durgerdammers' noemde.
Een botter van Baasrode
Hoewel de botter een typisch Zuiderzeeschip was, werd dit schip toch ook nog op andere wateren gebruikt. Sedert wanneer dit het geval was, staat niet vast, maar men mag wel stellen dat vissersschepen vanuit Zuiderzeehavens de wijk namen naar andere streken naarmate de plannen om de Zuiderzee droog te leggen vastere vorm kregen. Al in het midden van de 19de eeuw waren schokkers naar het zuiden verhuisd en kon men deze schepen op de Schelde tot voorbij Antwerpen terugvinden." Weinige jaren later was dit ook het geval met botters." Deze schepen hadden hun thuishaven vooral in Baasrode, waar evenals in het nabije Mariekerke een drukke vis- en palinghandel bestond. Beide dorpen liggen zo'n 35 kilometer ten zuidwesten van Antwerpen aan de Schelde en waren van oudsher bedrijvig in de visserij. De botters werden ook gebruikt om paling aan te voeren vanuit Rotterdam, Hellevoetsluis en Maassluis. Daar botters een grote bun hadden, waren deze schepen daarvoor uitermate geschikt.
Botterjachten
Het hedendaags gebruik om werkschepen als botters, hoogaarzen en andere vroegere vissersschepen als pleziervaartuig te benutten, al dan niet verbouwd tot `herenjacht' of in originele staat, is zeker geen nieuwigheid. Bij een verslag en de daarbij afgedrukte, oude foto waarop Marker botters zijn afgebeeld die kennelijk met niet al te veel wind aan een wedstrijd deelnemen, staat onder andere: 'Botterwedstrijden in 1913 (!)'.' Deze wedstrijd had plaats tussen de vuurtoren van het IJ, door de Gouwzee naar en rond Marken en terug naar de vuurtoren. Met het uitroepteken bij het onderschrift beoogt de schrijver deze wedstrijd en vooral het jaartal als iets bijzonders ter kennis te brengen. Maar 1913 was in het geheel geen bijzonder jaar voor het houden van een wedstrijd met botters, want leden van de Amsterdamse zeilvereniging 'Het IJ' organiseerden al vanaf 1890 jaarlijks een zeilwedstrijd met Marker botters. Dit gebeurde als gevolg van het beschikbaar stellen van een fraaie, zilveren beker door baron Van Tuyll van Serooskerken, waarbij als voorwaarde werd gesteld dat alle leden de kans moesten krijgen om hem te veroveren. Op voorstel van de secretaris werd daarop besloten de beker te laten betwisten door alle leden, die tegen een laag inleggeld aan de wedstrijd zouden deelnemen met botters die door de club ter beschikking zouden worden gesteld. De bemanning moest bestaan uit drie liefhebbers en de stuurman moest lid zijn van de zeilvereniging 'Het IJ'. Het eerste jaar waren er vijftien inschrijvingen.
De Marker botters die voor deze wedstrijden gehuurd werden, smeerde men onder water in met potlood om ze zo glad mogelijk te maken. De eigenaar mocht zich niet met het zeilen bemoeien, maar dit verbod werd 'omzeild' door de man in het vooronder plaats te laten nemen vanwaar hij, leunend over het onderdeurtje, zijn aanwijzingen gaf.
Belgische jachtlui bleken andere opvattingen te hebben over de bouw van de gebruikte jachten. Zij die een platbodem als jacht gebruikten, hetzij een hoogaars, hetzij een hengst of een botter, gaven de voorkeur aan kajuitschepen. Het is bekend dat zij voormalige werkschepen dan ook altijd lieten ombouwen en ze niet in hun oorspronkelijke toestand gebruikten, zoals onder meer met botters op de Zuiderzee gebeurde.
Nieuwbouwschepen, voor Belgen op stapel gezet, werden dan ook steeds meteen als kajuitjacht afgewerkt. Zo werden diverse botterjachten in België gebouwd op werven langs de Schelde en langs de Rupel, onder meer bij de Gebroeders Fernand Joostens te Niel, op de werf E.A. Van Damme te Baasrode, op de werf Maes te Burcht en mogelijk nog bij andere. Inlichtingen hierover zijn echter schaars. Onder deze botters telde men erg fraaie schepen, gebouwd volgens de klassieke lijnen. Andere werden ontworpen als grote luxejachten die nog maar weinig gemeen hadden met de échte botter, maar niettemin toch aan dit type ontsproten waren.
Over het algemeen kan worden gezegd dat botterjachten een hoger achterschip kregen dan een visserman, wat trouwens verklaarbaar is daar op een jacht niet over het achterschip werd gevist. Ook blijkt de kop meestal lager te zijn. De lijnen van de zeer grote botterjachten, zoals de `De Bries' en de 'Nicotine', weken sterk af van die van de echte visbotter. Van de oorspronkelijke bouwwijze bleef niet veel meer over. Deze schepen waren geen platbodems, want zij werden op een zware kiel gebouwd.



