Spring naar inhoud

Toegankelijkheidsopties:

Scheepstype: Lemsteraak

Inleiding

Slechts tientallen Lemsteraken voor de visserij gebouwd

Dirk Huizinga schrijft:
Aan het einde van de 19e eeuw kwam de Zuiderzeevisserij op bij De Lemmer aan de Friese zuidkust. Dat was vooral te danken aan twee Lemster vishandelaren: Johannes Sterk en Poppe de Rook. Zij verwerkten vis van onder meer Durgerdammer vissers en dachten, waarom vangen we die haring niet zelf? Vooral omdat er vanaf die tijd afzetmogelijkheden ontstonden dankzij de aanleg van spoorwegen door Europa. Nadat Poppe de Rook en diens zwager, de Lemster handelaar Jan Pen, een nieuw type net hadden ontwikkeld, staand want voor ondiep water, namen deze handelaren het initiatief om binnenvissers en werkloos geworden veenarbeiders uit Lemsterland met deze netten te laten vissen op haring en op ansjovis. Deze nieuwe vissers konden zonodig een schip huren van hun opdrachtgevers. Die schepen werden in Friesland gemaakt. De visaakjes voor het binnenwater werden in een zeewaardiger versie, wat groter en met meer zeeg, gebouwd voor deze visserij op zee. Aanvankelijk van hout, maar vanaf rond 1900 van ijzer. Deze grotere visaken werden aanvankelijk alleen door Lemster vissers gebruikt. Al spoedig kregen ze een heel goede naam. De visaken waren iets kleiner dan een botter, niet 13 meter maar ruim 11 meter. De ruimte aan boord was dankzij de ijzerbouw echter vergelijkbaar en de aken zeilden niet alleen gemakkelijker, maar ook zeker zo snel. Deze visaken maakten daarmee naam. Iedereen wist dat Lemster vissers met visaken effectief visten en ’s zomers met die aken ook nog eens wedstrijden op de Zuiderzee wisten te winnen van botters. Het leek wel of alle vissers in De Lemmer visten met zo’n ijzeren visaak, maar niets is minder waar. Dat was alleen maar beeldvorming. De meeste Lemster vissers gebruikten een ander soort vissersschip. Van roeiboot en punter tot botter. De botter had niet alleen zijn bekendheid verdiend vanwege de mooie vorm, maar ook door de grote aantallen. Anders dan van de botter, zijn er van de ijzeren visaak geen honderden gebouwd, maar slechts tientallen. Vier bij Auke van der Zee in Joure, twee bij Jelle Croles in IJlst, vijf bij Jan Bos in Echtenerbrug en ruim twintig bij De Boer in De Lemmer, waaronder na 1900 nog vier houten. Een zevental aken was voor vissers buiten De Lemmer. Dat alles in slechts vijftien jaren tijd, want na de Eerste Wereldoorlog was de nieuwbouw voor Lemster vissers voorbij. Toen werd besloten de Zuiderzee af te sluiten. De ruim twintig visaken uit De Lemmer vormden daarmee een duidelijke minderheid op de Zuiderzee. Met zeer weinigen wisten de Lemster vissers echter hun thuishaven op de kaart te zetten alsof daar alleen maar met aken werd gevist, die de botters als vissersschip naar de kroon zouden kunnen steken. In werkelijkheid was dit echter het werk van een illustere minderheid die de beeldvorming wist te beïnvloeden.

Ontwikkeling

De Lemsteraak is in de tweede helft van de 19e eeuw ontwikkeld uit de visaak van de Friese binnenwateren voor de visserij op het noordelijk deel van de destijds open Zuiderzee, tussen Lemmer en Den Helder. Na 1900 werden zij als regel in staal gebouwd. In de grondvorm zijn de Friese ronde jachten te herkennen: kromme voorsteven, ronde lijnen met horizontaal een eivorm met de punt naar achteren. In de kop loopt het voordek sterk op. Hoofdkenmerk is, dat het volume van het voorschip groter is dan dat van het achterschip. De oorspronkelijke Lemsteraak was voor de mast overdekt en had als regel een bun, hoewel voor de haringvangst gebruik werd gemaakt van bijboten, de z.g. haringvletten, die werden gesleept. De vissersschepen waren meestal 10 - 12,50m lang.
Al vroeg werden ook grotere aken (tot 17,50m) als jacht gebouwd met een kajuit achter de mast, een hoger achterschip en een boeierroer. De (bemiddelde) eigenaars veroorloofden zich een schipper + een knecht, tevens kok, die tijdens de vaart op het voordek de zwaardlieren en voorzeilen bediende en in het vooronder kookte. Zij verzorgden ook het onderhoud van schip en tuigage.

Lemteraakjacht

De naam `Lemsteraakjacht' raakte pas ingeburgerd, toen HKH Prinses Beatrix voor haar 18e verjaardag een jacht kreeg dat zo werd genoemd. Bij de scheepswerf van de Gebroeders De Boer in Lemmer is zelfs nooit een schip gebouwd dat door de opdrachtgever of door de bouwer Lemsteraak of Lemsteraakjacht werd genoemd. In de werfboeken van De Boer wordt gesproken over visaken, over plezieraken, boeiers, pleziervaartuigen en Lemsterjachten. De meeste grote aakjachten van voor de oorlog zijn ontworpen als boeier en werden daarom tijdens en na de bouw gewoon `boeier' of `boeieraak' genoemd. Pas in de jaren zestig zijn we al dit soort schepen Lemsteraak gaan noemen.
Bij De Boer in Lemmer stond in 1906 een `plezieraak' op stapel en in 1907 nog een `plezieraakje' van heel bescheiden afmetingen. Dat waren plezierjachtjes met de vormen van een visaak. Een paar jaren later bouwde De Boer `pleziervaartuigen model Lemsterjacht' die bijna een keer zo lang waren en die, anders dan die kleine `plezieraakjes', qua lijnen niet duidelijk afgeleid waren van de visaken. Net als bij de Rommerswael van Croles waren de grote plezierjachten die De Boer bouwde schepen die qua vormgeving niet voortkwamen uit de visaken, maar gezien moeten worden als zelfstandige ontwerpen. In dezelfde periode werden op diverse werven in het land grote ronde jachten gebouwd van staalijzer, in verschillende afmetingen, die meestal `boeiers' werden genoemd of `boeieraken', `boeieraakjachten' en zelfs een enkele keer `Lemmerboeieraak'. Met die benamingen moest het karakter van het schip duidelijk worden. Het waren luxe schepen die op dit moment als `Lemsteraak' geregistreerd staan.

De Lemsteraak in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

C.J.W. van Waning schrijft in het hoofdstuk Lemsteraak:

Schepen voor het ruime water van de zee zijn dikwijls gegroeid uit kleinere, eenvoudiger binnenschepen. Zo ook mag worden aangenomen dat de Lemsteraak zich heeft ontwikkeld uit een visaak, die op de Friese binnenwateren werd gebruikt, en waarvan de afmetingen en vormen werden aangepast aan de eisen die de visserij op de Zuiderzee stelde.
In Friesland verbindt men, in tegenstelling tot de andere delen van Nederland, de naam 'aak' meestal met de visserij. Zo beklaagde zich in 1657 de Workumse burgerij over het feit, dat «onze visschers veeltijds geen visch omtrent hun wal houden, maar door de aacluiden de visch van hier soo laten vervoeren, regelrecht tegen uitgedruckte verbodt; en deze aacluiden soo seer de visch vervoeren dat de burgerie half tijds geen visch conen crijgen». Hieruit blijkt dat de `aacluiden' vis vervoerden, welke door de vissers werd gevangen, en wel naar plaatsen aan de overwal, waar zij betere prijzen konden maken dan in Workum.

Ronde en Platbodemjachten - Standaardwerk onder redactie van Mr. Dr. T. Huitema

Nu is het merkwaardig, dat ook de Lemsteraak primair niet als zelf-vissend vaartuig werd gebruikt, doch althans in de haringtijd gebruikt werd als 'moederschip', voor de haringvletten, terwijl de gevangen haring met de Lemsteraak snel naar de vismarkt werd vervoerd. Ook de Zeeuwse mosselaken die, zoals wij verderop zullen zien, in afkomst en model Lemsteraken waren, vervoerden de mossels, vooral naar Antwerpen. Ten slotte werd ook met de grote zeegaande palingaken, welke de verse paling eertijds van Friesland (Heeg) naar Londen vervoerden, nooit gevist.

Wat het woord 'aak' betreft, meent Dr. Y. Poortinga van de Fryske Akademy, dat het Friese taalgebruik, dat deze aanduiding voor een soort schip steeds met de visserij verbindt, gezien moet worden in het verband met de gehele visserij langs dit deel van de Noordzeekust. Ook in Groninger-land, Oost-Friesland en verderop kent men de `oak', ák en áke als benaming van vissersschepen. Bij deze Noordzeekustvisserij bestaat van oudsher een grote samenhang in typen en terminologie. In dit verband wijst Dr. Poortinga naar Ten Doornkaan Koolman's Wiirterbuch der Ostfriesischen Sprache', waarin ák, áke verklaard wordt als 'Boot, Nachen mit flachem Boden'. De begin 'n' bij woorden als `Nachen' viel dikwijls weg en aldus werd het `achen' of áke = aak.
De kleine visaak voor het binnenwater is een enkele maal nog wel in Friesland te zien, terwijl als een vroege jachtversie van dit type kan worden beschouwd de in 1868 door Eeltje Holtrop van der Zee gebouwde Dolphijn. In bouwwijze komt dit schip overeen met een Fries jacht, doch de scheepsvorm is afwijkend en vertoont opvallende punten van overeenstemming met een in de boedel van Eeltjebaas gevonden scheepstekening van de bekende bevorderaar van de Friese scheepsbouw, F.N. van Loon. Deze tekening voor 'een vischschuit van neef I. Huidekoper' is gesigneerd 'Harlingen 10 nov. 1825' hetgeen op zijn minst bewijst, dat deze scheepsvorm toen reeds bekend was. De oude heer Johannes van der Meulen, die na de Van der Zee's de leiding van de aloude werf te Joure overnam, beschreef dit visaaktype als een rond vaartuig, dat in bouwwijze overeenkwam met een Fries jacht, doch met een afwijkende vorm.

De visaak was voorzien van een 'beun', waarvan de 'deel(' (dek van de bun) wel 2-2+ meter lang was, en die direct achter de mast begon. Het voordek was voorzien van een 'tent' - dit is een opklapbaar voordek met zijkleppen - welke als woonruimte dienst deed. Ook de `Dolphijn' was oorspronkelijk voorzien van een bun en van een tent. De visaken waren niet alleen zeewaardiger dan de andere open vaartuigen welke in de Friese binnenwateren werden gebruikt, zij hadden bovendien zeer goede zeileigenschappen, ondanks hun grote bun. Tussen 1858 en 1898 komen de visaken als afzonderlijke klasse voor in de wedstrijdboeken der KZV Oostergoo. Aanvankelijk was de lengte in deze klasse beperkt tot 7.5 meter, doch later verviel deze beperking. De visaken gebouwd door E.H. van der Zee te Joure gingen gedurende die veertig jaren zeer vaak met prijs of premie strijken.

De eerste Lemsteraken werden gebouwd op de werf van De Boer in Lemmer en wel in 1876. De lengte bedroeg aanvankelijk 36 voet (10.30 meter) en groeide later geleidelijk uit tot 38, 40 en 42 voet (11.88 meter). In 1902 ging De Boer op ijzerbouw over en deze ijzeren Lemsteraken groeiden verder naar 45, 47 en 50 voet (14.15 meter). Met deze 50 voet was voor de vissersvaartuigen de grens bereikt. De werf van Bos in Echtenerbrug begon eveneens reeds vroeg met de bouw van Lemsteraken en ging reeds vóór 1900 tot ijzerbouw over. De eerste ijzeren Lemsteraak werd echter gebouwd door de werf van Croles in IJlst, en wel in 1898 voor rekening van de visser Siemen Spaans te Lemmer.

Lemsteraken in Zeeland
De werven van de Gebr. De Boer en van Bos te Echtenerbrug bouwden evenals A. van der Zee te Joure regelmatig aken voor Bruinisser rekening.. Hoewel deze schepen in Zeeland 'mosselaken' en ook wel 'Bruinisser jachten' genoemd worden, zijn het in scheepsvorm Lemsteraken. Voor de Bruinisser vissers was snelheid een belangrijke eis, want wie het eerst met zijn verse mossels op de Antwerpse markt verscheen, maakte een hogere prijs dan de vissers die later kwamen. Dit verklaart ook de naam 'Bruinisser jachten', waarbij ‘jacht' moet worden gelezen in de oorspronkelijke, reeds door Nicolaas Witsen aangegeven betekenis van schepen, welke 'jagen of jacht maken'. Een bewijs, dat de goede eigenschappen van de Lemsteraak-vorm ook in Zeeland werden erkend, is wel, dat er twee kruisingen met typisch Zeeuwse vissersschepen bekend zijn, en wel de `Lemster-hengst' en de `Lemster-hoogaars'. Beide kruisingen vertonen de eivormige waterlijnen en het naar voren en naar achteren getilde vlak van de Lemsteraak-vorm. Een zekere tweeslachtigheid is uiteraard aan dergelijke schepen niet vreemd.

Gebruik van de Lemsteraak
De Lemsteraak is oorspronkelijk gebouwd voor de visserij op het noordelijk deel der 'open' Zuiderzee, dus tussen Lemmer en Den Helder, inclusief Marsdiep en Texelstroom. In de vaak felstromende vaarwaters welke de toegangen tot de Zuiderzee vormden, kon bij wind tegen tij een gemene zee staan. Zowel aan de zeileigenschappen als aan de zeewaardigheid werden daar dikwijls zware eisen gesteld. Met de Lemsteraak werd van november tot half april met sleepnetten gevist op bot en spiering, in het voorjaar met staande netten op haring, later tot juli eveneens met staande netten op ansjovis en van juli tot november met kuilnet, staand net en hoekwant op bot. De zware haringnetten werden nooit aan boord genomen, doch vervoerd, geschoten en ingehaald door de bij de Lemsteraak behorende haringvletten, die de haring in het net ook in de dichtstbijzijnde haven afleverden. De Lemsteraak deed hierbij dus alleen dienst als slepend schip en moederschip voor de haringvletten, en ook voor het vervoer van de haring naar de afslag.

De kenmerken van de Lemsteraak
Het is ongetwijfeld een hachelijke onderneming te proberen de kenmerken te formuleren van een vaderlands vaartuig, omdat de eigengereidheid van ons Nederlanders in de scheepsbouw tot uiting komt op een wijze, die haast iedere formulering tart. Niet alleen zijn er vele hoofdvormen doch binnen elke hoofdvorm zijn weer zoveel variaties ontwikkeld door bepaalde lokale omstandigheden en evenzeer door lokale en individuele opvattingen, dat men wel haast kan zeggen, dat elke werf haar eigen variatie voortbracht. Toch kan het zijn nut hebben eens na te gaan door welke scheepsvorm en verdere kentekenen dit scheepstype wordt gekenmerkt.
De Lemsteraak is een halfoverdekt vissersvaartuig, behorend tot de grondvorm der kromstevens.

  1. Het meest algemeen erkende kenmerk en de eerste eis, welke men aan een Lemsteraak stelt, is dat het volume van het voorschip groter moet zijn dan dat van het achterschip. Dit grotere volume wordt gevonden door het voorschip, hoger, breder en voller te maken dan het achterschip. Het voorschip heeft aldus een flinke zeeg, terwijl het achterschip praktisch geheel recht is.
  2. De Lemsteraak is een rond vaartuig, dat nergens stilstaat.
  3. De waterlijnen hebben de vorm van een meer of minder langgerekt over de lengte doorgesneden ei, met de stompe zijde naar voren.
  4. De verhouding grootste breedte tot grootste lengte varieert tussen 1 : 3 en 1 : 3.3.
  5. De kop is één van de moeilijkste delen van de scheepsvorm, om goed te bouwen en te beschrijven. Zij is hoger en scherper dan de kop van een tjalk; zij heeft een sterke zeeg en geen 'konen', zoals een tjalk of boeier. Men kan de kop praktisch niet op de spantenvloer uitslaan, zij werd bij de Gebr. De Boer steeds gemaakt naar de oude door lange ervaring verkregen mallen en verder op het oog. Hetzelfde geldt voor het achterschip. Vooral ook de beplating van de kop vereist eveneens het oog van de meester om fraai te worden. De platen moeten naar voren smaller worden en vooral beneden sterker oplopen dan de berghoutlijn.
  6. Bij de langsdoorsnede over de stevens zet zich de lijn van de steven vloeiend voort tot masthoogte, om direct daarna weer op te lopen. Bij het achterschip gaat deze lijn weer even vloeiend over in de lijnen van de eveneens vrij sterk vallende aansnijding van de huid op de achtersteven. Het vlak mag dus nooit plat zijn en moet naar voren en naar achteren 'getild' zijn.
  7. In dwarsdoorsnede vallen de huidgangen onder het berghout in meer of mindere mate naar buiten, om met zeer ronde kimmen over te gaan in een lichtgebogen vlak. Bij de houten Lemsteraken is het vlak in dwarsdoorsnede dikwijls recht of licht getild. De kimgang staat dan met een flauwe hoek tegen het vlak. De verdere huidgangen lopen rond als bij de latere stalen Lemsteraken.
  8. De grootste breedte ligt ter plaatse van, of iets voor de mast.
  9. De boeisellijn loopt, na de zeeg van het voorschip, onder een zeer kleine helling en bijna recht door naar het lagere achterschip, waar zij overgaat in de boeierachtige ronding van het achterschip. Hierdoor heeft de Lemsteraak ook die genoeglijke ronde stuurkuip of `bollestal', die één der grootste charmes van de ronde schepen kan zijn.
  10. Van bijzonder belang voor de zuiverheid en vooral de schoonheid van het type, zijn de lijnen van boeisel en berghout. Het boeisel wordt van de voorsteven tot aan de mast breder om daarna weer geleidelijk smaller te worden tot aan de achtersteven. De berghoutlijn blijft zakken tot ongeveer 1 /3 of 2 /5 van de lengte, gemeten uit de achtersteven. Daarna loopt deze lijn weer een weinig omhoog.


    De juiste plaats van het berghout is daarom vooral zo belangrijk, omdat zij bepalend is voor de indruk, die men van de inzinking van het schip krijgt; valt zij te diep, dan geeft dit de indruk, dat het schip te zwaar in het water ligt en valt zij te hoog, dan is er ook iets mis met de lijn van een Lemsteraak. Men kan dergelijke lijnen heel moeilijk zuiver op de tekenplank bepalen, er komt bijzonder veel oogwerk bij, dus het in ervaring geschoolde goede zicht op deze scheepsvorm. Bij de houten Lemsteraken is het boeisel veelal van even voor de mast tot achter de mast over de lengte van het zwaard verhoogd met een vast zetboord.
  11. Het roer van de Lemsteraak is een breed vissermansroer, veelal praktisch zonder hak. Het losse helmhout valt over de klik van het roer.
  12. De zwaarden zijn zeezwaarden, dus lang, smal en zwaar.
  13. De mast is ongeveer gelijk aan de lengte van het schip.
  14. De Lemsteraak heeft een breed gaffeltuig met een vrij brede fok, die als regel over een overloop loopt. Bij de houten Lemsteraken is de gaffel slechts zeer licht gebogen. Aan de dikwijls opvallend lange kluiverboom kan een flinke kluiver en zelfs een jager worden gevoerd. Een botteloef behoort niet op de Lemsteraak thuis. De Lemsteraak is (als alle Friese aken) van oorsprong een nat schip. Zij heeft dus een bun in de midscheeps ingebouwd met de deken of deek (dek van de bun) en de daarboven uitstekende trog. Er zijn echter uitzonderingen op deze regel, omdat voor sommige visserijen waarbij de Lemsteraak wordt gebruikt, de bun onnodig is. Bovenstaande kenmerken moet men zeker niet te dogmatisch opvatten. Aan de scheppingsdrang van scheepsbouwer en -ontwerper kan men geen dogmatische grenzen stellen.

De Lemsteraak als jacht
De als jacht gebouwde Lemsteraak heeft in principe de scheepsvormen en hoofdkenmerken met het vissersvaartuig gemeen en behoort uit dien hoofde tot hetzelfde grondtype. Anderzijds zijn de afwijkingen van dien aard, dat men het jachttype in de stamreeks der Friese akenfamilie eveneens als een dochter van de Lemsteraak kan beschouwen. De voornaamste verschillen zijn:

  1. Het schip is tot de achterzijde van de kajuitbouw geheel overdekt.
  2. De stuurkuip is bij de grotere schepen zelflozend uitgevoerd.
  3. Het roer is een jachtroer van het boeiertype. Het heeft dus een vaste helmstok. Grotere schepen kunnen met een stuurwiel worden uitgevoerd. Op de roerkop kan een leeuw of andere versiering worden aangebracht, terwijl een al dan niet versierde tjalkroerkop eveneens voorkomt.
  4. De mast is in het algemeen hoger en de tuigage en zeilage meer verfijnd. De gaffel is gebogen als bij een boeier. Vooral de bijzeilen zijn typische jachtzeilen, zoals de grote halfwinder, die op de zeer lange kluiverboom kan worden gevoerd.
  5. Bij de jachten langer dan 15 meter is de b : 1 verhouding veelal kleiner dan 0.3 (bijvoorbeeld Dolphijn, thans Markab, lang 17.50 meter, breed 4.75 meter, verhouding b : 1 = 0.27).

De Gebr. De Boer te Lemmer bouwden zeven jachten, waarvan er weer vier in Nederland zijn (Onrust, Markab, Georgette en Antje). Het oudste jacht, de Hendrika OB11, werd in 1895 gebouwd bij de werf van Duivendijk te Tholen. Het was een houten schip met een (te) hoog boeisel, lang 9.50 meter en breed 3.70 meter. Na 1925 wordt het niet meer vermeld. In de dertiger jaren werden enige jachten gebouwd naar het ontwerp van D. Zijlstra te Amsterdam, die hoewel veelal als Lemsteraak aangeduid, toch niet het zuivere type vertegenwoordigen. Men noemde deze schepen ook wel boeieraak, welke benaming eveneens onjuist is voor deze overigens zeer geslaagde mengvorm van Lemsteraak en tjalk. De Brandeman is een goed voorbeeld van dit type.

Aan het Prinsessejacht De Groene Draeck, ontworpen door A. de Boer te Lemmer en in 1957 gebouwd door de Amsterdamse scheepswerf G. de Vries Lentsch Jr., is een prachtig geïllustreerd boek gewijd, waarin dit schip en zijn wording volledig staat beschreven. De verschijning van dit schip op onze binnenwateren onder de standaard van onze kroonprinses is met bijzondere vreugde begroet door alle liefhebbers van onze vaderlandse schepen. Op de 15e juni 1957 werd De Groene Draeck te Muiden overgedragen aan mui Prinses Beatrix en aanvaardde zij tevens het Beschermvrouwschap van de Stichting Stamboek Ronde- en Platbodemjachten. Een onvergetelijke dag voor allen, die de vlootschouw te Muiden op die stralende lentedag meegenoten.

Eigenschappen
De Lemsteraak-vorm kenmerkt zich door een bijzonder goede zeewaardigheid gepaard aan zeer goede zeileigenschappen. Haar zeewaardigheid dankt dit scheepstype aan het grote volume van het voorschip, de sterk vallende kop, de eivorm van de waterlijnen en de overige op zeegang afgestemde lijnen. De Lemsteraak is naar verhouding minder breed en over haar gehele lengte gerekend minder stijf dan een boeier. Haar aanvangsstabiliteit zal dus wat kleiner zijn en dientengevolge zal de Lemsteraak wat sneller en verder overhangen, voor zij haar evenwicht heeft gevonden. Daar staat echter tegenover, dat althans het jacht zodanig geballast kan worden, dat het onkenter-baar wordt. De heer H. Kersken Hzn., die de bekende jachten Schollevaer I en Schollevaer II ontwierp, besteedde ook aan deze kwestie van de aanvangsstabiliteit bijzondere aandacht, evenals aan de vorm van het achterschip, dat bij de Schollevaer II enigszins gepiekt is. Deze gepiekte bouw behoort niet bij de originele Lemsteraakvorm, doch is daarom nog niet verwerpelijk. Ook de boeiers waren oorspronkelijk niet gepiekt gebouwd, doch de boeiers van Eeltje Holtrop van der Zee zijn alle zonder uitzondering gepiekt. De vraag blijft dan alleen of het ook bij de Lemsteraak als een verbetering op de oorspronkelijke ronde vorm kan worden beschouwd.

De afmetingen van de Schollevaer II zijn: lengte over dek 13.85 meter, breedte 4.35 meter, diepgang 0.97 meter; b : 1 = 0.3
Ter vergelijking met De Groene Draeck — ontworpen door A. de Boer en gebouwd door G. de Vries Lentsch volgen onderstaand de gegevens van de eertijds vermaarde jachten Salamander, Wulp en Onrust, en Dolphijn, gebouwd bij de Gebr. De Boer te Lemmer,

Dit zijn natuurlijk grote en betrekkelijk zware schepen, die een paar sterke en ervaren mannen nodig hebben om roer en zeilen behoorlijk te bedienen. Maar dit soms zware werk wordt dan ook door deze schepen schitterend beloond. Het zeilen van deze grote jachten in een wedstrijd met flinke wind is een uitzonderlijk feest. Zelfs bij de wind steken zij menig goed bezeild scherp jacht de loef af en ruimschoots en voor de wind zijn zij op ruim water schier alles de baas wat zeilen voert.
Men kan echter met het Lemsteraak-type alle kanten uit, wat te bereiken is, zelfs bij bescheiden afmetingen, toont de Antje ex Orion. Dit jacht van 8.60 meter werd in 1907 bij Gebr. De Boer gebouwd. Juist de bijzondere vorm maakt dat dit vrij lichte scheepje, ook bij flinke zeegang niet blijft hakken, doch doorzet. Het heeft evenals haar grote zusters altijd de neiging om naar voren te lopen, zelfs als men probeert bij te leggen. Dit voorbeeld bewijst wel, dat de Lemsteraak zich ook beneden de 10 meter laat verkleinen zonder haar goede eigenschappen te verliezen.
Het is daarom verheugend, dat in de jongste tijd, nu de grote Lemsteraken voor de meeste beurzen te kostbaar zijn geworden, het kleinere type weer gebouwd wordt. Een bijzonder geslaagd beeld van deze wederopbloei is het Lemsterjacht dat in 1959-1960, uiteraard naar eigen ontwerp, werd gebouwd in de bakermat van dit type, de Scheepswerf Gebr. De Boer te Lemmer. Ook andere ontwerpers en bouwers leggen zich toe op Lemsteraken van omstreeks 10-11 meter lengte, waarvoor veel belangstelling bestaat.

Conclusie
De goede Lemsteraak behoort in haar eigenschappen en lijnenspel tot de beste en fraaiste scheepsvormen, welk Nederlands rijk gevarieerde zeilvloot biedt. Geboren in Friesland en aan de oude Zuiderzee, vond zij niet alleen snel haar weg in haar eigen omgeving, doch tevens als geen ander Zuiderzeeschip veroverde zij een eigen plaats onder de Zeeuwse vissersschepen. Dat de Lemsteraakvorm ook het hart van de rasechte jachtzeilers zou winnen, lag voor de hand.

De Lemsteraak zoals wij het schip tegenwoordig kennen

De Tijdlijn van de Lemsteraak

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Prinsessejacht De Groene Draeck

1957

Vier afgevaardigden van het Comité, zich noemende "Varend Nederland" mochten Princes Beatrix door het aanbieden van een oorkonde Haar symbolisch een jacht aanbieden. Waar het aanbod luidde een jacht geschikt om ermede de binnenwateren van ons land te bevaren, met inbegrip van Waddenzee, Zuiderzee, Zuidhollandsche en Zeeuwsche stroomen, is de keuze gevallen op een schip van nationaal type, een rond vaartuig. Teneinde het onderhoud niet te bezwarend te maken werd besloten tot een stalen schip. De Lemsteraak bleek het beste aan de verlangens te voldoen, waarom de keuze op dit scheepstype werd gesteld, een keuze die zonder twijfel tot velen in den lande sprak.

Meer over "Prinsessejacht De Groene Draeck"

Typebeschrijving van de Lemsteraak gebouwd als vissersschip

1. Geschiedenis van de Lemsteraak als vissersschip

De Lemsteraak is in de tweede helft van de 19e eeuw ontwikkeld uit de visaak van de Friese binnenwateren voor de visserij op het noordelijk deel van de destijds open Zuiderzee, tussen Lemmer en Den Helder. Na 1900 werden zij als regel in staal gebouwd. In de grondvorm zijn de Friese ronde jachten te herkennen: kromme voorsteven, ronde lijnen met horizontaal een ei-vorm met de punt naar achteren. In de kop loopt het voordek sterk op.
Hoofdkenmerk is, dat het volume van het voorschip groter is dan dat van het achterschip. De oorspronkelijke lemsteraak was voor de mast overdekt en had als regel een bun, hoewel voor de haringvangst gebruik werd gemaakt van bijboten, de z.g. haringvletten, die werden gesleept. De vissersschepen waren meestal 10 - 12,50m lang.

Alle originele visaken en tot jacht verbouwde visaken in de schepenlijst van het Stamboek

2. Beschrijving van de originele visaken

3. Tuigage

Kenmerken van de Lemsteraak als vissersschip

  1. De Lemsteraak als vissersschip
  2. Algemene kenmerken
  3. Kenmerkende verhoudingen
  4. Verklaring in tekening
  5. Subtypen, specifieke kenmerken

Typebeschrijving van de Lemsteraak gebouwd als jacht

1. Geschiedenis van de Lemsteraak als jacht

Heel vroeg in de 20ste eeuw werden ook grotere aken (tot 17,50m) als jacht gebouwd met een kajuit achter de mast, een hoger achterschip en een boeierroer. De (bemiddelde) eigenaars veroorloofden zich een schipper + een knecht, tevens kok, die tijdens de vaart op het voordek de zwaardlieren en voorzeilen bediende en in het vooronder kookte. Zij verzorgden ook het onderhoud van schip en tuigage.
De grote aken die De Boer bouwde voor de watersport, werden ‘pleziervaartuig, model "Lemsterjacht" genoemd of "plezieraak" of gewoon "jacht". Pas met de bouw van 'De Groene Draeck' raakte de benaming ‘Lemsteraak’ echt ingeburgerd. Dat deze jachten weinig gemeen hebben met de traditionele visaken uit de Lemmer, was geen punt van discussie. De naamgeving kwam dus achteraf. De Lemsteraak is geen product dat als standaardontwerp van de tekentafel rolde, maar een gemeenschappelijke naam voor een verzameling van heel verschillende schepen die volgens de naamgevers echter wel gemeenschappelijke kenmerken hadden. De grote Lemsteraakjachten die voor de Tweede Wereldoorlog gebouwd zijn, spelen in die recente discussie over wat een Lemsteraak is, een belangrijke rol. Die zien er weliswaar heel anders uit dan de oorspronkelijke Lemster visaken, ze komen ook niet voort uit de visaken, maar dragen nu wel de naam ‘Lemsteraak’. 

2. Beschrijving van de Lemsteraak als jacht

3. Tuigage

Kenmerken van de Lemsteraak gebouwd als jacht

  1. De Lemsteraak als jacht
  2. Algemene kenmerken
  3. Kenmerkende verhoudingen
  4. Verklaring in tekening
  5. Subtypen, specifieke kenmerken
  6. Belangrijkste Bronnen
  7. Literatuur
  8. Overige

Publicaties over de Lemsteraak in het Stamboekarchief

De schepen die we tegenwoordig Lemsteraak noemen

  • Originele, meestal gerestaureerde aken van Lemster vissers.
  • Originele visaken die verbouwd zijn tot jacht, zoals de LE12 (Rosshouck) en de LE6. Ook de Zevija, de houten aak LE39, die Eeltje Holtrop van der Zee bouwde, hoort in deze groep.
  • Pleziervaartuigen van voor de Tweede Wereldoorlog zoals die van de Gebr. de Boer in Lemmer, die veelal gebouwd zijn als boeier, als boeieraak of als Lemsterjacht. Later werden die schepen Lemsteraakjacht genoemd. Toen de Lemsteraak niet langer als werkschip werd gebruikt, verviel de aanduiding ‘jacht’ en zei men kortheidshalve Lemsteraak.
  • Lemsteraken die na de oorlog als modern jacht zijn ontworpen binnen de traditie van grote Lemsteraakjachten van voor de oorlog. Een mooi voorbeeld is ‘De Groene Draeck’ (1957) van HKH Prinses Beatrix en daarna de aken die ontworpen zijn door bijv. André HoekH. Lunstroo, J.K. Gipon en Martijn van Schaik.
  • Lemsteraken die vanaf ca. 1970 als jacht zijn gebouwd naar het model van de originele Lemster visaak. Vele als roefschip, maar ook diverse als ‘visserman’, half gedekt, met een ruime, open kuip. Kooijman en de Vries/Van Rijnsoever en de scheepswerven van Blom in Hylpen en Stofberg in Enkhuizen hebben hierin een belangrijke voortrekkersrol in vervuld.

Watersportblad "Watersport" maart 1989 - De Lemsteraak 90 jaar ronde vormen

Alles is rond, geen recht stukje is eraan te bekennen - beter kun je de Lemsteraak eigenlijk niet typeren. In vergelijking met de botter, tjalk en schokker is het een jong type. In 1898 werd de eerste echte houten Lemsteraak gebouwd op de werf van De Boer in Lemmer. Daarvoor werden er al wel veel ronde schepen gebouwd, maar zij werden nog niet als Lemsteraak aangeduid. Overigens werd de naam 'aak' al veel langer voor vele soorten vaartuigen gebruikt, zoals visaken, botaken en mosselaken.

De gegevens over de eerste Lemsteraak konden niet worden ontleend aan archieven van de bouwer, maar komen uit de bewaard gebleven 'snijboeken' van de zeilmakers. In 1899 leverde zeilmaker De Vries de zeilen voor het door De Boer gebouwde schip, dat werd aangeduid als pleziervaartuig. Deze eerste Lemsteraak was trouwens bestemd voor een Belg, Gustaaf Steurbout uit Gent. Steurbout zeilde kennelijk veel en hard, want al in 1906 bestelde hij een derde tuig in Grouw, nu bij de zeilmaker Molenaar. Uit andere bronnen blijkt dat de eerste aak bij Croles gebouwd is. Tot 1930 werden er op de werven van De Boer in Lemmer, Bos in Echtenerbrug, Croles in IJlst en Eeltje Holtrop en Auke van der Zee in Joure regelmatig Lemsteraken gebouwd.

Spiegel der Zeilvaart 1999 en 2000 - Lemsteraken gewogen verplicht in VA klasse

Wedstrijdzeilers willen niet alleen snel zeilen, ze willen vooral graag winnen. Vanaf het begin dat schepen tegen elkaar zeilden volgens een bepaalde meetformule, is er door ontwerpers gesleuteld om zo slim mogelijk te profiteren van de zwakke punten in de formule. Lees de literatuur hierop na! Ontwerpers gingen tot in het extreme. Er zijn daardoor in het begin van deze eeuw bijna gevaarlijke schepen op het water verschenen. Een ontwerper staat voor de keuze: of me er snelheid of minder zeewaardigheid en slechter vaargedrag in zeegang. In onze ronde en platbodemvloot varen oude schepen (soms meer dan honderd jaar oud) tegen nieuw gebouwde schepen die afgeleid zijn van de oude modellen. Maar, waar wel de nieuwe inzichten op ontwerpgebied in zijn verwerkt. Niet alleen dus een strijd op de wedstrijdbanen, ook een strijd op de tekentafels ..
Eén van de gegevens die van belang zijn in de meetformule is de waterverplaatsing. Tot nog toe werd die berekend aan de hand van een aantal maten. Het bleef echter een benadering. Pas als je een schip weegt, met alles erop en eraan, dan weet je exact de waterverplaatsing.

Spiegel der Zeilvaart 1999 en 2000: Niet alleen een strijd op de wedstrijdbanen, ook een strijd op de tekentafels - Dertig Lemsteraken gewogen

Lemsteraak - Trots der Zuiderzee - De Oorsprong en het vervolg

De oorsprong van de Lemsteraak

In Lemmer en omgeving leefden in de jaren zeventig van de negentiende eeuw, de jaren 1870, nog mensen die de grote zeilvaart naar verre landen zelf hadden meegemaakt. De tijd van maritieme bloei lag toen maar kort achter ons. In de achttiende eeuw was Lemmer voor een wijde omgeving een centrum van houthandel uit Scandinavische en Baltische landen geweest. Wel kwam daar in de Franse tijd abrupt een einde aan. Maar nog in 1859 zette de weduwe van Cornelis Poppes Bakker met hulp van onder meer de Woudsender scheepstimmerknecht Pier Klazes de Boer de grote scheepswerf van haar overleden man aan de Langestreek voort.
De oostkant van het dorp, bij de oude Houtmolen, rook eeuwenlang naar naaldhout, vlak bij het gebied waar in 1967 de A6 met voortrazend autoverkeer gedeeltelijk over de oude Rienbedding werd gelegd. In deze omgeving werd toen nog scheepsbouw bedreven, op de plek waar Pier en Sjoerdtje de Boer in 1876 tussen de Rien en de zeedijk met daarachter het Lemster Hop, voor zichzelf begonnen. Feitelijk was toen het doek al gevallen over de 'grote scheepsbouw', zoals die bedrijfsmatig bij Bakker was beoefend. Dat was nog een overblijfsel uit de tijd van bloeiende koopvaardij en handel, waar de via de huwelijksband met elkaar verbonden families Stapert, Wegener en Sleeswijk flink aan hebben verdiend, en Lemmer in hun grote welvaart hebben laten delen. Er waren bij Lemmer in de zeventiende eeuw, vlak voordat zij noord- en oostwaarts voeren, al meerdere factoren aanwezig om de zeilvaart op een hoger niveau te brengen. Toen nog was het een vrij onbeduidend plaatsje met een gering aantal inwoners, minder aanzienlijk dan het boerendorp Oosterzee. Belangrijk voor de groei van Lemmer was de relatief korte afstand tot Amsterdam, waardoor dit dorp na verbetering van Friese binnenwateren de ideale tussenhaven werd voor Groninger, Heerenveens, Jouster, Sneker en Ulster scheepvaartverkeer.
'De houtmole' stond, later uitgerust met een stoommachine en in de jaren 1930 tot 'kistjefabryk fan Halbertsma' omgedoopt, vlak bij de nieuwe scheepswerf. Dat was vooral gunstig in de tijd van houtbouw, die waarschijnlijk mede daardoor relatief lang werd voortgezet.

Boek Lemsteraak - Trots der Zuiderzee - Klaas Jansma en Dirk Huizinga

Er was naast de infrastructurele ook de menselijke factor. Op Lemster, Oosterzeese en Echtense veer- en beurtschepen voeren van oudsher schippers en knechten die wel op een vissersschip wilden overstappen toen de visserij vanaf 1883 sterk groeide en hun eigen bedrijfstak onder druk kwam te staan. Rauke T. Kuipers was één van hen, de aak-bewoner die in de nieuwe eeuw met de 'Poolster' voor Johannes Sterk voer. Er kwamen ook vissers van het binnenwater, dat door inpolderingen, betere bemaling en wegenaanleg droger werd. Werklozen kwamen hun geluk beproeven toen de venen rond 1880 uitgeput raakten en de agrarische economie in het slop zat.
De vakmensen onder hen waren dankzij vooral de Jouster meesterbouwer Eeltje Holtrop van der Zee gewend aan goed gebouwde, snelle binnenaken en veerschepen. Pier en Sjoerdtje de Boer-Visser moesten in de scheepsbouw en de organisatie van hun werk grote prestaties leveren om hen tevreden te stellen. Dat deden ze jarenlang met grote inzet. En toch gaven sommigen de voorkeur aan een IJlster, een Jouster of een Echtens schip boven een aak uit Lemmer.
Sportieve Lemster en Balkster vissers beheersten toen al jaren met hun houten visaken wedstrijden van 'De Zevenwolden' bij Lemmer. Later, in de eerste decennia van de twintigste eeuw, blonken ze tot bij Amsterdam uit in hardzeilwedstrijden. Daarmee legden ze de kiem voor een traditie die in de vroege jaren tachtig van de twintigste eeuw zou herleven.

Voor de ontwikkeling van een specifiek scheepstype voor de visserij was de ontdekking in 1882 van belang geweest dat het Zuiderzeewater tussen Staveren en Enkhuizen veel zouter was dan langs de Friese en Overijsselse kust. Hier was vis te vangen, massa's ansjovis en haring, zonder dat er al te veel moeite voor gedaan hoefde te worden! De voor dit doel gebouwde schepen moesten zowel op woelig water in de monding van de Zuiderzee kunnen varen als op de ondiepe visgronden in de zuidelijke kom van de Zuiderzee tussen Urk, Huizen, Durgerdam en Marken. En ze moesten handig de in 1884 nieuw ontworpen Lemster haven in en uit kunnen komen, met nog een zware bijboot in sleep met zich meevoerend. Om dit bedrijf uit te oefenen was een stevig schip nodig. Er moest een vooronder in gebouwd zijn waar de bemanning desnoods de tijd tussen het schieten en halen van de netten in kon doorbrengen.
Vanaf 1877, of eigenlijk 1882, leverde Pier Klazes de Boer deze schuiten aan een snel groeiend aantal Lemster vissers. Voor een geleidelijke evolutie was de tijd er niet, duidelijke definities en pakketten van eisen bestonden niet. Maar er waren overeenkomsten tussen de vissersschepen uit Joure en Lemmer en later die in ijzer uit IJlst, Echtenerbrug en Lemmer. De ontwikkeling van de Lemsteraak zal die van de visserij, de havenwerken en misschien het klimaat hebben gevolgd. Kort nadat de nieuwe havendammen bij Lemmer werden gelegd, maakte Nederland in 1890 en '91 twee zeer strenge winters door. Toen lagen visschuiten extreem lang ingevroren en vroor in het binnenwater veel vis dood. Het zal niet toevallig zijn dat er blijkens verklaringen van ooggetuigen in 1891 een nieuw type vissersschip uit Lemmer was gezien in het visgebied tussen Laaxum en Staveren.
Bot, schol en paling vervoerden de vissers levend in de bun. Dat vroeg specifieke kwaliteiten van schipper en schip. Een Lemsteraak was, mits goed gezeild, stabiel genoeg om de levende vangst schadevrij en zonder verwonding of zeeziekte aan land te brengen. Zware slagzij, stampen en slingeren is uit den boze als er paling in de bun zit. Te veel snelheid kon tot gevolg hebben dat de bun werd leeggezogen, terwijl deze kon leegvloeien in een diep dal achter een hoge golf. Stabiel en rustig varen was het parool met volle bun, kracht en tempo als met een vlet met gevulde netten de haven bezeild moest worden. Dat zo'n schip zeewaardig moest zijn, is al aangeduid. De Lemsteraak wás het ook. Dat er maar weinig zijn vergaan, kwam niet doordat Lemsters te benauwd waren om bij harde wind het ruime sop te kiezen. Integendeel. Als geladen zeeschepen bij loeiende storm voor Lemmer in de problemen kwamen, durfden Lemster vissers met hun aken van elf, twaalf meter de zee wel op om opvarenden te redden. Het kwam zelfs voor dat de reddingboot dan binnen bleef. En zelden kwamen ze onverrichter zake thuis, (vrijwel) nooit zonder schip. De aak, zei men, doorstond met gemak windkracht 8 en bleef overeind bij windkracht 9, maar hetzelfde schip dreef licht voort als het bijna stil was. Daarbij was de betrekkelijk geringe lengte van de mast op een werkschip natuurlijk ook een factor.

Botter, boeier, aak

Prins Hendrik de Zeevaarder (1820-'79) gaf in ons land in de jaren 1850-'70 al een sportief accent aan het pleziervaren door overal in Nederland de oprichting van zeilverenigingen te stimuleren en fraaie prijzen beschikbaar te stellen voor wedstrijden. Hij voer zelf niet in een scherp jacht van het type dat toen in vorstelijke kringen populair was, maar in 'De Geus', een 'plezierbotter'. Die was handzaam genoeg om zelf het helmhout te hanteren, wat Prins Hendrik dan ook geregeld met succes deed. De botter was geschikt voor een recreatief gebruik op de Zuiderzee. Op binnenwater voeren voorname lieden liever in een Hollands of Fries jacht, of als ze het konden betalen met een boeier. De noordelijke markt voor deze rijkeluischepen werd schraler tijdens de agrarische crisis van na 1876. De levering van mooie schepen aan afnemers in Den Haag, Rotterdam en vooral België ging toen echter nog wel even door.
Industriëlen en havenbaronnen kochten net als Prins Hendrik boeiers en plezierbotters en ze toonden al vroeg belangstelling voor Lemsteraken. Die werden vanaf 1900 als jacht gebouwd, te beginnen met de 'Rommerswaal' van Croles in 1901. Dankzij het speurwerk van akenliefhebber Jan Brilleman, wiens archief nu is te raadplegen bij het Fries Scheepvaart Museum, is er over de vroege akenperiode veel meer bekend geworden dan Stamboekbestuurders eerder hadden geopenbaard. Een deel van die informatie is via de website van Spanvis toegankelijk gemaakt voor een breed publiek.
Maar er is nog veel meer onderzoek nodig om het beeld compleet te krijgen. Intrigerend bijvoorbeeld is de rol van enkele vrouwen uit Lemmer. Dochters van de mast-, blok- en boommaker Siebolt de Vries, de akenbouwer Pier Klazes de Boer en de visroker Poppe de Rook hebben in de connecties tussen Friesland en Zuid- en Noord-Holland een belangrijke rol gespeeld, vooral in de jachtbouw.
De grotere schepen spraken namelijk een ander publiek dan vissers aan, zeker als ze graag op ruim water voeren. Voorname recreanten bevoeren jachten als boeiers en botters en combinaties daarvan - die op aken leken. De eerste Lemsteraak in die functie werd nog voor het begin van de twintigste eeuw als zodanig aangeduid. In 1898 bestelde Gustave Steurbaut uit Gent bij zeilmaker Tjerk Molenaar in Grouw eerst een zeil en later een fok voor een door De Boer gebouwde 'Lemster aak'. Die was kennelijk bedoeld voor de vaart op de Schelde, een geduchte zeearm met soms ruig water en stroming. Toen werd, voor zover bekend, dit begrip voor het eerst op schrift vastgelegd in de snijboeken van de Grouwster zeilmaker.
Jan Stam in Nieuw Lekkerland en Teunis van Duyvendijk in Lekkerkerk bouwden al in 1902 en '04 de houten mosselaak TH51 (later 'De Brave Hendrick', 12m lang) en het ijzeren plezierjacht 'Yolande', later 'Wesrenia', lengte over alles 15,50 m. Volgens zijn eigen verklaring begon Douwe Zijlstra in 1906 schepen te ontwerpen met een soort boeierkont en een krachtige akenkop. Ze werden wel als 'boeieraak' aangeduid. Toen werd bij de Gebroeders De Boer in 1906 het eerste plezieraakje al gebouwd, de 47 voet (13,30 m) lange 'Zeehond' voor J. Pape uit Zoutkamp.
Zowel bij Auke van der Zee in Joure als bij de Gebroeders De Boer in Lemmer werden in 1907 bescheiden plezieraken gebouwd. Bij de eerste werd de 13.75 m lange 'Nitchewo' aangeduid als 'boeier naar het model van een Lemster vischaak'.
De Boer omschreef de 'Antje' voor W.Z. van der Mey als 'aaksmodel boeier'. In het laatste geval is het wel te begrijpen als we de b : 1-verhouding tussen 'Zeehond' en Antje' vergelijken, namelijk 32 en 36%. De Antje' was dus in verhouding veel breder en ronder, met een ruimere kuip, dan de 'Zeehond'. Maar in de aanduiding klinkt ook de functie door: die van plezierschip. Daar hoorde, zou Zijlstra later schrijven, een inrichting bij met ruime trap, slaap-kamer, keuken, goede toiletaccommodatie en stromend water uit welgevulde tanks met een gezamenlijke inhoud van vele honderden liters water.
Kort daarna, in de jaren 1910-'12, bouwde J. Thiebout in Amsterdam de 'Eva' van 9,30 x 3,10 m. Bijna tegelijkertijd begonnen de Gebroeders De Boer aan een serie van vier imposante vijftienmeteraken, die van alle toen door de elite gewenst geachte gemakken waren voorzien: 'Prim(e)rose', 'Salamander', 'Thistle' en 'Onrust', met tussendoor de grotere 'Helena'. De 'Thistle' ('Distel') werd kort daarna al twee meter verlengd. Het echtelijke bed in de slaapkamers was met 1,25 meter breedte naar huidige begrippen aan de bescheiden kant. Dat geldt ook voor de haardstee met witte tegeltjes op de veelgeprezen 'Onrust', die tussen vloer en 'plavon' één meter breed was.

Meer jachten dan visaken

Tussen 1911 en 1915 werden veel 'Lemmeraken' of 'Lemmerjachten' voor de recreatie gebouwd. In 1912 produceerde zelfs de alom erkende skûtsje-bouwer Jan Oebeles van der Werff van Buitenstverlaat in Drachten naast een mooi binnenaakje, de plezieraak 'Frisia' (11,25 x 4 m). Een ontwerp van D. Zijlstra. En grenzen leken niet meer te tellen.
P. van Groeningen in Leiderdorp bouwde in 1913 de eerste 'Schollevaer' (12,35 x 3,40) voor J. Van Vollenhoven in Rotterdam, nadat hij in 1911 aan de hand van het voorbeeld 'Albatros' van Jan Bos uit Echtenerbrug, de 'Blinkert' (of Blinkerd) had gerealiseerd.
Er zijn uit deze tijd meer voorbeelden te noemen. Belangrijk is dat van de Lemsteraak kort na de overgang op ijzer meer exemplaren als jacht voor de recreatie dan als werkschip voor de visserij werden gebouwd. Dat het toen nog niet zo opviel, komt misschien mede doordat er verschillende benamingen 
werden gebruikt. Typerende eigenschappen van de recreatiejachten waren de sierlijker uitvoering met bijvoorbeeld een boeierroer met een ornament op de kop, het ontbreken van de bun en een hogere tuigage met meer vierkante meters doek. Om daar op buitenwater geriefelijk mee te varen was de breedte in verhouding tot de lengte meestal boeierachtig, groter dan de 33% die men op basis van een minimum van 1 : 3 zou verwachten. Minstens zo vaak kwam 1 : 2,6 tot 1 : 2,9 voor.
Langs een heel andere lijn ontstond een in z'n vormen aan de Lemster visaak verwant werkschip, dat op kracht en snelheid was ingericht: de mosselaak. De Gebroeders De Boer hadden al Zeeuwse klanten. Direct in 1902 bouwden ze de 'Eben Haezer' in hout voor A. Kik in Bruinisse. Diens plaatsgenoot P. van der Berg liet in 1911 de 'vischaak Nooit Volmaakt' bouwen. Voor dat schip maakte een van de broers, waarschijnlijk Hendrik, uitgebreide berekeningen om de waterverplaatsing te bepalen. Op Zeeuwse wateren zag men nu een nieuw type visschuiten, die ter plaatse 'Bruinisser aken genoemd zouden worden.
Maar echt succesvol met dit type schip was de hotelhouder Cornelis (Kees) Stapel, die in 1903 op 34-jarige leeftijd werfbaas in Enkhuizen werd. Vanaf 1911 bouwde hij elf gemotoriseerde mosselaken voor Zeeuwse en Wieringer rekening. Omdat deze geen bun hadden en de mast voorlijker stond vanwege de lading mosselen in de kuip, waren deze schepen meer motor- dan zeilvaarders. Ze sloten daarmee aan bij de smaak van een ander vaarpubliek dan echte zeilers. Ontwerpers als Hein Kersken sr. zouden deze lijn doortrekken naar een soort 'motorsailers' met de romp van een Lemmeraak, zelfs zeilloos (jaren dertig) en zwaardloos (jaren vijftig) als een klant dat wenste.
Deze schepen werden vaak zwaar uitgevoerd met 6 tot 7 mm dikke vlakplaten en houten vullingen van de mastkoker en de berghouten. Ook houten slemphouten werden nog algemeen toegepast. Om de gewenste stabiliteit te garanderen werd de bodem verzwaard met ballast in de vorm van beton met ponsdoppen, soms tot een gewicht van 2000 tot 3000 kg.
De recreatieschepen kostten (veel) meer dan eenvoudige visaken. Jan Blauw betaalde in 1908 2612,50 gulden voor zijn 14,15 m lange aak 'Weltevreden', inclusief extra lier á- ƒ12,50. De drie tot vijf jaar later geleverde plezieraken varieerden in (aangenomen) prijzen van 5260 voor de 15 meter lange 'Thistle' (ook wel geschreven als 'Tischle') voor W. Murdock tot 10.522 gulden voor de 17,50 meter lange 'Helena' van H.W. Kalis. Bij Murdock was zestig gulden bij het basisbedrag opgeteld voor 'droogwaadstukken'.
In totaal brachten de zeven plezieraken of aakjes die de Gebroeders De Boer van 1906 t/m 1915 bouwden meer op dan de tien aken voor de visserij in die periode. De plezierjachttraditie van de Lemsteraken is bij de oprichting van een Stamboek voor Ronde en Platbodemjachten niet zo expliciet belicht. De suggestie werd gewekt dat het plezierjacht een afgeleide was van het werkschip. Met enig recht kan men echter verdedigen dat het ontwerp van het oude aakjacht net zo goed verwant is aan dat van de plezierbotter, de boeier en de voor de recreatie aangepaste binnenaak. Dat is vanaf 1970 ook lang de toonaangevende trend geweest, tot in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw. Nu lijkt de slinger weer heftig de andere kant op te bewegen, met de vissermanaak als harmonieus lijkend compromis.

Het woord aak

Pier de Boer zelf noemde zo'n schip botaak als er grote gaten in de bun zaten of visaak als hij van een zekere omvang was. Zo was dat vijftig jaar eerder bij de IJlster scheepsbouwmeester Eeltje Teerdzes Holtrop ook: anders was het een (vis)boot. Dat een Belg in Lemmer of Echten een aak kwam kopen, was op zich niet zo bijzonder. Belgen kwamen, net als Urkers, al eerder naar Bos in Echtenerbrug.
De naam (Lemster) aak is intrigerend. 'Aak' is een algemene, veel gebruikte aanduiding van allerlei soorten schepen met verschillend gevormde stevens en rompen: Hasselter en Genemuider aak, Keen-aak, Lemster-, Wieringer-, Wierumer- en Urker aak, en ook gewoon aak, botaak en visaak zonder meer.
Auke Eeltjeszn. van der Zee duidde een in 1904 door hem in ijzer gebouwde visaak aan als 'Lemmerse aak'. Dat is een ongebruikelijke aanduiding gebleven. Populair werd later wel, vooral bij pleziervaarders in de Randstad, de benaming Lemmeraak. Waarschijnlijk is deze aanduiding gangbaar geworden naar analogie van het bestaande en in Amsterdam overbekende begrip Lemmerboot. Trouwens, in Lemmer zelf kennen we het begrip Rotterdammer Hoek en in Sneek de Lemmerweg.
De herkomst van het element 'aak' is daarmee niet verklaard. Het woord is volgens de etymologen De Vries en Tollenaere in 1597 voor het eerst in de huidige betekenis gebruikt. Zij leggen een relatie met het Vlaamse naak, een oud woord voor kiel. Anderen leggen een relatie met de bun, die door Eeltje Holtrop van der Zee met 'aak' aangeduid zou zijn. Of ze zien er een aanduiding van eikenhout in, passend in de klankverschuiving iik, eek, eik, (aak), oak. Ons lijkt een relatie met 'boogvormig' ('arc' in het Engels en het Frans, vgl. 'Arc de Triomph', zie ook Webster's) niet onwaarschijnlijk, omdat deze vorm juist in de Renaissancetijd, tweede helft zestiende eeuw, in de bouwkunst populair werd. Dit deel vormt de kern van het begrip Architectuur.
De boogvorm, zij het omgekeerd, kenmerkt een schip dat meer buikig dan gestrekt is. Dit was een in het begin bijzondere eigenschap van de eerste (Goudse?) schepen die in het derde kwart van de zestiende eeuw met een zijzwaard werden uitgerust. Dat moet bij grootschippers, kapiteins en scheepsbouwmeesters een overweldigende indruk hebben gemaakt en het ligt voor de hand dat daar een bij de vorm passend woord aan werd gehecht.In het juninummer 2012 van 'Spiegel der Zeilvaart' heeft maritiem historicus Anton Wegman daar een interessant artikel over gepubliceerd (36ste jaargang nr. 5). Nader onderzoek in Britse en Franse archieven zou hier misschien meer helderheid in kunnen opleveren.

Terug naar Lemmer

Er is sinds het oerbegin veel gebeurd met het schip dat wij in dit boek beter leren kennen. Heel belang­rijk voor het gebruiksgemak was de ontwikkeling van een handzame inbouwmotor, die in de jaren 1920 in zwang kwam, vlak voor de afsluiting van de Zuiderzee. Na 1932 verdween de visserij goeddeels uit Lem­mer, en daarmee de Lemsteraak. In 1970, toen hier een grote reünie van de Stichting Stamboek Ron­de en Platbodemjachten werd gehouden, hadden nog maar één of twee van deze aken hier domici­lie. Lemmer was een industriële subkern gewor­den met een groeiend toerisme en een weer toe­nemend inwoneraantal. Duitsers woonden er toen nog maar amper in Lemmer, al waren er al wel vier jachtbouwers actief. Het is een bijzonder verhaal hoe de Lemsteraak in de jaren 1980 en '90 in Lem­mer terugkeerde.
Er was in deze plaats even een aanzet tot tra­ditionele scheepsbouw geweest. De 41-jarige Wil­lem Hendrik Stofberg had in 1965 en een deel van 1966 aan de Luitjen Mulderstraat in Lemmer gewoond. In zijn oude woonplaats Aalsmeer-Oost was het achter het water te ongerieflijk geworden voor zijn uit 1793 daterende familiebedrijf. Hij wist hoe men een Lemsteraak moest bouwen. In 1959 begon hij met de verbouwing van een woonarkje tot de 'Breebanck'. Daarna bouwde hij het kleine 7,50 meter aakje 'Grietje Bosker', later omgedoopt tot 'Jonge Egbert'. Op industrieterrein Buitengaats bij Lemmer bouwde A.H. Visser voor deze markante Stofberg een jachtwerfje tegen het grote bedrijf van collega Mulder en Rijke aan. Dit deed Stofberg in 1966 weer van de hand omdat er in het bijbehorende haventje veel te weinig ruimte was en de uit Langweer verdreven jachtbouwer Van Dijk de zaak wel wilde overnemen. Stofberg kwam met vrouw Louise Kruijswijk en zijn zonen Pim (*1961) en Jan Willem 'Pils' (*1964) eerst in Leimuiden en tenslotte in Enkhuizen te­recht. Daar bouwde hij op een mooie, ruime locatie traditionele aakjachten met meestal een houten op­bouw, die onder de berghouten geklonken waren. Zijn vertrek uit Lemmer was onvermijdelijk toen bleek dat er geen ruimte voor uitbreiding was. Dat het zo snel ging, had echter misschien ook te ma­ken met het feit dat hij zich er niet helemaal geac­cepteerd voelde. Daar droeg toe bij dat Arie van Dirk de Boer weigerde aan hem de originele De Boer-tekeningen over te dragen. Arie nam die te­keningen, zei hij, liever mee het graf in dan ze aan een ander te geven.

Maar toen de Gebroeders Fokke en Jelle Hum­mel in 1976 hun eigen jachtbouwbedrijf begon­nen op het oudste gedeelte van de oorspronkelijke De Boerwerf, dacht de kleinzoon van Pier de Boer er anders over. Fokke Hummel verklaart dat nu uit het feit dat zij Lemsters waren en zonen van een vroegere medewerker. Zij kregen daarom wél de beschikking over de originele ontwerptekeningen én uitslagen, en konden zo beginnen aan een nieu­we serie naar oud model. Wél eisten opdrachtge­vers uiteraard het comfort en ook de sportiviteit van de nieuwe tijd. De sportieve Lemsteraak die ook geschikt was voor wedstrijden, werd populair in de jaren tachtig. Het is niet toevallig dat toen een nieuwe generatie babyboomers volwassen werd. Als de ouders hun opgroeiende zonen tijdens de langer wordende va­kanties aan boord wilden houden, moest er wel wat te beleven zijn. Een doorbraak in Lemster richting kwam in 1982 tot stand. Dat was het jaar waarin de eerste edi­tie van Lemmer Ahoy werd gevaren en de tweede Bolkoppenrace op het programma stond. Jan Brilleman liet datzelfde jaar zijn bij De Boer gebouw­de Lemsteraak LE10 'Twee Gebroeders'bij Hylke Wildschut in Gaastmeer restaureren. Ondernemer 'Rooie' Tim van Rootselaar uit Nijkerk had eerder de jonge (Haarlemse) HTS-student André Hoek op­dracht gegeven zijn Lemsteraak 'Groote Beer' te optimaliseren. Van Rootselaar en zijn zonen Tim, Willem en Harry waren jarenlang elk wintersei­zoen met snijbrander en lasapparaat bezig om, be­ginnend bij de scheg, het uiterste uit hun schip te halen. Die strijdlust werd herkend door de directie van het Belgische zeitmerk North Sails, die hem geregeld nieuwe tuigages vertstrekte als bonus op geleverde prestaties en reclame voor het merk.
De Gebroeders Hummel bouwden in 1982 hun eerste Lemsteraak voor T.C.M. van Huystee in Lisse in 1979-'80. Deze 'De Grote Hond' (12,85 x 4,35 m) had een kopie moeten worden van de LE74 die Pier de Boer in 1900 voor 'Grutte' Steven Visser had gemaakt. Omdat de nieuwe aak vei­lig moest varen op een woelig IJsselmeer, was op verzoek van Van Huystee het boeisel op het ach­terschip verhoogd. Dat zag er volgens de kenners niet mooi aakachtig uit. De Gebroeders Hummel, die zelf ook niet helemaal tevreden waren, kregen voorlopig geen tweede opdracht. In Stavoren opperde Hummels kennis Tjerk Westra, vertegenwoordiger van Volvo, het idee om dan maar een schip 'op de koop', dus voor eigen ri­sico, te bouwen en dat op de Hiswa te presenteren. Dat was een heel waagstuk, maar stilzitten was ook niks. Ze deden het in 1983, het jaar van de eerste Schuttevaerrace. Toen stond een nog naamloze aak (van 12,85 x 4,30 m) fraai getuigd te pronken in de Europahal van het RAI-complex. Hij is als 'Selinde' verkocht aan Jan Moes te Epe.
De Lemsters André en Peter Sterk praatten in die tijd met de van elders gekomen veearts Bouke Schuurmans over de teloorgang van de plaatse­lijke visserijcultuur en het in rap tempo verdwij­nen van de Lemster identiteit. Het was, na jaren van afbraak en nieuwbouw, even tijd voor bezin­ning. Toevallig werd dat ook zo ervaren binnen de Lemster skatsjecommissie, die Jelle Reijenga aanzocht om opvolger van de Westhemse schip­per Sietze Hobma te worden. Dat in Lemmer tus­sen duizenden 'vreemde' jachten maar een stuk of drie Lemsteraken domicilie hadden, vonden deze mensen frustrerend. Metselaar Bennie Postma uit Tjerkgaast had in 1981 zijn Lemsteraak 'Kentskele' bij Blom laten bouwen!
Op de Hindelooper werf werd het, nadat Rinse Joustra uit Lelystad er nog de 'Anrei' vandaan had gehaald, een paar jaar erg rustig. Dat verstoorde de feestvreugde een beetje toen op 17 juli 1982 een 67-jarige lege Blom in Gorinchem de W.H. de Vosprijs uitgereikt kreeg, toegekend voor de mooie aken die onder zijn leiding waren gebouwd. In 1986 kreeg de werf in Hindeloopen de gang weer te pakken, toen C.W.M. Busker uit Lemmer en A.H. Versloot uit Maassluis er resp. een 11,20- en een 10 meter-aak lieten bouwen. Toen lieten André en Peter Sterk en Bouke Schuurmans net drie Hummelaken bouwen, name­lijk de 'Poolster', de 'Witte Walvis' en de 'Witte Bever'. Een Lemster traditie maakte een herleving door, die samenviel met een vrijwel ononderbroken groei van de akenvloot in andere Zuiderzeehavens. Het schip werd dankzij grote productie op werven over heel Nederland met de zeeschouw de popu­lairste en meest voorkomende grote platbodem van de Nederlandse wateren.

Zwaardloze schepen

Er zijn in de maritieme historie vier oplossingen gevonden voor het winnen van hoogte bij het zeilen aan de wind. Het gaat erom de zijwaartse driftneiging van het schip om te zetten in voorwaartse stuwing. Dat kan door de vorm van het schip zelf, door het aanbrengen van een flinke kiel met scheg en roerhak, door een op en neer te bewegen midzwaard en door zijzwaarden. Die laatste zijn er in twee hoofdtypen, namelijk de eivormige en de langwerpige. Ze zijn buiten West-Europa weinig toegepast. Om met weinig kiel (en geen zwaarden) aan de wind te kunnen zeilen zonder sterk te verlijeren, moet een schip lang en scherp zijn met harde kimmen. Punters voldoen aan die eis, en waarschijnlijk de oude Veenwoudster praam.
Het midzwaard is bij Lemsteraken incidenteel wel toegepast, maar het wordt bij dit scheepstype toch als een noodoplossing beschouwd, net als een diep stekende kiel. Daar staat tegenover dat veel zeilers en sommige ontwerpers, zoals H. Kersken, het op zee varen met zijzwaarden als achterhaald en onpraktisch beschouwden.

Aak

Eeltje Holtrop van der Zee schreef één keer een zeer uitgebreid bestek voor een aak van 29 voet, die hij voor waarschijnlijk Liekele Poepjes bouwde. Dat is er namelijk later bijgeschreven. Deze aak kostte in totaal meer dan 1100 gulden. De lengte van 29 voet kwam bij houten aken uit Joure in het laatste kwart van de negentiende eeuw veel voor. Meestal lag de prijs excl. zeil en touwwerk rond de duizend gulden.
Bij visboten noemde E. Holtrop van der Zee de bun wel eens 'aak', als hij het vaak gebezigde woord 'deek' al had geschreven. Het bovenste deel, dat bij De Boer 'trog' werd genoemd, heette bij Holtrop van der Zee (nog) 'dog'.


(e-)Boek "Lemsteraken voor de recreatie" - Dirk Huizinga

De afgelopen decennia, toen het geld wat gemakkelijker rolde dan de afgelopen jaren, dus voor het uitbreken van de financiële en economische crisis in 2008, zijn veel oudere Lemsteraken gerestaureerd of gerefit. Ook zijn er voor dit scheepstype vanaf 1980 interessante nieuwe ontwerpen gemaakt met een innovatief karakter. Van alle traditionele ronde- en platbodemjachten is de Lemsteraak het enige type dat de afgelopen decennia voortdurend in de belangstelling van jachteigenaren heeft gestaan en waar ontwerpers veel nieuwe ideeën voor hebben ontwikkeld om het scheepstype te optimaliseren.

In het najaar van 2012 bracht uitgeverij Penn uit Leeuwarden het boek Lemsteraak, trots der Zuiderzee uit, onder redactie van Klaas Jansma en ondergetekende. In dat omvangrijke werk ligt het accent op moderne aken. Op de actuele ontwikkelingen bij het ontwerp en de bouw van deze schepen. Het vooronderzoek dat ik voor die publicatie deed over de Zuiderzeevisserij bij Lemmer en de historische ontwikkeling van de Lemster visaak en het Lemsteraakjacht, bracht zoveel voor mij interessant materiaal naar boven, dat ik besloot zelf twee boeken uit te geven waarin die onderwerpen uitvoeriger aan bod komen dan mogelijk was in het boek Lemsteraak, trots der Zuiderzee. Daarbij heb ik me bij het voorliggende boek Lemsteraken "voor de recreatie" inhoudelijk beperkt het gestructureerd, binnen een eigen context, beschrijven van de volgende voorbeelden van Lemsteraken:

  • aken die daadwerkelijk als visaak gebruikt zijn door Lemster vissers, daarna uiteindelijk verkocht zijn "voor de recreatie" en die nu nog als jacht in de vaart zijn;
  • aken die ontworpen en gebouwd zijn als pleziervaartuig en die we op enig moment Lemsteraak(jacht) zijn gaan noemen.
(e-)Boek "Lemsteraken voor de recreatie" - Dirk Huizinga

De tweede groep van pleziervaartuigen die uiteindelijk Lemsteraak zijn gaan heten

In dit boek geef ik dus geen voorbeelden van oorspronkelijke visaken die niet als zodanig in De Lemmer zijn gebruikt. De tweede groep van pleziervaartuigen die uiteindelijk Lemsteraak zijn gaan heten, is voor dit boek belangrijk, omdat met hun geschiedenis duidelijk wordt, dat veel van de huidige Lemsteraakjachten niet primair voortkomen uit de visaken van de Lemster vissers. De meeste grote aakjachten van voor de oorlog zijn primair ontwikkeld uit de grote boeierjachten van de 19e eeuw. Van de Lemsteraken die gebouwd zijn na de Tweede Wereldoorlog beschrijf ik vooral de typische kenmerken van die schepen binnen een maritieme ontwikkeling. Ik schets een algemene ontwikkelingslijn, geïllustreerd met enkele voorbeelden, die afgesloten wordt met de tot dit moment meest innovatieve Lemsteraak, de 'Buikschuiver 2' uit 2012, afgeleid van de revolutionaire `Warber' van dezelfde werf.

Van de oudste Lemsteraken was het voor mij moeilijk om betrouwbare informatie te vinden over de herkomst en geschiedenis van deze schepen. Eerder worstelden andere onderzoekers met het zelfde probleem. Van de scheepswerf van De Gebroeders De Boer in Lemmer zijn de werfboeken, tekeningen, bestekken en andere administratieve gegevens bewaard gebleven vanaf het jaar 1902. Informatie over Lemsteraken die voor die tijd zijn gebouwd, ook op andere werven, is in het verleden vooral verkregen door informatie te verzamelen bij oudere Lemsters die zich een en ander wellicht nog konden herinneren. Met behulp van dergelijke 'oral history' is een en ander vastgelegd. Helaas is het menselijk geheugen minder betrouwbaar dan we zelf vaak denken. Met alle respect voor de geïnterviewde mensen, maar informatie die zo verkregen is, spreekt elkaar nog wel eens tegen. Oral history moet aangevuld worden met administratieve gegevens, met koopaktes, met gegevens uit gemeentelijke registraties etc. Voor de onderzoeker blijft het ook dan vaak gissen naar de juiste geschiedenis van een schip. Veel van de informatie, ook in dit boek, zie ik daarom als `voorlopig', totdat er beter onderbouwde gegevens boven water komen. Een voorbeeld is de geschiedenis van de visaak LE2 van Teade Wouda. Een jaar lang bracht ik dit boek uit met de informatie die toen gold: de aak ging in 1919 over naar Steven Bootsma (LE38) en in 1939 werd die verkocht naar Moddergat (WL13). Informatie uit de overlevering, verkregen in het verleden uit gesprekken met oud-vissers. Totdat dit alles onwaar bleek te zijn. De gemeentelijke registratie van visserijnummers geeft heel nuchter aan, dat deze aak al die jaren gewoon in De Lemmer in gebruik bleef bij de vissersfamilie Wouda.... Een ander probleem is het veelvuldig wisselen van eigenaar van de schepen. De visserijnummers waren persoonsgebonden (totdat een visser zich liet uitschrijven). Als een visser een ander schip kocht, kwam daar zijn eigen visserijnummer op. Een visserijnummer zonder verdere gegevens geeft dus nauwelijks informatie over een schip. Huitema (1982) bijvoorbeeld was zich niet bewust van deze veranderlijkheid en vroeg zich bij een foto van de LE15 serieus af hoe het mogelijk was dat de kop van de Lemsteraak LE15 (de Albatros van Bos, 1899) zo sterk kon zijn veranderd. Huitema keek echter naar een foto van een Kuunder schuit, een grote zeepunter, met visserijnummer LE15. Waarschijnlijk het scheepje dat Klaas Koornstra in 1933 liet registreren. Huitema was zich onvoldoende bewust van de tijdgebondenheid van de registraties. Een visserijnummer als zodanig geeft geen informatie.
Net als Huitema in 1982 heb ik in 2012 geprobeerd zo juist mogelijke informatie te verzamelen, maar net als Huitema, heb ik ongetwijfeld ook bij gebrek aan kennis onjuiste informatie voor waar gehouden. Ik houd me daarom aanbevolen als er lezers zijn die nieuwe, aanvullende of betere informatie kunnen leveren.

Dè Lemsteraak bestaat niet - Dirk Huizinga

Dirk Huizinga schrijft: De naam `Lemsteraakjacht' raakte pas ingeburgerd, toen HKH Prinses Beatrix voor haar 18e verjaardag een jacht kreeg dat zo werd genoemd.
Tijdens het vooronderzoek dat ik voor het boek "Lemsteraak, trots der Zuiderzee" deed naar de Zuiderzeevisserij bij Lemmer en de ontwikkeling van de Lemster visaak en het Lemsteraakjacht, werd mij duidelijk, dat er geen vanzelfsprekende lijn loopt van de Lemster visaak naar het Lemsteraakjacht. De naam `Lemsteraakjacht' raakte pas ingeburgerd, toen HKH Prinses Beatrix voor haar 18e verjaardag een jacht kreeg dat zo werd genoemd. Bij de scheepswerf van de Gebroeders De Boer in Lemmer is zelfs nooit een schip gebouwd dat door de opdrachtgever of door de bouwer Lemsteraak of Lemsteraakjacht werd genoemd. In de werfboeken van De Boer wordt gesproken over visaken, over plezieraken, boeiers, pleziervaartuigen en Lemsterjachten.

(e-)Boek Dè Lemsteraak bestaat niet - Dirk Huizinga
Tekening Lemsteraak 'Rommerswael' uit 1903

Naamgeving door de jaren heen

Bij mijn onderzoek naar deze plezieraken ontdekte ik, dat veel Lemsteraakjachten van oorsprong niets te maken hebben met visaken. De meeste grote aakjachten van voor de oorlog zijn ontworpen als boeier en werden daarom tijdens en na de bouw gewoon `boeier' of `boeieraak' genoemd. Pas in de jaren zestig zijn we al dit soort schepen Lemsteraak gaan noemen.

Vanaf 1980 kwam in akenland een nieuwe ontwikkeling op gang. Jonge ontwerpers probeerden met moderne middelen Lemsteraken te ontwerpen die sneller en beter moesten zeilen dan al hun voorgangers. Die ontwikkeling heeft een voorlopig eindpunt bereikt met de meest innovatieve Lemsteraak van dit moment: de `Buikschuiver 2' uit 2012. Een aak die een uitwerking is van de al even revolutionaire `Warber' die een jaar eerder voor veel commotie zorgde onder de eigenaren van grote Lemsteraken. Die vroegen zich af of deze schepen wel echte Lemsteraken waren.
Hoe ver kon een ontwerper gaan zonder af te wijken van de normen die de Stichting Stamboek voor Ronde en Platbodemjachten (SSRP) had opgesteld voor dit scheepstype?


De "moderne" 'Buikschuiver 2' in actie

Lemsteraakjachten van voor de Tweede Wereldoorlog

Spelevaren was rond 1900 iets voor de maatschappelijke bovenlaag. Gewone mensen wèrkten om in leven te blijven. Vrije tijd bestond voor hen niet, werkloosheid wel. In de klassenmaatschappij aan het begin van de 20e eeuw waren het leden van de hogere burgerij, geslaagde zakenlieden, artsen, notarissen, rechters en advocaten die zich een speeljacht konden veroorloven. Ook burgemeesters, veelal van adellijke afkomst, zeilden in fraaie jachten, waarbij in Friesland de boeier voor hun een favoriet schip was.
In de vroege 20e eeuw werd duidelijk, dat schepen van die afmetingen beter van staalijzer gebouwd konden worden. Er verschenen vooral grote staalijzeren boeiers op het water, zoals "het zeiljacht" 'Rommerswael' in 1901, "de boeier" 'Marva' in 1917 en "het Lemsterjacht" de 'Annie Lavinia' in 1920.


Drachten, 1917. De nieuwe boeier ‘Marva’ (nu 'De Brave Hendrik) wordt in de vaart voor het Buitenstvallaat vaarklaar gemaakt

Croles in IJlst

In 1901 werd bij Croles in IJlst een groot `zeiljacht' gebouwd, de 'Rommerswael', die de functie had van een boeier en die tegenwoordig als charter in gebruik is als de Lemsteraak `De Witte Walvis'. Croles hield het zelf op een `zeiljacht'. In 1899 had Croles al twee visaken gebouwd, de LE170 en de LE171. Die fungeerden niet als voorbeelden bij de bouw van het zeiljacht Rommerswael, dat vijf meter langer was dan de visaken. Die visaken kregen van Croles een heel andere vormgeving en werden heel anders getuigd dan het zeiljacht. Het zeiljacht werd als een grote tjalk getuigd met een relatief lange, rechte gaffel. Het zeiljacht en de visaken waren niet alleen in gebruik, maar ook qua ontwerp gewoon verschillende schepen.

Gebr. de Boer in Lemmer

Bij De Boer in Lemmer stond in 1906 een `plezieraak' op stapel en in 1907 nog een `plezieraakje' van heel bescheiden afmetingen. Dat waren plezierjachtjes met de vormen van een visaak. Een paar jaren later bouwde De Boer `pleziervaartuigen model Lemsterjacht' die bijna een keer zo lang waren en die, anders dan die kleine `plezieraakjes', qua lijnen niet duidelijk afgeleid waren van de visaken. Net als bij de Rommerswael van Croles waren de grote plezierjachten die De Boer bouwde schepen die qua vormgeving niet voortkwamen uit de visaken, maar gezien moeten worden als zelfstandige ontwerpen. In dezelfde periode werden op diverse werven in het land grote ronde jachten gebouwd van staalijzer, in verschillende afmetingen, die meestal `boeiers' werden genoemd of `boeieraken', `boeieraakjachten' en zelfs een enkele keer `Lemmerboeieraak'. Met die benamingen moest het karakter van het schip duidelijk worden. Het waren luxe schepen die op dit moment als `Lemsteraak' geregistreerd staan.

De Lemsteraak 'Annie Lavinia'

In 1920 bouwde Akerboom een groot stalen `Lemsterjacht' (de 'Annie Lavinia') dat helemaal niet leek op een visaak uit Lemmer, maar wel op de grote boeiers uit die tijd. Je zou het een boeieraak kunnen noemen, een zeewaardig boeierjacht, eventueel zelfs een zeetjalk, gezien de lange lijn, maar beslist geen luxe visaak. Ontwerper Zijlstra noemde dit schip zelf ook regelmatig een `boeier'. Nu kennen we de 'Annie Lavinia' na een restauratie alleen nog als Lemsteraak.


Annie Lavinia' OA.37 Eigendom van de heer F.W.H. van Beuningen, Rotterdam, gebouwd bij de N.V. Akerboom te Boskoop in 1920 (collectie Maritiem Museum Rotterdam)

Lemster visaken, ontwikkeld uit de Friese visaak

Het lijkt mij een vooral theoretische vraag of de Lemster visaken wel of niet ontwikkeld zijn uit de Friese binnenaken. Regelmatig wordt die vraag gesteld en natuurlijk is daar geen `bewijs' voor. De bouw van een iets grotere en meer zeewaardige aak voor de visserij op zee leidde in die tijd vanzelfsprekend tot een model dat we vrij recent Lemsteraak zijn gaan noemen. De houten visaken die door Eeltje Holtrop van der Zee en door Pier de Boer voor Lemster vissers werden gebouwd voor de Zuiderzeevisserij, waren groter dan de houten binnenaak. Ze waren zwaarder en hadden een hogere kop en kont, dus meer zeeg, om opgewassen te zijn tegen de omstandigheden op zee. In die ontwikkeling zit niets bijzonders. De bouwers van de zeewaardige aken waren dezelfden die de visaakjes voor het binnenwater maakten. Bij De Boer schakelden ze in 1900 over op ijzerbouw en de kleinzoon van Eeltje H. van der Zee, Auke van der Zee, deed dat in 1901. Vanaf die tijd werden bijna alle visaken van staalijzer gebouwd. Zowel de aakjes voor het binnenwater als de grotere voor de Zuiderzee.


De ijzeren visaak 'De Nieuwe Zorg (Gebr. de Boer 1899) in 1974. In 2008 verbouwd tot roefaak. Stamboeknummer 138

IJzeren visaken voor Lemster vissers

De scheepswerf De Boer in Lemmer komt de eer toe dat zijn ontwerpen beeldbepalend zijn geworden voor het scheepstype `Lemsteraak'. Als we spreken over Lemsteraken, denken we in de eerste plaats aan aken die bij de Gebroeders de Boer in Lemmer zijn gebouwd. Die beeldvorming doet vooral onrecht aan de verdiensten van J .J. Bos uit Echtenerbrug, die immers rond het jaar 1900 eveneens fraaie ijzeren aken bouwde, zoals de LE15, de LE21, de LE41, de LE47, de LE64. Allemaal aken die ook nu nog in de vaart zijn als originele Lemster visaken en die niet minder fraai ogen dan de visaken van de Gebroeders De Boer.
Van de LE50 is zelfs jaren gedacht dat dit een Bos-aak was. De verschillen tussen de aken van Bos en van De Boer waren ook niet zo groot. De scheepswerf in Lemmer ging echter veel langer door met de bouw van ijzeren aken dan de concurrentie. De Gebroeders de Boer bouwden tot 1914 visaken, ondermeer voor Zeeuwse vissers, en daarna bleven ze vrachtschepen bouwen tot 1925.


Gebruikelijke variatie in modellen en benamingen

Rond 1900 was men vanuit de houtbouw gewend dat ieder schip vanuit een basisidee ook zijn eigen vorm had. Alle schepen hadden een eigen karakter, omdat de vormen slechts globaal waren vastgelegd. Pas met de bouw van ijzeren schepen werd uniformiteit vanzelfsprekend, omdat er noodzakelijk van tekening moest worden gewerkt. Het was in die tijd heel gebruikelijk dat schepen van een bepaalde bouwer in een bepaalde plaats een eigen naam kregen, alsof het bij iedere bouwer en iedere streek om een eigen scheepstype handelde.
Die naamgeving kon in de loop der jaren ook zomaar weer veranderen. De Vollenhovense bollen van Jan Kroese uit Vollenhove werden door de scheepsbouwer zelf `visaken' genoemd, maar uiteindelijk werd hun naam `Vollenhoofse bol'. Toen de Engelsman Doughty in 1888 zijn zeiltocht door Friesland maakte en hij met z'n Norfolk wherry tijdens de feestweek in Sneek lag, keek hij zijn ogen uit. De grachten lagen volgepropt met die voor hem zo eigenaardige Nederlandse vrachtschepen: tjalken, boeiers, tjotters, pramen, schuiten, aken, bollen, schouwen, bokken en noem maar op. Voor Doughty leken ze allemaal sterk op elkaar. Ze verschilden volgens hem vooral in details. "We hebben nooit al hun verbijsterende namen onder de knie gekregen." (Doughty, 1889, p. 23) Het eindeloos onderscheiden van scheepstypen die ondertussen allemaal op elkaar lijken, was voor hem een typisch Hollandse afwijking.
Ruim dertig jaren later schrijft Philippona, toch zeer deskundig op platbodemgebied: "Een vrolijk ingewikkelde verwarring in de benamingen van oude scheeps- en jachttypen, heeft van oudsher bestaan; een wonder is het dus niet, dat wij er ook thans zo slecht in thuis zijn." (1931, p. 137) Als reden van de verwarring noemt hij, dat vooral de deskundigen het lang niet altijd met elkaar eens zijn over de benamingen. Wat betreft de visaken viel hem op dat in Friesland aken werden genoemd naar de plaats waar ze werden gebouwd en/of gebruikt. Hij zag daarin geen reden te spreken van verschillende scheepstypen. Ze werden gebouwd als visaak en pas later werd er een plaatsnaam aan toegevoegd. Een bolletje dat gebouwd was bij Zwolsman in Workum, heette in Workum een Workumer bol, in Enkhuizen een Enkhuizer bol en in Wieringen een Wieringer bol.

Overzicht van staal-ijzeren vissersvaartuigen en pleziervaartuigen die tussen 1900 en 1930 gebouwd zijn bij De Boer in Lemmer.

Zie ook de Hellingboeken en Bestekken van Gebr. de Boer - Lemmer

nr naam afmetingen jaar opdrachtgever visserijnr.
Gebouwd door Pier de Boer
1 Eersteling 11.36 x 4.20 1900 W. vd Bijl, Lemmer LE28
2 Vijf Gebroeders 11.36 x 4.20 1900 Steven Visser, Lemmer LE74
Gebouwd door Sjoerdje Visser (na de scheiding van Pier de Boer)
3 Drie Gezusters 11.36 x 4.20 1900 S. Zeldenthuis, Lemmer LE56
4 Dolphijn 11.20 x 4.06 1901 Johannes Sterk, Lemmer  
5 mosselaak 12.73 x 4.25 1901 Bruinisse  
Gebouwd door de Gebroeders De Boer (na de uitkoop van Pier en Sjoerdje)
6 De Hoop 12.73 x 4.25 1902 Joh. Visser, Lemmer LE12
7 De Jonge Wietske 11.32 x 4.10 1902 P. Bootsma, Lemmer LE25
8 Eben Haëzer (hout) 12.73 x 4.25 1902 A. Kik, Bruinisse  
9 It is mei sizzen net ta dwaen 11.60 x 4.10 1902 T. Wouda, Lemmer LE2
10 Onderneming 11.32 x 4.10 1902 C. Portegrijs, Kolhorn  
11 Eersteling 12.73 x 4.25 1902 A. Kramer, Urk  
12 Drie Gebroeders 11.88 x 4.10 1902 A. Bakker, Lemmer LE6
13 Margaretha (hout) 11.88 x 4.10 1903 J. Kingma, Lemmer LE9
14 Drie Gebroeders 12.45 x 4.10 1904 R. Rayer, Hoorn  
15 De Jonge Jan (hout) 11.88 x 4.10 1905 D. Coehoorn, Lemmer LE23
16 plezieraak Zeehond 13.30 x 4.24 1906 J. de Pape, Zoutkamp  
17 plezieraakje Antje 8.50 x 3.10 1907 W. vd Mei, Leiden  
18 Weltevreden 14.20 x 4.54 1908 J. de Blaauw, Lemmer LE8
19 Zes gebroeders (hout) 11.92 x4.26 1909 H. Koornstra, Lemmer LE50
20 Eben Haëzer 14.20 x 4.54 1910 G. Buis, Enkhuizen  
21 Vrouwe Jacoba 11.88 x 4.10 1910 C. van Veen, Urk  
22 Jonge Dirk 12.45 x 4.24 1910 W. Lub, Enkhuizen  
23 Nooit Volmaakt 12.73 x 4.25 1911 P. vd Berg, Bruinisse
24 Noordster 12.73 x 4.10 1911 G. de Blaauw, Lemmer LE67
25 plezieraak Primrose 15.00 x 4.50 1912 W. Vastenagel, Antwerpen  
26 plezieraak Salamander 15.00 x 4.50 1912 L. Herfurth, Antwerpen  
27 Twee Gebroeders 8.20 x 3.00 1912 J. Stienstra, Lemmer LE10
28 Spes Salutis 12.73 x 4.10 1913 J. Kingma, Lemmer LE88
29 Weltevreden 12.73 x 4.10 1913 J. de Blaauw, Lemmer LE8
30 't jacht Thistle 15.00 x 4.50 1913 W. Murdock, Antwerpen  
31 't jacht Helena 17.50 x 4.80 1913 H.W. Kalis, Dordrecht  
32 't jacht De Onrust 15.00 x 4.50 1915 W.H. de Vos, Dordrecht  
33 Fazant 14.25 x 4.40 1916 T. Verschaegen, Zierikzee  
34 Maria Christina 14.25 x 4.40 1917 Gebr. Schott, Zierikzee  
35 Boeier Lemsterlicht 11.56 x 3.82 1921 J. Lauwereis, Antwerpen  
36 Botter VI II 19.40 x 5.40 1928 Visserij Inspectie, Den Haag  
37 Lemsterjacht Dolfijn 17.50 x 4.80 1929 M. Sanders, Amsterdam  
38 Mosseljacht TH3 15.20 x 4.50 1929 H. Baaij-Schol, Tholen  
39 Mosseljacht ZZ4 15.20 x 4.50 1929 P.J. Blommaard, Zierikzee  

Wedstrijdzeilen en toervaren

De traditionele platbodemjachten waren bedoeld als `plezierjacht'. De boeier heeft historisch gezien daarin een voortrekkersrol gespeeld. De maatschappelijke elite die zich een boeier kon veroorloven, gebruikte het schip (met zetschipper en knecht) voor dagtochtjes bij mooi weer. Het ging niet alleen maar om gezelligheid en pronkzucht. De watersportverenigingen organiseerden ook zeilwedstrijden, `hardzeilerijen', waarbij met ondermeer de boeiers gezeild werd op het scherp van de snede. Zo'n zeilwedstrijd was niet voorbehouden aan de welgestelden die zich een plezierjacht konden veroorloven. Beurtschippers, vrachtzeilers en vissers deden evengoed mee met hun veerscheepjes, hun visaken en skûtsjes.
Die traditie van wedstrijdzeilen raakte na de oorlog wat in de vergetelheid, toen grotere groepen watersporters zich een platbodemjacht aanschaften om vooral lekker te varen en langere tijd op het water rond te trekken. Er ontstond een kloof tussen wedstrijdzeilers en toerzeilers, die ook met woorden werd onderbouwd. Toerzeilers voelden zich completere schippers. Zij spiegelden zich aan de schippers van de binnenvaart. Veiligheid ging voor hen boven snelheid. Bij de wedstrijdzeilers zou het om een meer eenzijdige vorm van varen gaan. De wedstrijdzeiler wilde in een krachtmeting op het water met zijn boot de snelste zijn, waarbij de snelheid wel eens belangrijker was dan de veiligheid. Na de wedstrijd was voor hem het varen in beginsel weer afgelopen.


Moderne Lemsteraken voor de recreatie

De groep van akenzeilers kwam uit een traditie van voornamelijk toerzeilers, maar dat veranderde. Deze zeilers wilden met hun nieuwe schepen de krachten onderling wel eens meten en daarmee opende zich een nieuwe wereld. Bovendien kwamen er nieuwe akenzeilers op het water die geen band hadden met de traditie van toerzeilen. Zonder gebondenheid aan tradities zorgden zij voor een open toekomst met nieuwe mogelijkheden. Als wedstrijdzeiler wilden zij winnen, anders hoefden ze niet mee te doen. Het schip moest dus in optimale staat worden gebracht. Glad onder water, het tuig goed getrimd en de bemanning getraind.

Ontwikkelingen

Al spoedig werd duidelijk dat een goede trim alleen niet genoeg was. Bij weinig wind kon je meer zeil voeren dan bij harde wind. Weinig wind vroeg ook om andere zeilen dan harde wind, licht en bol in plaats van stevig en vlak. Om goed aan de wind te zeilen, moest het voorstag snaarstrak staan, wat op platbodems zonder bakstagen niet gebruikelijk was. De schootogen van de fokkeschoot moesten verplaatsbaar zijn om de spanning op onder- en achterlijk van de fok bij alle koersen optimaal te kunnen reguleren. Ook dat was op platbodems niet gebruikelijk. Bovendien bleek het rendement van een smal en hoog tuig bij gelijk zeiloppervlak duidelijk hoger te zijn dan van een laag en breed tuig, terwijl de traditionele tuigvorm juist laag en breed was. Er kon met het tuig dus nog flink geëxperimenteerd worden om het schip zo snel mogelijk te laten varen. Moderne ontwerpers van Lemsteraken voorzien hun schepen van smalle, hoge tuigen, waardoor hun aken er fundamenteel anders uitzien dan de traditionele aken met hun lage, brede tuigen. Zelfs de effectiviteit van het roer kwam voor verbetering in aanmerking. Er varen nu wedstrijdaken waarbij de vingerlingen volledig verticaal zijn geplaatst, waardoor het voorste deel van het roerblad voor de roeras draait. Zo wordt een modern effectief balansroer gerealiseerd op een traditioneel jacht. Ook werden de rompvormen kritisch met elkaar vergeleken.

Dè Lemsteraak bestaat niet

De eerste Lemster vissers gebruikten voor de Zuiderzeevisserij aakjes die ook op het binnenwater werden gebruikt. Botaken van 7 tot 8 meter lengte. Daarmee werd met netjes langs de kust bot gevangen, maar daarmee kon ook met het nieuwe staande want in het vroege voorjaar haring en daarna ansjovis worden gevangen. Die botaken waren voor de vissers vertrouwde scheepjes. Om ze zeewaardig genoeg te maken voor de Zuiderzee, werden ze in de loop der jaren groter gebouwd en kregen ze wat meer zeeg. Ze werden door de werfbaas botaken of visaken genoemd. De vissers zelf noemden hun schip eenvoudig `aak'. Voor hen was het vanzelfsprekend dat ze het dan over een visaak hadden.

Een Lemsteraak als Nationaal Geschenk

Toen HKH Prinses Beatrix in 1956 voor haar 18e verjaardag had gekozen voor een Lemsteraak ('De Groene Draeck') als nationaal geschenk, schreef C.J.W. van Waning, mede-oprichter van het Stamboek, in De Waterkampioen (1956, p. 185-189) een lang artikel getiteld `De Lemsteraak'. Hoewel het verjaarscadeau van de prinses helder en concreet aan het Nederlandse volk was gepresenteerd, een Lemsteraak, zat Van Waning daarmee aardig in z'n maag. Want wat was nu precies een Lemsteraak? De constatering van Philippona dat de deskundigen het niet met elkaar eens waren, werd door Van Waning in 1956 nogmaals bevestigd. Zo schrijft hij: "Zelfs over de naam van dit scheepstype bestaat geen eenstemmigheid." Om vervolgens uit te weiden over de bekende benamingen Lemmeraak/Lemsteraak en Lemmerjacht/Lemsterjacht.


Lemsteraken kennen een dubbele oorsprong, gescheiden van elkaar

Gescheiden van elkaar hebben zich twee soorten `Lemsteraken' ontwikkeld:

  • De ijzeren visaken van de gebroeders De Boer uit De Lemmer hadden een herkenbare vormgeving, waardoor ze als bijzonder scheepstype konden worden gezien. Ze werden voor de oorlog gewoon (vis)aak genoemd en nooit Lemsteraak. Achteraf werden deze visaken door watersporters Lemsteraak genoemd.
  • Voor de pleziervaart werden de grote houten boeiers in de eerste decennia van de 20e eeuw vervangen door grote staalijzeren boeieraken. Pas vanaf de Tweede Wereldoorlog ging men die laatste aken Lemsteraakjacht noemen.

Doordat de boeieraak `De Groene Draeck' de norm werd voor de vormgeving van een Lemsteraak, was er een gecompliceerde situatie ontstaan. Nu kon het gebeuren, dat een originele visaak uit De Lemmer bij het Stamboek werd afgekeurd, omdat de verhoudingen van het casco afweken van die van `De Groene Draeck'. Omgekeerd zorgden de grote boeieraken ervoor, dat een Lemsteraak niet alleen een eenvoudige visaak was van ca. 12 meter lengte, maar ook een luxe plezierjacht kon zijn van meer dan 17 meter lengte.

Op dit moment zijn de volgende categorieën Lemsteraak te onderscheiden

  1. Originele, meestal gerestaureerde aken van Lemster vissers, zoals de LE50.
  2. Originele visaken die verbouwd zijn tot jacht, zoals de LE12.
  3. Pleziervaartuigen van voor de Tweede Wereldoorlog, die veelal gebouwd zijn als boeier, als boeieraak of als Lemsterjacht. Later werden die schepen Lemsteraakjacht genoemd. Toen de Lemsteraak niet langer als werkschip werd gebruikt, verviel de aanduiding `jacht' en zei men kortheidshalve Lemsteraak. Voorbeelden zijn de 'Rommerswael' en 'De Brave Hendrik'.
  4. Lemsteraken die na de oorlog als modern jacht zijn ontworpen binnen de traditie van grote boeieraken van voor de oorlog (Zie 3). Voorbeelden zijn `De Groene Draeck' van HKH prinses Beatrix en de `Visotter' van A. Sterk.
  5. Lemsteraken die vanaf ca. 1970 als jacht zijn gebouwd naar het model van de originele Lemster visaak. Vele als roefschip, maar ook diverse als `visserman', half gedekt, met een ruime, open kuip. De Skipshelling Blom in Hindeloopen heeft hierin een voortrekkersrol vervuld.
  6. Grote aken naar ontwerpen van jachtarchitecten als André Hoek, Peter van Oossanen, Martijn van Schaik en Niels Moerke. Deze wetenschappelijk ontwikkelde ontwerpers tekenden vanaf 1980 snelle aken met behulp van sleepproeven, windtunnelproeven en computersimulaties. Zij maakten daarbij gebruik van de beste eigenschappen van zowel de grote boeieraken als de halfopen visaken, aangevuld met moderne inzichten, om een optimaal schip te creëren. Het meest extreme voorbeeld is de 'Buikschuiver 2', gebouwd in Hindeloopen, op Skipshelling Blom.

Diversiteit betekent, dat het scheepstype leeft

Zo'n diversiteit onder één noemer betekent natuurlijk wel, dat er moeilijk gesproken kan worden van `de' Lemsteraak. Lemsteraken zijn er in soorten en maten. Als zodanig is dat niet bezwaarlijk, zolang de gebruikers van die naam in eigen kring, onderling, maar weten waar ze het over hebben. Het relativeert echter wel de discussie die sommige akenliefhebbers tot op de dag van vandaag voeren over `de essentie van de Lemsteraak'. De vraag "wat is een Lemsteraak?" is een formulering die tot niets leidt. De vraag is niet te beantwoorden, tenzij het antwoord luidt, dat een Lemsteraak diverse verschijningsvormen kan hebben die allemaal Lemsteraak mogen heten.
De verscheidenheid aan aken is echter ook positief te waarderen en niet alleen vanuit het onvruchtbare perspectief dat sommige aken "eigenlijk" geen Lemsteraak zijn. Diversiteit betekent, dat het scheepstype leeft en eigenaren en ontwerpers mobiliseert om het model verder tot ontwikkeling te brengen. De Lemsteraak is zo bezien het enige klassieke platbodemjacht in Nederland, waar tot op de dag van vandaag veel in wordt geïnvesteerd. Van de andere scheepstypen kan alleen de Schokker bogen op enige belangstelling bij ontwerpers die willen innoveren, maar die innovatie valt in het niet vergeleken met de investeringen in de Lemsteraken.

Prinsessejacht De Groene Draeck

Een jacht voor onze Kroonprinses ter gelegenheid van haar 18de verjaardag in 1957
31 januari 1956 vierde H.K.H. Prinses Beatrix haar 18e verjaardag en daarmede bereikte zij volgens de wet haar meerderjarigheid. VAREND NEDERLAND schonk haar bij die gelegenheid een jacht, waaraan de Prinses als naam gaf: 'De Groene Draeck'.
De Lemsteraak 'De Groene Draeck' is met plaquettenummer 1 opgenomen in het Stamboek.
Slechts uiterst zelden verschijnt er een uitgave die een zo uitvoerig beeld geeft in tekst en vooral ook wat de illustratie betreft van het ontwerp, de bouw, de inrichting en de historie van een echt Nederlands jacht-type. En wanneer dit dan geschiedt, zoals in dit boek, aan de hand van het tot stand komen van een dergelijk jacht bestemd voor onze Kroonprinses, dan mag men niet alleen een bijzonder verzorgd boek verwachten, maar ook een boek dat een indruk geeft van de zo persoonlijke keuze van Prinses Beatrix, die mede gestalte heeft gegeven aan „De Groene Draeck". Daarmee is dit boek meer dan een gelegenheidsuitgave. Het is mede een soort standaard-uitgave geworden die de lezer niet één keer, maar vele malen ter hand zal nemen. Een uniek geschenk bovendien voor relaties en familie overzee!

Prinsessejacht De Groene Draeck - Een heel bijzonder boek over een heel bijzonder schip
'De Groene Draeck' tijdens de proeftocht op 12 juni 1957, nog met de werf-vlag in top

De meesten onzer zullen wel nooit een uitnodiging in de brievenbus vinden, het Lemmeraakjacht ,,De Groene Draeck" van prinses Beatrix, dat zij van een deel van ons volk ter gelegenheid van haar achttiende verjaardag cadeau kreeg, te komen bezichtigen. Dat gaat nu eenmaal niet, maar als u toch graag zou willen zien hoe dat prachtige jacht er van binnen en van buiten uit ziet, dat kunt u zich naar uw dichtstbijzijnde boekwinkel begeven en vragen naar Prinsessejacht De Groene Draeck dat de N.V. Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerij H.A.M. Roelants te Schiedam heeft uitgegeven. Voor nog twee kwartjes minder dan een tientje is het van u. Hoe het voor die prijs kan worden verkocht is ons een raadsel.

Dit boek is namelijk iets heel bijzonders. De uitgever heeft de tekst en de ontelbare illustraties destijds in handen gegeven van de lay-out-man Jan van Groningen te Rotterdam. Deze heeft elke bladzijde zo voortreffelijk in elkaar gezet dat het boek zelfs voor een analfabeet een prachtig Sinterklaascadeau is. U kijkt er alleen al voor een tientje aan af.
Er zijn natuurlijk foto's: van de prinses (heel leuke!) en van de bouw van het schip, van het interieur en het uiterlijk, van de onderdelen, de stapelloop en de overdracht. Er zijn tekeningen, zéér technische en minder technische er zijn aquarellen van andere Lemmeraken van de kunstschilder W.J. Dijk in Den Haag, En dan is er natuurlijk nog de tekst van de samensteller ir. J. Loeff en diens medewerkers E. Crone. C. J. W. van Waning, en W. Voorbeijtel Cannenburg. Zij vertellen u alles over Lemmeraken, over „De Groene Draeck" van Piet Heyn over het ontwerp van deze ,,Groene Draeck" de bouw er van, de inrichting, de uitrusting, het technische deel van het jacht en doen dat zo, dat bijna iedereen het meeste kan begrijpen. Eerlijk wordt toegegeven, dat het schip toch geen kampeerschip geworden is, zoals aanvankelijk werd beweerd. Dit is natuurlijk in de eerste plaats een boek voor liefhebbers van de watersport. Maar het is zo prachtig geworden, dat ook de niet-watersporters gauw eens moeten gaan kijken in de winkel. Neem een tientje mee, want je laat het toch niet liggen.

Ernst Crone, Voorzitter Comité „Varend Nederland" schrijft in zijn voorwoord:
De band tusschen de bewoners van ons land en de zee is hecht, hij stamt van ouden datum. Een ieder weet, hoe de geschiedenis van ons land met de zee is verweven en kent de rol eens door ons land, economisch en politiek, ter zee vervuld. Bekend is hoe wij, dank zij onze zeevaarders, een belangrijk aandeel bezitten in de ontdekking van scheepvaartwegen en de kennis van vreemde kusten. Roem en voorspoed heeft de zee ons gebracht, op deze en andere gebieden. En heden .....? Nog op dezen dag is de zee voor ons land van ongekend groote beteekenis. Zij brengt ons voedsel als weleer en vormt een bron van welvaart. De Hollanders, die onze koopvaardij dienen en de wereldzee bevaren, staan bekend als betrouwbare vervoerders van passagiers en van producten, die de mensch op één deel der aarde voortbrengt en die hij elders behoeft. Ons land brengt goede schepen voort en het levert degelijke menschen met gevoel van verantwoordelijkheid, die bekwaam met deze schepen weten om te gaan. Wij, bewoners van de lage landen, geboren en getogen in een zilte atmosfeer, wij dienen bij voortduring het oog op de zee gericht te houden. Niet alleen op de zee, óók op de groote rivieren, wier delta ons woongebied is en op onze wijdvertakte binnenwateren, onmisbare verkeersaderen vormend. Het is een kenmerk van ons land, dat een aanzienlijk deel der bevolking zich met voordeel en kundig op het water kan bewegen en te doen heeft met varen en schepen. Naast die menschen zijn er nog duizenden landgenooten, die - al hebben zij in hun dagelijksche werk niets met de zee uit te staan - toch hun hart en wezen aan het water verpand hebben. Gelukkig en vrij gevoelen de laatsten zich eerst als zij zich op het water kunnen begeven. Met hun bootje zoeken zij het even kostelijke, als karakteristieke, waterrijke deel van ons vaderland, met zijn meren en plassen, met zijn net van waterwegen, verrassende doorvaarten en groene oevers, alles tezamen een waardevol recreatiegebied voor de duizenden, voor wie het land te vol is.

Zoo zijn de leden van ons vorstenhuis reeds bijna gedurende vier eeuwen met „jachten" in contact gekomen
Deze band met het water bestaat van laag tot hoog en niet alleen voor hen aan wie hierboven werd gedacht. Ook voor de leden van ons vorstenhuis. Wanneer Prins Willem I zich door het land moest verplaatsen, deed hij dit per „jacht", al was zulk een jacht dan niet een vaartuig, dat voor genoegen werd gehouden. Zoo zijn de leden van ons vorstenhuis reeds bijna gedurende vier eeuwen met „jachten" in contact gekomen, een feit, dat in geen ander land is aan te wijzen. Aanvankelijk waren die schepen niet hun eigendom en kregen de Stadhouders ze in gebruik voor de uitoefening van hun functie, alsmede tot particulier gebruik, behoorende tot hun hofstaat. Die „jachten" waren in de eerste plaats middel van vervoer en zij werden van zoodanig belang geacht, dat het gereedmaken van het jacht in den tijd van Frederik Hendrik „het zadelen van sijn hoocheyts rijpaert" werd genoemd.
In 1795 eindigde het prinselijke jachtwezen, dat herleefde als een koninklijk jachtwezen na het herstel der onafhankelijkheid. Op het eerste koninklijke jacht, een paviljoenjacht, volgden twee raderstoomjachten: „de Leeuw" (1827-1882) en „de Valk" (1882-1898). Ons land mag zich gelukkig prijzen, dat leden van ons vorstenhuis, die maatregelen bevorderden met het doel de zeevaart tot hoogere ontwikkeling te brengen en die belangrijke initiatieven op het gebied der zeevaart hebben genomen, zich óók voor genoegen op het water hebben begeven.
Wie denkt hierbij niet in de eerste plaats aan Prins Hendrik (1820-1879), zoon van Koning Willem II, wiens naam in onze Marine en koopvaardij in hooge eere wordt gehouden, die de zeilsport stimuleerde, oprichter was van de eerste zeilvereeniging in ons land en die de organisatie van de zeilsport in goede banen trachtte te leiden, omdat hij hierin een belang voor het zeewezen zag? Prins Hendrik vermocht breeder en verder vooruit te zien, dan de beoefenaren der watersport van destijds konden opbrengen. Feitelijk zijn eerst in 1946 met de reorganisatie der Koninklijke Verbonden Nederlandsche Watersport Vereenigingen zijn wenschen en voorstellen volledig in vervulling gegaan. De Nederlandsche zeilsport is aan deze Oranje-telg grooten dank verschuldigd.

Lag het - gezien de geschiedenis - niet voor de hand, dat aan de Prinses een jacht werd aangeboden?
In 1937 werd de reeks van koninklijke jachten voortgezet, toen het Nederlandsche volk als deel van het nationaal huwelijksgeschenk het motorjacht „Piet Hein" aanbood aan onze Kroonprinses en Z.K.H. Prins Bernhard, hiermede uiting gevende aan de waardeering alom gevoeld voor den band tusschen het Oranje-huis en het water. Was in 1937 het huwelijk van H.K.H. Prinses Juliana de aanleiding, in 1956 deed zich wederom een belangrijk moment in ons vorstenhuis voor. Op den 31sten Januari vierde H.K.H. Prinses Beatrix Haar 18den verjaardag, waarmede de Prinses voor de wet meerderjarig werd. Lag het - gezien de geschiedenis - niet voor de hand, dat aan de Prinses, die zich gemakkelijk op het water beweegt, die Haar zeiljachtje, een „Valk", als de beste hanteert, die een geregelde bezoekster is van de Loosdrechtsche plassen en de Friesche meren en die tevens een breede belangstelling voor de scheepvaart koestert, een jacht werd aangeboden?
De gedachte hiertoe werd in Rotterdam uitgesproken en zij vond oogenblikkelijk weerklank in Amsterdam. Een Comité, zich noemende „Varend Nederland", werd samengesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van bedrijven, die de zeevaart, kustvaart, Rijnvaart, sleepvaart, binnenvaart, visscherij, enz. beoefenen, voorts vertegenwoordigers van de Koninklijke Marine, reddingwezen, watersport, tegelijkertijd personen, die voor de watersport belangstelling koesteren en tot slot burgemeesters van gemeenten, die voorname watersportcentra bezitten. Een aantal groote bedrijven stelde zich garant voor de uitvoering van het plan, in de verwachting, dat dit laatste in breeden kring weerklank en medewerking zou opwekken. Op dezen grondslag ving het Comité zijn arbeid aan.

Het aanbod luidde een jacht geschikt om ermede de binnenwateren van ons land te bevaren
Spoedig daarop zijn enkele leden van het Comité, die tezamen een technische commissie vormden, voor een onderhoud door de Prinses ontvangen, teneinde met Haar de plannen nader te bespreken en de smaak der Prinses te leeren kennen. Waar het aanbod luidde een jacht geschikt om ermede de binnenwateren van ons land te bevaren, met inbegrip van Waddenzee, Zuiderzee, Zuidhollandsche en Zeeuwsche stroomen, is de keuze gevallen op een schip van nationaal type, een rond vaartuig. Teneinde het onderhoud niet te bezwarend te maken werd besloten tot een stalen schip, De Lemsteraak bleek het beste aan de verlangens te voldoen, waarom de keuze op dit scheepstype werd gesteld, een keuze die zonder twijfel tot velen in den lande sprak. Vier afgevaardigden van het Comité, zich noemende "Varend Nederland", t.w. de heer Mr. K. P. van der Mandele, Voorzitter der Kamer van Koophandel en Fabrieken te Rotterdam, Ernst Crone, schrijver dezes als Amsterdammer en voorzitter van het Comite en verder - zoals de Prinses had gewenscht - twee jeugdige watersportbeoefenaren, t.w. de heer H. Hietink, secretaris van het Comite en de heer C. H. Guepin uit Bussum, mochten op 31 Januari 1956 aan de Prinses, die op het Paleis Soestdijk deputaties ontving, door het aanbieden van een oorkonde Haar symbolisch het jacht aanbieden. De Prinses was verrast en hoogst verheugd, klapte van blijdschap in de handen en noemde het aanbod "een droom".
Spoedig daarop zijn enkele leden van het Comité, die tezamen een technische commissie vormden, voor een onderhoud door de Prinses ontvangen, teneinde met Haar de plannen nader te bespreken en de smaak der Prinses te leeren kennen. Waar het aanbod luidde een jacht geschikt om ermede de binnenwateren van ons land te bevaren, met inbegrip van Waddenzee, Zuiderzee, Zuidhollandsche en Zeeuwsche stroomen, is de keuze gevallen op een schip van nationaal type, een rond vaartuig.

De Lemsteraak bleek het beste aan de verlangens te voldoen

Teneinde het onderhoud niet te bezwarend te maken werd besloten tot een stalen schip, De Lemsteraak bleek het beste aan de verlangens te voldoen, waarom de keuze op dit scheepstype werd gesteld, een keuze die zonder twijfel tot velen in den lande sprak. Een gelukkige omstandigheid was, dat Lemmer, de bakermat van dit soort vaartuig, een bij uitstek deskundige op het gebied van Lemsteraken bezit. Het is de heer Ary de Boer, Aan hem stelde het Comité de vraag lijnen en tuigteekening te ontwerpen voor een Lemsteraak van vijftien meter lengte, fraai van lijn, snel en uitstekend manoeuvreerbaar. De he er De Boer voldeed naar het oordeel van het Comité aan deze opdracht. Meer algemeene plannen werden door de Technische Commissie uitgewerkt, Een opdracht werd gegeven aan de Amsterdamsche Scheepswerf G. de Vries Lentsch Jr. en in overleg met haar werd langdurig en met groote zorgvuldigheid gewerkt aan het op papier voorbereiden van de bouw en het overleggen van alle details. Het he eft lang geduurd alvorens deze papieren bouw tot tevredenheid was voltooid. Overhaasting zou hier uit den booze zijn geweest. Wijzigingen tijdens den bouw behooren bij jachtbouw, althans op essentieele punten, tot de opgaven, die vermeden dienen te worden.
Tenslotte kon met het klaarmaken van onderdeelen, zoo in staal als in hout, worden begonnen. De Prinses had bereids Haar schip „De Groene Draeck" genoemd en voor dit toekomstige vaartuig is op 16 Januari 1957 de kiel officieel gelegd geworden in tegenwoordigheid van de Particulier Secretaresse van H.K.H., Mejuffrouw Mr. M. Meurs, die de Prinses, die zich in het buitenland bevond, vertegenwoordigde.

Perspectivisch zijaanzicht, gedeeltelijk opengewerkt teneinde de inrichting van 'De groene Draeck' te laten zien, getekend door de Gebr. Das, Haarlem

Perspectivisch zijaanzicht, gedeeltelijk opengewerkt teneinde de inrichting van 'De groene Draeck' te laten zien, getekend door de Gebr. Das, Haarlem

De gebeeldhouwde draak op het roer
Dit was de aanvang van een bouw, die voor alle medewerkenden onvergetelijk is en wel dank zij de belangstelling en het medeleven door de Prinses aan den dag gelegd. Zelf heeft Zij aandeel in den bouw genomen door het beeldhouwwerk, dat de achterzijde van de kajuitopbouw en de stuurkuip siert, alsmede de berentanden en kluisborden te ontwerpen, terwijl Zij Haar critisch geoefend oog liet gaan over de gebeeldhouwde draak op het roer (door de SSRP aangeboden), het mastschild, de mastwortel en het overige beeldhouwwerk aan boord. 
De aanbieding van het schip heeft vreugde gebracht aan de Prinses, het medewerken aan den bouw heeft Haar voldoening verschaft. Moge dit schip, aan de Prinses geschonken door hen, die varen en die met schepen en water leven, Haar blijvend tot een vreugde zijn.

„De Groene Draeck” en de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten (SSRP)
De eerste voorzitter van de SSRP, C. J. W. Van Waning schrijft in het boek:
Dat H.K.H. Prinses Beatrix Haar keuze bepaalde op een Lemsteraak, heeft ieder verheugd, die in zijn hart een warm plekje heeft voor de typisch Nederlandse scheepsvormen, zoals deze in eeuwen zijn ontwikkeld en als het ware zijn vergroeid met ons waterland in al zijn verscheidenheid. Wie zou er meer verheugd mogen zijn over deze keus dan de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten en haar groeiend aantal vrienden? Deze Stichting, in oktober 1955 gegroeid uit de door het Friesch Scheepvaart Museum in april 1952 ingestelde Commissie Stamboek voor Friese Ronde Jachten, stelt zich ten doel de bevordering van de belangstelling voor het Ronde en Platbodemjacht.
In het „Stamboek" zijn thans meer dan 250 Ronde en Platbodemjachten ingeschreven, terwijl reeds vele gegevens zijn verzameld betreffende de historie, de traditie, de bouw en de bouwers van deze schepen.
In de watersportwereld neemt de Stichting haar eigen plaats in. Een watersportvereniging in de gewone betekenis van het woord, is zij niet. Zij organiseert ook geen wedstrijden, doch verleent wel medewerking aan watersportverenigingen, die wedstrijden voor Ronde en Platbodemjachten willen organiseren en vooral bij speciale watersportevenementen, welke een geschikte achtergrond vormen voor een reünie van Ronde en Platbodemjachten. Het aloude zeilen in admiraalschap vormt daarbij een vast nummer op het programma.
Wie zo de boeiers en Friese jachten, de botters en blazers, schokkers en hoogaarzen, de Lemsteraken, tjalken, schouwen en Staverse jollen in admiraalschap verenigd ziet, zoveel mogelijk soortgewijs gerangschikt in eskaders, beseft eerst goed, hoe nodig het is, dat Nederland niet alleen waakt over zijn natuur- en architectonische monumenten, doch ook over zijn „varende monumenten".
Het is juist daarom zo bijzonder verheugend, dat het Oranje-huis in de persoon van onze Kroonprinses een voorbeeld heeft gesteld, dat aan de gelukkig weer groeiende belangstelling voor onze ronde en platbodemschepen die aanmoediging moge geven, welke deze vaderlandse schepen zo ten volle verdienen. Deze aanmoediging is niet alleen gegeven door de keuze van een oud-Nederlands rond jacht, maar vooral ook door het aanvaarden van de functie van Beschermvrouwe van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten op 15 juni, de dag, waarop „De Groene Draeck" aan Haar werd overgedragen.