Kenmerk-beschrijvingen Aken voor het vrachtvervoer
Algemeen
De benaming aak is evenals tjalk zo ongeveer een soortnaam geworden, waarmee onderling zeer verschillende schepen worden aangeduid.
Dat is niet zo verwonderlijk. Verschillende groepen in de maatschappij, zoals vissers, vrachtschippers, scheepsbouwers en niet te vergeten het grote publiek, hebben hun eigen manier om schepen in categorieën onder te verdelen en deze te benoemen.
Voor aken kan de volgende indeling worden gemaakt.
- Vrachtschepen; niet op steven gebouwd, die onder zeil hebben gevaren. De planken of platen van de scheepshuid in het voorschip, en eventueel ook in het achterschip, bij elkaar worden gehouden zonder gebruik te maken van een stevenbalk. Het vlak (de bodem) is bij de uiteinden van het schip opgelicht.
- Visaken; vissersschepen van de Zuiderzee en de Friese binnenwateren onder zeil, bijvoorbeeld Lemsteraken en Wieringeraken. De bouwwijze van de vissermansaken wijkt sterk af van die van de vrachtschepen.
Voorsteven
De voorsteven ontbreekt bij een aak. Sopers stelt dat de functie van de voorsteven - het bevestigen van de huidgangen - bij het steeds ronder worden van de schepen eigenlijk was vervallen en dat bij de aakconstructie deze ontwikkeling consequent is doorgetrokken. De achtersteven is gewoonlijk wel aanwezig en dient ter ophanging van het roer. In sommige gevallen is ook vóór een steven aangebracht, die echter tegen de gesloten oplopende vlakplaat is geklonken, en als een imitatie van de oorspronkelijke (tjalk-) steven kan worden gezien. Men spreekt in zo'n geval van een stevenaak.
Boeisel
Het boeisel van een aak en de huid onder het berghout vormen in dwarsdoorsnede een rechte lijn. Zulks in tegenstelling met een tjalk, waar deze twee onder een duidelijke hoek staan. De in tekening gebrachte IJsselaak, met voorgezette steven, De Vrouwe Petronella, is in 1908 te Raamsdonksveer gebouwd. Dit scheepstype van de Hollandse IJssel stamt af van een oudere sprietaak en werd vooral gebruikt voor het baggeren van zand en grint. Het spriettuig is omstreeks 1860 vervangen door een bezaantuig met rechte gaffel, doch kwam tot ongeveer 1910 bij de kleinere IJsselaakjes voor.
De IJsselaak wordt ten onrechte ook wel als boeieraak aangeduid. Deze benaming is op de Hollandse IJssel zelf voor dit scheepstype onbekend. Hoewel bij een gecombineerde scheepsnaam het eerste deel van de naam gewoonlijk op de vorm van het voorschip betrekking heeft, is dat hier zeker niet het geval en wil de toevoeging 'boeier' waarschijnlijk slechts aangeven dat we met een als jacht gebruikt schip te doen hebben.
Ook de als jacht gebruikte of als jacht gebouwde Lemsteraken werden wel als boeieraak aangeduid. De naam boeieraak wordt ten slotte nog gebezigd voor een nauwelijks meer bestaande Brabantse, houten kromstevens, gebruikt door de oesterkwekers van Yerseke. De Hasselteraak 'De Koning Radboud' behoort tot een scheepstype dat uit de kop van Overijssel afkomstig is en hoofdzakelijk voor turfvervoer werd gebruikt.
Uit werfarchieven blijkt dat de scheepsbouwers de behoefte hadden een onderscheid te maken tussen twee soorten aken, namelijk die waarbij de heve in het voorschip voorzien is van een voorsteven en die zonder voorsteven. De eerste worden boeieraken genoemd, de tweede heefaken.
Waterkampioen november 1965 nr1162 - Schepenschouw De aak
Een „aak", het staat er in het enkelvoud, maar het aantal vaartuigtypen waarvoor de benaming aak wordt gebruikt, is groot. Onder deze typen kan men twee groepen onderscheiden: de aken, die geen aken zijn en de aken, die wel aken zijn. Tot de eerste groep behoren - in Friesland duidt de naam aak dikwijls op een vissersschip - vissersvaartuigen van Friese komaf als de Lemsteraak en de Wieringeraak, op steven gebouwde schepen, en ook een riviersleepschip als de Rijnaak, dat zijn naam dankt aan het oorspronkelijke Rijnschip, dat wel een aak was. Kenmerkend voor de echte aken zijn namelijk vooral het in het voorschip en het achterschip omhooggebogen vlak de plaats waar dit buigt noemt men de heve en het ontbreken van een steven.
Scheepstypologieën: Spiegel der Zeilvaart maart 1986 nummer 2 - Scheepstypologie Aken deel 2
Als we over aken spreken kunnen we daarmee drie verschillende typen schepen aanduiden:
- Rijnaak: een motorloos schip bedoeld om op de rivieren gesleept te worden.
- Lemster- en Wieringeraak: zeilende vissersschepen van de Zuiderzee en/of Wadden.
- Niet op steven gebouwde zeilende vrachtschepen van de Nederlandse binnenwateren.
Friese visserschepen
De aangegeven kenmerken van een aak gelden niet voor Friesland, waar de naam aak vaak betrekking heeft op vissersschepen. De Lemsteraak, Wieringer aak en Workumer aak zijn op steven gebouwde schepen, zonder het opgebogen vlak dat als een der meest typische kenmerken van een 'aak' kan worden beschouwd. Deze beschrijven we bij onze Familie Aken voor de visserij.
Scheepstype: Boeieraak (vrachtvaart)
Inleiding
Boeieraken konden zowel vrachtvaarders als vissersschepen zijn. De vrachtschepen werden gebouwd van hout en later van ijzer, de vissersvaartuigen vrijwel allemaal van hout. Tot de laatste boeieraken behoorden de (Hollandse) IJsselaken, die onder meer zand en grind vervoerden. De IJsselaken van na 1900 waren meestal van staal en werden onder andere gebouwd te Ouderkerk (Van Snoei), Lekkerkerk (Duivendijk), Slikkerveer (Smit), Raamsdonkveer en Krimpen. Volgens ir. E. van Konijnenburg werden boeieraken ook voor baggerwerkzaamheden gebruikt in Brabant en Holland, zoals in de Biesbosch, op de Amer en de Donge. Hij vermeldt in zijn in 1913 uitgegeven werk: 'Ook op de Maas worden zij thans veel gebruikt, hoewel daar evenals op de andere bovenrivieren eertijds de bovenlandsche baggeraakjes voorkwamen'.
Bij deze gladboordig gebouwde platbodem boog het vlak aan de voorkant en de achterkant omhoog en vormde een heve. Meestal was op de boeg een ronde loze steven aangebracht. Tegen de heve van het achterschip was een scheg bevestigd, waaraan het roer was opgehangen. De helmstok draaide over het boord. De boeieraak had een berghout en zwaarden. Het boeisel viel min of meer naar binnen. Boeieraken voerden bezaanstuig, bestaande uit een grootzeil, een fok en soms een kluiver.
Houten boeieraken konden een lengte hebben tot ongeveer 16 m. Van Konijnenburg geeft de volgende maten voor enkele houten boeieraken:
- lengte 11.50 m, breedte 3.00 m,
- lengte 9.50 m, breedte 3.00 m,57
- lengte 10.40 m, breedte 2.98 m, diepgang leegvlot 0.50 m.58
Volgens een inventarisering van historische zeilschepen uit 1987 bestonden er toen nog enkele stalen boeieraken.
Daaronder waren:
- De 'Weltevreden', gebouwd in 1909 bij Duivendijk te Lekkerkerk, lengte 15.30 m,
- De 'Nieuwe Zorg', gebouwd in 1910 bij Van Snoei te Ouderkerk, lengte 18.67 m en
- De 'Zwerver', gebouwd in 1911 bij Smit te Slikkerveer, lengte 24.00 m.
Bron: Boek Aken, Tjalken en Kraken
De IJselaak of boeieraak, die vooral op onze rivieren voorkomt, heeft geheel andere vormen dan de tjalk, doch is evenals deze voor vervoer van goederen zeer geschikt. Hoewel ook dit type goede lijnen vertoont is de bouw heel wat eenvoudiger dan bij de tjalk met haar ingebouwde boeisels. Als materiaal wordt voor boeieraken steeds staal gebruikt.
Bron: Boek Schepen die voorbijgaan
De meeste grote aakjachten van voor de oorlog zijn ontworpen als boeier en werden daarom tijdens en na de bouw gewoon `boeier' of `boeieraak' genoemd. Al vroeg werden grotere aken (tot 17,50m) als jacht gebouwd met een kajuit achter de mast, een hoger achterschip en een boeierroer. De (bemiddelde) eigenaars veroorloofden zich een schipper + een knecht, tevens kok, die tijdens de vaart op het voordek de zwaardlieren en voorzeilen bediende en in het vooronder kookte. Zij verzorgden ook het onderhoud van schip en tuigage.
Volgens zijn eigen verklaring begon Douwe Zijlstra in 1906 schepen te ontwerpen met een soort boeierkont en een krachtige akenkop. Ze werden wel als 'boeieraak' aangeduid. Toen werd bij de Gebroeders De Boer in 1906 het eerste plezieraakje al gebouwd, de 47 voet (13,30 m) lange 'Zeehond' voor J. Pape uit Zoutkamp. Het was een plezieraakje met de vormen van een visaak. Een paar jaren later bouwde De Boer `pleziervaartuigen model Lemsterjacht' die bijna een keer zo lang waren en die, anders dan die kleine `plezieraakjes', qua lijnen niet duidelijk afgeleid waren van de visaken. Net als bij de Rommerswael van Croles waren de grote plezierjachten die De Boer bouwde schepen die qua vormgeving niet voortkwamen uit de visaken, maar gezien moeten worden als zelfstandige ontwerpen. In dezelfde periode werden op diverse werven in het land grote ronde jachten gebouwd van staalijzer, in verschillende afmetingen, die meestal `boeiers' werden genoemd of `boeieraken', `boeieraakjachten' en zelfs een enkele keer `Lemmerboeieraak'. Met die benamingen moest het karakter van het schip duidelijk worden. Het waren luxe schepen die op dit moment als `Lemsteraak' geregistreerd staan.
De Tijdlijn van de Boeieraak
Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925
1924-1925
Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.


Typebeschrijving van de Boeieraak
- Geschiedenis van de Boeieraak
- Beschrijving van de Boeieraak
- Tuigage
Kenmerken van de Boeieraak
- De Boeieraak als werkschip
- De Boeieraak als jacht
- Algemene kenmerken
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
- Subtypen, specifieke kenmerken
Publicaties over de Boeieraak in het Stamboekarchief
Scheepstypologieën - Werkgroep Tuigerij & Documentatie LVBHB

De verscheidenheid aan aken en aakjes was groot, zeker in hout. Als de term boeieraak gebruikt werd, is er één verbindend element, en dat is dat de heve in het voorschip voorzien is van een voorsteven. Verder is er van alles mogelijk: het boeisel kan opzij licht naar binnen vallen; als de heve niet helemaal tot boven toe doorloopt maar eindigt onder de boeghouten loopt het boeisel door tot aan de steven en kan het ook daar licht naar binnen vallen; soms is dit laatste alleen achter het geval. In de regel is de bouw gladboordig en is er een berghout; soms heeft zo'n aakje kluisborden en beretanden. Al met al begint het dan aardig op een boeierscheepje te lijken (in de tweede helft van de vorige eeuw in Zuidwest-Nederland de gewone naam voor een klein tjalkje). Dit zal wel de verklaring van de term boeieraak zijn.
De veelheid van vormen in acht genomen valt het nauwelijks te verwachten dat alle schippers en scheepsbouwers onder een boeieraak steeds hetzelfde scheepstype verstonden. Vaak had men het over zandaken, rietaken of, als een schip niet ergens onder een bekende benaming thuis te brengen was, gewoon over een aak. Houten boeieraken hebben het nog het langst als vissersschepen op zout water uitgehouden, bijvoorbeeld in de Zeeuwse oestercultuur. Ook dan worden ze gebruikt als vrachtscheepjes; er wordt niet mee gevist. Het is niet bekend of ze ook als speciaal model voor de Zeeuwse visserman gebouwd zijn.
In de ijzerbouw wordt de vorm geïmiteerd. Terwijl de houten scheepjes in de regel 12 tot 16 meter lang waren, bouwde men in ijzer ook grotere maten; tot wel zo meter of meer. De platen worden rondgezet, zodat de diverse knikken in de huid verdwijnen. Het berghout wordt een bergplaat; de boeghouten ook. Soms echter was er een echt boeghout of een ijzeren doosconstructie. Boeieraken werden voor allerlei doeleinden gebruikt: vervoer van zand, grind, stenen, riet en griendhout. De kleinste hadden alleen een voorplecht en een vooronder; de grotere ook een achterplecht met een stuurluik, eventueel een roefje, gangboorden en een luikenkap.
Scheepstype: Hagenaar
Inleiding
De Hagenaar is ontstaan omstreeks 1880 en door het steeds belangrijker wordende vervoer met de trein en vrachtwagen verdwenen omstreeks 1925. De Hagenaar is typisch een schip in de overgang. Vrachtwagens en treinen waren nog niet noemenswaardig groot of betrouwbaar, terwijl de binnenvaart dit in die tijd nog wel was. Eind 19de eeuw was er in Den Haag een ommekeer gaande betreffende vervoer over water. Aan de ene kant werd er gezegd dat de grachten dicht moesten omdat deze vies en vuil waren en bronnen waren voor ziektes als cholera, aan de andere kant met de uitbreiding van Den Haag met buitenwijken was er een sterke behoefde om veel bouwmaterialen naar Den Haag te krijgen. Omdat voor 1880 diverse ophaalbruggen vervangen waren door vaste bruggen, is er een beperking ontstaan in de mogelijkheid om bestaande scheepstypen te gebruiken. Daarin werd voorzien door dit type schip. Voor dit type en de korte levensduur speelt ook nog mee dat het ontworpen was voor een sluis met een smallere speciale doorgang.Toen de Laakhaven klaar kwam begin 20ste eeuw, verdween de behoefte van het scheepverkeer om in de binnenstad te kunnen komen. Grotere Hagenaars werden gebouwd tot ongeveer 180 ton. Kleine schepen die aan de maten van de oude Wagenbrug gebonden waren werden wel "Wagenbruggers" genoemd. De term Wagenbrugger komt doordat men de Wagenbrug gebruikte om een schip geschikt te maken voor de vaart door de Haagse grachten. Kon een schip hier onderdoor dan kon het overal onderdoor.
De Hagenaars werden in eerste instantie gebouwd als een snelle rivier zeilschip (aak), vergelijkbaar met een Hasselteraak. De schepen werden gebouw langs de grote rivieren. Onder anderen in Westervoort of Dodewaard. De eerste schepen waren gemaakt van hout en overboordig gebouwd. In voorschip en achterschip versmalden de boorden en liepen zij met de heve van het vlak uit in een klos, enigszins als bij een vlet. De Hagenaar had een korte mast met schietende streng, dat wil zeggen deze streng kon men langs de mast laten zakken, waardoor obstakels als spoorbruggen zonder verdere problemen gepasseerd konden worden. Later is de Hagenaar in ijzer gebouwd en sterk in vorm veranderd. Van hoekig werd zij rond en glad. De Hagenaar kreeg de kenmerkende kop die we bij alle ijzeren aken terug vinden. Het achterschip van de Hagenaar is sterk geveegd. Het boeisel loopt rondom in de lijn met de romp. De bovenkant van de helmstok, de bovenkant van de mastkoker en de bovenpunten van de steven lagen in een één lijn om onder de Wagenbrug door te kunnen. Daartoe moest dan ook nog het bovenstuk van de anker en strijklier opklapbaar zijn. Veel onderdelen zoals zwaarden, strijkklampen en schilpadblokken van de zwaardlieren waren vaak wegneembaar. Daartoe konden enkele centimeters gewonnen worden, wat belangrijke winst opleverde.
De Tijdlijn van de Hagenaar
De Hagenaar is ontstaan omstreeks 1880
1880-1895
De Hagenaar is ontstaan omstreeks 1880 en door het steeds belangrijker wordende vervoer met de trein en vrachtwagen verdwenen omstreeks 1925. De Hagenaar is typisch een schip in de overgang. Vrachtwagens en treinen waren nog niet noemenswaardig groot of betrouwbaar, terwijl de binnenvaart dit in die tijd nog wel was. Eind 19de eeuw was er in Den Haag een ommekeer gaande betreffende vervoer over water.


Type beschrijving Hagenaar
- Geschiedenis van de Hagenaar
- Beschrijving van de Hagenaar
- Tuigage
Kenmerken van de Hagenaar
- De Hagenaar als werkschip
- De Hagenaar als jacht
3. Algemene kenmerken
- boeisel voor en achter in één lijn met de romp
- smal-schip ten opzichte van zijn lengte
- sterk geveegd voor- en achterschip
- geen voorsteven, geen stuizen
- meestal een laag loefje
- lage mastkoker
- vaak deelbare (in hoogte) ankerlier
- grootzeil, fok en soms kluiver
- grote soort: mast op mastdek
- kleine soort: mast onderdeks strijkend
4. Kenmerkende verhoudingen
5. Verklaring in tekening
6. Subtypen, specifieke kenmerken
Publicaties over de Hagenaar in het Stamboekarchief
Scheepstypologieën - Werkgroep Tuigerij & Documentatie LVBHB

De Hagenaar is een duidelijk voorbeeld van een scheepstype waarvan vorm en afmetingen samenhingen 'met de bestemming en met de gesteldheid van de wateren die zij bevoeren.' De naam Hagenaar of Haagvaarder is vermoedelijk al zeer oud. Hiermee werden de kleine schepen aangeduid waarin bij Delft moest worden overgeladen om de lading tot in het via waterwegen slecht bereikbare Den Haag te kunnen bezorgen. In de negentiende eeuw doet de Hagenaar zijn intrede als herkenbaar scheepstype op de Zuidhollandse wateren. De meeste auteurs beschrijven de houten Hagenaar als een keenachtig scheepje van ongeveer 17 meter lang (zie bijvoorbeeld Sopers). Achter hadden de scheepjes niet het doorgestoken kenenroer, maar een normale scheg met een aangehangen roer.
Dit is echter slechts een deel van de waarheid; er waren ook Hagenaars waarbij de boorden tegen de heve waren bevestigd, dit waren dus de hevel aken. Op oude foto's komt men deze schepen ook wel tegen met een gladboordige bouwen voorzien van een berg hout. Modelbouwer Hazenberg bouwde voor het museum Prins Hendrik een model van een dergelijk schip. Vermeld moet wel worden dat er geen achtergrondgegevens van dit model bekend zijn. De boegen zijn sterk gebogen, zodat er geen knik meer is tussen heve en boorden.
De ijzeren Hagenaar is een kopie van dit type Hagenaar (afb. 49, 50). De ijzerbouw doet zijn intrede in een tijd dat Den Haag sterk uitbreidde en er veel vraag naar schepen is die, geladen, door de ondiepe Haagse vaarten en onder de lage bruggen door in de binnenstad kunnen komen: naar Hagenaars dus.
Op veel werven in Zuidwest-Nederland worden dan Hagenaars van een tamelijk eenvormig type gebouwd. Hendriks in Dodewaard en Ruitenberg in Waspik worden genoemd als de bekendste werven. In de archieven van Ruitenberg wordt niet de term Hagenaar gehanteerd, maar wordt er over hevelaak gesproken. Wat verder opvalt is dat een groot gedeelte van die hevelaken te breed was voor de Wagenbrug in Den Haag. Deze scheepsbouwer wilde schepen die niet de Haagse maat hadden geen Hagenaar noemen en hield het consequent op de benaming hevelaak of hevenaak. Precies hetzelfde verschijnsel zien we bij Boot te Leiderdorp (afb. 51).
De afmetingen van een 'echte' Hagenaar werden begrensd door een aantal factoren: de maximale doorvaartdiepte werd bepaald door een drempel of vaarboom tegenover de gasfabriek aan de Trekvliet. Dit was een balk van T-ijzer die was bevestigd op 1,45 meter - DP (Delflands Peil). De kruiphoogte werd bepaald door de hoogte van het midden der liggers van de Wagenbrug, 2,40 meter + DP, en de breedte van het schip door de wijdte van deze brug, 4,17 meter (afmetingen anno 1905; gegevens van Openbare Werken van Den Haag van die tijd). In maart 1922 kwam er een vijzelbrug gereed, die slechts 1,90 meter hoogte doorliet, maar 's nachts tot een hoogte van 2,40 werd opgevijzeld. En dan kon de rij wachtende lege schepen de stad weer uit; aldus de Wegwijzer voor de Binnenscheepvaart uit 1926. Deze vermeldt verder als maximale lengte 26 meter; dit als gevolg van de scherpe bochten verderop in de stad. Om met deze beperkingen aan een zo groot mogelijk laadvermogen, ca. 80 ton, te komen moest de bouw van Hagenaars licht zijn. Als grootste maat voor een Hagenaar vinden we in de archieven van Ruitenberg: lengte x breedte x holte = 23,99 x 4,12 x 1,75 m. Voordat zo'n groot schip de stad inging moest er, vanwege de diepgang, eerst een gedeelte van de lading uitgevlet worden. Verder moesten de zwaarden eraf, inclusief de aanvaringsklampen, de strijkklampen van de zwaarden en zelfs de schildpadkatrollen van de zwaardvallen (afb. 52, 53). Een oud-tjalkschipper (er waren ook tjalken en IJsselaken met de Wagenbrugse maten) vertelde dat hij een vaste stek ergens op een graswalletje had, waar hij zijn zwaarden achterliet. En wanneer het schip leeg de stad uitwilde, dan moest nu de ankerlier, of eventueel alleen het bovenste gedeelte ervan achterover worden geklapt (zie afb. 54, 55, 56, 57).
De diepere schepen moesten bovendien, via een kraan in het vlak, water innemen. Veel hoefde dat over het algemeen niet te zijn; het bleef onder de buikdenning. Omdat hevelaken bij uitstek geschikt waren om met veel tonnen lading onder lage bruggen door te kruipen, is het niet verwonderlijk dat ze ook voor andere plaatsen gebouwd zijn. Speciaal willen we Scheveningen noemen. Als je via de Trekvliet Den Haag binnenvoer, kon je linksaf onder de Wagenbrug door zuidelijk om de stad heen, en rechtsaf om het noorden van de stad naar Scheveningen. De eerder genoemde Wegwijzer geeft dezelfde hoogtematen als voor de Wagenbrug, een breedtemaat van ruim 5 meter en een maximale lengte van 24 meter; dit laatste wegens een scherpe bocht in de vaarweg. Het gros van de 'te grote' hevelaken van Ruitenberg en Boot-Leiderdorp voldoet aan deze eisen; hiermee is een eventuele connectie natuurlijk niet echt bewezen.
Maar er waren ook kleine hevelaken, van rond de 17 meter, die om de een of andere reden opzettelijk klein waren gehouden; ze hadden de maat die Sopers opgeeft voor houten Hagenaars (afb. 58).
De hele grote 'Hagenaars' (de term is nu eenmaal zo gegroeid) lijken zich minder om hun kruiphoogte te bekommeren; op deze schepen staan vaak hogere roeven. Een maat die men nogal eens tegenkomt is 28 x 5 meter.
Zoals gezegd is het model van de ijzeren Hagenaars tamelijk eenvormig. Het toch al niet zo brede boeisel versmalt naar de kop toe behoorlijk. Meestal hangt de heve vóór behoorlijk naar voren toe over; achter is dit nog sterker, waardoor een fraaie geveegde rompvorm ontstaat (afb. 59) Sommige exemplaren van Hendriks zijn wat steiler, althans boven de lege-lastlijn.
Het tuig van Hagenaars was wat lager dan van andere even lange schepen; omdat ze smaller zijn en minder kunnen hebben en wellicht ook omdat de mast bij het onderdoor zeilen van bruggen minder ver gestreken hoefde te worden. Houten Hagenaars (en ook wel andere kleinere scheepstypen) hadden nogal eens een extreem korte mast op Rijnvaarthoogte (10,50 meter), waarmee ze, met gestreken steng, regelrecht onder de bruggen door zeilden. Sommige schepen zullen wel een kluiver hebben gevoerd. Er zijn ook gevallen bekend waarbij de boegspriet slechts een korte stomp was; via de nok van zo'n spriet kon, bij het voor-de-wind zeilen, een lijn de fokkeboom te loevert houden; een soort bulletalie voor de fok dus.
Na het tot stand komen van de Laakhaven, aangelegd tussen 1900 en 1922, nam de vaart op de binnenstad van Den Haag af (voornamelijk brandstoffen en beurtvaart). Het predikaat Hagenaar degenereerde in de jaren twintig en dertig, toen vrijwel ieder schip dat op Den Haag voer Hagenaar genoemd werd. Het gevolg hiervan was, dat er sindsdien 'Hagenaars' waren van wel 600 (!) ton; het toenmalige maximum dat in de Laakhaven kon komen.
De Hagenaar in het boek "Schepen die verdwijnen" van P.J.V.M. Sopers

Dit aardige scheepje ontleende zijn naam aan de omstandigheid, dat het slechts zoo hoog boven water opgebouwd was, dat het in ledigen toestand nog onder de bruggen van onze residentiestad Den Haag kon doorvaren. De afmetingen waren ongeveer 17.20 bij 4.25 bij 1.20 m. Deze afmetingen geven verhoudingen, die algeheel met die van Nederlandsche schepen overeenkomen. Ook de bouw komt daarmee overeen, behoudens dat de grootste breedte nog iets voorlijker lag. Overigens had het vaartuig geheel den gedrongen vorm van onze inlandsche schepen, wat het feitelijk dan ook was. Mooie Hagenaars werden gebouwd op een werf te IJzendoorn, gelegen 7 km boven Tiel, eveneens op den rechter Waal oever.
Voor- en achterschip waren wat bocht en beplanking betreft, gelijk aan die van de Keen, maar wat voller; achter was een groote scheg gebouwd. Hierin was onderaan een gat uitgespaard; het schip maakte daardoor gemakkelijker zijn wending, daar de scheg daarbij minder tegenstand bood aan het water.
Het hout was aan de voor- en achterzijde van dat gat iets aangepunt om wat beter stroomlijn te krijgen. De scheg werd door ijzeren stangen, schuin oploopend naar de heve, gestut. Het gewone tuig van den Hagenaar had een korten mast met schietende steng. Hieraan kon een gaffeltopzeil of vlieger gevoerd worden, waardoor het tuig iets jachtachtigs kreeg. Vermoedelijk zal deze combinatie wel gemaakt zijn om de doorvaart onder spoorbruggen te vergemakkelijken. De mast zonder steng zal plm. 10 m hoog geweest zijn, zoodat men dien niet zoo spoedig behoefde te strijken, maar volstaan kon met de steng te schieten, of ook zoo noodig den mast minder diep kon laten zakken.
Hagenaars zijn later veelvuldig van ijzer gebouwd; de karakteristieke vorm ging daarbij grootendeels te loor. De hoekige bouw werd verlaten. Het waren toen vergroote uitgaven van een kleiner scheepje, de boeier-aak. Ook de mast met steng raakte buiten gebruik, behoudens een enkele uitzondering. De meeste ijzeren Hagenaars voerden een gewonen mast met grootzeil, fok en kluiver. Thans varen er nog veel Hagenaars met een motor, die dus be-hooren tot de zgn. „omgebouwde" schepen.Het hout was aan de voor- en achterzijde van dat gat iets aangepunt om wat beter stroomlijn te krijgen. De scheg werd door ijzeren stangen, schuin oploopend naar de heve, gestut. Het gewone tuig van den Hagenaar had een korten mast met schietende steng. Hieraan kon een gaffeltopzeil of vlieger gevoerd worden, waardoor het tuig iets jachtachtigs kreeg. Vermoedelijk zal deze combinatie wel gemaakt zijn om de doorvaart onder spoorbruggen te vergemakkelijken. De mast zonder steng zal plm. 10 m hoog geweest zijn, zoodat men dien niet zoo spoedig behoefde te strijken, maar volstaan kon met de steng te schieten, of ook zoo noodig den mast minder diep kon laten zakken.
Hagenaars zijn later veelvuldig van ijzer gebouwd; de karakteristieke vorm ging daarbij grootendeels te loor. De hoekige bouw werd verlaten. Het waren toen vergroote uitgaven van een kleiner scheepje, de boeier-aak. Ook de mast met steng raakte buiten gebruik, behoudens een enkele uitzondering. De meeste ijzeren Hagenaars voerden een gewone mast met grootzeil, fok en kluiver. Thans varen er nog veel Hagenaars met een motor, die dus behooren tot de zgn. „omgebouwde" schepen.
Scheepstype: Zandaak
Inleiding
De zandaak is een type, dat in lijn overeenkomst vertoont met de Hagenaar
De afmetingen zijn echter wat kleiner en evenals de paviljoentjalk heeft de zandaak een verhoogd achterdek. De sluis te Vreeswijk bergt zeer vaak schepen van deze soort; zij vervoeren grint en rivierzand, meestal geheel voor eigen rekening van den schipper, die aan de baggermolens op de rivieren het zand inkoopt en het elders, bij aannemers of handelaren, om contant geld per kubieke el weer verhandelt. De zandaak heeft soms mooie lijnen; het schip wordt alleen nog van staal gebouwd. Meestal is het zeer kleurig geschilderd.
De Tijdlijn van de Zandaak

Type beschrijving Zandaak
1. Geschiedenis van de Zandaak
Kleine zandaken werden veel gebouwd rond Hardinxveld.
2. Beschrijving van de Zandaak
Bij deze kleine schepen waren de platen niet altijd rondgezet, met als gevolg dat de scheepshuid knikken vertoonde; tussen de gangen onderling én bij de heve. Vaak is er ter lengte van het laadruim een uitsparing in het boeisel waarin een wegneembaar houten zetbord geplaatst kon worden om het laden en lossen te vergemakkelijken.
3. Tuigage
Zandaakjes konden getuigd zijn met een grootzeil aan een rechte of kromme gaffel en een fok.</p>
Kenmerken van de Zandaak
- De Zandaak als werkschip
- De Zandaak als jacht
3. Algemene kenmerken
4. Kenmerkende verhoudingen
5. Verklaring in tekening
6. Subtypen, specifieke kenmerken
Publicaties over de Zandaak in het Stamboekarchief
De zandaak wordt ook gebruikt als verzamelnaam voor diverse types van aken, die in de zandvaart in gebruik waren. De ijzeren en stalen exemplaren zijn meestal gebaseerd op hun houten voorgangers. De houten aakjes werden soms gekenmerkt door een vrij breed bovenboord, dat ter hoogte van het ruim gedeeltelijk uitneembaar of neerklapbaar was. Voor de mast waren ze veelal gedekt, achter bezaten ze vaak een stuurkuip.
Aken voor het vrachtvervoer in beeld

MC-Kievit



Bronnen
De bronnen die zijn gebruikt bij het beschrijven van de Aken voor het vrachtvervoer | |||
| Titel | Auteur | Uitgever | Jaartal |
Algemene bronnen met informatie over het Scheepstype Aken voor het vrachtvervoer | |||
| Titel | Auteur | Uitgever | Jaar |
Boeieraken (-schuiten) als vrachtschip, die onder zeil hebben gevaren, zijn niet op steven gebouwd. De planken of platen van de scheepshuid in het voorschip, en eventueel ook in het achterschip, bij elkaar worden gehouden zonder gebruik te maken van een stevenbalk. Het vlak (de bodem) is bij de uiteinden van het schip opgelicht.
De Hagenaar is typisch een schip in de overgang.
De benaming aak is zo ongeveer een soortnaam geworden, waarmee onderling zeer verschillende schepen worden aangeduid.




