Spring naar inhoud

Scheepstype: Fries jacht

Inleiding

Klein niet-overdekt zeilscheepje

Het Friese jacht behoort tot de grote familie van traditionele Nederlandse ronde en platbodemvaartuigen, bestemd voor onze ondiepe kust- en binnenwateren. Dit vaargebied veroorlooft slechts een geringe diepgang; deze schepen zijn dan ook gebouwd met een platte of ronde bodem zonder diepe kiel. Ter vermindering van de drift bij het (aandewindse) zeilen zijn zij voorzien van zijzwaarden. Het vaartuig, dat wij tegenwoordig 'Fries jacht' noemen, behoort tot de kleinere niet-overdekte zeilscheepjes, uitsluitend geschikt voor de binnenwateren. Met de boeier en de tjotter wordt het gerekend tot de groep van zogenaamde ronde jachten, die in ons land al op een geschiedenis van meer dan drie eeuwen kunnen bogen. Op schilderijen uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw vinden wij deze scheepjes veelvuldig afgebeeld, in vorm en inrichting vrijwel gelijk aan zoals ze heden nog bestaan. Een fraai voorbeeld hiervan is het bekende schilderij van Abraham Storck (1635-1710), voorstellende het spiegelgevecht op het IJ voor Amsterdam ter ere van tsaar Peter de Grote op 1 september 1697, aanwezig in het Rijksmuseum "Nederlands Scheepvaart Museum". Ook in musea en bij enkele particulieren bewaard gebleven oude scheepsmodellen leggen hiervan getuigenis af. In ons kader is interessant het door de kunstschilder Dirk Piebes Sjollema (1760-1840) gebouwde model van een open jacht. Het is gedateerd 1811 en bevindt zich nog steeds in het bezit van een directe nazaat van de maker.

De Tijdlijn van het Fries jacht

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Typebeschrijving Fries jacht

1. Geschiedenis van het Friese jacht

De jachten, nu Friese jachten, werden gebruikt als snel en soepel varende pleziervaartuigen. Vaak uitbundig versierd met snijwerk. Zeilvereniging Oostergoo schrijft voor het eerst en als eerste in 1923 een wedstrijd voor Friese jachten uit (Vermeer). In het Nederlandsch Jachtregister 1924 - 1925 worden voor het eerst acht schepen genoemd met naam en naam van de eigenaar die expliciet de aanduiding Friesch jacht hebben. Alle eigenaren van deze schepen zijn eigenaar van Zeilvereniging Oostergoo uit Grouw.
Pas na de oprichting van de Stichting Stamboek Ronde en platbodemjachten is Friese jacht een gangbare typering geworden. Het heeft haar oorsprong in Friesland, maar ze waren in Holland misschien nog wel populairder dan in Friesland. Er zijn tussenhandelaren uit Amsterdam en Zwijndrecht bekend die deze schepen “op voorraad” lieten bouwen bij Friese werven.
Het Friese jacht ligt qua afmetingen tussen de grotere boeier en de kleinere tjotter.

2. Beschrijving van Friese jacht

Traditioneel zijn de Friese jachten gebouwd van eikenhout en zijn blank gelakt. Dit is hun kracht en tegelijkertijd hun zwakte. Bij goed en zorgvuldig onderhoud gaan de schepen jaren mee. De nodige schepen uit de 19e eeuw varen nog altijd in vrijwel hun oorspronkelijke hoedanigheid. Al weten we niet hoe deze schepen er bij de bouwer hebben uit gezien. Met de komst van de fotografie is de werkelijke vorm zichtbaar gemaakt (ca.1880). Slecht onderhoud van het eikenhout bewerkstelligd het verval in hoge mate. Uitzakken en vervorming liggen altijd op de loer. Bijna alle Friese jachten zijn op het oog gebouwd. Veel van de Friese jachten hebben na restauraties en reparaties een ander, vaak minder elegant uiterlijk gekregen dan ze in eerste instantie hadden. Na afnemende populariteit als pleziervaartuig in de eerste helft van de twintigste eeuw, werden er tussen 1953 en 2012 een aantal nieuwe Friese jachten van eikenhout waarvan de meeste van de hand van Pier Piersma uit Heeg zijn. In dezelfde periode zijn er een aantal Friese jachten gebouwd van staal, aluminium en polyester. Bij Friese jachten is de hand van de bouwer altijd te herkennen. Vrijwel alle bekende tekeningen van Friese jachten zijn opmetingstekeningen en geen bouwtekeningen. Er is slechts één uitzondering bekend uit 1885. Uit de nalatenschap van de werf van N.A. Bernhard uit Nieuwendam is een bouwtekening van een tjotter (lees: Fries jacht) van 5.40m lengte bewaard gebleven. Pas na 2003 zijn er weer drie Friese jachten volgens bouwtekening gemaakt. (Windbreker / Van Son, Anna / Hoek, Jantien /Hoek).

3. Tuigage

De Friese jachten hebben een tuig dat bestaat uit grootzeil en fok. Het zijn hoge smalle tuigen die meestal voorzien zijn van één of twee reven. De mast staat ongestaagd in een zware mastkoker en is voorzien van een contragewicht om de mast makkelijk op handkracht te kunnen strijken. De mast scharniert op de mastbout en is met het contragewicht gebalanceerd. In Friesland was de masttop boven de hommer “kort”. In Holland werden langere masttoppen blijkbaar beter gewaardeerd. Deze masttop is tegenwoordig algemeen gebruikt.

De fok wordt gevoerd op een botteloef en steekt ruim voor de voorsteven uit. Het grootzeil heeft een losse broek, wordt met rakbanden aan de mast gehouden, bovenin zit het grootzeil met een marllijn aan de gebogen gaffel bevestigd. De giek steekt aan de achterzijde buiten het roer uit. De grootschoot grijpt ongeveer in het midden van de giek aan. Soms zelfs ervoor.

Kenmerken van het Friese jacht

1. Het Friese jacht als voormalig bedrijfsvaartuig

Slechts van een paar nog bestaande Friese jachten weten we dat ze bedrijfsmatig gebruikt werden, maar zij vormen hiermee een uitzondering. De oudsten die we kennen is de Lytse Bever uit 1820 (plaquettenummer 239), de Njord uit 1867 (plaquettenummer 11) en de Nut en Nocht uit 1908 (plaquettenummer 673). De laatste werd gebruikt voor het vervoer van lijnoliekoeken. Om extra ruimte in de kuip te hebben is de mast extra voorlijk geplaatst. Zoals de naam al aangeeft werd het schip naast het Nut tevens voor het Nocht gebruikt. Deze schepen waren oorspronkelijk sober uitgevoerd. Hun versieringen zijn van later datum. Vermoedelijk heeft de fameuze uit het water klimmende bever het roer van de Lytse Bever altijd gesierd. Deze schepen zijn iets robuuster dan de als jacht gebouwde tegenhangers.

2. Het Friese jacht als pleziervaartuig

Zoals hiervoor al aangegeven werden en worden de Friese jachten sinds hun bouw en vermelding in de werfboeken van Van der Zee gebruikt als pleziervaartuig. Recreatief en om in voorkomende gevallen mee te wedstrijdzeilen.
Vrijwel alle Friese jachten zijn gebouwd “op het oog”. Ze verschillen allemaal ten opzichte van elkaar. Van de Friese jachten die in de schepenlijst van de SSRP zijn opgenomen varieert de lengte over de steven tussen 4.95m (plaquettenummer 2008) en 7.50m (plaquettenummer 293). Van foto’s en uit bronnen weten we dat er open jachten geweest zijn met een lengte over de stevens van meer dan acht meter. Hiervan zijn geen voorbeelden bewaard gebleven. Wel weten we dat de boeier Maartje (plaquettenummer 4) oorspronkelijk als Fries jacht gebouwd is geweest, maar vervolgens door haar bouwer getransformeerd is tot boeier. Hiertoe werd het schip tot het berghout afgebroken alvorens het weer opgebouwd kon worden. Wanneer we dit schip meerekenen dan zou de grootste lengte van een Fries jacht 8.08m mogen zijn.
De Friese jachten zijn open vaartuigen al dan niet met een vast voordek, een kromme voorsteven en een berghout, de achtersteven staat net niet loodrecht en als tuig voeren ze een boeiertuig. De voorsteven wijst over het algemeen met een punt omhoog.
Friese jachten hebben over het algemeen:

  • een boeierroer;
  • een boeiersteven;
  • kluisborden;
  • beretanden;
  • slemphouten;
  • een botteloef die om de voorsteven grijpt;
  • snijwerk en ingeschaafde biezen op het boeisel;
  • snijwerk in de boot.

Echter, deze laatste details zijn zeker niet bepalend en niet te gebruiken als kenmerk voor het type. In combinatie met de details hiervoor geschreven zijn ze mede bepalend. Kluisborden, beretanden, boeisels, bedelbalk, hennebalk, roer en vlaggenstok knop zijn vaak rijk versierd met gepolychromeerd of verguld snijwerk.
Het berghout bij een Fries jacht is een wezenlijk onderdeel . Het bepaald in sterke mate de constructie en het aanzien, de zeeglijn, van de boot. Het kan op verschillende manieren geconstrueerd zijn. Meestal is het een onderdeel van de constructie en geeft het het schip extra stijfheid, zowel in langs- als dwarsverband. Het berghout zit ingeklemd tussen de berghoutsgang en het boeisel en is in het schip zichtbaar. Soms zijn de berghouten, vooral in de bochten, zodanig geconstrueerd dat ze vooral het “oog” dienen. Ze zijn dan op het boeisel gemonteerd en hebben dan primair een esthetische functie.
Dat een berghout bepalend is voor de zeeg van het schip is duidelijk. Maar de zeeg is nooit extreem. Bij de voorsteven zit de onderkant van het berghout circa tien centimeter hoger dan de bovenkant van het berghout bij de achtersteven. Het berghout bij de voorsteven komt net boven het hoogste punt van het boeisel op het grootspant uit.
Ieder Fries jacht heeft een boeisel maar niet ieder open rond jacht met een berghout is een Fries jacht.
De hellingshoek van het boeisel is groter dan dat van de boeiers. Immers door het boeisel meer valling te geven, en daarmee de kuip smaller te maken zal het water, zeilend, langer buiten worden gehouden. Per schip is deze hoek verschillend.
De grootspantvorm is per schip anders. Het varieert van een bijna plat vlak met een scherpe kim, tot rond en gepiekt. De schepen zijn alle gebouwd vanaf een kielplank waar de stevens op gezet zijn. De kimtilling kan in incidentele gevallen 13ᵒ zijn.
Zoals al aangegeven is een Fries jacht een open vaartuig. Er is een periode geweest dat veel Friese jachten voorzien werden van een kajuit. Echter vanwege de hellingshoek van het boeisel kan een dergelijk schip niet als boeier worden aangemerkt. Een boeier heeft de boeisel steiler staan. Wanneer de zwaarden “in rust” staan, blijft het gangboord langs de kajuit min of meer begaanbaar. Bij een Fries jacht zijn de gangboorden met de zwaarden “in rust” niet begaanbaar.

3. Algemene kenmerken van een Fries jacht

  • kromme voorsteven
  • ronde aanzichten
  • duidelijke zeeglijn op het berghout
  • berghout
  • weinig, maar duidelijk aanwezig, verschil in hoogte tussen voor- en achtersteven
  • voorsteven hoger dan achtersteven
  • bijna vlakke boeisellijn
  • eivormige waterlijnen met de grootste breedte voor
  • grootste breedte op het doft
  • brede zwaarden voor het binnenwater
  • karveel gebouwd van tenminste drie gebrande gangen
  • ingezaagde spanten
  • zwaar massief zeilwerk
  • mast met contragewicht
  • mast staat licht achteroverhellend op ongeveer 37% van de lengte van de steven

4. Kenmerkende verhoudingen

De data van bijna alle Friese jachten zijn verzameld en gepubliceerd in het boek Het Friese jacht uit 1992 geschreven door de heer Dr Ir J. Vermeer. Alle door hem vermelde gegevens zijn representatief. De hierna vermelde gegevens zijn getrokken uit deze data. Ze zijn te vinden op de bladzijden 236 t/m 239 van dit boek.

Lengte over de stevens gemiddeld: 5.75m spreiding (4.95m - 7.50m)
Breedte op de huid (zonder berghout) gemiddeld: 2.45m spreiding (2.00m - 2.92m)
Holte gemiddeld 1.04m spreiding (0.79m - 1.36m)
Totaal zeiloppervlak gemiddeld 29.08m2 spreiding (19.1m2 - 48m2)
Lengte/breedte verhouding gemiddeld 2.32:1 spreiding (2.16:1 - 2.61:1)
Plaats mast / lengte over de stevens gemiddeld 0.376 spreiding (0.354 - 0.414)

5. Meetschema dat de heer Vermeer gebruikte voor het bepalen van maten van Friese jachten (zie bladzijden 282 en 283 van “Het Friese jacht”)

6. De verhoudingen zijn gebaseerd op de statistische verwerking van de volgende representatieve jachten

Argo 1895 Van der Zee  (opm.tek. L.Stelwagen) *) plq. 10
Neptunus 1918 Van der Zee  (opm.tek. P.Postma en W.Zijlstra) plq. 26
Mercurius 1868 Van der Zee  (opm.tek. J.K.Gipon) plq.   8
Bestevaer 1953 Lantinga  (opm.tek. G.ten Cate en H.Pels) plq. 37
Rode Leeuw ovbh 1915 Lantinga  (opm.tek. J.Vermeer) plq. 75
Jansje Maria 1941 Lantinga  (opm.tek. G.ten Cate) plq. 223
Nut en Nocht 1908 Lantinga  (opm.tek. J.Vermeer) plq. 673
Poseidon 1909 Visser (opm.tek. J.Vermeer) plq. 120
Reiddomp 1918 Van der Werf (opm.tek.  J.J.Kooy) plq. 302
Wytske 1887 Croles (opm. tek. R.van Son) plq. 58
Union 1885 N.A.Bernhard (bouwtek. H. Bernard/ H.L. van Breen) verdwenen

*) De Argo is als één van de eerste ronde en platbodemjachten na de oprichting, en in opdracht van, de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten opgemeten en getekend.

Publicaties over het Fries jacht in het Stamboekarchief

Musea

In de schepenhal van het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen staat het Friese jacht Neptunus (Van der Werf Britswerd 1920) permanent opgesteld en is daar te bekijken. Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam heeft het Friese jacht Drie Gebroeders in haar collectie.

Het Friese jacht in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

C.J.W. van Waning schrijft in het hoofdstuk Het Friese jacht:
De benaming Fries jacht is betrekkelijk jong en de ontwikkeling van het type niet geheel duidelijk. Wellicht is een zeker verband aanwezig met de open 'jachten', die als beurtscheepjes in de Zuidwest-hoek van Friesland dienst deden. Het woord 'jacht' is hier gebruikt in de oude betekenis van snelzeilend vaartuig en het is mogelijk dat mede door deze eigenschap deze scheepjes in luxueuzer uitvoering als plezierjacht ingang vonden. 'De Lytse Bever', gebouwd in 1820 en in 1960 gerestaureerd, is zo'n voorbeeld van een open beurtscheepje. Het éérste Friese jacht is waarschijnlijk de thans nog varende Mercurius, die in 1868 door Eeltje Holtrop van der Zee - die zelf alleen van 'jacht' sprak - werd gebouwd voor de som van f 800.-.

Ronde en Platbodemjachten - Standaardwerk onder redactie van Mr. Dr. T. Huitema
Tekening van het Fries jacht 'Mercurius'

Het feit dat Eeltsjebaas later bij de bouw van nieuwe jachten verwijst naar dit schip is mogelijkerwijs een aanwijzing dat de 'Mercurius' inderdaad het prototype is van een nieuw type, dat men later `Fries jacht' ging noemen. Merkwaardig is dat Eeltsjebaas in hetzelfde jaar 1868, maar een goede maand eerder, nog een open jacht afleverde, dat hij echter een 'boot' noemde en dat de kenmerken van een visaak heeft. Dit is de Dolphijn.

Het is de gewoonte het Friese jacht te vergelijken met de tjotter zowel als met de boeier. Men zegt dan dat òf het een grote tjotter is, echter met berghouten en met een smal roer, òf dat het een (kleine) boeier is zonder kajuit. Constructief blijven er echter vrij grote verschillen tussen een verbouwd Fries jacht en een originele boeier.

Toen de toenmalige eigenaar van de (tegenwoordige boeier) Maartje in 1917 op zijn groot Fries jacht een kajuit wilde laten bouwen, weigerde Auke van der Zee aanvankelijk deze opdracht. Hij wilde het werkstuk van zijn vader niet bederven, doch er wel een echte boeier van maken. Dit betekende dat het schip tot onder het berghout moest worden gesloopt en opnieuw als boeier opgebouwd. Behalve bredere berghouten en stuizen, moest een steilere en bredere scheergang en voor- en achterboeisels worden gebouwd. De plaatsing van het dek op de voor een boeier vereiste hoogte maakte een andere constructie nodig, dan bij een Fries jacht gebruikelijk is. Dit is waarschijnlijk het enige geval van een tot een echte boeier verbouwd jacht en illustreert duidelijk dat het van een Fries jacht naar een boeier nog een hele stap is, welke niet met de bouw van een kajuit is gedaan.
Desalniettemin is het gewoonte geworden een rond jacht mèt kajuit steeds een boeier te noemen, omdat het al dan niet aanwezig zijn van een kajuit nu eenmaal een gemakkelijk te herkennen kenmerk is. Daarentegen is het soms minder gemakkelijk uit te maken of men met een tjotter dan wel met een jacht te doen heeft. De meer orthodoxe kenmerken van een Fries jacht zijn: een smal roer en berghouten. De roerkop draagt dan als regel een leeuwtje als roerversiering. Tegenwoordig bestaat echter de neiging reeds van een Fries jacht te spreken wanneer de lengte van het schip vijf meter overschrijdt en berghouten aanwezig zijn. Een scherpe grens tussen Fries jacht en tjotter is echter moeilijk te trekken. Overigens komen constructie en versiering van tjotter en Fries jacht sterk overeen. Het vlak en de boorden van een jacht zijn echter ronder dan bij een tjotter, terwijl de berghouten met een kniestuk, het slemphout, tegen de voorsteven aansluiten. Ook het vlak van een jacht kan gepiekt zijn. Bij een jacht is verder de versiering veelal royaler.

Ten aanzien van het Friese jacht Neptunus, gebouwd in 1918 door Auke van der Zee in Joure, en waarvan de lijnen en constructie in de tekeningen achter in dit boek zijn vastgelegd, kan nog het volgende worden medegedeeld: De romp is karveel gebouwd van 2,5 centimeter dik eikenhout; de kielplank is 3 centimeter dik. Voor- en achtersteven zijn 8 centimeter dik; voor de scheg is een zware eiken klos gebruikt van 18 centimeter dikte naar achteren toe verjongd op de stevendikte van 8 centimeter. Inhouten en leggers zijn eveneens van eikenhout, 7 centimeter dik, in het model gezaagd uit krommers. Doorsnede van inhout en legger is 7 x 7 centimeter; de leggers zijn op de kiel echter 12 centimeter hoog. Zeilwerk en mastkoker zijn van eikenhout. Onder de mastbank vier zware brede inhouten; de ruimte tussen deze inhouten is geheel gevuld met de zware zeilwerk-legger, welke in het midden circa 25 centimeter hoog is, en naar de kimmen op niets uitloopt. In deze legger is de mastkoker-voet verkeept. De mastbank is 10 centimeter, en de kokerwangen zijn 9 centimeter dik. Voor de mast, op dezelfde hoogte als de mastbank, is een uitneembare losse eiken plecht gemaakt, ook wel aangeduid met de naam 'voorhouten'. Achter de mast zijn aan weerskanten, van voor tot achter, losse eiken banken aangebracht, welke tevens als bergplaats dienen. De vloeren zijn van geverfd vurehout. Het gesmede ijzerwerk, botteloef, roerhaken, zwanehals en scepters zijn zeer massief uitgevoerd. Volgens oude traditie behoort bovengenoemd ijzer- en koperwerk blankgeschuurd en gepoetst te zijn, doch tegenwoordig wordt veelal aluminium verf gebruikt.
Het profiel der sleepijzers om de zijzwaarden is scherp. De zijkanten der zwaardkoppen, de achterkant van het roer, de bovenkant van de mastkoker en de bovenkant der bedelbalken zijn met geelkoper beslagen. Roer en zwaarden zijn van eikenhout; roer 6 centimeter dik, naar achteren tot op 3 centimeter bijgeschaafd; de zwaarden 3+ centimeter dik. Mast en giek zijn van grenehout; de kromme gaffel van taai essehout; doorsnede mast in de koker 20 x 20 centimeter; grootste doorsnede giek in het midden 13 centimeter. Het contragewicht van de mastvoet bestaat uit een vast blok en 10 losse loodplaten, totaal circa 400 kg zwaar. Verdeeld over verschillende, tussen inhouten en leggers passende ijzeren blokken, is er nog 400 kg ballast aangebracht, terwijl in de wedstrijd zakjes met zand worden meegevoerd.
Op de vloeren na is alles in blank gelakt eikenhout uitgevoerd. Het houtwerk onder de waterlijn (buiten), onder de vloer (binnen), het boeisel en de buitenkant der berghouten zijn echter geverfd. Huidnaden gebreeuwd en gepekt. Kenmerkend bij een Fries jacht is de bijzonder fraai met houtsnijwerk versierde bedelbalk, zowel voor als achter. Kluisbord en boeisels zijn eveneens voorzien van houtsnijwerk, dat verguld behoort te zijn, evenals het leeuwtje op het roer.
Het bovenste deel der boeisels is zwart geverfd, met drie groene en één witte (ingeschaafde) bies; de buitenkant berghouten is zwart, met onder en boven een witte bies; zwaardkoppen, roerkop en masttop zijn zwart geverfd.

De tekeningen van het Friese jacht Neptunus (Auke van der Zee Joure, 1918, plaquette 26)

Het Friese jacht in het Standaardwerk van Dr. Ir. Jaap Vermeer (1992)

Wat is een Fries jacht?

Het type zeilvaartuig, dat in deze publicatie aan de orde komt, behoort tot de grote familie van traditionele Nederlandse ronde en platbodemvaartuigen, bestemd voor onze ondiepe kust- en binnenwateren. Dit vaargebied veroorlooft slechts een geringe diepgang; deze schepen zijn dan ook gebouwd met een platte of ronde bodem zonder diepe kiel. Ter vermindering van de drift bij het (aandewindse) zeilen zijn zij voorzien van zijzwaarden.

Het vaartuig, dat wij tegenwoordig 'Fries jacht' noemen, behoort tot de kleinere niet-overdekte zeilscheepjes, uitsluitend geschikt voor de binnenwateren. Met de boeier en de tjotter wordt het gerekend tot de groep van zogenaamde ronde jachten, die in ons land al op een geschiedenis van meer dan drie eeuwen kunnen bogen. Op schilderijen uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw vinden wij deze scheepjes veelvuldig afgebeeld, in vorm en inrichting vrijwel gelijk aan zoals ze heden nog bestaan. Een fraai voorbeeld hiervan is het bekende schilderij van Abraham Storck (1635-­1710), voorstellende het spiegelgevecht op het IJ voor Amsterdam ter ere van tsaar Peter de Grote op 1 september 1697, aanwezig in het Rijksmuseum "Nederlands Scheepvaart Museum". Ook in musea en bij enkele particulieren bewaard gebleven oude scheepsmodellen leggen hiervan getuigenis af. In ons kader is interessant het door de kunstschilder Dirk Piebes Sjollema (1760-1840) gebouwde model van een open jacht. Het is gedateerd 1811 en bevindt zich nog steeds in het bezit van een directe nazaat van de maker.

Het Friese jacht - Standaardwerk van Dr. Ir. Jaap Vermeer

Algemeen kan men het ronde jacht als volgt ka­rakteriseren

In deze publicatie gaan wij niet uitvoerig in op de geschiedenis en ontwikkeling van dit scheepstype. Daarvoor zij verwezen naar het standaardwerk "Ronde en Platbodemjachten", dat in 1962 onder redactie van mr dr T. Huitema voor het eerst verscheen en waarvan in 1987 een zesde herziene druk onder auspiciën van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten werd uitgegeven. De geschiedenis van de pleziervaart in Nederland is onlangs uitvoerig beschreven door F. Jorissen, J. Kramer en J. Lengkeek in het gedenkboek dat ter gelegenheid van het eeuwfeest van het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond (KNWV) in samenwerking met het Rijksmuseum "Nederlands Scheepvaart Museum" is uitgegeven onder de titel "Het water op, 400 jaar pleziervaart in Nederland". Bovendien geven de artikelen van R. Vorstman in het tijdschrift "Spiegel der Zeilvaart" jrg. 6 (1982) no. 8 en 10 en jrg. 7 (1983) no. 1, 7 en 8 onder de titel "Pleziervaartuigen in de 17de en 18de eeuw" een indruk van het 'spelevaren' in vroeger tijden.

Algemeen kan men het ronde jacht als volgt karakteriseren:

  • een op stevens karveelgebouwd zeilvaartuig met relatief brede zijzwaarden de voorsteven is gekromd
  • de buitenomtrek is min of meer eivormig de verhouding van lengte over de stevens tot grootste breedte ligt meestal tussen 2,2 en 2,8, gemiddeld op circa 2,4
  • de grootste breedte is gelegen op ongeveer één derde tot vier negende van de lengte over de stevens
  • het is getuigd met een bezaantuig met kromme gaffel en losse broek
  • de fok is gehalsd op een ijzeren botteloef.

De benaming Fries jacht als aanduiding voor een specifiek type zeilvaartuig is betrekkelijk nieuw. Eigenlijk pas sedert de opstelling van de schepenlijst van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten (opgericht in 1955) wordt deze benaming consequent gebruikt voor een rond jacht met de volgende kenmerken:

  • een open rond zeilvaartuig, in grootte te rangschikken tussen boeier en tjotter
  • voorzien van berghouten
  • met een lengte over de stevens van 5 meter of meer.

De aanwezigheid van een berghout, ingebouwd tussen de bovenste huidgang en de boeiselgang, is voor het verkrijgen van een hechte en stijve constructie vanaf genoemde lengte noodzakelijk en wordt tegenwoordig als het typerende kenmerk beschouwd. Evenals de boeier heeft een Fries jacht verder meestal kluisborden en beretanden aan weerszijden van de voorsteven, voorts een smal roer, bekroond met een leeuw of ander symbolisch dier. Deze laatste kenmerken zijn evenwel niet doorslaggevend voor de typering; er komen open ronde jachten voor zonder beretanden en kluisborden en/of met een breed roer (zoals bij tjotters), die zonder voorbehoud tot het type gerekend worden.
De boeier onderscheidt zich van het Friese jacht, door de aanwezigheid van een kajuit. Er zijn echter ook constructieve verschillen, die mede het gevolg zijn van de functionele inrichting. Bij de boeier staan met name de boeisels wat minder schuin en zijn zij in voor- en achterschip wat breder dan bij het Friese jacht. Een van oorsprong open jacht, dat later van een roef is voorzien, mag daarom niet zonder meer een boeier genoemd worden.
Met tjotter wordt tegenwoordig het kleinste type open ronde schepen aangeduid, met een lengte over de stevens van minder dan 5 meter. In afwijking van het Friese jacht heeft de tjotter geen berghout. In plaats daarvan is de bovenkant van de bovenste huidgang voorzien van een ijzeren of koperen halfrond, dat als stootrand dienst doet. Ook ontbreken kluisborden en beretanden.
De naam tjotter is - in tegenstelling tot wat men zou denken - niet van Friese oorsprong. Hij duikt voor het eerst op in 1847 bij zeilwedstrijden in Amsterdam. Buiten Friesland werd het gewoonte om elk open rond jacht met deze naam aan te duiden, ongeacht lengte en zonder onderscheid in kenmerken, wat zich handhaafde tot ver in de 20ste eeuw.

Bijvoorbeeld, in het reglement voor zeilwedstrijden, opgenomen in het "Handboekje der Verbonden Zeilvereenigingen" (opgericht in 1890 en voorloper van het huidige KNWV) uit 1922, vindt men in Deel V, Klassen van Ronde en Platbodemjachten, vermeld:
"In de klassen OD, OE en OF worden alleen opgenomen tjotters (waarbij ook zgn. "Friesche jachten") . . . , die voldoen aan de volgende maximum afmetingen:

Opvallend is, dat open ronde jachten tot de grootst voorkomende (c.q. -toegelaten) lengte van 7 meter tjotter worden genoemd. In tijdschriften als "De Watersport" (vanaf 1912), "Ons Element" (vanaf 1920) en "De Waterkampioen" (vanaf 1927) komt men in verslagen van zeilwedstrijden voortdurend deze betiteling tegen. Vaak worden de klassen aangeduid als `Groote tjotters', 'Middel tjotters' en 'Kleine tjotters'.
In Friesland werden van oudsher alle open zeilvaartuigen boot genoemd, ook de grotere tot circa 7 meter lengte. In de bewaard gebleven werfboeken van de vermaarde negentiende-eeuwse Friese scheepsbouwer Eeltje Holtrop van der Zee komt de aanduiding tjotter in het geheel niet voor. De vele tientallen door hem gebouwde open zeilschepen worden meestal met boot aangeduid. Pas bij zijn zoon Auke van der Zee verschijnt in 1916 voor het eerst de aanduiding tjotter voor een jachtje van 4,80 m. Daarentegen vinden wij in de werfboeken enkele malen de benaming jagt gebruikt, in totaal acht maal op een productie tussen 1853 en 1918 van in totaal 27 open vaartuigen die aan onze eerdere definitie beantwoorden.
Het onderscheid dat tussen boot en jagt wordt gemaakt moeten we naar alle waarschijnlijkheid zoeken in het gebruiksdoel. De benaming boot duidt er ons inziens op, dat het betreffende vaartuig in overwegende mate was bestemd voor dagelijks gebruik, dus voor personenvervoer of voor bedrijfsdoeleinden. Het waterrijke gedeelte van Friesland kende immers in de 19de eeuw over het algemeen meer goede waterwegen dan landwegen. Het gebruik van het woord jagt zou dan betekenen, dat het een echt pleziervaartuig betrof, waarbij de opdrachtgever zich een wat duurdere en daarmee luxueuzere uitvoering veroorloofde.
We vinden bevestiging van deze veronderstelling de eerste keer dat we bij Eeltjebaas de benaming jagt tegenkomen. Dat is in 1861, en wel twee maal. Beide keren betreft het opdrachtgevers van buiten Friesland, C. Kunst te Dordrecht en de heer Kistmaker te Amsterdam. Deze jachten waren respectievelijk 24 voet (6,80 m) en 21 voet (5,95 m) lang en er staat bij genoteerd, dat ze waren versierd met snijwerk en koper. Het zullen dus zeker pleziervaartuigen geweest zijn.
Nog zesmaal komt in de werfboeken van de Van der Zee's de aanduiding jagt voor. Het is opmerkelijk, dat van deze zes jachten er vijf nog bestaan, zij het dat één ervan, de grootste, later door Auke van der Zee tot een echte boeier is verbouwd. Wij komen hierop bij de bespreking van de door de Van der Zee's gebouwde jachten terug.
Ook in wedstrijdaankondigingen in Friesland vinden we de open typen van ronde schepen vroeger bijna uitsluitend aangeduid als jachten en boten. Bijvoorbeeld: Bij de Zeilvereeniging "Oostergoo" is in 1882 de 2de klasse opengesteld voor "Jagten en Boeijers", de 3de klasse voor "Booten boven 4,8 meter tot 6,2 meter". Nog in 1919 vermeldt het programma in de 5de klasse "Jachten en Booten (bestuurd door heeren liefhebbers)". Bij de Zeilvereeniging "Frisia" vindt men nog tot 1924 deze benamingen. Alleen de Zeilvereeniging "Sneek" gebruikte al vroeg de aanduiding "tjotter" in de klasseindeling en wel voor het eerst in 1882. In het wedstrijdreglement van de Noord-Nederlandsche Watersportvereenigingen, zoals dat werd vastgesteld in de vergadering van 7 juni 1921 in Hotel "De Wijnberg" te Sneek, werden de klassen van ronde jachten als volgt omschreven:

  • Boeiers, lengte t/m 9 M
  • Jachten, lengte t/m 7 M
  • Jachten, lengte t/m 5,60 M
  • Jachten, lengte t/m 4,80 M breedte t/m 2,50 M.

Alle open ronde zeiljachten worden "jacht" genoemd, ook de kleinste beneden 4,80 meter. Opvallend is, dat de grenzen tussen de klassen in dit reglement dezelfde zijn als die welke in het "Handboekje der Verbonden Zeilvereenigingen" voor de tjotterklassen OD, OE en OF in 1922 werden vastgesteld. Kennelijk is op het punt van de klasseindeling overleg geweest en overeenstemming bereikt tussen de beide organisaties. Dat blijkt ook uit de toevoeging in het "Hollandse" reglement achter tjotters: "waarbij ook zgn. Friesche jachten". Het feit, dat dezelfde typen ronde jachten in "Holland" tjotter en in "Friesland" jacht werden genoemd vormt een duidelijk bewijs, dat de naam tjotter niet van Friese oorsprong is.
Een streven naar uniforme aanduiding wordt nu merkbaar. In 1923, bij haar 75-jarig bestaan Koninklijk geworden, vinden wij bij de Z.V. "Oostergoo" in haar deelnemerslijsten de klassen open schepen nu "Friesche jachten" genoemd. Ook het gebruik van de naam tjotter dringt in Noord Nederland door. In 1925 schrijft de K.Z.V. "Oostergoo" twee klassen open ronde jachten uit en wel: Klasse 2 "Friesche jachten (lengte t/m 7 M)" en Klasse 3 "Tjotters (lengte t/m 5,2 M)". De benaming "Booten" komen we vanaf 1925 niet meer tegen.
Geleidelijk aan werd de naam tjotter meer en meer beperkt tot de klasse van boten van 4,8 meter en daaronder. De grootste daarvan, 4,8 m lang en circa 2,4 m breed - dus met een lengtebreedte verhouding van ongeveer 2 : 1 - werden in Friesland "fjouwerachten" genoemd. Tot de ontwikkeling van dit type heeft met name Eeltje Holtrop van der Zee in hoge mate bijgedragen. In later jaren onderscheidt men dan in Friesland grote tjotters (deze fjouwerachten) en kleine tjotters (met afmetingen 4,70 x 1,90 m).
In Holland is de benaming tjotter nog lang in gebruik gebleven voor alle typen open ronde jachten, zoals blijkt uit wedstrijdverslagen uit de jaren twintig en dertig van bijvoorbeeld de K.Z.R.M.V. "De Kaag", de Rotterdamsche Z.V., de Z.V. "Hillegersberg" en de W.V. "Loosdrecht". Dit komt ook duidelijk tot uitdrukking in het Nederlandsch Jachtregister van 1924-1925, een gezamenlijke uitgave van de A.N.W.B., Toeristenbond voor Nederland en de Koninklijke Verbonden Nederlandsche Watersportvereenigingen K.V.N.W.V. Met dit register poogden deze organisaties een inventarisatie te geven van alle op dat moment in Nederland in gebruik zijnde pleziervaartuigen, zowel zeiljachten als motorjachten. In totaal staan in dit Jachtregister 1395 zeiljachten vermeld, waaronder 231 houten ronde jachten. Van deze laatste hebben er 69 de typeaanduiding "boeier", 3 staan als "open boeier" vermeld, 9 als "Friesch jacht" en 150 als "tjotter".
De typenaam tjotter is hier dus nog geheel dominerend. Waar meer dan de helft van deze 150 tjotters langer is dan 5 meter, tot 7,8 meter toe, zouden deze - naar hedendaagse norm tot de Friese jachten gerekend moeten worden. De negen, die in het Jachtregister wel met die naam worden aangeduid, hebben alle een Friese eigenaar en/of zijn in Friesland gebouwd. Alle andere als Fries jacht te beschouwen schepen, zowel van Friese als van buiten Friesland wonende eigenaren, staan vermeld als tjotter, ook als ze in Friesland zijn gebouwd.
Opvallend is, dat zes van de negen "Friesche jachten" afkomstig zijn van de Jouwster werf van Eeltje en Auke van der Zee. Dit wijst er wel op, dat de door de Van der Zee's gebouwde jachten in de ontwikkeling van het type een bijzondere plaats innemen. Wij komen daar in het navolgende nog nader op terug.
Samenvattend concluderen wij als volgt: Het onderscheid, dat wij tegenwoordig (terecht) maken tussen Fries jacht en tjotter, is van betrekkelijk recente datum. Alle open ronde jachten werden in Friesland boot genoemd, elders heetten ze tjotter. In Friesland was de naam tjotter aanvankelijk onbekend. Onderscheid in grootte of bouwwijze kwam in de benaming niet tot uitdrukking. Met het opkomen van de georganiseerde watersport na 1890 vond de naam tjotter echter ook verbreiding in Friesland. De oorsprong van het gebruik van de aanduiding Fries jacht is niet met zekerheid aan te wijzen. Waarschijnlijk heeft dit te maken met de dominerende positie in de jachtbouw van Eeltje Holtrop van der Zee aan het einde van de vorige eeuw. Deze gebruikte voor enige van zijn wat grotere en meer luxueus uitgevoerde, uitsluitend voor pleziervaart bestemde "boten" de betiteling "jagt". Buiten Friesland werden deze schepen dan "Friesch jacht" genoemd. Pas na het ontstaan van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten werden de typenamen Fries jacht en tjotter systematisch gebruikt in de zin als aan het begin van dit hoofdstuk beschreven.

Vorm, constructie en inrichting

Inleiding

Allereerst is het dienstig eerst een algemene karakteristiek te geven van wat wij heden onder een Fries jacht verstaan. Een en ander laten wij voorafgaan door een korte historische inleiding.
De bouw van schepen, jachten en boten voor de binnenvaart berustte eeuwenlang op de toepassing van overgeleverde principes en bouwmethoden. Traditie beheerste het scheepsmakers-ambacht in hoge mate. De verschillende typen van schepen werden gebouwd met gebruikmaking van mallen en vaste verhoudingen. In het begin van de negentiende eeuw is het Folkert Nicolaas van Loon (1775 - 1840), die zich veel moeite geeft verbeteringen te introduceren in de vastgeroeste tradities in de binnenvaartscheepsbouw. Hij constateerde, dat in zijn tijd bij de bouw van een binnenvaartuig bijna uitsluitend aandacht werd besteed aan laadinhoud, drijfvermogen en hechtheid van constructie en veel te weinig aan bezeilbaarheid en snelheid van het schip. Zijn ideeën betreffende verbeteringen in de scheepsvorm baseerde hij op waarnemingen van de lichaamsvorm van vissen en vogels; bovendien voerde hij experimenten uit met scheepsmodellen op verkleinde schaal, ruim 50 jaar vóór William Froude daarvoor de wetenschappelijke basis legde! De uitkomsten van zijn beschouwingen legde hij vast in meetkundige scheepstekeningen, wat voor de binnenvaartschepen een novum betekende. Twee publicaties in boekvorm van zijn hand zijn in 1980 in facsimile opnieuw uitgegeven 2,3.
Voor ons is van belang, dat verschillende ontwerpen van Van Loon, waaronder een aantal boeiers, zijn gerealiseerd door de scheepsbouwmeester Eeltje Teadzes Holtrop te IJlst, wiens werf bij zijn dood in 1848 werd voortgezet door zijn kleinzoon Eeltje Holtrop van der Zee. Weliswaar was het streven van Van Loon er in de eerste plaats op gericht verbeteringen te introduceren in de scheepsvorm van vrachtschepen, zodat ze betere zeileigenschappen kregen en daardoor ook hogere snelheden konden bereiken. Zijn principes kon Van Loon des te gereder toepassen bij de door hem ontworpen pleziervaartuigen, met name bij de boeiers die hij in IJlst liet bouwen. Wij mogen daarom rustig aannemen, dat kleinzoon Eeltje later zijn voordeel heeft gedaan met de destijds vooruitstrevende ideeën van Van Loon. W.F. Broos, de auteur van de boven aangehaalde studie 1gaat zelfs zover te stellen, dat: ... de latere roem die uitging van de scheepswerf van de bekende Eeltsjebaes te IJlst en diens kleinzoon Eeltje Holtrop van der Zee te Joure. zeer waarschijnlijk is te danken aan de omstandigheid, dat indertijd Van Loon persoonlijk zijn stempel heeft kunnen drukken op de op deze werf ontwikkelde werkwijze . . . Dat is dan ook de reden dat we geneigd zijn te stellen, dat de talrijke schepen, welke in de tweede helft van de 19e eeuw en de eerste decennia van deze eeuw op de Jouster werf van stapel zijn gelopen . . . in overdrachtelijke zin gezien kunnen worden als evenzovele geesteskinderen van het vernuft van Folkert Nicolaas van Loon.

De principes van Folkert Nicolaas van Loon

Aangezien de ideeën van Folkert Nicolaas van Loon grote invloed hebben gehad op de meest begaafde negentiende eeuwse Friese jachtbouwer, Eeltje Holtrop van der Zee, zullen we nu eerst de uitgangspunten, die Van Loon bij zijn scheepsontwerpen binnen de gegeven beperkingen trachtte te realiseren, samenvatten. Wat de scheepsromp betreft komen deze op het volgende neer:

  1. De belijning mag nergens stilstand vertonen, d.w.z. dat nergens een rechte lijn mag optreden, noch langs de kiel, noch in de zijden, noch in de dwarsdoorsneden.
  2. De horizontale doorsneden van het schip (de waterlijnen) moeten een vloeiend ovale vorm hebben met, tenminste onder het wateroppervlak, scherp toelopende einden.
  3. De grootste breedte en de grootste diepte moeten liggen op 2/5 van de lengte van voren gerekend.
  4. De grootste breedte moet groter zijn dan 1/5, bij voorkeur ongeveer 1/3 van de lengte.
  5. De voorsteven moet matig vallen, de boegen in het voorschip moeten meebuigen met de helling van de voorsteven, waardoor een steile botte kop vermeden wordt.
  6. De achtersteven stelle men zo steil mogelijk, liefst vertikaal.
  7. De beste plaats voor de (vertikale) mast is op 1/3 tot 7/20 van de lengte.

Opgemerkt zij nog, dat een aantal van Van Loon's ontwerpen, in het bijzonder die bestemd voor de binnenvaart, een in het achterschip gepiekte bodem vertoont. Dit komt voort uit zijn streven een geveegd achterschip te verkrijgen, dat het water gemakkelijk loslaat. In dit verband citeren wij hier de volgende uitspraak: . . . Men dient de zijden, evenzeer naar den achtersteven te laten geeren als de einden van den bodem naar boven te ligten. . . Overigens is een hoekige kim, mits de scheepsvorm voldoet aan bovengenoemde eerste twee eisen en de zijden niet loodrecht maar gebogen oprijzen, volgens Van Loon zeker geen nadeel; het schip zal ermee hoog aan de wind kunnen zeilen.
Tot zover de ideeën van Folkert Nicolaas van Loon, die ons nu zo bekend voorkomen, maar meer dan 150 jaar geleden met klem bepleit moesten worden.

Algemene karakteristiek; bouwwijzen en rompvormen

In het begin van hoofdstuk "Wat is een Fries jacht?" is het Friese jacht als volgt gekarakteriseerd:

  • een op stevens karveelgebouwd open zeilvaartuig met relatief brede zijzwaarden
  • voorsteven gekromd
  • buitenomtrek min of meer eivormig verhouding lengte over de stevens tot grootste breedte meestal tussen 2,2 en 2,8
  • voorzien van berghouten
  • lengte over de stevens 5 meter of meer
  • grootste breedte op ongeveer één derde tot vier negende van de lengte 
  • getuigd met een bezaantuig met kromme gaffel en losse broek, de fok gehalsd op een ijzeren botteloef.

Het Friese jacht als pleziervaartuig is ontwikkeld uit de Friese boot, zoals ronde zeilvaartuigen in Friesland werden genoemd. Deze boten werden in het waterrijke gedeelte van deze provincie in grote aantallen gebruikt door boeren, kruideniers, fouragehandelaren e.d. voor het vervoer van goederen en personen. Een voorbeeld van een dergelijke bedrijfsboot is de hier afgebeelde "Aaltje" van de fouragehandelaar Harm Speerstra te Warns. De foto, uit omstreeks 1905, toont een scheepje met een lengte van ongeveer 5 meter, met de kenmerken van een Fries jacht, compleet met berghout, echter eenvoudig uitgevoerd zonder kluisborden, snijwerk en koper. Uit de bewaard gebleven werfboeken van Van der Zee blijkt, dat op de Jouwster werf talloze van deze boten zijn gebouwd voor vissers, boeren, schippers en handelaren.
De eenvoudigste bedrijfsboten hadden een plat vlak en daarboven een romp van slechts één of twee gangen. Ze werden IJlster-boten genoemd 4. De bouwwijze uit slechts enkele brede gangen was bepalend voor de hoekige vorm die de dwarsdoorsnede van de scheepjes te zien gaf. De toepassing van meerdere smallere gangen maakte het mogelijk een meer elegante rondere scheepsvorm te verkrijgen, in het bijzonder in voor- en achterschip. Het jachtje "Aaltje" behoort tot deze laatste categorie. Deze bouwwijze, tot elf gangen toe, werd toegepast bij de overwegend voor pleziervaart bestemde luxueus uitgevoerde zgn. jagten.


In de tweede helft van de negentiende eeuw, toen pleziervaart nog een tijdverdrijf voor enkelen was en de vraag naar plezierjachten betrekkelijk gering, was het vooral Eeltje Holtrop van der Zee, die zijn stempel heeft kunnen drukken op het houten ronde jacht. Eeltjebaes was behalve een zeer bekwaam scheepsbouwmeester ook een man met een uitgesproken artistieke visie, het kenmerk van de ware kunstenaar. Zijn vele malen aangehaalde gezegde: ... it lelt d'r al . . . wijst erop, dat hij het nog te bouwen schip in de geest reeds exact voor zich zag. Bij de bouw van zijn jachten en boeiers schijnt hij, voor zover wij weten, nooit gebruik gemaakt te hebben van ontwerptekeningen. Alle door hem gebouwde ronde jachten zijn dan ook `op het oog' ontstaan. De rompvormen die hij nastreefde konden alleen bereikt worden door ze op te bouwen uit een groot aantal in de vereiste vorm gebrande smalle gangen. Eeltje Holtrop van der Zee en ook zijn zoon en opvolger Auke van der Zee bouwden hun jachten bijna altijd met een gepiekte bodem en ronde kimmen. Een uitzondering hierop vormt het jacht "Dolphijn", dat meer de vorm heeft van een visaak met (bijna) plat vlak en hoekige kimmen. Alle andere in Joure gebouwde jachten en ook de aldaar ontstane "fjouweracht"-tjotters 5 hebben een gepiekte bodem, waarin het hoofdspant de vorm van een accolade benadert.

Afb. a toont een tekening 6 waarin voor- en achteraanzicht van het Friese jacht "Argo" zijn gecombineerd. Deze tekening laat de vorm van het gepiekte grootspant duidelijk zien, alsmede het verloop van de naden tussen de gangen in voor- en achterschip. Een typerend kenmerk van de Friese jachten en `fjouwerachten' van de Van der Zee's, vooral van de later gebouwde, is het verloop van de gangen in het voorschip. De bovenste gangen buigen, alvorens tegen de voorsteven aan te sluiten, iets terug, waardoor de typische bolle konen ontstaan. Een haast extreem voorbeeld hiervan is het door Auke van der Zee gebouwde jacht "Neptunus", zoals blijkt uit de tekeningen die zijn opgenomen in 7 en in het aanhangsel gereproduceerd. Ook bij andere bouwers, soms in navolging van Van der Zee, komt men gepiekte jachten tegen, zoals in het volgende hoofdstuk zal blijken.
Bij een aantal jachten treffen wij een zuiver rond grootspant aan. Hiervan geeft afb. b mooi voorbeeld. Het betreft het Friese jacht "Roeland", vermoedelijk gebouwd door Brandsma. Een dergelijke vorm is iets eenvoudiger te bereiken dan een bodem met piek. De onderste gangen behoeven minder scheluw gebrand te worden.
De eenvoudigste, dus goedkoopste wijze van bouwen is die, waarbij het vlak dwars op de scheepsas plat of bijna plat is. De hoger liggende huidgangen sluiten hier met een hoekige kim op aan. Kostenbesparing is inderdaad de reden waarom de meeste jachten afkomstig van de werf van Lantinga te IJlst deze wijze van bouwen vertonen. Immers, de nog bestaande Lantinga-jachten zijn waarschijnlijk alle ontstaan na 1900, toen in toenemende mate geconcurreerd moest worden met het populair wordende en betrekkelijk goedkoop te bouwen scherpe jacht. Dat dwong bij de traditionele ronde jachten tot kostenbesparing door eenvoudiger constructie en minder luxueuze uitvoering. Een typisch voorbeeld van de bouw zoals door Lantinga uitgevoerd, toont afb. c, met het voor- en achteraanzicht van het jacht "De Rode Leeuw" 8. Het zwak gekromde vlak bestaat uit enkele brede delen, waarop boven de hoekige kimmen vier huidgangen aansluiten. Voor zover kon worden nagegaan, zijn alle aan Feike Lantinga toegeschreven Friese jachten op deze wijze gebouwd. Deze bouwwijze sluit dicht aan bij die van de eenvoudige bedrijfsvaartuigen. Dat ook het hiervoor genoemde door Van der Zee gebouwde jacht "Dolphijn" deze bouwwijze vertoont, spruit zeker niet voort uit kostenoverwegingen, maar uit de eis van de opdrachtgever, dat een bun moest worden ingebouwd. Een uitvoerige bouwbeschrijving van dit jacht werd elders door ons gepubliceerd.

Verwijzingen

1 W.F. Broos, 'F.N. van Loon (1775-1840), Een vergeten Friese scheepsontwerper' - Jaarboek van het Fries Scheepvaart Museum 1980, Sneek, alsmede Publicatie van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, pag. 169 e.v.
2 F.N. van Loon, 'Beschouwingen van den Nederlandschen Scheepsbouw met betrekking tot deszelfs zeillaadje' - De Wed. A. Loosjes Pz., Haarlem 1820 (Facsimile uitgave Lykle Jansma, Buitenpost 1980).
3 F.N. van Loon, 'Handleiding tot den burgerlijken scheepsbouw' - H. Brandenburgh, Workum 1838 (Facsimile uitgave Lykle Jansma, Buitenpost 1980).
4 U.E.E. Vroom, 'Vracht- en visserschepen van Eeltjebaas en Aukebaas' - De Boer Maritiem, Weesp z.j.
5 J. Vermeer, 'Beschrijving van de tjotter "Albert en Nelly" ' - Jaarboek van het Fries Scheepvaart Museum 1973 en 1974, Sneek, alsmede Publicatie van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, pag, 30 e.v.
6 J. Loeff, 'Argo, een Fries jacht' - De Waterkampioen, 29(1957)34.
7 'Ronde en Platbodemjachten', red. T. Huitema, 6e druk, De Boer Maritiem, Houten 1987.
8 J. Vermeer, Beschrijving van het Friese jacht "De Rode Leeuw" , - Jaarboek van het Fries Scheepvaart Museum 1977, Sneek

Ouder Zeilend Hout - Visser, Helder en hun ronde jachten op het Paterswoldsemeer

Dit is de pakkende naam die Gerard ten Cate aan zijn pas verschenen boek heeft gegeven. Een foto met daarop het Friese jacht de Zwaluw en een notitie uit 1911 waren voor hem de aanleiding om een zoektocht te beginnen naar ronde jachten op het Paterswoldsemeer. Met de studies van de heren Huitema en Vermeer, uitgegeven als monografie van de SSRP en het boek Het Friese Jacht als beginpunt, is het uiteindelijk een hele klus geworden.

In 2009 werd Gerard gevraagd of hij informatie had over de geschiedenis van de Vereniging Watersport de Twee Provinciën die in 2011 haar 100 jarig bestaan zou vieren. Al met al werd het een hele studie en is er veel aanvullende informatie over bijvoorbeeld de Friese jachten de 'Prinses Juliana', de 'Froukje', de 'Stânfries', de 'Argo', de 'Poseidon', de 'Nelly', de 'Aeolus', de 'Johanna' en de tjotter de 'Vrijheid' gevonden.

Boek Ouder Zeilend Hout - Visser, Helder en hun ronde jachten op het Paterswoldsemeer

Scheepstype Fries jacht: voorbeelden tuigage, voorsteven, botteloef en roer

Voorbeelden tuigage

Voorbeelden van tuigen bij een drietal Friese jachten op drie foto’s. Argo 1895, Poseidon 1909, Bestevaer 1953.

3a. De voorsteven en botteloef van het Friese jacht

De voorsteven van een Fries jacht eindigt over het algemeen in een punt omhoog. Afgedekt met staal beslag. De botteloef is over het algemeen uitgesmeed om de voorsteven en bevestigd met twee bouten door diezelfde voorsteven. Het berghout eindigt over het algemeen in slemphouten die langs de voorsteven lopen. Berghout en slemphouten bepalen de zeeg van het schip in sterke mate. Op de slemphouten tegen het boeisel zijn meestal kluisborden en beretanden geplaatst. Al dan niet versierd met snij- of koperwerk. De botteloef wordt ondersteund met een waterstang die lager op de voorsteven is gemonteerd. Zijwaarts wordt de botteloef gesteund door een boegstag op SB en BB die op het berghout vast gezet worden. De stevens zijn duidelijk een maat zwaarder dan bij een tjotter. Er zijn een paar Friese jachten met een tjottersteven met een doorgestoken botteloef.

Friese jachten: 3x Froukje, 1x Bestevaer en 1x Hommel (met doorgestoken botteloef)

3b. Het roer van het Friese jacht

Over het algemeen varen de Friese jachten met een boeier- of Friese jachten roer dat in vingerlingen aan de achtersteven hangt. Het helmhout is gemaakt van gesmeed staal. Het wordt door de kop van het roer gestoken en met een borgpen gefixeerd. De achterzijde is over het algemeen afgedekt met een messing plaat die de vorm van het roer volgt. Op de kop kan een roerversiering geplaatst worden. Een vergulde leeuw komt vaak voor. Een boeier roer is een smal roer. De hak loopt onder of op de waterlijn ca. een meter door. In een enkel geval vaart een Fries jacht met een tjotterroer. Een boeier- of Fries jachtroer is bovenin, daar waar het helmhout doorgestoken wordt, dik en verzwaard. Naar beneden langs de achtersteven en naar het einde van de hak zijn de roeren over het algemeen verjongd. De vorm van het roer kan een verwijzing naar de bouwer zijn.