Scheepstype: Punter
Inleiding
De Giethoornse punter - van oudsher in Giethoorn en omliggende binnenwateren in groten getale gebruikt - heeft een lengte over de stevens van 6.30 meter en een breedte van 1.45 meter. Het vlak meet 5.10 bij 1 meter en heeft een 'stapeling' van 13 cm. De boeisels zijn 12 cm hoog en vallen nauwelijks naar binnen; dit om de laadruimte van het schip zoveel mogelijk te benutten. Met het oog hierop is de mastdoft nogal voorlijk geplaatst.
De voorlijke positie van de mastdoft brengt met zich mee dat een Giethoornse punter geen fok voert, alleen een sprietzeil zonder giek, bevestigd aan een steekmast. Het zeil is opgehangen aan een om de mast draaiend hoepeltje. De Beulakermeerpunter is een wat stoerdere Gieterse punter in jachtuitvoering. Vaak werden punters naar hun functie aangeduid: termen als zegenpunter, kaarpunter en dekenpunter duiken herhaaldelijk op in werfboeken.
Voor echt ruw water is de Giethoornse punter wegens zijn lage boeisel ongeschikt. Daarvoor werd de Zeepunter gebouwd, die dient voor de visserij. Er worden dan mindere eisen gesteld aan het laadvermogen, maar hogere aan zeewaardigheid en zeileigenschappen.
De Tijdlijn van de Punter
Noordzeegermanen beïnvloeden de scheepsbouw aan beide zijden van het kanaal
+/-300 - +/-800
Men vermoedt dat uit hun midden de bouw van tweepunters is voortgekomen.
Nicolaas Wikart tekent tweepunters in de Doorslag bij Jutphaas en de Lopikerwetering.
+/-1800
De Huismannen aan de Zandbelt bouwen hun eerste achtspantpunter
1869
Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925
1924-1925
Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Wolter Huisman aan de Ronduite bouwt de laatste zeepunter voor een visser in Grafhorst
1942
Garriet Vos bouwt diens eerste zeepunter, de WU2, voor Wilsum.
Europese subsidieregeling voor kopers van nieuw te bouwen "originele" punters
2006
Type beschrijving Punter
- Geschiedenis van de Punter
- Beschrijving van de Punter
- Tuigage
Kenmerken van de Punter
- De Punter als werkschip
- De Punter als jacht
- Algemene kenmerken
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
- Subtypen, specifieke kenmerken
Publicaties over de Punter in het Stamboekarchief

Waterkampioen juni 1965 nr1152 - Punters en punters
Wie punter zegt doet denken aan Giethoorn en verwonderlijk is dat niet, want dit dorp is lang niet zonder reden beroemd geworden om de uitzonderlijke rol, die de punters daar in het verkeer spelen. Minder bekend is het, dat Giethoorn maar een fractie is van een veel groter moerasgebied, waar de punter tot voor kort het enig bruikbare vervoermiddel was. In de hele voormalige veenstreek tussen Zwartsluis en Ossenzijl, waar nog een tiental gehuchten liggen, bestonden tot de vijftiger jaren nagenoeg geen wegen, voor 1930 zelfs geen fietspaden. Daar overal moesten de punter en zijn varianten voor al het vervoer zorgen.
Ook deze omstandigheid heeft bijgedragen tot de grote verspreiding van de Gieterse punter en de verbreiding van zijn reputatie. Geen wonder ook, dat Giethoorn en punter bijna synoniem zijn geworden en dat haast niemand schijnt te weten, dat er nog allerlei andere soorten punters bestaan. Maar, behalve dat het bijvoeglijk naamwoord van Giethoorn niet is „Giethoorns", maar „Gieters", de Zwarte Beer was geen Gieterse punter, maar een zeepunter. Dit is een ander type, dat op verschillende punten sterk afwijkt van het Gieterse dat dit niet zo opviel is misschien ook daaraan te wijten, dat de Zwarte Beer behoorde tot de kaarpunters, een ondersoort, dat de karakteristieke eigenschappen minder geprononceerd vertoont.
Laat ik mij nader verklaren: de zee-punters vormen - zoals de naam al doet vermoeden - een type vaartuig, dat op de voormalige Zuiderzee voorkwam (en op de resten daarvan nog wel voorkomt). Men zag ze vooral in de Overijsselse kustplaatsen, maar ook wel in Elburg en Harderwijk en op Urk en Schokland
De Punter in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

Gait L. Berk schrijft in het hoofdstuk Punter en Grundel:
Punters zijn sierlijke, slanke scheepjes, die voor en achter scherp op steven zijn gebouwd; de voor¬steven is iets langer dan de achtersteven en valt ook iets meer. Deze stevens zijn opgericht op een lancetvormig vlak, dat in de lengte flauw is doorgebogen. Het vlak bestaat uit twee lagen, te weten drie langsscheeps gelegde lasloze delen en een groot aantal daar dwars overheen bevestigde 'klampen'. Voor beide lagen wordt duimsdik eikehout gebruikt, terwijl de onderlinge verbinding wordt bewerkstelligd door grenehouten pennen. Ter versterking van het dwarsverband is de beklamping onderbroken door een aantal zwaardere leggers, waartegen de 'tenen' van de spanten komen te rusten.

Een belangrijk en karakteristiek kenmerk van een punter is, dat de scheepswand wordt vervaardigd uit één enkele boombrede, duimseiken plank. Deze slechts met veel ervaring te hanteren planken worden boven het vuur in de vereiste vorm gebogen en vervolgens provisorisch tegen vlak en stevens aangebracht. Pas daarna worden de spanten, hier 'korven' geheten, geplaatst. Aan de 'korven' worden tevens boeisels bevestigd, die even voor de stevens op 'lofwerk' uitlopen; berghouten ontbreken.
Het schip heeft voor en achter korte plechten, een achterbankje en een zware mastdoft. De zwaarden hebben geen sleepijzers, doch het beslag zorgt op een decoratieve manier zowel voor versterking als voor verzwaring. Het typisch gevormde roer met lange helmstok lijkt enigszins op dat van de schokker; het schip zelf doet in profiel enigszins aan een hoogaars denken.
De Giethoornse punter - van oudsher in Giethoorn en omliggende binnenwateren in groten getale gebruikt - heeft een lengte over de stevens van 6.30 meter en een breedte van 1.45 meter. Het vlak meet 5.10 bij 1 meter en heeft een 'stapeling' van 13 cm. De boeisels zijn 12 cm hoog en vallen nauwelijks naar binnen; dit om de laadruimte van het schip zoveel mogelijk te benutten. Met het oog hierop is de mastdoft nogal voorlijk geplaatst.
De voorlijke positie van de mastdoft brengt met zich mee dat een Giethoornse punter geen fok voert, alleen een sprietzeil zonder giek, bevestigd aan een steekmast. Het zeil is opgehangen aan een om de mast draaiend hoepeltje. De Beulakermeerpunter is een wat stoerdere Gieterse punter in jachtuitvoering.
Voor echt ruw water is de Giethoornse punter wegens zijn lage boeisel ongeschikt. Dit bezwaar is er niet bij de Overijsselse punter, in de wandeling `zeepunter' genoemd. Het zijn de scheepjes die vroeger aan de oostwal van Zuiderzee voor de visserij werden gebruikt, zowel langs de kust als in de monden van IJssel en Zwartewater. Deze punters hebben hoger oplopende stevens en forsere boeisels, die sterker naar binnen vallen. Ook zijn de zwaarden meer langwerpig van vorm, terwijl de mast achterlijker is geplaatst. Zeepunters voeren dan ook een brede fok, bij hun sprietzeil, dat meestal van een giek is voorzien. Zo toegerust zijn het snelle en relatief zeewaardige zeilers.
De voornaamste vertegenwoordiger van deze soort is de Grote of Dekenpunter. Deze heeft een lengte van 7 meter en een breedte van 1.65 meter; het vlak, weinig groter dan dat van de Giethoornse punter, heeft een stapeling van 18 cm. De boeisels zijn 30 à 40 cm hoog. Het schip is voorzien van een visbun. Men beoefende met deze punters allerlei vormen van visserij, de schepen werden doorgaans geroeid: de ene visser zat op de mastdoft aan de riemen, terwijl zijn maat achter de bun het vistuig behandelde.
Een enkele maal werden de netten zeilend uitgevierd of gesleept, maar meestal werden de zeilen alleen gebruikt om van en naar de visgronden te varen. Men had deze Grote punters vooral in Genemuiden en Zwartsluis, maar ook in Kampen, Vollenhove en Blokzijl, terwijl ze in Elburg en Harderwijk als ook op Urk en Schokland geen onbekende verschijningen waren.
Varianten van de Grote punter zijn de Grafhorster van 6.50 meter en de Kamper van 5.60 meter. Zeer grote punters kwamen vroeger voor in het thans van wijd water beroofde Kuinre. De Kuunder punters hadden een lengte van een meter of acht en ze waren buitengewoon zeewaardig. Deze en andere zeepunters werden veelal gebouwd door Huisman te Ronduite tussen de grote wieden. Uit deze punters hebben zich mogelijkerwijs de pluut, bons en schokker ontwikkeld.
Er zijn in Giethoorn twee werven over waar regelmatig en op originele wijze punters als jacht worden gebouwd, al hebben zij voor recreatieve doeleinden enkele kleine wijzigingen ondergaan. De Grote punters heten nu IJsselmeerpunters; hierbij is de bun weggelaten, terwijl de hierdoor verminderde stabiliteit dan wordt gecompenseerd door verbreding van het vlak. Dit komt de ruimte aan boord zeer ten goede.
Het boek "De Punter" van Gait L. Berk (1984)

Gait Berk is geen onbekende in de wereld van de Klassieke zeilvaart als auteur. Hij heeft ook een boek over de oer-Nederlandse punter geschreven:
Al jarenlang heb ik over punters bericht in diverse kranten en tijdschriften; ik heb er zelfs een zekere - niet geheel onverdachte - reputatie mee verworven. (Telkens was er sprake van een 'Nationaal Punterwezen', dat echter niet meer dan een pots was, een ludieke kreet waarmee de betreffende artikelen werden verluchtigd.) Mijn belangstelling voor punters is al veel ouder dan mijn schrijverij; sinds ik in mijn zesde levensjaar voor het eerst alleen in een punter mocht spelevaren, heb ik van deze scheepjes gehouden. En ik ben er ook mee blijven varen, tot op de huidige dag.

Het zal menigeen verwonderen dat iemand zo lang door een bepaald scheepstype geboeid kan blijven, en dan nog wel een uit een categorie die doorgaans enigszins smalend betiteld wordt als 'boerenbootjes'. Maar die boerenbootjes zijn juist heel interessant. Ze lijken wel grof of zelfs primitief, maar dat komt doordat ze stammen uit een periode waarin stroomlijn en gladdakkerij nog niet bestonden. Ze zijn in overoude tijden ontwikkeld voor een bepaald doel; ze zijn functioneel en in principe wars van overbodigheden. De mens moest varen, ook al in de 'oertijd', dat wil zeggen hij zal zich vaak drijvende hebben moeten houden bij overstromingen of bij het oversteken van wateren. Het zal niet moeilijk geweest zijn om het drijfvermogen van bomen te ontdekken. En uitgaande van boomstammen kun je komen tot vaartuigen als vlot en boomstamkano. Uit die oervormen werden gaandeweg bootjes ontwikkeld die dan - moeten we aannemen - op een zeker moment voldoende aan hun doel beantwoordden om de ontwikkeling te doen stokken. De bereikte vorm werd dan langzamer, maar zeker niet volgens een geheel statische traditie tot een bepaalde perfectie gevoerd. In die vorm zijn de bootjes ons vaak overgeleverd.
Wat is een punter
Het lijkt me echter verstandig eerst een duidelijk onderscheid te maken tussen de punterachtigen en de echte of zuivere punters, die toch het eigenlijke onderwerp van deze verhandeling vormen. Dit kun je natuurlijk niet doen zonder aan te geven wat je dan onder een echte of zuivere punter wilt of kunt verstaan.
Definitie: Een punter is een tamelijk slank (lengte : breedte = ± 4,2 : ) knikspantvaartuig tot ruim 8 meter lang, met rechte, vallende stevens op een meestal dubbel, lancetvormig vlak, waarmee de zijden - meestal één brede gang - een vrij scherpe kim vormen en waarbij de boeisels licht invallen of verticaal staan.
(Geformuleerd door N. van den Sichtenhorst, werkgroep Historische Scheepsbouw van de IJsselakademie te Kampen)
Gezinsleden
Met de beschrijving van de verschillende soorten punters waren we nog lang niet aan het eind van de mogelijkheden. Ten eerste was deze beschrijving onvolledig. Je had bijvoorbeeld nog Beulakermeerpunters, die wat schuiner vallende zijden en iets hogere boeisels hadden dan Gieterse punters en als geheel ook iets forser waren; en dan de kleine jagerspuntertjes, waarmee jagers zich gemakkelijk konden verschuilen tussen de biezen of iets dergelijks. Als ze dan nog niet genoeg gecamoufleerd waren konden ze een schermpje van riet of duilen steken tussen de boordrand en een smalle wegering, die tegen de binnenkant van de korven was gespijkerd. Zo waren er nog wel meer punters voor speciale doeleinden.
Ten tweede moet er nogmaals op gewezen worden dat de punters deel uitmaken van een bepaalde familie. Het is uit het voorgaande hopelijk duidelijk geworden dat Punters gebouwd worden volgens een bepaald systeem, dat ook voor andere scheepstypen wordt toegepast. Zo krijg je dus verwante vormen, waarvan we er al verscheidene hebben genoemd. Het zou te ver voeren die allemaal te bespreken, maar we zouden onvolledig zijn als we niet die vertegenwoordigers van het systeem zouden behandelen die in de Noordwesthoek van Overijssel met de punters een vaste groep vormen, een soort gezin met grote en kleine leden. De groep vaartuigen die een bewoner van de Noordwesthoek tot zijn beschikking heeft, vat hij samen onder de noemer 'gevaar'.
Punters zijn geweldige scheepjes, geschikt voor allerlei wateren en voor allerlei doeleinden, maar ze zijn nu eenmaal niet overal even geschikt voor. Voor sommige toepassingen zijn ze aan de zware kant en voor andere zijn ze gewoonweg te klein. Daarom heeft er een soort functiespreiding plaatsgevonden tussen een aantal met elkaar verwante vaartuigen of liever, bepaalde noodzaken hebben geleid tot bepaalde aanpassingen in de scheepsvormen.
Op basis van hetzelfde systeem ontstonden een aantal verschillend geaarde vaartuigen van uiteenlopende grootte en zwaarte. Derhalve ontstond voor licht vervoer het ranke bootien, dat kleiner is dan een punter, en voor vrachtvervoer het vlot (ook wel vlot), dat aanmerkelijk groter is. Voor echte zware lasten is er dan nog de forse bok.
Een dergelijke functieverdeling tussen boten van verschillende maten zien we eigenlijk bij alle volkeren die te maken hebben met transport te water.
Verschillende soorten punters: in soorten en maten
In het begin van dit boekje is er al op gewezen dat er verschillende soorten punters bestaan; er zijn verschillen in model en in grootte, een en ander afhankelijk van plaatselijke gewoonten en omstandigheden. Voordat we op de karakteristieken van de diverse puntersoorten nader ingaan, zullen we eerst even afspreken dat we hierin alleen de echte punters, c.q. de modellen die ook punter genoemd worden, zullen betrekken. Naar de scheepstypen die met punters vergeleken kunnen worden, zal ik hoogstens af en toe verwijzen, anders wordt het geheel te onoverzichtelijk, terwijl het al ingewikkeld genoeg is. (N.B. 'Afspreken' is tegenwoordig de gangbare term wanneer iets eenzijdig wordt vastgesteld.) Om te beginnen hadden we de punters uit de Noordwesthoek van Overijssel genoemd, de streek met het labyrint van waterwegen en waterpleinen, waarvan Giethoorn min of meer de hoofdplaats is. Dit waterdorp behoort tot de oudste woonkernen in dit gebied, en van hieruit hebben zich veel van de ontginningen en verveningen uitgebreid die tot het ontstaan van grachten en wieden hebben geleid. Giethoorn is dan ook tot op de huidige dag het centrum van de punterbouw gebleven, hoewel de scheepjes vroeger ook wel elders werden gebouwd (waarover straks meer).
In de eerste decennia van deze eeuw waren er wel twintig puntermakerijen, maar de meeste daarvan werden gedreven door kleine boeren en middenstanders, als bijvoorbeeld een herbergier, ter wille van de neveninkomsten.
De punters die hier werden gebouwd waren - uiteraard - Giethoornse punters, maar hiervan bestaan nog weer meerdere varianten. In Giethoorn zelf spreekt men van 'boerenpunters', wanneer men althans het gangbare model bedoelt en niet een exemplaar dat voor een speciaal doel is gebouwd. Deze scheepjes werden echter zeker niet alleen door boeren gebruikt. Arbeiders die in het veld werkten en daar riet of biezen sneden, ofwel in de turfmakerij werkzaam waren, gebruikten de boerenpunter evengoed. Ze konden dan tevens een kleine lading van het gewonnene in de punter meenemen; ook kleinvee werd wel per punter vervoerd. Winkeliers brachten punterend hun waren rond en ook huismoeders die met spinnewiel en al een dagje op visite gingen, deden dat per punter. Met het oog op al deze toepassingen is de Giethoornse punter zo gebouwd dat hij een wijde en open indruk maakt, ondanks het feit dat er qua lengte-breedteverhouding sprake is van een tamelijk langgerekt en slank scheepje. Een Giethoornse punter heeft een lengte over de stevens van maximaal 6,30 meter bij een grootste breedte van 1,45 meter. De holte is in de midscheeps 50 centimeter.
Zeepunters
Langs het Overijsselse deel van de IJsselmeerkust en in de aangrenzende streken, met name in Elburg en Kuinre, had men vroeger zogenoemde zeepunters. Dit waren scheepjes voor de visserij in de kustwateren en de riviermonden, en deze andere functie bracht ook een heel andere karakteristiek met zich mee dan die we van de Giethoornse punters kennen. Bij een vissersschip moet meer op zeewaardigheid dan op laadvermogen worden gelet, en de aanpassingen die een zeepunter heeft ondergaan zijn het logisch gevolg van dit vereiste. De meest kenmerkende vertegenwoordiger van de zeepunter is de grote punter, ook wel dekenpunter genoemd. Deze heeft een lengte van 7 meter, een grootste breedte van 1,65 meter en een holte van 80 centimeter.
De zeepunter is uitgerust met een visbun, die precies zo geconstrueerd is als bij een botter: twee dwarsscheepse schotten verbonden met een deken en daarop een trog. De deken ligt bij een ongeladen schip net iets boven de waterlijn, maar wanneer vissers en netten aan boord zijn, vallen ze ongeveer samen. De bun zit precies in de midscheeps, daar waar de welving van de bodem het diepst is; de stapeling bedraagt bij een dekenpunter 7 duim (bijna 18 cm) tegen bij een Gieterse 5,25 duim. Op de deken zitten knieën, een soort dekenpootjes. De schotten en de deken zijn doorgaans dikker dan duims, respectievelijk 2 en 1,5 duims.
De mastdoft zit achterlijker dan bij een Giethoornse punter, en klos-met-mastgat, die tegen het voorschot is gebout - dus bun, doft en roeibank in één (en veel ruimte in het achterend). De Kamper is dan ook een compact puntertje; hij heeft maar zeven korven (`zeuvenspanter', zegt de puntermaker) en de lengte is 5,90 meter bij een breedte van 1,45 meter en een holte van 0,55 meter. Het scheepje vertoont in zijn gedrongenheid veel overeenkomst met de Aalsmeerse punter.
Gieters gevaer van botie tot bok - Sporen van een puntercultuur 2007

Stichting Het Punterwezen
Indien het juist is dat uit de schouwvorm andere typen zijn ontstaan, dan zijn er ten minste drie ontwikkelingen denkbaar in de richting van tweepunters.
- Van schouw via breedstevenpraam (met stevens naar het vlak toe breder uitlopend, zoals in Woerden, Vinkeveen en Westbroek) naar breedstevenpraam (met stevens overal even breed, zoals in Aalsmeer) en vandaar naar de smalsteventweepunter (bijvoorbeeld punter, vlot en bok uit de Kop van Overijssel of escute en bacove uit St.-Omer in het Noord-Franse departement Pas-de-Calais).
- Van schouw via eenpunter met achterheve (zoals bijvoorbeeld weergegeven door Avercamp) naar tweepunters.
- Van schouw via eenpunter met spiegel (zoals de pramen van Falsterbo in Zuid-Zweden die als lichters dienden, of spiegelpramen in Waterland) naar tweepunters.

Echter, jaartallen zijn niet te geven, niets kan worden bewezen en veel meer theorieën zijn mogelijk. In elk geval hebben deze (imaginaire?) ontwikkelingsmodellen het schouwwezen kennelijk nauwelijks aangetast: de overvloed en grote verscheidenheid aan schouwen maakt tweepunters tot een relatief zeldzaam kroosvaartverschijnsel.
Een tweepunter is een vaartuig met meer of minder sterk vallende rechte stevens en meer of minder sterk vallende zijden op een meestal lancetvormig vlak.
Deze grove omschrijving doet geen recht aan detailverschillen tussen de vele typen boerenvaartuigen die onder deze noemer zijn te vatten, al zijn de essenties vermoedelijk wel weergegeven.
Onder meer Aalsmeerse punters en een aantal kleinere puntertypen uit Noord-Holland vallen onder het tweepuntertype. Gieterse punters, vlotten en bokken en Hollands-Utrechtse pramen en bokken behoren eveneens tot de tweepunterfamilie, ook al hebben enkele typen soms meergangszijden. Een aardig voorbeeld van dit laatste verschijnsel zijn de punten. Daarvan was sprake op het Bergsche Veld oftewel in de Biesbosch van de 16e t/m de 19e eeuw (Verhagen, Van der Esch en In 't Veld, > 1970). Omstreeks 1900 moeten deze punten 7 m lang en 2 m breed zijn geweest (L : B = 3,5 : 1). Punten hadden leggers, krommers en 3 overnaadse huidgangen van eiken dat 7 jaar was gewaterd, waardoor verlies aan zuren optrad, wat tot vermindering van aantasting van ijzerbeslag leidde. Net als in Giethoorn was het grenen vlak gestapeld: ter plaatse sprak men van "gelicht". De buikdenning ("buideling") was van vuren. De bovenste gang was aan de stevens bevestigd. De buitenstevenhoek vóór bedroeg ongeveer 60°; achter ongeveer 80°. In het voorschip bevond zich een kooi onder een huik op dezelfde wijze als bij zalmschouwen. Zij voerden een sprietzeil. Van opzij deden ze, vanwege hun steile stevens, denken aan tweepunters zoals ze o.m. door Aert van der Neer (± 1640).
Vaak werden punters naar hun functie aangeduid: termen als zegenpunter, kaarpunter en dekenpunter duiken herhaaldelijk op in werfboeken, maar ook waren zij bij vissers veel gebruikelijker dan de hoofdstukaanduidingen (van BOTIE t/m BOK) in dit geschrift. Met het puntertype als zodanig hebben deze vetgedrukte termen weinig van doen. Vooral ten tijde van de recreatiepuntermakerij zijn functiebenamingen wat uit de mode geraakt en deden typebenamingen hun intrede. Wie met punters zijn brood verdiende maakte zich over het puntertype niet druk. Wellicht zelfs was hij zich daarvan totaal niet bewust, al wist hij precies aan welke eisen zijn vaartuig moest voldoen. De Huismannen gaven die details vaak summier weer: vlak een duim breder dan gewoon; boeisel net zo hoog als van die en die, enz. Ieder die zich theoretisch met punters bezig houdt dient zich voortdurend van deze mogelijkheden tot begripsverwarring bewust te zijn: historische punteristiek is een serieuze en delicate tak van wetenschap. Voorts zij in dit kader verwezen naar een opmerking in § 20.2 naar aanleiding van tekeningen door M. Kaak (1988) van boerenschuiten bij St.-Omer.
Punters werden dus vóór de recreatieperiode naar functie aangeduid. In onderhavig verhaal is echter de moderne type-aanduiding steeds uitgangspunt naar het verleden geweest. Dat gebeurde uit overwegingen van gemakzucht: huidige bekende typen leven nu eenmaal meer dan de minipunter van Jan Spikkers in 1807, en uitgaan van het bekende is een beproefd middel tot kennisvergaring. Er is anderzijds veel voor te zeggen alvast enige uitdrukkingen uit een nog recentelijk verleden te verklaren, temeer daar die in lijsten, ontleend aan werfboeken, regelmatig boven water komen.
De modale punter uit Giethoorn rond het jaar 2000
Geen punter was en is aan de andere gelijk. Klandizie en puntermaker bepalen de uiteindelijke vorm. Bovendien kunnen thans Gieterse punters van Wildeboer en Schreur van elkaar worden onderscheiden. Maar in het algemeen kan wat duidelijker onderscheid worden gemaakt tussen punters uit Giethoorn en uit Kalenberg, of misschien liever: bestemd voor Kalenberg. De Gieterse punter is al lang de meest vermaarde Nederlandse tweepunter, getuige Bos (1904, p. 58, hiervoor geciteerd; eens waren punters aardrijkskundig onderwerp, zij het in uiterst bescheiden mate).
Op een lengte van ongeveer 6,40 m bedraagt de breedte rond 1,40 m, wat een lengte-breedteverhouding geeft van ruim 4,5 : 1. Deze modale Gieterse punter anno 2000 wordt doorgaans jagend, bomend of punterend, truilend of wegerend en zeilend voortbewogen. Hoewel het voorschip wat voller is dan het slank verlopende achterschip zijn die verschillen toch vrij klein: in smalle grachtjes kan niet altijd op het gewenste moment worden gedraaid en simpel achteruit is dan het eenvoudigst. Bovenvermelde maten waren al gebruikelijk omstreeks 1975, maar er bestonden toen nog boerenpunters die niet verder kwamen dan een meter of zes, wat de maten van Berk (1984) voor jollen of zevenspanters benaderde.

