Spring naar inhoud

Toegankelijkheidsopties:

Scheepstype: Pluut

Inleiding

Laatst gebouwde visserman-pluut ZS3

De Pluut is een vissersvaartuig dat verwant is aan de Schokker. De pluut is echter kleiner en smaller, heeft wat minder zeeg en vertoont een naar buiten vallend boeisel op het voorschip. Ze mist bovendien de karakteristieke kromme beretanden van de schokkerachtigen. Ze werden gezeild met gaffel(groot)zeil en vissermanfok, eventueel aangevuld met kluiver en aap. De mast was niet van zijstagen voorzien en kon niet worden gestreken middels een contragewicht aan de voet van de mast (zgn. onverstaagde steekmast). Pluten visten vroeger voornamelijk in het zuidoostelijke deel van IJsselmeer.
De kleine pluut mat circa 10 bij 3 meter was wat spits in voor en achterschip, had een voordek tot aan de mast, afgesloten door een stevige waterbalk en bezat een bun. Ze werden voornamelijk gebruikt bij het vissen met het staand want (zgn. drijfnetvisserij). De grote pluut mat ongeveer 12 bij 3,5 meter. Ze had onder het voordek een vooronder en was eveneens voorzien van een bun. Men viste zowel met staand want als met de dwarskuil.

De Tijdlijn van de Pluut

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Typebeschrijving Pluut

  1. Geschiedenis van de Pluut
  2. Beschrijving van de Pluut
  3. Tuigage

Kenmerken van de Pluut

  1. De Pluut als werkschip
  2. De Pluut als jacht
  3. Algemene kenmerken
  4. Kenmerkende verhoudingen
  5. Verklaring in tekening

Publicaties over de Pluut in het Stamboekarchief

Tagrijn 2001 nummer 2 - Roelof Oost over de Pluut

R. (Roelof) T. Oost zou samen met zijn broer Lou de werf van vader Johan Oost overnemen, maar door de afsluiting van de Zuiderzee en de economische crisis was er onvoldoende emplooi. Roelof Oost werd scheepsbouwkundige bij de marine. Hij schreef het verhaal "De Pluut", gedateerd op december 1962 (Scheveningen), wat in 2001 in de "Tagrijn" werd gepubliceerd:

De pluut geldt als één van de minder bekende visserijschepen van de Zuiderzee. Die relatieve onbekendheid zal ongetwijfeld te maken hebben met het vrij geringe aantal pluten dat gebouwd is én met het beperkte vaargebied van dit scheepstype. Pluten vond men vooral in Harderwijk en Elburg, maar ook wel te Spakenburg. De pluut was dan ook speciaal voor dit Zuid-Oostelijke ondiepe deel van de Zuiderzee gebouwd. Wie door de formulieren van aangifte van de Harderwijker vissersvloot bladert, ziet dat de pluut aldaar allesbehalve een zeldzaamheid was. Enkele tientallen keren komen we vanaf begin van de 20e eeuw een pluut onder een HK-nummer tegen. In die visserijregistraties zien we ook dat de woorden 'pluut' en 'pluit' door elkaar gebruikt werden. De veelgehoorde verklaring is dat de registrerende ambtenaar dacht dat pluut platte uitspraak was en 'dus' pluit het goede woord moest zijn. De afmetingen van de Harderwieker pluten varieerden van ruim 6 tot 11 meter. Vooral bij de kleinere 'pluutjes' is het oppassen geblazen: niet altijd valt met zekerheid te zeggen of het om bons-, pluut-, punter- of gewoon schuitachtige modellen gaat. Vroeger was dat ook niet belangrijk: als-ie maar viste.In het bekende standaardwerk 'Ronde en platbodemjachten' wordt door de schrijver Huitema ook de nodige informatie over het scheepstype pluut verschaft. Zijn belangrijkste zegsman daarbij is de Harderwijker werfbaas Oost, die hij omstreeks 1960 sprak. Op de werf van Oost, en zijn voorganger Van Kuikhoven, zijn naar schatting in de loop der tijd ruim 10 pluten van divers formaat gebouwd. De laatste dateerde uit 1946. Huitema noemt het de 'Z53', maar hier heeft het zet- of schrijfduiveltje toegeslagen. Het desbetreffende pluutje is de huidige 'ZS3'. In 1946 werd het scheepje gebouwd als 'HK116' voor rekening van Peter Bruinink. Diens vorige schip, een botter, was op 11 oktober 1944 bij een geallieerd bombardement op de haven van Harderwijk vernield.
'Ronde en platbodemjachten' bevat voorts een aantal prachtige bouwtekeningen van de pluut 'VD23' en een gedetailleerd overzicht van afmetingen en materiaal van het betreffende schip. De 'VD23' (l.o.s. 9,44 m) werd in 1919 op de werf van Johan Oost gebouwd voor schipper P. Laan te Edam. De tekeningen (ik citeer Huitema) zijn vervaardigd door een zoon van de scheepsbouwer, de heer R.T. Oost, die daaraan enige belangwekkende mededelingen over de bouw van pluten in het algemeen toevoegde. Wie dan vervolgens vol verwachting de bladzijde omslaat op zoek naar deze belangwekkende opmerkingen vindt ze niet.
Soms echter redt het toeval. Robert Oosterhof kreeg in Harderwijk een geschrift aangereikt van 7 getypte kantjes met nog enkele tabellen en de tekeningen van de 'VD23' toegevoegd.

De pluut heette het, R.T. Oost was de auteur, het verhaal was gedateerd op december 1962 (Scheveningen)

R. (Roelof) T. Oost zou samen met zijn broer Lou de werf van vader Johan overnemen, maar door de afslui¬ting en de economische crisis was er onvoldoende emplooi. Roelof Oost werd scheepsbouwkundige bij de marine. Het verhaal van Roelof Oost kan beschouwd worden als één van de basisbronnen van 'Rond- en platbodemjachten'. Huitema heeft er wel het nodige aan ontleend, maar ook veel buiten beschouwing gelaten. De essentie van het verhaal van Oost is een beschrijving van het type pluut. Nadat hij kort de meest bekende scheepstypen van de Zuiderzee (botter, bol, schokker, bons, jol, schouw) had genoemd en gecategoriseerd gaat hij over tot zijn hoofdonderwerp: de pluut.

Hij schrijft:
Tussen al de genoemde scheepstypen was de pluut een betrekkelijk klein, zelfstandig vissersvaartuig, slank van vorm, vlotgaand en speciaal gebouwd voor het ondiepe Zuidelijk deel van de voormalige Zuiderzee. Dit beperkte vaargebied bracht mee dat de pluut weinig varieerde in afmetingen en inrichting. De kleinste pluut had een lengte van ± 9 meter, de grootste van ± 11 meter, over de stevens gemeten.
De voornaamste kenmerken van de pluut, klein of groot, zijn, dat het een houten vissersvaartuig met zeilvermogen is en:

  1. behoort tot de platbodemvaartuigen;
  2. rechte vallende stevens heeft;
  3. een geknikt grootspant heeft;
  4. karveel gebouwd is;
  5. half overdekt is;
  6. een visbun in open verbinding met het buitenwater heeft;
  7. zijzwaarden heeft;
  8. bottergetuigd is met brede fok.

De vrijwel vlakke bodem (het vlak), waarvan het voorgedeelte enigszins en het achtergedeelte wat sterker oploopt, zodat hieronder een scheg kan worden aangebracht, is ook naar de zijden een weinig getild (stapeling). Hierdoor kan binnenkomend regen-, buis- of lekwater altijd naar de hoosgaten aflopen. De pluut heeft geen kiel, maar een brede kielgang van gelijke dikte als de verdere vlakgangen.