Spring naar inhoud

Toegankelijkheidsopties:

Scheepstype: Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol

Inleiding

Een Enkhuizer bol uit 1902, gebouwd door Lastdrager uit Enkhuizen, bevindt zich in de collectie van het Zuiderzeemuseum.

Dit vissersschip is ook wel bekend onder de namen Wieringer en Workumer. Ook bestaan de namen Makkumer en Durgerdammer bol. Het Maassluis platjacht is er ook een afgeleide van. De Enkhuizer vissers spraken bovendien nog van aalbootje. Het is een rond schip, dat echter op een ongeveer 7 centimeter hoge kielbalk is gebouwd. 
De meeste Zuiderzeehavens hadden elk hun eigen type kleine vissersvaartuigen, goedkoper dan hun grote broers en geschikt voor een kleine bemanning. Misschien zijn er nog wel meer typen geweest waar we het bestaan niet van weten. Ze leken allemaal op elkaar, maar hadden toch hun onderlinge verschillen, voortkomend uit de plaatselijke omstandigheden, het gebruik en traditie.

De Tijdlijn van de Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Typebeschrijving Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol

  1. Geschiedenis van de Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol
  2. Beschrijving van de Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol
  3. Tuigage

Kenmerken van de Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol

  1. De Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol als werkschip
  2. De Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol als jacht
  3. Algemene kenmerken
  4. Kenmerkende verhoudingen
  5. Verklaring in tekening
  6. Subtypen, specifieke kenmerken

Publicaties over de Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol in het Stamboekarchief

Spiegel der Zeilvaart 1996 nummer 9: De Enkhuizer bol opnieuw ontdekt

Over de betekenis van het woord bolletje is men het niet eens. Sommigen verklaren het woord uit de ronde vorm van de scheepjes. Een andere en waarschijnlijk juistere verklaring wijst erop dat het woord bollen in het oud-Nederlands slaat op verkleinen. Een bol zou aldus een klein vissersschip zijn, kleiner van afmeting dan botters en schokkers. Zo hadden de meeste Zuiderzeehavens elk hun eigen type kleine vissersvaartuigen, goedkoper dan hun grote broers en geschikt voor een kleine bemanning. Zo kennen we nog Wieringer, Makkumer, Workumer, Vollenhover en Enkhuizer bollen. Misschien zijn er nog wel meer typen geweest waar we het bestaan niet van weten. Ze leken allemaal op elkaar, maar hadden toch hun onderlinge verschillen, voortkomend uit de plaatselijke omstandigheden, het gebruik en traditie. Men zegt dat het verschil in thuiswater voor de scheepjes van de Oostwal wat grotere en meer zeewaardige exemplaren opleverde, zoals bijvoorbeeld de Vollenhovense bol. Het was daar door de heersende westenwind meestal lager wal, war resulteerde in meer waterverplaatsing en in meer lengte over stevens tot een meter of tien. Van de Enkhuizer bollen die konden profiteren van de hoge wal, lag de lengte over stevens meestal tussen de zeven en acht meter, al meet men niet gering denken over de taken, die deze vaartuigen in het noordelijk deel van de toenmalige Zuiderzee te vervullen hadden.
Jan Kooijman heeft op zijn werf Kooijman en de Vries vele bollen gebouwd. Daaronder zijn de Vollenhovense, de Enkhuizer en de Workumer bol. Met zijn eerste Enkhuizer bol 'Cadans' heeft hij op de Hiswa gestaan en er ook zelf veel mee gevaren. In het artikel in de Spiegel der Zeilvaart gaat Jan uitgebreid in op de diverse (ook historische) groottes en de eigenschappen van de bollen. In het Stamboek staan er vele types van diverse lengtes geregistreerd.

Het Maassluis platjacht, een specifiek scheepstype?

Gerrit Schutten heeft in zijn dikke boek "Verdwenen schepen", op pagina 436, heel kort het Maassluis platje beschreven. Het werd gebruikt door garnalenvissers uit Maassluis. Daarop heb ik commentaar gehad. Dit was eigenlijk geen origineel type, maar een functie waarvoor gewoon en handig scheepje werd gebruikt. Vergelijk een waalschokker; daarvoor werden ook allerlei oude Zuiderzee vissersschepen gebruikt. Toen heb ik mensen gebeld en dat in de tweede druk verwerkt (pag. 436). In Maassluis werden een aantal Zuiderzee vissersschepen gebruikt voor de ankerkuilvisserij. In de zomer werden deze schepen echter aangewend voor de visserij op garnalen in de monding van de Brielse Maas en in het Haringvliet. Afmetingen ca. 12 meter. Net als bij de Noordzee kotters was hier sprake van een lokale verzamelnaam van schepen voor een bepaalde vorm van visserij. Dus die schepen verschilden onderling. Die vissers gebruikten wat voorhanden was. Dus kleine botters en Lemmerbollen. De Bruinvisch is m.i. gewoon in opdracht gebouwd. Ik ben bang dat die tekening van HCA van Kampen van de Zeilsport niet is opgemeten. Ik heb een foto van een Lemmerbol die gewoon bij Katwijk werd gebruikt voor garnalen en platvis.

De Durgerdammer bol in het Stamboek: een bolletje

Op de werf van Pieter Hartog in Buiksloot zijn tussen 1910 en 1953 vele voornamelijk kleine kajuitzeiljachten zoals schouwen en grundels gebouwd. Ook is er een scheepje gebouwd wat in de volksmond als Vollenhovense bol wordt getypeerd. Hij bouwde het voor de vissersfamilie Swartsenburg uit Durgerdam. Het scheepje zou gebouwd zijn in 1928. In 1955 werd het ingeschreven in het Stamboek als Boeier op basis van één foto.
In 1972 heeft Huitema het schip bekeken en het volgende geconcludeerd:
De algemene indruk was van een in goede staat verkerend schip, dat er uitstekend verzorgd uitzag. De juiste typeaanduiding is echter moeilijk. Bepaalde kenmerken van een Vollenhovense bol zijn inderdaad te onderkennen, maar ik geloof toch niet dat deze aanduiding de juiste zou zijn. Allereerst zijn de afmetingen daarvoor aan de kleine kant, waar vooral het voorschip is niet het voorschip van een Vollenhovense bol. Opvallend is met name dat na de grootste breedte het schip snel smaller wordt naar de voorsteven toe. Je bent enigszins geneigd een schip te verwachten, dat een halve meter ongeveer langer had moeten zijn. Ik heb het vermoeden dat uw schip in 1928 bij Hartog in Bulksloot is gebouwd voor een visserman in Durgerdam. Ik dit niet zeker zeggen omdat ik van het schip maar één foto heb gezien. De heer Hartog was een zeer bekende bouwer van kajuitschouwen. Dat zou kunnen verklaren dat uw schip - evenals een schouw - weinig zeeg vertoont en het voorschip niet veel hoger is dan het achterschip, in ieder geval minder dan bij typische Zuiderzeeschepen. het geval is. Indertijd heb ik daarom voor het aangemelde scheepje ook volstaan met de omschrijving "bolletje".

"Klein maar Dapper" Kronieken der stalen Enkhuizer bollen tot 1993

De Enkhuizer vissers kenden toentertijd niet of nauwelijks het begrip 'Enkhuizer bol'. Vele andere namen doen alsdan de ronde: (eel)bootje, aalbootje, visch-aak en boeier-aak. Volgens de commissie Neeb varen er rond 1905 binnen de gehele Enkhuizer vloot zo'n dertig van dit soort bootjes rond, bemand met zo'n 73 opvarenden.
Overigens lijkt rond 1910 het scheepstype nog nauwelijks aantrekkelijk genoeg om het nog te bouwen. Op de Werf Vooruit van Stapel te Enkhuizen worden vanaf dat nog slechts de enkele 'visch-aken' gebouwd. Drie stuks met de afmetingen 12,60 x 4,00 x 1,60 meter. In 1910 zijn dat onder bouwnummer 53 de 'De Vrouwe Guurtje' voor D. Goos te Enkhuizen en onder bouwnummer 54 de 'De 4 Gebroeders' voor B.C. de Boer te Enkhuizen en in 1911 is dat onder bouwnummer 63 de 'Nooit Volmaakt' voor W.H. de Vos te Dordrecht. En dan - in 1913 - onder het bouwnummer 89 de visch-aak Hoop op Zegen gebouwd met de afmetingen: 7,30 x 2,94 x 1,40 meter. Opdrachtgever is A(aldert) van Weelde te Enkhuizen. Dit is de EH9, later 'Breebanck' genoemd.

Enkhuizer bol - Klein maar Dapper: Kronieken der stalen Enkhuizer bollen tot 1993
De 'Breebanck' voor de wal in Enkhuizen

Het scheepstype werd gebruikt voor de ansjovis- en haringvangst. Aanvankelijk was voor die visserij geen bun nodig, maar toen later ook met de beug op bot werd gevist, moest een bun worden geplaatst. Het kan niet anders dan dat dit een fikse ingreep moet zijn geweest.
Er werd mee gevist bij Wieringen, Hindelopen en Harlingen, waarbij de zeewaardigheid van dit betrekkelijk kleine scheepje bij zwaar weer toch werd geprezen. Vandaar ook de titel van dit boek onder het motto: "Klein maar Dapper".

De vissers waren met drie man aan boord en sliepen op een brede, dwarsscheepse kooi in het vooronder (een dergelijke kooi is ook in de meeste, thans varende Enkhuizer bollen aanwezig). In dit vooronder bevond zich daarnaast nog een kachel.
De kuip lag dan vol met zo'n vijfenveertig tot vijftig ansjovisnetten, elk voorzien van de bijbehorende ankers van veertig pond, bakens en een twintig vadem touw! Na een goede vangst kwamen er nog eens zo'n zeventigduizend stuks ansjovis bij, die, naar het verhaal van een oude visser, aanvankelijk stuk voor stuk werden geteld, voordat ze op de afslag werd afgeleverd.

De stalen Enkhuizer bollen

De heer Gipon vertelde mij het volgende verhaal - en daarmee komen we al weer een stap dichter bij de stalen Enkhuizer bollen, die centraal staan in deze beschrijving: In het begin van de dertiger jaren kocht Hein Kersken jr. (een zwager van de heer Gipon) een Wieringer bol. Het schip lag als een afgedankt vissersschip in de haven van Muiden te koop. Hoewel het houtwerk nog goed was, was deze bol reeds in z'n doodshemd (in het ijzer) gezet. Hein Kersken kocht het schip om het als pleziervaartuig te gebruiken. Hij liet daartoe de visbun droogmaken en de trog verwijderen, terwijl de deken werd doorgetrokken. De droge bun werd gevuld met betonstukken ter vervanging van het bunwater.
Deze Wieringer bol had een lengte van ca. 7,50 meter en een breedte van ca. 3,00 meter. Het zeiloppervlak was circa. 30 vierkante meter en betrof een grootzeil en een fok. Hoewel de bol oorspronkelijk geen beretanden had, heeft Hein Kersken deze er wel op aangebracht, zoals uit de afbeeldingen blijkt. Het was een lust om met deze Wieringer bol te zeilen. Naar aanleiding van het bezit van deze Wieringer bol door zijn zoon, tekende H. Kersken sr. een Wieringer bol van 8,00 meter lengte en 3.20 meter breedte. De tekeningen hiervan zijn onder nummer 33 gepubliceerd in het boek 'Hollandse jachten van de toekomst' van H. Kersken sr.. De huidige eigenaren zullen in de afbeeldingen van de Wieringer bol van Hein Kersken jr. onmiddellijk de lijnen van hun eigen Enkhuizer bol herkennen.
In het begin van de zestiger jaren zocht Jan Kooijman een ontwerp voor een kleine platbodem met 'ronde' vormen. Gesprekken met de heer Gipon leidden tot een Enkhuizer bol van 7,00 meter. Het eerste schip was de 'Cadans', dat voor het eerst werd geëxposeerd op de Hiswa in 1965. In 'De Waterkampioen', d.d. 14 april 1965, staat ondermeer het volgende over de 'Cadans' vermeld: "Dit bolletje demonstreerde duidelijk de grote kracht (de enorme ruimte in de breedte binnen) en de zwakte (het gebrek aan stahoogte) van onze scheepstypen van zuiver vaderlandse origine. De afmetingen van dit jacht zijn: l.o.a. 7,00 meter, lengte waterlijn 6,10 meter, grootste breedte 2,72 meter, zeiloppervlak (met botterfok) 27,40 meter. Dit schip had een doorslaggevend succes: als vervolg hierop werd een serie van 10 Enkhuizer bollen gebouwd, waarvan één van de eerste - de toenmalige 'Anna Elisabeth', thans 'Bolle Bertha' - in 1966 in de haven van de Hiswa lag te pronken.
Over het succes van de 'Cadans' laten we Jan Kooijman zelf aan het woord:
"Ik herinner mij nog heel goed dat de romp niet overnaads maar gladboordig was gebouwd, wat een constant geklop van de tentoonstellingsbezoekers betekende. "Polyester?". "Nee: staal!". Ook hadden wij in de kuip tegen de achterplecht een teakhouten plank met de door Bert Stoop uit Dordrecht fraai gesneden spreuk: "Ik breng de verten naderbij". Het was een constant kijken in de kuip en een onophoudelijk herhalen van die spreuk "ik breng de verten naderbij - ik breng de ..... - ......". Na verloop van een paar dagen kon ik die spreuk niet meer horen! Maar goed, liet was een lief scheepje dat terecht veel belangstelling trok. Het schip had liet karakter van een bolletje van de hoge wal met ronde, boeierachtige lijnen en een minder hoge kop dan de bollen van de lage wal.
De accommodatie was verbluffend, de geringe afmetingen in aanmerking genomen. In het vooronder was een dubbele dwarskooi, daarachter een aparte toiletruimte met pomptoilet en er tegenover een hangkast. Vervolgens twee langsscheepse banken en tenslotte aan weerszijden van de kajuitingang een gootsteen- en een aanrechtkastje. De kuip was zelflozend met onder de kuipvloer een Albin twee-cylinder benzinemotor. Tegenwoordig zou die zeker vervangen worden door een klein dieseltje. Wat de kajuit betreft waren er twee versies, één met een doorgetrokken kajuit tot voorbij de mast en één met een kajuit die achter de mast bleef. Die laatste oplossing was stellig de fraaiste, al ging dat enigszins ten koste van de binnenruimte. 
Heel wat groter dan liet 7,00-meter-bolletje is de 7,35-meter-Enkhuizer bol. Meer lengte betekent meer breedte, meer hoogte en tenslotte aanzienlijk meer waterverplaatsing. De vorm van de 7,35-meter-bol wijkt in zoverre van de 7,00-meter af dat de spantlijn naar het vlak toe veel ronder is. Het scheepje nadert hiermee de vorm van een rond vaartuig en zou net zo goed als Lemster bolletje te boek kunnen staan.

De ijzeren Enkhuizer bol 'Breebanck'
De oorspronkelijke generatie Enkhuizer bollen is vrijwel uitgestorven. Van één exemplaar is gelukkig het nodige bekend: de 'Breebanck'. Daarom is er aan dit schip extra aandacht besteed in liet hoofdstuk over de historie van deze schepen, en wel op een overeenkomstige wijze als voor de stalen Enkhuizer bollen in het volgende hoofdstuk liet geval is: in de vorm van kronieken en een aantal kerngegevens van de bol.