Scheepstype: Wieringeraak
Inleiding
De Wieringeraak is een zwaar, breed vissersschip, waarvan de ontwikkeling nog niet geheel duidelijk is. Het schip werd in de tweede helft van de vorige eeuw o.a. gebouwd bij Alkema en Zwolsman in Makkum, bij Zwolsman in Workum en in Hindeloopen bij Wijbrands. Op Wieringen zelf werd nimmer een Wieringeraak gebouwd! De schepen uit Hindelopen zijn over het algemeen wat platter en minder rond in kop en achterschip dan die uit Makkum en Workum. Speciale geitouwen waren ten behoeve van deze manoeuvre aan de nok bevestigd terwijl het zeiloppervlak met behulp van een katval desgewenst nog verder kon worden verkleind. De Wieringeraak heeft daarenboven een vrij smalle stagfok, waarschijnlijk wegens de noodzaak goed te kunnen manoeuvreren in de smalle geulen van de Waddenzee; een brede fok zoals bij de Lemsteraak zou daarvoor te lastig zijn geweest.
Er werd mee gevist op platvis, schelpen en wier (zeegras) op de Waddenzee en rondom Wieringen. Vanwege het dikwijls ondiepe viswater en de wenselijkheid op de zandplaten te kunnen droogvallen, was een breed, plat vlak een vereiste voor deze schepen. Doordat er dus dikwijls weinig water onder de kiel zat, kon het schip bijzonder wreed op het roer worden.
Het grootzeil werd echter - in tegenstelling tot bijvoorbeeld de botter en schokker - met twee vallen gehesen en door het laten zakken van de nok kon de druk op het roer worden verminderd en werd het schip handelbaarder, Speciale geitouwen waren ten behoeve van deze manoeuvre aan de nok bevestigd terwijl het zeiloppervlak met behu!p van een katteval desgewenst nog verder kon worden verkleind. De Wieringeraak heeft daarenboven een vrij smalle stagfok, waarschijnlijk wegens de noodzaak goed te kunnen manoeuvreren in de smalle geulen van de Waddenzee; een brede fok zoals bij de Lemsteraak zou daarvoor te lastig zijn geweest.
Op de kluiverboom werd een kluiver gevaren, die veelal in drie grootten aan boord was. De middelste kluiffok werd ook we! als bezaan bijgezet. De zware, grenen mast, die tamelijk naar voren staat, is ongestaagd en steunt in mastbank en kolsum. De mastbank wordt daartoe naar voren gesteund door een extra wegering tegen de spanten onder de dekbalken. De zwaarden hangen aan haken buiten het boeisel. Deze haken zijn op of tegen de waterlijst bevestigd; soms zijn deze haken om een bout draaibaar, teneinde de op- en neergaande beweging van het zwaard bij zeegang op te vangen.
Er is steeds een - grenen - voorplecht met daarop de overloop voor de fok en het ankerspil. Achter de mast is het schip soms overdekt, doch meestal open. In het laatste geval kan een los dek van wegneembare planken, de zogenaamde stelling, worden geplaatst. Deze stelling deed onder andere dienst bij het wiermaaien.
De Tijdlijn van de Wieringeraak
Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925
1924-1925
Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.


Typebeschrijving van de Wieringeraak
- Geschiedenis van de Wieringeraak
- Beschrijving van de Wieringeraak
- Tuigage
Kenmerken van de Wieringeraak
- De Wieringeraak als werkschip
- De Wieringeraak als jacht
- Algemene kenmerken
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
6. Het Wieringer skuutje als voorloper van de Wieringer aak
Het Wieringer skuutje was een voorloper van de grotere Wieringer aken. Het skuutje had een veel spitsere kop en kont dan een aak, zelfs nog scherper dan een botter. De lengte varieerde van acht tot elf meter ongeveer. Het vlak is niet omhoog gebogen als bij een aak, maar bijna recht. De indeling en zeilvoering is gelijk aan die van een aak. Een skuutje is dus een uniek scheepje. Door schaalvergroting in de visserij raakten de skuutjes na 1880 verouderd. In het Stamboek is het enige overgebleven Wieringer Skuutje, de WR60 'De Jonge Jan', ingeschreven met plaquette 1944.
Publicaties over de Wieringeraak in het Stamboekarchief
De Wieringeraak in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

De Wieringer aak is een zwaar, breed vissersschip, waarvan de ontwikkeling nog niet geheel duidelijk is. Het schip werd in de tweede helft van de vorige eeuw gebouwd in Makkum bij Alkema en Zwolsman, in Workum bij Zwolsman en in Hindelopen bij Wijbrands. Op Wieringen zelf werd nimmer een Wieringer aak gebouwd! De schepen uit Hindelopen zijn over het algemeen wat platter en minder rond in kop en achterschip dan die uit Makkum en Workum. Uit een enkel bewaard gebleven werfboek van Alkema blijkt dat deze werf tot 1865 nog geen Wieringer aken bouwde. In verband met deze bouwjaren en de uiterlijke vorm wordt wel een zekere relatie met de Lemsteraak aangenomen. De Wieringer aak is echter een platbodem, die korter en in verhouding breder is dan een Lemsteraak en een iets minder hoge kop heeft. Het boeisel is bij een Wieringer aak ook breder dan bij een Lemsteraak, zodat derhalve de verwantschap niet erg groot is. De afmetingen van een Wieringer aak variëren van 38 tot 43 voet (circa 10.80 - 12 meter), bij een breedte van omstreeks 4 meter. Er werd mee gevist op platvis, schelpen en wier (zeegras) op de Waddenzee en rondom Wieringen.

Vanwege het dikwijls ondiepe viswater en de wenselijkheid op de zandplaten te kunnen droogvallen, was een breed, plat vlak een vereiste voor deze schepen. Doordat er dus dikwijls weinig water onder de kiel zat, kon het schip bijzonder wreed op het roer worden. Het grootzeil werd echter - in tegenstelling tot bijvoorbeeld de botter en schokker - met twee vallen gehesen en door het laten zakken van de nok kon de druk op het roer worden verminderd en werd het schip handelbaarder. Speciale geitouwen waren ten behoeve van deze manoeuvre aan de nok bevestigd terwijl het zeiloppervlak met behulp van een katteval desgewenst nog verder kon worden verkleind. De Wieringer aak heeft daarenboven een vrij smalle stagfok, waarschijnlijk wegens de noodzaak goed te kunnen manoeuvreren in de smalle geulen van de Waddenzee; een brede fok zoals bij de Lemsteraak zou daarvoor te lastig zijn geweest.
Op de kluiverboom werd een kluiver gevaren, die veelal in drie grootten aan boord was. De middelste kluiffok werd ook wel als bezaan bijgezet. De zware, grenen mast, die tamelijk naar voren staat, is ongestaagd en steunt in mastbank en kolsum. De mastbank wordt daartoe naar voren gesteund door een extra wegering tegen de spanten onder de dekbalken. De zwaarden hangen aan haken buiten het boeisel. Deze haken zijn op of tegen de waterlijst bevestigd; soms zijn deze haken om een bout draaibaar, teneinde de op- en neergaande beweging van het zwaard bij zeegang op te vangen.
Er is steeds een - grenen - voorplecht met daarop de overloop voor de fok en het ankerspil. Achter de mast is het schip soms overdekt, doch meestal open. In het laatste geval kan een los dek van wegneembare planken, de zogenaamde stelling, worden geplaatst. Deze stelling deed onder andere dienst bij het wiermaaien : het natte wier werd op de stelling gelegd om te drogen en het overtollige water liep terug in zee via aan weerskanten aanwezige spuigaten, die onder het berghout uitkwamen. Anderen stouwden het wier echter op de deken en dan moest het water er moeizaam met de twee kleine emmerpompjes uit worden gepompt. Dit wier, dat sedert de afsluiting niet meer in de Zuiderzee is te vinden, werd gebruikt voor matrasvulling, dijkversterking en verschillende andere doeleinden.
De bun is aan weerskanten afgedekt met roodkoperen kaarborden, waarin de 6 millimeter-o-gaatjes voor de waterverversing. Voor deze gaatjes gold de vuistregel: 6 gaatjes op de oppervlakte van een lucifersdoosje. Deze geperforeerde borden konden door dichte houten borden worden vervangen, wanneer men de bun droog wilde leggen om het schip hoger te doen liggen, bijvoorbeeld om grote hoeveelheden mosselen of alikruiken te laden. Waar de bun zo'n vijf ton water bevatte, scheelde dit een kleine halve meter diepgang. Versieringen, van welke aard ook, kende de Wieringer aak niet. De huid werd geolied en van binnen regelmatig in de petroleum gezet, voornamelijk om ongedierte te bestrijden. Boven het scheerhoutje voerde de visserman echter bijna steeds de zogenaamde kloot, een of twee bolletjes met daarop een naald met tot een knikker ineengedraaide zwarte sajet. Nadat het een tijdlang leek alsof de Wieringer aak als zeilschip geheel zou verdwijnen, constateren we thans weer een toenemende belangstelling voor dit fraaie en stoere schip.

