Spring naar inhoud

Toegankelijkheidsopties:

Kenmerk-beschrijvingen Zeeuwse schepen

Algemeen

De Boeieraak CLN16 in de haven van Paal 1937

De voornaamste Zeeuwse platbodems die men tot voor enkele jaren in Zeeland kon aantreffen zijn: de hoogaars, de hengst, de Lemmerhengst, de Lemmerhoogaars, de schouw en de boeieraak. Naast deze grote vaartuigen werden er ook nog talrijke kleinere boten gebruikt voor de visserij. In tegenstelling met de hoogaars en de schouw, die overnaads gebouwd zijn, werden de Lemmerhengst en de boeieraak gladboordig beplankt, terwijl de hengst een mengtype is.

J. van Beylen schrijft in het hoofdstuk "Zeeuwse vissersschepen" in het boek Zeeuwse visserschepen in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (eerste druk 1962, laatste druk 2000):
Alle typen zijn platbodems, inderdaad het meest aangewezen scheepstype voor de Zeeuwse wateren met zijn vele zandbanken en ondiepe kreken. De aard van het bedrijf brengt mede, dat de schepen vaak op het droge liggen, althans aan de grond liggen terwijl anderzijds praktisch alle havens in Zeeland bij laag water droog vallen.

De conceptie, wat betreft de indeling van het casco van deze schepen, is bij alle ongeveer gelijk en ziet er als volgt uit: in het voorschip is er een plecht, die de laatste decennia vast, maar voorheen doorgaans los was. Kleinere typen hadden helemaal geen plecht in het voorschip. Achter deze plecht, of de open ruimte, bevindt zich de mastbank of voordogt, die de mast draagt. Deze mast kan ofwel vast, ofwel strijkbaar zijn. Achter de mast begint het ruim, dat zich uitstrekt over de ganse breedte van het schip en aan de achterzijde afgesloten wordt door het voorste schot of 'schild' van de roef die in de wandeling 'kot' genoemd wordt. De achterzijde van deze roef wordt gevormd door de `achterdogt' of zeilbank. Vlak hierachter bevindt zich de stuurkuip, ook 'achtergat' genoemd.
Het zijn hoofdzakelijk de oudere schepen die op de hierboven beschreven wijze ingericht werden. In de regel werden deze vooral gebruikt voor de garnaalvangst en de courante visserij. Schepen van jongere datum en bestemd voor de mossel- en oesterkweek waren enigszins anders verdeeld. Bij deze liep het dek van het kot door tot tegen de achtersteven, zodat men feitelijk een achterplecht had. Dit dek werd bovendien niet op gelijke hoogte met de bovenkant van het boeisel gelegd, zoals bij een kot, maar wel 20 à 30 centimeter lager. De stuurplaats werd dan gevormd door een langwerpige luikopening, waaronder op gepaste hoogte een vloertje aangebracht was. Naderhand verbeterde men deze constructie door in het luikgat een gesloten bak te plaatsen, zodat water niet kon binnendringen. Men spreekt hier echter niet meer van een kot maar van een 'beun'. In bestekken worden de beide benamingen wel eens door elkaar gebruikt en leest men over 'het kot of beun'. Op schepen met een kot verbleven de opvarenden in het kot. Bij deze met een beun was het verblijf in het vooronder. Uiteraard hadden deze laatste schepen een vaste voorplecht.
Enkele kleinere schepen hadden een kot, maar geen voorplecht. De boottypen hadden noch kot noch voorplecht. Geen enkel Zeeuws schip werd nieuw gebouwd met een bun (niet te verwarren met beun) en daarom werden zij tot de 'droge' schepen gerekend. Dit belet niet dat men er wel eens met een later ingebouwde bun aantreft. De tuigage kwam voor onder twee vormen. De oudste was het spriettuig, dat door sommige schepen gevoerd werd tot hun algehele verdwijning. Hiernaast werd ook het normale bezaantuig gevoerd.

Roervormen

De Zeeuwse schepen hebben alle een vissend roer, dat onder het vlak uitsteekt in het achterschip, doch niet of slechts weinig dieper steekt dan het vlak in het voorschip. Deze schepen liggen inderdaad vóór iets dieper dan achter. Het roer vaart over een lange stang of is voorzien van extra lange vingerlingen, zodat het bij droogvallen op en neer kan glijden of door middel van een talie kan worden opgetrokken. De roeren van Zeeuwse schepen hebben zeer kenmerkende vormen, zodanig dat men aan de vorm van het roer kan zeggen welk schip erbij hoort.

Het roer van de Arnemuidenaar heeft een zeer gespannen silhouet, fraai en zwierig van lijn. Men kan dit roertype tot een van de meest kenmerkende van de schepen van de Lage Landen rekenen. Ook andere hoogaarstypen hebben een mooi getekend roer, echter minder nadrukkelijk van lijn dan de Arnemuidenaar, zoals overigens ook het geval is met het gehele schip.

Eveneens een zeer elegant en sterk gelijkend op dit van de hoogaars is het roer van de schouwen. Soms staat de voorkant iets schuiner dan bij de hoogaars, wat te wijten is aan de meer overhangende achtersteven. Ook het roer van de boeieraak lijkt hierop, zonder evenwel identiek te zijn. Bij de hengst is het roer weer anders. Het is smaller en rechter, iets stugger, wat overeenstemt met de gehele lijn van het schip.
Bij alle roertypen past de helmstok over de klik van het roer en rust op twee klampen. In tegenstelling met de binnenvaartuigen was de klik van het roer van deze schepen niet versierd, enkel geschilderd, doorgaans in 't groen. Ook koperbeslag kwam niet voor, wel ijzer dat echter niet als versiering doch als versterking bedoeld was. Een enkele maal treft men op de helmstok een kleine decoratie aan, bijvoorbeeld een hartje of een sterretje.
Jachten gebruikten ook wel eens een 'zondagse klik'. Dit was een holle klik, die over de roerkop geschoven werd, en voorzien was van fraai beeldhouwwerk. Een exemplaar hiervan, afkomstig van het hoogaarsjacht Yetty bevindt zich in de verzameling van het Nationaal Scheepvaartmuseum te Antwerpen.

Zwaarden

De laatste decennia waren de zwaarden van de Zeeuwse schepen smal en lang. Uit de iconografie en de bestekken blijkt dat dit niet steeds zo geweest is en dat men vroeger zwaarden van een meer ronde vorm gebruikte, zonder evenwel de ronding van een boeierzwaard te bereiken. Sommige werven maakten hun zwaarden met een uitgeholde buitenzijde. Dit was lang geen algemene regel en talrijke vissersschepen hebben gewone vlakke zwaarden. Wel zijn ze aan de voorzijde, langs de binnenkant iets afgerond en aan de achterzijde verdund, zodat men hier een profiel had, dat min of meer op dat van een vliegtuigvleugel geleek. De vorm ervan berustte op empirische gronden en men was ver van berekende vormen zoals die later, en dan vooral voor de pleziervaart, nagestreefd werden.72

In Tholen spreekt men over het uithollen van een zwaard als over 'het maken van de zak'. Dit werkje werd als een zekere specialisatie aangezien en was dit ook, want «een hakje verkeerd, is de gang ut 't zweerd» zegt men in Zeeland. Deze uitholling moest precies zo diep zijn, dat men er een emmer water in kon ledigen.

Het neerlaten van zwaarden gebeurde gewoonlijk door middel van een enkel zwaardtouw, wat beslist hard werken moet geweest zijn. Sommige schepen (onder meer hengsten) hadden verplaatsbare zwaarden, waarvoor de zwaardbout beweegbaar op een langsscheeps aangebrachte stang bevestigd was. Men kon dan drie standen kiezen, naar gelang welk en hoeveel zeil bijgezet werd. Deze inrichting was echter een snufje van latere datum en de oudere ophanging was veel eenvoudiger maar verschilde ook weer van type tot type met de gebruikelijke varianten.

Evenals het roer werden de zwaarden weinig versierd. Enkel de kop van het zwaard werd geschilderd, gewoonlijk in dezelfde kleur als de roerklik. Het ijzerbeslag was uitsluitend als versterking en bescherming bedoeld.

Aantekeningen

72 Over de vorm der zwaarden zie pagina 31 van het boek "Ronde en Platbodemjachten" e.v.
 


Jules van Beylen schrijft in zijn boek "De Hoogaars":


Zeeland is door zijn extreme ligging, doorsneden als het is door talrijke brede rivieren en zee-armen, min of meer een geïsoleerd deel van Nederland geweest. Daarom waren de Zeeuwse schepen in brede kring minder bekend dan andere. Ingevolge de nabije ligging van Antwerpen en de gemakkelijke toegang tot België langs de Schelde, waren Zeeuwse schepen vaker te zien in België dan in Holland. Ook de visserijprodukten van Zeeland waren voor het grootste deel voor de uitvoer bestemd. Reeds in de i6de eeuw brachten Zeeuwse vissers hun gedroogde schol naar de Pink-stermarkt te Antwerpen, waar zij handelaren uit Keulen en andere Duitse steden ontmoetten.' Later werden vooral de schelpdieren uitgevoerd naar België en zelfs naar Frankrijk. Deze uitvoer geschiedde langs de weg met paard en kar en ook te water langs de Schelde en het kanaal Gent-Terneuzen. Voor het vervoeren van mosselen naar Frankrijk waren speciaal uitgeruste karren voorhanden. En tot in 1930 - sporadisch nog in 1950 - zag men vaak hoogaarsen en hengsten met visserijprodukten meren aan de kade van Belgische vismarkten.
Een aantal van deze vissersvaartuigen had zijn thuishaven in Belgische Schelde-dorpen als Doel, Lillo, Zandvliet, Kieldrecht, terwijl andere thuishoorden in de kleine Zeeuwsvlaamse Scheldehavens Boechoute, De Clinge, Graauw (Paal), Philippine, e.a. Maar zelfs de schepen uit Bruinisse en Yerseke waren regelmatige gasten op de vismarkten in België. De vissers uit de havens in Zeeuws-Vlaanderen als Boechoute en Philippine waren deels Belgen, deels Zeeuwen.' De Belgen visten op de Schelde in uitvoering van een Belgisch-Nederlandse overeenkomst, afgesloten in 1839 en 1843. De meeste van deze Scheldehavens, als Boechoute, Philippine, Zandvliet, zijn nu verdwenen hetzij door verzanding, hetzij door indijking. Andere grotere vissershavens waren: Arnemuiden, Bergen op Zoom, Breskens, Brouwershaven, Terneuzen, Tholen, Veere, Vlissingen, Yerseke en Zierikzee.
De vissersschepen van het Zeeuwse stroomgebied vallen bijzonder op door hun karakteristieke vormen. Deze vinden hun oorsprong in de gesteldheid van de te bevaren wateren en in de aard van het bedrijf. Dit neemt echter niet weg, dat men ook buiten Zeeland analoge scheepsvormen vind, b.v. de Kinderdijkse hoogaars. Vele Zeeuwse vissersschepen werden aan de andere kant niet in Zeeland zelf gebouwd.
Eigenaardig is het wel, dat op oudere tekeningen en prenten van de Zeeuwse wateren meestal ronde schepen te zien zijn. Hieruit zou men mogen concluderen, dat de Zeeuwse schepen, zoals ze ons in hun recente vormen bekend zijn, slechts sedert betrekkelijk korte tijd in Zeeland in gebruik genomen werden.
Aan de andere kant staat het vast dat platbodemvaartuigen sedert de vroegte tijden in het deltagebied van. Schelde en Maas gebruikt werden. Het bewijs hiervan wordt geleverd door de resten van de 'boot van Brugge' uit de 2de eeuw.'

In grote lijnen vormen de Zeeuwse schepen een aparte klasse. Praktisch zijn ze verdwenen kort na de Tweede Wereldoorlog. Wel zijn er nog enkele gemotoriseerde vroegere zeilschepen in de vaart, maar deze zijn alle verbouwd. Ook hun tuigage is verdwenen en men zal nog bezwaarlijk een Zeeuws vissersvaartuig in originele staat kunnen ontdekken. Een ander deel van deze vaartuigen werd tot plezierjacht verbouwd.' Alle Zeeuwse vissersschepen waren platbodems. Dit neemt niet weg dat er o.m. in Tholen hoogaarsen gebouwd zijn met een kiel, maar dan wel voor de pleziervaart. Daardoor werd getracht de loefwaardigheid van deze schepen te vergroten, wat vooral voor het wedstrijdzeilen van belang was.
Onder een echte platbodem wordt een vaartuig verstaan dat dwarsscheeps een plat of bijna plat vlak heeft, hoekige kimmen en niet op een kielbalk gebouwd is.
De voornaamste platbodems die men tot voor enkele jaren op de Zeeuwse wateren kon aantreffen, waren: de hoogaars, de hengst, de lemmerhengst, de schouw, de boeier-aak. Daarnaast werden ook nog schepen gebruikt die van andere visgronden ingevoerd werden en niet als inheemse Zeeuwse schepen beschouwd mogen worden: de blazer, de botter, de lemmeraak of lemmerjacht, de schokker. Naast deze grotere vaartuigen werden er ook nog talrijke kleinere boten gebruikt voor de visserij.

Zeeuwse platbodems werden oorspronkelijk nooit met een bun gebouwd (niet te verwarren met beun) en zij werden daarom tot de 'droge' schepen gerekend. Dit neemt niet weg dat men wel eens een hoogaars of een andere platbodem met een bun aantrof, die er dan later werd ingezet omdat het schip voor een andere dan de oorspronkelijke visserij werd gebruikt. Normaal werd op Zeeuwse schepen een drijvende bun of 'kaar' gebruikt die achter het schip werd gesleept. De Kinderdijkse hoogaars, bestemd voor de visserij op de Lek en omgeving, werd echter wel met een bun uitgerust. Op te merken valt, dat de taak van de schepen er vooral in bestond het transport van de schelpdieren en de groeibodem te verzekeren. Enkel bij het slepen van de kor wordt er werkelijk 'gevist'. Zeilschepen werkten doorgaans met één kor, de later gemotoriseerde schepen met twee. Hiervoor waren aan de mast twee bomen aangebracht, die men dwarsscheeps kon uitvieren. Aan het uiteinde ervan zat een blok vast, waardoor de korreep geschoren werd. De reep werd gevierd en ingehaald door middel van een of twee lieren die zich nabij de stuurplaats bevonden. Het opsommen van deze voornaamste kenmerken van de Zeeuwse schepen sluit het bestaan van vele varianten niet uit. Wat men normaal aantrof op één schip, zocht men tevergeefs op een gelijkaardig ander of men vond het weer even anders aangebracht. Deze verschillen vonden hun oorsprong in de onderscheiden bouwplaatsen, de tijdstippen waarop het schip gebouwd werd en de persoonlijke voorkeur van de eigenaars.

Jan Annemans, directeur van het Scheepvaartmuseum Baasrode VZW
Jan Annemans vertelt in een presentatie ter gelegenheid van het derde lustrum van de Stichting Behoud Hoogaars:
De Schelde heeft, zoals alle rivieren ter wereld twee oevers, maar de Schelde heeft daarenboven eeuwenlang de functie van natuurlijke grens uitgeoefend tussen twee werelden, de linker oever: het graafschap Vlaanderen, de rechter oever: het hertogdom Brabant. Dit vertaald zich ook in de scheepsbouw: de schepen langs de Brabantse oever waren voller gebouwd, met kromme stevens, de schepen langs de Vlaamse kant hadden meer rechte stevens en dikwijls overnaads gebouwd. De reden hiervoor was niet dat de Brabanders meer Bourgondisch aangelegd waren maar de oorzaak lag in de beschikbaarheid van het hout, schepen die voller gebouwd zijn vragen meer hout en dat was langs de Brabantse kant meer voorradig.


Vaktijdschrift CONSENT: De geschiedenis van de oude zeilvaart in de Scheldedelta en van de aan het maritieme bedrijf verwante industrieën, ambachten, leef- en werkomstandigheden

We hebben op www.ssrp.nl een pagina gemaakt met daarop korte inleidingen en verwijzingen naar PDF's van interessante artikelen uit Consent. Ze beschrijven de geschiedenis van de oude zeilvaart in de Scheldedelta en van de aan het maritieme bedrijf verwante industrieën, ambachten, leef- en werkomstandigheden. Onder de Scheldedelta wordt verstaan het stroomgebied van de Schelde benedenstrooms van Gent, tot en met de kustwateren tot drie mijl uit de kust. Dit gebied wordt verder begrensd door de Brabantse wal in het oosten en het Haringvliet in het noorden. 

De geschiedenis van de oude zeilvaart in de Scheldedelta

Zeeuwse vissersschepen van de Ooster- en Westerschelde door Jules van Beylen 1961 - Marine Academie Mededelingen XIII

Men mag aannemen, dat in de Zeeuwse wateren gevist werd sedert de oudste tijden. Welke vaartuigen men hiervoor gebruikte blijft een open vraag. Over de grote visserij vindt men reeds vermeldingen in geschriften uit de Middeleeuwen, ook wat de aard van de gebruikte schepen aangaat. Over de locale visserij weten wij echter zo goed als niets.
De Zeeuwse vissersvaartuigen legden zich hoofdzakelijk toe op de mossel- en oesterkweek, maar visten ook op verschillende soorten vis als : ansjovis, sprot, bot, herder, in kleine mate ook haring, doch vooral garnaal. Een tijdlang werd zelfs kreeft gevangen. Op te merken valt, dat de taak van de schepen er vooral in bestaat het transport van de schelpdieren en de groeibodem te verzekeren. Enkel bij het slepen van de kor wordt er werkelijk « gevist ». 
Zeeland is door zijn extreme ligging, en doorsneden als het is door talrijke brede rivieren en zee-armen min of meer een geïsoleerd deel van Nederland geweest. Daarom zijn ook de Zeeuwse schepen in brede kring minder bekend dan de andere. Ingevolge de nabije ligging van Antwerpen en de gemakkelijke toegang tot België langs de Schelde, waren Zeeuwse schepen vaker te zien in België dan in Holland. De vissersschepen van het Zeeuwse stroomgebied vallen bijzonder op door hun karakteristieke vormen. Deze vinden hun oorsprong in de gesteldheid van de te bevaren wateren en in de aard van het bedrijf. Dit neemt echter niet weg, dat men ook buiten Zeeland analoge scheeps­vormen vindt b.v. de Kinderdijkse hoogaars. Vele Zeeuwse vissers­schepen werden ten andere niet in Zeeland zelf gebouwd.In grote lijnen vormen de Zeeuwse schepen een aparte klasse. Practisch zijn ze verdwenen kort na de tweede wereldoorlog. Wel zijn er nog een aantal gemotoriseerde vroegere zeilschepen in de vaart, maar deze zijn alle verbouwd. Ook hun tuigage is verdwenen en men zal nog bezwaarlijk een Zeeuws vissersvaartuig in originele staat kunnen ont­dekken. Een ander deel van deze vaartuigen werd tot plezierjacht om­gebouwd. Het echte Zeeuwse vissersschip is virtueel verdwenen. Het is nu de taak geworden van de scheepvaartmusea om de documentatie over deze schepen te verzamelen en te bewaren.

Scheepstype: Hoogaars

Inleiding

De hoogaars was aan het einde van de negentiende eeuw duidelijk nog volop in ontwikkeling

De werfboeken van de werven van Meerman in Arnemuiden en Jonker op de Kinderdijk geven in gedetailleerde beschrijvingen een goed inzicht in wat er in de tweede helft van de negentiende eeuw zoal werd gebouwd en voor wie. De werfboeken van Van Duivendijk in Tholen, waar Van Beylen meerdere malen aan refereert, zijn jammer genoeg onvindbaar. Daarnaast beschikt het tekeningenarchief van het Maritiem Museum in Rotterdam over een vijftal tekeningen van kleine hoogaarzen die rond 1880 gemaakt zijn door A.C. Kriens (Kinderdijk). En dan zijn er natuurlijk de prenten van W.K, Versteeg zoals gepubliceerd in de boeken van Van Konijnenburg en hebben we ook de tekeningen van de nog bestaande hoogaarzen die door Co Ruissen zijn opgemeten. Al met al dus toch een flinke voorraad gegevens die, allemaal naast elkaar gezet, een aantal opvallende wetenswaardigheden opleveren over hoe de hoogaarzen eruit zagen.
De hoogaars was aan het einde van de negentiende eeuw duidelijk nog volop in ontwikkeling. De verschillen tussen de schepen van diverse werven werden allengs minder groot en de schepen gingen steeds meer op elkaar lijken. De romp werd langer en slanker en er werd meer werk gemaakt van het optimaliseren van de zeileigenschappen. Het is jammer dat die ontwikkeling is gestopt door de introductie van scheepsmotoren en de mechanisering van de visserij. We zullen nooit weten waartoe een ononderbroken verdere ontwikkeling uiteindelijk geleid zou hebben.

Hoogaarsen in Veere

De Tijdlijn van de Hoogaars

De motor doet z'n intrede

1900-1920

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Staal vervangt hout

1920-1940

1940-1954

  • Houten hoogaarzen worden uit gefaseerd voor de beroepsvaart
  • De naoorlogse Hoogaarsjachten voor de recreatie zijn doorgaans korter en meer gedrongen dan de vooroorlogse jachten en zijn overwegend van staal gebouwd. Het rompmodel is aangepast aan het gebruik als jacht en de schepen werden voorzien van een kajuit.
  • Bij Jachthoogaarzen wordt o.a. vanwege het varen op de motor een loefbijter aangebracht.
  • K.V.N.W.V. Ontwerpen-prijsvraag: Hoogaars 'Amphitrite', ontwerper J. K. Gipon: 2e prijs (1954)

De hoogaars van 1955 tot nu

na 1955

Plannen voor een hoogaars voor de oceaan:

2020

Een zeezeilschip met het uiterlijk van een hoogaars. Geen replica van wat ooit was, maar een even sobere als moderne platbodem met zijn genen in de vaderlandse scheepsgeschiedenis. Een schip dat moet kunnen droogvallen op een wadplaat en ingevroren door ijsdruk weer omhoog kunnen komen. Met ook stahoogte overal en waterdichte schotten voor, bij het grootspant en bij het motorruim.

Typebeschrijving Hoogaars

1. Geschiedenis van de Hoogaars

De hoogaars is een zeer oud scheepstype, de oudst bekende vermelding dateert uit 1488, en is van oorsprong een kleine schuit voor algemeen gebruik, als vrachtschip, vissersschip, marktschuit of veerschip. Het woordenboek van Seeman (1631) vermeldt de hoogaars als “hoogers, een Schuit, dit wat hooger als een gemene boere Schuit opgeboeid is; voornamenlijk op de Maas, Lek en IJssel gebruikelijk.” Dat duidt op het veengebied van Zuid Holland en Utrecht als herkomst van het type.

Eind 16e , begin 17e eeuw duikt de naam weer op in verband met dijkwerken in de regio Bommelerwaard en verder stroomafwaards. Er is sprake van “schuiten, hooghaersen ofte schouwen” in de keure van Mijnsherenland van Moerkerken, archief van dijkagie (1596), en van “geijkte schuyten en hoogaarzen” voor het transport van grond voor de Merwede polder (1618).

In 1638 worden door de Heeren van Utrecht “200 mannen ende 60 hooghaerdse schepen met andere ponten ende samereusen” ingezet bij de reparatie van de Lekdijk bij Culemborgh. Dan, in het begin van de 18e eeuw, wordt de hoogaars een regelmatige verschijning in notariële archieven. Heel bekend is de ramp met een hoogaars veerschip bij Moerdijk in 1711, waarbij Johan Willem Friso verdrinkt. Diezelfde periode wordt de hoogaars vermeld in Zeeland, vooral als veerschip. Een eeuw later wordt het type steeds populairder, als vissersschip, vooral in de schelpdier visserij. In de loop van de 19e eeuw ontwikkelt het type zich als het schip bij uitstek voor de visserij op de Zeeuwse stromen. Daarnaast wordt het schip nog lang gebruikt als vrachtschip en als veerschip op de grote rivieren.

2. Beschrijving van de hoogaars

De hoogaars zoals we die kennen is een typerend schip van de Schelde Delta. Het model is door de jaren aangepast aan de specifieke omstandigheden: een grote tijsprong (ca. 4,5 m) hoge stroomsnelheden (tot 5 kn.) en voortdurend veranderende ondieptes. Ten gevolge van de Oost-West richting van de hoofdstromen (Wester- en Oosterschelde, Grevelingen) kan bij westelijke windrichtingen en afgaand tij een hoge korte golf ontstaan. De sterk vallende voorsteven zorgt er voor dat het schip over die golven heen glijdt en relatief weinig buiswater overneemt. Ze staan bekend als droge schepen.
Tot de dertiger jaren van de 20e eeuw werden hoogaarzen overwegend gebouwd van eikenhout. De schepen waren op het vlak extra versterkt, in verband met het vele droogvallen tijdens de visserij. Maar het langsscheepse verband was zwak, de schepen werden daardoor niet oud. Een eerste ijzeren hoogaars, gebouwd in 1892, voldeed zo slecht dat het decennia bij dat ene exemplaar is gebleven. In het begin van de 20e eeuw deed staal als bouwmateriaal voor hoogaarsjachten mondjesmaat haar intrede, maar zonder effect voor het model

3. Tuigage

De traditionele 19e eeuwse hoogaars voerde een grootzeil met spriet, een fok en een kluiffok. De kluiffok werd gevoerd op een losse kluiverboom. Vanaf eind 19e eeuw werd overgestapt op het grootzeil met gaffel, vanwege de betere bezeildheid en het gemak om zeil te minderen.

De lengte van de mast was ongeveer gelijk aan de lengte van het schip over de stevens, de giek reikte tot boven de kop van het roer. De gaffel was recht of licht gebogen.

Het staand want bestond bij de spriettuigage uit een enkel voorstag, vaak vervaardigd van stafijzer. Bij de gaffeltuigage werden oorspronkelijk zijwanten van manilla gebruikt, later van staaldraad. De gebruikelijke jufferblokken werden in de loop van de 20e eeuw geleidelijk vervangen door stalen wantspanners. Het lopende want bestond uit manilla of henneptouw. De houten blokken hadden smeedijzeren buitenbeslag, dat gaande het eerste kwart van de 20e eeuw werd vervangen door plaatstalen binnenbeslag.

Zeilplan van een hoogaars

Kenmerken van de Hoogaars

1. De Hoogaars als werkschip

Het model van de hoogaars is sinds ca. 1600 niet significant gewijzigd: de schepen werden langer, de tuigage veranderde van spriet- naar gaffel getuigd, en vanaf ca. 1900 worden ze steeds vaker gebouwd met een rond gebouwd achterschip, de zogenaamde boeier- of lemmerkont. Maar het aanzien van de hoogaars boven water wijzigde zich niet.

De indeling van hoogaarzen was zoals die van veel van de Zeeuwse schepen, met een plecht voor de mast, en achter de mast een groot open ruim met daarachter een kot en een stuurkuip.

2. De Hoogaars als jacht

Sinds het derde kwart van de 19e eeuw worden hoogaarzen als jacht, dus met een roef gebouwd.
De klassieke als jacht gebouwde hoogaarzen zijn doorgaans met een lengte van 13 tot 16,50 meter langer dan de werkschepen, bij uitzondering zelfs tot ruim 18 meter lang. De roef is aangebracht over het oorspronkelijke ruim, en rijkt tot juist achter de mast. Het roefdak is niet hoger dan de lijn tussen voor- en achtersteven. Door de relatief grote holte van deze jachten biedt dit voldoende stahoogte. Het kot in het achterschip maakt plaats voor de kuip.
Het hoogaarsjacht heeft vrijwel altijd een doorlopende kielbalk, en is voorzien van een loefbijter.
Ook de tuigage verschilt licht van die van de werkschepen:  op hoogaarsjachten werd soms een gaffeltopzeil gevoerd, ook wel een bolle jan of halfwinder of zelfs een breefok. Hoogaars jachten voerden een vaste kluiverboom.
De na-oorlogse hoogaarsjachten voor de recreatie zijn doorgaans korter en meer gedrongen dan de vooroorlogse jachten, en zijn overwegend van staal gebouwd. Het rompmodel is aangepast aan het gebruik als jacht en vertoont onder andere meer vlaktilling (tot 8 gaden), en een licht afgeronde kim. Het breedste punt van het onderwaterschip ligt verder naar achter dan bij de klassieke hoogaars, maar nog wel voor het midden. Ten behoeve van het comfort is de roef hoger dan bij de klassieke hoogaars, en reikt soms tot voorbij de mast. De wijzigingen hebben geen effect op de herkenbaarheid van het type.

3. Algemene kenmerken

Uit onderzoek in 2020 en de nu beschikbare documentatie blijkt dat de hoogaars voldoet aan de volgende algemene kenmerken:

  • De hoogaars als werkschip is tussen de 9 en 15 meter lang.
  • De hoogaars als jacht is tussen de 9 en de 18 meter lang.
  • De hoogaars heeft een rechte, vallende voor- en achtersteven.
  • Het vlak is druppelvormig, met de ronde kant naar voren, waarbij de kimlijn tegen de voorsteven aansluit in een hoek van 85 tot 90 graden.
  • Het vlak heeft een lengte/breedte verhouding van 3,6 op 1, en versmalt naar achter in een min of meer vaste verhouding van 2,3 op 1, de grootste breedte (bij de mastbank) t.o.v. de breedte t.p.v. de achterdogt (tweede volle spant of 15 % LOA vanaf de achtersteven).
  • Het vlak varieert in langsdoorsnede van nagenoeg plat, tot licht opgebrand in de einden, of doorgebogen over de volle lengte. In dwarsrichting vertoont het vlak soms een beperkte vlaktilling (tot max. ca. 8 graden).
  • Onder het vlak bevindt zich voor en achter een scheg. Hier is bij jachten ook vaak een kielbalk tussen geplaatst.
  • Onder waterlijn heeft de voorsteven een verbreding als slijtstrip, die bij jachten qua afmeting soms de vorm van een loefbijter aanneemt.
  • De romp werd zowel overnaads als gladboordig (karveel) beplankt.
  • Het boeisel helt sterk naar binnen, is puntig in het voorschip, en verbreedt zich naar achteren waarbij het de grootste breedte bereikt ter hoogte van de mastbank. Van daar versmalt het geleidelijk naar de achtersteven, waar het met een korte bocht vrijwel haaks tegen de achtersteven eindigt.
  • De vorm van het grootspant is eenvoudig. De lijn kim-berghout maakt met het vlak een stompe hoek van ca. 130 graden, en verloopt meestal recht (bij overnaadse bouw) of licht gebogen (bij karveel bouw).
  • Het achterschip is doorgaans licht gepiekt.
  • De kimhoek is constant over ca. een derde van de lengte van het vlak.
  • Het berghout is bij overnaads gebouwde hoogaarzen op het boeisel bevestigd, bij karveel gebouwde hoogaarzen is het direct op de spanten bevestigd. Het boeisel vertoont in achteraanzicht een min of meer uitgesproken liggende S-vorm, die varieert met de werf waar het schip is gebouwd.
  • Hoogaarzen zijn koplastig en hebben een vissend roer.
  • De (zee)zwaarden hebben een lengte ongeveer gelijk aan de grootste breedte van het schip, en een lengte breedte verhouding van 3:1.

4. Kenmerkende verhoudingen

   

Gem.

Min.

Max.

Spreiding (%)

1

Lwl /LOA          (= B/A) *

0,72

0,65

0,78

10

2

Bmax/LOA          (= C/A)

0,30

0,30

0,35

15

3

Lvlak / Bvlak        (= F/D) **

3,6

   

3

4

Slankheid vlak   (= D/E)  **

2,3

1,75

2,94

25

4a

Slankheid vlak   (= D/E)  *

1,7

1,5

1,9

12

5

B vlak / Bmax          ( = D/C) ***

0,59

0,52

0,66

12

6

Locatie Bmax / LOA  (= O/A) *

0,46

0,39

0,54

18

7

Plaatsing van de mast / LOA  (= L/A) *

0,41

0,36

0,44

12

8

Hoogte voorsteven / LOA  (= G/A) *

0,14

0,11

0,17

20

9

Holte grootspant / holte achterdogt (= H1/H2) ***

1,34

1,19

1,47

11

10

Minimum vrijboord / H voorsteven (= J/G) *

0,51

0,41

0,62

21

11

Hoek voorsteven graden t.o.v. CWL (=K) ***

35

31

44

27

12

Valling (hoek) kimboord graden t.o.v. CWL (=M) *

48

26

60

45

13

Valling (hoek) boeisel graden t.o.v. CWL  (=N) *

69

50

80

27

14

Valling (hoek)  achtersteven t.o.v. CWL *

66

55

76

15

*     deze verhoudingen zijn uitsluitend op basis van de tekeningen (20e eeuw).

**   deze gegevens zijn uitsluitend afgeleid uit de geschreven bestekken (19e eeuw).

*** deze gegevens zijn zowel gemeten als berekend.

5. Verklaring in tekening

Verklaring :

  • A    = LOA is de lengte tussen de loodlijnen.
  • B    = Lwl is gemeten op de waterlijn binnen de stevens.
  • C    = Bmax is de grootste breedte van de romp gemeten binnen het berghout
  • D    = Bvlak is de grootste breedte van het vlak t.p.v. C (grootste breedte van de romp).
  • E    = breedte van het vlak t.p.v. I (de achterdogt).
  • F    = Lvlak is de lengte van het vlak.
  • H   = hoogte van de voorsteven gemeten t.o.v. de constructiewaterlijn (CWL).
  • H1 = de holte onderkant berghout tot bovenkant vlak t.p.v. het grootspant.
  • H2 = de holte onderkant berghout tot bovenkant vlak t.p.v. achterdogt (I).
  • I     = afstand achterdogt (tweede volle spant of 15 % LOA van achter) tot achterloodlijn.
  • J     = Het minimum vrijboord, gemeten t.p.v. het laagste punt in zijaanzicht.
  • K    = de hoek van de voorsteven met de CWL
  • L    = Plaatsing van de mast, gemeten van de voorkant van de steven tot de voorkant van de mast aan dek, in het vlak van de stevens.(7)
  • M  = de valling (hoek) van het kimboord gemeten t.p.v. Bmax
  • N   = de valling (hoek) van het boeisel gemeten t.p.v. Bmax
  • O   = Locatie Bmax  (6)
  • P   = valling (hoek) achtersteven met de CWL

6. Subtypen, specifieke kenmerken

In de loop van de 19e eeuw is differentiatie ontstaan tussen de schepen van diverse werven of voor specifieke werkomstandigheden. Zo is er sprake van de Kinderdijkse - , Arnemuider - , Thoolse - , Lemster- en Motor hoogaars. Deze schepen voldoen aan de algemene beschrijving, maar hebben onderling een aantal afwijkende kenmerken.

Kinderdijkse hoogaars

De Kinderdijkse hoogaars is een kleine, vroege (19e eeuw) versie van het schip zoals vandaag gekend. Deze meestal open schepen hadden een lengte van 7,5 tot 9 meter. Ze waren gelijklastig en hadden geen vissend roer. Het vlak was lancet vormig, met een L/B verhouding van 4,3/1, de lijn van de kim sloot in het voorschip op de steven onder een hoek van 65 à 70 graden.
Ook in Zeeland kwamen kleine hoogaarzen voor die ook wel vijfknieërs werden genoemd, naar de vijf spanten in het schip tussen de voor- en de achterdogt. Deze schepen hadden geen voorplecht, soms wel een kot in het achterschip, en voerden een spriettuig.
Er zijn aan de Kinderdijk ook grotere hoogaarzen gebouwd voor de visserij. Afgaande op de twee overgebleven exemplaren zijn die ook gelijklastig en steekt de onderzijde van het roer gelijk met de achterscheg. Beide hebben een gaffeltuigage.

Voorbeeld: Kinderdijkse hoogaars SSRP De Wet plaquette 1343

Thoolse hoogaars

De Thoolse hoogaars werd gebouwd op de werven in Tholen, Bruinisse, Zierikzee en Willemstad. Het waren slanke, gestrekte schepen met een beperkte zeeg. Deze hoogaarzen waren vooral vrachtschepen, die buiten het mosselseizoen veel werden gebruikt voor transport van bulkgoederen voor de landbouw. Ook zoals gebruikt in de mosselteelt waren het primair vrachtschepen voor het vervoer van mosselen vanaf de percelen naar de markt, en verder naar de afzet havens in België. Het was daarom van belang dat het goede zeilers waren, die onder alle omstandigheden snel hun bestemming konden bezeilen. Er werd al in de loop van de 19e eeuw overgestapt op het bezaan tuig, in verband met de betere zeil eigenschappen.
Het vlak was licht opgebrand in voor- en achterschip.

Voorbeeld SSRP: Thoolse hoogaars YE36 Andries Jacob plaquette 1737

Arnemuidse hoogaars

De Arnemuidse hoogaars is gemiddeld wat korter dan de andere subtypen, met een lengte over de stevens variërend van 9 tot 12 meter, en werf voornamelijk gebouwd op de werf van de gebroeders Meerman in Arnemuiden. Het Arnemuider model werd ontwikkeld voor de garnalenvisserij in de zeegaten en op de banken voor de kust. Het waren driftvissers, die, geholpen door het getij, hun garnaal korren sleepten, en waarvoor de zeileigenschappen minder belangrijk waren. In verband met de garnaalketel met open vuur aan boord, was er de noodzaak voor extra stabiliteit in zeegang. Dit specifieke gebruik resulteerde in een model met een uitgesproken ronde bodem in langsrichting (diepte van ca. 2,5 % van de lengte vlak), een sterke zeeg en een verhoudingsgewijs breed voorschip.
Ook werd nog lang een spriettuig gevoerd, vanwege het ontbreken van een giek of boom, die een gevaar kon opleveren op een slingerend schip waar aan dek werd gewerkt. De hoogaarzen van de werf van Meerman in Arnemuiden zijn herkenbaar aan het verloop van het berghout, dat niet doorloopt tot de achtersteven, maar stopt halverwege de achterboeg. Arnemuidse hoogaarzen zijn tot op het laatst traditioneel gebouwd, dat wil zeggen overnaads beplankt en met traditioneel achterschip.

Voorbeeld SSRP: Arnemuidse hoogaars Vrouwe Adriana ARM17 plaquette 211

Lemster hoogaars of jachthoogaars, jachtboot

Bijzonder bij deze schepen is de vorm van het achterschip, die lijkt te zijn geïnspireerd door dat van een boeier. Er zijn verschillende theorieën over het hoe en waarom van deze aanpassing, het heeft zonder twijfel te maken met verbetering van de vaareigenschappen en de snelheid van de schepen.
De Lemster- of jachthoogaars is ontstaan in het derde kwart van de 19e eeuw. De eerste bekende hoogaars met een rond gebouwd achterschip was het hoogaarsjacht ‘Oscar et Virginie’, gebouwd in 1878, waarvan Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam een model bezit. Ook in het voorschip werd het vlak sterk opgebrand, met als gevolg dat de hoekige kim vanaf het grootspant stilaan verdween. Vanaf 1900 werden eerst de ‘snelvarende’ hoogaarzen in opdracht van de Dienst der Domeinen op deze manier gebouwd, weldra gevolgd door de werk- en vissersschepen. Deze jachthoogaarzen waren meest karveel gebouwd en voorzien van een bezaan- of gaffel tuigage.

Voorbeeld SSRP: Lemster hoogaars (jachthoogaars) Windroos plaquette 1422

Motorhoogaars

De traditionele hoogaarzen waren door hun betrekkelijk lichte bouw niet geschikt voor de inbouw van zware motoren, waardoor alternatieve scheepstypen zoals de mosselaak en de botter steeds meer aan populariteit wonnen. In een poging het tij te keren werden vanaf 1930 de motorhoogaarzen ontworpen.
De motorhoogaars is voller van model dan de zeilhoogaars, is breder en heeft een grotere holte. Vooral het achterschip was voller, in verband met het gewicht van de zware dieselmotoren. De motorhoogaarzen werden in hout gebouwd, maar onder andere door de introductie van het kottermodel en vooral staalbouw was het einde onafwendbaar. Er zijn in totaal niet meer dan zes motorhoogaarzen gebouwd, waarvan er nog één, de 'Geertrui', in de vaart is en gerestaureerd als zeiljacht.

Voorbeeld SSRP: Voormalige motorhoogaars Geertrui, SSRP-plaquette 0328

7. Onderzoek naar de diverse verhoudingen

De verhoudingen zijn gebaseerd op de statistische verwerking van de volgende documenten:

  1. 105 geschreven bestekken van de werf Gebr. Meerman te Arnemuiden vanaf 1863-1913
  2. 39 geschreven bestekken van de werf Gebr. Jonker te Kinderdijk vanaf 1857-1875
  3. 19 veelal originele tekeningen van gebouwde hoogaarzen 1878-1990
  4. 4 tekeningen van Kinderdijkse hoogaarzen van A.C. Kriens (1863-1877) (Maritiem Museum Rotterdam). 
  5. 1 tekening van een kleine hoogaars van Boot (Delft-Vrijenban) 1877 (Maritiem Museum Rotterdam). 
  6. 1 (onvolledig) bestek van een hoogaars uit een handschrift door L. Hoogendam te Maassluis 1711 (Scheepvaartmuseum).
  7. Schilderijen van o.a. Jan Porcellis en Hendrick Avercamp.

Publicaties over de Hoogaars in het Stamboekarchief

Sectie Documentatie van de Stichting Behoud Hoogaars

De meeste maritiem erfgoed geïnteresseerden kennen de Stichting Behoud Hoogaars (SBH) wel. Deze stichting met een 140 vrijwilligers maakt zich sterk voor het behouden van de Hoogaars voor het nageslacht. Hiertoe heeft zij twee authentieke hoogaarzen (YE36 en Alcyon), een dito hengst (TH49) en nog wat kleiner spul. De schepen zijn in het begin van de 21e eeuw grondig gerestaureerd, en worden ingezet voor de verhuur met schipper aan particulieren, groepen, en meer recent in samenwerking met museum Veere voor de bezoekers van het museum. De SBH verzorgt ook ieder jaar de Van Loon Hardzeildagen en daaraan voorafgaand het inmiddels traditionele Rondje Zeeland, in samenwerking met de Historische Scheepswerf C.A. Meerman in Arnemuiden.

Minder bekend zijn de activiteiten van de Sectie Documentatie van de SBH. Deze kleine werkgroep (3 man) houdt zich al sinds de oprichting, al meer dan 20 jaar bezig met het verzamelen, inventariseren en catalogiseren van alles over hoogaarzen en daaraan gerelateerde maritieme onderwerpen.

De maritieme bibliotheek omvat, naast een uitgebreide knipselkrant, ca. 950 boektitels, en vrijwel complete ingebonden jaargangen van tijdschriften als de Waterkampioen, Wandelaer et sur l’Eau, de Blauwe Wimpel en natuurlijk de onvolprezen Spiegel der Zeilvaart (nu ook met de eigen "redactie hoogaars" de 'Pijp Toeback'). Veel boeken, foto’s en andere relevante informatie zijn afkomstig van geïnteresseerden die een passende bestemming zochten voor hun bibliotheek. Dergelijke aanvullingen zijn altijd zeer welkom.
Daarnaast is er een digitale bibliotheek, met onder andere kopieën van bestekken van alle door de Gebroeders Meerman in Arnemuiden tussen 1863 en 1961 gebouwde hoogaarzen, en een zeer uitgebreide verzameling foto’s van oude en nog bestaande visserij-hoogaarzen en hoogaarsjachten. Van de meeste van deze laatsten zijn lijnentekeningen aanwezig.

De hoogaarzen waarvan de informatie ontbreekt worden, zodra de gelegenheid zich voordoet, opgemeten en in tekening gebracht, zoals bijvoorbeeld recentelijk het stalen hoogaarsjacht 'Turc' (Van Damme, 1925). Scheepsgeschiedenissen worden onderzocht en gepubliceerd in het tijdschrift Consent. Dit verschijnt jaarlijks, in samenwerking met een viertal andere maritiem erfgoed verenigingen in Zeeland en Vlaanderen en documenteert de geschiedenis van de oude zeilvaart op de Schelde.
Dit alles maakt dat de hoogaars waarschijnlijk een van de best gedocumenteerde klassieke scheepstypen van de Nederlandse vloot is.


Bouw van een hoogaars voor de oceaan: 'Ontwikkeling begint weer als je ergens leven in blaast' (2020)

Hoogaars Nehalennia van de tekentafel naar koude kusten (2020-2025)

Willem Scholtes zat tot 2020 in de Criterium Commissie van de SSRP (Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, hoeder van het traditionele Ronde en Platbodemjacht). Maar Willem is zelf eigenlijk helemaal niet zo'n 'hoeder' van heilige huisjes. Kijk maar naar zijn plan voor een oceaanwaardige hoogaars. Een wat?! Hoogste tijd voor een vraaggesprek. Door: Michiel Scholtes

Willem heeft een tekening laten zien van zijn droomschip, een ruim 20 (!) meter lange "Van der Meer" hoogaars, zoals hij het noemt (in de typeaanduiding van nieuwgebouwde schepen wordt tegenwoordig vaak de naam van de ontwerper aan het type toegevoegd). Een naam als aanduiding van iets nieuws. Want, zo meent Willem, scheepstypen moeten dóórontwikkeld kunnen worden. Dat vond men een eeuw geleden overigens ook al, zeker als de aanleiding daarvoor lag in het gebruik ervan. Afwijken van de norm was slim om bijvoorbeeld sneller te kunnen gaan, zoals de hoogaarsjachten 'Thistle III' (1897 met stalen kielbalk!), 'Turc' (1925 met Lemmerkont en van ijzer) en 'Aladdin' (1945/46/47 met doorlopende scheg en Lemmerkont) lieten zien. En natuurlijk de 'Windroos' (1926), net als de 'Aladdin' speciaal getekend en gebouwd om de fameuze hoogaars 'Jettyte verslaan. De 'Windroos' is karveel gebouwd (gladboordig, zoals wel meer hoogaarsjachten uit die tijd) met een "semi-Lemmerkont", zo'n beetje tussen spitsgat en Lemmerkont in.

Het resultaat ging begin 2024 tewater: de Hoogaars 'Nehalennia'

De hoogaars 'Pijp Toeback' redactieboot van de Spiegel der Zeilvaart

Het kan niet anders of een redactie-platbodem voor de Spiegel is een historisch schip. Dat had ieder type kunnen zijn, maar om te benadrukken dat we niet alleen Nederlandse lezers hebben maar ook een behoorlijk aantal Duitse en Belgische abonnees, is het wel zo mooi om te kiezen voor een "grensoverschrijdend model". Een hoogaars dus, waarmee in de Scheldedelta druk gevist werd door de Nederlanders, terwijl de Belgen er vele hadden voor hun plezier. Deze hoogaars met de naam 'Pijp Toeback' werd gebouwd op de werf van Van de Voorde. In die tijd kreeg de werf het lassen onder de knie; de hoogaars is nog grotendeels geklonken. Een schip met geschiedenis maakt altijd de tongen los en zorgt voor een stortvloed aan verhalen - we moeten er nog veel verifiëren. Het fenomeen redactieboot is geen onbekende in de Nederlandse watersportmedia. De inmiddels ter ziele Waterkampioen had er in het verleden zelfs meerdere en ze werden volop ingezet. De schepen waren een soort verhalenmotor: er werd aan gewerkt, er werden reizen mee gemaakt, ze waren aanwezig op evenementen en veel daarvan werd aan het papier toevertrouwd. Van de laatste redactieboot, het motorjacht Tijgerhaai, verscheen zelfs een mooi uitgevoerd boek, De reizen van de Tijgerhaai. Redactieleden van de Waterkampioen werden aangespoord om vaartochten te bedenken en uit te voeren. Maar ook de verfraaiing van deze boot, waarbij een deel van het lakwerk een "houtlook" kreeg leverde veel gespreksstof op.
Met onze redactieplatbodem willen we hetzelfde bereiken, zij het iets minder ambitieus; hij moet een kapstok vormen waaraan je de nodige verhalen kunt ophangen. Het eerste verhaalidee hadden we meteen al te pakken: houtrot.

De verhalen over de redactieboot 'Pijp Toeback' in de Spiegel der Zeilvaart

Stichtings Monografie 27 - Drie Hoogaarzen

Het waren de mannen van het eerste uur die aan de wieg van onze Stichting stonden die niet alleen de aandacht vestigden op het woord 'publicaties', maar die tevens activiteiten ontwikkelden die het mogelijk maakten om hier metterdaad wat aan te doen. Het gevolg was deze eerste serie van z.g. Monografieën, die wij aan ieder van de ruim 1000 vrienden van de Stichting gaan sturen. Zij zijn vervat in een eenvoudige omslag die t.z.t. in een grote, stevige band opgenomen kan worden.

Monografie 27 'Jetty'
Plaquette stamboek No. 290, zeilnummer OB3, oorspronkelijk de ARM 4 (Arnemuiden) is als vissersvaartuig op de werf van de gebroeders De Klerk te Kruispolder gebouwd. De opdracht is in Mei 1913 gegeven door H. van de Gruiter-van Belzen uit Arnemuiden. Die opdracht hield in de snelste hoogaars van de Oosteren Wester Schelde te bouwen.
Monografie 27 ''Turc'
Plaquette stamboek No. 197, zeilnummers resp. OB4 - OB7 - OB38 - VB38. Gebouwd in 1925 op de werf Gesar van Damme te Baesrode aan de Schelde in België, in opdracht van de heer Edmond Grahay in Antwerpen. De 'TURC' was eigendom van de familie Crahay van 1925-1958. De heer Crahay had in Antwerpen een modezaak tegenover de Boerentoren, Schoenmarkt 10. Tussen de heren Edmond Crahay en scheepsbouwer Gaston van Damme hebben ernstige onenigheden en wrijvingen plaats gehad en wel van zo ernstige aard dat een en ander de heer Van Damme na meer dan 40 jaar nog zo dwars zat, dat hij niet bereid was ons enige informatie over de 'TURC' te verstrekken. Wij zijn er toen pas achter gekomen dat het conflict zo ernstig geweest is.
Monografie 27 'Windroos'
Plaquette stamboek No. 1422, In 1926 werd deze hoogaars gebouwd op de werf van F. Annemans te Gent in opdracht van M. van Gysel, Vice-Commodore van de R.S.C. Gent. In het reeds eerder genoemde eerste nummer - 7 januari 1927 - van het nieuwe watersportblad 'De Waterkampioen' meldt de Belgische briefschrijver dit feit uitvoerig, met name omdat 'de 'WINDROOS' speciaal gemaakt werd om de 'JETTY' te kloppen'. Prompt zendt Léon Huybrechts dan ook een uitdaging aan Van Gysel voor een wedstrijd om de Prix Scaldis - een groot houten model van een botter.

Pag. 401-411 - Monografie 27 - Drie Hoogaarzen

De 'Turc': Liefde op het eerste gezicht door Bernard van Gils, met de aanvulling over de daarin genoemde YE46 'La Gaffe' door Jules van Beylen

In 1958 lag in Drimmelen een Hoogaars te koop. Wij hadden voor hoogaarzen grote genegenheid zonder dat we ooit hebben kunnen vaststellen waarop die sympathie nu eigenlijk steunde, want wij hadden nog nooit één stap op het dek van zo'n schip gezet. De koop was snel gesloten. En nu, na bijna 28 jaar, is diezelfde „Turc" op haar ruim zestigjarige leeftijd nog steeds een „kostbaar" troetelkind. Een bijzonderheid is wel, dat zij nog steeds haar tweede eigenaar heeft.
Op een gegeven moment komt er dan een punt, dat je álles van Zeeuwse schepen wilt weten. Dan blijkt er maar één man te zijn, die álles weet: J. van Beylen, de nu gepensioneerde conservator van het scheepvaartmuseum „Het Steen" in Antwerpen. Hij publiceerde en vertelde erg veel over schepen van de Schelde.

Spiegel der Zeilvaart april 1986 nummer 3 - De Hoogaars: Liefde op het eerste gezicht

Consent voorjaar 2021 nummer 37 - Vergeten Hoogaarzen

Als het over hoogaarzen gaat volgt al gauw het verhaal dat het vooral te danken is aan de Belgische jachteigenaren uit het begin van de 20e eeuw dat er uberhaupt nog hoogaarzen zijn. En dat er maar zo weinig van zijn overgebleven wordt geweten aan het feit dat de hoogaarzen zijn 'opgevaren, in de Tweede Wereldoorlog vernield of afgevoerd, en daarna overvallen door de moderne tijd met motorisering, staalbouw, nieuwe scheepstypen etc. Maar is dat het hele verhaal? 

Uit een overzicht van de jachtlijsten van verschillende zeilverenigingen blijkt dat de hoogaars, in vergelijking met bijvoorbeeld de boeier, nooit een echt populair type jacht is geweest. Met haar spitse lijnen en lange overhang was het weliswaar een droog schip, maar de boeier, met haar bolle wangen en ronde lijnen, werd mooier gevonden. Een beetje zoals je vertederd raakt bij het zien van een kindje met krullen, een wipneus en bolle wangen.

Hoogaarzen zijn betrekkelijk licht gebouwde schepen, met weinig langsverband. In zeegang werkt het schip nogal, waardoor gemakkelijk lekkages ontstaan. De schepen gingen in de beroepsvaart dan ook niet langer dan pakweg 20 tot 25 jaar mee, en werden dan afgedankt of verkocht aan minder vermogende schippers, die ze letterlijk opvoeren.
Ondanks die minder positieve eigenschappen waren in 1898 op een totaal van 131 ingeschreven jachten van de Royal Yacht Club de Belgique (RYCB) 16 platbodems, waarvan acht hoogaarzen. (Van de SRNA, de andere Antwerpse jachtclub, zijn geen gegevens bekend). Het maximum aantal hoogaarzen werd bereikt in 1935 met 13 (van de 56 platbodems) op totaal 136 ingeschreven jachten.
Het Nederlandse Jachtregister 1924/1925 vermeldt daarentegen niet meer dan tien hoogaarzen op een totaal van 464 jachten, waarvan 89 boeiers. En dan spreken we nog niet over de vele tientallen tjotters en andere platbodems. De hoogaars was dus in Antwerpen relatief gezien wel populairder dan in Nederland, maar het waren geen overweldigende aantallen.
Van die toch al bescheiden aantallen zijn er veel in de loop der tijd verloren gegaan, verdwenen of erger. Zo zijn er de Alice (Meerman, 1884, verdwenen), Thistle III (Meerman, 1893, gezonken), Tenace (Meerman, 1938, verdwenen), en weten we van de Caro (Van Duivendijk,1931, vergaan), Reiger (Van Duivendijk, 1902, verdwenen), Marieke (Van Duivendijk Bruinisse,1907, verdwenen), Velsa (De Volharding, Middelburg, 1892, gezonken), Triton (Van Duivendijk Tholen, 1902, gesloopt), De Groene Wolf (Onbekend, 1878, gezonken), Oscar en Virginie (Verheul Papendrecht, 1878, verdwenen). En zo zijn er nog veel meer, allen tijdingloos, verdwenen, gezonken of vergaan.
Van een aantal van deze schepen is nog wel het een en ander te achterhalen, vooral als ze indertijd naar Engeland werden verkocht, en werden ingeschreven in het Lloyd's Register of Yachts. Af en toe krijgen we een vraag over een van deze schepen. En dan kan de zoektocht naar het verleden vreemd verlopen.


Het ronde achterschip van de Hoogaars

Dirk Huizinga schrijft:
De hoogaarsen zijn veel ouder dan de visaken uit Lemmer. Het is echter ook het bekende naamgevingsprobleem. Wanneer kreeg een scheepstype de naam die wij nog kennen en waarom? Vanaf eind 1800 wordt er een verband gelegd met visaken en de havenplaats Lemmer (bv. bij de bouw van de Zevija in Joure.) Zeeuwse vissers kwamen ook in de Zuiderzee voor mosselzaad. Ze waren bekend met de noordelijke scheepstypen. Dat er beïnvloeding was, is dus niet zo raar. De naamgeving gaat automatisch mee, maar het is heel moeilijk, wellicht onmogelijk, vast te stellen wie voor het eerst welke naam gebruikte. Peter Hamer merkt op dat er al hoogaarsen met een ronde kont voeren, voordat er Lemsteraken waren. Hij wijst op de boeiers. De boeiers zijn er al eeuwen, maar ook de tjalkachtigen en pramen met ronde kont. De visaakjes van het Friese binnenwater waren er eerder dan de visaken voor de Zuiderzee. We moeten dat m.i. niet te zeer vastpennen aan de aken van De Boer uit Lemmer, die immers nooit sprak over Lemsteraken, maar altijd over visaken.

Opmerking van Peter Hamer:
Ik ben het met Dirk Huizinga eens dat er beïnvloeding was tussen de Zuiderzee en de Zeeuwse wateren. Ook de suggestie dat de ronde kont niet direct van de visaken hoeft te komen heb ik al geopperd, in mijn stukje over Vergeten Hoogaarzen in de Consent van 2021, onder het kopje "bijvangst". Kopie aangehecht. Daarin stel ik dat mogelijk de ronde kont is gekopieerd van de beurtscheepjes die op dezelfde werf werden gebouwd. Overigens heb ik al een advertentie gevonden uit 1856 waarin wordt gesproken over een "extra snelzeilende Plezier hoogaarts". Aangezien dezelfde term 'snelzeilende hoogaarzen' werd gebruikt voor de aanbesteding door de Domeinen (later visserij politie) rond de eeuwwisseling, en die ook waren voorzien van een ronde kont, is het goed mogelijk dat die aanpassing al 50 jaar eerder was ontstaan op de rivieren in Zuid Holland.
Waarom in Zeeland de ronde konten Lemmerkonten werden genoemd blijft gissen. Mogelijk werd die term geïntroduceerd door de Lemmerjachten die rond de eeuwwisseling in Bruinisse verschenen.

Het hoogaarsjacht "Oscar et Virginie" is gebouwd in 1878, en had al een rond achterschip. We weten nog te weinig van deze ontwikkeling om er een precies jaartal aan te geven.

Het ronde achterschip van de Hoogaars

De oudste ijzeren Hoogaars, de 'YE46 - Zeehond - La Gaffe' (Spiegel der Zeilvaart 1986 nummer 5)

Spiegel der Zeilvaart 1986 nummer 5

Bernard van Gils heeft in 1986 in Spiegel der Zeilvaart nummer 3 een uitgebreid artikel geschreven over de aankoop van de Hoogaars 'Turc', aangevuld met een heel stuk geschiedenis over het scheepstype
Hij schrijft: "Geen twee hoogaarzen zijn gelijk. In hoofdlijnen onderscheidt men: de Kinderdijkse - de Oost Duivelandse of platte Duivelander - de Arnemuidense - de Thoolse - de Zeeuws Vlaamse en later als variant de Lemmer hoogaars. In Kinderdijk waren de werven van Smit en Jonker. Op de nu wel erg grote en bekend geworden werf Smit-Kinderdijk werd in 1742 al door de uit Denemarken stammende Fop Smit de eerste hoogaars gebouwd." Onder het kopje "Hoogaarzen als jacht gebouwd", schrijft hij ook over een klein aantal gebouwde ijzeren Hoogaarzen, waaronder de YE46, altijd aangeduid als "den ierste ieseren". De Duitser Jürgen Prasse had de Hoogaars gekocht bij Sondij in Almere. Daar was ze in tekening gebracht. Jürgen was van plan om de YE46 in Hannover te restaureren, om later vanuit Bremerhaven met haar te gaan zeilen.

Jules van Beylen heeft het artikel in de Spiegel der Zeilvaart twee nummers later (1986 nummer 5) aangevuld met meer informatie over de YE46 'La Gaffe'. De Hoogaars heeft een aantal jaren in Almere gelegen bij scheepswerf Sondij, om als voorbeeld te dienen voor een serie Hoogaarzen, die door Sondij zijn gebouwd rond 1980. Oud-visserman Glerum wist te vertellen dat de YE46 de eerste ijzeren Hoogaars was, die ooit gebouwd werd. Dit schip heette dan ook "den ierste ieseren". Dit schip is in 1886 gebouwd in Alkmaar of door de Gebroeders Paans te Moerdijk.

Reactie van de eigenaar van de Yerseke 46: 'Den Iersten lesere' (in SdZ 1986 nummer 8)

Met belangstelling heb ik in de SdZ 1986 nummer 3 het artikel over de Hoogaars gelezen. Als eigenaar van de YE46 bericht ik U het volgende: De ijzeren hoogaars YE46 is over een afstand van ca. 500 kilometer door de verschillende kanalen naar Lohnde in de omgeving van Hannover gebracht. Daar zal het schip door mijzelf in een periode van ca. 2 jaar geheel gerenoveerd worden. Zowel de huid als de bodem moeten vernieuwd worden. Onder de naam "Den lesere van Jan de Rooy" zal deze hoogaars straks ligplaats krijgen in de museumhaven van Bremerhaven en van daaruit onder zeil gaan. Het schip is in 1892 naar in Alkmaar gebouwd. De thuishaven was Yerseke. In het schip bevindt zich nog een Belgisch ijkmerk No. BR 1219 B uit Brussel, gedateerd 15-2-1909. Het ijknummer is er nu uitgehaald, omdat dat stuk plaat vernieuwd moest worden.

De eerste eigenaar was Jan de Rooy. Hij heeft de ijkbrief mede ondertekend. Met de vorige eigenaars: Jan van der Ree en Roland d'Ieteren, de zoon van Pierre d'Ieteren heb ik reeds contact opgenomen. Ik ben er zeer in geïnteresseerd meer over de YE46, vroeger 'Zeehond', daarvoor 'La Gaffe' te vernemen en ben uiteraard ook geïnteresseerd in foto's en andere documenten. Mij is er veel aan gelegen de YE46 als fraai voorbeeld van Hollandse scheepsbouwkunst te behouden en in originele staat te herstellen, zowel wat betreft de romp, als de tuigage en ook zo veel als mogelijk wat de inrichting aangaat. Wanneer er lezers zijn die meer van de 'YE46 - Zeehond - La Gaffe' weten, of over documentatie beschikken, verzoek ik hen vriendelijk mij daarvan in kennis te stellen.
Jürgen Prasse Berlinerstrasse 8 D-3008 Garbsen (D).

Naschrift: B. van Gils: De in het Duits gestelde brief van Jürgen Prasse heb ik ten behoeve van de lezers in het Nederlands vertaald. Ik wil er nog aan toevoegen, dat wij, in de periode toen wij de 'Turc' pas in bezit hadden, zo rond 1960 meerdere malen met de 'La Gaffe' hebben opgevaren. Nadat het schip in het Thoolse Gat bij een zware storm op een zaterdagavond is omgeslagen, heb ik haar nog jaren op de helling van de werf in Veere zien liggen. Daarna was het schip nergens meer te vinden, totdat wij haar in Almere de Vaart bij de werf Sondy hebben teruggevonden. Achterop het boeistel stond nog, weliswaar overgeschilderd maar goed leesbaar Uitwellingerga. Dat doet vermoeden, dat het schip daar in Friesland in de buurt van Sneek geruime tijd is geweest. Maar de levensloop van de YE46 tussen Veere en Almere heb ik nog niet kunnen reconstrueren. Na Jan de Rooy (er waren meer Jannen de Rooy, daardoor ontstaat op dit punt nogal eens verwarring) deze met de bijnaam de Roeter heeft Cornelis de Rooy het schip in bezit gehad. Op 15 november 1921 is zij naar België verkocht en droeg toen de naam 'Christina'. De mededeling van de heer J. van Beylen, dat zij op een werf in Alkmaar is gebouwd intrigeert heel erg. Een Zeeuws schip in 1898 in Noord-Holland gebouwd. Dat roept vraagtekens op!

De schepen die door de werf Sondy volgens het lijnenplan van de YE46 zijn gebouwd, zijn (alle met een lengte van ca. 13.40 meter):

In Zierikzee wordt verteld dal de YE46 ook nog heeft gevaren onder het registratienummer YE91. Daar in Yerseke is zo'n ijzeren hoogaars rond de eeuwwisseling stellig een zeer vreemde eend in de bijt geweest. Dal blijkt wel uit het feit dat ze toen al "Den Iersten lesere" werd genoemd. Rond die tijd 1902/1903 is de YE38 gebouwd en dat moet dan de tweede "Iesere" hoogaars zijn geweest, 14.81 m lang en 4.80 m breed, nu nog varend als 'Maaike II' met als thuishaven Veere. De eerste eigenaar van dit schip was ook Jan de Rooy, maar een andere. Merkwaardig is dat er dan geen ijzeren of stalen hoogaars meer wordt gebouwd tot 1925. In dat jaar werd de 'Turc' op de werf Cesar van Damme in Baasrode aan de Schelde in België meteen als jacht gebouwd in opdracht van E. Crahay te Antwerpen (zie SdZ 1986 nummer 3).
Bernard van van Gils, Tholen

Reactie van D.W. Postma uit Heiloo

Het artikel dat ik op verzoek van Thedo Fruithof over hoogaarzen heb geschreven en dat in SdZ 1986 nummer 3 is verschenen, heeft tegen mijn verwachting een groot aantal zeer plezierige reacties opgeleverd. De meest waardevolle kwam, in prachtig handschrift, van de 82-jarige D.W. Postma uit Heiloo:

Geachte Heer Van Gils,
Met zeer veel nostalgisch genoegen uw artikel over de hoogaars gelezen in SdZ nummer 3. Wat zal ik zeeziek geweest zijn, als ik als jongen van 8-9 jr. mee mocht te vissen. Ik logeerde bij mijn grootouders in Breskens en ik heb er ook nog vier maanden gewoond toen mijn moeder ziek was. Maar als je dan 's nachts uit bed gehaald werd, kreeg je geen boterham. "Die krijg je aan boord wel," maar aan boord was het: "Ja, zo meteen, als we de haven uit zijn." Maar dan hoefde het al niet meer. Een week daarna deden mijn ribben nog zeer. Ook ben ik eens mee geweest op zeehondenjacht, de Schelde op, met enige notabelen van het dorp. Ik geloof niet dat er een schot gelost is. We liepen vast op een zandbank in 't zicht van de haven en ik duvelde over boord. Een oom van me kreeg me nog te pakken. Ik spreek van de jaren '13-'14. Ik ben van 1904. Toen stond er nog een premie van f 2,50 op een zeehond. Toen zag je ze nog volop en b.v. tuimelaars. Ik woonde toen in Westkapelle en zat ook altijd aan de dijk en daar zag je ook geregeld die tuimelaars. Mooi! Eén ding mis ik in uw artikel en ook in SdZ nr. 3. Het verschil in tuigage. In Breskens hadden ze allemaal een gaffeltuig en in Arnemuiden een spriettuig. Als kinderen spraken we altijd een beetje geringschattend over de Arnemuiers. Met de Pinkster had ik een nicht op bezoek, ook een vissersdochter uit Breskens en waar praatje dan over hé. Ik liet haar uw artikel zien met de foto van de hoogaarzenrace. "O," zei ze, "maar da zien Aernemuienaars é. Weet je wel dat die altijd zo gemakkelijk omsloegen en dan verdronken ze é." Nog dat geringschattende. Het zullen nog wel kinderverhalen geweest zijn, denk ik. Ik weet wel, zo'n spriettuig vonden we zo kinderachtig. Een echt schip had een giek en een gaffel. Wat konden ze je pesten als je zeeziek was, dan moest je bij de kokende garnalenpot komen ruiken, daar knapte je dan van op. Of, "Oh, jongens daar komt een grote stoomboot over ons heen." "O, was ik maar dood." Daarna kwamen de motoren erin en daarna weer de houten kotters en nu de grote 'kotters. SdZ nummer 6 is ook prachtig. Ik heb een goede kennis, Mr. Gerard van Duivendijk. oud-kantonrechter, opgebeld en gezegd. "Ik heb hier een heel familieregister van je." Hij is meen ik van de Lekkerkerkse kant. Die verwacht ik dus ieder ogenblik.

Ik vind SdZ een fantastisch blad. Hier en daar wel eens al te technisch voor een volslagen leek, want dat ben ik, al heb ik nogal eens wat gerotzooid aan en op 't water. Zowel vloeibaar als in gestolde vorm. Zo wordt er geschreven over ronde kimmen. Nooit van gehoord, wel van kimkielen. Dat was het dan. Nogmaals mijn hartelijke dank.
D.W. Postma, Heiloo

Naschrift. Dank voor uw reactie die we van u mochten plaatsen. Ronde kimmen horen bij tjalken. In tegenstelling tot de knik zoals die bij b.v. botters tussen vlak en huid voorkomt.

Frits Loomeijer Port Salut 112: Alkmaar IJzeren Hoogaars mei 1892 (Spiegel der Zeilvaart 2024 nummer 2)

Historici die bronmateriaal manipuleren om hun punt te maken, worden doorgaans overladen met pek en veren. Dat doe je niet, het is een academische doodzonde. Hier doen we het juist wel, maar we zeggen het erbij. Met behulp van digitale techniek hebben we van een bijzondere stereofoto (zie inzet) een beeld gemaakt. De linker foto van het origineel is het scherpst, maar de kop van het schip staat er niet helemaal op. Door beide foto's te combineren en te restaureren, ontstaat een relatief scherp beeld van het hele schip. Een unieke, gereconstrueerde inkijk in de bouw van een ijzeren hoogaars.

De eerste ijzeren
Ruim veertig jaar geleden krijg ik via oud-skûtsjeschipper en visserman Rein Blom uit Hindeloopen een envelop van zijn broer lege. Daarin zitten foto's van een tweemastschoener, de kits Noorman, een propeller aangedreven aluminium 'glijboot' uit 1927 en van deze hoogaars. Het zegt veel over zijn brede belangstelling. Op de achterkant van de hoogaarsfoto staat met pen: mei 1892. Maar waar is het? De Noorman en de schoener wijzen naar Alkmaar. Die zijn gebouwd bij de firma W.F. Stoel, beter bekend als scheepswerf Nicolaas Witsen. Maar een hoogaars in Alkmaar? Dat lijkt toch wel erg onwaarschijnlijk. Dankzij digitale ontsluiting van archieven, registers en kranten is echter vast komen te staan dat we hier wel degelijk kijken naar de bouw van een hoogaars door de Nicolaas Witsenwerf, de eerste ijzeren ooit. Hij wordt op 4 juni 1892 te water gelaten voor rekening van J. Schipper Gzn. uit Yerseke onder de opmerkelijke naam 'Twistappel'. Van 1900 tot 1921 vist Jan de Rooij uit Yerseke ermee onder nummer YE46. In 1915 belandt Jan in het gevang wegens smokkel met zijn schip. Vier jaar later wordt hij weer aangehouden, nu met 350 kruiken oude klare aan board. Daarna komt het schip in de pleziervaart, eerst onder Belgische vlag, in de late jaren zestig onder Nederlandse en vanaf 1988 onder Duitse. Sinds de eeuwwisseling hoort de voormalige YE46 thuis in Fürstenberg-Havel aan de Röblinsee, boven Berlijn. De bouw van de 'Twistappel' bewijst we er eens hoe voorlijk de kleine Nederlandse scheepsbouw is in het laatste kwart van de negentiende eeuw, vergeleken met de werven in het buitenland. IJzerbouw voor visserij, kust- en binnenvaart is daar nog niet aan de orde. Hier lopen ijzeren tjalken, aken en sleepschepen al sinds de jaren zeventig van stapel.

De Hoogaars YE46 in de Schepenlijst van de SSRP

De Hoogaars in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

J. van Beylen schrijft in het hoofdstuk Hoogaars:
Het meest bekende vissersvaartuig van Zeeland is ongetwijfeld de hoogaars. Hoe oud dit scheepstype mag zijn is niet uitgemaakt. De naam hoogaars of hoogaerts of hoogeers komt reeds voor in de zestiende eeuw. Hiermede werd echter geen vissersvaartuig aangeduid, maar wel een vrachtschip van de Bovenmaas, het zogenaamde Overland. Deze hoogaars was een open vrachtschip met een laadvermogen van circa zeshonderd zakken zout en twee à drie last (last = ongeveer twee ton) andere goederen.
Het waren lichtgebouwde schepen zonder dek en met geringe diepgang waarmede de vaart op de woelige, waterarme bovenloop van de Maas onder alle omstandigheden mogelijk was.73 Het is mogelijk dat toen reeds een vissersvaartuig van het hoogaarstype bestond, maar een overtuigend bewijs is hiervoor niet over te leggen.

Ronde en Platbodemjachten - Standaardwerk onder redactie van Mr. Dr. T. Huitema
Tekening uit het boek "De Hoogaars" van Jules van Beylen

Wel staat op een anonieme prent van 1515 `Antverpia Merca-torum Emporium' een overnaads gebouwd vissersvaartuig afgebeeld, met rechte overhangende steven en schuine achtersteven, met een roef in het achterschip en getuigd met een sprietzeil. Het blijft echter een loutere veronderstelling, dat dit misschien een voorvader van de latere hoogaars of hengst kan geweest zijn. Een andere aanwijzing geeft een recente bodemvondst in Zeeland74, waarbij een oud, doch niet juist te dateren overnaads gebouwd, platboomd vissersvaartuig aan het licht kwam. En welk soort schepen zouden de door Smal legange genoemde mosselscheepjes geweest zijn ?75

In de loop van de zeventiende eeuw wordt de `hoogers' andermaal vermeld en wel in Winschooten' Seeman.76 Doch ook hier wordt geen vissersvaartuig bedoeld maar een schuit «die wat hooger als een gemeene boerenschuit opgeboeid is, voornamentlijk op de Maas, Lek en IJsel gebruikelijk». Aansluitend bij de vermelding van de vrachthoogaars uit de zestiende eeuw mag aangenomen worden dat de hoogaars aanvankelijk enkel een transportvaartuig geweest is op de genoemde rivieren. Hier dringt zich de veronderstelling op, dat de Zeeuwse hoogaars langs de grote rivieren in Zeeland ingevoerd werd als vrachtvaartuig en gaandeweg ook als vissersvaartuig in gebruik genomen is. Aan de andere kant bewijst de constructie van het 'schip van Brugge' uit de vroege middeleeuwen, dat platboomd vaartuigen al sedert eeuwen in de gebieden nabij de Scheldemonding moeten bekend geweest zijn. In de negentiende en zelfs in het begin van de twintigste eeuw werden hoogaarsen nog als zuiver vrachtschip gebruikt.

De hoogaars - en de hengst - wordt verder vermeld als veerboot in het proces-verbaal opgemaakt in 1711 naar aanleiding van de verdrinkingsdood van Johan Willem Friso, toen deze het Hollands Diep nabij Strijensas overstak.77 Het is dus geen toeval dat wij in de loop van de achttiende eeuw de naam 'hoogaars' weer aantreffen in de rekeningen van de Kinderdijkse scheepsbouwer Fop Jans Smit, gedateerd 1775-178978: «1775. den 8. Desember. Ik Fop Smidt hebbe een niuwe hoogaer gemaeckt voor Dirk Jilisse van Wijijen, an de Kinderdijk die een half voet langer is, met iserwerk daerbij k(omt) 69 - 17 - 0.»
Een andere vermelding luidt: «1777, 25 May, Een hoogaers voor 182 - 0 - 0.»

Er blijkt hier onderscheid gemaakt tussen een Kinderdijkse hoogaars en een hoogaars zonder meer. Ook de prijs duidt op een verschil, waarschijnlijk in afmetingen, dus kostprijs. Behalve bij Fop Jans Smit werden er tot in het begin van de twintigste eeuw ook nog hoogaarsen gebouwd te Nieuw Lekkertand en op een andere Kinderdijkse werf. Waarschijnlijk zijn er nog meer geweest in die buurt. Uitgebreide technische gegevens over de hoogaars treffen we verder aan in een werf boek van P.H. Jonker te Kinderdijk, daterend uit 1857-1875 en dat nu berust in de verzameling L. Smit te Alblasserdam.
Eigenaardig is wel, dat de befaamde scheepsbouwer-tekenaar G. Groenewegen (1754-1826) in zijn bekende reeks tekeningen van Hollandse schepen80 geen hoogaars afgebeeld heeft. Hij moet nochtans deze scheepjes gekend hebben, want op een aquarel van 1823 in de verzameling van het Maritiem Museum Prins Hendrik te Rotterdam81 heeft hij een klein specimen van een dergelijk vaartuig getekend. Maar dit is dan ook de oudste ons bekende afbeelding waarvan met redelijke zekerheid kan gezegd worden dat het een hoogaars is. Precies hetzelfde soort vaartuig staat afgebeeld op een olieverfschilderij van P.J. Schotel (1808-1865) in het Nationaal Scheepvaartmuseum te Antwerpen. Bij Groenewegen is dit scheepje geladen met goederen. Want deze vaartuigen werden ook gebruikt als boodschapper, postboot, veerboot en vrachtschip.82 Omstreeks 1900 werden ten andere nog vrachtschepen van het hoogaarstype gebruikt voor het vervoeren van massavrachten, onder meer suikerbiet. Deze schepen waren veel langer dan de gewone hoogaars.

Benamingen

De hoogaars was bekend onder verschillende benamingen. Zo spreekt men van de reeds genoemde Kinderdijkse hoogaars, een Arnemuidense hoogaars of een Arnemuidenaar, een Oostduivelander of platte Duivelander, waarmede men doorgaans de hoogaars van Bruinisse bedoelt en de Tholense hoogaars. Het is een algemeen verspreide mening dat de geografische bepaling die aan de soortnaam vooraf gaat wel bepaalde kenmerken dekt, maar dit is slechts ten dele waar. Zo kan tussen een zogenaamde Tholense hoogaars en een Oostduivelander geen enkel onderscheid bestaan om de eenvoudige reden, dat ze van een zelfde werf komen en volgens hetzelfde bestek gemaakt werden. Aan de andere kant kunnen er merkelijke verschillen bestaan tussen twee zogenaamde Tholense hoogaarsen, omdat bijvoorbeeld de ene gebouwd is in Tholen zelf en de tweede op een andere werf. De geografische aanduiding doet dus weinig ter zake als men de werf niet kent. Hieruit vloeit dus voort, dat feitelijk de bouwplaats van belang is voor de typering van de soorten, wat overigens voor alle schepen het geval is.
En dan nog zal men onderlinge verschillen bij schepen van een zelfde werf aantreffen, die onder meer ontstaan door de verschillende eisen van de onderscheiden opdrachtgevers. In het algemeen mag echter aangenomen worden, dat schepen van een zelfde werf hetzelfde 'aangezicht' hebben. Dit is zo waar, dat insiders reeds op grote afstand kunnen zeggen dat dit schip van die werf komt, laat er dan nog bijvoorbeeld Arnemuiden (ARM) of Bergen op Zoom (BZ) op staan.
Dit neemt niet weg, dat de bepaling `Tholense, Arnemuidense' enzovoort wel degelijk een specifiek karakter aanduidt, vooropgezet, dat de betreffende schepen dan ook respectievelijk in Tholen, Arnemuiden enzovoort gebouwd zijn.
In het algemeen hebben de hoogaarsen gemeenschappelijke kenmerken die men met kleine nuances op ieder type terugvindt. Het vlak van de hoogaars is druppelvormig met de ronde kant naar voor. Deze ronde kant is bij de grote hoogaars vrij bot, bij de kleinere types scherper. De aanzet van de kimlijn tegen de voorsteven is bij de grote hoogaars vrijwel haaks en het vlak heeft op die plaats reeds een grote breedte. De boegen buigen in een korte bocht naar achter toe en het vlak bereikt ter hoogte van de mastbank zijn grootste breedte. Naar achteren toe versmalt het in een flauwe bocht en bereikt tegen de achtersteven een breedte die met deze laatste gelijk is.

In de langsdoorsnede bestaat heel wat variatie. Bepaalde soorten hebben een geheel recht vlak, dat slechts opgebrand is aan de achterkant (Zeeuws-Vlaamse hoogaarsen). Onder het opgebrande deel wordt een lange scheg geplaatst.
Andere schepen hebben een opgebrand vlak in voor- en achterschip, waarbij het diepste punt nabij de mastbank valt (Arnemuidense hoogaars). Een derde variatie is het lichtjes opbranden van het vlak in voor- en achterschip (Tholense hoogaars).
Ten slotte is er nog een bouwwijze van jongere datum, waarbij het vlak en het boord nogal ingrijpende veranderingen ondergaan hebben, namelijk het rond bouwen van het achterschip, waardoor de zogenaamde Lemsterhoogaars ontstaan is. Hierbij wordt het vlak in het achterschip voorzien van een scheg, waartegen het vlak en de boorden geplaatst worden zoals bij een rond schip. Men spreekt hier dan van een 'ronde konte', een `Lemmergae, een `boeiergat' en de schepen worden ook nog als `rondgatters' aangeduid. Deze ronde bouwwijze werd ook toegepast in het voorschip, waar het vlak en de boorden ook rond gebouwd werden. Dit soort hoogaarsen is gekend onder de benaming jachtboot'. Zowel de Lemsterhoogaars als de jachtboot werden overnaads, doch ook gladboordig beplankt.

De klassieke hoogaars is steeds overnaads beplankt en wel met drie boorden: kimboord, middelboord, bovenboord. Hierbij moet ook nog als vierde boord een boeisel gerekend worden. Gladboordige hoogaarsen werden ook aangeduid als `jachthoogaars'. De wijze van beplanking heeft wel enig verschil in bouwwijze als gevolg. Zo is bij een overnaadse hoogaars steeds een dolboom tegen de binnenbovenzijde van het bovenboord aangebracht over de ganse omtrek van het schip en wel óm voldoende nageling te hebben voor het boeisel. Het berghout wordt bovenop het boeisel gelegd. Bij een gladboordige hoogaars wordt geen dolboom gebruikt en wordt het berghout rechtstreeks op de spanten vastgemaakt, zoals bij de meeste andere schepen gebruikelijk is.
Het verloop van de beplanking van een hoogaars vertoont enkele eigenaardigheden. De kimplank, die midscheeps tegen het vlak ligt, buigt in de boegen naar boven en raakt de voorsteven een heel eind boven het vlak. Hierdoor wordt een driehoekige opening gevormd: steven, kim en kimboord. Deze ruimte noemt men `soldatengat' en wordt gladboordig beplankt.
In het achterschip doet zich hetzelfde voor op kleinere schaal. De eigenaardigheid zit hier in de vorm en de beplanking van het achterschip. Van achter bekeken heeft het berghout, en dus de onderzijde van het boeisel een uitgesproken liggende s-vorm, bij het ene type al meer geprononceerd dan bij het andere. Het bovenboord moet deze s-vorm volgen en is daarom op die plaats aanzienlijk breder gesneden.
Het boeisel kenmerkt zich door de puntige vorm in het voorschip, die snel verbreedt en ter hoogte van de mastbank zijn grootste breedte bereikt om dan weer stilaan te versmallen tot aan de reeds genoemde s-vorm die in de boegen een aanvang neemt.
De vorm van het grootspant van een hoogaars is vrij eenvoudig. De lijn kim-berghout maakt met het vlak een stompe hoek en verloopt doorgaans recht, alhoewel bij sommige schepen deze lijn ook licht gebogen (bol) is. De lijn berghout-bovenkant boeisel is recht maar helt sterk naar binnen. De vorm van dit spant verloopt echter in voor- en achterschip, zoals op tekeningen kan worden nagegaan. Men merkt hierbij op dat de spanten in het achterschip lichtjes gepiekt zijn, waardoor een holle spantvorm verkregen wordt. Naar boven toe waaiert het geheel open, zodat ruime breedte op het berghout verkregen wordt. Dit brede achterschip biedt plaats aan een stuurkuip. In de boegen buigt de omtreklijn kort naar de stevens toe en in plan gezien valt het boeisel en het berghout bijna haaks tegen de achtersteven.
Een schoonheidsfout, die men bij sommige hoogaarsen kan opmerken wordt soms veroorzaakt door het verloop van het berghout, dus onderkant boeisel, in het voorschip. Hier behoort deze lijn een doorlopende bocht naar boven te nemen, en niet een neiging om terug naar beneden te buigen. Men zegt dan dat zo'n hoogaars 'druppelt'.
Een volledig spant van een hoogaars wordt als volgt samengesteld: de gegroeide knie staat met een deel op het vlak en verbindt met een tweede deel het boord. De bovenkant wordt verlengd door een klos, die het boeisel vasthoudt. De ruimte tussen de twee over elkaar staande knieën wordt gevuld door een ligger, die men 'kalf' noemt. Op het vlak wordt verder, aan iedere zijde van de knie en er vast tegenaansluitend, een ligger gebout, die over de ganse breedte van het schip gaat. In het voor-en achterschip wordt de ruimte tussen de knieën volledig met liggers dichtgelegd. Deze vulling noemt men de 'kussens'.
De Arnemuidense hoogaars kan men herkennen - ook al voert zij een bezaantuig in plaats van het gebruikelijke spriettuig - aan het meer stoere uitzicht van het schip, vergeleken met andere soorten. De Arnemuidenaar heeft meer zeeg, een iets steilere voorsteven en meer nadrukkelijke vormen. Het stoere uitzicht is wel opzettelijk, want deze schepen werken voornamelijk buitengaats of in de mondingen van de zeegaten en dit vrij ruwe vaarwater is aanleiding om een niet te vlak schip te bouwen. Een Arnemuidense hoogaars heeft daarom de faam een droog schip te zijn, dat minder buist dan een andere hoogaars.

Details

Ook in de details treft men natuurlijk verschillen aan. Het vlak is in de lengte in zijn geheel gebogen, zodat het diepste punt bij de mast valt, het `oos' (hoos). Arnemuidense hoogaarsen hadden dan ook geen pompen, want het lek- en regenwater werd met een groot hoosvat over boord geschept. Bij de oudere Arnemuidense hoogaarsen werd geen loefhouder of scheg onder het vlak geplaatst. Dit `doorzaalen' van het vlak, zoals het in de bestekken heet, zou aan de Arnemuidense hoogaars meer snelheid geven bij lichte wind, vergeleken met bijvoorbeeld een Tholense hoogaars, maar bij harde wind zou de eerste het tegen de tweede moeten afleggen. Een verschil tussen de Arnemuidense hoogaars en een Tholense is dat de eerste in het voorschip een scherper vlak heeft en in het achterschip een ronder.

Er zijn nog andere uiterlijke verschillen waar te nemen. Het berghout van de Arnemuidenaar loopt niet van de voorsteven tot tegen de achtersteven, maar eindigt in de boeg van het achterschip. Bij oudere vissermannen was het schot tussen het vooronder en het ruim niet geheel gesloten, maar de onderste plank bleef zowat 60 centimeter van de buikdenning af. Er was ook dikwijls een 'derde handje' of lier aan de mast, waarmee de spriet behandeld kon worden. Verder was de hoogaars, bestemd voor de garnaalvangst, waarmede de meeste Arnemuidense schippers zich bezighielden, steeds met een stuurkuip en kot gebouwd. Ook was de rol op een andere manier geplaatst en erachter bevond zich een beting. Ten slotte verschilde het vastmaken van de boeisels in het achterschip met de elders gebruikte werkwijzen.
Een niet direct zichtbaar verschil was de wijze waarop de boorden vastgezet werden in de stevens en de dichting van de naden. Bij een Arnemuidense en Tholense hoogaars werden de koppen van de boorden in een sponning gestoken, terwijl bij andere hoogaarsen, de planken ook wel `droog' tegen de stevens gezet werden. Het dichten van de naden gebeurde door middel van papier: voor dunne naden bijvoorbeeld tussen twee geklonken boorden, in lassen en stuiken gewoon bruin pakpapier. Voor bredere naden werd een soort viltpapier gebruikt. Bij de Tholense hoogaars gebruikt men het gewone werk van gepluisd touw en bij Oostduivelanders en in Zeeuws-Vlaanderen neemt men mos. Vergeleken met de Arnemuidenaar had de Tholense hoogaars een eleganter en zwieriger uitzicht met mooi gestrekte en minder nadrukkelijke vormen. Bij de Tholense hoogaars wordt het vlak slechts lichtjes opgebrand en voorzien van een loefhouder en scheg. De voorsteven ligt minder steil waardoor het schip een meer gestrekte lijn en minder sterke zeeg en een spitser uitzicht heeft.

Men gebruikte in Zeeland ook een kleine soort hoogaarsen, die men als tegenhanger van de Kinderdijkse hoogaars kan aanzien en evenwaardig was met de kleine hengst. Zowel hoogaarsen als hengsten kwamen voor in verschillende maten. Zo spreekt men voor kleinere schepen bijvoorbeeld van een `vijfknieër'. In de rekeningen van de werf J.F. de Klerk te Kruispolder leest men herhaaldelijk over herstellingen aan 'den kleinen hoogaars' en aan 'den grooten hoogaars'. Deze kleinere schepen hadden geen voorplecht en ook geen rol, maar soms wel een roefje. Zij voerden een spriettuigje. De 'platte' Duivelander of Oostduivelander hoogaars vertoont weer andere vormen. De aanduiding `platte' wijst er al op dat de lijnen van dit soort schepen zeer gestrekt waren, naar het vlakke toe. Vele van deze hoogaarsen werden gebouwd op de Lek te Nieuw Lekkerland en ook te Kinderdijk. Deze hoogaarsen bleken bij vele Zeeuwse schippers wel in de smaak te vallen want nu weet men in Zeeland nog te vertellen, dat 'men in Lekkerland mooie schepen bouwde'.

In latere jaren bouwde men te Nieuw Lekkerland vooral de zogenaamde 'jachtboten'. Deze hoogaarsen hadden niet het vlakke silhouet van de oudere Oostduivelanders en zagen er veel minder stijf uit. Bij deze jachtboten werd het vlak in voor- en achterschip, geheel rond gebouwd en bleef de hoekige kim enkel behouden op de zijkanten. Deze hoogaarsen werden met een beun gebouwd. Ook het voordek was verder doorgetrokken dan gebruikelijk en bedekte de ganse mastbank. De mast was ingericht als klapmast, reikte tot op het vlak, en kon door middel van een lier neergelaten worden. In het voordek was een langwerpig luik aangebracht, dat voor een deel afgedekt was door een los stuk dek en voor de rest door een normaal luik. Deze gleuf was nodig om doorgang aan de voet van de mast te verlenen. De lier was ingewerkt in de voet van de mast en tegen de kaken van de mastkoker. Het was een systeem dat analoog was met hetgene dat ook op schouwen voorkwam.83

Aantekeningen

73 Th. L.M. Thurlings De Maashandel van Venlo en Roermond in de zestiende eeuw, 1473-1572, Amsterdam 1946, p. 130.

74 G.D. van der Heide Twee Scheepswrakken op Tholen, Zeeland, in de Berichten van de Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek, jrg. vn, 1956, p. 133.

75 M.S. Smallegange Kronijk van Zeeland, Middelburg, 1696, p. 193.

76 W. 6 Winschooten Seeman, Leiden 1681, p.87.

77 J.J. Beyerman Op 14 juli 1711 verdronk Johan Willem Friso, in de Nieuwe Rotterdamse Courant, 8 juli 1961.

78 0. Ten Have De leer van het boekhouden tijdens de zeventiende en de achttiende eeuw, Delft 1933, p. 246.

79 Gegevens welwillend ter beschikking gesteld door E.W. Petrejus te Rotterdam. Afmetingen ook in: N. Lelong Les Bdteaux spéciaux et la Belgique et à la Hollande, Paris 1896, p. 34.

80 G. Groenewegen Verscheidene soorten van Hollandsche vaartuigen, Rotterdam, 1786-1801.

81 Catalogus Rivier- en havengezichten omstreeks 1800. Tentoonstelling van aquarellen en tekeningen door G. Groenewegen, Rotterdam 1949, nr. 26.

82 G. de Groot Visserijschepen, in Schuttevaer, 30 april 1949.

83 Inlichtingen vermeld aan de hand van een scheepsmodel in bezit van de scheepswerf C. Stam te Nieuw-Lekkerland.

Lijnen, constructie en zeiltekeningen Tholense Hoogaars TH35


De Hoogaars in het boek De Hoogaars van Jules van Beylen (1978)

Het meest bekende vissersvaartuig van Zeeland is ongetwijfeld de hoogaars. Hoe oud dit scheepstype mag zijn is niet uitgemaakt. De naam hoogaars of hoogaerts of hoogeers komt reeds voor in de 16de eeuw. Hiermede werd echter geen vissersvaartuig aangeduid, maar wel een vrachtschip van de Bovenmaas, het zgn. Overland. Deze hoogaars was een open vrachtschip met een laadvermogen van ca. 600 zakken zout en 2 á 3 last (last = ong. 2 ton) andere goederen. Het waren lichtgebouwde schepen zonder dek en met geringe diepgang, waarmede de vaart op de woelige waterarme bovenloop van de Maas onder alle omstandigheden mogelijk was. 32 Het is mogelijk dat toen reeds een vissersvaartuig van het hoogaarstype bestond, maar een overtuigend bewijs is hiervoor niet voor te leggen. Wel staat op de reeds genoemde prent van 1515 `Antverpia Mercatorum Emporium' een overnaads gebouwd vissersvaartuig afgebeeld, met rechte overhangende voorsteven en schuine achtersteven, met een roef in het achterschip en getuigd met een sprietzeil. Het blijft echter een loutere veronderstelling, dat dit misschien een voorvader van de latere hoogaars of hengst kan zijn geweest. Een andere aanwijzing geeft een bodemvondst in Zeeland 33 waarbij een oud, doch niet juist te dateren overnaads gebouwd, platboomd vissersvaartuig aan het licht kwam. En welk soort schepen zouden de door Smallegange genoemde 'mosselscheepjes' geweest zijn? Het is helemaal niet onmogelijk, hoewel maar een veronderstelling, dat de auteur hiermede doelde op scheepjes zoals het hoogaarsje dat door Jan Porcellis werd afgebeeld op zijn 'mosselvissers op de slikken'.

De Hoogaars - Geschiedenis en bouw door Jules van Beylen

In de loop van de 17e eeuw wordt de `hoogers' andermaal vermeld en wel in Winschooten's Seeman.34 Doch ook hier wordt geen vissersvaartuig bedoeld maar een schuit 'die wat hooger als een gemeene boerenschuit opgeboeid is, voornamentlijk op de Maas, Lek en IJsel gebruikelijk'. Aansluitend bij de vermelding van de vracht-hoogaars uit de 16de eeuw mag aangenomen worden dat de hoogaars aanvankelijk een transportvaartuig geweest is op de genoemde rivieren. Hier dringt zich de veronderstelling op, dat de Zeeuwse hoogaars langs de grote rivieren in Zeeland ingevoerd werd als vrachtvaartuig en gaandeweg als vissersvaartuig in gebruik gekomen is.

De hoogaars wordt ook genoemd in een proces-verbaal, opgemaakt naar aanleiding van de verdrinkingsdood van de erfstadhouder van Friesland en Groningen bij het oversteken van het Hollands Diep in 1711. 35 In hetzelfde verbaal wordt ook de hengst genoemd, waarop de koets van de prins geladen werd. Deze hengst kreeg ingevolge het slechte weder zulkdanige slagzij, dat de prins en zijn gevolg uit de koets in het water sukkelden. Een prent in verband met deze gebeurtenis uit 1716 36 toont echter een vaartuig, dat in het geheel niet op een hengst gelijkt, maar een pont voorstelt, zoals die nog in de 19de eeuw gebruikt werden. Het is echter best mogelijk dat de auteur of de tekenaar geen hengst of hoogaars kende en het gebruikelijke veerschip of pont van die tijd weergaf.
Het is dus geen toeval dat wij in de loop van de 18de eeuw de naam 'hoogaars' weer aantreffen in de rekeningen van de Kinderdijkse scheepsbouwer Fop Jansz. Smit, gedateerd 1775-1789. 37

Doorgaans bezitten schepen van een zelfde werf bepaalde karakteristieken, waarin men de 'hand' van de scheepsbouwer herkent. Dit neemt niet weg dat het nog altijd moeilijk blijft een schip naar deze karakteristieken te identificeren. Want schepen die van een zelfde werf komen, vertonen soms nog aanzienlijke verschillen die voortkomen uit de wensen van de opdrachtgevers, de staat van het voorradige hout, enz. Bovendien zijn van deze schepen zo weinig concrete gegevens bewaard, dat vergelijkingen voor het vaststellen van de types zeer bemoeilijkt worden.

Tenslotte dient men er nog rekening mee te houden dat ook de schepen van een zelfde werf gaandeweg veranderingen ondergingen en dat daardoor een schip, gebouwd in 1870 er anders uitzag dan een gebouwd in 1910, vooropgezet dat de betreffende schepen dan ook resp. in Tholen, Arnemuiden, enz. gebouwd zijn.

In het algemeen hebben de hoogaarsen gemeenschappelijke kenmerken die men met nuances op ieder type terugvindt. Het vlak van de hoogaars is druppelvormig met de ronde kant naar voren. Deze ronde kant is bij de grote hoogaars vrij bot, bij de kleinere typen iets scherper. De aanzet van de kimlijn tegen de voorsteven is bij de grote hoogaars vrijwel haaks en het vlak heeft op die plaats reeds een grote breedte. De boegen buigen in een korte bocht naar achteren toe en het vlak bereikt ter hoogte van de mastbank zijn grootste breedte. Naar achteren toe versmalt het in een flauwe bocht en bereikt tegen de achtersteven een breedte die met deze laatste gelijk is.

In de langsdoorsnede bestaat heel wat variatie. Bepaalde soorten hebben een geheel recht vlak, dat slechts opgebrand is aan de achterkant (Zeeuwsvlaamse hoogaarsen). Onder het opgebrande deel wordt een lange scheg geplaatst. Andere schepen hebben een geheel gebogen vlak waarbij het diepste punt bij de mastbank valt (Arnemuidense hoogaars). Een derde variatie is het matig opbranden van het vlak in voor- en achterschip (Tholense hoogaars). Maar ook hierin komen andermaal een aantal varianten voor, veroorzaakt door andere, nieuwe of verbeterde werkwijzen en opvattingen. Tenslotte is er nog een bouwwijze van jongere datum, waarbij het vlak en het boord nogal ingrijpende veranderingen ondergaan hebben, nl. het rond bouwen van het achterschip, waardoor de zgn. lemmerhoogaars ontstaan is. Hierbij wordt het vlak in het achterschip voorzien van een scheg waartegen het vlak en de boorden geplaatst worden zoals bij een rond schip. Men spreekt hier dan van een 'ronde kont', een Lemmergat, een `boeiergat' en de schepen worden ook nog als `rondgatters' aangeduid. Deze ronde bouwwijze werd eveneens toegepast in het voorschip, waar het vlak en de boorden ook rond gebouwd werden. Dit soort hoogaarsen is bekend onder de benaming jachtboot': Zowel de lemmerhoogaars als de jachtboot werden overnaads, doch ook gladboordig beplankt.

Noten

31 Mr. Dr. T. HUITEMA te Wassenaar deelde mede dat de Hollandse schippers de hoogaars kennen onder de benaming `spanjoor.

32 L. M. THURLINGS, De Maashandel van Venlo en Roermond in de 16de eeuw, 1473-2572 (Amsterdam 1946), blz. 130.

33 VAN DER HEIDE, Twee scheepswrakken op Tholen, Zeeland. Berichten van de Rijks­dienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (Amersfoort 1956), jrg. VII, blz. 133.

34 W. à WINSCHOOTEN, Seeman: behelsende een grondige uitlegging van de Nederlandse konst, en spreekwoorden, voor soo veel die uit de seevaart sin ontleend, en bij de beste schrijvers deler eeuw gevonden werden (Leiden 1681), blz. 87.

35 Register van resolutiën van de magistraat van Klundert (1638-1718). Klundert, Gemeente­archief.

36 F. HALMA, Het leven van Zijne Hoogheid Johan Willem Friso (Amsterdam 1716).

37 0. TEN HAVE, De leer van het boekhouden tijdens de zeventiende en de achttiende eeuw (Delft 3933), blz. 246.


Scheepstype: Hengst

Inleiding

De 'Pegasus' (plaq 450)

Hengsten zijn gebruikt voor de visserij, voor het vervoer van materialen voor dijkwerken en anderszins

De hengst is het meest karaktervolle vissersvaartuig van de Westerschelde geweest, waar ze tot voor een twintigtal jaren nog veelvuldig in de vaart was. De laatste (gemotoriseerde) hengsten trof men voornamelijk in de Oosterschelde aan, onder meer in Tholen en in Yerseke. Evenals dit het geval is voor de hoogaars, kan de ouderdom van dit scheepstype moeilijk vastgesteld worden. Misschien kan men het kleine vissersvaartuig met rechte voorsteven op het redegezicht van Antwerpen, 1515, als mogelijk prototype van de hengst aanduiden. De oudst bekende vermelding van de hengst wordt aangetroffen in rekeningen die betrekking hebben op reizen die hengsten maakten naar aanleiding van de dichtingswerken aan de Scheldedijken.
Tot hun verdwijning in het begin van de twintigste eeuw, zijn ze dit in zekere mate ook gebleven, want behalve voor de visserij werden zij ook voor het vervoer van materialen voor dijkwerken en anderszins gebruikt op de Schelde. Een goed plan van een kleine hengst van omstreeks 1800 bevindt zich in de verzameling van het Nederlands Scheepvaartmuseum te Amsterdam en eveneens een model van een grote hengst uit de 20e eeuw. Ook in het Nationaal Scheepvaartmuseum te Antwerpen worden modellen van hengsten bewaard.

De volgende ons bekende vermelding van de hengst komt voor in het proces-verbaal betreffende de verdrinkingsdood van Johan Willem Friso in 1711. En ook in de rekeningen van Fop Jans Smit wordt eveneens de hengst genoemd: "1778, 21 May. Een henstije gemaekt voor Krijn den Boer, op Groot-Ammers, met mast en spriet". In dezelfde rekeningen komt nog een tweede vermelding voor: "1779, den 13 Februari Een henst gemaekt voor Adriaan Vogelzangh woonende te Alblasserdam, volgens bestek gemaekt, met volle genoegen ontvangen".
Ten eerste blijkt uit deze gegevens, dat het "henstije" of kleine hengst duurder was dan een Kinderdijkse hoogaars, maar heel wat goedkoper dan de grote hoogaars. Ten tweede kan men aannemen dat de vermelding "henstije" en "henst" wijst op twee maten, dus twee soorten, wat bevestigd wordt door het verschil in prijs. In het eerste geval wordt waarschijnlijk een scheepje aangeduid, zoals dit afgebeeld is door G. Groenewegen. Het kleine vaartuig met spriettuig, dat de tekenaar een "Heijnst" noemt, is geladen met goederen, en deed dus dienst als vrachtschip.

Tot hun verdwijning in het begin van de twintigste eeuw, zijn ze dit in zekere mate ook gebleven, want behalve voor de visserij werden zij ook voor het vervoer van materialen voor dijkwerken en anderszins gebruikt op de Schelde. Een goed plan van een kleine hengst van omstreeks 1800 bevindt zich in de verzameling van het Nederlands Scheepvaartmuseum te Amsterdam en eveneens een model van een grote hengst uit de 20e eeuw. Ook in het Nationaal Scheepvaartmuseum te Antwerpen worden modellen van hengsten bewaard.


Spiegel der Zeilvaart 1997 november nummer 9 - Hengsten niet alleen in Zeeland

Hengsten staan bekend als een Zeeuws scheepstype. Daarbij wordt dan gedacht aan de mosselhengst van Zeeuws-Vlaanderen. Er waren ook andere hengst-typen, ooit te vinden bij 's-Hertogenbosch, ten zuiden van de Biesbosch en aan de Brielse Maas. Bij Mosselhengsten spreekt men in het algemeen van een Zeeuwse hengst. Hengsten waren vooral in Zeeuws-Vlaanderen te vinden. 

Mosselhengsten (ca. 11 x 4 meter) hadden een recht vlak waarvan de achterpunt een weinig en de voorpunt heel sterk was opgebrand. Vanwege het overhangend voorschip lag ook bij dit type het voorschip dieper. Op deze einden stonden rechte vallende stevens. Ook de mosselhengsten waren gebouwd volgens het bouwpatroon van de hengsten. In de jaren tachtig van de vorige eeuw (voor 1900) werden bij de werf Verras in Paal enkele grote hengsten gebouwd bestemd voor de garnalenvisserij . In de werfboeken is ook een blazerhengst te vinden. In het algemeen is hij gebouwd als een mosselhengst, alleen zijn de afmetingen (12,65 x 4,2 meter) en het vlak anders. 
Vele Zeeuwse mosseltelers haalden ook mosselzaad op van de Waddenzee. Daar maakten ze kennis met de snelle Lemmeraken. Omstreeks de eeuwwisseling begon men ook Lemmerhengsten te bouwen; dat wil zeggen een hengst met het ronde achterschip van een Lemmeraak.

Waterkampioen maart 1966 nr1169 - Schepenschouw De Hengst

Men zegt dat de hengst het voor de Westerschelde meest typische type vaartuig is geweest. Evenmin als het andere bekende type Zeeuws vissersvaartuig, de hoogaars, kan met nauwkeurigheid worden bepaald wanneer het type hengst is ontstaan. Stellig bestond het omstreeks het jaar 1700 reeds, want het wordt genoemd in het procesverbaal over de dood van Johan Willem Friso, die in 1711 in het Hollandsch Diep verdronk. In „Schepen die voorbijgaan", het onder auspiciën van de ANWB uitgegeven boekwerk, vonden wij jackijst als andere naam voor het type hengst; elders echter lazen wij, dat deze twee type-namen elkaar echter niet zouden dekken. Hoe het precies zit, weten wij niet.

Hengst en hoogaars hebben voor de oppervlakkige beschouwer en op het eerste gezicht veel gemeen. In de eerste plaats zijn het beide platboomde schepen. Dan hebben zij beide een rechte en sterk vallende - bij de hoogaars echter sterker dan bij de hengst - voorsteven. Maar bij de hengst, zo zegt J. van Beylen in zijn boekje „Zeeuwse vissersschepen van Ooster- en Westerschelde", is de voorsteven bovendien aan de bovenkant verhoogd door een zogenaamde kluit, waardoor dit deel aanzienlijk verbreed wordt, zodat voldoende ruimte voorhanden is om het breed boeisel te bevestigen. Wij hebben deze voorsteven altijd gemakkelijk gevonden om op het eerste gezicht .!en hengst van een hoogaars te onder-scheiden. Verder valt het boeisel bij een hengst veel minder naar binnen dan dat bij een hoogaars, en geeft de hengst een veel gedrongener, minder sierlijker indruk dan een hoogaars; wij zouden zeggen meer de indruk van een stoere zwoeger, een werkschip.
Zoals het met vele typen schepen is gegaan zijn er bij de hengst ook varianten ontstaan. Bij een werkschip telt efficiency zwaar. Zo is waarschijnlijk de Lemsterhengst als variant ontstaan uit de wens naar groter snelheid, door de hengst min of meer het achterschip van de Lemsteraak te geven. Volgens Van Beylen, hierboven reeds genoemd, werd de Lemsterhengst ook wel als „jachthengst" aangesproken.

Hengst 'D'n Bruinen' (plaq. 1660)

De Tijdlijn van de Hengst

De Hengsten zoals wij die nu kennen

1655 - nu

De eerste Lemmerhengst loopt van stapel bij De Klerk (1899)

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Typebeschrijving Hengst

  1. Geschiedenis van de Hengst
  2. Beschrijving van de Hengst
  3. Tuigage

Kenmerken van de Hengst

  1. De Hengst als werkschip
  2. De Hengst als jacht
  3. Algemene kenmerken
  4. Kenmerkende verhoudingen
  5. Verklaring in tekening

6. 6. Subtypen, specifieke kenmerken

De Steekhengst was het hengst-type dat in gebruik was bij de zalmsteken
Van de Steekschuit geeft Van Konijnenburg een tekening met afmetingen 8,1 x 2,5 meter. In het algemeen is de meest betrouwbare bron over de vorm van een boot altijd nog een foto. Eerst is gezocht bij de oudheidkundige vereniging van Zwartewaal. Dit leverde een informant, namelijk A. van der Zee te Zwartewaal die als kind deze schuiten zelf had gezien. De tekening van Van Konijnenburg werd vergroot en gaf bij Van der Zee de reactie dat Steekschuiten midscheeps een bun hadden en achter een klein achterhuisje met bank. Verder waren ze geheel open. Dat moest ook wel, want met die schuiten werden ook de lange, zware palen vervoerd waarmee de steek in de grond werd vastgezet.

De Lemmerhengst is een ontwikkeling van de hengst
Het is een visserschip, dat vooral ingezet is voor de mossel- en garnaal-visserij vanuit de havens aan de Westerschelde. Tegen het einde van de 19e eeuw leerden de Zeeuws Vlaamse hengsten (en hoogaarzen) de Lemmeraak kennen als concurrent bij de vaart op de Zuiderzee toen de verschillende typen schepen ingezet werden bij het halen van mosselzaad. De schippers van Bruinisse gebruikten veelal lemmeraken, ook Lemmerjachten genoemd. Ongeladen op de heenweg deden de hengsten niet onder voor de aken. Maar op de terugweg, volgeladen, lieten de aken hun ronde kont zien aan de hengsten. Het is een groot voordeel om eerder op de markt te zijn met de koopwaar! En zo groeide de vraag om een sneller schip. Waarom dan niet meteen een lemmeraak genomen? Het antwoord daarop is wel duidelijk: een lemmeraak is een rond schip met een ondiepe kielbalk en een rond, getild vlak. En dat is bepaald een nadeel als je regelmatig wilt droogvallen! Het moest dan maar een kruising worden, gericht op de praktijk van de mosselvisserij en met behoud van alle goede vaareigenschappen.
Een 'ronde konte', ook wel een 'Lemmergat' of 'boeiergat' leek de belangrijkste oplossing te zijn. Enerzijds 'Iaat die vorm het water beter los', anderzijds geeft ze meer draagvermogen, dus meer snelheid aan het beladen schip. Maar het platte vlak van de hengst bleef. De eerste Lemmerhengst liep in 1899 van de helling bij de Werf J.F. de Klerk te Kruispolder.

Publicaties over de Hengst in het Stamboekarchief

De Hengst in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

De hengst is het meest karaktervolle vissersvaartuig van de Westerschelde geweest, waar ze tot voor een twintigtal jaren nog veelvuldig in de vaart was. De weinige (gemotoriseerde) hengsten die nu nog in gebruik zijn, treft men voornamelijk in de Oosterschelde aan, onder meer in Tholen en in Yerseke. Evenals dit het geval is voor de hoogaars, kan de ouderdom van dit scheepstype moeilijk vastgesteld worden. Misschien kan men het kleine vissersvaartuig met rechte voorsteven op het redegezicht van Antwerpen, 1515, als mogelijk prototype van de hengst aanduiden. De oudste ons bekende vermelding van de hengst komt voor in het reeds genoemde procesverbaal betreffende de verdrinkingsdood van Johan Willem Friso in 1711.

En ook in de hiervoor geciteerde rekeningen84 van Fop Jans Smit wordt eveneens de hengst genoemd: «1778, 21 May. Een henstije gemaekt voor Krijn den Boer, op Groot-Ammers, met mast en spriet, 2 rimen voor 122-0-0.» In dezelfde rekeningen komt nog een tweede vermelding voor: «1779, den 13 Februwarii Een henst gemaekt voor Adriaan Vogelzangh woonende te Alblasserdam, volgens bestek gemaekt, met volle genoegen ontvangen en daarvoor bedongen... 250-0-0.»

Ronde en Platbodemjachten - Standaardwerk onder redactie van Mr. Dr. T. Huitema

Ten eerste blijkt uit deze gegevens, dat het `henstije' of kleine hengst duurder was dan een Kinderdijkse hoogaars, maar heel wat goedkoper dan de grote hoogaars. Ten tweede kan men aannemen dat de vermelding `henstije' en `henst' wijst op twee maten, dus twee soorten, wat bevestigd wordt door het verschil in prijs. In het eerste geval wordt waarschijnlijk een scheepje aangeduid, zoals dit afgebeeld is door G. Groenewegen. Het kleine vaartuig met spriettuig, dat de tekenaar een `Heijnst' noemt, is geladen met goederen, en deed dus dienst als vrachtschip. Tot hun verdwijning in het begin van de twintigste eeuw, zijn ze dit in zekere mate ook gebleven, want behalve voor de visserij werden zij ook voor het vervoer van materialen voor dijkwerken en anderszins gebruikt op de Schelde.

Een goed plan van een kleine hengst van omstreeks 1800 bevindt zich in de verzameling van het Nederlandsch Historisch Scheepvaartmuseum te Amsterdam87, terwijl het Nationaal Scheepvaartmuseum te Antwerpen een model bezit. Ten slotte dient ook nog het gebruik van de hengst als veerschip vermeld te worden.88

Op het reeds genoemde schilderij van P.J. Schotel staat behalve een hoogaars, ook een grote hengst voor de visserij afgebeeld, getuigd met een bezaantuig en geheel van het soort zoals deze schepen er tot in onze tijd uitzagen. Aan de andere kant toont een potloodtekening van dezelfde tijd door J.C. Greive (1857) uit de verzameling van het Nederlandsch Historisch Scheepvaartmuseum te Amsterdam een grote hengst met een spriettuig.89 De oudste afbeelding van een hengst is — voor zover bekend — te vinden op een schilderij van Engel Hoogerheyden (1740-1809), 'Gezicht op Dordrecht' (Maritiem Museum 'Prins Hendrik' te Rotterdam).

Voor het overige zijn goede afbeeldingen van hengsten veel zeldzamer dan deze van hoogaarsen. Ook technisch zijn wij er veel minder goed over ingelicht. Praktisch al deze schepen werden gebouwd op de werven van de Westerschelde in Zeeuws-Vlaanderen en men gebruikte hier normaal noch plan noch bestek. Enkele hoofdmaten en vuistregels waren - naast een stel mallen - de enige basiselementen. In praktisch alle werken waarin over de hengst sprake is - dit zijn er weinige en steeds zonder veel bijzonderheden - leest men dat de hengst een vaartuig is dat op de hoogaars gelijkt op enkele kleine verschillen na. Dit is beslist een wanbegrip. Men zou eerder moeten zeggen dat de hengst en de hoogaars enkele kleine overeenkomsten hebben, maar verder geheel verschillend zijn. Deze twee scheepstypen gelijken op elkaar door hun plat vlak - beide zijn platbodems - en door de indeling van het casco. Voor het overige zijn het twee volkomen andere typen. In de eerste plaats door hun silhouet. Verder door de plaatsing van het spantwerk en de vorm van de spanten, de wijze van beplanking, de roervorm, kortom door alles wat een schip 'karakter' geeft.

Zoals bij de hoogaars is het vlak van de hengst druppelvormig met de ronde zijde naar voren. Ook hier treft men de verschillende bouwwijzen van het vlak aan, waarbij dit al dan niet opgebrand wordt, hetzij matig, hetzij sterk, waardoor een ronde kim in het voorschip verkregen wordt. Bij de hengst is steeds een loefhouder en scheg onder het vlak aangebracht. Maar hier houden dan ook alle overeenkomsten op.

De stevens van de hengst hebben een andere helling dan bij de hoogaars: beide steiler. De voorsteven is bovendien aan de bovenkant verhoogd door een zogenaamde 'kluit', waardoor dit deel aanzienlijk verbreed wordt, zodat voldoende ruimte voorhanden is om het breed boeisel te bevestigen. De kluit geeft aan de voorsteven een massieve indruk, geheel in tegenstelling met de scherpe, spitse hoogaars. De zeeglijn, die de voorsteven met de achtersteven verbindt, heeft in het voorschip een diepere boog, waardoor de kop van de hengst hoger lijkt dan deze van de hoogaars. Meteen heeft men een geheel ander silhouet, die veel forser is dan deze van de elegant gestrekte hoogaars.

Het spantwerk van de hengst verschilt aanmerkelijk met dit van de hoogaars. Een spant wordt bij de hengst samengesteld uit twee knieën en een kalf. De knieën zijn uit één krommer gezaagd en worden niet verlengd door een klos, zoals bij de hoogaars. Tussen iedere twee spanten ligt maar één ligger, precies tussen beide in. Kussens worden bij hengsten doorgaans niet aangebracht. Het hoekige beeld van de hengst wordt vooral onderstreept door de spantvorm en door het verloop van het berghout. Bij de hengst is de vorm van de spanten veel afwisselender dan bij de hoogaars. Bij dit schip ligt het berghout - midscheeps - veel lager tegen het vlak. Op het grootspant is de lijn kim-berghout recht en vermits het berghout lager ligt, ook korter. Dit heeft tot gevolg, dat dit deel van de hengst met één plank kan gedicht worden; zij het dat deze dan ook de enorme breedte van 75 tot 100 centimeter kan bereiken! Indien men niet altijd over dergelijke brede planken kan beschikken worden er twee boorden gebruikt, maar deze worden gladboordig naast elkaar gelegd. Om deze naad te versterken en omdat de spanten van de hengst gewoonlijk nogal breed uit elkaar staan, plaatst men nog extra knieën tussen de grote spanten. De knieën reiken echter maar tot aan de onderkant van het onderboord van het boeisel en worden 'zitters' genoemd. Op het grootspant is de lijn berghout-bovenkant boeisel niet recht, maar vertoont ze een lichte knik naar buiten. Het gehele boeisel helt slechts lichtjes naar binnen, in tegenstelling met de hoogaars, waar dit boord sterk naar binnen valt. Het boord boven het berghout is samengesteld uit twee planken: de bovenste is feitelijk het boeisel, de onderste is het bovenboord, dat in het voorschip onder het boeghout, maar midscheeps boven het berghout ligt. Beide planken liggen gladboordig naast elkaar, maar het bovenboord ligt overnaads op het daaronder liggende kimboord en het bekboord, waarover verder sprake is. De knik in het boeisel ondergaat naar achter toe slechts weinig verandering. Enkel in de achterboegen wordt hij iets meer uitgesproken. De naad tussen boeisel en bovenboord duidt hier de hoogte van het dek van de beun aan. In het voorschip wordt de knik steeds scherper om tegen de voorsteven ongeveer een rechte hoek te vormen. Het bovenboord zwaait gaandeweg naar binnen en valt overnaads in hetzelfde plan op het bekboord. Het boeisel behoudt dezelfde breedte en valt tegen de kluit.

In de boegen van het voorschip kan men onmogelijk de romp dichten met het zelfs zeer brede kim-boord. Er blijft altijd een spie open, tussen de bovenkant van het kimboord en de onderkant van het onderboord. Deze spie wordt gedicht door een bekboord, dat tegen de voorsteven dezelfde breedte van een normaal boord heeft, maar ter hoogte van het grootspant nog slechts enkele centimeters breedte heeft. Bij oudere hengsten werd dit bekboord overnaads op het daaronder liggende kimboord gelegd. Bij de nieuwere schepen werd het gladboordig geplaatst, maar ook weer met een duidelijk zichtbare knik op de naad. Omdat het kimboord, zoals bij de hoogaars, op een zeker punt van het vlak naar boven zwaait tegen de steven, blijft ook hier een `soldatengat' open. Deze driehoekige ruimte wordt, zoals bij de hoogaars, gladboordig beplankt.

De vorm van het spantwerk maakt ook een bijzondere schikking voor het berghout noodzakelijk. Waar de uiterste punten van de omtreklijn van even voor de mast tot aan de stuurkuip op de onderkant van het bovenboord liggen, verplaatsen deze punten zich naar de naad tussen bovenboord en boeisel van even voorbij de mastbank af. Bijgevolg laat men het berghout verspringen op de stootpunten. Te beginnen achter de boegen van het voorschip wordt het berghout op de onderzijde van het bovenboord gelegd. Het eindigt in de boegen van het achterschip. Het tweede deel van het berghout vangt aan in de helft van het voorschip en ligt op de onderkant van het boeisel tot tegen de voorsteven. Men spreekt hier niet meer van een berghout, maar van een 'boeghout'.

Oudere hengsten hadden ook een dolboom. Deze lag zoals bij de hoogaars onder de spanten tegen de binnenkant van het boord, maar niet op dezelfde plaats. Bij de hoogaars volgt dit verbanddeel de gehele naad tussen het bovenboord en het boeisel. Bij de hengst ligt deze dikke lat op de naad die gevormd wordt door de twee boorden van het boeisel. Jongere hengsten hebben geen dolboom.

Een bijzonderheid, die men slechts bij hengsten aantreft, is het boogvormig uitsnijden van de achterkant van de voorplecht. De dekplanken laat men hier over de mastbank schieten en worden dan in een boog uitgesneden. Het midden van de boog ligt tegen de mastkaken en de uiteinden ervan stoten tegen de zwaardknieën. In de dekplanken, die nabij deze knie boven het ruim vallen, wordt een opening gemaakt voor het plaatsen van de pompen.

In de werfboeken van J. F. de Klerk te Kruispolder wordt vermeld: «buiten accoord volgens opgaaf bijgekomen als volgt voor het doortrekken van de Pligt met kromme waterlijsten 10 gld.».

Deze bijzonderheden van de hengst tonen duidelijk aan dat dit schip vrij sterk van de hoogaars afwijkt in talrijke punten, in zoverre dat praktisch niet meer van enige gelijkenis kan gesproken worden.

De Lemsterhengst

Dit schip is een kruising tussen een hengst en een Lemsteraak. Het ontstaan ervan is te zoeken in de vaart op de Zuiderzee voor het ophalen van mosselzaad. De Zeeuws-Vlaamse hengstschippers leerden hier de Lemsteraak kennen als concurrent. Want ook de schippers van Bruinisse haalden mosselzaad op, meestal met Lemsteraken, ook Lemsterjachten of kortweg jachten genoemd. Er werd toen vastgesteld dat de ongeladen hengst de gelijke was van de Lemsteraak, maar dat deze op de terugweg de geladen hengst achter zich liet. Dit betekende dat deze Lemsteraak vroeger op de markt toekwam met het mosselzaad wat een wezenlijk voordeel was.

Men trachtte nu de voordelen van de hengst

  • de platbodem die gemakkelijk kon droogvallen
  • te koppelen aan deze van de Lemsteraak
  • de snelheid.

Hieruit ontsproot de Lemsterhengst, dat is de hengst met een rond achterschip zoals een Lemsteraak. Maar er werden nog andere aanpassingen doorgevoerd in de bouwwijze. Het tweedelige berghout van de hengst werd vervangen door een doorlopend berghout zoals bij de Lemsteraak. Het ligt in zijn geheel ook hoger want het volgt geheel de onderkant van het boeisel en dit deel boven het berghout is dus aanzienlijk smaller dan bij de gewone hengst, terwijl het ook een grotere helling naar binnen heeft. Ook de spantvorm werd gewijzigd. De lijn kim-berghout is langer en staat veel boller dan bij de gewone hengst. Bovendien is de beplanking overal gladboordig. Bij de Lemsterhengsten werden tussen de normale knieën ook nog zitters aangebracht, die eindigden ter hoogte van het berghout, terwijl de andere knieën normaal doorliepen tot aan de bovenkant van het boeisel. Ook de roervorm werd dikwijls veranderd en vele Lemsterhengsten hadden een roer met een klik van een Lemsteraak.

De Lemsterhengst ontstond rond de eeuwwisseling en werd ook `jachthengst' genoemd. In 1899 werd bij de werf J.F. de Klerk te Kruispolder de eerste Lemsterhengst gebouwd en deze mag als één van de eerste, zo niet als de eerste van dit soort aangezien worden.

Aantekeningen

87 W. Voorbeijtel Cannenburg Beschrijvende catalogus der scheepsmodellen en scheepsbouwkundige tekeningen 1600-1900, Amsterdam 1943, p. 127.
88 Crone Nederlandsche Jachten, Binnenschepen, Vis-schersvaartuigen en daarmee verwante kleine zeeschepen 1650-1900, p. 210, plt. 31.
89 Potloodtekening door J.C. Greive, uit de verzameling van het Nederlandsch Historisch Scheepvaartmuseum, Map tv E a 5, nr A 1854(4), gedateerd 16 september 1857.

Lijnen, constructie en zeiltekeningen hengst CLN1

De Hengst - De botvisserij en de mosselvangst in Zeeland en in Vlaanderen door Jules van Beylen (2007)

Geschiedenis

In Vlaanderen - dat zich indertijd uitstrekte tot aan de zuidelijke oever van de Schelde - en in Zeeland werden al eeuwenlang platbodems gebruikt voor de visserij, het goederentransport en het personenvervoer. Een platbodem was het enige scheepstype dat in de ondiepe kreken en schorren tussen de toenmalige eilanden kon worden gebruikt. Hoe die scheepjes er uitzagen en welke typenaam ze droegen, zal wel altijd een open vraag blijven. Op de oudste kaarten van dit gebied werden een aantal vaartuigen afgebeeld. Daar kan enkel worden vastgesteld dat het ging om zeeschepen, binnenvaartuigen en waarschijnlijk vissers. Maar een echte typenaam kan er nauwelijks bij worden vermeld.' Van sommige schepen is de naam bekend, maar er kan slechts zelden een kenmerkend beeld van worden geschetst. Vooral voor kleinere, plaatselijke vaartuigen is een eigentijdse bron die het type vermeldt en het beeld toont, dan ook zo goed als uitgesloten.

De Hengst - De botvisserij en de mosselvangst in Zeeland en in Vlaanderen

Hengsten werden voor het eerst bij naam bekend in de 17de eeuw. Hoeveel er van die scheepjes waren, valt zelfs niet bij benadering te schatten. Daar is pas verandering in gekomen toen de Nederlandse vissersschepen in 1825 bij het Bestuur der Visscherijen op de Schelde en de Zeeuwsche Stroomen een consent moesten aanvragen om te mogen vissen. In de registers van de uitgereikte consenten werd het scheepstype soms, maar ook weer niet altijd vermeld.

Hetzelfde kan worden vastgesteld in het officiële register, waarin de Nederlandse vissersschepen door het gemeentebestuur van iedere vissershaven werden geregistreerd, vanaf 1 september 1911 tot 1947. Daardoor is het vrijwel onmogelijk een volstrekt volledige inventaris op te stellen van alle vissersschepen en zeker niet van de hengsten of andere platbodems, die in de Zeeuwse of Vlaamse havens thuishoorden. Het blijft bij schattingen, die soms ver uit elkaar liggen. Vele vaartuigen staan te boek als half gedekte platbodem of gewoon halfgedekt. De meeste klassieke Zeeuwse vissersschepen uit de zeiltijd beantwoorden aan die omschrijving, maar dat is ook bij andere het geval. Het is meestal niet mogelijk uit te maken of achter die ambtelijke omschrijving een hengst of een hoogaars of wat dan ook schuilgaat. Slechts af en toe wordt het echte scheepstype genoemd en slechts zelden correct. In dit verband waren de almanakken, die in de tweede helft van de 19 de eeuw werden uitgegeven, veel vollediger.

De oudste vermeldingen

Het zal wel altijd een open vraag blijven hoe, waar en wanneer de hengst is ontstaan. Vermoedelijk heeft dit vaartuig een lange voorgeschiedenis, waarover niets bekend is. Op een bepaald tijdstip werd het scheepje - waarschijnlijk was het maar een klein ding - gebruikt door een bestuur voor één of andere betaalde opdracht. Daarvoor werd een rekening uitgeschreven en zo belandde de naam van het plaatselijk scheepje in een archief, vanwaar het vroeg of laat een plaats kreeg in de geschiedenis. De tot nu toe oudst bekende vermelding van een hengst werd aangetroffen in een rekening van 1655, geschreven door de penningmeester van de Vlaamse gemeente Kieldrecht (Oost-Vlaanderen) (zie afbeelding hierna). Zo terloops wordt in deze rekening kond gedaan dat ook hoogaarzen voor vletwerk werden gebruikt.

Of de hengst ouder is dan de hoogaars is een hypothetische vraag, maar men kan wel met zekerheid stellen dat de hengst ouder was dan het jaar van bovenstaande rekening. Het vaartuig werd gebruikt voor de vletterij, waarschijnlijk met materiaal voor bedijking. Of er toen ook mee werd gevist, kan enkel worden verondersteld. Evenmin is bekend hoe de hengst er uitzag.

In de dertiende eeuw lag in het toenmalige Vlaanderen, nu Zeeuws-Vlaanderen, ten noorden van Hulst een dorp, Heynsdijk genaamd.

In de loop der tijden heette dat dorp Huinstdijk, dan Heijnstdijk, nu Hengstdijk. Nog in de 20ste eeuw werd op de scheepswerf J.F. De Klerk te Kruispolder een hengst steeds Huinst genoemd. Het kan zuiver toeval zijn dat Hengstdijk in de buurt ligt van het gehucht Zandberg, de plaats van het vroegere Fort Sandbergen en het gadt van Sandtbergen, dat in het archief van Kieldrecht werd genoemd. Dat is dus het gebied dat in de oudste geschreven bron over de hengst wordt vermeld. Onwillekeurig borrelt de vraag op of de naam van het dorp Hengstdijk iets te maken heeft met de toch wat vreemde naam van dit vaartuig. Een probleempje voor taalkundigen. Het is overigens niet ongewoon dat schepen de typenaam dragen van de plaats waar ze ontstaan zijn of thuishoorden: een Hagenaar, een Hasselter aak, een Doornikenaar, een Lemmeraak, een Drimmelaar, een Dorstense aak, een Ertvelder en vele andere.
De Belg J.P. Clays (1819-1900) tekende, omstreeks 1865 en later, diverse nauwkeurige afbeeldingen van hengsten met een spriettuig." Echt uitzonderlijk zijn evenwel de talrijke tekeningen van hengsten door de Antwerpse marinetekenaar en aquarellist Henri Seghers (1848-1919) en door zijn zoon, marineschilder en modelbouwer Maurice Seghers (1883-1959).

Hengsten in Zuid-Holland

De naam hengst wordt ook nog in latere geschriften aangetroffen, zoals in een proces-verbaal betreffende de verdrinkingsdood van de Friese erfstadhouder Johan Willem Friso (1696-1711). In 1711 stak de prins met zijn gevolg het Hollands Diep over met een hoogaars en een hengst. Of de paarden in de hoogaars werden geladen, is niet met zekerheid bekend. De koets werd op een hengst geladen en het laat zich aanzien dat de prins daar met zijn gevolg ook aan boord was. Door het slechte weer maakte de hengst zodanig slagzij, dat de hoge gast en zijn gevolg uit de koets in het water sukkelden.

De prins verdronk. In het boek dat in 1716 werd gepubliceerd, staat een gravure afgedrukt, die de tragische gebeurtenis weergeeft. De prent met de zogenoemde hengst is een vaartuig, dat in de verste verte niet lijkt op een hengst van het type dat later in Zeeland voer, maar een pont van het soort dat bij de meeste veren wordt gebruikt. Het is best mogelijk dat de tekenaar van de prent nooit een echte Zeeuwse hengst had gezien en zich bij een veer enkel de gebruikelijke pont kon voorstellen. Hoe men met een hengst, zoals die in Zeeland werd gebruikt, een koets kon overbrengen, is dan ook niet te verklaren, tenzij met de typenaam hengst nog een ander soort vaartuig werd aangeduid, bijvoorbeeld een soort veerschuit, met een oprit en afrit, geschikt om een voertuig aan boord te nemen. Dergelijke "hengsten" voeren onder meer ook als veerpont bij Hardinxveld en Werkendam en die werden eveneens hengst genoemd. De Rotterdamse tekenaar en etser Gerrit Groenewegen (1754-1827) heeft een soortgelijke pont afgebeeld. Het is een feit dat hengsten inderdaad als veerschip werden gebruikt. In de archieven betreffende Zeeuwse veren wordt het type veerschip slechts zelden vermeld. Meestal gaat het over het veerschip, de schuit, soms wel over de poon. De hengst wordt wél bij naam vermeld in verband met de veren van Terneuzen, Ellewoutsdijk, Baarland, Hoedekenskerke, Vlissingen en Breskens. In 1781 werd door de Ambachten van Mei en Neuzen besloten een klein schippersveer op te richten van Terneuzen naar het Land van Hulst. Het vaarwater was echter te ondiep voor de normale grote poon van de buitenschippers van het grote schippersgild. De overtocht diende daarom veelal te geschieden met een kleiner vaartuig zoals een hengst of een hoogaars.

De hengst wordt over het algemeen als een Zeeuws vissersschip beschouwd, maar hengsten werden eveneens in Zuid-Holland gebouwd. De rekeningen uit 1775-1789 van de Kinderdijkse scheepsbouwer Fop Jansz. Smit leveren daarvan het bewijs:

Ook wordt in de rekeningen nog een halfschaft henst genoemd, wat dat dan ook mag zijn.

De vermelding van een henstije en een henst wijst erop dat het over twee soorten gaat: een kleine en een grote. Dat wordt trouwens weerspiegeld in de prijs. Maar er rijzen ook vragen: waren deze Zuid-Hollandse hengsten van hetzelfde type als de Zeeuwse hengst of dragen ze enkel dezelfde naam? Zijn hengsten oorspronkelijk ontstaan in Zuid-Holland en zijn ze van daar uitgevoerd naar Zeeland? Of werden ze ontwikkeld aan de oevers van de Schelde, in Vlaanderen, zoals de rekening van Kieldrecht doet vermoeden? Misschien was de hengst een scheepstype dat verspreid was over Zeeland, Brabant en Zuid-Holland. Dat de hengst voor het eerst bij naam werd vermeld in Vlaanderen, betekent niet persé dat hij terzelfder tijd ook niet in het Noorden zou hebben bestaan. In de 18de eeuw bestonden, naast de kleine, reeds grote hengsten. Zo'n grote hengst, getuigd met een zwaar sprietzeil, werd geschilderd door Engel Hoogerheijden (1740-1809), ter hoogte van Dordrecht. Het valt wel op dat dit schip zo sterk op de voorgrond is geplaatst, als was het iets bijzonders. Misschien was het een veerschip of een vrachtvaarder van elders (Zeeland?), maar dat is niet duidelijk. Een goed beeld van een hengst van omstreeks 1800 geeft een zeldzaam eigentijds plan. Het vaartuig was veel vlakker en ondieper dan de latere Zeeuwse hengsten. Wie weet waren het soortgelijke vaartuigen, die door Fop Jansz. Smit in Kinderdijk werden gebouwd. Deze hengst van 1800 was feitelijk een vrij grote open boot van 33 voet 2 duim lang (9,39 m), gemeten over de stevens. De breedte binnen de huid bedroeg 11 voet 3 duim (3,19 m) en was hol uit de boom (bodem = het vlak) en dolboom 3 voet 4 duim (95 cm). De afmetingen benaderen zeer sterk die van de latere kleine Zeeuwse hengst. Maar het is de vraag of dit scheepje kan worden vergeleken met een Zeeuwse hengst uit dezelfde periode.

Hengsten als veerschip in Zuid-Holland

Een hengst was op de wateren van Zuid-Holland geen ongewoon gezicht. Die zogenoemde hengsten werden eveneens gebruikt als veerschip. De overtocht van erfprins Johan Willem Friso over een rivier als het Hollands Diep was niet uitzonderlijk. Op die rivier bestonden geregelde veerdiensten, onder meer op de Merwede, tussen Hardinxveld en Werkendam. Dat na het ongeval van de prins in 1711, reglementen werden uitgevaardigd om dit soort ongevallen te voorkomen is niet ondenkbaar. Hoe die Zuid-Hollandse zeilhengsten precies waren gebouwd, is niet bekend. Het is twijfelachtig of die schepen ook enige overeenkomst vertoonden met de hengsten die in Zeeland voor de visserij werden gebruikt. Dit versterkt het vermoeden dat de zogenaamde zeilhengsten enkel hun naam gemeen hadden met de Zeeuwse hengst en gewone ponten waren.

De hengst in de literatuur

Merkwaardig is het, dat in Zeeland zelf weinig of geen aandacht aan deze vaartuigen werd besteed, ook niet door Zeeuwse auteurs of schilders. De Westerschelde blijkt daarbij geen belangrijke plaats te bekleden, behalve als het over militaire gebeurtenissen ging. Deze toestand kan waarschijnlijk worden verklaard door het feit dat vooral Oost-Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Beveland jarenlang oorlogsgebied waren. Sedert het begin van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) stonden grote delen van de streek onder water en het duurde vele tientallen jaren eer het land werd bedijkt en weer drooggemalen. Talrijke kleine rivieren en inhammen verbrokkelden die gebieden. Zeeuws-Vlamingen zijn, psychologisch, maar ook geografisch, lange tijd afgescheiden geweest van Holland.

Nog vandaag hoort men de Zeeuws-Vlamingen door Zeeuwen van boven de Schelde nog steeds die van de overkant noemen. Anderzijds hadden ze lange tijd via het water meer contact met het nabijgelegen en gemakkelijk te bereiken Antwerpen. Het is dan ook verklaarbaar dat hengsten en hoogaarzen beter bekend waren in Vlaanderen dan in Nederland.
In 1905 werd in Brussel de Internationale Permanente Vereeniging voor de Scheepvaartcongressen opgericht. Deze organisatie gaf in 1907 een album met tekst in drie delen uit, geschreven door E. van Konijnenburg, ingenieur bij de Nederlandse Waterstaat. Hij begon aan dit werk in 1895 en het werd in 1905 beëindigd. Deze driedelige studie was bedoeld om een standaardwerk te worden, waarin alle Nederlandse houten binnenschepen en vissersvaartuigen zouden worden opgenomen. Daarnaast werd een ruim historisch overzicht gegeven van de voornaamste zeeschepen. Het is jammer te moeten Bij de tekst hoort eveneens een plan van een hengst, getekend door W.K. Versteeg. Het profiel van dit scheepje is zo goed als zeker getekend naar het plan van een hengst van omstreeks 1800, dat hiervoor al werd aangehaald. De langsdoorsnede is echter onvolledig weergegeven.

In het in 1926 verschenen standaardwerk van G.C.E. Crone over Nederlandse schepen wordt wél iets over het model van een hengst geschreven. Alleen is het niet correct dat Crone de hengst heeft ondergebracht bij de binnenschepen. Tezelfdertijd wordt daardoor duidelijk hoe weinig de auteur met de Zeeuwse hengst bekend was:

De hengst was een overboordig platboomdscheepje op de Zuid-Hollandsche stroomen, dat in gedaante veel op de Zeeuwsche hoogaars lijkt; de voorsteven is echter niet zoo sterk vallend en de achtersteven nagenoeg rechtstandig. Kleine open hengsten waren bij de visscherij in gebruik, terwijl grootere die met een roef waren ingericht, als veerschip dienst deden, zoals bij het Rijksveer van Willemstad op Numansdorp. Het zeer fraaie palmhouten model behoort aan het Nederl. Museum, waar het bekend is als een veerschip in de eerste helft van de 19de eeuw aan het Strijensche Sas, ten dienste der koninklijke familie voor de overtocht naar den Moerdijk in gebruik. Groenewegen geeft een duidelijke afbeelding van een leijnst als klein vrachtscheepje met platte luiken, hellende mast en sprietzeil." De vermelding dat kleine open hengsten bij de visscherij in gebruik waren, heeft waarschijnlijk betrekking op de hengstjes van het soort dat is getekend op het plan van omstreeks 1800.

Crone was blijkbaar niet op de hoogte van het feit dat ten zuiden van de grote rivieren grote hengsten in de vaart waren. Tevens meende hij uit het model uit de verzameling van het Scheepvaartmuseum te Amsterdam te mogen besluiten dat dergelijke scheepjes algemeen als veerschip werden gebruikt. Feitelijk werd dit hengstjacht enkel gebruikt door de koninklijke familie. Deze hengst was hun privé-veerschip. Daarom is het ook gebouwd met een roef, zoals een jacht. In die tijd kon men zich niet voorstellen dat de koninklijke familie met de gewone veerdienst over het Hollands Diep zou varen. Steunend op van Konijnenburg, deelt hij ook de mening dat de hengst zoiets als een hoogaars is.

Iets beter ingelicht waren H.C.A. van Kampen en H. Kersken Hzn die in 1927 schreven:

Een ander "droog" visschersvaartuig, eveneens in Zeeland thuis behorend is de "hengst", die hoofdzakelijk voor de oester- en mosselvisscherij gebruikt wordt. Het grootste onder deze vaartuigen wordt ook gebezigd voor het vervoer van het zogenaamde "mosselzaad" dat zij aan de Waddeneilanden gaan halen, om het uit te zetten op de mosselpercelen in Zeeland. In de Belgische jachtvloot treffen wij enkele hengsten aan, omgebouwd als jacht. Voor de vaart in Zeeland vallen zij zeer in den smaak.

De afbeelding die bij deze tekst werd gedrukt toont een zeer grote hengst, reeds uitgerust met een motor, de YE98. De tweede afbeelding stelt een Lemmerhengstjacht voor, gemeerd ter hoogte van het clublokaal van de Antwerpse SRNA (Société Royale Nautique Anversoise, nu Antwerpse Watersport Vereniging). Het plan bij de tekst toont het profiel en een half gezicht op het voor- en achterschip met de beplanking. Het werd getekend naar gegevens van J. Quist."

Het duurde nog tot 1942 eer een publicatie het licht zag waarin iets geloofwaardigs over hengsten was opgenomen. In dat jaar verscheen het werk van Maurice Seghers en R. De Bock, Binnenvaartuigen en visschersschepen op de Schelde. Daarin werd een reeks schepen afgebeeld en beknopt beschreven." Twee van de 40 tekeningen tonen een hengst: een grote met bezaantuig (plaat 32) en een kleine met spriettuig (plaat 33). In dit werk werden voor het eerst enkele verschillen aangehaald tussen de hoogaars en de hengst:

De hengst is evenals de hoogaars een platbodem-scheepje van de Schelde, de Zeeuwse en de Zuid-Hollandsche stroomen. De voorsteven is minder vallend dan bij de hoogaars en de achtersteven is rechtstandiger. Het boeisel is minder naar binnen gebogen en het berghout loopt van voor naar achter eerst onder langs het boeisel, zoals bij de hoogaars, maar breekt af vóór het zwaard, en loopt dan verder naar achter, onder langs de volgende huidplank en eindigt op zekeren afstand van den achtersteven.

In het midden zijn hengsten open zoals de hoogaarzen, ze voeren hetzelfde tuig, hebben eveneens smalle zwaarden en brede huidplanken. Ze meten gemiddeld 10 Ton en beoefenen mossel- en garnaalvisscherij evenals de hoogaars. Enkele hengsten komen voor als jacht. De meeste nog in de vaart zijnde hengsten hebben ook nog een motor gekregen, en dus ook een lelijk achterschip.

Tot ongeveer het begin der XXste eeuw kwamen op de Schelde ook tamelijk veel kleinere hengsten voor, die nog het oude spriettuig voerden en gebruikt werden voor transport van materialen voor de dijkwerken, enz." In de loop van de 19de eeuw waren deze kleine hengsten veelvuldig te zien op de Schelde: in Zeeland op het oostelijk deel van de Westerschelde, in Vlaanderen op de Zeeschelde tot Antwerpen en verder zuidwaarts. Misschien waren ze te onopvallend of werden ze niet belangrijk genoeg geacht om de aandacht van auteurs en van de Nederlandse schilders te wekken, met uitzondering van de Belgische Charles Mertens en de Antwerpse tekenaar en aquarellist Henri Seghers. Deze laatste tekende talrijke kleine hengsten, zeilend of afgemeerd op de Schelde.

Ontwikkeling van de hengst

Of de oudst bekende vermelding van een hengst in de rekeningen van de Kieldrecht-Vredepolder van 1655 " betrekking heeft op een grote of een kleine hengst, blijft een open vraag. Waarschijnlijk waren het kleinere vaartuigen die werden ingezet voor dijkwerken, zoals aan het Gat van Sandbergen, een soort werk waarvoor ze nog tot aan hun verdwijning in het begin van de 20ste eeuw werden gebruikt. Overigens, talrijke Zeeuwse vissers werkten mee aan soortgelijke werken, onder meer aan de Sloedam, vooral dan met hun hoogaarzen. Er zijn trouwens geen 17de-eeuwse bronnen bekend, die met zekerheid het bestaan van grotere hengsten bevestigen. Die duiken eerst later op. De kleine heijnst met spriettuig van Groenewegen is mogelijk de oudst bekende afbeelding van zulk scheepje. Het gelijkt op een Zeeuws-Vlaams hengstje, zoals dat in de 19de eeuw op de Schelde voorkwam, zij het met enige detailverschillen aan de tuigage. In Zeeland hadden de Zeeuws-Vlaamse sprietgetuigde hengstjes ook nog een evenknie, namelijk de hengstjes die werden getuigd met een bezaantuig.

Het is vreemd dat deze kleine hengstjes zogoed als nooit te zien zijn op schilderijen of prenten, zelfs niet als achtergrondvulling, dit in tegenstelling tot hoogaarsjes. Nu zijn de oostelijke hoek van de Westerschelde in Zeeland en het noorden van de Zeeschelde in Vlaanderen niet bepaald plaatsen waar veel kunstenaars kwamen, behalve dan enkele verloren gelopen Belgen. De streek langs beide oevers van de Schelde was vele tientallen jaren oorlogsgebied, grotendeels overstroomd en moeilijk bereisbaar. Bovendien vormden deze hengstjes geen opzienbarende verschijning. Ze kwamen echter veelvuldig in Antwerpen, waar soms vissersschepen werden gefotografeerd. Desondanks is er tot op heden nog geen behoorlijke foto van zulke hengstjes onder zeil opgedoken. Er is enkel een prentkaart van omstreeks 1900 met een gezicht op de rede van Antwerpen. Daarop is nabij een kleiner stoomvaartuig (een politieboot of pleziervaartuig?) een hengstje met spriettuig onder zeil te zien.

De afmetingen van dit soort hengstjes worden bevestigd door een officieel document, met name een METINGSBEWIJS (meetbrief), uitgereikt te Antwerpen door de Belgische expertmeter op 9 augustus 1919 aan P.J. Vermont uit Kruiningen. De hengst Maria Louisa, was 9,85 meter lang, 3,15 meter breed en had een tonnenmaat van 8,19 ton. Het vaartuig werd in 1894 gebouwd te Kruispolder. Volgens de lijst van schepen, gebouwd op de werf J.F. De Klerk, werden daar in dat jaar drie nieuwe hengsten gebouwd. Steunend op de prijs, moeten dit grotere schepen zijn geweest". De Maria Louisa werd in augustus 1911 ingeschreven als halfgedekte platbodem, KN 5 (Kruiningen), 8 ton, bestemd voor de mosselvisserij op de Zeeuwse Stromen en op de Zuiderzee. Op 13.11.1925 verhuisde het scheepje naar het Vlaamse Boekhoute. "

Talrijke halfgedekte platbodems worden aangetroffen in de registers van de Zeeuwse vissersschepen. Vele daarvan werden verkocht naar Antwerpen, Zandvliet, Berendrecht, Mariekerke en zelfs naar Tournai (Doornik). " Bij het raadplegen van een lijst met Nederlandse vissershavens uit 1887, waarin de schepen bij hun typenaam worden vermeld in plaats van het vage halfgedekte platbodem, blijkt dat hengsten in de vaart waren in: Bergen op Zoom 2; Bosch-Kapelle 2; Clinge 95; Cortgene 1; Graauw 62; Hontenisse (Kruispolder) 10; Krabbendijke 1; Maassluis 1; Philippine 3; samen 177 schepen. De hengsten hadden doorgaans een tonnenmaat van 8 ton, bij uitzondering 9 ton. Andere Zeeuwse platbodems voor de visserij hadden een tonnenmaat die veelal aanmerkelijk hoger lag: hoogaarzen tussen 15 en 20 ton, schouwen tussen 9 en 12 ton. Uit de lijst kan worden besloten dat de meeste hengsten in Clinge en Graauw (Paal) thuishoorden. In Yerseke ontbraken ze geheel.

In die periode moeten hengsten met een spriettuig als een verdwijnend soort worden beschouwd. In de lijst met schepen, gebouwd op de scheepswerf van J.F. De Klerk te Kruispolder, wordt maar één-maal naar een spriet verwezen:

8. Sept. 1882 Pieter de Rooi Wegens het overnemen van een ouden Hungst, den 10 September 1882, Volgens overeenkomst zonder mast, Spriet...

Op 22 september van hetzelfde jaar werd nog voor 3 gulden herstellingen aan dezelfde spriet uitgevoerd", (Bijlage III). Later werd steeds een gaffel en/of boom voor een bezaantuig vermeld. Meestal werd een onderscheid gemaakt tussen een gebogen en een rechte (essen) gaffel, wat een verschil in prijs meebracht.

In de chronologische lijst van De Klerk zijn nog meer aanwijzingen over de bouw van hengsten te vinden. Zo werden sommige schepen gebouwd met een olmen vlak, liggers, roer en zwaarden, andere geheel in eik. Aanvankelijk werden geen afmetingen vermeld en kan enkel van de prijs worden afgeleid of het om een groter of kleiner vaartuig gaat. Eerst in 1891 wordt de lengte van het vlak genoemd. Het is een feit dat hengsten door de band 15 à 17 ton en meer groot waren, bijna het dubbele van de kleine hengsten, want een gewone hengst was 16 tot 27 ton groot. Dit blijkt uit een Meetbrief voor binnenvaartuigen, uitgeschreven te Dordrecht op 8 augustus 1904. Daar had men blijkbaar geen meetbrief voor vissersschepen, of misschien dacht men daar ook dat een hengst een binnenschip was. De gewone hengst was om en bij de 12 meter lang, getuige de meetbrief van 1904. Daarop wordt een lengte van 11,80 meter vermeld, een breedte van 4,22 meter. Tonnenmaat Zeventien duizend vierhonderd zeven en twintig kilogram (17,427 ton).

De grote of gewone hengst

Uit de literatuur over de hengst is reeds gebleken hoe weinig de meeste auteurs van het scheepstype afwisten. Steeds werd verwezen naar de hoogaars. De hengst mag dan wel een Zeeuwse platbodem zijn met een rechte, vallende steven en gebouwd met een gelijkaardige indeling van de romp, verder gaat de vergelijking niet op. Vergeleken met een hoogaars, heeft een hengst een ander silhouet, andere lijnen en is hoekiger gebouwd, stugger dan de hoogaars.

De Lemmerhengst

Voor de bouw van een Zeeuws vissersschip werd vrijwel nooit een plan getekend of gebruikt. Misschien was dat op de werf van J.F. De Klerk wél het geval. In de lijst van bij De Klerk gebouwde schepen werd in 1899 (nr. 342) Wegens een Nuie-wen Huingst, Model Lemmer-Huingst gebouwd, groot 35 voet Vlak met bylevering van masten giek Roer en zwaarden en 2 boomen en 2 riemen en 1 aak gebogen gaffel en 2 Pompen.

In juli 1899, (nr. 345) liep andermaal een schip van stapel voor Den Heer Johannes van der Heyden schipper te Couterlinge. Wegens voor hem gemaakt een Nieuwen Huingst Model Lemmer Jacht volgens Accord en Overeenkomst van den 16 February 1899. Beide schepen waren aanzienlijk duurder dan een gewone hengst. Dat kon niet anders, rekening houdend met het groot aantal knieën en oplangers. Deze Lemmerhengsten van De Klerk waren bijna zeker de eerste in Zeeland gebouwde Lemmer-hengsten.

Dat men op de werf J.F. De Klerk te Kruispolder niet scheen vast te houden aan de traditionele werkwijze om een schip zonder plan op het oog te bouwen, wordt onderstreept door het plan van een Lemmerhengst. Ontwerp voor een Lemmervaar-tuig - schaal 1/ 20. Deze hengst was niet bepaald een klein schip en bleek nauwelijks koplast te hebben. Door wie en waarom dit plan werd getekend, is niet duidelijk.
Het nieuwe scheepstype kreeg niet direct navolgers, want het duurde tot 1902 eer vele andere - wat meer vooruitstrevende - schippers een Lemmerhengst bij de Klerk bestelden. Het type, ook Lemsterhengst genoemd, was een kruising tussen een hengst en een Lemmeraak. De reden voor de verspreiding van deze schepen in Zeeland dient gezocht te worden in de aanvoer van mosselzaad uit de Zuiderzee. De Zeeuwse hengsten hoogaarsschippers leerden de Lemsteraken kennen als geduchte concurrenten. Ook schippers uit Bruinisse gingen mosselzaad in het Noorden halen, dikwijls met Lemsteraken, ook Lemmer-jacht of kortweg jacht genoemd. Het woord jacht moet hier worden begrepen in de betekenis die het reeds in de 16de eeuw had: een snel schip, een jager, waaruit het woord ventjager is ontstaan. Die namen de vracht van vissersschepen over om ze in de kortst mogelijke tijd naar de markt te brengen. Het moesten dus snelle schepen zijn. De Bruinisser vissers hadden deze schepen laten bouwen bij de Gebr. de Boer en van Bos te Echtenerbrug en bij A. van der Zee te Joure. " Tijdens de mosselvaart werd vastgesteld dat een ongeladen hengst de gelijke was van een Lemmeraak, maar dat een met mosselzaad geladen hengst het moest afleggen tegen een Lemmeraak. De geladen Bruinisser Lemmerjachten bleken sneller aan de Antwerpse markt te komen dan de andere schepen en kregen daardoor betere prijzen voor hun vracht, wat uiteraard evenmin onopgemerkt bleef. In Zeeland werd getracht de snelheid van de aak te koppelen aan het voordeel van de platbodem, zoals een hengst, die moest kunnen droogvallen. De Lemsteraak was namelijk een rond schip met een lage kiel en een rond, getild vlak.

Het einde

Toen het werk van Maurice Seghers & R. De Bock verscheen (1942), werd nog een beperkt aantal houten hoogaarzen en hengsten als vissersschip gebruikt. Ze waren praktisch alle met motor uitgerust en de meeste vertoonden daardoor een min of meer geschonden silhouet. Bij vele werd het boeisel verhoogd, de romp geheel gedekt en bezet met een stuurhuis. De mast werd ingekort, het zeil verkleind en de zwaarden werden verwijderd. De houten schepen werden echter al vóór de Tweede Wereldoorlog stilaan vervangen door stalen kotters. De oorlog bespoedigde het verdwijnen van de traditionele, in hout gebouwde Zeeuwse vissersschepen. Talrijke vaartuigen werden door de Duitse bezetter opgeëist voor militaire doeleinden. Ze kwamen nooit terug, Sommige werden vernield door oorlogshandelingen, andere gesloopt of verdwenen zonder een spoor na te laten. De oude schepen werden in schorren en haventjes als Emmahaven en op het strand van Bergen op Zoom achtergelaten. Daar vervielen ze op korte tijd tot wrakhout of verzonken door verlanding, terwijl andere als brandhout in rook opgingen. Uitzonderlijk werden enkele hengsten en Lemmer-hengsten gered en omgebouwd tot pleziervaartuig.

Consent 2021 voorjaar: De Lemmerhengst - Een beknopte beschrijving

Je zou denken dat in de dertig voorgaande Consenten er eerder aandacht aan dit scheepstype geschonken zou zijn. Maar dat is niet het geval. Deze omissie maken we nu goed: in dit artikel een korte beschrijving, en, verderop, in een volgend artikel, een weergave van een gesprek met een bouwer over de aanpak.

De lemmerhengst is een ontwikkeling van de hengst, een visserschip, dat vooral ingezet is voor de mossel- en garnaal-visserij vanuit de havens aan de Westerschelde. In het boek De Hengst, waar deze beschrijving veel gegevens vandaan heeft, pluist de auteur, Jules van Beylen, de herkomst van de hengst uitgebreid uit.
Tegen het einde van de 19e eeuw leerden de Zeeuws Vlaamse hengsten (en hoogaarzen) de lemmeraak kennen als concurrent bij de vaart op de Zuiderzee toen de verschillende typen schepen ingezet werden bij het halen van mosselzaad. De schippers van Bruinisse gebruikten veelal lemmeraken, ook lemmerjachten genoemd. Ongeladen op de heenweg deden de hengsten niet onder voor de aken. Maar op de terugweg, volgeladen, lieten de aken hun ronde kont zien aan de hengsten. Het is een groot voordeel om eerder op de markt te zijn met de koopwaar! En zo groeide de vraag om een sneller schip. Waarom dan niet meteen een lemmeraak genomen? Het antwoord daarop is wel duidelijk: een lemmeraak is een rond schip met een ondiepe kielbalk en een rond, getild vlak. En dat is bepaald een nadeel als je regelmatig wilt droogvallen! Het moest dan maar een kruising worden, gericht op de praktijk van de mosselvisserij en met behoud van alle goede vaareigenschappen.
Een 'ronde konte', ook wel een 'lemmergat' of 'boeiergat' leek de belangrijkste oplossing te zijn. Enerzijds 'Iaat die vorm het water beter los', anderzijds geeft ze meer draagvermogen, dus meer snelheid aan het beladen schip. Maar het platte vlak van de hengst bleef. De eerste lemmerhengst liep in 1899 van de helling bij de Werf J.F. de Klerk te Kruispolder.


De Steekhengst

Eén van de hengst-types was de Steekhengst in gebruik bij het zalmsteken. Steken bestonden uit een rij palen dwars op de oever met daartussen gevlochten schuttingen van lange wilgetenen. In die schuttingen moesten de openingen tussen de twijgen tenminste 10 x 20 cm bedragen. Steken werden in 1913 gebruikt in het Haringvliet (22 stuks), de Oude Maas beneden Spijkenisse en Botlek (10 stuks), de Brielse Maas tot aan zee (46 stuks), op de Scheur en de Nieuwe Waterweg (18 stuks) en op het Hollands Diep beneden de Moerdijk (5 stuks). In de 18e eeuw en daarvoor waren ze ook veel te vinden in de zuidelijke Biesbosch. Van de steekschuit geeft Van Konijnenburg een tekening met afmetingen 8,1 x 2,5 meter.

In het algemeen is de meest betrouwbare bron over de vorm van een boot altijd nog een foto. Eerst is gezocht bij de oudheidkundige vereniging van Zwartewaal. Dit leverde een informant, namelijk A. van der Zee te Zwartewaal die als kind deze schuiten zelf had gezien. De tekening van Van Konijnenburg werd vergroot en gaf bij Van der Zee de reactie dat steekschuiten midscheeps een bun hadden en achter een klein achterhuisje met bank. Verder waren ze geheel open. Dat moest ook wel, want met die schuiten werden ook de lange, zware palen vervoerd waarmee de steek in de grond werd vastgezet. Deze palen lagen vanaf de achterbank over het gehele schip om naast de voorsteven overboord te steken. 
De reconstructie van de Steekhengst is gedaan op de maten van Van Konijnenburg. De vorm is getekend met de foto voor ogen. Het binnenste kon worden getekend naar het model van de steekschuit. Het tuig is getekend naar het tuig van de modellen. Ze werden gebruikt in de Botlek, op de Scheur beneden Maassluis en in de Biesbosch; ze zeilden bijzonder goed. Ook waren het waakzame en zeewaardige schepen.


Spiegel der Zeilvaart juni 2015 nummer 5 - Steekhengst gered van uitsterven

De Steekhengst is een onbekend scheepstype; alleen Gerrit Schutten noemt het in zijn boek "Verdwenen Schepen". Door diepgravende studie van Peter Hamer is er nu echter veel boven water gekomen. We moeten terug naar 1899 tot 1903 toen in Den Briel vier Steekhengsten werden vermeld, van 1903 tot 1911 werden twee zalmsteekhengsten vermeld. Na 1947 is er over dit type niets meer terug te vinden. Wel wist Peter Hamer te achterhalen dat de steekhengst 'Boreas' die in Kortenhoef werd "gelicht", op de werf van Richter Uitdenbogaardt in Maassluis moet zijn gebouwd. Na 1947 is er over dit type niets meer terug te vinden. Wel wist Peter Hamer te achterhalen dat de steekhengst 'Boreas', die in Kortenhoef werd "gelicht", op de werf van Richter Uitdenbogaardt in Maassluis moet zijn gebouwd. In de negentiende eeuw was de zalmvisserij een belangrijke bedrijfstak waarmee grote inkomsten werden gegenereerd. In 1885 werden er in de Maasmond maar liefst 100.000 zalmen aangevoerd. Het visrecht was verdeeld in verschillende afdelingen: visserij met de grote zalmzegen, visserij met drijfwant en< visserij met zalmsteken en stallen en daaraan verbonden fuiken, korven, kubben, schutnetten, enz. Elke afdeling was onderverdeeld in geografisch nauwkeurig omschreven percelen en bepalingen over het maximaal aantal steken of het toegestane aantal schepen.

Spiegel der Zeilvaart december 2015 nummer 10 - Twee IJzeren Steekhengsten

Na de publicatie over de 'Boreas' in de Spiegel ontving Peter Hamer van Stichting Behoud Hoogaars bericht van Gerard van Stokkum, eigenaar van de Gouwe Slak. Hij schreef: 'Ik las het bericht over de 'Boreas', de laatst overgebleven steekhengst etc. De betreffende werf, Richter Uitdenbogaardt te Maassluis, heeft in 1903 nog twee ijzeren steekhengsten gebouwd. Die zijn beide nog in de vaart. Een daarvan is de 'Gouwe Slak' en hoort mij. Hij ligt in Kampen. Volgens informatie van internet zou die boot bij u als Hoogaars zijn geregistreerd, toenmalige eigenaar Giel Payens. Voor het schrijven van een artikel lees ik me altijd zoveel mogelijk in. Bij de 'Boreas' was ik wat bevooroordeeld omdat iedereen sprak over 'de laatst bewaarde steekhengst'.
Het betrof hier echter het laatst overgebleven houten exemplaar. Ik zocht niet veel verder. Dom. Dom! En als ik de index van de Spiegel wat zorgvuldiger had bekeken, dan was ik zeker het artikel van Gerrit Schutten in 1997 tegengekomen, getiteld: 'Hengsten, niet alleen in Zeeland'. In zes pagina's beschrijft Schutten steekhengsten, mosselhengsten, garnalenhengsten en de Lemmerhengst. Hij maakte ook een reconstructietekening van een steekhengst van 8 x 2,4 m, gemaakt aan de hand van de maten van Konijnenburg. 

Spiegel der Zeilvaart mei 2016 nummer 4 - 35 jaar 'De Gouwe Slak'

In het artikel over twee ijzeren steekhengsten, in SdZ2015.10, is ten onrechte de indruk gewekt, dat de gouwe slak vanaf 1979 tot heden in het bezit is geweest van de huidige eigenaar. Ook het ware relaas over de vele verbeteringen aan het scheepje was verre van volledig en daarom hier het complete verhaal.
Joke Rijnveld was met haar man al een tijdje op zoek naar een geschikte, maar niet te dure boot. In 1977 stond er een advertentie in de vaarkrant van De Telegraaf: hoogaars te koop. Het scheepje heette toen 'Goevaert'. Zo gauw ze het schip in Hindeloopen zagen liggen, waren ze verliefd op de lijn. Het schip was van Ton Bruns, die later, van 1996- 2001, met zijn andere zeiljacht 'Tonkin' een reis om de wereld maakte. De hoogaars werd gekocht door de familie Rijnveld en van Hindeloopen, verkast naar Sloten en daarvandaan naar Aalsmeer, waar jachthaven Dragt jarenlang de thuishaven was. Op de Westeinder werd veel gezeild. Opkruisen van lager wal naar de hoge wal en dan voor de wind terug. Zo werd met twee opgroeiende kinderen 24 jaar met de 'Gouwe Slak' gezeild, tot Joke's man ziek werd en in 2001 overleed. Daarna heeft de bevriende familie Payens er nog enige jaren mee gevaren en het droevige afscheid was eind 2012 in een verkoophaven in Aalsmeer.


Scheepstype: Boeieraak (Zeeuws vissersschip)

Inleiding

De Boeieraak CLN16 in de haven van Paal 1937

Het type wordt slechts in één werk uit het begin van de 20e eeuw genoemd

Over de Boeieraak bestaan er geen oude teksten, waarin dit boottype wordt vermeld. De Boeieraak is pas te zien op enkele foto's die omstreeks het eind van de 19e eeuw in o.a. Yerseke en Terneuzen werden gemaakt. Een ets uit ca. 1880, vervaardigd door de Antwerpse kunstenaar Henri Seghers (1848-1919) en bewaard in het Nationaal Scheepvaartmuseum te Antwerpen, stelt ook een Boeieraak voor. Naar bekend is wordt het type slechts in één werk uit het begin van de 20e eeuw genoemd. Pas in 1942 werd een goede tekening gepubliceerd (M. Seghers en R. de Bock: 'Binnenvaartuigen en vissersschepen op de Schelde rond 1900', Antwerpen 1942).

Men heeft evenwel gegevens omtrent de Boeieraak gevonden in de registers van 1896 van de werf De Klerk in Kruispolder (Z.VI.); de betreffende boot was echter niet voor de visserij bestemd, maar voor het vervoer van kaas. Ook elders, bij Mulder in Nieuw-Lekkerland (ZH) bijv., werden boeieraken gebouwd. In 1952 vond men een na genoeg gaaf wrak van een Boeieraak op een zandbank bij Bergen op Zoom.

De Boeieraak wordt een Zeeuws type vissersvaartuig genoemd, omdat hij alleen in Zeeland voor visserij-doeleinden werd gebruikt. Het type is verwant aan de IJsselaak, een vrachtboot die de IJssel en de Hollandse stromen bevoer. Deze IJsselaak was van staal en langer dan de Boeieraak. Het roer van de twee typen had dezelfde vorm. Vermoedelijk is de Boeieraak, evenals de hoogaars, via de grote rivieren in Zeeland geïntroduceerd en daar aangepast voor de visserij. De inrichting van de romp werd dezelfde als die van de andere Zeeuwse boten met een door getrokken achterdek.

De Tijdlijn van de Zeeuwse Boeieraak

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Typebeschrijving van de Zeeuwse Boeieraak

  1. Geschiedenis van de Zeeuwse Boeieraak
  2. Beschrijving van de Zeeuwse Boeieraak
  3. Tuigage

Kenmerken van de Zeeuwse Boeieraak

  1. De Zeeuwse Boeieraak als werkschip
  2. De Zeeuwse Boeieraak als jacht
  3. Algemene kenmerken
  4. Kenmerkende verhoudingen
  5. Verklaring in tekening

Publicaties over de Zeeuwse Boeieraak in het Stamboekarchief

De Boeieraak in Zeeuwse vissersschepen van de Ooster- en Westerschelde - Jules van Beylen 1961

Dit Zeeuws vissersvaartuig is zo mogelijk nog zeldzamer en nog minder bekend dan de Zeeuwse schouw. Bronnen betreffende het schip zijn dan ook uiterst schaars. Oudere afbeeldingen of vermeldingen zijn ons niet bekend. Eerst op het einde van de 19e eeuw treffen we het schip aan op enkele foto's van de Zeeuwse wateren, o.m. te Yerseke en Terneuzen. Op een potloodtekening van omstreeks 1880, door de Antwerpse tekenaar Henri Seghers, uit de verzameling van het Nationaal Scheepvaartmuseum te Antwerpen, staat eveneens een dergelijk schip afgebeeld. In het begin van de 19e eeuw wordt het vaartuig voor zover ons bekend in één werk vermeld (51). Eerst in de laatste jaren kon men een betrouwbare tekening in de literatuur terugvinden.

Vermeldingen betreffende de boeieraak vonden we in het rekeningenboek van de scheepswerf J. F. De Klerk te Kruispolder:

  • Den Heer Steven Duinkerke Schipper te Ierzeke Debiet aan J. F. de Klerk Scheepstimmerman te Hontenisse wegens voor hem gemaak en gelevert een Nieuwe Boeieraak met de daar bij behoorende toebehooren, afgeleverd den 30 April 1896;
  • Den Heer P. J. Van der Heyden Negotiant te Nueiwnamen Debiet aan J. F. de Klerk Scheepstimmerman te Hontenisse Kruispolder wegens voor hem gemaakt een Nueiw Boeieraak volgens overeenkomst op datum 22 Juli 1899.

Op te merken valt dat dit schip door een «negotiant» en niet door een visser besteld werd. Het schip was namelijk bestemd voor het vrachtvervoer van kaas.De nota's bewijzen tevens dat de boeieraken o.m. in Zeeland ge­bouwd werden.

Ook te Lekkerland werden boeieraken gebouwd op de werf van A. Mulder. Gegevens over deze schepen zijn echter zo goed als onvindbaar. Het mag dan ook een geluk heten, dat wij in 1952 nog in staat waren een boeieraak op te meten, die wrak op het strand van Bergen op Zoom lag. Een model op schaal 1:10 van dit schip bevindt zich nu in het Maritiem Museum «Prins Hendrik» te Rotterdam. Na de laatste oorlog waren nog slechts enkele exemplaren in de vaart.

Alhoewel wij de boeieraak hier bij de Zeeuwse vissersschepen rekenen wil het ons voorkomen, dat dit schip oorspronkelijk op andere wateren thuishoorde in een niet zo heel ver afgelegen tijdperk. Vermits echter de boeieraak enkel als vissersvaartuig gebruikt wordt in Zeeland, wordt dit scheepstype normaal bij de Zeeuwse vissersvaartuigen ge­rekend.

De naam boeieraak wordt nog gegeven aan een vrachtschip, ook IJselaak genoemd, dat voornamelijk op de Hollandse rivieren, vooral op de IJsel gebruikt werd. Deze schepen zijn echter in staal gebouwd. In grote lijnen gelijkt dit schip zeer goed op de Zeeuwse boeieraak doch is als vrachtschip langer. Het roer heeft dezelfde silhouette bij beide scheepstypen. Dit laat vermoeden dat de boeieraak evenals de hoogaars langs de grote rivieren tot in Zeeland bekend geraakte en daar als vissersvaartuig aangepast werd, waardoor het o. m. dezelfde indeling van de romp kreeg, voor zover als na te gaan is, enkel met een doorgetrokken achterdek.
De naam van het vaartuig wijst er op dat we ook hier met een aakgebouwd vaartuig te doen hebben. De oorsprong en de betekenis van het deel « boeier » is ons echter niet duidelijk (opgeboeide aak ?).
Het vlak is in het voor- en achterschip hoog opgebrand en versmalt vrij sterk naar boven toe, waar het vóór tegen het bovenliggend boeisel stoot en achter tegen een massieve balk die op de kop van de achtersteven ligt en het boeisel aldaar opvangt en vervangt.
In tegenstelling met de schouw heeft de boeieraak een constructief ingewerkte voorsteven en scheg.
De beplanking is geheel gladboordig.
De spantvorm ziet er midscheeps als volgt uit : de lijn kim - berghout staat lichtjes bol. Boven het berghout staat het licht naar binnen hellend boeisel, dat op die plaats recht is. In het voorschip echter, d.i. van even voorbij de mastbank, heeft dit opboeisel in het midden een lichte knik die in de boegen het sterkst is en daarna tegen de steven weer verdwijnt. Deze knik ligt ter hoogte van het dek, dat op die plaatsen door het boeisel heen steekt. De knik wordt veroorzaakt door het meer naar binnen buigen van het onderste deel van het boeisel. In het achterschip ziet men hetzelfde — inbegrepen het door het boeisel stekend dek — maar het boeisel eindigt hier tegen het oplopend vlak en tegen de onderzijde van de reeds voornoemde massieve balk op de achtersteven.

Het berghout is midscheeps vrij recht gehouden en buigt slechts omhoog in voor- en achterschip. Ook de bovenkant van het boeisel is vrij recht, behalve in het voorschip waar het lichtjes omhoog gaat. Over de grootste lengte ligt het berghout tamelijk laag zodat men een breed boeisel heeft.
Ook bij dit soort schepen kwamen verschillen in lijn voor. Op een afbeelding van een boeieraak van rond 1900 kan men uitmaken dat sommige schepen een hogere kop en een hoger achterschip hadden en beslist mooie schepen moeten geweest zijn.
Het inzetten van het spantwerk is een methode die iets van de hoogaars en iets van de hengst heeft. De knieën zijn zoals bij de hoogaars verlengd door een klos. Maar tussen iedere twee knieën ligt maar één ligger zoals bij de hengst. Wat echter alleen op de boeieraak voorkomt is het afdekken van de koppen van de klossen door een potdeksel, dat feitelijk een verlenging van het achterdek is, op dezelfde hoogte doorloopt, door het opboeisel steekt en tegen de zwaardknie eindigt.
Merkwaardig was het verlagen van het boeisel over de gehele lengte van het ruim, zoals dit voorkwam op het door ons opgemeten schip.
Het verblijf van de bemanning was op ditzelfde schip voorzien in het vooronder. Uit de hiervoor vermelde nota uit het werfboek van J. F. De Klerk blijkt echter dat dit verblijf soms ook in de beun kon ingericht worden.
Naar uit de weinige voorhanden zijnde afbeeldingen vast te stellen is, werd de mast van het bezaantuig geplaatst op iets minder dan 1/3 van de scheepslengte en gelijkt dit tuig met betrekkelijk kleinere fok en groter grootzeil op dit van de schouw. Maar deze schepen schijnen in het algemeen ook langer dan het schip dat wij konden opmeten, waar de mast ongeveer op 1/3 stond.

Uit wat voorafgaat treedt duidelijk naar voor dat men bij deze schepen talrijke detailverschillen aantreft, waardoor een strakke lijn moeilijk vol te houden is. Alhoewel de grote vormen van de onderscheiden scheepstypes analoog zijn, moet men er toch rekening mede houden dat deze schepen werktuigen waren die naar de hand en de voorkeur van de gebruiker ervan gezet werden, waardoor deze variaties vanzelfsprekend worden.


Scheepstype: Zeeuwse schouw

Inleiding (Werkgroep Documentatie Stichting Behoud Hoogaars)

Werkgroep Documentatie Stichting Behoud Hoogaars: De Zeeuwse schouw

Als je bootjesmensen vraagt 'Wat is een schouw', dan wijzen ze haast altijd naar de Friese- of Zeeschouw, een hoekig model schip van een meter of 10 lang. Stel dezelfde vraag aan een inwoner van de Zuid-Hollandse polders, dan praten ze over de polderschouw, een ondiepe platte schuit in lengte variërend van 4 tot 9 meter. Volgens het Maritiem woordenboek Seeman (1682) is een schouw "een praam, met name om paarden en wagens over een water of rivier te zetten, ook Pont genoemd". Als er één ding kan worden gezegd over schouwen, dan is het dat ze in soorten en maten en allerlei verschijningsvormen voorkomen. Vandaag de dag kennen we de schouw onder veel benamingen: naast de al genoemde zijn er nog de Vletschouw, de Zeeschouw, de Zalmschouw en zo meer. G.J. Schutten onderscheidt in zijn boek "Verdwenen Schepen" (Zutphen 2004, ISBN 90 5730 298 5) 52 verschillende typen die onderling kennelijk voldoende herkenbaar zijn in afmetingen en constructie voor een aparte beschrijving. Veel typen zijn vernoemd naar de gebruiksregio of de bouwplaats, anderen naar het specifieke gebruiksdoel. Zo werden in de Zeeuwse Delta schepen doorgaans benoemd naar hun thuishaven. Dat leidde voor schouwen tot een viertal benamingen, waarvan de verschillen al heel lang onderwerp van gesprek zijn.
Dat leidt weer tot de vraag:

"De Zeeuwse schouw" in Consent 2023 nr39

Wat is een Zeeuwse schouw?

Deze vraag kwam naar boven in het begin de jaren 1990 bij de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten. Er was een werkgroep samengesteld om te onderzoeken of de schouwen in het algemeen goed beschreven stonden in de criteria van het Stamboek. Zoals dat dan gaat werd er veel gepraat en geschreven. Omdat het hier een Zeeuws scheepstype betrof is de werkgroep te rade gegaan bij Jules van Beylen, kenner van de Zeeuwse scheepstypen bij uitstek. Van Beylen heeft op de vraag van de werkgroep gereageerd met een zeer uitgebreide brief van tien pagina's (23 juni 1996), die opdook in de archieven van de SSRP. Aanzicht van een Zeeuwse schouw, beplankt met twee boorden. Door J. Van Beylen in: Zeeuwse Vissersschepen van Ooster- en Westerschelde.

In het volgende artikel geven we de belangrijkste passages uit de brief weer, waarin zijn uiteindelijke conclusie diepgaand wordt beargumenteerd:
De Zeeuwse schouw dient te worden gezien als een klasse van schepen, waarin verdere onderverdeling in typen (Philippiense, Thoolse, Bergense schouw) niet mogelijk is vanwege het ontbreken van voldoende gegevens.

Van Beylen schrijft:
"Het benoemen van schouwen die in Zeeland voorkwa­men, is steeds een moeilijke zaak geweest. In 1982 greep daarover al een verwarde discussie plaats bij de Technische Commissie van het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond (K.N.W.V.), schreef mij toen Th. Huitema. De aanleiding tot de discussie was het toekennen van een tijdscorrectiefactor voor de schouwen uit Zeeland en de zeeschouw. De heer Huitema vroeg mij toen: Zelf heb ik altijd gemeend dat de naam Zeeuwse schouw -Tholense schouw ­Bergense schouw - schouw van Philippine betrekking heeft op een en hetzelfde schip en er dus geen onderling verschil is. Het probleem met schouwen is, dat men over te weinig betrouwbare bronnen beschikt om zowel de herkomst (bouwplaats), als de onderlinge verschillen in bouwwijze (techniek en type) met elkaar te vergelijken. Er is nooit en op tijd - ook niet in de eigen regio - belangstelling geweest voor de kleine en weinig bekende vissersschepen uit het vrij afgelegen gebied dat Zeeuws-Vlaanderen en zeker Zeeland nog was tot lang na de Tweede Wereldoorlog."

"Toen ik in 1943 leerling-modelbouwer van Maurice Seghers (1883-1959) werd en belangstelling kreeg voor Zeeuwse vissersschepen, ervoer ik dat men de vaartuigen - hoogaarzen, hengsten e.a. benoemde naar hun thuishaven: TH, VLI, ARM, YE, VE, GRA, BZ, enz.
Een vaartuig met TH werd steevast een Tholense of Thoolse schouw of hoogaars genoemd. Welke dan de eigen kenmerken van die schepen waren, bleef in het duister. Omdat ze het registratiemerk TH voerden ging men er vanuit dat de schepen daar vandaan kwamen, er gebouwd waren en er hun thuishaven hadden. Een schouw met Pl was een schouw van Philippine, geen Philippiense schouw, want die kende men niet. Anderen hadden het over een Bergense of Bergse schouw (BZ), wat dat dan ook zijn kon. Het is een feit dat Maurice Seghers ook niet alles over schouwen wist. Maar het weinige dat men toen wist, kwam van hem want niemand had zich daar mee bezig gehouden.
Gaandeweg heb ik ervaren dat de opvatting over schouwen niet strookte met de werkelijkheid. Een TH-schouw is niet noodzakelijk in Tholen gebouwd en dat geldt ook voor de andere schepen. Maurice Seghers was in de eerste plaats kunstschilder en de historische en technische facetten kwamen op de tweede plaats. Vooral over het laatste bestond nauwelijks literatuur.
 
Wat ik over schouwen weet, is afkomstig van Maurice Seghers en van de documentatie en de informatie die ik verzamelde. Zelf heb ik maar één echte schouw opgemeten en in plan gebracht: de BZ 1(thuishaven Bergen op Zoom; red.). Andere schouwachtige vaartuigen heb ik eveneens opgemeten en/of gefotografeerd, maar er geen plan van getekend. Ik betwijfel of ik alle in die tijd nog bestaande schouwen heb gezien.
In de bekende werfboeken wordt een schouw hoogst zeldzaam aangetroffen. In een lijst (1873-1924) van de werf "Moed en Trouw" van Verras te Paal, staat niet één schouw vermeld. De lijst is echter niet volstrekt volledig. In 1912 werd er blijkbaar wel een schouw gebouwd en nog ééntje in 1935. Mag men deze twee vaartuigen Paalse schouw noemen? In het werfboek van de werf J.F. De Klerk te Kruispolder (1882-1960) werd in 1911 één vaartuig model schouw gebouwd en worden een aantal schouwen of schouwtypen (boten) vermeld waar reparatiewerk aan uitgevoerd werd. Wie kan zeggen of en wanneer welke schepen er ooit op de reparatiewerf van Van der Velpen in Philippine zijn gebouwd? Bij Meerman in Arnemuiden zijn nogal wat schietschouwen te water gelaten, zijn dit dan Arnemuidense schouwen?"
Tot zover de brief van Van Beylen.

Geschiedenis

De schouw is een heel oud scheepstype, waarvan de naam al in de 13e eeuw opduikt in het Reglement voor de scheepvaart op het Zwin uit 1252. Dan heet het nog een scoude. Of we het dan hebben over eenzelfde model als wat we er tegenwoordig onder verstaan is niet meer te achterhalen. Er zijn geen afbeeldingen van bekend. Opvallend is dat tot het einde van de 17e eeuw op tekeningen en schilderijen nauwelijks knik-spant schepen zijn afgebeeld, kennelijk werd er op de rivieren en in Zeeland vooral met ronde schepen gevaren. (Red JPL: Of betekent het dat de schilders en tekenaars in die tijd de ronde schepen mooier vonden om af te beelden?) Pas tegen 1700 verschijnen er kleine bootjes die met enige fantasie op schouwen lijken. Mogelijk waren de mosselscheepjes, waarvan Smallegange in zijn Cronyk van Zeeland (1700) spreekt en die die vanuit Tholen op mosselen visten, ook schouwen? In de Hollandse tol registers komen schouwen al in de tweede helft van de 16e eeuw regelmatig voor. Het waren eenvoudige, trage, maar goedkoop te bouwen schepen met een groot laadvermogen. Vermoedelijk daarom zijn ze eeuwen lang in gebruik gebleven, in de Delta voornamelijk in de oostelijke, meer beschutte wateren. Zo blijkt uit de registers van in 1875 uitgegeven visserij consenten (Zeeuws Archief) dat de meerderheid van de 48 geregistreerde schouwen in Tholen (12) en Bergen op Zoom (24) thuis hoorden.


De schouw is in de loop van de 19e eeuw geleidelijk vervangen door andere scheepstypen, zoals blijkt uit een overzicht van de in Tholen uitgegeven akten van Consent. Uit een totaal overzicht van de uitgegeven consenten is op te maken dat vanaf het midden van de 19e eeuw de schouwen toenemend werden vervangen door hoogaarzen. In de rest van Zeeland was de hoogaars altijd al dominant, op korte afstand gevolgd door de hengst. Hoewel de overgang naar andere scheepstypen in heel Zeeland het geval was, is dit het duidelijkst gedemonstreerd in de registers van Tholen en Bergen op Zoom in de grafiek hierboven.


Van Beylen vervolgt:
"Al deze vraagtekens zijn misschien te beantwoorden indien eens een grondig historisch onderzoek naar de geschiedenis van deze vaartuigen zou worden ondernomen. Of dat onderzoek enig licht zou werpen op het onderscheid tussen de schouwtypen, is moeilijk te voorspellen. Zonder twijfel hebben meerdere varianten van schouwen bestaan. De criteria voor het typeren van deze vaartuigen zijn nooit in een tekening vastgelegd en een eigentijds model, zoals dat van F. Van de Gool berg (Pl14, in de verzameling van het MAS te Antwerpen; red.), vormt een rariteit. Eigentijdse plans (Red JPL: tekeningen) waarvan de kenmerken van de verscheiden typen zouden kunnen worden afgelezen, zijn niet bekend, noch halfmodellen, noch voldoende gedetailleerde afbeeldingen."

De brief gaat verder met een zeer uitgebreide discussie over wat hij wel en niet heeft gezien en/of opgemeten, en de vele vraagtekens die daarbij opkomen. Maar uiteindelijk is er maar één conclusie: als er al verschillende typen schouwen in Zeeland zijn geweest, is het door het ontbreken van constructieve gegevens, en omdat er veel twijfel bestaat over de herkomst en de bouwwijze, niet meer mogelijk om die te benoemen.

"De Zeeuwse schouw is dus een typenaam. De nadere aanduiding Thoolse-, Phippiense- of Bergense schouw is ongefundeerd. Het enige definieerbare subtype is de Lemmerschouw omdat deze een aanwijsbaar ander achterschip heeft (Lemmerkont)."


Uit verdere verloop van de brief zijn de volgende eigenschappen van de schouw te distilleren:
De Zeeuwse schouwen hebben een aantal kenmerken gemeen: het zijn allemaal schepen met een vlakke bodem, die naar voor (altijd) en achter (soms) eindigt in een heve, die voor breder is dan achter. Verder werden schouwen gebouwd met twee, dan wel drie boorden onder het berghout. Van Beylen wijt dit aan de beschikbaarheid van voldoende breed hout, en concludeert dat de modellen met twee gangen vermoedelijk de oudste zijn.
Sommige schouwen hebben een valse voorsteven. Van Beylen noemt een schouw die hij vond in de haven van Boekhoute, die veel weg had van een Friese schouw met spiegel en voorbord, maar het is niet bekend waar ze gebouwd was, en of het daarom een Boekhouts type vertegenwoordigde.
De TH7 had drie gangen onder het berghout, de kont was gebouwd met een dwarse klos en een heve. De schouw Pl14 was gebouwd met een klos aan het voor- en aan het achterschip, net zoals de Bergse schouw BZ1 (zoals opgemeten en getekend door Van Beylen).
Schouwen met een lemmerkont zijn vermoedelijk ontstaan omstreeks 1900 toen men hoogaarzen en hengsten met een lemmerkont begon te bouwen.
Constructief en waar het betreft indeling komen de schouwen overeen met de hoogaars. Het boeisel wordt op de bovenste huidgang gelegd en het berghout op de onderkant van het boeisel. Bij de schouw met twee boorden onder het berghout ligt het berghout iets lager dan bij de schouw met drie boorden. Daardoor is bij het eerste type het boeisel wat breder dan bij het tweede. Over het rechte deel van het vlak, loopt het berghout voor het grootste deel zo goed als evenwijdig met het vlak. Ter hoogte van het begin van de voor- en achterheve loopt het berghout in een vlakkere bocht naar respectievelijk de kop- en kontklos. De scheg stak aan de achterkant dieper dan het vlak. Zodoende vormde deze een bescherming voor het vissende roer, dat van aan de scheg naar achteren een nog dieper stekende kromming had.
De schouw heeft geen kielbalk.
Bij sommige schouwen, onder meer bij de Pl14 en de TH7, heeft het potdeksel aan het voor- en achterschip een gilling. Naast het ruim is het boeisel verlaagd om praktische reden. Daar werden de mosselen geladen en gelost en een lager boeisel maakte dit werk gemakkelijk. Deze inrichting was een kenmerk van deze schouwen.

Tijdens de winter reünie van de SSRP in 1997 te Muiden luidde de conclusie dat:
"...uit het betoog van de heer Van Beylen spoedig duidelijk werd, waarom hij als titel van zijn voordracht "De schouwen van Zeeland" had gekozen: Er is in dat verband sprake van verschillende typen platbodem vaartuigen met als enige overeenkomst, dat de historische gegevens over herkomst, ontstaanswijze en gebruik van deze vaartuigen uitermate schaars en weinig concreet zijn. Ze waren klein in aantal en in betekenis steeds overvleugeld door de hoogaarzen en de hengsten. Duidelijk is het wel dat er in Zeeland houten schouwen hebben rondgevaren, die in vorm en uitvoering zijn te onderscheiden, maar we waren te laat om vast te leggen wat de oorsprong en de gedachte achter dit type schip was. Enkel de lemmerschouw is duidelijk te onderscheiden als type binnen de klasse Zeeuwse schouwen. Ieder onderscheid tussen Philippiense, Thoolse en Bergse schouwen berust niet op historische gegevens. De meer recent gebouwde "Tholense" schouwen met een rechte achterspiegel, zoals bekend bij de Friese schouwen, dienen als niet authentiek Zeeuws te worden beschouwd".
In de huidige criteria van het Stamboek is van de Zeeuwse schouw niets meer terug te vinden.

Nog bestaande Zeeuwse schouwen

  • De Orisande (SSRP plaquette 1436), gebouwd rond 1890 bij Verras.
  • De Luctor et Emergo (SSRP plaquette 2303), gebouwd in 1902 bij Van Wezel in Bruinisse. De laatste heeft een spiegeltje dat de achterheve afsluit, vermoedelijk houdt dit verband met de werkzaamheden. Dit is vergelijkbaar met de achterspiegel van de botboot, een Hollandse boot met achterspiegel, waarbij het kortere en daardoor bredere achterschip het uitvieren van de netten makkelijker maakte.

De Tijdlijn van de Zeeuwse schouw

Typebeschrijving van de Zeeuwse schouwen

1. Geschiedenis van de Zeeuwse Schouwen

In het Register van Zeeuwse vissersschepen (1911-1947) en in soortgelijke lijsten, zijn alles bij elkaar maar zeven schouwen van Philippine ingeschreven. Het is mogelijk dat er nog een aantal verscholen zitten onder de omschrijving half gedekte platbodem, zoals dat ook het geval is met hoogaarzen en hengsten.  In 1944-1945 hadden nog slechts vijf schouwen hun thuishaven in Philippine. Voor Tholen wordt in het register evenmin een schouw genoemd en op foto's van de haven heb ik tevergeefs naar een schouw gezocht. Toch heb ik een foto van de TH9 (1937) en heb die als wrak gezien en gefotografeerd (1950).
Zoals in andere havens zullen er zeker een aantal verdwenen zijn door oorlogshandelingen en andere rampen. Er bestaan maar weinig foto's van Philippine en andere havens waarop schouwen te zien zijn. Deze scheepjes waren blijkbaar minder bekend dan andere Zeeuwse platbodems. Schouwen waren bestemd voor de mosselkweek. Het waren kleine scheepjes waarmee op de mosselpercelen werd gewerkt, in de Braakman en op de Oosterschelde, al schrijft R. De Bock dat ze ook mosselen naar Antwerpen brachten. Dat wordt bewezen door een tekening van Henri Seghers (1848-1919), vader van Maurice Seghers, die in 1897 een schouw en andere platbodems tekende, zeilend op de Schelde. Die ene tekening laat echter vermoeden dat het niet vaak gebeurde, want de grotere en kloekere hengsten, hoogaarzen en boeieraken werden vaker in de schetsboeken afgebeeld.
Maurice Seghers tekende in 1937 de schouw TH 7 in Philippine en noteerde er bij: Tholense. Hij nam er ook foto's van Tholense schouwen. Naar mijn weten heeft hij nooit over een Philippiense schouw gesproken, wel over schouwen van Philippine: kleine nuance. Philippiense schouw was hem blijkbaar niet bekend. Ik kan mij ook niet ontdoen van het vermoeden dat deze benaming een naoorloogse oorsprong heeft. De Tholense werf van van Duivendijk was blijkbaar beter bekend dan de Philippiense, die trouwens al in 1935 stilviel. 

2. Beschrijving van de Zeeuwse Schouwen

De Zeeuwse schouw was ook bekend onder de namen Thoolse of Bergense schouw en schouw van Philippine. De schouw was geconstrueerd op de wijze van de aak, een bouwwijze die al werd toegepast in het oude Egypte. In de middeleeuwen zien we de schouw in Vlaanderen verschijnen. Als 'scoude' komt hij voor in 13de-eeuwse bronnen zoals de tolreglementen voor de scheepvaart op het Zwin en de documenten betreffende de belastingheffingen na de Sint-Elisabethsvloed 1404 die ook een groot deel van Zeeland trof. De toenmalige 'scoude' hoeft er natuurlijk niet eender te hebben uitgezien als de schouw van de 19de en 20ste eeuw. Aanvankelijk deed de schouw veelal dienst als veer- en vrachtboot. Lange tijd werd bijvoorbeeld de verbinding Veere-Kamperland door een schouw onderhouden. In de reeks gravures van de tekenaar G. Groenewegen: 'Verscheide soorten van Hollandse vaartuigen' (Rotterdam 1786-1801) komt de schouw echter voor onder de naam 'garnaal- of botvissertje' en daaruit weten we dat het type ook al vroeg voor de visserij werd gebruikt. Het gemeenschappelijk kenmerk was het sterk opgebrande (omhoog gekromde vlak in voor- en achterschip. De laatste vissersschouwen verdwenen in de jaren vijftig van de 20ste eeuw.

Het vlak in voor- en achterschip was hoog opgebrand (omhooggekromd) en versmalde vrij sterk naar boven toe. Het steunde van voren met zijn uiteinde tegen de lage rand van het boeisel; in het achterschip steunde het slak tegen een zware dekbalk op de kop van de achtersteven. Deze dekbalk verving op die plaats het boeisel.

In tegenstelling tot de schouw, ook een op de wijze van de aak gebouwde boot, had de boeieraak wel een in de romp ingebouwde voor- en achtersteven. De scheepshuid was geheel gladboordig. Midscheeps was het boeisel licht naar binnengericht en staand. Naar voren, iets voor de mast, kreeg het in het midden een zwakke vouw, die in de boeg van het voorschip scherper werd en weer verdween tegen de voorsteven. Deze vouw bevond zich ter hoogte van het dek. Van achteren was de constructie bijna identiek, met het verschil dat het boeisel hier tegen het opgebrand vlak en het lage deel van de zware dekbalk eindigde. Het boeisel was betrekkelijk breed wegens de lage plaatsing van het berghout. Dit liep in het middenrecht en kromde voor en achter omhoog. Volgens foto's waren er verschillende variaties: sommige boten uit ca. 1900 hadden een verhevener voor- en achterschip. De knieën van de boeieraak waren als op de hoogaars verlengd met een klos. De knoppen van de klossen waren afgedekt met een 'potdeksel' (typisch voor de boeieraak) dat een verlenging van het achterdek was, op dezelfde hoogte doorliep, door het opboeisel stak en eindigde tegen de zwaardknie.

3. Tuigage

De Zeeuwse schouw voerde een bezaantuig. De mast was op iets minder dan 1/3 van de scheepslengte geplaatst; de tuiging met betrekkelijk smalle fok en breed grootzeil leek op die van de schouw.

Kenmerken van de Zeeuwse schouwen

  1. De Zeeuwse schouwen  als werkschip
  2. De Zeeuwse schouwen als jacht
  3. Algemene kenmerken
  4. Kenmerkende verhoudingen
  5. Verklaring in tekening

6. Subtypen, specifieke kenmerken

De Schouwen van de Schelde worden van oudsher in drie typen onderverdeeld, ieder met eigen kenmerken:

  • de Bergse schouw (Bergen op Zoom),
  • de Philippiense schouw,
  • de Tholense schouw.

Jules van Beylen voegt hier nog een vierde aan toe:
De schouw PI14 was gebouwd met een klos aan het voor- en aan het achterschip, net zoals de Bergse schouw BZ1. Nochtans verschilt het type PI14 meer met de BZ1 dan met de Philippiense en met de Tholense schouw. De PI14 heeft drie boorden onder het berghout en voor en achter een heve. Die is voor breder dan achter. Het boeisel is breed, zoals bij de BZ1, ligt lager en is aan de koppen breder dan bij de andere typen. Vissend roer. Hoe moet worden genoemd?

Publicaties over de Zeeuwse schouw in het Stamboekarchief

Zeeuwse vissersschepen van de Ooster- en Westerschelde - Jules van Beylen 1961

Marine Academie, Mededelingen XIII

De Zeeuwse vissersvaartuigen legden zich hoofdzakelijk toe op de mossel- en oesterkweek, maar visten ook op verschillende soorten vis als : ansjovis, sprot, bot, herder, in kleine mate ook haring, doch vooral garnaal. Een tijdlang werd zelfs kreeft gevangen. Het gebied van de Zeeuwse visserij - waaronder ook de mossel- en oesterkweek begrepen zijn - wordt begrensd door het eiland Goeree Overflakee in het Noorden en Zeeuws-Vlaanderen in het Zuiden, een gebied waarin dus practisch alle Zeeuwse eilanden liggen. Hierbij dienen ook nog de kustwateren van de Noordzee langs de Zeeuwse eilanden en in beperkte mate ook deze langs de Vlaamse kust gerekend te worden. Ten einde het gebruik van de Zeeuwse vissersschepen nader te belichten en hun functie als werktuig te verduidelijken, geven wij een beknopte beschrijving van het werk dat zij verrichtten bij de mossel- en oesterkweek en bij de visserij. Zoals reeds gezegd viste men vroeger mosselen en oesters op wilde banken. Bij laag water vielen deze banken droog of bijna droog en konden de schelpdieren bij elkaar geharkt en in de schepen geladen worden.
Op te merken valt, dat de taak van de schepen er vooral in bestaat het transport van de schelpdieren en de groeibodem te verzekeren. Enkel bij het slepen van de kor wordt er werkelijk « gevist ». Zeilschepen werken doorgaans met één kor, de later gemotoriseerde schepen met twee.

In memoriam Dr. Jules van Beylen (1918-2000)

De Zeeuwse schouw

Een typisch vissersvaartuig, dat men tot voor enkele jaren op de Zeeuwse stromen kon zien varen was de Zeeuwse schouw, ook gekend als de Tholense of Bergense schouw, soms genoemd schouw van Phi-lippine. De schouw is steeds een schip dat volgens de aakbouwwijze gebouwd is
Er is reden om aan te nemen dat de aakbouwwijze één van de oudste methodes was om een schip te bouwen. Egyptische schepen werden al gebouwd met een hoog boven het water oplopend vlak en de duizend jaar oude Chinese junken werden gebouwd zoals onze latere schouwen. In de Middeleeuwen wordt de naam bij ons bekend al hoeft dit niet te betekenen dat de toenmalige « scoude » er precies uitzag, als de 19° en 20e eeuwse schouw (cfr. 168 eeuwse hoogaars). Een feit is dat in de Tolreglementen voor de scheepvaart op het Zwin, uit de 15e eeuw de schouw genoemd wordt : « Een pleyte of scoude, kogghescip, zeylscoude, barke, enz... ».

Men kan zich de vraag stellen waar de benaming « Bergense » of « Tholense » schouw vandaan komt. Voor zover aan de hand van de bestaande schepen kon vastgesteld worden, was het mogelijk twee varianten te identificeren, waarbij evenwel niet kon bepaald worden welke van de twee een Bergense of een Tholense schouw zou zijn, en waarom. Men spreekt inderdaad altijd van een Bergense of Tholense schouw, waarmede men blijkbaar een zelfde type aangeeft. Het vermoeden dat deze twee bepalingen geen enkel verschil aanduiden werd ten andere onderschreven door de Tholense scheepsbouwer Van Duivendijk. Merkwaardig echter is dat men in de geschreven bronnen betreffende de schouw, waarvan wij hierboven de voornaamste vermeld hebben, steeds over de «schouw » zonder meer spreekt, in tegenstelling o.a. met deze over de hoogaars, waar men verduidelijkt « Arnemuidense », « Kinderdijkse », « Oostduivelandse ».
Er zijn geen gegevens voorhanden, althans niet bekend, waaruit men zou mogen besluiten dat Tholen de plaats van herkomst zou kunnen zijn van het type. Immers, uit de werfboeken van de enige in aanmerking komende scheepswerf ter plaatse blijkt, dat er sedert 1886 slechts één schouw zou gebouwd zijn. Laat er nog een stuk of wat exemplaren niet ingeschreven zijn, zulk klein aantal kan toch geen reden zijn om van een « Tholense » schouw te spreken. Of staat men hier weer voor een eenvoudige aanduiding van de thuishaven, waar inderdaad een aantal schouwen ingeschreven waren.
Verder staat vast, dat practisch alle nawijsbare bouwplaatsen in Zeeuws-Vlaanderen gelegen waren, met Philippine als voornaamste thuishaven.


Voordracht van Jules van Beylen over de schouwen van Zeeland - SSRP Winterreünie 1997

Er is sprake van verschillende typen platbodem vaartuigen met als enige overeenkomst, dat de historische gegevens over herkomst, ontstaanswijze en gebruik van deze vaartuigen, klein in aantal en in betekenis steeds overvleugeld door de hoogaarzen en de hengsten, uitermate schaars en weinig concreet zijn. Het was alleen in Zeeland algemeen gebruikelijk om een scheeptype te noemen naar zijn thuishaven, ook al bestond tussen beide geen enkele verband. Hij waagde het desondanks, om aan de hand van foto's en tekeningen op dia een beschrijving te geven van de kenmerken van enkele subtypen als de Tholense schouw, de Bergense schouw en de Phillippiense schouw.
Een belangrijkste conclusie uit onderzoek naar deze schouwen is, dat de meer recent gebouwde "Tholense" schouwen met een rechte achterspiegel, zoals bekend bij de Friese schouwen, als niet authenthiek dienen te worden beschouwd.

Tholensche schouw naar ontwerp A. van Oudgaarden van Scheeps­werf „De Amer" te Drimmelen

Het is kenmerkend voor deze tijd van opleving van de oud Nederlandse schepen, dat ook enige hiervan in serie worden gebouwd. Zo maakt de Scheepswerf „De Amer" te Drimmelen een Tholensche schouw naar ontwerp A. van Oudgaarden. Deze stalen scheepjes meten: lengte over alles 8,60 m, 1.w.l. 6,95 m, breedte 2,80 m, diepgang 0,56 m, zeiloppervlak 35,50 m2. Voor de inrichting wordt naar de tekening verwezen. Reeds zijn verleden jaar twaalf van deze jachten, waarvan de prijs 25.000,- bedraagt, afgeleverd.

Foto's in de rubriek De Uitkijk in De Waterkampioen 1941 : Welk scheepstype is dit?

Het antwoord in een volgende Waterkampioen

Naar aanleiding van de foto's van visschersvaartuigen in de haven van Philippine, in ons nummer van 13 April opgenomen, ontvingen wij eenige brieven van lezers, die het vermoeden uitspraken, dat de ,,PI68" een „hengst" is. Dit is zeker niet juist; een hengst heeft een voorsteven, bestaande uit een rechten balk, ongeveer als bij een hoogaars, maar steiler staand en met stomperen neus. De „PI68" daarentegen heeft in 't geheel geen voorsteven; het vlak is voor opgebogen en loopt door tot den neus van het vaartuig.
Meer hebben wij aan de mededeeling van den heer G. J. Weijland Jr. te Loenen a. d. Vecht, die als oud-Veerenaar weet te vertellen, dat het bedoelde scheepstype in Zeeland „schouw" wordt genoemd. De veerboot van Veere naar Kamperland was vroeger zoo'n schouw, die echter zeer breed was gebouwd, omdat de boot altijd dwars over de golven het Veergat moest oversteken. De heer Weijland zond ons o.a. de hierbij weergegeven foto van dit vaartuig, die het scheepstype wat duidelijker weergeeft dan onze foto's uit Philippine. Ook het schilderachtige spriettuig, dat helaas vrijwel uit Zeeland verdwenen is, is hierop te zien.
Ook uit andere brieven, die ons bereikten, komt de naam „schauw" of „Tholensche schauw" naar voren. Daarmee is dus de vraag van onzen lezer beantwoord.

Provinciale Zeeuwse Courant 25 april 1978: Verras laat Philippiense schouw te water in Walsoorden

Type platbodem sinds 1938 niet meer in productie
Voor het eerst in 48 jaar zal zaterdag een zogenaamde Philippiense schouw te water worden gelaten. De jachtbouw werf van Remy Verras uit Walsoorden heeft het 8.20 meter platbodemjacht gebouwd voor de Amsterdamse journalist B. H. Ligteringen. Het is voor het eerst dat de heer Verras een Philippiense schouw met een kajuit bouwt. Verleden jaar maakte hij een proefmodel -zonder kajuit- waarin hij zelf vaart. „Vader heeft de schouw vroeger nog in hout gebouwd. ikzelf heb nooit in hout gebouwd, maar nog wel geholpen hij reparaties van die houten Philippiense schouwen". De 'Vrouwe Albertina Maria' is een schip met een stalen casco en een stalen opbouw. Van binnen is de schouw betimmerd met hout, terwijl ook de kuip op het achterschip in hout is uitgevoerd.

Lees het hele verhaal in de Provinciale Zeeuwse Courant

Scheepstype: Zeeuwse Poon

Inleiding

P.J.V.M. Sopers schrijft in 'Schepen die verdwijnen' het volgende: De poon is geen uitsluitend Zeeuwsch type, immers op de Zuid-Hollandsche eilanden en in West-Brabant kwamen ze ook voor en werden ze gebouwd. Als bewijs, dat men in West-Brabant ook poonen bouwde, althans haar bouworde toepaste, dient een door mij gezien schip van 72 ton met een poonachtigen bouw. De afmetingen waren 20-40 bij 4-46 bij 1.50 m. Het was gebouwd te Raamsdonk bij Geertruidenberg. Ik trof het te Terneuzen aan.

Le Comte geeft als plaatsen, waar ze gebouwd worden, op: IJsselmonde, langs den IJssel, Dordrecht, Willemstad, Alblasserdam, Boskoop, Capellen, enz. De grootte was van 16-60 ton. Hij noemt de drie soorten: Paviljoenpoonen, Draai-overboords- en Staatsie-poonen. Wanneer men de lijnen nauwkeuriger onderzoekt, komt men tot de conclusie, dat de naam Poon een verzamelwoord was. Ik meen, dat met name de eerstgenoemde soort tamelijk veel van haar andere zusters verschilde, en leid dit af uit mij ten dienste staande afbeeldingen van modellen en voorts uit de teekeningen in het werk van Van Konijnenburg.
Ponen waren voornamelijk houten schepen en er zijn slechts (tot 1900) enige ijzeren ponen gebouwd (voor zover bekend).


De Tijdlijn van de Zeeuwse Poon

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Type beschrijving Zeeuwse Poon

  1. Geschiedenis van de Poon
  2. Beschrijving van de Poon
  3. Tuigage

Kenmerken van de Zeeuwse Poon

  1. De Poon als werkschip
  2. De Poon als jacht
  3. Algemene kenmerken
  4. Kenmerkende verhoudingen
  5. Verklaring in tekening

Publicaties over de Poon in het Stamboekarchief

De poon ​In het boek "Scheepstypologieën"

In het boek "Scheepstypologieën" wordt de poon als volgt beschreven:
In sommige paviljoentjalken en -schuiten zijn de trekken van de poon te herkennen en dit maakt het soms moeilijk om te bepalen of je met een poon of met een Zuidhollandse tjalk te maken hebt. Ook zal de ene of de andere benaming op pure overlevering berusten en op de namen in de eventuele werfboeken. Veelal zijn er nauwelijks verschillen tussen de twee typen aan te wijzen, hoewel gesuggereerd wordt dat een poon, qua bouw gelijkend op de schuit, géén stilstaande lijnen heeft en de Zuidhollandse tjalk of -schuit in de zijde gestrekte lijnen bezit (géén stil-staande lijnen wil zeggen dat alle lijnen een ronding bezitten; en langs gestrekte lijnen kun je een liniaal leggen). Al met al zouden sommige schuiten wel een poon genoemd kunnen worden en zou de betiteling schuit of tjalk voor een poon ook de juiste benaming kunnen zijn. Ponen waren voornamelijk houten schepen en er zijn slechts (tot 1900) enige ijzeren ponen gebouwd.

De Poon in het boek 'Schepen die verdwijnen' van P.J.M. Sopers

In de Prinsengracht te Amsterdam bij de Westerkerk lag vroeger ook een vaartuig, dat een paviljoenpoon geweest moet zijn. De vorm onder water der poonen was zeer verschillend. Bij de laatstgenoemden schrijver zijn dwarsdoorsneden met breed vlak aangegeven. Niet alle poonen hadden dit. Toch zal deze bouworde wel van invloed geweest zijn op de lijnen der meer normaal gevormde. Het door mij weergegeven exemplaar vond ik te Breda, waar het als aardappelbergplaats dienst deed.

Nog meer dan bij de Zuid-Hollandsche tjalk het geval is, vertoont het berghout, waar het de boeg nadert, een sterk oploopende lijn. Dit is in zoo sterke mate het geval, dat het boord onmiddellijk eronder met zijn bovenkant nog iets naar binnen valt. Waar als regel het berghout het meest uitstekende deel van het schip is, is het hier als het ware iets naar boven geschoven, waardoor het de breedste plaats van het schip verlaten heeft. Aan de voorzijde ter weerszijden van den steven is dit ook het geval.

De steven staat zeer steil, loopt puntig en hoog op en valt achterover, zoodat hij wijst in de richting van de hommer in de mast. Onder het berghout zijn ter hoogte der boegen een tweetal blokjes aangebracht, mogelijk met het doel om de beplanking eenige bescherming te geven, waarvoor bet berghout te hoog ligt. Het berghout, dat bij andere schepen tusschen de boegen een afgerond profiel heeft, is bij de poon vierkant. Het opboeisel van het voorschip geeft een lichtere constructie te zien, dan bij gewone tjalken, het bestaat bij het dek en de bovenzijde uit twee evenwijdig loopende, zware, gekromde stukken hout, met bouten sa men verbonden. Tusschen die bouten ligt een lichter vulstuk. Deze constructie van het opboeisel wordt op andere Nederlandsche kleinere schepen ook wel toegepast, b.v. bij jachten, maar dan achter de boegen voor tot aan het zwaard.

Inwendig

De inwendige constructie is vrijwel gelijk aan die de tjalk. De slaper komt en in voor- en in achterschip voor, wat men vermoedelijk nuttig oordeelde, om de sterk uitspringende hoekige boegen te versterken. De mast was vast (dit was echter geen speciaal kenmerk der poon), de zeilbalk was met ijzeren knieën in de zijden bevestigd.

Het logies voor de schipper was het vooronder; het achterschip was van binnen niet betimmerd. In plaats van de gewone luiken had de poon ronde, die van de eenen tot de anderen kant liepen, gesteund door gekromde merkelingen. In de achterplecht was een klein stuurkuipje, waarin de roerganger stond en tegen welks zijden hij zich met de voet schrap kon zetten, met de heup tegen de helmstok.

Weerbare schepen

Bij alle schrijvers over poonen lezen we, dat het zeer weerbare schepen waren, waar zeer stout mede gezeild werd, het bovenste jufferblok van het hoofdwant soms onder water. Het schip hield bet wel uit en wanneer men zeil minderde, deed men dat omdat men bang was voor het tuig zelf. Van de anderen kant laadden ze in den regel wat minder dan ze wel hebben konden, om beter zwaar weer te kunnen doorstaan.

"Meer dan in eenig ander van de door mij beschreven leden der tjalkenfamilie leeft in de poon voort het oeroude model. In oude keuren vindt men genoemd "drimmelaars" (ook wel "dremmelaars" of "drommelaars" geheeten) oftewel "kromstevens". Die kromsteven is vermoedelijk de voorvader van onze poon en het woord drimmelaar kan kornen van het dorpje Drimmelen bij Geertruidenberg. In die streek was en is nog veel scheepsbouw. De hooge roerkop, waaromheen de helmstok lag, de hoog oprijzende voorsteven (in mijn exernplaar nog 80 cm boven het opboeisel uit) herinneren aan de tijd, waarin de scheeprnaker nog zijn fantasie kon laten gelden; de vaste bruggen waren toen hoog genoeg om ze door te laten en het publiek was nog niet zoo verwend, dat het pruttelde als het over zoo'n "hooge sluis" moest klimmen.

Het berghout vond zijn voortzetting, bij wijze van sieraad, ook tegen de achtersteven. Bij andere tjalktypen deed men dat niet meet. Tegen de voorsteven had de voortzetting nog zin en deed dienst als kettingklamp, om de voorsteven tegen het schuren van de ketting te beschermen. Men behield dus daar bet oude sieraad. Het geheele voorkomen der poon heeft iets naiefs. Onbewust heeft men een effect bereikt, De lijnen wringen en draaien, of men niet goed wist waarheen en hoe het schip in elkaar te krijgen, maar toch komt alles behoorlijk tezamen, al is het dan niet met die zekerheid en dat overleg als bij de Friesche tjalk. Het contrast met het vroeger door mij beschreven jacht, dat er niet ver aflag, was wel opvallend.

De poon met haar dikken hoogen kop, platte berghouten, enz., herinnerde levendig aan de schepen van een paar honderd jaar terug. Het ontstaan en de voltooiing van de tjalk zijn hier aanschouwelijk voorgesteld. Niet ten onrechte noemt Van Loon de poon het sieraad der Zeeuwscbe wateren en uit wat ik er over medegedeeld heb, zal het duidelijk zijn, dat deze schepen er onder alle omstandigheden thuis beboorden, aanpassend aan alle eigenaardigheden, die aan de vaarwaters daar eigen waren, als zwaar weer, zandbanken, tijstroomen, enz. Ze was dus niet slechts fraai uit schildersoogpunt, maar ook uit dat van de practicus.

Waterkampioen februari 1966 nr1167 - Schepenschouw De Poon

Wij hebben het over de poon en niet over een poon. De poon behoorde eertijds naast de tjalk tot de in ons land meest verbreide typen van binnenschepen, dat vooral in het zuidwesten, de provincies Zeeland, Brabant en Zuid-Holland werd gebruikt als beurt- en vrachtvaarder. Korter, gedrongener en met veel meer zeeg dan de tjalk waren het zwaargebouwde schepen met platte bodem en enigszins invallende zijden. Het opvallendste kenmerk van de poon is echter wel de puntig eindigende voorsteven, die boven sterk naar binnen valt. Zoals reeds gezegd, was het type eertijds zeer verbreid. E.W. Petrejus twijfelt er zelfs niet aan in zijn bijzonder interessante boekje Scheepsmodellen (binnenschepen) - dat als wij in de tijd van de opstand tegen Spanje lezen over „kromstevens" in de smalle vlote van de Prins, deze verwanten van de latere poon zijn. De poon was hecht gebouwd en lag zo zegt Petrejus - vast op het water, waardoor hij bij een aanwinnende koelte lang van top kon zeilen en een weerbaarheid bezat, die die van de meeste schepen overtrof.

Uit eigen aanschouwing kennen wij slechts één poon, namelijk de 'Ouderhoek' en een - hedendaags - jacht, dat door zijn ontwerper een poon wordt genoemd en dat - hoewel ongebruikelijk klein - inderdaad aan het type doet denken. Oorspronkelijk waren de ponen getuigd met een spriettuig, maar - als eerste, zegt Petrejus - reeds in de 17-de eeuw gingen zij tot het bezaantuig over, waarbij de mast op die exemplaren die geen vaste bruggen behoefden te passeren een steekmast was, en op de andere een strijkbare. Welgestelde schippers voerden het zeil met een kleine gebogen gaffel, minder welgestelde met een eenvoudige rechte gaffel

Leeuwarder Courant 10-08-1953 - In de Dokkumer Ee ligt een houten Zeeuwse Poon


Scheepstype: Antwerpse knots

Inleiding

De Antwerpse knots was een type vissersschip, dat vooral werd ingezet voor de garnalenvangst op de Westerschelde. Het type had een bun - een deel van het ruim waar het rivierwater vrij in en uit kon stromen - om de vissen en garnalen in leven te houden tijdens het transport. Het einde van de visserij op de Schelde betekende ook het verdwijnen van de vloot van houten vissersschepen. De toenemende haventrafiek en vervuiling bemoeilijkten rond 1900 het vissen op de Schelde. Bovendien zorgde de ontwikkeling van de garnaalvisserij aan de kust en vooral het vlotte transport van de vangst naar het binnenland ervoor dat de garnaalvisserij op de Schelde minder rendabel werd. In 1890 waren er nog 26 knotsen in de vaart. Tegen 1909 bleven er maar zeven meer over, een aantal dat in de jaren nadien verder slonk.
Een Mechels Reglement van 1711 spreekt van: 'een cleyn mosselschuit oft Cnotsbol'. Hier dus al het woord 'bol' en het is eigenaardig dat de knots 'ontegenzeggelijk' (aldus Petrejus) wonder veel verwantschap vertoont met het vroegere 'bolletje' van Urk en ook enigszins met het 'jacht' van Blokzijl. Een overeenkomst dus met bepaalde ronde schepen van het Friese type. Wellicht is hier enig verband te zoeken met de omstandigheid dat de bevolking langs de Schelde een Friese inslag schijnt te hebben en dat bij sommige oude Antwerpse plaatsnamen een Friese afkomst is te onderkennen. De Knots had een bun met daarvoor nog een kleine laadruimte. Er werd gewoonlijk met een kop op bot en garnalen gevist. De tuigage bestond uit een gaffeltuig met een lange, zware gaffel. waarboven een gaffeltopzeil, een fok en een kluiver. Groot is het aantal knotsen waarschijnlijk niet geweest. In 1912 werden te Zierikzee 7 visvergunningen verstrekt aan knotsen voor de visserij Benedenschelde. In 1920 worden er nog twee vermeld door Frans Blij in zijn werk 'Onze Zeilvischsloepen'. De lengte van de knots bedroeg 10 meter.

De Tijdlijn van de Antwerpse knots

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Type beschrijving Antwerpse Knots

  1. Geschiedenis van de Antwerpse Knots
  2. Beschrijving van de Antwerpse Knots
  3. Tuigage

Kenmerken van de Antwerpse Knots

  1. De Antwerpse Knots als werkschip
  2. De Antwerpse Knots als jacht
  3. Algemene kenmerken
  4. Kenmerkende verhoudingen
  5. Verklaring in tekening

Publicaties over de Antwerpse Knots in het Stamboekarchief

1980: SSRP Monografiën 09 - COURLIS een Antwerpse knots

Van een bijna 8 meter lang, houten jacht waarvoor de heer Kloet uit Nieuw en St. Joosland inschrijving aanvroeg, waren niet alleen bouwer en bouwjaar onbekend, maar ook het type van het schip was onduidelijk.
De 'Courlis' - want dat was de naam - deed denken aan een Wieringer Bol, maar varende naast de 'Eudia' tijdens de reünie te Zierikzee in 1972 bleek duidelijk dat de kop stomper, voller was en de zeeg rechter. Wij kwamen er niet uit. Voorhands werd het er toch maar op gehouden dat we met een - misschien in zuidelijker kontreien - gebouwd bolletje te doen hadden, want verwantschap daarmee leek toch wel duidelijk. De heer Kloet liet het er evenwel niet bij zitten en ging, zoals ieder rechtgeaard eigenaar van een rond of platbodemjacht, aan het snuffelen. En met resultaat. In juni 1973 kreeg hij een lange brief van een toen 81 jaar oude Antwerpenaar.

De Antwerpse knots in Consent 2008 nr24 - Verdwenen scheepstypen van de Schelde en haar zijrivieren

Een typisch vissersvaartuig van dezelfde familie is de (Antwerpse) knots. Dit schip is constructief gezien vergelijkbaar met de visboot, maar met een lengte van ca. 10 meter aanzienlijk groter. De oorsprong van de knots is niet bekend, de naam verschijnt in 1711 voor het eerst in een Mechelse ordonnantie.
Gezien de indeling van de romp, met een vaste plecht, achter de mast een ruim en daarachter een natte bun, werden de schepen waarschijnlijk gebruikt voor zowel de mossel- als de garnaalvisserij op de Schelde. Uit de consent-registers blijkt dat knotsen vooral in de tweede helft van de 19e eeuw veel in Zeeland visten. De laatste gegevens dateren van 1920. Uit de archieven van de Royal Yacht Club de Belgique in Antwerpen blijkt dat er in die jaren een als jacht gebouwde knots is geweest, maar het is niet bekend wat daarvan is geworden. Het type is verdwenen, nadat door de vervuiling van het Scheldewater de visvangst terugliep en de kustgarnaalvissers hun grotere en betere zeegarnaal in Antwerpen op de markt begonnen te brengen.

Tekening Maurice Seghers

Omtrent de constructie is weinig met zekerheid te zeggen. Er bevindt zich een knots in het maritiem park van het Nationaal Scheepvaartmuseum in Antwerpen, maar dat schip is als jacht gebouwd. Het is daarom niet zeker dat dit representatief is voor de voor de visserij gebouwde schepen, waarvan er geen is overgebleven. De door J. Van Beylen gebruikte gegevens zijn afgeleid van twee modellen in het Nationaal Scheepvaartmuseum in Antwerpen en van drie weinig gedetailleerde plans uit het begin van de 20e eeuw. De schepen waren zwaar gebouwd met volle ronde boegen, een gebogen, zeer steil staande voorsteven en een rechte, licht vallende achtersteven. De indeling was verder vergelijkbaar met die van de visboot. Ze waren rond 10 meter lang bij een breedte van 4 meter en karveel beplankt. Een bijzonderheid is dat de knots een op kiel gebouwd schip geweest zou zijn, in tegenstelling tot de andere hier beschreven scheepstypen. (vgl. J. van Beylen: De Antwerpse Knots en de Vlaamse garnalenvisserij op de Schelde in Vlaanderen en Zeeland; Franeker 1999)
De tuigage bestond uit een grootzeil met staande gaffel, een fok en een kluiver. Het staande gaffelzeil had, net zoals het sprietzeil, het voordeel dat er geen boom of giek was, die het behandelen van de viskorren zou belemmeren.


Bronnen

Ponen waren voornamelijk houten schepen en er zijn slechts (tot 1900) enige ijzeren ponen gebouwd (voor zover bekend).


Zeeuwse schepen in beeld

Arnemuidse hoogaars (met spiettuig) 'Vrouwe Adriana ARM17' plaq. 211
Hengst D'n Bruinen (plaq. 1660)
Foto van de originele boeieraak Clinge 16. In 1936 heeft Maurice Seghers (de tekenaar van de Zeeuwse vissersschepen) deze in Paal gemaakt.