Scheepstype: Hoogaars
Inleiding
De hoogaars was aan het einde van de negentiende eeuw duidelijk nog volop in ontwikkeling
De werfboeken van de werven van Meerman in Arnemuiden en Jonker op de Kinderdijk geven in gedetailleerde beschrijvingen een goed inzicht in wat er in de tweede helft van de negentiende eeuw zoal werd gebouwd en voor wie. De werfboeken van Van Duivendijk in Tholen, waar Van Beylen meerdere malen aan refereert, zijn jammer genoeg onvindbaar. Daarnaast beschikt het tekeningenarchief van het Maritiem Museum in Rotterdam over een vijftal tekeningen van kleine hoogaarzen die rond 1880 gemaakt zijn door A.C. Kriens (Kinderdijk). En dan zijn er natuurlijk de prenten van W.K, Versteeg zoals gepubliceerd in de boeken van Van Konijnenburg en hebben we ook de tekeningen van de nog bestaande hoogaarzen die door Co Ruissen zijn opgemeten. Al met al dus toch een flinke voorraad gegevens die, allemaal naast elkaar gezet, een aantal opvallende wetenswaardigheden opleveren over hoe de hoogaarzen eruit zagen.
De hoogaars was aan het einde van de negentiende eeuw duidelijk nog volop in ontwikkeling. De verschillen tussen de schepen van diverse werven werden allengs minder groot en de schepen gingen steeds meer op elkaar lijken. De romp werd langer en slanker en er werd meer werk gemaakt van het optimaliseren van de zeileigenschappen. Het is jammer dat die ontwikkeling is gestopt door de introductie van scheepsmotoren en de mechanisering van de visserij. We zullen nooit weten waartoe een ononderbroken verdere ontwikkeling uiteindelijk geleid zou hebben.
De Tijdlijn van de Hoogaars
De Hoogaars zoals wij die nu kennen
Vanaf 1878 tot 1900
- Oudst bekende hoogaarsjacht Oscar et Virgini met rond achterschip (1878)
- Eerste ijzeren hoogaars voor de visserij. YE46 „den ierste ieseren" (1886/1896)
- Melis van Duivendijk bouwt eerste hoogaars met boeier/Lemmer-kont (ca 1900)
- Introductie bezaantuig op vissersschepen
- Introductie van strijkbare masten

De motor doet z'n intrede
1900-1920
- Introductie van verbrandingsmotoren
- Toepassing boeier/Lemmer-kont in beroepsschepen, Meerman bouwt de eerste Lemmer hoogaars voor W. Bom lJsseldijk uit Yerseke (1901).
- Bouw van de tweede "Iesere" hoogaars YE38 in Boom, vaart nu als 'Maaike II'/'Jenny III' (1902)
- Algemene overgang naar bezaantuigage

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925
1924-1925
Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Staal vervangt hout
1920-1940
- Bouw van eerste hoogaarsjachten in staal
- Bouw van de derde stalen hoogaars 'Turc' op de werf Cesar van Damme in Baasrode aan de Schelde (1925)
- Bouw van het eerste hoogaarsjacht als wedstrijdjacht (Windroos) (1926)

1940-1954
- Houten hoogaarzen worden uit gefaseerd voor de beroepsvaart
- De naoorlogse Hoogaarsjachten voor de recreatie zijn doorgaans korter en meer gedrongen dan de vooroorlogse jachten en zijn overwegend van staal gebouwd. Het rompmodel is aangepast aan het gebruik als jacht en de schepen werden voorzien van een kajuit.
- Bij Jachthoogaarzen wordt o.a. vanwege het varen op de motor een loefbijter aangebracht.
- K.V.N.W.V. Ontwerpen-prijsvraag: Hoogaars 'Amphitrite', ontwerper J. K. Gipon: 2e prijs (1954)


Plannen voor een hoogaars voor de oceaan:
2020
Een zeezeilschip met het uiterlijk van een hoogaars. Geen replica van wat ooit was, maar een even sobere als moderne platbodem met zijn genen in de vaderlandse scheepsgeschiedenis. Een schip dat moet kunnen droogvallen op een wadplaat en ingevroren door ijsdruk weer omhoog kunnen komen. Met ook stahoogte overal en waterdichte schotten voor, bij het grootspant en bij het motorruim.

Typebeschrijving Hoogaars
1. Geschiedenis van de Hoogaars
De hoogaars is een zeer oud scheepstype, de oudst bekende vermelding dateert uit 1488, en is van oorsprong een kleine schuit voor algemeen gebruik, als vrachtschip, vissersschip, marktschuit of veerschip. Het woordenboek van Seeman (1631) vermeldt de hoogaars als “hoogers, een Schuit, dit wat hooger als een gemene boere Schuit opgeboeid is; voornamenlijk op de Maas, Lek en IJssel gebruikelijk.” Dat duidt op het veengebied van Zuid Holland en Utrecht als herkomst van het type.
Eind 16e , begin 17e eeuw duikt de naam weer op in verband met dijkwerken in de regio Bommelerwaard en verder stroomafwaards. Er is sprake van “schuiten, hooghaersen ofte schouwen” in de keure van Mijnsherenland van Moerkerken, archief van dijkagie (1596), en van “geijkte schuyten en hoogaarzen” voor het transport van grond voor de Merwede polder (1618).
In 1638 worden door de Heeren van Utrecht “200 mannen ende 60 hooghaerdse schepen met andere ponten ende samereusen” ingezet bij de reparatie van de Lekdijk bij Culemborgh. Dan, in het begin van de 18e eeuw, wordt de hoogaars een regelmatige verschijning in notariële archieven. Heel bekend is de ramp met een hoogaars veerschip bij Moerdijk in 1711, waarbij Johan Willem Friso verdrinkt. Diezelfde periode wordt de hoogaars vermeld in Zeeland, vooral als veerschip. Een eeuw later wordt het type steeds populairder, als vissersschip, vooral in de schelpdier visserij. In de loop van de 19e eeuw ontwikkelt het type zich als het schip bij uitstek voor de visserij op de Zeeuwse stromen. Daarnaast wordt het schip nog lang gebruikt als vrachtschip en als veerschip op de grote rivieren.
2. Beschrijving van de hoogaars
De hoogaars zoals we die kennen is een typerend schip van de Schelde Delta. Het model is door de jaren aangepast aan de specifieke omstandigheden: een grote tijsprong (ca. 4,5 m) hoge stroomsnelheden (tot 5 kn.) en voortdurend veranderende ondieptes. Ten gevolge van de Oost-West richting van de hoofdstromen (Wester- en Oosterschelde, Grevelingen) kan bij westelijke windrichtingen en afgaand tij een hoge korte golf ontstaan. De sterk vallende voorsteven zorgt er voor dat het schip over die golven heen glijdt en relatief weinig buiswater overneemt. Ze staan bekend als droge schepen.
Tot de dertiger jaren van de 20e eeuw werden hoogaarzen overwegend gebouwd van eikenhout. De schepen waren op het vlak extra versterkt, in verband met het vele droogvallen tijdens de visserij. Maar het langsscheepse verband was zwak, de schepen werden daardoor niet oud. Een eerste ijzeren hoogaars, gebouwd in 1892, voldeed zo slecht dat het decennia bij dat ene exemplaar is gebleven. In het begin van de 20e eeuw deed staal als bouwmateriaal voor hoogaarsjachten mondjesmaat haar intrede, maar zonder effect voor het model
3. Tuigage
De traditionele 19e eeuwse hoogaars voerde een grootzeil met spriet, een fok en een kluiffok. De kluiffok werd gevoerd op een losse kluiverboom. Vanaf eind 19e eeuw werd overgestapt op het grootzeil met gaffel, vanwege de betere bezeildheid en het gemak om zeil te minderen.
De lengte van de mast was ongeveer gelijk aan de lengte van het schip over de stevens, de giek reikte tot boven de kop van het roer. De gaffel was recht of licht gebogen.
Het staand want bestond bij de spriettuigage uit een enkel voorstag, vaak vervaardigd van stafijzer. Bij de gaffeltuigage werden oorspronkelijk zijwanten van manilla gebruikt, later van staaldraad. De gebruikelijke jufferblokken werden in de loop van de 20e eeuw geleidelijk vervangen door stalen wantspanners. Het lopende want bestond uit manilla of henneptouw. De houten blokken hadden smeedijzeren buitenbeslag, dat gaande het eerste kwart van de 20e eeuw werd vervangen door plaatstalen binnenbeslag.
Kenmerken van de Hoogaars
1. De Hoogaars als werkschip
Het model van de hoogaars is sinds ca. 1600 niet significant gewijzigd: de schepen werden langer, de tuigage veranderde van spriet- naar gaffel getuigd, en vanaf ca. 1900 worden ze steeds vaker gebouwd met een rond gebouwd achterschip, de zogenaamde boeier- of lemmerkont. Maar het aanzien van de hoogaars boven water wijzigde zich niet.
De indeling van hoogaarzen was zoals die van veel van de Zeeuwse schepen, met een plecht voor de mast, en achter de mast een groot open ruim met daarachter een kot en een stuurkuip.
2. De Hoogaars als jacht
Sinds het derde kwart van de 19e eeuw worden hoogaarzen als jacht, dus met een roef gebouwd.
De klassieke als jacht gebouwde hoogaarzen zijn doorgaans met een lengte van 13 tot 16,50 meter langer dan de werkschepen, bij uitzondering zelfs tot ruim 18 meter lang. De roef is aangebracht over het oorspronkelijke ruim, en rijkt tot juist achter de mast. Het roefdak is niet hoger dan de lijn tussen voor- en achtersteven. Door de relatief grote holte van deze jachten biedt dit voldoende stahoogte. Het kot in het achterschip maakt plaats voor de kuip.
Het hoogaarsjacht heeft vrijwel altijd een doorlopende kielbalk, en is voorzien van een loefbijter.
Ook de tuigage verschilt licht van die van de werkschepen: op hoogaarsjachten werd soms een gaffeltopzeil gevoerd, ook wel een bolle jan of halfwinder of zelfs een breefok. Hoogaars jachten voerden een vaste kluiverboom.
De na-oorlogse hoogaarsjachten voor de recreatie zijn doorgaans korter en meer gedrongen dan de vooroorlogse jachten, en zijn overwegend van staal gebouwd. Het rompmodel is aangepast aan het gebruik als jacht en vertoont onder andere meer vlaktilling (tot 8 gaden), en een licht afgeronde kim. Het breedste punt van het onderwaterschip ligt verder naar achter dan bij de klassieke hoogaars, maar nog wel voor het midden. Ten behoeve van het comfort is de roef hoger dan bij de klassieke hoogaars, en reikt soms tot voorbij de mast. De wijzigingen hebben geen effect op de herkenbaarheid van het type.
3. Algemene kenmerken
Uit onderzoek in 2020 en de nu beschikbare documentatie blijkt dat de hoogaars voldoet aan de volgende algemene kenmerken:
- De hoogaars als werkschip is tussen de 9 en 15 meter lang.
- De hoogaars als jacht is tussen de 9 en de 18 meter lang.
- De hoogaars heeft een rechte, vallende voor- en achtersteven.
- Het vlak is druppelvormig, met de ronde kant naar voren, waarbij de kimlijn tegen de voorsteven aansluit in een hoek van 85 tot 90 graden.
- Het vlak heeft een lengte/breedte verhouding van 3,6 op 1, en versmalt naar achter in een min of meer vaste verhouding van 2,3 op 1, de grootste breedte (bij de mastbank) t.o.v. de breedte t.p.v. de achterdogt (tweede volle spant of 15 % LOA vanaf de achtersteven).
- Het vlak varieert in langsdoorsnede van nagenoeg plat, tot licht opgebrand in de einden, of doorgebogen over de volle lengte. In dwarsrichting vertoont het vlak soms een beperkte vlaktilling (tot max. ca. 8 graden).
- Onder het vlak bevindt zich voor en achter een scheg. Hier is bij jachten ook vaak een kielbalk tussen geplaatst.
- Onder waterlijn heeft de voorsteven een verbreding als slijtstrip, die bij jachten qua afmeting soms de vorm van een loefbijter aanneemt.
- De romp werd zowel overnaads als gladboordig (karveel) beplankt.
- Het boeisel helt sterk naar binnen, is puntig in het voorschip, en verbreedt zich naar achteren waarbij het de grootste breedte bereikt ter hoogte van de mastbank. Van daar versmalt het geleidelijk naar de achtersteven, waar het met een korte bocht vrijwel haaks tegen de achtersteven eindigt.
- De vorm van het grootspant is eenvoudig. De lijn kim-berghout maakt met het vlak een stompe hoek van ca. 130 graden, en verloopt meestal recht (bij overnaadse bouw) of licht gebogen (bij karveel bouw).
- Het achterschip is doorgaans licht gepiekt.
- De kimhoek is constant over ca. een derde van de lengte van het vlak.
- Het berghout is bij overnaads gebouwde hoogaarzen op het boeisel bevestigd, bij karveel gebouwde hoogaarzen is het direct op de spanten bevestigd. Het boeisel vertoont in achteraanzicht een min of meer uitgesproken liggende S-vorm, die varieert met de werf waar het schip is gebouwd.
- Hoogaarzen zijn koplastig en hebben een vissend roer.
- De (zee)zwaarden hebben een lengte ongeveer gelijk aan de grootste breedte van het schip, en een lengte breedte verhouding van 3:1.
4. Kenmerkende verhoudingen
Gem. |
Min. |
Max. |
Spreiding (%) |
||
1 |
Lwl /LOA (= B/A) * |
0,72 |
0,65 |
0,78 |
10 |
2 |
Bmax/LOA (= C/A) |
0,30 |
0,30 |
0,35 |
15 |
3 |
Lvlak / Bvlak (= F/D) ** |
3,6 |
3 |
||
4 |
Slankheid vlak (= D/E) ** |
2,3 |
1,75 |
2,94 |
25 |
4a |
Slankheid vlak (= D/E) * |
1,7 |
1,5 |
1,9 |
12 |
5 |
B vlak / Bmax ( = D/C) *** |
0,59 |
0,52 |
0,66 |
12 |
6 |
Locatie Bmax / LOA (= O/A) * |
0,46 |
0,39 |
0,54 |
18 |
7 |
Plaatsing van de mast / LOA (= L/A) * |
0,41 |
0,36 |
0,44 |
12 |
8 |
Hoogte voorsteven / LOA (= G/A) * |
0,14 |
0,11 |
0,17 |
20 |
9 |
Holte grootspant / holte achterdogt (= H1/H2) *** |
1,34 |
1,19 |
1,47 |
11 |
10 |
Minimum vrijboord / H voorsteven (= J/G) * |
0,51 |
0,41 |
0,62 |
21 |
11 |
Hoek voorsteven graden t.o.v. CWL (=K) *** |
35 |
31 |
44 |
27 |
12 |
Valling (hoek) kimboord graden t.o.v. CWL (=M) * |
48 |
26 |
60 |
45 |
13 |
Valling (hoek) boeisel graden t.o.v. CWL (=N) * |
69 |
50 |
80 |
27 |
14 |
Valling (hoek) achtersteven t.o.v. CWL * |
66 |
55 |
76 |
15 |
* deze verhoudingen zijn uitsluitend op basis van de tekeningen (20e eeuw).
** deze gegevens zijn uitsluitend afgeleid uit de geschreven bestekken (19e eeuw).
*** deze gegevens zijn zowel gemeten als berekend.
Verklaring :
- A = LOA is de lengte tussen de loodlijnen.
- B = Lwl is gemeten op de waterlijn binnen de stevens.
- C = Bmax is de grootste breedte van de romp gemeten binnen het berghout
- D = Bvlak is de grootste breedte van het vlak t.p.v. C (grootste breedte van de romp).
- E = breedte van het vlak t.p.v. I (de achterdogt).
- F = Lvlak is de lengte van het vlak.
- H = hoogte van de voorsteven gemeten t.o.v. de constructiewaterlijn (CWL).
- H1 = de holte onderkant berghout tot bovenkant vlak t.p.v. het grootspant.
- H2 = de holte onderkant berghout tot bovenkant vlak t.p.v. achterdogt (I).
- I = afstand achterdogt (tweede volle spant of 15 % LOA van achter) tot achterloodlijn.
- J = Het minimum vrijboord, gemeten t.p.v. het laagste punt in zijaanzicht.
- K = de hoek van de voorsteven met de CWL
- L = Plaatsing van de mast, gemeten van de voorkant van de steven tot de voorkant van de mast aan dek, in het vlak van de stevens.(7)
- M = de valling (hoek) van het kimboord gemeten t.p.v. Bmax
- N = de valling (hoek) van het boeisel gemeten t.p.v. Bmax
- O = Locatie Bmax (6)
- P = valling (hoek) achtersteven met de CWL
6. Subtypen, specifieke kenmerken
In de loop van de 19e eeuw is differentiatie ontstaan tussen de schepen van diverse werven of voor specifieke werkomstandigheden. Zo is er sprake van de Kinderdijkse - , Arnemuider - , Thoolse - , Lemster- en Motor hoogaars. Deze schepen voldoen aan de algemene beschrijving, maar hebben onderling een aantal afwijkende kenmerken.

Kinderdijkse hoogaars
De Kinderdijkse hoogaars is een kleine, vroege (19e eeuw) versie van het schip zoals vandaag gekend. Deze meestal open schepen hadden een lengte van 7,5 tot 9 meter. Ze waren gelijklastig en hadden geen vissend roer. Het vlak was lancet vormig, met een L/B verhouding van 4,3/1, de lijn van de kim sloot in het voorschip op de steven onder een hoek van 65 à 70 graden.
Ook in Zeeland kwamen kleine hoogaarzen voor die ook wel vijfknieërs werden genoemd, naar de vijf spanten in het schip tussen de voor- en de achterdogt. Deze schepen hadden geen voorplecht, soms wel een kot in het achterschip, en voerden een spriettuig.
Er zijn aan de Kinderdijk ook grotere hoogaarzen gebouwd voor de visserij. Afgaande op de twee overgebleven exemplaren zijn die ook gelijklastig en steekt de onderzijde van het roer gelijk met de achterscheg. Beide hebben een gaffeltuigage.

Thoolse hoogaars
De Thoolse hoogaars werd gebouwd op de werven in Tholen, Bruinisse, Zierikzee en Willemstad. Het waren slanke, gestrekte schepen met een beperkte zeeg. Deze hoogaarzen waren vooral vrachtschepen, die buiten het mosselseizoen veel werden gebruikt voor transport van bulkgoederen voor de landbouw. Ook zoals gebruikt in de mosselteelt waren het primair vrachtschepen voor het vervoer van mosselen vanaf de percelen naar de markt, en verder naar de afzet havens in België. Het was daarom van belang dat het goede zeilers waren, die onder alle omstandigheden snel hun bestemming konden bezeilen. Er werd al in de loop van de 19e eeuw overgestapt op het bezaan tuig, in verband met de betere zeil eigenschappen.
Het vlak was licht opgebrand in voor- en achterschip.

Arnemuidse hoogaars
De Arnemuidse hoogaars is gemiddeld wat korter dan de andere subtypen, met een lengte over de stevens variërend van 9 tot 12 meter, en werf voornamelijk gebouwd op de werf van de gebroeders Meerman in Arnemuiden. Het Arnemuider model werd ontwikkeld voor de garnalenvisserij in de zeegaten en op de banken voor de kust. Het waren driftvissers, die, geholpen door het getij, hun garnaal korren sleepten, en waarvoor de zeileigenschappen minder belangrijk waren. In verband met de garnaalketel met open vuur aan boord, was er de noodzaak voor extra stabiliteit in zeegang. Dit specifieke gebruik resulteerde in een model met een uitgesproken ronde bodem in langsrichting (diepte van ca. 2,5 % van de lengte vlak), een sterke zeeg en een verhoudingsgewijs breed voorschip.
Ook werd nog lang een spriettuig gevoerd, vanwege het ontbreken van een giek of boom, die een gevaar kon opleveren op een slingerend schip waar aan dek werd gewerkt. De hoogaarzen van de werf van Meerman in Arnemuiden zijn herkenbaar aan het verloop van het berghout, dat niet doorloopt tot de achtersteven, maar stopt halverwege de achterboeg. Arnemuidse hoogaarzen zijn tot op het laatst traditioneel gebouwd, dat wil zeggen overnaads beplankt en met traditioneel achterschip.

Lemster hoogaars of jachthoogaars, jachtboot
Bijzonder bij deze schepen is de vorm van het achterschip, die lijkt te zijn geïnspireerd door dat van een boeier. Er zijn verschillende theorieën over het hoe en waarom van deze aanpassing, het heeft zonder twijfel te maken met verbetering van de vaareigenschappen en de snelheid van de schepen.
De Lemster- of jachthoogaars is ontstaan in het derde kwart van de 19e eeuw. De eerste bekende hoogaars met een rond gebouwd achterschip was het hoogaarsjacht ‘Oscar et Virginie’, gebouwd in 1878, waarvan Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam een model bezit. Ook in het voorschip werd het vlak sterk opgebrand, met als gevolg dat de hoekige kim vanaf het grootspant stilaan verdween. Vanaf 1900 werden eerst de ‘snelvarende’ hoogaarzen in opdracht van de Dienst der Domeinen op deze manier gebouwd, weldra gevolgd door de werk- en vissersschepen. Deze jachthoogaarzen waren meest karveel gebouwd en voorzien van een bezaan- of gaffel tuigage.

Motorhoogaars
De traditionele hoogaarzen waren door hun betrekkelijk lichte bouw niet geschikt voor de inbouw van zware motoren, waardoor alternatieve scheepstypen zoals de mosselaak en de botter steeds meer aan populariteit wonnen. In een poging het tij te keren werden vanaf 1930 de motorhoogaarzen ontworpen.
De motorhoogaars is voller van model dan de zeilhoogaars, is breder en heeft een grotere holte. Vooral het achterschip was voller, in verband met het gewicht van de zware dieselmotoren. De motorhoogaarzen werden in hout gebouwd, maar onder andere door de introductie van het kottermodel en vooral staalbouw was het einde onafwendbaar. Er zijn in totaal niet meer dan zes motorhoogaarzen gebouwd, waarvan er nog één, de 'Geertrui', in de vaart is en gerestaureerd als zeiljacht.
7. Onderzoek naar de diverse verhoudingen
De verhoudingen zijn gebaseerd op de statistische verwerking van de volgende documenten:
- 105 geschreven bestekken van de werf Gebr. Meerman te Arnemuiden vanaf 1863-1913
- 39 geschreven bestekken van de werf Gebr. Jonker te Kinderdijk vanaf 1857-1875
- 19 veelal originele tekeningen van gebouwde hoogaarzen 1878-1990
- 4 tekeningen van Kinderdijkse hoogaarzen van A.C. Kriens (1863-1877) (Maritiem Museum Rotterdam).
- 1 tekening van een kleine hoogaars van Boot (Delft-Vrijenban) 1877 (Maritiem Museum Rotterdam).
- 1 (onvolledig) bestek van een hoogaars uit een handschrift door L. Hoogendam te Maassluis 1711 (Scheepvaartmuseum).
- Schilderijen van o.a. Jan Porcellis en Hendrick Avercamp.
Publicaties over de Hoogaars in het Stamboekarchief
Sectie Documentatie van de Stichting Behoud Hoogaars
De meeste maritiem erfgoed geïnteresseerden kennen de Stichting Behoud Hoogaars (SBH) wel. Deze stichting met een 140 vrijwilligers maakt zich sterk voor het behouden van de Hoogaars voor het nageslacht. Hiertoe heeft zij twee authentieke hoogaarzen (YE36 en Alcyon), een dito hengst (TH49) en nog wat kleiner spul. De schepen zijn in het begin van de 21e eeuw grondig gerestaureerd, en worden ingezet voor de verhuur met schipper aan particulieren, groepen, en meer recent in samenwerking met museum Veere voor de bezoekers van het museum. De SBH verzorgt ook ieder jaar de Van Loon Hardzeildagen en daaraan voorafgaand het inmiddels traditionele Rondje Zeeland, in samenwerking met de Historische Scheepswerf C.A. Meerman in Arnemuiden.
De maritieme bibliotheek omvat, naast een uitgebreide knipselkrant, ca. 950 boektitels, en vrijwel complete ingebonden jaargangen van tijdschriften als de Waterkampioen, Wandelaer et sur l’Eau, de Blauwe Wimpel en natuurlijk de onvolprezen Spiegel der Zeilvaart (nu ook met de eigen "redactie hoogaars" de 'Pijp Toeback'). Veel boeken, foto’s en andere relevante informatie zijn afkomstig van geïnteresseerden die een passende bestemming zochten voor hun bibliotheek. Dergelijke aanvullingen zijn altijd zeer welkom.
Daarnaast is er een digitale bibliotheek, met onder andere kopieën van bestekken van alle door de Gebroeders Meerman in Arnemuiden tussen 1863 en 1961 gebouwde hoogaarzen, en een zeer uitgebreide verzameling foto’s van oude en nog bestaande visserij-hoogaarzen en hoogaarsjachten. Van de meeste van deze laatsten zijn lijnentekeningen aanwezig.
De hoogaarzen waarvan de informatie ontbreekt worden, zodra de gelegenheid zich voordoet, opgemeten en in tekening gebracht, zoals bijvoorbeeld recentelijk het stalen hoogaarsjacht 'Turc' (Van Damme, 1925). Scheepsgeschiedenissen worden onderzocht en gepubliceerd in het tijdschrift Consent. Dit verschijnt jaarlijks, in samenwerking met een viertal andere maritiem erfgoed verenigingen in Zeeland en Vlaanderen en documenteert de geschiedenis van de oude zeilvaart op de Schelde.
Dit alles maakt dat de hoogaars waarschijnlijk een van de best gedocumenteerde klassieke scheepstypen van de Nederlandse vloot is.
Voor vragen over Zeeuwse schepen en gerelateerde onderwerpen kunt u altijd terecht op documentatiesbh@online.nl.
Bezoek aan de bibliotheek is mogelijk na afspraak op tel. 06 200 44 853.

De hoogaars 'Pijp Toeback' redactieboot van de Spiegel der Zeilvaart
Het kan niet anders of een redactie-platbodem voor de Spiegel is een historisch schip. Dat had ieder type kunnen zijn, maar om te benadrukken dat we niet alleen Nederlandse lezers hebben maar ook een behoorlijk aantal Duitse en Belgische abonnees, is het wel zo mooi om te kiezen voor een "grensoverschrijdend model". Een hoogaars dus, waarmee in de Scheldedelta druk gevist werd door de Nederlanders, terwijl de Belgen er vele hadden voor hun plezier. Deze hoogaars met de naam 'Pijp Toeback' werd gebouwd op de werf van Van de Voorde. In die tijd kreeg de werf het lassen onder de knie; de hoogaars is nog grotendeels geklonken. Een schip met geschiedenis maakt altijd de tongen los en zorgt voor een stortvloed aan verhalen - we moeten er nog veel verifiëren. Het fenomeen redactieboot is geen onbekende in de Nederlandse watersportmedia. De inmiddels ter ziele Waterkampioen had er in het verleden zelfs meerdere en ze werden volop ingezet. De schepen waren een soort verhalenmotor: er werd aan gewerkt, er werden reizen mee gemaakt, ze waren aanwezig op evenementen en veel daarvan werd aan het papier toevertrouwd. Van de laatste redactieboot, het motorjacht Tijgerhaai, verscheen zelfs een mooi uitgevoerd boek, De reizen van de Tijgerhaai. Redactieleden van de Waterkampioen werden aangespoord om vaartochten te bedenken en uit te voeren. Maar ook de verfraaiing van deze boot, waarbij een deel van het lakwerk een "houtlook" kreeg leverde veel gespreksstof op.
Met onze redactieplatbodem willen we hetzelfde bereiken, zij het iets minder ambitieus; hij moet een kapstok vormen waaraan je de nodige verhalen kunt ophangen. Het eerste verhaalidee hadden we meteen al te pakken: houtrot.

Stichtings Monografie 27 - Drie Hoogaarzen
Het waren de mannen van het eerste uur die aan de wieg van onze Stichting stonden die niet alleen de aandacht vestigden op het woord 'publicaties', maar die tevens activiteiten ontwikkelden die het mogelijk maakten om hier metterdaad wat aan te doen. Het gevolg was deze eerste serie van z.g. Monografieën, die wij aan ieder van de ruim 1000 vrienden van de Stichting gaan sturen. Zij zijn vervat in een eenvoudige omslag die t.z.t. in een grote, stevige band opgenomen kan worden.
Monografie 27 'Jetty'
Plaquette stamboek No. 290, zeilnummer OB3, oorspronkelijk de ARM 4 (Arnemuiden) is als vissersvaartuig op de werf van de gebroeders De Klerk te Kruispolder gebouwd. De opdracht is in Mei 1913 gegeven door H. van de Gruiter-van Belzen uit Arnemuiden. Die opdracht hield in de snelste hoogaars van de Oosteren Wester Schelde te bouwen.
Monografie 27 ''Turc'
Plaquette stamboek No. 197, zeilnummers resp. OB4 - OB7 - OB38 - VB38. Gebouwd in 1925 op de werf Gesar van Damme te Baesrode aan de Schelde in België, in opdracht van de heer Edmond Grahay in Antwerpen. De 'TURC' was eigendom van de familie Crahay van 1925-1958. De heer Crahay had in Antwerpen een modezaak tegenover de Boerentoren, Schoenmarkt 10. Tussen de heren Edmond Crahay en scheepsbouwer Gaston van Damme hebben ernstige onenigheden en wrijvingen plaats gehad en wel van zo ernstige aard dat een en ander de heer Van Damme na meer dan 40 jaar nog zo dwars zat, dat hij niet bereid was ons enige informatie over de 'TURC' te verstrekken. Wij zijn er toen pas achter gekomen dat het conflict zo ernstig geweest is.
Monografie 27 'Windroos'
Plaquette stamboek No. 1422, In 1926 werd deze hoogaars gebouwd op de werf van F. Annemans te Gent in opdracht van M. van Gysel, Vice-Commodore van de R.S.C. Gent. In het reeds eerder genoemde eerste nummer - 7 januari 1927 - van het nieuwe watersportblad 'De Waterkampioen' meldt de Belgische briefschrijver dit feit uitvoerig, met name omdat 'de 'WINDROOS' speciaal gemaakt werd om de 'JETTY' te kloppen'. Prompt zendt Léon Huybrechts dan ook een uitdaging aan Van Gysel voor een wedstrijd om de Prix Scaldis - een groot houten model van een botter.

De 'Turc': Liefde op het eerste gezicht door Bernard van Gils, met de aanvulling over de daarin genoemde YE46 'La Gaffe' door Jules van Beylen
In 1958 lag in Drimmelen een Hoogaars te koop. Wij hadden voor hoogaarzen grote genegenheid zonder dat we ooit hebben kunnen vaststellen waarop die sympathie nu eigenlijk steunde, want wij hadden nog nooit één stap op het dek van zo'n schip gezet. De koop was snel gesloten. En nu, na bijna 28 jaar, is diezelfde „Turc" op haar ruim zestigjarige leeftijd nog steeds een „kostbaar" troetelkind. Een bijzonderheid is wel, dat zij nog steeds haar tweede eigenaar heeft.
Op een gegeven moment komt er dan een punt, dat je álles van Zeeuwse schepen wilt weten. Dan blijkt er maar één man te zijn, die álles weet: J. van Beylen, de nu gepensioneerde conservator van het scheepvaartmuseum „Het Steen" in Antwerpen. Hij publiceerde en vertelde erg veel over schepen van de Schelde.

Consent voorjaar 2021 nummer 37 - Vergeten Hoogaarzen
Als het over hoogaarzen gaat volgt al gauw het verhaal dat het vooral te danken is aan de Belgische jachteigenaren uit het begin van de 20e eeuw dat er uberhaupt nog hoogaarzen zijn. En dat er maar zo weinig van zijn overgebleven wordt geweten aan het feit dat de hoogaarzen zijn 'opgevaren, in de Tweede Wereldoorlog vernield of afgevoerd, en daarna overvallen door de moderne tijd met motorisering, staalbouw, nieuwe scheepstypen etc. Maar is dat het hele verhaal?
Uit een overzicht van de jachtlijsten van verschillende zeilverenigingen blijkt dat de hoogaars, in vergelijking met bijvoorbeeld de boeier, nooit een echt populair type jacht is geweest. Met haar spitse lijnen en lange overhang was het weliswaar een droog schip, maar de boeier, met haar bolle wangen en ronde lijnen, werd mooier gevonden. Een beetje zoals je vertederd raakt bij het zien van een kindje met krullen, een wipneus en bolle wangen.
Hoogaarzen zijn betrekkelijk licht gebouwde schepen, met weinig langsverband. In zeegang werkt het schip nogal, waardoor gemakkelijk lekkages ontstaan. De schepen gingen in de beroepsvaart dan ook niet langer dan pakweg 20 tot 25 jaar mee, en werden dan afgedankt of verkocht aan minder vermogende schippers, die ze letterlijk opvoeren.
Ondanks die minder positieve eigenschappen waren in 1898 op een totaal van 131 ingeschreven jachten van de Royal Yacht Club de Belgique (RYCB) 16 platbodems, waarvan acht hoogaarzen. (Van de SRNA, de andere Antwerpse jachtclub, zijn geen gegevens bekend). Het maximum aantal hoogaarzen werd bereikt in 1935 met 13 (van de 56 platbodems) op totaal 136 ingeschreven jachten.
Het Nederlandse Jachtregister 1924/1925 vermeldt daarentegen niet meer dan tien hoogaarzen op een totaal van 464 jachten, waarvan 89 boeiers. En dan spreken we nog niet over de vele tientallen tjotters en andere platbodems. De hoogaars was dus in Antwerpen relatief gezien wel populairder dan in Nederland, maar het waren geen overweldigende aantallen.
Van die toch al bescheiden aantallen zijn er veel in de loop der tijd verloren gegaan, verdwenen of erger. Zo zijn er de Alice (Meerman, 1884, verdwenen), Thistle III (Meerman, 1893, gezonken), Tenace (Meerman, 1938, verdwenen), en weten we van de Caro (Van Duivendijk,1931, vergaan), Reiger (Van Duivendijk, 1902, verdwenen), Marieke (Van Duivendijk Bruinisse,1907, verdwenen), Velsa (De Volharding, Middelburg, 1892, gezonken), Triton (Van Duivendijk Tholen, 1902, gesloopt), De Groene Wolf (Onbekend, 1878, gezonken), Oscar en Virginie (Verheul Papendrecht, 1878, verdwenen). En zo zijn er nog veel meer, allen tijdingloos, verdwenen, gezonken of vergaan.
Van een aantal van deze schepen is nog wel het een en ander te achterhalen, vooral als ze indertijd naar Engeland werden verkocht, en werden ingeschreven in het Lloyd's Register of Yachts. Af en toe krijgen we een vraag over een van deze schepen. En dan kan de zoektocht naar het verleden vreemd verlopen.

Het ronde achterschip van de Hoogaars
Dirk Huizinga schrijft:
De hoogaarsen zijn veel ouder dan de visaken uit Lemmer. Het is echter ook het bekende naamgevingsprobleem. Wanneer kreeg een scheepstype de naam die wij nog kennen en waarom? Vanaf eind 1800 wordt er een verband gelegd met visaken en de havenplaats Lemmer (bv. bij de bouw van de Zevija in Joure.) Zeeuwse vissers kwamen ook in de Zuiderzee voor mosselzaad. Ze waren bekend met de noordelijke scheepstypen. Dat er beïnvloeding was, is dus niet zo raar. De naamgeving gaat automatisch mee, maar het is heel moeilijk, wellicht onmogelijk, vast te stellen wie voor het eerst welke naam gebruikte. Peter Hamer merkt op dat er al hoogaarsen met een ronde kont voeren, voordat er Lemsteraken waren. Hij wijst op de boeiers. De boeiers zijn er al eeuwen, maar ook de tjalkachtigen en pramen met ronde kont. De visaakjes van het Friese binnenwater waren er eerder dan de visaken voor de Zuiderzee. We moeten dat m.i. niet te zeer vastpennen aan de aken van De Boer uit Lemmer, die immers nooit sprak over Lemsteraken, maar altijd over visaken.
Opmerking van Peter Hamer:
Ik ben het met Dirk Huizinga eens dat er beïnvloeding was tussen de Zuiderzee en de Zeeuwse wateren. Ook de suggestie dat de ronde kont niet direct van de visaken hoeft te komen heb ik al geopperd, in mijn stukje over Vergeten Hoogaarzen in de Consent van 2021, onder het kopje "bijvangst". Kopie aangehecht. Daarin stel ik dat mogelijk de ronde kont is gekopieerd van de beurtscheepjes die op dezelfde werf werden gebouwd. Overigens heb ik al een advertentie gevonden uit 1856 waarin wordt gesproken over een "extra snelzeilende Plezier hoogaarts". Aangezien dezelfde term 'snelzeilende hoogaarzen' werd gebruikt voor de aanbesteding door de Domeinen (later visserij politie) rond de eeuwwisseling, en die ook waren voorzien van een ronde kont, is het goed mogelijk dat die aanpassing al 50 jaar eerder was ontstaan op de rivieren in Zuid Holland.
Waarom in Zeeland de ronde konten Lemmerkonten werden genoemd blijft gissen. Mogelijk werd die term geïntroduceerd door de Lemmerjachten die rond de eeuwwisseling in Bruinisse verschenen.
Het hoogaarsjacht "Oscar et Virginie" is gebouwd in 1878, en had al een rond achterschip. We weten nog te weinig van deze ontwikkeling om er een precies jaartal aan te geven.
De oudste ijzeren Hoogaars, de 'YE46 - Zeehond - La Gaffe' (Spiegel der Zeilvaart 1986 nummer 5)
Spiegel der Zeilvaart 1986 nummer 5
Bernard van Gils heeft in 1986 in Spiegel der Zeilvaart nummer 3 een uitgebreid artikel geschreven over de aankoop van de Hoogaars 'Turc', aangevuld met een heel stuk geschiedenis over het scheepstype.
Hij schrijft: "Geen twee hoogaarzen zijn gelijk. In hoofdlijnen onderscheidt men: de Kinderdijkse - de Oost Duivelandse of platte Duivelander - de Arnemuidense - de Thoolse - de Zeeuws Vlaamse en later als variant de Lemmer hoogaars. In Kinderdijk waren de werven van Smit en Jonker. Op de nu wel erg grote en bekend geworden werf Smit-Kinderdijk werd in 1742 al door de uit Denemarken stammende Fop Smit de eerste hoogaars gebouwd." Onder het kopje "Hoogaarzen als jacht gebouwd", schrijft hij ook over een klein aantal gebouwde ijzeren Hoogaarzen, waaronder de YE46, altijd aangeduid als "den ierste ieseren". De Duitser Jürgen Prasse had de Hoogaars gekocht bij Sondij in Almere. Daar was ze in tekening gebracht. Jürgen was van plan om de YE46 in Hannover te restaureren, om later vanuit Bremerhaven met haar te gaan zeilen.
Jules van Beylen heeft het artikel in de Spiegel der Zeilvaart twee nummers later (1986 nummer 5) aangevuld met meer informatie over de YE46 'La Gaffe'. De Hoogaars heeft een aantal jaren in Almere gelegen bij scheepswerf Sondij, om als voorbeeld te dienen voor een serie Hoogaarzen, die door Sondij zijn gebouwd rond 1980. Oud-visserman Glerum wist te vertellen dat de YE46 de eerste ijzeren Hoogaars was, die ooit gebouwd werd. Dit schip heette dan ook "den ierste ieseren". Dit schip is in 1886 gebouwd in Alkmaar of door de Gebroeders Paans te Moerdijk.
Reactie van de eigenaar van de Yerseke 46: 'Den Iersten lesere' (in SdZ 1986 nummer 8)
Met belangstelling heb ik in de SdZ 1986 nummer 3 het artikel over de Hoogaars gelezen. Als eigenaar van de YE46 bericht ik U het volgende: De ijzeren hoogaars YE46 is over een afstand van ca. 500 kilometer door de verschillende kanalen naar Lohnde in de omgeving van Hannover gebracht. Daar zal het schip door mijzelf in een periode van ca. 2 jaar geheel gerenoveerd worden. Zowel de huid als de bodem moeten vernieuwd worden. Onder de naam "Den lesere van Jan de Rooy" zal deze hoogaars straks ligplaats krijgen in de museumhaven van Bremerhaven en van daaruit onder zeil gaan. Het schip is in 1892 naar in Alkmaar gebouwd. De thuishaven was Yerseke. In het schip bevindt zich nog een Belgisch ijkmerk No. BR 1219 B uit Brussel, gedateerd 15-2-1909. Het ijknummer is er nu uitgehaald, omdat dat stuk plaat vernieuwd moest worden.
De eerste eigenaar was Jan de Rooy. Hij heeft de ijkbrief mede ondertekend. Met de vorige eigenaars: Jan van der Ree en Roland d'Ieteren, de zoon van Pierre d'Ieteren heb ik reeds contact opgenomen. Ik ben er zeer in geïnteresseerd meer over de YE46, vroeger 'Zeehond', daarvoor 'La Gaffe' te vernemen en ben uiteraard ook geïnteresseerd in foto's en andere documenten. Mij is er veel aan gelegen de YE46 als fraai voorbeeld van Hollandse scheepsbouwkunst te behouden en in originele staat te herstellen, zowel wat betreft de romp, als de tuigage en ook zo veel als mogelijk wat de inrichting aangaat. Wanneer er lezers zijn die meer van de 'YE46 - Zeehond - La Gaffe' weten, of over documentatie beschikken, verzoek ik hen vriendelijk mij daarvan in kennis te stellen.
Jürgen Prasse Berlinerstrasse 8 D-3008 Garbsen (D).
Naschrift: B. van Gils: De in het Duits gestelde brief van Jürgen Prasse heb ik ten behoeve van de lezers in het Nederlands vertaald. Ik wil er nog aan toevoegen, dat wij, in de periode toen wij de 'Turc' pas in bezit hadden, zo rond 1960 meerdere malen met de 'La Gaffe' hebben opgevaren. Nadat het schip in het Thoolse Gat bij een zware storm op een zaterdagavond is omgeslagen, heb ik haar nog jaren op de helling van de werf in Veere zien liggen. Daarna was het schip nergens meer te vinden, totdat wij haar in Almere de Vaart bij de werf Sondy hebben teruggevonden. Achterop het boeistel stond nog, weliswaar overgeschilderd maar goed leesbaar Uitwellingerga. Dat doet vermoeden, dat het schip daar in Friesland in de buurt van Sneek geruime tijd is geweest. Maar de levensloop van de YE46 tussen Veere en Almere heb ik nog niet kunnen reconstrueren. Na Jan de Rooy (er waren meer Jannen de Rooy, daardoor ontstaat op dit punt nogal eens verwarring) deze met de bijnaam de Roeter heeft Cornelis de Rooy het schip in bezit gehad. Op 15 november 1921 is zij naar België verkocht en droeg toen de naam 'Christina'. De mededeling van de heer J. van Beylen, dat zij op een werf in Alkmaar is gebouwd intrigeert heel erg. Een Zeeuws schip in 1898 in Noord-Holland gebouwd. Dat roept vraagtekens op!
De schepen die door de werf Sondy volgens het lijnenplan van de YE46 zijn gebouwd, zijn (alle met een lengte van ca. 13.40 meter):
- 1976 'Vuyrenblaas';
- 1978 'Ilias';
- 1978 'Anna Patricia';
- 1978 'Kaat Mossel';
- 1979 'Waterjoffer';
- 1979 'Zeeliefje';
- Een nog niet afgebouwd casco (waarschijnlijk 'de Hooger', ook afgebouwd in 1979).
In Zierikzee wordt verteld dal de YE46 ook nog heeft gevaren onder het registratienummer YE91. Daar in Yerseke is zo'n ijzeren hoogaars rond de eeuwwisseling stellig een zeer vreemde eend in de bijt geweest. Dal blijkt wel uit het feit dat ze toen al "Den Iersten lesere" werd genoemd. Rond die tijd 1902/1903 is de YE38 gebouwd en dat moet dan de tweede "Iesere" hoogaars zijn geweest, 14.81 m lang en 4.80 m breed, nu nog varend als 'Maaike II' met als thuishaven Veere. De eerste eigenaar van dit schip was ook Jan de Rooy, maar een andere. Merkwaardig is dat er dan geen ijzeren of stalen hoogaars meer wordt gebouwd tot 1925. In dat jaar werd de 'Turc' op de werf Cesar van Damme in Baasrode aan de Schelde in België meteen als jacht gebouwd in opdracht van E. Crahay te Antwerpen (zie SdZ 1986 nummer 3).
Bernard van van Gils, Tholen
Reactie van D.W. Postma uit Heiloo
Het artikel dat ik op verzoek van Thedo Fruithof over hoogaarzen heb geschreven en dat in SdZ 1986 nummer 3 is verschenen, heeft tegen mijn verwachting een groot aantal zeer plezierige reacties opgeleverd. De meest waardevolle kwam, in prachtig handschrift, van de 82-jarige D.W. Postma uit Heiloo:
Geachte Heer Van Gils,
Met zeer veel nostalgisch genoegen uw artikel over de hoogaars gelezen in SdZ nummer 3. Wat zal ik zeeziek geweest zijn, als ik als jongen van 8-9 jr. mee mocht te vissen. Ik logeerde bij mijn grootouders in Breskens en ik heb er ook nog vier maanden gewoond toen mijn moeder ziek was. Maar als je dan 's nachts uit bed gehaald werd, kreeg je geen boterham. "Die krijg je aan boord wel," maar aan boord was het: "Ja, zo meteen, als we de haven uit zijn." Maar dan hoefde het al niet meer. Een week daarna deden mijn ribben nog zeer. Ook ben ik eens mee geweest op zeehondenjacht, de Schelde op, met enige notabelen van het dorp. Ik geloof niet dat er een schot gelost is. We liepen vast op een zandbank in 't zicht van de haven en ik duvelde over boord. Een oom van me kreeg me nog te pakken. Ik spreek van de jaren '13-'14. Ik ben van 1904. Toen stond er nog een premie van f 2,50 op een zeehond. Toen zag je ze nog volop en b.v. tuimelaars. Ik woonde toen in Westkapelle en zat ook altijd aan de dijk en daar zag je ook geregeld die tuimelaars. Mooi! Eén ding mis ik in uw artikel en ook in SdZ nr. 3. Het verschil in tuigage. In Breskens hadden ze allemaal een gaffeltuig en in Arnemuiden een spriettuig. Als kinderen spraken we altijd een beetje geringschattend over de Arnemuiers. Met de Pinkster had ik een nicht op bezoek, ook een vissersdochter uit Breskens en waar praatje dan over hé. Ik liet haar uw artikel zien met de foto van de hoogaarzenrace. "O," zei ze, "maar da zien Aernemuienaars é. Weet je wel dat die altijd zo gemakkelijk omsloegen en dan verdronken ze é." Nog dat geringschattende. Het zullen nog wel kinderverhalen geweest zijn, denk ik. Ik weet wel, zo'n spriettuig vonden we zo kinderachtig. Een echt schip had een giek en een gaffel. Wat konden ze je pesten als je zeeziek was, dan moest je bij de kokende garnalenpot komen ruiken, daar knapte je dan van op. Of, "Oh, jongens daar komt een grote stoomboot over ons heen." "O, was ik maar dood." Daarna kwamen de motoren erin en daarna weer de houten kotters en nu de grote 'kotters. SdZ nummer 6 is ook prachtig. Ik heb een goede kennis, Mr. Gerard van Duivendijk. oud-kantonrechter, opgebeld en gezegd. "Ik heb hier een heel familieregister van je." Hij is meen ik van de Lekkerkerkse kant. Die verwacht ik dus ieder ogenblik.
Ik vind SdZ een fantastisch blad. Hier en daar wel eens al te technisch voor een volslagen leek, want dat ben ik, al heb ik nogal eens wat gerotzooid aan en op 't water. Zowel vloeibaar als in gestolde vorm. Zo wordt er geschreven over ronde kimmen. Nooit van gehoord, wel van kimkielen. Dat was het dan. Nogmaals mijn hartelijke dank.
D.W. Postma, Heiloo
Naschrift. Dank voor uw reactie die we van u mochten plaatsen. Ronde kimmen horen bij tjalken. In tegenstelling tot de knik zoals die bij b.v. botters tussen vlak en huid voorkomt.

Frits Loomeijer Port Salut 112: Alkmaar IJzeren Hoogaars mei 1892 (Spiegel der Zeilvaart 2024 nummer 2)
Historici die bronmateriaal manipuleren om hun punt te maken, worden doorgaans overladen met pek en veren. Dat doe je niet, het is een academische doodzonde. Hier doen we het juist wel, maar we zeggen het erbij. Met behulp van digitale techniek hebben we van een bijzondere stereofoto (zie inzet) een beeld gemaakt. De linker foto van het origineel is het scherpst, maar de kop van het schip staat er niet helemaal op. Door beide foto's te combineren en te restaureren, ontstaat een relatief scherp beeld van het hele schip. Een unieke, gereconstrueerde inkijk in de bouw van een ijzeren hoogaars.
De eerste ijzeren
Ruim veertig jaar geleden krijg ik via oud-skûtsjeschipper en visserman Rein Blom uit Hindeloopen een envelop van zijn broer lege. Daarin zitten foto's van een tweemastschoener, de kits Noorman, een propeller aangedreven aluminium 'glijboot' uit 1927 en van deze hoogaars. Het zegt veel over zijn brede belangstelling. Op de achterkant van de hoogaarsfoto staat met pen: mei 1892. Maar waar is het? De Noorman en de schoener wijzen naar Alkmaar. Die zijn gebouwd bij de firma W.F. Stoel, beter bekend als scheepswerf Nicolaas Witsen. Maar een hoogaars in Alkmaar? Dat lijkt toch wel erg onwaarschijnlijk. Dankzij digitale ontsluiting van archieven, registers en kranten is echter vast komen te staan dat we hier wel degelijk kijken naar de bouw van een hoogaars door de Nicolaas Witsenwerf, de eerste ijzeren ooit. Hij wordt op 4 juni 1892 te water gelaten voor rekening van J. Schipper Gzn. uit Yerseke onder de opmerkelijke naam 'Twistappel'. Van 1900 tot 1921 vist Jan de Rooij uit Yerseke ermee onder nummer YE46. In 1915 belandt Jan in het gevang wegens smokkel met zijn schip. Vier jaar later wordt hij weer aangehouden, nu met 350 kruiken oude klare aan board. Daarna komt het schip in de pleziervaart, eerst onder Belgische vlag, in de late jaren zestig onder Nederlandse en vanaf 1988 onder Duitse. Sinds de eeuwwisseling hoort de voormalige YE46 thuis in Fürstenberg-Havel aan de Röblinsee, boven Berlijn. De bouw van de 'Twistappel' bewijst we er eens hoe voorlijk de kleine Nederlandse scheepsbouw is in het laatste kwart van de negentiende eeuw, vergeleken met de werven in het buitenland. IJzerbouw voor visserij, kust- en binnenvaart is daar nog niet aan de orde. Hier lopen ijzeren tjalken, aken en sleepschepen al sinds de jaren zeventig van stapel.
De Hoogaars in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)
J. van Beylen schrijft in het hoofdstuk Hoogaars:
Het meest bekende vissersvaartuig van Zeeland is ongetwijfeld de hoogaars. Hoe oud dit scheepstype mag zijn is niet uitgemaakt. De naam hoogaars of hoogaerts of hoogeers komt reeds voor in de zestiende eeuw. Hiermede werd echter geen vissersvaartuig aangeduid, maar wel een vrachtschip van de Bovenmaas, het zogenaamde Overland. Deze hoogaars was een open vrachtschip met een laadvermogen van circa zeshonderd zakken zout en twee à drie last (last = ongeveer twee ton) andere goederen.
Het waren lichtgebouwde schepen zonder dek en met geringe diepgang waarmede de vaart op de woelige, waterarme bovenloop van de Maas onder alle omstandigheden mogelijk was.73 Het is mogelijk dat toen reeds een vissersvaartuig van het hoogaarstype bestond, maar een overtuigend bewijs is hiervoor niet over te leggen.
Wel staat op een anonieme prent van 1515 `Antverpia Merca-torum Emporium' een overnaads gebouwd vissersvaartuig afgebeeld, met rechte overhangende steven en schuine achtersteven, met een roef in het achterschip en getuigd met een sprietzeil. Het blijft echter een loutere veronderstelling, dat dit misschien een voorvader van de latere hoogaars of hengst kan geweest zijn. Een andere aanwijzing geeft een recente bodemvondst in Zeeland74, waarbij een oud, doch niet juist te dateren overnaads gebouwd, platboomd vissersvaartuig aan het licht kwam. En welk soort schepen zouden de door Smal legange genoemde mosselscheepjes geweest zijn ?75
In de loop van de zeventiende eeuw wordt de `hoogers' andermaal vermeld en wel in Winschooten' Seeman.76 Doch ook hier wordt geen vissersvaartuig bedoeld maar een schuit «die wat hooger als een gemeene boerenschuit opgeboeid is, voornamentlijk op de Maas, Lek en IJsel gebruikelijk». Aansluitend bij de vermelding van de vrachthoogaars uit de zestiende eeuw mag aangenomen worden dat de hoogaars aanvankelijk enkel een transportvaartuig geweest is op de genoemde rivieren. Hier dringt zich de veronderstelling op, dat de Zeeuwse hoogaars langs de grote rivieren in Zeeland ingevoerd werd als vrachtvaartuig en gaandeweg ook als vissersvaartuig in gebruik genomen is. Aan de andere kant bewijst de constructie van het 'schip van Brugge' uit de vroege middeleeuwen, dat platboomd vaartuigen al sedert eeuwen in de gebieden nabij de Scheldemonding moeten bekend geweest zijn. In de negentiende en zelfs in het begin van de twintigste eeuw werden hoogaarsen nog als zuiver vrachtschip gebruikt.
De hoogaars - en de hengst - wordt verder vermeld als veerboot in het proces-verbaal opgemaakt in 1711 naar aanleiding van de verdrinkingsdood van Johan Willem Friso, toen deze het Hollands Diep nabij Strijensas overstak.77 Het is dus geen toeval dat wij in de loop van de achttiende eeuw de naam 'hoogaars' weer aantreffen in de rekeningen van de Kinderdijkse scheepsbouwer Fop Jans Smit, gedateerd 1775-178978: «1775. den 8. Desember. Ik Fop Smidt hebbe een niuwe hoogaer gemaeckt voor Dirk Jilisse van Wijijen, an de Kinderdijk die een half voet langer is, met iserwerk daerbij k(omt) 69 - 17 - 0.»
Een andere vermelding luidt: «1777, 25 May, Een hoogaers voor 182 - 0 - 0.»
Er blijkt hier onderscheid gemaakt tussen een Kinderdijkse hoogaars en een hoogaars zonder meer. Ook de prijs duidt op een verschil, waarschijnlijk in afmetingen, dus kostprijs. Behalve bij Fop Jans Smit werden er tot in het begin van de twintigste eeuw ook nog hoogaarsen gebouwd te Nieuw Lekkertand en op een andere Kinderdijkse werf. Waarschijnlijk zijn er nog meer geweest in die buurt. Uitgebreide technische gegevens over de hoogaars treffen we verder aan in een werf boek van P.H. Jonker te Kinderdijk, daterend uit 1857-1875 en dat nu berust in de verzameling L. Smit te Alblasserdam.
Eigenaardig is wel, dat de befaamde scheepsbouwer-tekenaar G. Groenewegen (1754-1826) in zijn bekende reeks tekeningen van Hollandse schepen80 geen hoogaars afgebeeld heeft. Hij moet nochtans deze scheepjes gekend hebben, want op een aquarel van 1823 in de verzameling van het Maritiem Museum Prins Hendrik te Rotterdam81 heeft hij een klein specimen van een dergelijk vaartuig getekend. Maar dit is dan ook de oudste ons bekende afbeelding waarvan met redelijke zekerheid kan gezegd worden dat het een hoogaars is. Precies hetzelfde soort vaartuig staat afgebeeld op een olieverfschilderij van P.J. Schotel (1808-1865) in het Nationaal Scheepvaartmuseum te Antwerpen. Bij Groenewegen is dit scheepje geladen met goederen. Want deze vaartuigen werden ook gebruikt als boodschapper, postboot, veerboot en vrachtschip.82 Omstreeks 1900 werden ten andere nog vrachtschepen van het hoogaarstype gebruikt voor het vervoeren van massavrachten, onder meer suikerbiet. Deze schepen waren veel langer dan de gewone hoogaars.
Benamingen
De hoogaars was bekend onder verschillende benamingen. Zo spreekt men van de reeds genoemde Kinderdijkse hoogaars, een Arnemuidense hoogaars of een Arnemuidenaar, een Oostduivelander of platte Duivelander, waarmede men doorgaans de hoogaars van Bruinisse bedoelt en de Tholense hoogaars. Het is een algemeen verspreide mening dat de geografische bepaling die aan de soortnaam vooraf gaat wel bepaalde kenmerken dekt, maar dit is slechts ten dele waar. Zo kan tussen een zogenaamde Tholense hoogaars en een Oostduivelander geen enkel onderscheid bestaan om de eenvoudige reden, dat ze van een zelfde werf komen en volgens hetzelfde bestek gemaakt werden. Aan de andere kant kunnen er merkelijke verschillen bestaan tussen twee zogenaamde Tholense hoogaarsen, omdat bijvoorbeeld de ene gebouwd is in Tholen zelf en de tweede op een andere werf. De geografische aanduiding doet dus weinig ter zake als men de werf niet kent. Hieruit vloeit dus voort, dat feitelijk de bouwplaats van belang is voor de typering van de soorten, wat overigens voor alle schepen het geval is.
En dan nog zal men onderlinge verschillen bij schepen van een zelfde werf aantreffen, die onder meer ontstaan door de verschillende eisen van de onderscheiden opdrachtgevers. In het algemeen mag echter aangenomen worden, dat schepen van een zelfde werf hetzelfde 'aangezicht' hebben. Dit is zo waar, dat insiders reeds op grote afstand kunnen zeggen dat dit schip van die werf komt, laat er dan nog bijvoorbeeld Arnemuiden (ARM) of Bergen op Zoom (BZ) op staan.
Dit neemt niet weg, dat de bepaling `Tholense, Arnemuidense' enzovoort wel degelijk een specifiek karakter aanduidt, vooropgezet, dat de betreffende schepen dan ook respectievelijk in Tholen, Arnemuiden enzovoort gebouwd zijn.
In het algemeen hebben de hoogaarsen gemeenschappelijke kenmerken die men met kleine nuances op ieder type terugvindt. Het vlak van de hoogaars is druppelvormig met de ronde kant naar voor. Deze ronde kant is bij de grote hoogaars vrij bot, bij de kleinere types scherper. De aanzet van de kimlijn tegen de voorsteven is bij de grote hoogaars vrijwel haaks en het vlak heeft op die plaats reeds een grote breedte. De boegen buigen in een korte bocht naar achter toe en het vlak bereikt ter hoogte van de mastbank zijn grootste breedte. Naar achteren toe versmalt het in een flauwe bocht en bereikt tegen de achtersteven een breedte die met deze laatste gelijk is.
In de langsdoorsnede bestaat heel wat variatie. Bepaalde soorten hebben een geheel recht vlak, dat slechts opgebrand is aan de achterkant (Zeeuws-Vlaamse hoogaarsen). Onder het opgebrande deel wordt een lange scheg geplaatst.
Andere schepen hebben een opgebrand vlak in voor- en achterschip, waarbij het diepste punt nabij de mastbank valt (Arnemuidense hoogaars). Een derde variatie is het lichtjes opbranden van het vlak in voor- en achterschip (Tholense hoogaars).
Ten slotte is er nog een bouwwijze van jongere datum, waarbij het vlak en het boord nogal ingrijpende veranderingen ondergaan hebben, namelijk het rond bouwen van het achterschip, waardoor de zogenaamde Lemsterhoogaars ontstaan is. Hierbij wordt het vlak in het achterschip voorzien van een scheg, waartegen het vlak en de boorden geplaatst worden zoals bij een rond schip. Men spreekt hier dan van een 'ronde konte', een `Lemmergae, een `boeiergat' en de schepen worden ook nog als `rondgatters' aangeduid. Deze ronde bouwwijze werd ook toegepast in het voorschip, waar het vlak en de boorden ook rond gebouwd werden. Dit soort hoogaarsen is gekend onder de benaming jachtboot'. Zowel de Lemsterhoogaars als de jachtboot werden overnaads, doch ook gladboordig beplankt.
De klassieke hoogaars is steeds overnaads beplankt en wel met drie boorden: kimboord, middelboord, bovenboord. Hierbij moet ook nog als vierde boord een boeisel gerekend worden. Gladboordige hoogaarsen werden ook aangeduid als `jachthoogaars'. De wijze van beplanking heeft wel enig verschil in bouwwijze als gevolg. Zo is bij een overnaadse hoogaars steeds een dolboom tegen de binnenbovenzijde van het bovenboord aangebracht over de ganse omtrek van het schip en wel óm voldoende nageling te hebben voor het boeisel. Het berghout wordt bovenop het boeisel gelegd. Bij een gladboordige hoogaars wordt geen dolboom gebruikt en wordt het berghout rechtstreeks op de spanten vastgemaakt, zoals bij de meeste andere schepen gebruikelijk is.
Het verloop van de beplanking van een hoogaars vertoont enkele eigenaardigheden. De kimplank, die midscheeps tegen het vlak ligt, buigt in de boegen naar boven en raakt de voorsteven een heel eind boven het vlak. Hierdoor wordt een driehoekige opening gevormd: steven, kim en kimboord. Deze ruimte noemt men `soldatengat' en wordt gladboordig beplankt.
In het achterschip doet zich hetzelfde voor op kleinere schaal. De eigenaardigheid zit hier in de vorm en de beplanking van het achterschip. Van achter bekeken heeft het berghout, en dus de onderzijde van het boeisel een uitgesproken liggende s-vorm, bij het ene type al meer geprononceerd dan bij het andere. Het bovenboord moet deze s-vorm volgen en is daarom op die plaats aanzienlijk breder gesneden.
Het boeisel kenmerkt zich door de puntige vorm in het voorschip, die snel verbreedt en ter hoogte van de mastbank zijn grootste breedte bereikt om dan weer stilaan te versmallen tot aan de reeds genoemde s-vorm die in de boegen een aanvang neemt.
De vorm van het grootspant van een hoogaars is vrij eenvoudig. De lijn kim-berghout maakt met het vlak een stompe hoek en verloopt doorgaans recht, alhoewel bij sommige schepen deze lijn ook licht gebogen (bol) is. De lijn berghout-bovenkant boeisel is recht maar helt sterk naar binnen. De vorm van dit spant verloopt echter in voor- en achterschip, zoals op tekeningen kan worden nagegaan. Men merkt hierbij op dat de spanten in het achterschip lichtjes gepiekt zijn, waardoor een holle spantvorm verkregen wordt. Naar boven toe waaiert het geheel open, zodat ruime breedte op het berghout verkregen wordt. Dit brede achterschip biedt plaats aan een stuurkuip. In de boegen buigt de omtreklijn kort naar de stevens toe en in plan gezien valt het boeisel en het berghout bijna haaks tegen de achtersteven.
Een schoonheidsfout, die men bij sommige hoogaarsen kan opmerken wordt soms veroorzaakt door het verloop van het berghout, dus onderkant boeisel, in het voorschip. Hier behoort deze lijn een doorlopende bocht naar boven te nemen, en niet een neiging om terug naar beneden te buigen. Men zegt dan dat zo'n hoogaars 'druppelt'.
Een volledig spant van een hoogaars wordt als volgt samengesteld: de gegroeide knie staat met een deel op het vlak en verbindt met een tweede deel het boord. De bovenkant wordt verlengd door een klos, die het boeisel vasthoudt. De ruimte tussen de twee over elkaar staande knieën wordt gevuld door een ligger, die men 'kalf' noemt. Op het vlak wordt verder, aan iedere zijde van de knie en er vast tegenaansluitend, een ligger gebout, die over de ganse breedte van het schip gaat. In het voor-en achterschip wordt de ruimte tussen de knieën volledig met liggers dichtgelegd. Deze vulling noemt men de 'kussens'.
De Arnemuidense hoogaars kan men herkennen - ook al voert zij een bezaantuig in plaats van het gebruikelijke spriettuig - aan het meer stoere uitzicht van het schip, vergeleken met andere soorten. De Arnemuidenaar heeft meer zeeg, een iets steilere voorsteven en meer nadrukkelijke vormen. Het stoere uitzicht is wel opzettelijk, want deze schepen werken voornamelijk buitengaats of in de mondingen van de zeegaten en dit vrij ruwe vaarwater is aanleiding om een niet te vlak schip te bouwen. Een Arnemuidense hoogaars heeft daarom de faam een droog schip te zijn, dat minder buist dan een andere hoogaars.
Details
Ook in de details treft men natuurlijk verschillen aan. Het vlak is in de lengte in zijn geheel gebogen, zodat het diepste punt bij de mast valt, het `oos' (hoos). Arnemuidense hoogaarsen hadden dan ook geen pompen, want het lek- en regenwater werd met een groot hoosvat over boord geschept. Bij de oudere Arnemuidense hoogaarsen werd geen loefhouder of scheg onder het vlak geplaatst. Dit `doorzaalen' van het vlak, zoals het in de bestekken heet, zou aan de Arnemuidense hoogaars meer snelheid geven bij lichte wind, vergeleken met bijvoorbeeld een Tholense hoogaars, maar bij harde wind zou de eerste het tegen de tweede moeten afleggen. Een verschil tussen de Arnemuidense hoogaars en een Tholense is dat de eerste in het voorschip een scherper vlak heeft en in het achterschip een ronder.
Er zijn nog andere uiterlijke verschillen waar te nemen. Het berghout van de Arnemuidenaar loopt niet van de voorsteven tot tegen de achtersteven, maar eindigt in de boeg van het achterschip. Bij oudere vissermannen was het schot tussen het vooronder en het ruim niet geheel gesloten, maar de onderste plank bleef zowat 60 centimeter van de buikdenning af. Er was ook dikwijls een 'derde handje' of lier aan de mast, waarmee de spriet behandeld kon worden. Verder was de hoogaars, bestemd voor de garnaalvangst, waarmede de meeste Arnemuidense schippers zich bezighielden, steeds met een stuurkuip en kot gebouwd. Ook was de rol op een andere manier geplaatst en erachter bevond zich een beting. Ten slotte verschilde het vastmaken van de boeisels in het achterschip met de elders gebruikte werkwijzen.
Een niet direct zichtbaar verschil was de wijze waarop de boorden vastgezet werden in de stevens en de dichting van de naden. Bij een Arnemuidense en Tholense hoogaars werden de koppen van de boorden in een sponning gestoken, terwijl bij andere hoogaarsen, de planken ook wel `droog' tegen de stevens gezet werden. Het dichten van de naden gebeurde door middel van papier: voor dunne naden bijvoorbeeld tussen twee geklonken boorden, in lassen en stuiken gewoon bruin pakpapier. Voor bredere naden werd een soort viltpapier gebruikt. Bij de Tholense hoogaars gebruikt men het gewone werk van gepluisd touw en bij Oostduivelanders en in Zeeuws-Vlaanderen neemt men mos. Vergeleken met de Arnemuidenaar had de Tholense hoogaars een eleganter en zwieriger uitzicht met mooi gestrekte en minder nadrukkelijke vormen. Bij de Tholense hoogaars wordt het vlak slechts lichtjes opgebrand en voorzien van een loefhouder en scheg. De voorsteven ligt minder steil waardoor het schip een meer gestrekte lijn en minder sterke zeeg en een spitser uitzicht heeft.
Men gebruikte in Zeeland ook een kleine soort hoogaarsen, die men als tegenhanger van de Kinderdijkse hoogaars kan aanzien en evenwaardig was met de kleine hengst. Zowel hoogaarsen als hengsten kwamen voor in verschillende maten. Zo spreekt men voor kleinere schepen bijvoorbeeld van een `vijfknieër'. In de rekeningen van de werf J.F. de Klerk te Kruispolder leest men herhaaldelijk over herstellingen aan 'den kleinen hoogaars' en aan 'den grooten hoogaars'. Deze kleinere schepen hadden geen voorplecht en ook geen rol, maar soms wel een roefje. Zij voerden een spriettuigje. De 'platte' Duivelander of Oostduivelander hoogaars vertoont weer andere vormen. De aanduiding `platte' wijst er al op dat de lijnen van dit soort schepen zeer gestrekt waren, naar het vlakke toe. Vele van deze hoogaarsen werden gebouwd op de Lek te Nieuw Lekkerland en ook te Kinderdijk. Deze hoogaarsen bleken bij vele Zeeuwse schippers wel in de smaak te vallen want nu weet men in Zeeland nog te vertellen, dat 'men in Lekkerland mooie schepen bouwde'.
In latere jaren bouwde men te Nieuw Lekkerland vooral de zogenaamde 'jachtboten'. Deze hoogaarsen hadden niet het vlakke silhouet van de oudere Oostduivelanders en zagen er veel minder stijf uit. Bij deze jachtboten werd het vlak in voor- en achterschip, geheel rond gebouwd en bleef de hoekige kim enkel behouden op de zijkanten. Deze hoogaarsen werden met een beun gebouwd. Ook het voordek was verder doorgetrokken dan gebruikelijk en bedekte de ganse mastbank. De mast was ingericht als klapmast, reikte tot op het vlak, en kon door middel van een lier neergelaten worden. In het voordek was een langwerpig luik aangebracht, dat voor een deel afgedekt was door een los stuk dek en voor de rest door een normaal luik. Deze gleuf was nodig om doorgang aan de voet van de mast te verlenen. De lier was ingewerkt in de voet van de mast en tegen de kaken van de mastkoker. Het was een systeem dat analoog was met hetgene dat ook op schouwen voorkwam.83
Aantekeningen
73 Th. L.M. Thurlings De Maashandel van Venlo en Roermond in de zestiende eeuw, 1473-1572, Amsterdam 1946, p. 130.
74 G.D. van der Heide Twee Scheepswrakken op Tholen, Zeeland, in de Berichten van de Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek, jrg. vn, 1956, p. 133.
75 M.S. Smallegange Kronijk van Zeeland, Middelburg, 1696, p. 193.
76 W. 6 Winschooten Seeman, Leiden 1681, p.87.
77 J.J. Beyerman Op 14 juli 1711 verdronk Johan Willem Friso, in de Nieuwe Rotterdamse Courant, 8 juli 1961.
78 0. Ten Have De leer van het boekhouden tijdens de zeventiende en de achttiende eeuw, Delft 1933, p. 246.
79 Gegevens welwillend ter beschikking gesteld door E.W. Petrejus te Rotterdam. Afmetingen ook in: N. Lelong Les Bdteaux spéciaux et la Belgique et à la Hollande, Paris 1896, p. 34.
80 G. Groenewegen Verscheidene soorten van Hollandsche vaartuigen, Rotterdam, 1786-1801.
81 Catalogus Rivier- en havengezichten omstreeks 1800. Tentoonstelling van aquarellen en tekeningen door G. Groenewegen, Rotterdam 1949, nr. 26.
82 G. de Groot Visserijschepen, in Schuttevaer, 30 april 1949.
83 Inlichtingen vermeld aan de hand van een scheepsmodel in bezit van de scheepswerf C. Stam te Nieuw-Lekkerland.
Lijnen, constructie en zeiltekeningen Tholense Hoogaars TH35
De Hoogaars in het boek De Hoogaars van Jules van Beylen (1978)

Het meest bekende vissersvaartuig van Zeeland is ongetwijfeld de hoogaars. Hoe oud dit scheepstype mag zijn is niet uitgemaakt. De naam hoogaars of hoogaerts of hoogeers komt reeds voor in de 16de eeuw. Hiermede werd echter geen vissersvaartuig aangeduid, maar wel een vrachtschip van de Bovenmaas, het zgn. Overland. Deze hoogaars was een open vrachtschip met een laadvermogen van ca. 600 zakken zout en 2 á 3 last (last = ong. 2 ton) andere goederen. Het waren lichtgebouwde schepen zonder dek en met geringe diepgang, waarmede de vaart op de woelige waterarme bovenloop van de Maas onder alle omstandigheden mogelijk was. 32 Het is mogelijk dat toen reeds een vissersvaartuig van het hoogaarstype bestond, maar een overtuigend bewijs is hiervoor niet voor te leggen. Wel staat op de reeds genoemde prent van 1515 `Antverpia Mercatorum Emporium' een overnaads gebouwd vissersvaartuig afgebeeld, met rechte overhangende voorsteven en schuine achtersteven, met een roef in het achterschip en getuigd met een sprietzeil. Het blijft echter een loutere veronderstelling, dat dit misschien een voorvader van de latere hoogaars of hengst kan zijn geweest. Een andere aanwijzing geeft een bodemvondst in Zeeland 33 waarbij een oud, doch niet juist te dateren overnaads gebouwd, platboomd vissersvaartuig aan het licht kwam. En welk soort schepen zouden de door Smallegange genoemde 'mosselscheepjes' geweest zijn? Het is helemaal niet onmogelijk, hoewel maar een veronderstelling, dat de auteur hiermede doelde op scheepjes zoals het hoogaarsje dat door Jan Porcellis werd afgebeeld op zijn 'mosselvissers op de slikken'.
In de loop van de 17e eeuw wordt de `hoogers' andermaal vermeld en wel in Winschooten's Seeman.34 Doch ook hier wordt geen vissersvaartuig bedoeld maar een schuit 'die wat hooger als een gemeene boerenschuit opgeboeid is, voornamentlijk op de Maas, Lek en IJsel gebruikelijk'. Aansluitend bij de vermelding van de vracht-hoogaars uit de 16de eeuw mag aangenomen worden dat de hoogaars aanvankelijk een transportvaartuig geweest is op de genoemde rivieren. Hier dringt zich de veronderstelling op, dat de Zeeuwse hoogaars langs de grote rivieren in Zeeland ingevoerd werd als vrachtvaartuig en gaandeweg als vissersvaartuig in gebruik gekomen is.
De hoogaars wordt ook genoemd in een proces-verbaal, opgemaakt naar aanleiding van de verdrinkingsdood van de erfstadhouder van Friesland en Groningen bij het oversteken van het Hollands Diep in 1711. 35 In hetzelfde verbaal wordt ook de hengst genoemd, waarop de koets van de prins geladen werd. Deze hengst kreeg ingevolge het slechte weder zulkdanige slagzij, dat de prins en zijn gevolg uit de koets in het water sukkelden. Een prent in verband met deze gebeurtenis uit 1716 36 toont echter een vaartuig, dat in het geheel niet op een hengst gelijkt, maar een pont voorstelt, zoals die nog in de 19de eeuw gebruikt werden. Het is echter best mogelijk dat de auteur of de tekenaar geen hengst of hoogaars kende en het gebruikelijke veerschip of pont van die tijd weergaf.
Het is dus geen toeval dat wij in de loop van de 18de eeuw de naam 'hoogaars' weer aantreffen in de rekeningen van de Kinderdijkse scheepsbouwer Fop Jansz. Smit, gedateerd 1775-1789. 37
Doorgaans bezitten schepen van een zelfde werf bepaalde karakteristieken, waarin men de 'hand' van de scheepsbouwer herkent. Dit neemt niet weg dat het nog altijd moeilijk blijft een schip naar deze karakteristieken te identificeren. Want schepen die van een zelfde werf komen, vertonen soms nog aanzienlijke verschillen die voortkomen uit de wensen van de opdrachtgevers, de staat van het voorradige hout, enz. Bovendien zijn van deze schepen zo weinig concrete gegevens bewaard, dat vergelijkingen voor het vaststellen van de types zeer bemoeilijkt worden.
Tenslotte dient men er nog rekening mee te houden dat ook de schepen van een zelfde werf gaandeweg veranderingen ondergingen en dat daardoor een schip, gebouwd in 1870 er anders uitzag dan een gebouwd in 1910, vooropgezet dat de betreffende schepen dan ook resp. in Tholen, Arnemuiden, enz. gebouwd zijn.
In het algemeen hebben de hoogaarsen gemeenschappelijke kenmerken die men met nuances op ieder type terugvindt. Het vlak van de hoogaars is druppelvormig met de ronde kant naar voren. Deze ronde kant is bij de grote hoogaars vrij bot, bij de kleinere typen iets scherper. De aanzet van de kimlijn tegen de voorsteven is bij de grote hoogaars vrijwel haaks en het vlak heeft op die plaats reeds een grote breedte. De boegen buigen in een korte bocht naar achteren toe en het vlak bereikt ter hoogte van de mastbank zijn grootste breedte. Naar achteren toe versmalt het in een flauwe bocht en bereikt tegen de achtersteven een breedte die met deze laatste gelijk is.
In de langsdoorsnede bestaat heel wat variatie. Bepaalde soorten hebben een geheel recht vlak, dat slechts opgebrand is aan de achterkant (Zeeuwsvlaamse hoogaarsen). Onder het opgebrande deel wordt een lange scheg geplaatst. Andere schepen hebben een geheel gebogen vlak waarbij het diepste punt bij de mastbank valt (Arnemuidense hoogaars). Een derde variatie is het matig opbranden van het vlak in voor- en achterschip (Tholense hoogaars). Maar ook hierin komen andermaal een aantal varianten voor, veroorzaakt door andere, nieuwe of verbeterde werkwijzen en opvattingen. Tenslotte is er nog een bouwwijze van jongere datum, waarbij het vlak en het boord nogal ingrijpende veranderingen ondergaan hebben, nl. het rond bouwen van het achterschip, waardoor de zgn. lemmerhoogaars ontstaan is. Hierbij wordt het vlak in het achterschip voorzien van een scheg waartegen het vlak en de boorden geplaatst worden zoals bij een rond schip. Men spreekt hier dan van een 'ronde kont', een Lemmergat, een `boeiergat' en de schepen worden ook nog als `rondgatters' aangeduid. Deze ronde bouwwijze werd eveneens toegepast in het voorschip, waar het vlak en de boorden ook rond gebouwd werden. Dit soort hoogaarsen is bekend onder de benaming jachtboot': Zowel de lemmerhoogaars als de jachtboot werden overnaads, doch ook gladboordig beplankt.
Noten
31 Mr. Dr. T. HUITEMA te Wassenaar deelde mede dat de Hollandse schippers de hoogaars kennen onder de benaming `spanjoor.
32 L. M. THURLINGS, De Maashandel van Venlo en Roermond in de 16de eeuw, 1473-2572 (Amsterdam 1946), blz. 130.
33 VAN DER HEIDE, Twee scheepswrakken op Tholen, Zeeland. Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (Amersfoort 1956), jrg. VII, blz. 133.
34 W. à WINSCHOOTEN, Seeman: behelsende een grondige uitlegging van de Nederlandse konst, en spreekwoorden, voor soo veel die uit de seevaart sin ontleend, en bij de beste schrijvers deler eeuw gevonden werden (Leiden 1681), blz. 87.
35 Register van resolutiën van de magistraat van Klundert (1638-1718). Klundert, Gemeentearchief.
36 F. HALMA, Het leven van Zijne Hoogheid Johan Willem Friso (Amsterdam 1716).
37 0. TEN HAVE, De leer van het boekhouden tijdens de zeventiende en de achttiende eeuw (Delft 3933), blz. 246.









