Scheepstype: Zeeuwse schouw
Inleiding (Werkgroep Documentatie Stichting Behoud Hoogaars)

Werkgroep Documentatie Stichting Behoud Hoogaars: De Zeeuwse schouw
Als je bootjesmensen vraagt 'Wat is een schouw', dan wijzen ze haast altijd naar de Friese- of Zeeschouw, een hoekig model schip van een meter of 10 lang. Stel dezelfde vraag aan een inwoner van de Zuid-Hollandse polders, dan praten ze over de polderschouw, een ondiepe platte schuit in lengte variërend van 4 tot 9 meter. Volgens het Maritiem woordenboek Seeman (1682) is een schouw "een praam, met name om paarden en wagens over een water of rivier te zetten, ook Pont genoemd". Als er één ding kan worden gezegd over schouwen, dan is het dat ze in soorten en maten en allerlei verschijningsvormen voorkomen. Vandaag de dag kennen we de schouw onder veel benamingen: naast de al genoemde zijn er nog de Vletschouw, de Zeeschouw, de Zalmschouw en zo meer. G.J. Schutten onderscheidt in zijn boek "Verdwenen Schepen" (Zutphen 2004, ISBN 90 5730 298 5) 52 verschillende typen die onderling kennelijk voldoende herkenbaar zijn in afmetingen en constructie voor een aparte beschrijving. Veel typen zijn vernoemd naar de gebruiksregio of de bouwplaats, anderen naar het specifieke gebruiksdoel. Zo werden in de Zeeuwse Delta schepen doorgaans benoemd naar hun thuishaven. Dat leidde voor schouwen tot een viertal benamingen, waarvan de verschillen al heel lang onderwerp van gesprek zijn.
Dat leidt weer tot de vraag:
Wat is een Zeeuwse schouw?
Deze vraag kwam naar boven in het begin de jaren 1990 bij de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten. Er was een werkgroep samengesteld om te onderzoeken of de schouwen in het algemeen goed beschreven stonden in de criteria van het Stamboek. Zoals dat dan gaat werd er veel gepraat en geschreven. Omdat het hier een Zeeuws scheepstype betrof is de werkgroep te rade gegaan bij Jules van Beylen, kenner van de Zeeuwse scheepstypen bij uitstek. Van Beylen heeft op de vraag van de werkgroep gereageerd met een zeer uitgebreide brief van tien pagina's (23 juni 1996), die opdook in de archieven van de SSRP. Aanzicht van een Zeeuwse schouw, beplankt met twee boorden. Door J. Van Beylen in: Zeeuwse Vissersschepen van Ooster- en Westerschelde.
In het volgende artikel geven we de belangrijkste passages uit de brief weer, waarin zijn uiteindelijke conclusie diepgaand wordt beargumenteerd:
De Zeeuwse schouw dient te worden gezien als een klasse van schepen, waarin verdere onderverdeling in typen (Philippiense, Thoolse, Bergense schouw) niet mogelijk is vanwege het ontbreken van voldoende gegevens.
Van Beylen schrijft:
"Het benoemen van schouwen die in Zeeland voorkwamen, is steeds een moeilijke zaak geweest. In 1982 greep daarover al een verwarde discussie plaats bij de Technische Commissie van het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond (K.N.W.V.), schreef mij toen Th. Huitema. De aanleiding tot de discussie was het toekennen van een tijdscorrectiefactor voor de schouwen uit Zeeland en de zeeschouw. De heer Huitema vroeg mij toen: Zelf heb ik altijd gemeend dat de naam Zeeuwse schouw -Tholense schouw Bergense schouw - schouw van Philippine betrekking heeft op een en hetzelfde schip en er dus geen onderling verschil is. Het probleem met schouwen is, dat men over te weinig betrouwbare bronnen beschikt om zowel de herkomst (bouwplaats), als de onderlinge verschillen in bouwwijze (techniek en type) met elkaar te vergelijken. Er is nooit en op tijd - ook niet in de eigen regio - belangstelling geweest voor de kleine en weinig bekende vissersschepen uit het vrij afgelegen gebied dat Zeeuws-Vlaanderen en zeker Zeeland nog was tot lang na de Tweede Wereldoorlog."
"Toen ik in 1943 leerling-modelbouwer van Maurice Seghers (1883-1959) werd en belangstelling kreeg voor Zeeuwse vissersschepen, ervoer ik dat men de vaartuigen - hoogaarzen, hengsten e.a. benoemde naar hun thuishaven: TH, VLI, ARM, YE, VE, GRA, BZ, enz.
Een vaartuig met TH werd steevast een Tholense of Thoolse schouw of hoogaars genoemd. Welke dan de eigen kenmerken van die schepen waren, bleef in het duister. Omdat ze het registratiemerk TH voerden ging men er vanuit dat de schepen daar vandaan kwamen, er gebouwd waren en er hun thuishaven hadden. Een schouw met Pl was een schouw van Philippine, geen Philippiense schouw, want die kende men niet. Anderen hadden het over een Bergense of Bergse schouw (BZ), wat dat dan ook zijn kon. Het is een feit dat Maurice Seghers ook niet alles over schouwen wist. Maar het weinige dat men toen wist, kwam van hem want niemand had zich daar mee bezig gehouden.
Gaandeweg heb ik ervaren dat de opvatting over schouwen niet strookte met de werkelijkheid. Een TH-schouw is niet noodzakelijk in Tholen gebouwd en dat geldt ook voor de andere schepen. Maurice Seghers was in de eerste plaats kunstschilder en de historische en technische facetten kwamen op de tweede plaats. Vooral over het laatste bestond nauwelijks literatuur.
Wat ik over schouwen weet, is afkomstig van Maurice Seghers en van de documentatie en de informatie die ik verzamelde. Zelf heb ik maar één echte schouw opgemeten en in plan gebracht: de BZ 1(thuishaven Bergen op Zoom; red.). Andere schouwachtige vaartuigen heb ik eveneens opgemeten en/of gefotografeerd, maar er geen plan van getekend. Ik betwijfel of ik alle in die tijd nog bestaande schouwen heb gezien.
In de bekende werfboeken wordt een schouw hoogst zeldzaam aangetroffen. In een lijst (1873-1924) van de werf "Moed en Trouw" van Verras te Paal, staat niet één schouw vermeld. De lijst is echter niet volstrekt volledig. In 1912 werd er blijkbaar wel een schouw gebouwd en nog ééntje in 1935. Mag men deze twee vaartuigen Paalse schouw noemen? In het werfboek van de werf J.F. De Klerk te Kruispolder (1882-1960) werd in 1911 één vaartuig model schouw gebouwd en worden een aantal schouwen of schouwtypen (boten) vermeld waar reparatiewerk aan uitgevoerd werd. Wie kan zeggen of en wanneer welke schepen er ooit op de reparatiewerf van Van der Velpen in Philippine zijn gebouwd? Bij Meerman in Arnemuiden zijn nogal wat schietschouwen te water gelaten, zijn dit dan Arnemuidense schouwen?"
Tot zover de brief van Van Beylen.
Geschiedenis
De schouw is een heel oud scheepstype, waarvan de naam al in de 13e eeuw opduikt in het Reglement voor de scheepvaart op het Zwin uit 1252. Dan heet het nog een scoude. Of we het dan hebben over eenzelfde model als wat we er tegenwoordig onder verstaan is niet meer te achterhalen. Er zijn geen afbeeldingen van bekend. Opvallend is dat tot het einde van de 17e eeuw op tekeningen en schilderijen nauwelijks knik-spant schepen zijn afgebeeld, kennelijk werd er op de rivieren en in Zeeland vooral met ronde schepen gevaren. (Red JPL: Of betekent het dat de schilders en tekenaars in die tijd de ronde schepen mooier vonden om af te beelden?) Pas tegen 1700 verschijnen er kleine bootjes die met enige fantasie op schouwen lijken. Mogelijk waren de mosselscheepjes, waarvan Smallegange in zijn Cronyk van Zeeland (1700) spreekt en die die vanuit Tholen op mosselen visten, ook schouwen? In de Hollandse tol registers komen schouwen al in de tweede helft van de 16e eeuw regelmatig voor. Het waren eenvoudige, trage, maar goedkoop te bouwen schepen met een groot laadvermogen. Vermoedelijk daarom zijn ze eeuwen lang in gebruik gebleven, in de Delta voornamelijk in de oostelijke, meer beschutte wateren. Zo blijkt uit de registers van in 1875 uitgegeven visserij consenten (Zeeuws Archief) dat de meerderheid van de 48 geregistreerde schouwen in Tholen (12) en Bergen op Zoom (24) thuis hoorden.
De schouw is in de loop van de 19e eeuw geleidelijk vervangen door andere scheepstypen, zoals blijkt uit een overzicht van de in Tholen uitgegeven akten van Consent. Uit een totaal overzicht van de uitgegeven consenten is op te maken dat vanaf het midden van de 19e eeuw de schouwen toenemend werden vervangen door hoogaarzen. In de rest van Zeeland was de hoogaars altijd al dominant, op korte afstand gevolgd door de hengst. Hoewel de overgang naar andere scheepstypen in heel Zeeland het geval was, is dit het duidelijkst gedemonstreerd in de registers van Tholen en Bergen op Zoom in de grafiek hierboven.
Van Beylen vervolgt:
"Al deze vraagtekens zijn misschien te beantwoorden indien eens een grondig historisch onderzoek naar de geschiedenis van deze vaartuigen zou worden ondernomen. Of dat onderzoek enig licht zou werpen op het onderscheid tussen de schouwtypen, is moeilijk te voorspellen. Zonder twijfel hebben meerdere varianten van schouwen bestaan. De criteria voor het typeren van deze vaartuigen zijn nooit in een tekening vastgelegd en een eigentijds model, zoals dat van F. Van de Gool berg (Pl14, in de verzameling van het MAS te Antwerpen; red.), vormt een rariteit. Eigentijdse plans (Red JPL: tekeningen) waarvan de kenmerken van de verscheiden typen zouden kunnen worden afgelezen, zijn niet bekend, noch halfmodellen, noch voldoende gedetailleerde afbeeldingen."
De brief gaat verder met een zeer uitgebreide discussie over wat hij wel en niet heeft gezien en/of opgemeten, en de vele vraagtekens die daarbij opkomen. Maar uiteindelijk is er maar één conclusie: als er al verschillende typen schouwen in Zeeland zijn geweest, is het door het ontbreken van constructieve gegevens, en omdat er veel twijfel bestaat over de herkomst en de bouwwijze, niet meer mogelijk om die te benoemen.
"De Zeeuwse schouw is dus een typenaam. De nadere aanduiding Thoolse-, Phippiense- of Bergense schouw is ongefundeerd. Het enige definieerbare subtype is de Lemmerschouw omdat deze een aanwijsbaar ander achterschip heeft (Lemmerkont)."
Uit verdere verloop van de brief zijn de volgende eigenschappen van de schouw te distilleren:
De Zeeuwse schouwen hebben een aantal kenmerken gemeen: het zijn allemaal schepen met een vlakke bodem, die naar voor (altijd) en achter (soms) eindigt in een heve, die voor breder is dan achter. Verder werden schouwen gebouwd met twee, dan wel drie boorden onder het berghout. Van Beylen wijt dit aan de beschikbaarheid van voldoende breed hout, en concludeert dat de modellen met twee gangen vermoedelijk de oudste zijn.
Sommige schouwen hebben een valse voorsteven. Van Beylen noemt een schouw die hij vond in de haven van Boekhoute, die veel weg had van een Friese schouw met spiegel en voorbord, maar het is niet bekend waar ze gebouwd was, en of het daarom een Boekhouts type vertegenwoordigde.
De TH7 had drie gangen onder het berghout, de kont was gebouwd met een dwarse klos en een heve. De schouw Pl14 was gebouwd met een klos aan het voor- en aan het achterschip, net zoals de Bergse schouw BZ1 (zoals opgemeten en getekend door Van Beylen).
Schouwen met een lemmerkont zijn vermoedelijk ontstaan omstreeks 1900 toen men hoogaarzen en hengsten met een lemmerkont begon te bouwen.
Constructief en waar het betreft indeling komen de schouwen overeen met de hoogaars. Het boeisel wordt op de bovenste huidgang gelegd en het berghout op de onderkant van het boeisel. Bij de schouw met twee boorden onder het berghout ligt het berghout iets lager dan bij de schouw met drie boorden. Daardoor is bij het eerste type het boeisel wat breder dan bij het tweede. Over het rechte deel van het vlak, loopt het berghout voor het grootste deel zo goed als evenwijdig met het vlak. Ter hoogte van het begin van de voor- en achterheve loopt het berghout in een vlakkere bocht naar respectievelijk de kop- en kontklos. De scheg stak aan de achterkant dieper dan het vlak. Zodoende vormde deze een bescherming voor het vissende roer, dat van aan de scheg naar achteren een nog dieper stekende kromming had.
De schouw heeft geen kielbalk.
Bij sommige schouwen, onder meer bij de Pl14 en de TH7, heeft het potdeksel aan het voor- en achterschip een gilling. Naast het ruim is het boeisel verlaagd om praktische reden. Daar werden de mosselen geladen en gelost en een lager boeisel maakte dit werk gemakkelijk. Deze inrichting was een kenmerk van deze schouwen.
Tijdens de winter reünie van de SSRP in 1997 te Muiden luidde de conclusie dat:
"...uit het betoog van de heer Van Beylen spoedig duidelijk werd, waarom hij als titel van zijn voordracht "De schouwen van Zeeland" had gekozen: Er is in dat verband sprake van verschillende typen platbodem vaartuigen met als enige overeenkomst, dat de historische gegevens over herkomst, ontstaanswijze en gebruik van deze vaartuigen uitermate schaars en weinig concreet zijn. Ze waren klein in aantal en in betekenis steeds overvleugeld door de hoogaarzen en de hengsten. Duidelijk is het wel dat er in Zeeland houten schouwen hebben rondgevaren, die in vorm en uitvoering zijn te onderscheiden, maar we waren te laat om vast te leggen wat de oorsprong en de gedachte achter dit type schip was. Enkel de lemmerschouw is duidelijk te onderscheiden als type binnen de klasse Zeeuwse schouwen. Ieder onderscheid tussen Philippiense, Thoolse en Bergse schouwen berust niet op historische gegevens. De meer recent gebouwde "Tholense" schouwen met een rechte achterspiegel, zoals bekend bij de Friese schouwen, dienen als niet authentiek Zeeuws te worden beschouwd".
In de huidige criteria van het Stamboek is van de Zeeuwse schouw niets meer terug te vinden.
Nog bestaande Zeeuwse schouwen
- De veerschouw Elisabeth (SSRP plaquette 284), gebouwd in 1907 bij De Klerk in Kruispolderhaven.
- De mosselschouw Nieuwe Zorg, Pl67 (SSRP plaquette 188), gebouwd in 1924 bij P. Verras in Paal.
- De Else Maria (de voormalige Pl68) (SSRP plaquette 1044). Volgens het Stamboek gebouwd door P. Verras in Paal in 1936. De staat van het schip is onbekend.
- De Orisande (SSRP plaquette 1436), gebouwd rond 1890 bij Verras.
- De Luctor et Emergo (SSRP plaquette 2303), gebouwd in 1902 bij Van Wezel in Bruinisse. De laatste heeft een spiegeltje dat de achterheve afsluit, vermoedelijk houdt dit verband met de werkzaamheden. Dit is vergelijkbaar met de achterspiegel van de botboot, een Hollandse boot met achterspiegel, waarbij het kortere en daardoor bredere achterschip het uitvieren van de netten makkelijker maakte.
De Tijdlijn van de Zeeuwse schouw
Oprichting SSRP
1955
Alle in het Stamboek opgenomen en geregistreerde Zeeuwse schouwen voor 1955
Alle in het Stamboek opgenomen en geregistreerde Zeeuwse schouwen van 1956 en daarna
Alle in het Stamboek opgenomen en geregistreerde Tholense schouwen van 1956 en daarna
Alle in het Stamboek opgenomen en geregistreerde Philippiense schouwen van 1956 en daarna

Typebeschrijving van de Zeeuwse schouwen
1. Geschiedenis van de Zeeuwse Schouwen
In het Register van Zeeuwse vissersschepen (1911-1947) en in soortgelijke lijsten, zijn alles bij elkaar maar zeven schouwen van Philippine ingeschreven. Het is mogelijk dat er nog een aantal verscholen zitten onder de omschrijving half gedekte platbodem, zoals dat ook het geval is met hoogaarzen en hengsten. In 1944-1945 hadden nog slechts vijf schouwen hun thuishaven in Philippine. Voor Tholen wordt in het register evenmin een schouw genoemd en op foto's van de haven heb ik tevergeefs naar een schouw gezocht. Toch heb ik een foto van de TH9 (1937) en heb die als wrak gezien en gefotografeerd (1950).
Zoals in andere havens zullen er zeker een aantal verdwenen zijn door oorlogshandelingen en andere rampen. Er bestaan maar weinig foto's van Philippine en andere havens waarop schouwen te zien zijn. Deze scheepjes waren blijkbaar minder bekend dan andere Zeeuwse platbodems. Schouwen waren bestemd voor de mosselkweek. Het waren kleine scheepjes waarmee op de mosselpercelen werd gewerkt, in de Braakman en op de Oosterschelde, al schrijft R. De Bock dat ze ook mosselen naar Antwerpen brachten. Dat wordt bewezen door een tekening van Henri Seghers (1848-1919), vader van Maurice Seghers, die in 1897 een schouw en andere platbodems tekende, zeilend op de Schelde. Die ene tekening laat echter vermoeden dat het niet vaak gebeurde, want de grotere en kloekere hengsten, hoogaarzen en boeieraken werden vaker in de schetsboeken afgebeeld.
Maurice Seghers tekende in 1937 de schouw TH 7 in Philippine en noteerde er bij: Tholense. Hij nam er ook foto's van Tholense schouwen. Naar mijn weten heeft hij nooit over een Philippiense schouw gesproken, wel over schouwen van Philippine: kleine nuance. Philippiense schouw was hem blijkbaar niet bekend. Ik kan mij ook niet ontdoen van het vermoeden dat deze benaming een naoorloogse oorsprong heeft. De Tholense werf van van Duivendijk was blijkbaar beter bekend dan de Philippiense, die trouwens al in 1935 stilviel.
2. Beschrijving van de Zeeuwse Schouwen
De Zeeuwse schouw was ook bekend onder de namen Thoolse of Bergense schouw en schouw van Philippine. De schouw was geconstrueerd op de wijze van de aak, een bouwwijze die al werd toegepast in het oude Egypte. In de middeleeuwen zien we de schouw in Vlaanderen verschijnen. Als 'scoude' komt hij voor in 13de-eeuwse bronnen zoals de tolreglementen voor de scheepvaart op het Zwin en de documenten betreffende de belastingheffingen na de Sint-Elisabethsvloed 1404 die ook een groot deel van Zeeland trof. De toenmalige 'scoude' hoeft er natuurlijk niet eender te hebben uitgezien als de schouw van de 19de en 20ste eeuw. Aanvankelijk deed de schouw veelal dienst als veer- en vrachtboot. Lange tijd werd bijvoorbeeld de verbinding Veere-Kamperland door een schouw onderhouden. In de reeks gravures van de tekenaar G. Groenewegen: 'Verscheide soorten van Hollandse vaartuigen' (Rotterdam 1786-1801) komt de schouw echter voor onder de naam 'garnaal- of botvissertje' en daaruit weten we dat het type ook al vroeg voor de visserij werd gebruikt. Het gemeenschappelijk kenmerk was het sterk opgebrande (omhoog gekromde vlak in voor- en achterschip. De laatste vissersschouwen verdwenen in de jaren vijftig van de 20ste eeuw.
Het vlak in voor- en achterschip was hoog opgebrand (omhooggekromd) en versmalde vrij sterk naar boven toe. Het steunde van voren met zijn uiteinde tegen de lage rand van het boeisel; in het achterschip steunde het slak tegen een zware dekbalk op de kop van de achtersteven. Deze dekbalk verving op die plaats het boeisel.
In tegenstelling tot de schouw, ook een op de wijze van de aak gebouwde boot, had de boeieraak wel een in de romp ingebouwde voor- en achtersteven. De scheepshuid was geheel gladboordig. Midscheeps was het boeisel licht naar binnengericht en staand. Naar voren, iets voor de mast, kreeg het in het midden een zwakke vouw, die in de boeg van het voorschip scherper werd en weer verdween tegen de voorsteven. Deze vouw bevond zich ter hoogte van het dek. Van achteren was de constructie bijna identiek, met het verschil dat het boeisel hier tegen het opgebrand vlak en het lage deel van de zware dekbalk eindigde. Het boeisel was betrekkelijk breed wegens de lage plaatsing van het berghout. Dit liep in het middenrecht en kromde voor en achter omhoog. Volgens foto's waren er verschillende variaties: sommige boten uit ca. 1900 hadden een verhevener voor- en achterschip. De knieën van de boeieraak waren als op de hoogaars verlengd met een klos. De knoppen van de klossen waren afgedekt met een 'potdeksel' (typisch voor de boeieraak) dat een verlenging van het achterdek was, op dezelfde hoogte doorliep, door het opboeisel stak en eindigde tegen de zwaardknie.
3. Tuigage
De Zeeuwse schouw voerde een bezaantuig. De mast was op iets minder dan 1/3 van de scheepslengte geplaatst; de tuiging met betrekkelijk smalle fok en breed grootzeil leek op die van de schouw.
Kenmerken van de Zeeuwse schouwen
- De Zeeuwse schouwen als werkschip
- De Zeeuwse schouwen als jacht
- Algemene kenmerken
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
6. Subtypen, specifieke kenmerken
De Schouwen van de Schelde worden van oudsher in drie typen onderverdeeld, ieder met eigen kenmerken:
- de Bergse schouw (Bergen op Zoom),
- de Philippiense schouw,
- de Tholense schouw.
Jules van Beylen voegt hier nog een vierde aan toe:
De schouw PI14 was gebouwd met een klos aan het voor- en aan het achterschip, net zoals de Bergse schouw BZ1. Nochtans verschilt het type PI14 meer met de BZ1 dan met de Philippiense en met de Tholense schouw. De PI14 heeft drie boorden onder het berghout en voor en achter een heve. Die is voor breder dan achter. Het boeisel is breed, zoals bij de BZ1, ligt lager en is aan de koppen breder dan bij de andere typen. Vissend roer. Hoe moet worden genoemd?
Publicaties over de Zeeuwse schouw in het Stamboekarchief
Zeeuwse vissersschepen van de Ooster- en Westerschelde - Jules van Beylen 1961

Marine Academie, Mededelingen XIII
De Zeeuwse vissersvaartuigen legden zich hoofdzakelijk toe op de mossel- en oesterkweek, maar visten ook op verschillende soorten vis als : ansjovis, sprot, bot, herder, in kleine mate ook haring, doch vooral garnaal. Een tijdlang werd zelfs kreeft gevangen. Het gebied van de Zeeuwse visserij - waaronder ook de mossel- en oesterkweek begrepen zijn - wordt begrensd door het eiland Goeree Overflakee in het Noorden en Zeeuws-Vlaanderen in het Zuiden, een gebied waarin dus practisch alle Zeeuwse eilanden liggen. Hierbij dienen ook nog de kustwateren van de Noordzee langs de Zeeuwse eilanden en in beperkte mate ook deze langs de Vlaamse kust gerekend te worden. Ten einde het gebruik van de Zeeuwse vissersschepen nader te belichten en hun functie als werktuig te verduidelijken, geven wij een beknopte beschrijving van het werk dat zij verrichtten bij de mossel- en oesterkweek en bij de visserij. Zoals reeds gezegd viste men vroeger mosselen en oesters op wilde banken. Bij laag water vielen deze banken droog of bijna droog en konden de schelpdieren bij elkaar geharkt en in de schepen geladen worden.
Op te merken valt, dat de taak van de schepen er vooral in bestaat het transport van de schelpdieren en de groeibodem te verzekeren. Enkel bij het slepen van de kor wordt er werkelijk « gevist ». Zeilschepen werken doorgaans met één kor, de later gemotoriseerde schepen met twee.
De Zeeuwse schouw
Een typisch vissersvaartuig, dat men tot voor enkele jaren op de Zeeuwse stromen kon zien varen was de Zeeuwse schouw, ook gekend als de Tholense of Bergense schouw, soms genoemd schouw van Phi-lippine. De schouw is steeds een schip dat volgens de aakbouwwijze gebouwd is
Er is reden om aan te nemen dat de aakbouwwijze één van de oudste methodes was om een schip te bouwen. Egyptische schepen werden al gebouwd met een hoog boven het water oplopend vlak en de duizend jaar oude Chinese junken werden gebouwd zoals onze latere schouwen. In de Middeleeuwen wordt de naam bij ons bekend al hoeft dit niet te betekenen dat de toenmalige « scoude » er precies uitzag, als de 19° en 20e eeuwse schouw (cfr. 168 eeuwse hoogaars). Een feit is dat in de Tolreglementen voor de scheepvaart op het Zwin, uit de 15e eeuw de schouw genoemd wordt : « Een pleyte of scoude, kogghescip, zeylscoude, barke, enz... ».
Men kan zich de vraag stellen waar de benaming « Bergense » of « Tholense » schouw vandaan komt. Voor zover aan de hand van de bestaande schepen kon vastgesteld worden, was het mogelijk twee varianten te identificeren, waarbij evenwel niet kon bepaald worden welke van de twee een Bergense of een Tholense schouw zou zijn, en waarom. Men spreekt inderdaad altijd van een Bergense of Tholense schouw, waarmede men blijkbaar een zelfde type aangeeft. Het vermoeden dat deze twee bepalingen geen enkel verschil aanduiden werd ten andere onderschreven door de Tholense scheepsbouwer Van Duivendijk. Merkwaardig echter is dat men in de geschreven bronnen betreffende de schouw, waarvan wij hierboven de voornaamste vermeld hebben, steeds over de «schouw » zonder meer spreekt, in tegenstelling o.a. met deze over de hoogaars, waar men verduidelijkt « Arnemuidense », « Kinderdijkse », « Oostduivelandse ».
Er zijn geen gegevens voorhanden, althans niet bekend, waaruit men zou mogen besluiten dat Tholen de plaats van herkomst zou kunnen zijn van het type. Immers, uit de werfboeken van de enige in aanmerking komende scheepswerf ter plaatse blijkt, dat er sedert 1886 slechts één schouw zou gebouwd zijn. Laat er nog een stuk of wat exemplaren niet ingeschreven zijn, zulk klein aantal kan toch geen reden zijn om van een « Tholense » schouw te spreken. Of staat men hier weer voor een eenvoudige aanduiding van de thuishaven, waar inderdaad een aantal schouwen ingeschreven waren.
Verder staat vast, dat practisch alle nawijsbare bouwplaatsen in Zeeuws-Vlaanderen gelegen waren, met Philippine als voornaamste thuishaven.
Voordracht van Jules van Beylen over de schouwen van Zeeland - SSRP Winterreünie 1997
Er is sprake van verschillende typen platbodem vaartuigen met als enige overeenkomst, dat de historische gegevens over herkomst, ontstaanswijze en gebruik van deze vaartuigen, klein in aantal en in betekenis steeds overvleugeld door de hoogaarzen en de hengsten, uitermate schaars en weinig concreet zijn. Het was alleen in Zeeland algemeen gebruikelijk om een scheeptype te noemen naar zijn thuishaven, ook al bestond tussen beide geen enkele verband. Hij waagde het desondanks, om aan de hand van foto's en tekeningen op dia een beschrijving te geven van de kenmerken van enkele subtypen als de Tholense schouw, de Bergense schouw en de Phillippiense schouw.
Een belangrijkste conclusie uit onderzoek naar deze schouwen is, dat de meer recent gebouwde "Tholense" schouwen met een rechte achterspiegel, zoals bekend bij de Friese schouwen, als niet authenthiek dienen te worden beschouwd.
Tholensche schouw naar ontwerp A. van Oudgaarden van Scheepswerf „De Amer" te Drimmelen
Het is kenmerkend voor deze tijd van opleving van de oud Nederlandse schepen, dat ook enige hiervan in serie worden gebouwd. Zo maakt de Scheepswerf „De Amer" te Drimmelen een Tholensche schouw naar ontwerp A. van Oudgaarden. Deze stalen scheepjes meten: lengte over alles 8,60 m, 1.w.l. 6,95 m, breedte 2,80 m, diepgang 0,56 m, zeiloppervlak 35,50 m2. Voor de inrichting wordt naar de tekening verwezen. Reeds zijn verleden jaar twaalf van deze jachten, waarvan de prijs f 25.000,- bedraagt, afgeleverd.
Foto's in de rubriek De Uitkijk in De Waterkampioen 1941 : Welk scheepstype is dit?
Het antwoord in een volgende Waterkampioen
Naar aanleiding van de foto's van visschersvaartuigen in de haven van Philippine, in ons nummer van 13 April opgenomen, ontvingen wij eenige brieven van lezers, die het vermoeden uitspraken, dat de ,,PI68" een „hengst" is. Dit is zeker niet juist; een hengst heeft een voorsteven, bestaande uit een rechten balk, ongeveer als bij een hoogaars, maar steiler staand en met stomperen neus. De „PI68" daarentegen heeft in 't geheel geen voorsteven; het vlak is voor opgebogen en loopt door tot den neus van het vaartuig.
Meer hebben wij aan de mededeeling van den heer G. J. Weijland Jr. te Loenen a. d. Vecht, die als oud-Veerenaar weet te vertellen, dat het bedoelde scheepstype in Zeeland „schouw" wordt genoemd. De veerboot van Veere naar Kamperland was vroeger zoo'n schouw, die echter zeer breed was gebouwd, omdat de boot altijd dwars over de golven het Veergat moest oversteken. De heer Weijland zond ons o.a. de hierbij weergegeven foto van dit vaartuig, die het scheepstype wat duidelijker weergeeft dan onze foto's uit Philippine. Ook het schilderachtige spriettuig, dat helaas vrijwel uit Zeeland verdwenen is, is hierop te zien.
Ook uit andere brieven, die ons bereikten, komt de naam „schauw" of „Tholensche schauw" naar voren. Daarmee is dus de vraag van onzen lezer beantwoord.

Provinciale Zeeuwse Courant 25 april 1978: Verras laat Philippiense schouw te water in Walsoorden
Type platbodem sinds 1938 niet meer in productie
Voor het eerst in 48 jaar zal zaterdag een zogenaamde Philippiense schouw te water worden gelaten. De jachtbouw werf van Remy Verras uit Walsoorden heeft het 8.20 meter platbodemjacht gebouwd voor de Amsterdamse journalist B. H. Ligteringen. Het is voor het eerst dat de heer Verras een Philippiense schouw met een kajuit bouwt. Verleden jaar maakte hij een proefmodel -zonder kajuit- waarin hij zelf vaart. „Vader heeft de schouw vroeger nog in hout gebouwd. ikzelf heb nooit in hout gebouwd, maar nog wel geholpen hij reparaties van die houten Philippiense schouwen". De 'Vrouwe Albertina Maria' is een schip met een stalen casco en een stalen opbouw. Van binnen is de schouw betimmerd met hout, terwijl ook de kuip op het achterschip in hout is uitgevoerd.
