Scheepstype: Schokker
Inleiding
De schokker is een platbodem vissersschip waarbij, als resultaat van vele studies, mag worden aangenomen dat het scheepstype aan de oostzijde van de Zuiderzee, tussen Kuinre en Elburg, is ontwikkeld. Het zou een doorontwikkeling zijn van de punter. Vandaar de relatief scherpe boeg en het smalle vlak. Verder zijn er drie subtypen te onderscheiden. De kleinste schokkers van circa 10 meter lengte die voor de Oostwal visten. De grotere schokker van 12 tot 16 meter die tussen Enkhuizen en Lemmer en tevens op de Noordzee visten.
Een van de oudste afbeeldingen van de schokker is te vinden op een prent uit 1791 van C. Groenewegen. Het schip had toen nog een spriettuig en een bezaan mast. Het type is veel ouder dan de botter en was ook een stuk goedkoper te bouwen.
Hoewel uit geen enkele bron blijkt dat de schokker op Schokland zou zijn ontstaan, lagen er in 1811 wel 54 visschuiten (schokkers) bij het eiland. Van dat aantal waren er 6 ouder dan 20 jaar, 22 tussen de 10 en 20 jaar oud en 26 waren er jonger dan 10 jaar. Het was dus geen aftandse vloot. Op de website De schokkers van Schokland (1811-1886) vertelt Dr. A.P.E. Korver uitgebreid over zijn onderzoek naar de ontwikkeling van de visserij op Schokland in de eerste helft 19e eeuw. Daarbij stuitte hij in het gemeentearchief van Kampen op een aantal mappen met interessante documenten, die een schat aan gegevens bevatten over vissers en vissersschepen van Schokland in 1811.
In verschillende vissersplaatsen, maakten Schokkers, groot en klein, onderdeel uit van de vloot
Jan Braaksma, auteur van het boek 'De verdwenen schepen van de Dongeradelen' voegt hieraan het volgende toe:
Urker schokkers waren grote zeegaande schepen met een lengte van max. 15/16 m. De naam ‘Schokker’ werd niet veel gebruikt; men noemde deze schepen Urker schuiten (skute of Kúnder skute). Deze grote Schokkers, dus ook de Urker schepen, werden gebouwd in Kuinre, Blokzijl en Kampen.
Kuinre
In Kuinre waren vroeger drie scheepswerven. Twee van de werven waren in eigendom bij Fledderus en lagen bij de sluis. Er werden in Kuinre alleen maar grote Schokkers gebouwd voor de visserij op de Noordzee, ze waren alle bestemd voor de Urker vissers. De laatste Schokker is hier gebouwd in 1883, ook voor Urk (volgens Boonenburg moet dit de UK110 zijn geweest, die momenteel in het Zuiderzee museum ligt). In Kuinre werden ook de Aken voor de Dongeradelen gebouwd. Volgens onze zegsman waren deze Aken iets langer dan de gewone Schokkers (15/17 meter), ze hadden twee masten. Het ligt voor de hand dat de vissers uit de Dongeradelen voor Kuinre hebben gekozen om hun schepen daar te laten bouwen. Kuinre lag op de taalgrens van het Fries en het Saksisch. Zuidelijk van Kuinre kreeg het Saksisch de overhand maar in Kuinre werd nog Fries gesproken. De laatste Aak werd in Kuinre rond 1875 gebouwd.
Blokzijl
Er waren drie werven in Blokzijl. De laatste werf was van H. Snoek en die sloot rond 1940. De andere twee werven waren van de gebroeders Willigenkamp en P. Snoek. Ze waren gelegen aan de landzijde van het dorp. Ze bouwden Punters en pramen voor de boeren en bouwden Schokkers (grote en kleinere van rond 10 meter) voor de vissers (later Botters). De grotere Schokkers werden voor rekening van Urker vissers gebouwd en waren rond de 15 meter. Ze werden ‘Urker schuiten’ genoemd zoals ook in Kuinre het geval was. De kleinere schuiten of Schokkers (Bonzen) gingen naar Vollenhove. Deze schepen waren rond de 10 meter en de laatste liep rond 1910 van de helling.
Kampen
De werven van Schepman en van Van Goor waren te vinden in Kampen. Ze bouwden zware grote schepen die diep staken. De Schokkers van Schepman bleken uitstekende (vlotte en vlugge) zeilers te zijn. Het meest werden er kleinere Schokkers gebouwd maar later ook wel de grotere. Naast Schokkers bouwde men hier ook Pluten. Ook hier werden ze ‘schuiten’ genoemd.
De Tijdlijn van de Schokker
Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925
1924-1925
Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Typebeschrijving Schokker
1. Geschiedenis van de Schokker
Opvallend was dat de grote schokkers voor de visserij op de Noordzee, vooral op de drie werven in Kuinre werden gebouwd. Opdrachtgevers waren vooral de Urker vissers. De laatste schokker die hier in 1883 werd gebouwd, moet bijna zeker de UK 110 zijn geweest, die Willem de Vries Lentsch jr. nog heeft opgemeten en in tekening vastgelegd.
In Blokzijl waren tot 1940 nog drie werven. Er werden vooral punters en pramen gebouwd, later ook botters en zowel grote als kleinere schokkers van rond de 10 meter. De kleinere schepen, bonzen genaamd, gingen naar Vollenhove. Deze laatsten werden tot 1910 in Blokzijl gebouwd. In Kampen werden, behalve kleine, ook grote schokkers gebouwd. Het waren over het algemeen snelle zeilers.
Behalve voor de visserij werden grote schokkers op de Noordzee ook wel als loodsschokker en tonnenlegger gebruikt. De marine heeft voor WO I ook vier zware rondspant schokkers laten bouwen als mijnentransportschip ofwel torpedistenschokker, die allemaal nog in de vaart zijn, maar nu als pleziervaartuig. Aan het eind van de 19e eeuw was er veel vraag naar schepen voor de ankerkuilvisserij op de grote rivieren. Veel afgedankte vissersschepen, waaronder schokkers, botters, blazen en aken werden toen omgebouwd voor de ankerkuilvisserij. De schepen lagen het grootste deel van de tijd voor anker op de rivier. Ongeacht het type werden ze aangeduid als waalschokker, terwijl het vaak helemaal geen schokkers waren.
2. Beschrijving van de Schokker
3. Tuigage
Kenmerken van de Schokker
1. De Schokker als werkschip
Bij de schokker zien we een rechte, of bijna rechte, flink vallende voorsteven en een rechte, vallende achtersteven. Het boeisel houdt net voor de voorsteven op en verloopt dan in een neerwaartse bocht tot het berghout. Vaak is die bocht afgewerkt met een fraaie beretand. Aan stuurboordzijde van het bovenste deel van een voorsteven is een dubbeling - een soort van schijnsteven - aangebracht, die beer, snoes of snars wordt genoemd. Tussen de steven en de snoes draait een forse schijf om een as, waarover de ankertros of -ketting kan lopen. De as diende vaak ook als bout voor de ring van de kluiverboom aan de andere zijde van de steven. Schokkers hebben een fraaie zeeg, waarbij het boeisel midscheeps is verhoogd met een vast zetboord. Het vlak van de schokker is smal en lancetvormig en loopt voor heel weinig en achter iets op. De spantdoorsnede vertoont een ronde spantvorm boven het vlak, tot aan het berghout. Het achterschip was vaak gepiekt. Het vlak van de vissersschepen was zwaar gebouwd met zware liggers, zodat het schip, bij eventueel stoten op de ondiepten aan de lagerwal en op de Wadden bij het aan de grond lopen, niet beschadigde. De grootste breedte lag op 1/3 van de voorsteven.
Aanvankelijk werden schokkers ook wel overnaads gebouwd, maar later vooral gladboordig. De vissersschepen hadden een bun, deken en een trog. Voor de mast was het schip gedekt. Bij de grotere schokkers, langer dan 15 meter, was het achter de mast ook wel gedekt, als de schepen op zee voeren. Bij de grotere schokkers zien we een smal roer, waarbij de rug terugloopt, een forse klik en een enigszins gebogen helmhout. Bij de kleinere Vollenhovense schokker (10 à 11 m) loopt de rug van het roer vrijwel altijd recht naar beneden. De zwaarden zijn lang en smal, dat wil zeggen dat de schokker voor open water is gebouwd. De afmetingen van de (jacht)schokkers variëren van 9 meter tot 24 meter. De mast helt iets achterover en er werd een gaffelzeil, stagfok, kluiver en ook wel een broodwinner gevoerd. De schokkers die bij Paesens en Moddergat veel voor anker op de rede lagen, hadden vaak een bezaansmast met een druiltje om het schip op de wind te houden
2. De Schokker als jacht
In 1926 vond P.J.V.M. Sopers nog een in 1856 gebouwde houten schokker met een lengte van 10,75 m. Het was een Vollenhovense schokker en hij liet het schip opmeten voor zijn boek Schepen die verdwijnen. We zien een knikspantvorm en een relatief scherpe intreehoek van de waterlijn. Ir. Herman Vreedenburgh tekende in 1955 zijn 9,84 m schokker Albatros. De basis was de Vollenhovense schokker of -schuit van Sopers. De intreehoek van de waterlijnen is bij hem kleiner, in tegenstelling tot de originele Vollenhovense schokker. Daarom is de snelheid relatief hoog, terwijl de ruimte in het voorschip minder is dan bij een even lange Lemsteraak. Bovendien werd de knikspantvorm vervangen door een ronde spantvorm. De schokker zeilt droger dan de botter en de aak.
Vreedenburgh rekende veel aan het ontwerp van zijn schokker, o.a. aan de stabiliteit, de hydrodynamica van de zeilen en de vorm van de zwaarden. Daarom is deze schokker een zeer goed zeilend scheepje, waarvan er meer dan 90 stuks zijn gebouwd. Van de grotere 10,75 m versie zijn er meerdere tientallen gebouwd. Ook andere ontwerpers tekenden schokkerjachten, zoals Jaap Gipon, Martin Bekebrede, Andre Hoek, Henri Engelaer, Dick Boon, Tjibbe Brinksma, e.a. Er zijn ook enkele zeer grote jachtschokkers gebouwd, van 17 tot zelfs 24 meter lang!
3. Algemene kenmerken
- rechte, vallende steven, rechthoekig in doorsnede
- schijnsteven met ankerrol (snoes) en dreg; kluiverboomring
- invallende boorden boven het berghout
- met een benedenwaartse ronding verlopende beretanden
- rechte vallende achtersteven
- terugkomende rug van het roer
- zwaar berghout, grootste omtrek van het schip
- smal, lancetvormig bodemvlak
- breed uitstaande neerboorden (`geerden')
- geheel glad gebouwd (vroeger ook overnaads)
- veel zware spanten, oplangers en leggers
- achterschip vaak gepiekt gebouwd
- bun, bestaande uit deken en trog
- oplopend voordek
- achterover hellende steekmast
- gaffelzeil, stagfok, kluiver, (broodwinner)
- smalle zwaarden
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
- Subtypen, specifieke kenmerken
Publicaties over de Schokker in het Stamboekarchief
In 1991 is er een overzicht gemaakt van de op dat moment varende schokkers in Nederland
De Schokker in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

Inleiding
Mr Dr T. Huitema schrijft in het hoofdstuk Schokker:
Het stoere, betrouwbare vissersschip, bekend onder de naam schokker, was eens een overbekende verschijning op de Zuiderzee. Schokkers waren 'gebruiksvoorwerpen' in het visserijbedrijf. De visser stak er zijn geld in en vertrouwde zijn leven en dat van zijn knechts aan het schip toe. Daarom eiste hij naast handelbaarheid, waakzaamheid en duurzaamheid ook een grote mate van zeewaardigheid. De schokker voldeed aan die eisen.
Duizenden zijn er geweest: de kleine schokkertjes van de Oostwal, in het bijzonder van Vollenhove, de gewone Zuiderzeeschokker van wat groter formaat en de nog grotere Noordzeeschokker, meestal met doorlopende dekken. Op zeer oude prenten en schilderijen ziet men het type al afgebeeld. Het is merkwaardig dat deze duizenden schepen slechts met moeite aan de vergetelheid kunnen worden ontrukt, terwijl over een enkel schip soms een hele roman werd geschreven.
De laatste echte schokker, de UK 110, deel uitmakend van de vloot van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen, ging helaas ook verloren. Het schip werd gebouwd op de werf van Fledderus te Kuinre, in 1883. Het werd geleverd naar Urk, D. Kaptein was de eerste eigenaar. Men viste op de Zuiderzee met de wonderkuil op haring en ansjovis. In 1950 werd het schip gekocht door C. de Wijn te Oudeschild (Texel) en door hem gerestaureerd. Bij deze restauratie werd het achterschip vernieuwd, waarna het schip aan het Zuiderzeemuseum werd overgedaan. In 1955 werd het onder leiding van de bekwame scheepsdeskundige M. de Jonge vrijwel geheel opnieuw betengeld, dat wil zeggen de slechte naden werden opengehakt en ingevoegd met op maat gestoken eikehouten latten of 'tengels'. Dit was de beste manier om het schip drijvende te houden, zonder in al te hoge kosten te vervallen. De Vollenhover schuit of 'bons', die tot het museumbezit heeft behoord, werd, eveneens in 1883, te Kampen gebouwd, en wij mogen aannemen, dat dergelijke schepen ook op het werfje te Vollenhove op stapel werden gezet. Te Elburg en ook wel elders werden deze schuiten 'bons' genoemd. De bons van het Zuiderzeemuseum moest in 1958 helaas worden gesloopt.
Bronnen en beschrijvingen
Volgens Van Dale is een schokker een klein vissersvaartuig, oorspronkelijk van het eiland Schokland, met een oplopend, vooruitstekend voorschip met balkvormige steven, een achterover hellende mast, een gaffelzeil en een stagfok.
Dit is niet zo'n slechte definitie, al zou er bij kunnen staan, dat de schepen van eikehout werden gebouwd, en dat niet onomstotelijk vaststaat, dat zij oorspronkelijk van het eiland Schokland komen. Zeker is, dat dit type, met zijn varianten, vooral aan de Oostwal van de Zuiderzee voorkwam, en dat ook de vloot van het voormalige eiland Schokland vele schokkers telde. Deze werden zo'n goede honderd jaar geleden meestal met de naam 'schuit' of `visschuit' aangeduid. Het is zelfs eigenlijk niet bewezen, dat de naam schokker is afgeleid van Schokland. Men kan bijvoorbeeld ook denken aan het oud-Nederlandse woord `scholken' voor op en neer gaan op een onstuimige zee. Een goede `scholker' zou dus een schip kunnen zijn, dat de opeenvolgende golfbewegingen op een prettige manier 'opvangt'. Het is een bekend feit onder de vissers dat de schokker dit inderdaad doet (of deed, moet ik eigenlijk zeggen); op een botter bijvoorbeeld heeft men veel meer last van buiswater dan op een schokker. `Scholker' laat zich dan gemakkelijk verbasteren tot 'schokker', met een taalkundig eigenlijk juist tegenovergestelde betekenis. Waar Van Dale het heeft over een 'vooruitstekend' voorschip zal hij bedoelen, dat het voorschip veel overhang heeft in verband met de vrij sterke helling van de zware stevenbalk. (Tussen haakjes zou ik hier de verleidelijke hypotese willen plaatsen, dat veel scheepsbenamingen hun oorsprong zouden kunnen vinden in de weerstand, die de schepen van het water ondervinden. Men denke dan niet alleen aan het woord schokker, doch ook aan bons (= harde slag), pluut (pletten = hevig slaan), botter (botten = weerkaatsen, vergelijk botsen), bom en zelfs kof (kof, gof = hevige slag). Deze eventuele toevalligheid is toch te curieus om haar niet te signaleren, al ben ik mij er volkomen van bewust, dat deze poging tot woord-etymologie door deskundigen zou moeten worden ter hand genomen. Benamingen als punter, snikke, blazer, boeier lijken wel meer op het uiterlijk van het schip af te gaan. De vaak voorkomende uitgang zou erop kunnen duiden, dat men het schip zag als iets levends, als een persoonlijkheid. Doch wij vervolgen nu ons relaas over de schokker!)
Wij hebben ons licht trachten op te steken in het Zeemanswoordenboek van Mr. J. van Lennep, dat van 1856 dateert. Van Lennep vermeldt het woord 'schokker' in het geheel niet. Ja toch! Als men zo inconsequent is, om bij 'botter' te kijken, dan staat daar:
«Botter, z.n.m. - Een vaartuig met één mast en aan zijn ronden, Botten (met hoofdletter) boeg, zijn naam ontleenende; doch van achteren als een schokker gebouwd». Hier komt het woord schokker dus te voorschijn en het is ongetwijfeld onjuist geweest, het woord niet in de eigenlijke woordenlijst op te nemen. Maar ja - Van Lennep kan niet meer ter verantwoording worden geroepen. G.C.E. Crone geeft in zijn 'Nederlandsche jachten, binnenschepen, visschersvaartuigen en daarmee verwante kleine zeeschepen 1650-1900', verschenen in 1926, als voornaamste karakteristiek van de schokker de zware voorsteven en het invallende boord. Hij voegt eraan toe : «Het schip is platbodem, heeft een bun en is van ongeveer gelijke inrichting als de botter». Er wordt een foto gereproduceerd van een model van de `Vollenhovensche schokker' VN166, aanwezig in het Maritiem Museum Prins Hendrik te Rotterdam.
In het bekende 'Schepen die voorbijgaan' vinden wij ten aanzien van de schokker een aantal nader gepreciseerde kenmerken zoals die toen blijkbaar vrij algemeen werden aanvaard. Wij citeren: «De schokker moet beschouwd worden als het oudste type van Zuiderzee-visschers-vaartuig. Het oefent ook wel op de Noordzee de visscherij uit. Ook de schokker staat op het lijstje van de Hollandsche schepen, die zullen verdwijnen. De droogmaking der Zuiderzee zal wellicht dit proces nog wat verhaasten. Oorspronkelijk is de schokker, zooals de naam aangeeft, van Schokland afkomstig; de tegenwoordige exemplaren hooren meest op Urk thuis. Sommige hebben een respectabelen ouderdom. Zij hebben een plat vlak van geringe breedte en worden geroemd als goede 'waakzame' schepen. De voorsteven is recht als bij de hoogaars, doch zwaarder, en minder overhangend. Ernaast is een smallere valsche voorsteven aangebracht, en tusschen beide wordt een dreg gevaren.» De aangegeven uiterlijke kenmerken zijn wellicht niet helemaal volledig, maar juist en kunnen nog heden ten dage geverifieerd worden. De stelling, dat de schokker het oudste type is, wordt niet nader toegelicht, en de opvatting, dat de naam van Schokland is afgeleid, wordt blijkbaar als iets vanzelfsprekends gevoeld. Toch zal het zaak zijn, op deze punten wat dieper in te gaan, omdat ons inzicht niet zo zeer op intuïtie dient te berusten, dan wel op de feiten.
Inderdaad heeft de droogmaking der Zuiderzee de schokker doen verdwijnen. Er bestaat thans, zoals gezegd, geen enkel exemplaar meer.
P.J. V. M. Sopers geeft in zijn bekende 'Schepen die verdwijnen' een beschrijving van een Vollenhovense schokker, een klein type, dat hij ziet als een ontwikkelingsfase naar het uiteindelijke grote schokkertype. Deze kleine schokkers werden ook wel Vollenhovense 'schuiten' of bonzen genoemd. Sopers ziet als uitgangspunt de typisch Overijsselse platbodemrechtstevens van de binnenwateren. Om zee te kunnen bouwen moesten deze zwaarder uitgevoerd. Als aanknopingspunt geeft hij het lancetvormige vlak. Hij schrijft aan het slot van zijn beschouwing: «Dit vlak behield men. Om de benoodigde breedte te krijgen werd het neerboord sterk uitgezet, waardoor men een dwarsdoorsnede kreeg, die eenig is in den Nederlandschen scheepsbouw. De puntige einden van mijn exemplaar zijn ook karakteristiek. Het zegel van Stavoren van 1415 zou als staving voor deze veronderstelling kunnen dienen; de rechte, vallende stevens doen nog het meest aan den schokker denken, als men het schip vergelijkt met de tot voor korten tijd nog bestaande exemplaren. Het platboomde schip is hier altijd inheemsch geweest, getuige sommige oude vondsten. Ook de geschiedenis maakt er al gewag van, dat tijdens Alfred, den grooten koning van Engeland (849-901), onderscheid gemaakt werd tusschen het Friesche en het Deensche schip. Als schepengroep heeft het type zich mijns inziens het beste in Overijssel en Zuid-Drente weten te handhaven».
Het probleem dat Sopers hier stelt, namelijk de historische ontwikkeling van het schokkertype, is belangrijk; zijn conclusie is interessant, doch naar onze mening op verschillende punten aanvechtbaar. Belangwekkend is zeker, dat hij het vroeg-vijftiende eeuwse stadszegel van Staveren er bij haalt en op onmiskenbare overeenkomsten wijst. Als hij zegt, dat het platboomde schip hier altijd inheems is geweest, is dat mijns inziens van weinig betekenis. De boomstamkano's zijn ook inheems geweest, evenals de rondgebouwde schepen. Men moet wel degelijk stellen: in die periode en in dat gebied. Nu was dat voor Sopers heel moeilijk; voor ons is het gemakkelijker, omdat het onderzoek zich voornamelijk uitstrekt over een gebied, dat onlangs is drooggelegd, namelijk de Noordoostpolder. En inderdaad heeft men hier voor het merendeel `schokkerachtige' of `punterachtige' schepen in de bodem gevonden. Men kan wel veilig stellen, dat het type in dit gebied gedurende de laatste vier eeuwen gebruikelijk was. Als Sopers zegt, dat ten tijde van Koning Alfred onderscheid wordt gemaakt tussen het Friese en het Deense schip, zal daarbij moeten worden vermeld in welk opzicht. Hij suggereert hierbij dat het platbodemschip typisch Fries zou zijn. Wij wagen het, dit te betwijfelen, daar in Friesland juist altijd veel rond is gebouwd, en de typische platbodempuntertjes in heel Noord-Duitsland voorkwamen. Men zie hiervoor `Deutsche Bauern- und Fischerboote', door Walter Mitzka (Heidelberg 1933). Dit is voornamelijk het oude gebied Niedersachsen, en ook bij ons worden Overijssel en Zuid-Drenthe tot het Saksische woongebied gerekend. Als wij het type dus naar de grote bevolkingsgroepen zouden moeten herleiden, dan zouden wij juist zeggen: Saksisch. Drs H. Halbertsma te Amersfoort heeft mij erop gewezen, dat Sopers waarschijnlijk wel de `Annales Lindis-farnenses' op het oog had, waarin op een bepaalde plaats sprake is van `snaccas', die tegen de Denen (Vikings) werden uitgerust en door Friezen waren bemand. Hij stelt, dat dit typisch Friese, smalle en scherpe roeischepen waren. Deze scherpe schepen kan men eventueel als voorlopers zien van de latere Friese snikken, die weer in verschillende varianten zijn voorgekomen. Deze snikken hebben wel een rechte stevenbalk, maar vertonen toch niet de typische schokker-kenmerken.
Wat zegt het handboek der zeevisserij? Daarvoor moeten wij naar Duitsland: 'Handbuch der Seefischerei Nordeuropas' ; Band VII: 'Die Seefischerei der westeuropaischen Under' ; Heft 2: 'Die Niederliindische Seefischerei'. Dit laatste 'Heft' werd geschreven door Dr. J.J. Tesch en J. de Veen (Stuttgart, 1933). Zij zeggen onder meer (vrije vertaling uit het Duits): «Met welke vaartuigen de vissers van de Zuidkust (van de Zuiderzee) vroeger (bedoeld wordt in de zestiende en zeventiende eeuw) visten, is niet meer vast te stellen. Het zullen echter in overeenstemming met de plaatselijke omstandigheden zeker platbodemschepen zonder kiel, maar van zwaarden voorzien, zijn geweest. Het type was zeer waarschijnlijk de 'schuit', die op ondiep water in gebruik was en een grote stabiliteit bezat. De vissers van Overijssel bezaten een schip, dat wij later onder de naam 'schokker' terugvinden, en welke naam waarschijnlijk van het toen nog bewoonde eiland Schokland valt af te leiden. Het type werd ook `Vollenhover schuit' genaamd. De Gelderlanders noemden hun overnaads gebouwd vaartuig later `pluur of `pluie, waaruit de 'bons' is ontstaan.»
Hierbij zouden wij het volgende willen opmerken:
- Terecht wordt de veronderstelde naamsafleiding van het woord schokker als een waarschijnlijkheid, niet als een zekerheid, gezien.
- Is de pluut wel typisch Gelders, of is het een oude tussenfase, die in Gelderland langer gehandhaafd bleef dan elders ?
- Wat is het verschil tussen een `Vollenhover schuit' of schokker en een 'bons' ? Hebben zij wel een verschillende afkomst?
E. van Konijnenburg (`Der Schiffbau seit seiner Entstehung', 1906) geeft nog een belangrijk kenmerk van de schokker, dat, behalve als het ware terloops bij Crone, nog niet ter sprake kwam. Hij zegt: «Oberhalb der Berghedzer springt der Rump stark zurueck.» En inderdaad, het sterke invallen der boorden boven het berghout is zeker opvallend te noemen. Verder geeft hij onder meer nog op, dat de lengte van zijn schip 16.1 meter bedraagt en de breedte 4.48 meter. Vroeger (wanneer ?) bouwde men ook overnaadse schokkers; tegenwoordig zijn ze glad, zegt hij.
Als vergelijkingsobjecten haalt hij de haringschuit aan, alsmede de punter. «De haringschuit kan als een grote punter of als een kleine schokker met minder hoog boord worden beschouwd.» Het is derhalve niet verwonderlijk, dat Van Konijnenburg deze drie typen tot dezelfde 'familie' rekent.
Onjuistheden in de literatuur
In de voorgaande paragraaf is reeds enige malen gebleken, dat bepaalde passages in de 'schokker-literatuur' voor tegenspraak vatbaar zijn. Dit verschijnsel is ernstiger, dan het zich aanvankelijk liet aanzien. Wat zegt Van Konijnenburg bijvoorbeeld van de Vollenhover schuiten, bonzen en pluten?
Het eerste type vermeldt hij in het geheel niet; wellicht mogen wij aannemen dat hij dit type ziet als een verkleinde uitgave van de schokker. Het vreemde is echter dat Van Konijnenburg de bons en de pluut wel noemt, en nog wel onder het hoofd `De botter'. Daar staat namelijk: «Ausser der Form des Kubboots findet man diesen Typ (namelijk de botter) als Volendammer Kwacken, Bonse und sowie in Maassluis als 'Platje van Maassluis'.»
Dit is, naar het ons voorkomt, volkomen onjuist. Toevalligerwijze ontbreken in het boek van Van Konijnenburg zowel een afbeelding van de bons als van de pluut; waren deze aanwezig, dan zou men bemerken, dat dit scherpe rechtstevens zijn, in tegenstelling tot de ronde, volgebouwde kromstevens als botter, kubboot, kwak en platje! Dat uit een en ander verwarring kan ontstaan is duidelijk. Merkwaardig is ook, dat de befaamde schepenkenner G.C.E. Crone zich op dit terrein evenmin thuisvoelt! Op bladzijde 171 van zijn 'Onze schepen in de Gouden Eeuw' (1943; tweede druk) deelt hij mede: «In 1857 waren op Urk 125 à 130 schuiten die men bonzen noemde (bon = bun), blijkbaar een plaatselijk bottermodel.» Crone kende de bons als type dus in het geheel niet! Bovendien is zijn naamsafleiding aanvechtbaar. Op Urk spreekt men namelijk helemaal niet van bun, nog minder van 'bon', maar van 'reum' ; dat men oudtijds van 'bon' gesproken zou hebben, komt mij onwaarschijnlijk voor. Bovendien zou het vreemd zijn om, uitgaande van 'bon', er de naam van een schip van te maken door er de letter s aan toe te voegen. Iets dergelijks moet toch ook enige zin hebben! Men zou, en misschien met meer recht, kunnen stellen, dat bons afgeleid zou kunnen zijn van het woord bons in de betekenis van slag of stoot (zie hiervoor) of van het Latijnse 'pons' = planken-brug, loopplank, en dergelijke, hoewel een en ander toch niet te bewijzen valt.
Nog minder geloven wij de stellig uitgesproken bewering van Ernst Petrich (in de gids van het Heimatmuseum te Leer, 1953), dat het woord 'Emspuente' (Eemspunter) van de Romeinen afstamt. Want, zegt hij, «Puente leitet sich aus dem lateinischen Wort 'pons' ab.»
`Plinte' of punters zullen genoemd zijn naar het puntige karakter van voor- en achtersteven; ik geloof niet dat wij daaraan behoeven te twijfelen. De overgang van 'pons' naar 'bons' ligt meer voor de hand, is eigenlijk nauwelijks een overgang te noemen, maar is niettemin volstrekt onbewijsbaar. Van Konijnenburg verwijt de zeventiende eeuwse auteurs Witsen en Van IJk, dat zij in hun werken de schokkers niet noemen (bladzijde 103 van Band I van het eerdergenoemde werk). Hij zegt: «Ofschoon zij in die tijd bestonden, want er zijn tekeningen van op de draagbaren van de gereformeerde kerk van Workum uit plm. 1600.» In Band n van hetzelfde boek geeft hij een aantal foto's van de beschilderde zijkanten van deze schippers-gildebaren, waarop men enige schokkerachtige typen kan ontwaren. Hij 'bewijst' op deze wijze, dat de schokker al een heel oud type is, dat reeds ± 1600 voorkwam. Sopers, in zijn 'Schepen die verdwijnen', spreekt van 'de' lijkbaar van Workum, anno 1600, waarop een schokker zou voorkomen. De draagbaren (lijkbaren), waarom het hier gaat, bevatten geschilderde voorstellingen en bijbelteksten. De manier van schilderen is echter negentiende eeuws, en het voor de bijbelteksten gebruikte lettertype is vrijwel modern.
Bij een onderzoek ter plaatste bleek mij, dat de baren zich niet in de Gereformeerde, doch in de Ned. Hervormde kerk bevinden. Ik vond een schippersbaar uit 1805, waarop dit jaartal duidelijk was aangegeven, een grootschippersbaar uit 1806 en een kinderbaar uit 1806, beide eveneens met jaartal-vermelding. Op deze gilde-draagbaren komen inderdaad kleine, schokkerachtige vaartuigen voor, maar niet eens zo bijzonder overtuigend. Weliswaar worden op deze baren ook zeventiende eeuwse schepen afgebeeld, doch dit was een gewoonte, die men na 1700 nog heel lang heeft behouden, eigenlijk tot op de huidige dag toe. Men mag zich daardoor niet laten misleiden. Dit is ook onnodig, daar de jaartallen een duidelijke taal spreken en de toegepaste manier van schilderen bepaald niet zeventiende eeuws aandoet. De overige aanwezige baren zijn toevallig allemaal wat ouder; de oudste, die van de edelsmeden, dateert van 1756.
Er blijft dus geen schaduw van bewijs over. Dat er vóór 1800 schokkers bestonden, wisten we al, bijvoorbeeld van een prent van Groenewegen uit een serie van 1791. Deze serie, geletterd F, heet `Verscheide soorten Hollandse vaartuigen', 6de Catern, en de schokker, die voorkomt als nummer F8, heeft hier een sprietzeil en een druilmastje. (Sopers is ook hier weer niet helemaal juist als hij zegt dat de prent van 1789 dateert.)
Eenzelfde soort schokker ziet men op het fraaie, uit 1861 daterende Makkumer bord, dat zich in het Friese Scheepvaartmuseum te Sneek bevindt. Alleen het sprietzeil is hier veranderd in een gaffelzeil; een iets modernere versie zou men kunnen zeggen. Het afgebeelde schip hoorde in Moddergat thuis en werd daar 'aak' genoemd; een tegenwoordige aak ziet er natuurlijk heel anders uit. Maar de spraakverwarring op scheepstechnisch gebied is nu eenmaal groot en leidt uiteraard wel eens tot vergissingen.
De voornaamste kenmerken
Het was ongebruikelijk om bij het bouwen van kleine of grote schokkers tekeningen te gebruiken. Men had in de schuur houten mallen klaarstaan voor de verschillende inhouten en verder had men de maten in een zakboekje. Achteraf werden in de werf-boeken ook nog wel eens de maten opgeschreven.
De thans bestaande tekeningen zijn dus opmetingstekeningen van een bepaald schip of ontwerptekeningen, die ongeveer een bepaalde bouwtraditie volgen. De laatste categorie is voor het historisch onderzoek uiteraard zonder enige waarde. Wanneer men de voornaamste karakteristieke trekken in het oog wil houden komt men tot de volgende opstelling:
- rechte, vallende steven, rechthoekig in doorsnede
- schijnsteven met ankerrol (snoes) en dreg; kluiverboomring
- invallende boorden boven het berghout
- met een benedenwaartse ronding verlopende beretanden
- rechte vallende achtersteven
- terugkomende rug van het roer
- zwaar berghout, grootste omtrek van het schip
- smal, lancetvormig bodemvlak
- breed uitstaande neerboorden (`geerden')
- geheel glad gebouwd (vroeger ook overnaads)
- veel zware spanten, oplangers en leggers
- achterschip vaak gepiekt gebouwd
- bun, bestaande uit deken en trog
- oplopend voordek
- achterover hellende steekmast
- gaffelzeil, stagfok, kluiver, (broodwinner)
- smalle zwaarden.
Over de rechte, vallende steven is nog iets meer te zeggen. In de eerste plaats is deze steven niet volkomen recht, maar zodanig bewerkt dat hij een lichte ronding vertoont. De schijnsteven of klamp, met de ankerrol of -schijf, bevindt zich meestal aan stuurboord; de kluiverboomring aan bakboord. De smeedijzeren ring komt samen in een bout, die door beide stevens steekt en dus tevens de as vormt van de ankerschijf.
Crone schrijft in zijn 'Nederlandsche jachten, binnenschepen, enz.' over het model van de VN166, een 'schokker van Vollenhove', dat de aan dit model voorkomende «breed uitlopende steven eene bijzonderheid der Vollenhovensche schokkers zou kunnen zijn.» Bedoeld wordt een steven, die aan het boveneinde zowel dikker als breder wordt, zodat een soort vierkante knots ontstaat.
Sopers heeft echter een dergelijk scheepje heel precies opgemeten en vond dit kenmerk niet (bladzijde 106 van zijn 'Schepen die verdwijnen'). Het merkwaardige is, dat er ook een model bestaat van een Noordzeeschokker (met doorlopende dekken), dat eveneens zo'n knotsvormige steven vertoont. Het bevindt zich eveneens in het Scheepvaartmuseum te Rotterdam. Beide modellen dateren van ± 1830, zodat men zou kunnen overwegen, of deze bijzonderheid niet meer een tijdsverschijnsel was dan een 'geografisch' verschijnsel. Bij de latere schokkers wordt deze extra-zware stevenkop niet meer opgemerkt.
Een tweede onderdeel dat onze bijzondere aandacht verdient is het roer. Bij de grote schokkers komt de rug van het roer 'terug', dat wil zeggen de achterzijde van het roer helt naar binnen, tot bijna evenwijdig met de achtersteven. Het bovenblad van het roer is hierdoor minder breed dan men zou verwachten. Bij de kleinere, Vollenhovense schokker (lengte 10 à 11 meter) loopt de rug van het roer altijd vrijwel recht naar beneden, maakt dus een hoek van 90 graden met de waterspiegel. Dit is ongetwijfeld een interessant verschil.
In de derde plaats de 'piek'. Bij vele insiders bestond de mening, dat de grote schokkers altijd gepiekt zouden zijn geweest en de kleinere niet.
Deze stelling is echter niet houdbaar gebleken. Inderdaad is de grote schokker van het Zuiderzee-museum vrij sterk gepiekt, te beginnen bij het achterschot van de bun tot aan de achtersteven. Vele modellen van grote schokkers blijken echter duidelijk niet-gepiekt te zijn gebouwd. Zo zijn de modellen van de Noordzeeschokkers van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen en van het Maritiem Museum te Rotterdam, beide kenbaar aan de doorlopende dekken, duidelijk niet-gepiekt. Modellen van de kleinere schokker zijn ook vaak niet-gepiekt, doch het staat wel vast dat de schokkertjes van bijvoorbeeld Van Aller te Hasselt alle wel gepiekt waren. Dit schrijft bijvoorbeeld Sopers, en ik heb dit ook elders kunnen constateren, zoals in de volgende paragraaf zal blijken.
De schokkers hebben niet alleen dienst gedaan als vissersschuiten, hoewel dat uiteraard hun voornaamste bestemming was. Het Maritiem Museum 'Prins Hendrik' te Rotterdam heeft een fraai model van een zogenaamde reddingschokker. In de negentiende eeuw werden namelijk enkele schokkers gebruikt bij het reddingwezen op de Nederlandse kust. Het schip, waarnaar het model is gemaakt, werd in 1872 gebouwd op de werf 'Rotterdams Welvaren' te Rotterdam. Het was ongeveer 18 meter lang.
Schokkers zijn ook in gebruik geweest bij het loodswezen en bij de zogenaamde torpedodienst van de marine. Het onderhavige schip was in 1916 nog in gebruik bij die torpedodienst. Hetzelfde museum bezit ook een steendruk door P. Blommers, naar C. C. Kannemans, waarop voorkomt de `schokker-loodsafhaler' van Brouwershaven, bezig een redding te verrichten. De prent is gedateerd 1852. Een en ander bewijst wel heel duidelijk, dat de van de Zuiderzee afkomstige schokker in de vorige eeuw in geheel ons land werd erkend en geprezen als een veilig, handelbaar en waakzaam schip. In zijn genre was dit oude type van een onovertroffen zeewaardigheid, voor zover men dit begrip bij kleinere zeilschepen mag hanteren. Interessant is in dit verband wel, dat het Tweede Regiment Genietroepen, en wel de Vaar- en Duikschool, over een stalen schokker van 18,5 meter lengte beschikte als oefenschip (Zie De Waterkampioen, 1951, 474.), thans als jacht gebruikt.
Een schokkerjacht (Ir. H. Vreedenburg)
In 1955 ontwierp Ir. H. Vreedenburgh voor eigen gebruik een stalen schokkerjacht, daarbij uitgaande van de Vollenhovense schokker of schuit uit het midden van de negentiende eeuw, waarvan de tekeningen in het boek van Sopers gepubliceerd zijn. Dit schip, de 'Albatros', werd in 1956 gebouwd op de werf van H.F. Boxce in Ter Aar. In 1960 werd door dezelfde werf een tweede schip volgens dit ontwerp opgeleverd, later zijn ze ook op andere werven gebouwd. De tekeningen voor het eerste schip werden opgenomen in de Waterkampioen van april 1956, pagina 216 en volgende. Aan het begeleidend artikel ontlenen wij het volgende:
«Teneinde niet voor onaangename verrassingen te komen, heb ik vrij uitgebreide berekeningen gemaakt betreffende de zeileigenschappen. Zo maakte ik een volledige stabiliteitsberekening tot 90 graden helling, waarbij een zwaartepuntsberekening in hoogte nodig was. Het zwaartepunt in lengte werd ten behoeve van de trim natuurlijk eveneens bepaald. Het berekenen van het zwaartepunt in hoogte is een werkje, dat weliswaar tijd kost, maar dat zo nuttig is, dat ik het een ieder zou willen aanraden, die een platbodemjacht ontwerpt, want het kan veel onaangenaamheden besparen. Het is nu eenmaal zo, dat onze vissersschepen geen opbouwen hadden en dek slechts voor een gedeelte, doch veelal wel een bun, die als ballast fungeerde. Het is dan ook een feit, dat het verbouwen van bijvoorbeeld een Staverse jol de stabiliteit en daarmee de zeileigenschappen slechter maakt. Bij botters en dergelijke grote schepen valt het minder op, omdat zij van huis uit relatief minder zeil voeren dan een jacht.
Completeert men de zwaartepunts-berekening met die van het metacenter, dan is daarmee de meta-center-hoogte bepaald; en voor de beoordeling van de stabiliteit tot circa 30 graden helling en daarmee van de zeileigenschappen is dit wel voldoende.
Aan de hand van een publicatie van Van Aken en Rösingh over 'Sleepproef-resultaten met Zeiljachten' (Schip en Werf 1948) maakte ik een schatting van de weerstand. Hierbij overwoog ik, dat weliswaar mijn scheepsvorm wat minder gunstig is dan van de onderzochte scherpe jachten, die slanker zijn, maar dat anderzijds het nat oppervlak van kieljachten en daarmee de wrijvingsweerstand weer groter is. Vooral bij grotere snelheden zijn de verschillen tussen de diverse jachten trouwens vrij klein. Aan de hand van een andere publicatie van Rösingh 'Snelheidsbepaling van zeilschepen' (Schip en Werf 1942) berekende ik vervolgens de snelheid aan de wind, de hellingshoeken afhankelijk van de windsnelheid en de gewenste langsscheepse afstand van zeilpunt en lateraal punt. Ik ben wel benieuwd in hoever de werkelijkheid met de berekening zal overeenstemmen, daar de studie van Rösingh betrekking heeft op J-klasse jachten. De verwachting is dat bij windkracht 3 aan de wind een snelheid van negen kilometer /uur bereikt zal worden met een helling van 15 graden. >Bij deze berekening gaat men uit van de evenwichtstoestand tussen de aërodynamische krachten, die op het zeil werken, en de hydrodynamische krachten op het onderwaterschip. Van beide zijn de grootte en de aangrijpingspunten afhankelijk van de relatieve stand ten opzichte van de windrichting resp. vaartrichting uit proeven in de sleeptank en windtunnel te bepalen. Hierbij moet opgemerkt worden, dat de aangrijpingspunten meestal niet samenvallen met het 'zeilpunt' en het `lateraal punt', zoals deze gewoonlijk worden berekend. Het zou te ver voeren hier deze berekeningswijze gedetailleerd uiteen te zetten.
Na vijf seizoenen met zijn schip te hebben gevaren, wist de ontwerper nog het volgende mede te delen.
«Elk nieuw ontwerp brengt risico's mee en zeker geldt dit voor een scheepstype als dit, waar voorbeelden ontbreken. Welnu, de resultaten beantwoorden geheel aan de verwachtingen. De schokker `Albatros' is een plezierig schip gebleken met prima zeileigenschappen. De constructie, geheel gelast en met een vlak van 25 milimeter waarop geen wrangen zijn aangebracht, maakte het mogelijk volledige stahoogte te bereiken. Daar ook het dek en de opbouw van staal zijn, is het schip potdicht en altijd droog.
Ofschoon slechts een kleine motor werd ingebouwd, namelijk een Penta twee cilinder, die normaal circa 10 PK levert, bedraagt de snelheid 11 à 12 kilometer per uur. Zeilend is het schip bijzonder handzaam en met goed weer alleen te zeilen. Daarbij wordt dan de kleine fok gevaren, die op een overloop geschoot is.
Aan de wind heb ik op het IJsselmeer het roer soms wel een half uur los kunnen laten. Alleen bij harde, ruime wind wordt er van de roerganger enige inspanning vereist.
De stabiliteit bleek goed overeen te komen met de berekening, doch de indruk bestaat, dat de snelheid onder zeil wel wat lager ligt. Dit is te wijten aan de invloed van de golven. Overigens is het merkwaardig hoeveel prettiger de bewegingen zijn op de Waddenzee dan op het IJsselmeer en dan speciaal de Hoornse Hop. De resultaten in diverse wedstrijden toonden wel aan, dat de schokker onder de platbodems een snel schip is.
De tuigage is in de loop der jaren aanzienlijk vereenvoudigd en komt nu geheel overeen met die van vissersschepen. Dus bijvoorbeeld slechts één val voor het grootzeil en een enkele schoot aan de botterfok zonder blokken. Verder worden de zwaardvallen zonder talies gevaren. In tegenstelling tot de vissersschepen is de mast strijkbaar gemaakt, daar dit in ons bruggenrijke land nu eenmaal noodzakelijk is. Van een contragewicht werd afgezien, omdat dit teveel overlast zou veroorzaken in het vooronder.
Voor het tweede schip zijn slechts enkele wijzigingen aangebracht. Onder andere kwam de mast 20 centimeter achterlijker te staan, waardoor het zeilplan wat meer werd aangepast aan de vissersschepen. Verder werd het roer boven water wat slanker gemaakt.»
De afgedrukte tekeningen zijn die van het tweede schip, 'Zeevolen' genaamd. Opvallend is het ontbreken van de traditionele kluiver.
De Vollenhovense schokker in het boek "Schepen die verdwijnen" van P.J. V. M. Sopers (1927 - 1947)

Alhoewel de Nederlandsche visschersschepen in dit boek niet aan de beurt zullen komen, meen ik voor bovengenoemd vaartuig een uitzondering te moeten maken, wijl het èn als platbodemer aansluit aan wat hiervoor behandeld werd èn bovendien Vollenhove een kustplaats is van de streek, welker scheepsbouw ons bezig hield. In zooverre is het wel eenigszins teleurstellend, dat onze Vollenhovenaar niet meer te Vollenhove gedomicilieerd was, maar op het oogenblik dat ik met haar kennis maakte voer onder het nummer VD43. Bij den naam schokker denk ik altijd aan het eiland Schokland, dat ik geneigd ben als de bakermat van het type aan te zien. Het feit, dat vroeger de Urksche vloot voor een goed deel uit schokkers bestond, terwijl Urk en Schokland niet ver van elkaar liggen, versterkt mij in dit vermoeden.
Het type schokker moet al oud zijn; op de lijkbaar van Workum, anno 1600, staan alle scheepssoorten afgebeeld, die destijds de Zuiderzee bevoeren, en een ervan is als schokker te onderkennen. Groenewegen, anno 1789, geeft ook een schokker. De steven ervan is lichtelijk gebogen en het schip voert behalve den grooten mast met spriettuig bij het roer nog een mastje met druil.
Ik moge even teruggaan in het grijze verleden om een denkbeeld te geven van de schepen, die in de dertiende eeuw het oostelijke en zuidelijke deel der Zuiderzee bevoeren. Een der belangrijkste bronnen, waaraan wij onze kennis omtrent den scheepsbouw in de middeleeuwen moeten ontleenen, zijn de zegels. Zeesteden, die voor een belangrijk deel haar bestaan en onderhoud vonden in zeevaart of visscherij, uitten dit vaak in hun wapen of zegel, waarin zij de afbeelding van een schip opnamen. De jaartallen geven aan, dat het zegel voorkomt aan stukken uit die jaren. Het zegel en bijgevolg ook het vertoonde schip, kunnen dus nog ouder zijn, maar zoo heeft men toch eenig houvast.
Nu heb ik wel eens de juiste opmerking gelezen: wees voorzichtig met die afbeeldingen, want b.v. de heraldieke leeuw ziet er vaak heel anders uit dan het echte exemplaar, dat in Afrika huist. Toch geloof ik, dat de afbeeldingen uit de dertiende eeuw, hierbij gereproduceerd, ons in staat stellen ons een vrij nauwkeurige voorstelling van de toenmalige schepen te maken. Uit het verloop der beplanking meen ik te mogen concludeeren, dat we vrij zeker te doen hebben met platgebouwde schepen, de zijden vrij steil op het vlak.
Vooraf eenige opmerkingen. Vooreerst: het gevoel voor proportie was bij de stempelsnijders niet sterk ontwikkeld, dus zullen de schepen niet zoo gedrongen en overmatig hol geweest zijn als de afbeeldingen suggereeren en kan men uit het figuurtje op de achterplecht geen conclusies trekken ten aanzien van de grootte van het Staversche schip. Vervolgens: perspectivisch teekenen was ook niet fort, zoodat de hoofdtouwen, die willekeurig van den masttop naar de boorden geteekend zijn, zeker niet zóó gezeten zullen hebben, maar op regelmatige wijze terzijde van den mast. Het hoornvormige uitsteeksel, dat men bij het Staversche schip aan de achterzijde van den voorsteven ziet, zat in werkelijkheid terzijde en was een klamp, die voor verschillende doeleinden dienstig was, b.v. om den ankerkabel door te leiden, den boegspriet door te leggen, enz.
De bouworde gaf den bouwmeester vermoedelijk niet genoeg gelegenheid den noodigen sprong aan voor- en achterschip te geven. Op dit laatste ziet men op beide schepen een soort opboeisel of verschansing, wat wel noodzakelijk zal geweest zijn als men bedenkt, dat de scheepjes zoo goed als zeker vierkant getuigd waren met één groot razeil en men dus niet scherp in den wind kon zeilen. Zij zullen dan vaak met achterlijken wind gevaren hebben, waarbij achterop loopende zeeën lastig werden.
De Staversche scheepmaker zal voor de noodzakelijkheid gestaan hebben het voorschip ook wat hooger op te boeien, daar zijn schepen meer dan die van Harderwijk in de tij stroomen der noordelijke Zuiderzee emplooi vonden. Hij deed dit op origineele manier door tusschen het eerste en tweede boord (van boven af) een paar zgn. verloren gangen (dus die niet van steven tot steven liepen) en een geering of „insteker" aan te brengen.
De teekening doet veronderstellen, dat het schip een kielvaartuig was (een voorlooper of prototype van de Staversche jol ? !). De voorstevens van beide schepen doen denken aan den in de eerste helft der negentiende eeuw in Amerika ontstanen klippersteven. (In 1845 werd te New York de eerste clipper „Rainbow" gebouwd). De scheepjes hebben beiden wat men toen noemde „hangroeren" en het zijn zoowat de oudste afbeeldingen, die deze in dien tijd nog moderne stuurinrichting vertoonen. Voordien stuurde men met een zijroer, een breede riem, die rechts van het schip, dus aan stuurboordzijde (vandaar ook deze benaming) op eenigen afstand voor den achtersteven was aangebracht. Nog vele beschouwingen zouden naar aanleiding van de zegels te houden zijn, maar zij zouden te ver voeren.
De schokker, dien ik thans ga beschrijven, geeft duidelijk de karakteristieken weer van zijn naamgenooten. Hij is echter kleiner. Voor den tijd waarin hij gebouwd werd - dat moet plm. 1856 geweest zijn - was het al een groote. Bij dat grooter worden deed zich het verschijnsel voor, dat men aan zoowat alle Nederlandsche schepen kan waarnemen, nl. voor- en achterschip werden voller. Met zijn scherpe einden heb ik den onderhavigen schokker nog bij de Overijsselsche schepen ingedeeld.
Toen ik hem „ontdekte" was hij ongeveer 70 jaar oud, wat hem aan te zien was. De eigenaar prees hem als een droog schip, d.w.z. dat het niet veel buiswater overnam. Als men in een botter reeds lang den oliejas aanhad, was dat bij zijn schokker nog niet noodig. Overigens voelde hij meer voor den botter - die was meer schip, meende hij.
Bij de gereproduceerde teekeningen moge eenige toelichting volgen.
De voorsteven was overal even breed en dik. Crone meent, dat een specialiteit der Vollenhovensche schokkers was, dat de steven boven zwaarder was dan onder. Ik heb nauwkeurig gemeten, maar kon dit bij mijn exemplaar niet ontdekken.De voorsteven droeg aan stuurboordszijde de zgn. „snoes", een klamp ruim 1.10 m diep. Over ongeveer 0.50 m van boven af lag hij los van den voorsteven en daarin zat een rol om den ankerkabel door te leiden.
De lijnenteekening doet zien, dat het scheepje smal van vlak was; het benedenboord was breed en sterk uitgezet, wat een groote breedte gaf, het middelboord betrekkelijk smal, het berghout zwaar. Hierboven was nog een breed opboeisel, dat naar voren tamelijk breed bleef, om dan op de karakteristieke wijze der schokkers plotseling te verdwijnen en met een ronding naar beneden tegen den steven te eindigen; de ronding was versterkt met wat wij bij een ander schip den „berentand" zouden noemen.
Naar achteren versmalde het opboeisel zich ongeveer ter plaatse waar het zwaard in opgetrokken toestand hing, plotseling met een gilling.
De volgende teekening geeft een zij-aanzicht van onzen schokker. Het zwaard was smal. De roerkop heeft den specialen vorm voor schokkers. Opmerkenswaard is ook de vrij diepe scheg met sterke hieling, welke moest voorkomen dat het roer bleef haken, b.v. aan uitstaande netten.
De midscheepsche doorsnede vertoont de voor schokkers typische kromhouten, zware brokken hout. Er stonden er vier in, twee voor en twee achter den mast, waartusschen de hangknieën. De andere kromhouten waren veel lichter.
Achter het zware spant begint de bun. De tweede doorsnede geeft den spant-vorm onmiddellijk achter de bun. Boven op de bun staat de zgn. „krocht", die toegang geeft tot het onderste gedeelte. De krocht is gedeeltelijk met water gevuld.
De langsscheepsche doorsnede geeft te zien het vooronder, waarin drie bedsteden, één dwarsscheeps vóór, de andere langs de zijden. Voor deze laatste waren smalle bankjes getimmerd. Dan nog een kastje en dan het schot, waarachter de iets naar achteren hellende mast. Verder zien we de bun, door schotten in drieën verdeeld. De onderste stukken der schotten waren zwaar; zij deden ook dienst als leggers, daar het schip ter plaatse van de bun weinig verband had. Op deze leggers waren de zware bovenplanken van de bun gespijkerd. De bun verzwakte altijd de zgn. „natte" schepen, vertelde mij een Scheveninger visscher. (Nat schip is schip met bun).
De zijplanken van de bun, met de gaten erin, waren los; zij moesten uitgenomen kunnen worden om de bun grondig te kunnen reinigen als het schip op de werf stond. Op de leggers van de bun waren latten aangebracht ter dikte van het benedenboord. De latten waren iets smaller dan de leggers dik waren, zoodat zij ter weerszijde een sponning vormden voor de planken. Verder werden deze vastgehouden door wervels, die op de latten konden draaien. Een wervel pakte dan, als hij horizontaal lag, twee planken. Dit was de gewone bevestiging op alle natte schepen.
Het opboeisel was boven de voorplecht versterkt, eerstens door den bolder, die een voetvormig onderstuk had en verder met een aantal klampjes van gelijke gedaante, maar lichter van constructie. Het achterste zware spant was boven doorboord; hierdoor ging de ijzeren pen, waaraan het zwaard was opgehangen. Het verdere opboeisel naar achter was slechts met twee klampen met de krommers ter plaatse verbonden. Twee kikkers ziet men ook nog. De voorste, zware, diende om den schoot van de bekende breede schokkerfok erop te beleggen; de kleinere was voor den zwaardlooper bestemd. Achter wás een klein plechtje, in den hoek tegen het boord was een dik kniestuk. Hierdoor stak een houten pen, die als achterbolder dienst deed. Daaronder lag dwarsscheeps de overloop voor het grootzeil. Het geheel zag er aantrekkelijk uit. Men proeft eruit een type schokker, afwijkend van die welke men meestal zag, nl. met breede koppen en dito achterschip. In den ontwikkelingsgang van den schokker heeft men m.i. hier een exemplaar, dat aan het uiteindelijke groote schokkertype voorafging.
Hier volgen eenige maten. Totale lengte 10.75 m, grootste breedte binnen berghout 3.56 m, daaronder op de bovenzijde van het neerboord 3.28 m, op het vlak 1.72 m, op de bovenzijde van het opboeisel 3 m. Bij de doorsnede achter de bun waren deze maten respectievelijk 2.60, 2.40, 1.16 en 2.50 m. De holte was achter den mast onder het dek 1.28 m. De voorsteven valt 1.66 m voorover, de achtersteven 0.65 m.
De mast was boven dek 9.97 m lang, waarvan 1 m voor den top. De boom of giek mat 5.16 m, de gaffel 2.15m. Het roer was onder den helmstok 0.60 m breed, op de waterlijn 1.25 m en stak 0.67 m diep.
Aan den heer Van Aller dank ik nog de volgende gegevens omtrent schokkers, die indertijd op zijn werf gebouwd werden. Toen hij nog jong was zijn er verscheidene door deze werf afgeleverd. De meesterknecht had alle maten in zijn boekje, maar deze aanteekeningen zijn jammer genoeg verdwenen. Den bouw herinnert hij zich nog wel. Voor liep het vlak iets op. Achter zat een flinke breede scheg, plm. 20 cm. Wegens de geringe diepte der Vollenhovensche haven werd veel gelet op 1 dm meer of minder diepgang. Het grootspant was vrij vol. Verder naar boven lag op de dwarsdoorsnede de meeste ronding, kort bij het berghout. Op het achtereind van de bun was het spant reeds iets S-vormig. Hierdoor ontstond een mooie sentlijn. De vaartuigen van de werf des heeren Van Aller waren dus achter zgn. „gepiekt". Dit heb ik aan mijn exemplaar niet kunnen ontdekken. Hij wist nog, dat de eerste gang onder het berghout op den boeg (niet op den steven) eindigde, daar het schip anders te veel zeeg zou krijgen. Achter, meende hij, eindigde de gang tegen den steven, hoewel hij daar smal was. De laatste mededeeling deed hij mij naar aanleiding van mijn opmerking, dat bij breed uitgezette boegen de bovenste gangen niet meer tegen den steven te wringen moeten geweest zijn. De heer Van Aller beschrijft dus klaarblijkelijk een schokkertype van later tijd dan het door mij geteekende exemplaar.
De constructie der inhouten in voor- en achterschip was vrijwel gelijk aan die der praam. Boven langs de inhouten komt aan de binnenzijde een zgn. band of plank. Deze band liep zoo ver mogelijk naar voren, niet geheel tot den steven. In den band kwamen de dekbalkjes. Ter plaatse van den mast waren de inhouten betrekkelijk zeer zwaar, evenals de zwaardknie. Het dek gaat door tot den buitenkant der buitenhuid. De boeiselplanken staan op het dek en loopen tot den steven door. Midscheeps liep deze zelfde band aan den binnenkant der inhouten door tot het achterdekje. Dit dekje werd boven op de huidplanken gespijkerd. Aan den voorkant ervan ligt een stevig balkje; aan weerszijden met een houten knie bevestigd aan genoemden band. Even lager, voor het dekje, ligt de schootbalk, waarop ook weer aan iedere zijde een knie. Het geheel zit vrij stevig in elkaar.
In Kampen werden destijds dezelfde soort schuiten ook gemaakt. Een goede vijftien jaar terug werd daar nog een exemplaar gesignaleerd, dat over de honderd jaar oud was. Volgens de overlevering zou daarmee de predikant van Schokland bij de ontruiming door de bewoners dat eiland verlaten hebben.
In Urk waren schokkers, die naar men zeide ongeveer 120 jaar oud waren. Tot zoover de heer Van Aller.
Ik wil dit hoofdstuk besluiten met een hypothese, hoe het slanke Overijsselsche type zich tot een vaartuig, dat geregeld zeebouwen moest, kan hebben ontwikkeld. Het aanknoopingspunt zie ik in het slanke, lancetvormige vlak. Dit behield men.
Om de benoodigde breedte te krijgen werd het neerboord sterk uitgezet, waardoor men een dwarsdoorsnede kreeg, die eenig is in den Nederlandschen scheepsbouw. De puntige einden van mijn exemplaar zijn ook karakteristiek. Het hierbij gereproduceerde zegel van Stavoren 1415 zou als staving voor deze onderstelling kunnen dienen; de rechte, vallende stevens doen nog het meest aan den schokker denken, als men het schip vergelijkt met de tot voor korten tijd nog bestaande exemplaren. Het platboomde schip is hier altijd inheemsch geweest, getuige sommige oude vondsten. Ook de geschiedenis maakt er al gewag van, dat tijdens Alfred, den grooten koning van Engeland (849-901), onderscheid gemaakt werd tusschen het Friesche en het Deensche schip. Als schepengroep heeft het type zich m.i. het beste in Overijssel en Zuid-Drenthe weten te handhaven.
De verdwenen schepen van de Dongeradelen door Jan G. Braaksma (2012)

De schokker - de werven
De Schokkers werden op de Oostwal van de Zuiderzee gebouwd en wel als volgt: Grote Schokkers, dus ook de Urker schepen, werden gebouwd in Kuinre, Blokzijl en Kampen.
Kuinre.
In Kuinre waren vroeger drie scheepswerven. Twee van de werven waren in eigendom bij Fledderus en lagen bij de sluis. Er werden in Kuinre alleen maar grote Schokkers gebouwd voor de visserij op de Noordzee, ze waren allen bestemd voor de Urker vissers. De laatste Schokker is hier gebouwd in 1883, ook voor Urk (volgens Boonenburg moet dit de UK110 zijn geweest die eigendom was van het Zuiderzeemuseum).
In Kuinre werden ook de Aken voor de Dongeradelen gebouwd. Volgens onze zegsman waren deze Aken iets langer dan de gewone Schokkers (15 meter), ze hadden twee masten. Het ligt voor de hand dat de vissers uit de Dongeradelen voor Kuinre hebben gekozen om hun schepen daar te laten bouwen. Kuinre lag op de taalgrens van het Fries en het Saksisch. Zuidelijk van Kuinre kreeg het Saksisch de overhand maar in Kuinre werd nog Fries gesproken. De laatste Aak werd in Kuinre rond 1875 gebouwd.
Blokzijl
Er waren drie werven in Blokzijl. De laatste werf was van H. Snoek en die sloot rond 1940. De andere twee werven waren van de gebroeders Willigenkamp en P. Snoek. Ze waren gelegen aan de landzijde van het dorp. Ze bouwden Punters en pramen voor de boeren en bouwden Schokkers (grote en kleinere van rond 10 meter) voor de vissers (later Botters).
De grotere Schokkers werden voor rekening van Urkers vissers gebouwd en waren rond de 15 meter. Ze werden Urker schuiten genoemd zoals ook in Kuinre het geval was. De kleinere schuiten of Schokkers (Bonzen) gingen naar Vollenhove. Deze schepen waren rond de 10 meter en de laatste liep rond 1910 van de helling af.
Kampen
De werven van Schepman en van Van Goor waren te vinden in Kampen. Ze bouwden zware grote schepen die diep staken. De Schokkers van Schepman bleken uitstekende (vlotte en vlugge) zeilers te zijn. Het meest werden er kleinere Schokkers gebouwd maar later ook wel de grotere. Naast Schokkers bouwde men hier ook Pluten. Ook hier werden ze schuiten genoemd.
Kleine Schokkers werden gebouwd te Blokzijl, Vollenhove, Hasselt, Kampen en Elburg (kleine Schokkers zijn vrijwel identiek aan Vollenhover schuiten of Bonzen).
Vollenhove
Vanaf 1855 is er een werf in Vollenhove. Deze lag aan de kom van de binnenhaven en had vier sleephellingen. In 1900 werd de werf verkocht aan de scheepstimmerman Kroeze. De familie Kroeze heeft de werf in eigendom gehad tot aan de sloop in 1955. Hier werden de 'Vollenhover schuiten' gemaakt, met een lengte van 10 à 11 meter. De benaming 'Bons' werd in Vollenhove voor deze schepen niet gebruikt, op andere plaatsen, bijvoorbeeld in Elburg, gaf men aan deze schuiten de naam 'Bonsien'.
In de hoogtij dagen waren er in Vollenhove maar liefst honderdveertig schepen in gebruik waarvan een honderddertig Bonzen. Voor de fuiken visserij werden er grote Punters gebouwd met een bun. De in Vollenhove gebouwde schepen waren slank en hadden weinig diepgang omdat de haven vrij ondiep was.
Hasselt
Vanuit Hasselt was er geen visserij van belang dus op de vroegere werf Van Aller werden dus hoofdzakelijk schepen gebouwd voor vrachtvervoer (Hasselter Aak). De werf lag aan het Zwartewater. Voor de visserij werden er kleine Schokkers gebouwd (een stuk of drie per jaar) die bijna allemaal aan Vollenhove werden geleverd. Ze werden hier 'skutiens' genoemd. De laatste werd rond 1908 op stapel gezet. Van de schepen die van deze werf kwamen werd gezegd dat ze niet vooruit te branden waren en zwaar waren gebouwd.
Afsluitend
Over het algemeen kan men stellen dat Schokkers op de Oostwal werden gebouwd hoewel het later voorkwam dat de grotere Noordzee Schokkers (later van staal) ook werden gebouw te Enkhuizen, Den Helder en Rotterdam.
De Schokker (kenmerken)
Drs. K. Boonenburg zet de voornaamste kenmerken van Schokkers en "Schokkerachtigen" op een rij. We nemen dit over omdat S.J. van der Molen deze kenmerken heeft voorgelegd aan een aantal oude vissers.
Zoals we al eerder hebben vastgesteld, werd er nog niet met tekeningen gewerkt en de schepen werden of op zicht gemaakt of met mallen. Wanneer met mallen werd gewerkt dan hadden de scheepsbouwers per inhoud een houten mal klaarstaan. In een zakboekje had men vaak wat maten opgeschreven. Als we geluk hebben dan werden er wel eens maten opgenomen in een werfboek of in een contract voor de bouw van een schip.
De tekeningen die we nu tot onze beschikking hebben van schepen uit die periode zijn gemaakt na opmeting van het schip. Zowel Konijnenburg als Versteeg hebben op deze manier veel schepen aan de vergetelheid onttrokken. Hoewel deze tekeningen een goed beeld van een scheepstype geven moeten we er wel bij zeggen dat er soms per werf kleine verschillen waren. Vergelijk de zware schepen van Hasselt tegenover de slanke schepen met hoge kop uit Blokzijl.
Wanneer men de voornaamste karakteristieke trekken in het oog wil houden komt men tot de volgende punten:
- Rechte, vallende steven, rechthoekig in doorsnede;
Over de rechte, vallende steven is nog iets meer te zeggen. Deze steven niet volkomen recht, maar zodanig bewerkt dat hij een lichte ronding vertoont. - Schijnsteven met ankerrol (snoes) en dreg; kluiver-boomring;
De schijnsteven of klamp, met de ankerrol of ankerschijf, is meestal aan stuurboord; de kluiverboomring aan bakboord. De smeedijzeren ring komt samen in een bout, die door beide stevens steekt en dus tevens de as vormt van de ankerschijf. - Invallende boorden boven het berghout;
Boord is de gang boven het berghout. - Met een benedenwaartse ronding verlopende beretanden;
Beretanden of berenstander zijn de houten klampen op het boeisel (binnenkant) aan weerzijden van de voorsteven. Ze werden ook wel mannetje genoemd - Rechte vallende achtersteven;
- Terugkomende rug van het roer;
Een tweede onderdeel waar Boonenburg ons op wijst is het roer. Bij de grote Schokkers komt de rug van het roer "terug", dat wil zeggen de achterzijde van het roer helt naar binnen, tot bijna evenwijdig met de achtersteven. Het bovenblad van het roer is hierdoor minder breed dan men zou verwachten. Bij de kleinere, Vollenhovense Schokker (lengte 10 à 11 meter) loopt de rug van het roer altijd vrijwel recht naar beneden, maakt dus een hoek van 90 graden met de waterspiegel.
Hoewel het een interessant verschil is, kan het ook een geografisch verschil zijn. - Zwaar berghout, grootste omtrek van het schip; Berghout: een, langs het hele schip, verdikte gang op enige hoogte boven het wateroppervlak en die één geheel vormt met de gladde scheepshuid.
- Smal, lancetvormig bodemvlak;
- Breed uitstaande neerboorden (`geerden');
Neerboord of geerde is de eerste huidgang boven het vlak. Bij de Schokkers zijn deze breed uitstaand - Geheel glad gebouwd (vroeger ook overnaads); Overnaads is de bouwwijze waarbij de gangen dakpansgewijs op elkaar werden gelegd. De overlappingen werden aan elkaar geklonken. Het werd ook wel rauwboordig of stamboordig genoemd.
Gladboordig werden de gangen aan elkaar gezet. (zie tekening bij neerboord) - Veel zware spanten, oplangers en leggers;
Spanten zijn de dwarsscheeps geplaatste verbanddelen die mede het geraamte van een scheepsromp vormen. Zij strekken zich meestal van boord tot boord uit, haaks over de kiel en lopen tot aan de hoogste boordplank op. Meestal worden spanten uit meerdere gezaagde stukken samengesteld, hetzij als doorlopen spant, hetzij als afzonderlijke, vrijstaande delen. Een doorlopend spant is samengesteld uit een legger of buikstuk, dat aan iedere zijde verlangd wordt door een zitter, een oplanger en een stut. Deze delen worden naast elkaar geplaatst en overlappen elkaar gedeeltelijk. - Achterschip vaak gepiekt gebouwd;
Gepiekt: bij de kiel of kielbalk, naar beneden buigend vlak. - Bun, bestaande uit deken en trog;
Bun: ook wel kaar genoemd, is een watergevuld compartiment dat via vele kleine openingen rechtstreeks in verbinding staat met het buitenwater.
Trog: opstaande wand rond de bun en verbinding met de bun.
Deken: vloer naast de bun. - Oplopend voordek;
- Achterover hellende steekmast;
- Gaffelzeil, stagfok, kluiver, (broodwinner);
- Smalle zwaarden.
Waterkampioen april 1956 nummer 968 - Schokkerjacht van 10m
De belangstelling voor het platbodemjacht blijft groeien. Wat jarenlang veronachtzaamd werd, zien we weer in zijn waarde hersteld worden. Ten opzichte van het aantal scherpe jachten blijven de oud-Nederlandse schepen ver in de minderheid, maar een uitstervend ras vormen de ronde en platbodemjachten zeker niet meer en daar leek het een vijfentwintig jaar geleden wel op. Vergissen we ons niet, dan was de Schokker als jacht al niet meer te vinden en was dit type ook als visserman van de Zuiderzee vrijwel verdwenen en wordt het op de rivieren en Zuidhollandse stromen alleen nog maar als zodanig gebruikt. Het is daarom prettig het ontwerp van een Schokkerjacht te kunnen publiceren, een ontwerp, dat niet alleen een academische waarde heeft, maar dat gemaakt werd om te worden uitgevoerd. De ontwerper Ir. H. Vreedenburgh heeft het probleem, dat zo'n ontwerp stelt, bijzonder serieus aangepakt en wetenschappelijk behandeld. Op ons verzoek is hij in zijn beschrijving van het ontwerp uitvoeriger ingegaan op zijn berekeningen dan in zijn bedoeling lag. Wie dit te hoog gaat, kan de berekeningen overslaan, maar voor anderen is het onderwerp interessant. Op zich zelf reeds is het belangwekkend, dat het ontwerp van een dergelijk jacht zo wordt behandeld en dat niet uitsluitend wordt vertrouwd op bestaande verhoudingen en overgeleverde vormen.







