Scheepstype: Boeieraak (vrachtvaart)
Inleiding
Boeieraken konden zowel vrachtvaarders als vissersschepen zijn. De vrachtschepen werden gebouwd van hout en later van ijzer, de vissersvaartuigen vrijwel allemaal van hout. Tot de laatste boeieraken behoorden de (Hollandse) IJsselaken, die onder meer zand en grind vervoerden. De IJsselaken van na 1900 waren meestal van staal en werden onder andere gebouwd te Ouderkerk (Van Snoei), Lekkerkerk (Duivendijk), Slikkerveer (Smit), Raamsdonkveer en Krimpen. Volgens ir. E. van Konijnenburg werden boeieraken ook voor baggerwerkzaamheden gebruikt in Brabant en Holland, zoals in de Biesbosch, op de Amer en de Donge. Hij vermeldt in zijn in 1913 uitgegeven werk: 'Ook op de Maas worden zij thans veel gebruikt, hoewel daar evenals op de andere bovenrivieren eertijds de bovenlandsche baggeraakjes voorkwamen'.
Bij deze gladboordig gebouwde platbodem boog het vlak aan de voorkant en de achterkant omhoog en vormde een heve. Meestal was op de boeg een ronde loze steven aangebracht. Tegen de heve van het achterschip was een scheg bevestigd, waaraan het roer was opgehangen. De helmstok draaide over het boord. De boeieraak had een berghout en zwaarden. Het boeisel viel min of meer naar binnen. Boeieraken voerden bezaanstuig, bestaande uit een grootzeil, een fok en soms een kluiver.
Houten boeieraken konden een lengte hebben tot ongeveer 16 m. Van Konijnenburg geeft de volgende maten voor enkele houten boeieraken:
- lengte 11.50 m, breedte 3.00 m,
- lengte 9.50 m, breedte 3.00 m,57
- lengte 10.40 m, breedte 2.98 m, diepgang leegvlot 0.50 m.58
Volgens een inventarisering van historische zeilschepen uit 1987 bestonden er toen nog enkele stalen boeieraken.
Daaronder waren:
- De 'Weltevreden', gebouwd in 1909 bij Duivendijk te Lekkerkerk, lengte 15.30 m,
- De 'Nieuwe Zorg', gebouwd in 1910 bij Van Snoei te Ouderkerk, lengte 18.67 m en
- De 'Zwerver', gebouwd in 1911 bij Smit te Slikkerveer, lengte 24.00 m.
Bron: Boek Aken, Tjalken en Kraken
De IJselaak of boeieraak, die vooral op onze rivieren voorkomt, heeft geheel andere vormen dan de tjalk, doch is evenals deze voor vervoer van goederen zeer geschikt. Hoewel ook dit type goede lijnen vertoont is de bouw heel wat eenvoudiger dan bij de tjalk met haar ingebouwde boeisels. Als materiaal wordt voor boeieraken steeds staal gebruikt.
Bron: Boek Schepen die voorbijgaan
De meeste grote aakjachten van voor de oorlog zijn ontworpen als boeier en werden daarom tijdens en na de bouw gewoon `boeier' of `boeieraak' genoemd. Al vroeg werden grotere aken (tot 17,50m) als jacht gebouwd met een kajuit achter de mast, een hoger achterschip en een boeierroer. De (bemiddelde) eigenaars veroorloofden zich een schipper + een knecht, tevens kok, die tijdens de vaart op het voordek de zwaardlieren en voorzeilen bediende en in het vooronder kookte. Zij verzorgden ook het onderhoud van schip en tuigage.
Volgens zijn eigen verklaring begon Douwe Zijlstra in 1906 schepen te ontwerpen met een soort boeierkont en een krachtige akenkop. Ze werden wel als 'boeieraak' aangeduid. Toen werd bij de Gebroeders De Boer in 1906 het eerste plezieraakje al gebouwd, de 47 voet (13,30 m) lange 'Zeehond' voor J. Pape uit Zoutkamp. Het was een plezieraakje met de vormen van een visaak. Een paar jaren later bouwde De Boer `pleziervaartuigen model Lemsterjacht' die bijna een keer zo lang waren en die, anders dan die kleine `plezieraakjes', qua lijnen niet duidelijk afgeleid waren van de visaken. Net als bij de Rommerswael van Croles waren de grote plezierjachten die De Boer bouwde schepen die qua vormgeving niet voortkwamen uit de visaken, maar gezien moeten worden als zelfstandige ontwerpen. In dezelfde periode werden op diverse werven in het land grote ronde jachten gebouwd van staalijzer, in verschillende afmetingen, die meestal `boeiers' werden genoemd of `boeieraken', `boeieraakjachten' en zelfs een enkele keer `Lemmerboeieraak'. Met die benamingen moest het karakter van het schip duidelijk worden. Het waren luxe schepen die op dit moment als `Lemsteraak' geregistreerd staan.
De Tijdlijn van de Boeieraak
Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925
1924-1925
Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.


Typebeschrijving van de Boeieraak
- Geschiedenis van de Boeieraak
- Beschrijving van de Boeieraak
- Tuigage
Kenmerken van de Boeieraak
- De Boeieraak als werkschip
- De Boeieraak als jacht
- Algemene kenmerken
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
- Subtypen, specifieke kenmerken
Publicaties over de Boeieraak in het Stamboekarchief
Scheepstypologieën - Werkgroep Tuigerij & Documentatie LVBHB

De verscheidenheid aan aken en aakjes was groot, zeker in hout. Als de term boeieraak gebruikt werd, is er één verbindend element, en dat is dat de heve in het voorschip voorzien is van een voorsteven. Verder is er van alles mogelijk: het boeisel kan opzij licht naar binnen vallen; als de heve niet helemaal tot boven toe doorloopt maar eindigt onder de boeghouten loopt het boeisel door tot aan de steven en kan het ook daar licht naar binnen vallen; soms is dit laatste alleen achter het geval. In de regel is de bouw gladboordig en is er een berghout; soms heeft zo'n aakje kluisborden en beretanden. Al met al begint het dan aardig op een boeierscheepje te lijken (in de tweede helft van de vorige eeuw in Zuidwest-Nederland de gewone naam voor een klein tjalkje). Dit zal wel de verklaring van de term boeieraak zijn.
De veelheid van vormen in acht genomen valt het nauwelijks te verwachten dat alle schippers en scheepsbouwers onder een boeieraak steeds hetzelfde scheepstype verstonden. Vaak had men het over zandaken, rietaken of, als een schip niet ergens onder een bekende benaming thuis te brengen was, gewoon over een aak. Houten boeieraken hebben het nog het langst als vissersschepen op zout water uitgehouden, bijvoorbeeld in de Zeeuwse oestercultuur. Ook dan worden ze gebruikt als vrachtscheepjes; er wordt niet mee gevist. Het is niet bekend of ze ook als speciaal model voor de Zeeuwse visserman gebouwd zijn.
In de ijzerbouw wordt de vorm geïmiteerd. Terwijl de houten scheepjes in de regel 12 tot 16 meter lang waren, bouwde men in ijzer ook grotere maten; tot wel zo meter of meer. De platen worden rondgezet, zodat de diverse knikken in de huid verdwijnen. Het berghout wordt een bergplaat; de boeghouten ook. Soms echter was er een echt boeghout of een ijzeren doosconstructie. Boeieraken werden voor allerlei doeleinden gebruikt: vervoer van zand, grind, stenen, riet en griendhout. De kleinste hadden alleen een voorplecht en een vooronder; de grotere ook een achterplecht met een stuurluik, eventueel een roefje, gangboorden en een luikenkap.

