
Inleiding
De klipper, het zeilende rivierschip, is zoals bekend, ontstaan vanuit de stevenaak. Met nog een kleine slag om de arm kan gezegd worden dat er op werf Rijkée in 1877 de eerste stevenklipper is getekend en gebouwd. De eerste generatie klippers uit de periode 1877 tot circa 1885 waren waarschijnlijk zonder uitzondering tweemastschepen van 28 tot 43 meter lang. De oudst bekende éénmastklipper is van 1887. Na 1895 worden éénmastklippers steeds groter gebouwd. Dat resulteerde in éénmastklippers van zeker 34 meter. Voor 1895 waren schepen van die lengte altijd tweemasters. Schippers vonden een éénmasttuig eenvoudiger te hanteren. Het gaf in ieder geval minder werk. Rond 1905 voeren er dus klippers van 34 meter met zowel één als met twee masten. De klippers waren de moderne schepen.
Nog steeds varen er enkele gemotoriseerde klippers in de reguliere beroepsvaart en geen één lijkt meer op een zeilschip. Ze zijn omgebouwd naar de eisen des tijd. Natuurlijk is iedereen bekend met de klippers die soms na jaren stilliggen om zijn gebouwd tot charterschip en zo een tweede zeilend leven zijn begonnen. Nu zien we voormalige éénmastklippers die zijn omgebouwd tot tweemastklippers. De grotere schepen die zich er voor leenden zijn zelfs tot driemasters bevorderd.
De Tijdlijn van de Klipper
Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925
1924-1925
Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Typebeschrijving Klipper
- Geschiedenis van de Klipper
- Beschrijving van de Klipper
3. Tuigage
De tuigage onderscheidt zich niet wezenlijk van die van andere zeilende binnenvaartschepen. Met dien verstande dat klippers altijd een rechte gaffel hadden en een kluiver voerden.
De tweemastklippers waren uitgevoerd met een bezaansmast met een steng, waarin een gaffeltopzeil kon worden gehesen.
Met deze tuigage kon een tweemastklipper met tot brughoogte gestreken grote mast en geschoten (= neergehaalde) steng juist onder de spoorbruggen over de Rijn doorvaren. In verband met het vele strijken raakte het uit de Rijnvaart overgenomen gaffeltopzeil door de opkomst van de spoorwegen al snel in ongebruik. In een later stadium werden op de Rijn eveneens boegsprieten met kluiver minder populair. Op het open water, als de Zeeuwse stromen, bleef de kluiver echter lang noodzakelijk.
Kenmerken van de Klipper
1. De Klipper als werkschip
De rompvorm heeft in de periode dat er klippers zijn gebouwd nauwelijks wijziging ondergaan. Dit type schip is altijd in ijzer en later in staal gebouwd. Het schip is voor de ijzerbouw bedacht; dit geeft het onder andere de staafsteven in tegenstelling tot de doossteven die we bij veel schepen met een houten voorgeschiedenis tegenkomen. Een aantal typische kenmerken van de rompvorm in het kort samengevat zijn:
- een S-bocht in de voorsteven;
- een uitwaaierende boeg;
- een plat vlak;
- korte, niet hoekige kimmen;
- de zijden staan niet stil, dat wil zeggen dat alle spanten een verschillende wijdte hebben;
- het grootspant staat op ongeveer een derde van het schip, bij of iets achter de mast (in geval van een eenmaster);
- een bijgesneden, duidelijk gepiekt achterschip, het wulf, met een doorgestoken roer(koning).
Voor de vorm van het achterschip (het hek) zijn twee mogelijkheden. De eerste is uit de zeevaart overgekomen: het boeisel bij het achterschip is naar buiten vallend, een zogenaamde waaier. De andere vorm komt uit de Rijnvaart. Hier blijft het boeisel bij het achterschip rechtop staan of valt het zelfs iets naar binnen.
2. De Klipper als jacht
3. Algemene kenmerken
4. Kenmerkende verhoudingen
5. Verklaring in tekening
6. Subtypen, specifieke kenmerken
Publicaties over de Klipper in het Stamboekarchief
Scheepstypologieën: Spiegel der Zeilvaart februari 1986 nummer 1 - Scheepstypologie Klippers deel 1
De klipper zoals wij die kennen uit de binnenvaart, werd gebouwd als ijzeren of stalen zeilschip bestemd voor de vrachtvaart. De klipperbouw vindt zijn begin in het laatste kwart van de vorige eeuw. Aanvankelijk gebouwd als zeilschip, werden vele klippers gemotoriseerd in de periode tussen de twee wereldoorlogen. Hoewel het tuig vaak nog lang gehandhaafd bleef na de motorisering, verdwenen de laatste echt zeilende klippers kort na de tweede wereldoorlog van onze vaarwegen.
Waterkampioen december 1965 nr1163 - Schepenschouw De klipper
Niet alle typen van Nederlandse zeilende binnenvrachtvaartuigen stammen uit de tijd van de houten scheepsbouw. Zo werden er voor zover ons bekend, nimmer houten (binnen)klippers gebouwd. Aangenomen mag wel worden dat het type binnenvaartuig dat klipper wordt genoemd, eerst in het laatste kwart van de 19de eeuw is ontstaan. Sopers schat in "Schepen die verdwijnen" dat de eerste klippers zo omstreeks 1895 werden gebouwd, terwijl in het boekwerk "Ronde en Platbodem jachten", dat onder auspiciën van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten verscheen, de heer Blussé van Oud-Alblas als datum voor ontstaan van de bekende "LichtstraaI" het jaar 1892 noemt.
Vereniging De Binnenvaart 2011 nummer 5 - Clippers en Klippers
In het boek 'Schepen die blijven' herhalen Hein Sommer en Bart Vermeer de stelling dat de rivierklipper ontwikkelt is uit de ijzeren stevenaak. Een theorie die ik kan onderschrijven. Alleen een opmerking: de ijzeren stevenaken die vanaf 1874 gebouwd werden op werf Rijkée hadden een kop die al meer klipperkenmerken vertoonden dan bijvoorbeeld de stevenaken van andere werven. Van de ontwikkeling van de ietwat ronde stevenakenkop naar de slankere klipperkop was op werf Rijkée geen sprake.
Nederlandse Jachten, Binnenschepen en Visschersvaartuigen - CGE Crone
CGE Crone schrijft in 1926 in zijn boek "Nederlandse Jachten, Binnenschepen en Visschersvaartuigen":
Eenige oude scheepsvormen konden hun bestaan nog rekken tot goed in de tweede helft der 19e eeuw, alvorens zij door nieuwe vormen zouden verdrongen worden. Ik denk hier in hoofdzaak aan de hoekers, buizen, koffen en Keulenaars.
De houten bouw was nog onbedreigd en ook in onze jonge jaren (menschen van middelbaren leeftijd) kenden wij niet anders dan dit soort schepen. Het waren ten deele echter reeds niet meer die zooals onze vaders en grootvaders ze dagelijks aanschouwden en er ook wel mee gevaren zullen hebben.
In het einde der eeuw deed het ijzer zijn intrede. Door meerdere en ruimere toepassing van het ijzer begon men allengs van de oude scheepsvormen af te wijken waardoor nieuwe en gewijzigde modellen ontstonden; dit uitte zich vooral in lijnen, afmetingen en verhoudingen, meer vierkantig, en vervorming van het voorschip. Zoo ontstonden de schepen met klipperboeg, alsmede zoovele andere op welker samenstelling het woord constructie beter past dan het woord scheepsbouw.
De Klipper in het boek "Schepen die verdwijnen" van P.J.V.M. Sopers

Ik schat dat zoo omtrent 1895 de ijzeren of stalen één- en tweemast-rivierklipperskomen. De klipper is een van origine Amerikaansch schip. Hij dankt tot zekere hoogte zijn ontstaan aan de opkomst der stoomvaart. Tot dan toe had het zeilschip zich onder alle omstandigheden alleen moeten redden. De oude houten driemasters, die in soms betrekkelijk smalle vaarwaters moesten manoeuvreren, b.v. door den wind gaan, werden derhalve niet lang gemaakt. De gewone verhouding lengtebreedte was 4 tot i ongeveer. Nu men in nauwe vaarwaters zich voortaan van sleepboot-assistentie kon bedienen, kon men deze verhouding vergrooten tot b.v. 5 tot 1, zelfs 61/3 tot 1. De lijnen konden nu scherper ontworpen worden.
Een karakteristiek der klippers is, dat de steven gewijzigd werd. De oude vorm van dit onderdeel was ongeveer als bij onze tjalken. Daaraan werd sinds eeuwen het vooruitstekend galjoen gebouwd, meer als sieraad dan als constructiedeel. De Amerikanen brachten dit deel meer in verband met den bouw van het schip. Den steven maakten zij met een binnenwaartsche bocht, waardoor hij meer vooruit kwam steken. De ruimte op het dek werd veel grooter en men kreeg gelegenheid de spantvormen van het voorschip „uitwaaiend" te construeeren. Bij onze rivierklippers stond de steven tamelijk steil; men houdt bij grootere binnenschepen niet van overdreven overhangen. Toch zijn de uitwaaiende spanten bij onze klippers zeer opvallend.
De Amerikaansche klipper onderscheidde zich van de vroegere zeilschepen ook door zijn vereenvoudigd tuig, waardoor hij minder bemanning behoefde. De Amerikaansche klippers en trouwens alle andere, zijn bekend om hun snelle reizen. De Nederlandsche rivierklippers bevoeren Rijn en Zeeuwsche stroomen. Bij de tweemasters werd de kleine mast meer voorlijk geplaatst en verhuisde van de achterzijde van de roef of laadroef naar de voorzijde. Het gaftopzeil, de zgn. „vlieger", verdween, de breefok eveneens. Het bezaanszeil kon grooter worden door de meer voorlijke plaatsing van den achtersten mast.
Vele van die schepen waren in West-Brabant gedomicilieerd. Een exemplaar behoorde, naar den naam te oordeelen, in Vlaanderen thuis. Het heette „Mijn goesting zulle". In 't Noord-Nederlandsch beteekent dit „Mijn smaak, weet je". Van eenige klippers kan ik de maten opgeven. Ziehier :
„Semper Idem", Waspik, 38 bij 6.06 bij 2.06m, 280 ton. De „Excelsior" van Utrecht en de „Frederica" van Wageningen, schipper Rosman, waren beide even groot, 36.57 bij 5.86 bij 1.98m, 258 ton. Van kop tot grooten mast maten zij 11.50m. Tusschen de masten 18m en achter den bezaansmast 7.07 m. Dan vermeld ik nog het schip van den heer Herman Lieven. De maten waren 46 bij 6.60 bij 2.02 Naam „St. Antonius". Het was gebouwd te Doesburg en mat 379 ton. Het schip is nog in de vaart. Voorheen was het zeilschip. De grootzeilsboom was lang 19m! Het zeil had 52 voet hijsch, groote mast lang 75 voet, top van den bezaansmast 46 voet boven de waterlijn, de steng 21 voet. De boom was zoo lang, dat hij boven de reeling van het achterschip eindigde. Thans is het schip afgetuigd en doet dienst als sleepschip.
De klipper was een op en top stalen (ijzeren) schip. Had men bij het ijzeren stevenschip nog twee opgebouwde holle ijzeren stevens, opgevuld met cement, imitatie van de oude, zware houten stevens, bij den klipper bestonden de stevens uit plat staafijzer, waartegen de huidplaten geklonken waren.
Het aangehangen roer had plaats gemaakt voor een roer, dat met een roerkoning, door het achterschip liep en met een stuurwiel bediend werd.
Nagenoeg al het staand en loopend want was staaldraad en het laatste werd met lieren bediend, zoodat het aantal blokken of katrollen tot een minimum werd beperkt. Bakstagen etc., alles was vereenvoudigd en gemakkelijker te bedienen. Als kruising tusschen klipper en aak, noemde ik bij de Overijsselsche schepen reeds de Hasselteraak, die met een klipper-voorsteven gebouwd werd. Hij was kenbaar aan de sterk gebogen boegen achter (geen berghouten).
De Klipper in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

Zo omstreeks het laatste kwart van de vorige eeuw doet met de bouw van ijzeren schepen een nieuw scheepstype in de binnenvaart zijn intrede. De eerst van ijzer, ten slotte van staal gebouwde klipper. De naam komt uit de zeevaart en geeft een etiket van snelheid55. Aan de zeevaart is ook ontleend de scheepsvorm met de hol gebogen steven en het overhangende hek. Maar de binnenwateren waar deze klipper voor wordt ontworpen en gebouwd, leggen hem weer op een plat vlak en zijzwaarden.
De klippers begonnen als schepen met één mast. Toen echter de tonnage steeg en de lengte toenam, kwam er een bezaansmast met schuifsteng bij. Eerst achter de roef; ten slotte ervoor.
De tweemast-klippers zijn de snelste zeilers, die onze binnenvaart heeft gekend.
Naast het zuivere klippertype is bij de éénmasters ook een soort kruisingsprodukt in de vaart gekomen: de klipper, die niet heeft het overhangende hek met door de hennekoker gaande roerkoning en radbesturing, doch de staande achtersteven van de stevenaak met aangehangen roer met helmstok. De reden van deze kruising ligt voor het grijpen. Deze uitvoering was eenvoudiger en dus goedkoper. De formele betiteling van dit type was `klapperaak', maar de varensman noemde haar kortweg 'een klipper met een peerdekont'.
Er zijn werven geweest, die op hun produkt een zeer speciale signatuur drukten. Zo was er bijvoorbeeld de werf van Van den Adel te Papendrecht. Zij bouwde klippers van zwaar slag, die nu - ook als motorschip - altijd nog opvallen met hun breed uitwaaiende boegen als een beeld van harmonieuze stoerheid.
Bovenal is de naam Van Duivendijk bekend geworden. Een `Duivendijker' was onveranderlijk een goedgebouwd, mooi en goed zeilend schip. Aan die reputatie hebben twee werven bijgedragen. Die van de Weduwe A. van Duivendijk te Papendrecht en die van H. van Duivendijk aan 'het Zandje' te Lekkerkerk. De mooiste klippers zijn gebouwd aan het Zandje. Zonder uitzondering onderscheiden zij zich door hun mooie zeeg, hun fraai gevormde, soms zelfs zeer fijn belijnde, voor- en achterschepen en door een wel zeer markant detail: de boeiing van het hek. Deze staat niet rechtop, doch valt schuins naar buiten. Het is een gelukkig toeval, dat twee in onze jachtvloot nog aanwezige zeilklippers Duivendijkers zijn. De aloude 'Lichtstraal' van de Amsterdamse Zeeverkennersgroep in te Amsterdam werd in 1892 gebouwd op de werf van de Weduwe A. van Duivendijk. En daarnaast is er de in 1958 gebouwde 'Leonora', weliswaar gebouwd door de werf Vahali te Gendt, maar zij dateert haar lijnentekening van 1898 en deze is van de hand van H. van Duivendijk aan het Zandje.
Zo is de vertegenwoordiging der klippers in de Nederlandse jachtvloot heel wat belangrijker en interessanter dan menigeen denken zou
De Klipper in het boek Scheepstypologieën

Ontstaan
De klipper zoals wij die kennen uit de binnenvaart werd gebouwd als ijzeren of stalen zeilschip bestemd voor de vrachtvaart. De klipperbouw vindt zijn begin in het laatste kwart van de vorige eeuw. Aanvankelijk gebouwd als zeilschip, werden vele klippers gemotoriseerd in de periode tussen de twee wereldoorlogen. Hoewel het tuig na de motorisering vaak nog lang gehandhaafd bleef, verdwenen de laatste echt zeilende klippers kort na de Tweede Wereldoorlog van onze vaarwegen
Vier factoren hebben in belangrijke mate meegewerkt aan het ontstaan van de klipper als binnenvaartschip:
a. de overgang van houtbouw naar ijzerbouw in de scheepvaart;
b. de opkomst van de stoomvaart en de toenemende vraag naar snelheid;
c. de ontwikkeling van snelle ijzeren klippers in de zeevaart;
d. ontwikkelingen in de Rijnvaart
Ad a. De overgang van de houtbouw naar de ijzerbouw in de scheepvaart voltrekt zich na de eerste helft van de vorige eeuw.
Stonden vele schippers aanvankelijk nogal sceptisch tegenover het gebruik van ijzer in de scheepsbouw, geleidelijk ervoer men de grote voordelen hiervan. Duurzaamheid, waterdichtheid, sterkte en weinig plaats vragende verbanden bleken belangrijke economische troeven te zijn.
Het gebruik van ijzer brengt een ontwikkeling in vormen met zich mee. Een uitwaaierende kop en een sterk gepiekt overhangend achterschip waren voor de binnenvaart geen bekende vormen.
Als de houtbouw aan het eind van de negentiende eeuw vrijwel geheel verdwijnt, vindt ook de overgang van ijzer naar staal plaats. Staal heeft als belangrijk voordeel boven ijzer zijn grotere buigzaamheid. In het begin van de jaren negentig worden klippers gebouwd met een stalen huid, vlak en kimmen, terwijl spanten, kattesporen, dekbalken en dekken nog in ijzer worden uitgevoerd. IJzer gaf men aan in duimse maten, staal in millimeters. In 1904 vinden we voor het eerst een compleet stalen klipper, bij Boot in Vrijenban gebouwd. De overgang naar staal is ook in de tuigage te bemerken. Nog vóór de eeuwwisseling (1895) gaat men voor het lopend want van touw over op staaldraad. Hiervoor verschijnen lieren aan dek. IJzeren wanten en stag blijven voorlopig nog gehandhaafd.
Ad b. De opkomst van de stoomvaart en een toenemende vraag naar snelheid. De ijzerbouw werd al heel snel toegepast in de stoomvaart, die onafhankelijk van wind of windrichting en in mindere mate onafhankelijk van stroom kon zorgen voor geregelde vervoersdiensten. De zeilvaart werd zo geconfronteerd met een toenemende vervoerszekerheid en snelheid en de stoomvaart nam een deel van het beurt- en vrachtvervoer over van het zeilschip. Deze geduchte concurrent vroeg om een sneller zeilschip. Het is aannemelijk dat de snelle klipper uit de zeevaart, die met dezelfde problematiek te maken had, hierbij inspirerend heeft gewerkt.
Ad c. De snelle klipper in de zeevaart. De klipper is qua type, naam en materiaal afkomstig uit de zeevaart, waarbij het type (de vorm) werd aangepast aan de binnenvaart. De binnenvaartklipper heeft een plat vlak en heeft daarom zwaarden nodig. De overlevering wil dat het Teun van Duivendijk was die op zijn werf aan 't Zandje te Lekkerkerk deze afleiding bedacht en ontwikkelde en dat deze de eerste klipper bouwde. De mogelijkheid daartoe heeft op die werf en bij deze scheepsbouwer ongetwijfeld bestaan. De werf had reeds een traditie van scheepsbouw voor de zeevaart. Teun van Duivendijk heeft ook zelf voor de zeevaart getekend en hij was het die de ijzerbouw op de bestaande werf invoerde. Hij had bovendien de bouw van ijzeren klippers voor de zeevaart aan de Noord te Kinderdijk als voorbeeld.
In de jaren zeventig (van de vorige eeuw) bouwde L. Smit en Zn te Kinderdijk als enige in Nederland klippers voor de zeevaart. In 1872 de ijzeren driemastklipper 'Industrie' (van 1642 NRT) en in 1876 de 'Batavier' van 1616 NRT. Teun van Duivendijk en L. Smit stonden in nauwe relatie tot elkaar. De karakteristieken van oude Duivendijkers komen sterk overeen met die van het halfmodel van de 'Batavier' (Maritiem Museum Prins Hendrik te Rotterdam): hol stevenprofiel, scherp voorschip, fraaie zeeg en mooi geveegd achterschip met een vallend hek.
Omdat de klippervaart is begonnen op de Zuidhollandse en Zeeuwse stromen en de klipper in zijn ontwikkelingsfase gebouwd werd langs de Noord en omgeving, is het aannemelijk dat hier de zeevaart haar invloed heeft doen gelden.
De rivierklipper, oorspronkelijk als éénmaster ontwikkeld, sloot als type nergens aan bij de andere vertrouwde typen op het binnenwater.
Erkend moet worden dat bovenstaande theorie, hoe aantrekkelijk ook en hoezeer door mondelinge informatie ondersteund, direct bewijs mist. Tot dusver is de allereerst gebouwde klipper nog een onbekende.
Ad d. Ontwikkeling in de Rijnvaart. Omstreeks 1870 komt de zware industrie aan de Ruhr in Duitsland op gang. Houten overnaads gebouwde tweemasters als aken, kenen en stevenschepen zorgen voor het vervoer van erts en graan naar boven en ijzerprodukten, kolen en briketten naar beneden. Omdat Rotterdam en vooral Antwerpen de aanvoerhavens voor het achterland zijn, komen deze schepen op de Zuidhollandse en Zeeuwse stromen. Hier blijken de houten schepen niet langer te voldoen; erts is een wrede lading en graan vraagt een dicht schip. Reeds sinds 1840 bestond er in de Rijnvaart belangstelling voor ijzerbouw, speciaal voor sleepschepen.
In de jaren zeventig en tachtig gaat de ijzerbouw zich ook uitstrekken over zeilschepen op de Rijn. Grote schepen met twee masten met grote tuigen zijn noodzakelijk om tegen stroom naar boven te varen. Uit het Dorstense schip met een flauw gebogen steven en een gepiekt achterschip ontwikkelt zich dan de stevenaak, met een ietwat hol gebogen doossteven en van achteren een fijn besneden achterschip met hooggedragen billen en een aangehangen roer. Wanneer de klipper er verschijnt, gaat deze de bestaande typen beïnvloeden en ontwikkelt zich een Rijnschip dat een klipperachtige kop krijgt en de doossteven behoudt, met van achteren een kort opwippende, tamelijk volle klipperkont. Het zijn altijd grote schepen, met twee masten, een ruim vóór en achter de mast en een doorlopende denneboom. De gelijkenis met de tweemastklipper wordt treffend, vooral wanneer later de doossteven overgaat in een staafsteven. Zo bracht de Rijnvaart de ontwikkeling van de tweemastklipper.
Als in 1881 voor de gebroeders Timmers uit Gravenmoer op de werf van Rijkee te Rotterdam - op de plaats waar nu de havenvakschool staat - de 'Maria Anna' als tweemaster wordt gebouwd, wordt dit schip in het bestek als klipper aangeduid. Uit de voor ons tot nu toe bekende gegevens moeten we concluderen dat zowel de een- als de tweemastklipper in de jaren zeventig van de vorige eeuw is ontwikkeld. Beide typen zijn gedurende ruim 45 jaar gebouwd (tot rond 1928).
Gebruik
Hoewel ontstaan rond de grote rivieren en bij uitstek hiervoor en voor de Zuidhollandse en Zeeuwse stromen geschikt, zaaide het schip zich snel uit over heel Nederland. De klipper werd een universeel vrachtschip, waarmee men alles vervoerde wat men kon krijgen. Op de rivieren met name ijzererts, kolen, grind en graan. Ook aan de specifieke watertransporten, als mest van Friesland naar de bollenstreek achter de duinen in het westen van het land en bieten tijdens de bietencampagne, deed de klipper mee. Afmetingen van vaarwegen en kunstwerken of overheidsbepalingen beperkten uiteraard de vaarmogelijkheden en introduceerden een aantal maten schepen. Veel voorkomend zijn de volgende afmetingen: 24 x 5,30 x 1,90 meter: de Roosendaalse klipper i.v.m. de sluis bij Roosendaal; 31,50 x 6,00 meter: de Friese maatklipper. Uit een aantal namen blijkt dat klippers soms ook voor een heel specifieke lading werden gebruikt. We kennen onder andere aardappelklippers, kaasklippers, kermisklippers en steenklippers. Aardappelklippers en kaasklippers waren kort en vol, in verband met vaak kleine haventjes waar zij steeds een deel van hun lading innamen of losten. De steenklippers hadden vaak een lengte van 80 voet (x 28,07 centimeter). Verder blijkt dat een lengte van 92 voet bij veel schippers populair was.
Ontwikkeling van de typen
Zoals al aangegeven zijn de één- en tweemastklippers waarschijnlijk in de jaren zeventig ontstaan: de éénmaster geïnspireerd door de zeevaart, de tweemaster was gebruikelijk in de Rijnvaart. De populariteit van dit scheepstype heeft zijn weerslag gevonden in een aantal afgeleide typen: Klipperaken. Als belangrijkste de klipperaak. Het geveegde achterschip van de klipper geeft de schipper weinig ruimte in het achteronder en, voor zijn lengte, minder laadvermogen. Zowel bij noordelijke als bij zuidelijke werven kwam men op het idee aan de klipper het achterschip van een aak te bouwen. In Noord-Brabant, en met name in Waspik, bouwde men voor de riviervaart de stevenaak. De stevenaken in Waspik gebouwd hadden een bijzonder mooi gepiekt achterschip. De klipperaken met zo'n achterschip werden Waspikkers' genoemd. In het noorden, in de kop van Overijssel, waren de Hasselteraken ontwikkeld. Deze hadden een voller en ronder achterschip dan de stevenaak. De klippers met het achterschip van een Hasselteraak vielen in de regel nogal zwaar uit, waardoor men hier is gaan spreken van een 'klipper met een paardekont'.
Noordzee- en Oostzeeklipper
In het noorden, en voornamelijk in Groningen, werd een zeegaand type klipperschip gebouwd. Dit schip had achter het waaierhek van alle noordelijke klippers. Het was zwaarder en stoerder dan de binnenvaartklipper, met een grote holte, brede gang boorden en een hoge verschansing. Het bleef het platte vlak en zwaarden behouden. Men noemde deze schepen vaak schoeneraken of schoeners. Ze waren echter nooit als schoener, maar kits getuigd. De bezaanmast was niet het 'hulpmastje' van de rivierklipper, maar een echte mast met steng. Ook de grote mast werd veelal opgesplitst in ondermast en steng. De tuigage van deze schepen was over het algemeen zwaar uitgevoerd. De term klipper komen we ook nog tegen in de benaming `klippersleepschip' en 'klip-persleepboot'. Dit waren rivierschepen met dezelfde vorm in voor- en achterschip als de zeilende klippers, zonder uiteraard ooit gezeild te hebben. De klippersleepboot was een Dordtse specialiteit van de werf Koopman.
Klipperjacht
Een- en een enkele keer ook tweemastklippers werden als jacht gebouwd in het begin van deze eeuw. Dit waren jachten van wel 25 tot 30 meter lang. Ook werden wel binnenvaarders omgebouwd tot jacht. Een bekend schip is de 'Lichtstraal', in 1892 bij Wed. Duivendijk gebouwd en in 1917 tot jacht verbouwd. Deze jachten hadden vaak sierlijke lijnen, uiteraard geen luikenkap maar houten dekken en grote ruime dekhuizen. Ze bleven uitgerust met zwaarden vanwege het platte vlak.

