Spring naar inhoud

Toegankelijkheidsopties:

Scheepstype: Boeieraak (Zeeuws vissersschip)

Inleiding

De Boeieraak CLN16 in de haven van Paal 1937

Het type wordt slechts in één werk uit het begin van de 20e eeuw genoemd

Over de Boeieraak bestaan er geen oude teksten, waarin dit boottype wordt vermeld. De Boeieraak is pas te zien op enkele foto's die omstreeks het eind van de 19e eeuw in o.a. Yerseke en Terneuzen werden gemaakt. Een ets uit ca. 1880, vervaardigd door de Antwerpse kunstenaar Henri Seghers (1848-1919) en bewaard in het Nationaal Scheepvaartmuseum te Antwerpen, stelt ook een Boeieraak voor. Naar bekend is wordt het type slechts in één werk uit het begin van de 20e eeuw genoemd. Pas in 1942 werd een goede tekening gepubliceerd (M. Seghers en R. de Bock: 'Binnenvaartuigen en vissersschepen op de Schelde rond 1900', Antwerpen 1942).

Men heeft evenwel gegevens omtrent de Boeieraak gevonden in de registers van 1896 van de werf De Klerk in Kruispolder (Z.VI.); de betreffende boot was echter niet voor de visserij bestemd, maar voor het vervoer van kaas. Ook elders, bij Mulder in Nieuw-Lekkerland (ZH) bijv., werden boeieraken gebouwd. In 1952 vond men een na genoeg gaaf wrak van een Boeieraak op een zandbank bij Bergen op Zoom.

De Boeieraak wordt een Zeeuws type vissersvaartuig genoemd, omdat hij alleen in Zeeland voor visserij-doeleinden werd gebruikt. Het type is verwant aan de IJsselaak, een vrachtboot die de IJssel en de Hollandse stromen bevoer. Deze IJsselaak was van staal en langer dan de Boeieraak. Het roer van de twee typen had dezelfde vorm. Vermoedelijk is de Boeieraak, evenals de hoogaars, via de grote rivieren in Zeeland geïntroduceerd en daar aangepast voor de visserij. De inrichting van de romp werd dezelfde als die van de andere Zeeuwse boten met een door getrokken achterdek.

De Tijdlijn van de Zeeuwse Boeieraak

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Typebeschrijving van de Zeeuwse Boeieraak

  1. Geschiedenis van de Zeeuwse Boeieraak
  2. Beschrijving van de Zeeuwse Boeieraak
  3. Tuigage

Kenmerken van de Zeeuwse Boeieraak

  1. De Zeeuwse Boeieraak als werkschip
  2. De Zeeuwse Boeieraak als jacht
  3. Algemene kenmerken
  4. Kenmerkende verhoudingen
  5. Verklaring in tekening

Publicaties over de Zeeuwse Boeieraak in het Stamboekarchief

De Boeieraak in Zeeuwse vissersschepen van de Ooster- en Westerschelde - Jules van Beylen 1961

Dit Zeeuws vissersvaartuig is zo mogelijk nog zeldzamer en nog minder bekend dan de Zeeuwse schouw. Bronnen betreffende het schip zijn dan ook uiterst schaars. Oudere afbeeldingen of vermeldingen zijn ons niet bekend. Eerst op het einde van de 19e eeuw treffen we het schip aan op enkele foto's van de Zeeuwse wateren, o.m. te Yerseke en Terneuzen. Op een potloodtekening van omstreeks 1880, door de Antwerpse tekenaar Henri Seghers, uit de verzameling van het Nationaal Scheepvaartmuseum te Antwerpen, staat eveneens een dergelijk schip afgebeeld. In het begin van de 19e eeuw wordt het vaartuig voor zover ons bekend in één werk vermeld (51). Eerst in de laatste jaren kon men een betrouwbare tekening in de literatuur terugvinden.

Vermeldingen betreffende de boeieraak vonden we in het rekeningenboek van de scheepswerf J. F. De Klerk te Kruispolder:

  • Den Heer Steven Duinkerke Schipper te Ierzeke Debiet aan J. F. de Klerk Scheepstimmerman te Hontenisse wegens voor hem gemaak en gelevert een Nieuwe Boeieraak met de daar bij behoorende toebehooren, afgeleverd den 30 April 1896;
  • Den Heer P. J. Van der Heyden Negotiant te Nueiwnamen Debiet aan J. F. de Klerk Scheepstimmerman te Hontenisse Kruispolder wegens voor hem gemaakt een Nueiw Boeieraak volgens overeenkomst op datum 22 Juli 1899.

Op te merken valt dat dit schip door een «negotiant» en niet door een visser besteld werd. Het schip was namelijk bestemd voor het vrachtvervoer van kaas.De nota's bewijzen tevens dat de boeieraken o.m. in Zeeland ge­bouwd werden.

Ook te Lekkerland werden boeieraken gebouwd op de werf van A. Mulder. Gegevens over deze schepen zijn echter zo goed als onvindbaar. Het mag dan ook een geluk heten, dat wij in 1952 nog in staat waren een boeieraak op te meten, die wrak op het strand van Bergen op Zoom lag. Een model op schaal 1:10 van dit schip bevindt zich nu in het Maritiem Museum «Prins Hendrik» te Rotterdam. Na de laatste oorlog waren nog slechts enkele exemplaren in de vaart.

Alhoewel wij de boeieraak hier bij de Zeeuwse vissersschepen rekenen wil het ons voorkomen, dat dit schip oorspronkelijk op andere wateren thuishoorde in een niet zo heel ver afgelegen tijdperk. Vermits echter de boeieraak enkel als vissersvaartuig gebruikt wordt in Zeeland, wordt dit scheepstype normaal bij de Zeeuwse vissersvaartuigen ge­rekend.

De naam boeieraak wordt nog gegeven aan een vrachtschip, ook IJselaak genoemd, dat voornamelijk op de Hollandse rivieren, vooral op de IJsel gebruikt werd. Deze schepen zijn echter in staal gebouwd. In grote lijnen gelijkt dit schip zeer goed op de Zeeuwse boeieraak doch is als vrachtschip langer. Het roer heeft dezelfde silhouette bij beide scheepstypen. Dit laat vermoeden dat de boeieraak evenals de hoogaars langs de grote rivieren tot in Zeeland bekend geraakte en daar als vissersvaartuig aangepast werd, waardoor het o. m. dezelfde indeling van de romp kreeg, voor zover als na te gaan is, enkel met een doorgetrokken achterdek.
De naam van het vaartuig wijst er op dat we ook hier met een aakgebouwd vaartuig te doen hebben. De oorsprong en de betekenis van het deel « boeier » is ons echter niet duidelijk (opgeboeide aak ?).
Het vlak is in het voor- en achterschip hoog opgebrand en versmalt vrij sterk naar boven toe, waar het vóór tegen het bovenliggend boeisel stoot en achter tegen een massieve balk die op de kop van de achtersteven ligt en het boeisel aldaar opvangt en vervangt.
In tegenstelling met de schouw heeft de boeieraak een constructief ingewerkte voorsteven en scheg.
De beplanking is geheel gladboordig.
De spantvorm ziet er midscheeps als volgt uit : de lijn kim - berghout staat lichtjes bol. Boven het berghout staat het licht naar binnen hellend boeisel, dat op die plaats recht is. In het voorschip echter, d.i. van even voorbij de mastbank, heeft dit opboeisel in het midden een lichte knik die in de boegen het sterkst is en daarna tegen de steven weer verdwijnt. Deze knik ligt ter hoogte van het dek, dat op die plaatsen door het boeisel heen steekt. De knik wordt veroorzaakt door het meer naar binnen buigen van het onderste deel van het boeisel. In het achterschip ziet men hetzelfde — inbegrepen het door het boeisel stekend dek — maar het boeisel eindigt hier tegen het oplopend vlak en tegen de onderzijde van de reeds voornoemde massieve balk op de achtersteven.

Het berghout is midscheeps vrij recht gehouden en buigt slechts omhoog in voor- en achterschip. Ook de bovenkant van het boeisel is vrij recht, behalve in het voorschip waar het lichtjes omhoog gaat. Over de grootste lengte ligt het berghout tamelijk laag zodat men een breed boeisel heeft.
Ook bij dit soort schepen kwamen verschillen in lijn voor. Op een afbeelding van een boeieraak van rond 1900 kan men uitmaken dat sommige schepen een hogere kop en een hoger achterschip hadden en beslist mooie schepen moeten geweest zijn.
Het inzetten van het spantwerk is een methode die iets van de hoogaars en iets van de hengst heeft. De knieën zijn zoals bij de hoogaars verlengd door een klos. Maar tussen iedere twee knieën ligt maar één ligger zoals bij de hengst. Wat echter alleen op de boeieraak voorkomt is het afdekken van de koppen van de klossen door een potdeksel, dat feitelijk een verlenging van het achterdek is, op dezelfde hoogte doorloopt, door het opboeisel steekt en tegen de zwaardknie eindigt.
Merkwaardig was het verlagen van het boeisel over de gehele lengte van het ruim, zoals dit voorkwam op het door ons opgemeten schip.
Het verblijf van de bemanning was op ditzelfde schip voorzien in het vooronder. Uit de hiervoor vermelde nota uit het werfboek van J. F. De Klerk blijkt echter dat dit verblijf soms ook in de beun kon ingericht worden.
Naar uit de weinige voorhanden zijnde afbeeldingen vast te stellen is, werd de mast van het bezaantuig geplaatst op iets minder dan 1/3 van de scheepslengte en gelijkt dit tuig met betrekkelijk kleinere fok en groter grootzeil op dit van de schouw. Maar deze schepen schijnen in het algemeen ook langer dan het schip dat wij konden opmeten, waar de mast ongeveer op 1/3 stond.

Uit wat voorafgaat treedt duidelijk naar voor dat men bij deze schepen talrijke detailverschillen aantreft, waardoor een strakke lijn moeilijk vol te houden is. Alhoewel de grote vormen van de onderscheiden scheepstypes analoog zijn, moet men er toch rekening mede houden dat deze schepen werktuigen waren die naar de hand en de voorkeur van de gebruiker ervan gezet werden, waardoor deze variaties vanzelfsprekend worden.