Spring naar inhoud

Toegankelijkheidsopties:

Kenmerk-beschrijvingen Bollen

Algemeen

De Wieringer bol 'Eudia'. Bolletjes zijn van origine platbodemschepen. Maar de 'Eudia' is daarbij uniek omdat ze is gebouwd als (luxe) jacht met een ronde bodem.

Algemeen

Over de betekenis van het woord bolletje is men het niet eens. Sommigen verklaren het woord uit de ronde vorm van de scheepjes. Een andere en waarschijnlijk juistere verklaring wijst erop dat het woord bollen in het oud-Nederlands slaat op verkleinen. Een bol zou aldus een klein vissersschip zijn, kleiner van afmeting dan botters en schokkers.

Dit vissersschip is ook wel bekend onder de namen Workumer, Makkumer en Enkhuizer bol of -aak. De verklaring hiervoor is dat dit type in het begin van deze eeuw werd gebouwd door de werf van Zwolsman in Workum en in Makkum - die ook de Wieringer aken bouwden - en door de werf van Lastdrager in Enkhuizen.

De bol is een platbodem met een ronde steven afgekeken van de aakjes en/of van de Tjalken. De Vollenhovense bol heeft een plat vlak. Maar waren bijvoorbeeld de Enkhuizer of Wieringer bollen nu ronde schepen of hadden ze een plat vlak? J.K. Gipon doet daar niet theoretisch over. Hij zegt: "Rond of plat kon variëren. De vissersscheepjes hadden meestal een plat of nagenoeg plat vlak. Dat was goedkoper en ook makkelijker voor het inbouwen van de bun. Aan een jacht mocht meer geld worden besteed, zodat rondbouw daar meer voor de hand lag." Deze conclusie komt overeen met het nagenoeg platte vlak van het vissersscheepje van het museum in Enkhuizen en met de ronde spantvorm van de als jacht gebouwde 'Eudia'.

Bollen werden gebouwd in afmetingen van 7 tot 10 meter en gebruikt voor de visserij op de Zuiderzee. Er zijn in hout betrekkelijk weinig bollen gebouwd. Opmerkelijk is dat dit scheepstype zich thans weer in een levendige belangstelling verheugt als jacht. Vele bollen worden nu van staal gebouwd (een paar van hout) met een kajuit. Het tuig en de inrichting is dan aan de moderne eisen, die een jacht stelt, aangepast. Er zijn in diverse plaatsen rond de Zuiderzee enigszins aangepaste types gebouwd.

De Bollen in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (eerste druk 1962, laatste druk 2000):
De Enkhuizer vissers spraken nog van aalbootje. Er zijn slechts ongeveer een tiental van deze bollen gebouwd, waarvan er nog maar enkele over zijn. De laatste jaren zijn verschillende nieuwe bollen, in staal uitgevoerd, als jacht gebouwd.
Omstreeks 1900 woonde in Vollenhove de visserman A. Jongman Pzn., die met een punter de toenmalige Zuiderzee opging om bot te vissen. De scheepsbouwer Kroese, eigenaar van de werf in Vollenhove, dacht er het zijne van, dat deze man bij weer en wind in een kleine open boot de zee opging, hoe zeewaardig dit scheepje relatief ook mocht zijn. Kroese deed de botvisser het voorstel een klein scheepje voor hem te bouwen met een vaste plecht, waarin dus een verblijf je, zij het dan ook wat bekrompen, gemaakt kon worden. Hij bouwde voor f 250.- een schip van ongeveer 21 voet lengte, 6 voet breedte en 4 voet diepte (holte). Deze 'visaak', volgens het papier dat de afrekening vermeldt, werd op 20 april 1902 in dank aanvaard en bleek een waakzaam, goed zeilend scheepje te zijn. In 1904 werd er nog net zo een gebouwd voor de lichtwachter van Kraggenburg voor een vlotte verbinding met de wal. Er bleek vraag naar deze Vollenhovense bol te zijn, die kleiner was dan de bestaande schuiten en botters, maar die niettemin van lieverlee toch groter werd tot een meter of tien.


De Bollen in het boek "Platbodemjachten van J.K. Gipon" door Jan Kooijman (1998-2000)
Verschillende vissersplaatsen rond de Zuiderzee hadden hun eigen bolletjes: Enkhuizen, Workum, Hindelopen, Blokzijl, Lemmer en Vollenhove. Deze scheepjes waren kleiner en dus goedkoper dan bijvoorbeeld de botter. De bollen uit Enkhuizen hadden een boeierachtig voorkomen, ronde vormen en een betrekkelijk lage kop. Daar, aan de hoge wal, was het water immers meestal minder ruw dan aan de overkant. De bollen van Friesland en Overijssel waren stoerder en zeewaardiger vanwege hun thuishavens aan de lage wal. Bollen hebben in het algemeen een plat vlak, in tegenstelling tot de Lemsteraken die rond zijn. Op elke regel is echter een uitzondering:

In het algemeen kan men zeggen dat de bollen verder werden gekenmerkt door de volgende eigenschappen:

  • ze hadden een gebogen steven, maar de kop was, ook relatief bezien in vergelijking tot hun lengte, minder hoog dan van de botter;
  • het achterschip was relatief minder laag dan van de botter zodat de zeeglijn meer horizontaal liep;
  • het platte vlak was sigaarvormig en niet geknikt;
  • de spanten in de zijden hadden een gebogen vorm;
  • de meeste bollen waren droge schepen, dat wil zeggen ze hadden geen visbun;
  • de mast stond wat voorlijker dan die van de botter.

Al deze eigenschappen bijeen genomen geeft dit de indruk van een gematigd schip, met weinig extreme kenmerken, hetgeen het type voor het gebruik als jacht zeer geschikt maakte; geen te hoge kop, waar je aan het roer staand nauwelijks overheen kan kijken, geen te laag achterschip met te weinig vrijboord. Verder had het een gemakkelijke tuigage meteen flink grootzeil en een matig grote, goed handelbare fok. De bouw was redelijk goedkoop vanwege het platte vlak, terwijl nochtans de ronde spantvorm aangenaam was voor het oog. Tenslotte was het ook nog zo, dat de afmetingen die voor een jacht gewenst zijn niet teveel verschilden van de afmetingen van de oorspronkelijke scheepjes


De Bollen in het boek "Klein maar dapper" van Henk de Graaf (1993)
Sommigen menen dat het woord bol verband zou houden met de ronde vormen van het schip. Het is echter de vraag in hoeverre dit juist is. Immers, waarom hebben scheepstypen als tjotters en boeiers - die minstens zo rond, zo niet ronder zijn dan de schepen, die thans als bol worden aangeduid dan hun eigen benamingen?
Veel aannemelijker lijkt de toelichting welke in het programmaboekje van de Reünie van het Stamboek Ronde en Platbodemjachten 1993 staat vermeld: het (oude) Nederlandse werkwoord 'bollen' betekende verkleinen. Een bol is dan ook een verkleining van de botter. Kleiner, dus makkelijker hanteerbaar, dus goedkoper in aanschaf. In rijkere tijden werd dit scheepstype ontwikkeld om de oudste, vaak lastige (toen ook al?), zoon van de visser zijn eigen schip te kunnen geven. En was het dan meestal niet de vader, die - het discussiëren moe - zijn oude schip verliet en op de bol terechtkwam? Ach, er is in al die jaren toch maar weinig veranderd. Overigens sluit de toelichting van het Stamboek aan op een artikel van Van der Laan in de Zwolsche Courant.
Maar of hiermee een eenduidige naam kan worden gegeven voor een specifiek scheepstype is echter nog maar de vraag.
Aan de Enkhuizer bol 'Breebanck' (ik kom verderop in het verhaal met een beschrijving van dit schip), dat in 1913 als EH9 door Stapel in Enkhuizen is gebouwd, wordt bijvoorbeeld op dat moment de naam 'vischaak', 'boeier-aak', 'aalbootje' en 'eelbootje' gegeven.
Zou met de typering 'bol' niet veel meer sprake zijn van een verzamelnaam voor kleinere vissersschepen (tot zo'n meter of negen), die op de Zuiderzee worden gebruikt, waarbij sprake is van een bolle kop en een laag rond achterschip? Rondom de Zuiderzee hadden vele vissershavens zo hun eigen bolletjes: Vollenhove, Workum, Makkum, Wieringen en Enkhuizen. Elk naar hun regionale eisen en gewoonten. Wat ze alle gemeen hebben, zijn dus de ronde boegen en hun relatief kleine afmetingen; kleiner dan die van de grote vissersvaartuigen van de Zuiderzee, zoals de botters en de blazers.
De verschillen zijn niet altijd even duidelijk. Dat gaat nog wel als men bijvoorbeeld de Vollenhoofse en Enkhuizer bollen bekijkt. De Vollenhoofse bol was in het algemeen wat groter althans zeker bij de latere exemplaren - en had een beduidend hogere kop om een betere zeewaardigheid te verkrijgen. Dit in tegenstelling tot de Enkhuizer bol, die meestal kon genieten van de bescherming van de hoge wal en daarom wat kleiner was en minder op zeewaardigheid werd gebouwd.
Daarom kan in z'n algemeenheid worden gesteld dat er een onderscheid is te maken tussen de bollen van de hoge wal (zoals de Enkhuizer en Wieringer bollen) en van de lage wal (zoals de Vollenhovense en Workummer bollen).


Het Maassluis platjacht, een specifiek scheepstype?
Eigenaar A.L.E. Rambonnet, Eindredacteur van het tijdschrift "Ons Element" publiceert in 1920 een artikel over het zgn. Maassluis Platjacht 'Bruinvisch'.
"Ik wil graag mijn lezers de „Bruinvisch" voorstellen, Het scheepje is vermoedelijk uit Friesland afkomstig. Het was voor den oorlog in België bekend als „.Dolphijn". In 1918 vertoonde zij zich te Dordt als „Bruinvisch", daarna werd Loosdrecht haar station. De „Bruinvisch" is als botaak m.i. het beste gedetermineerd. Het schip is van hout, meet 7.80m over stevens, is 3.30m breed, steekt kleine 3 voet."


Scheepstype: Vollenhovense bol

Inleiding

De Vollenhovense bol 'd'Ouwe Dirk' met plaquette 710. De oudste stalen bol (1955) in het Stamboek.

Oorspronkelijk is het type ontwikkeld door de scheepsbouwer Kroese te Vollenhove, die voor zijn klanten iets zocht dat het midden hield tussen de visaken zoals die op de binnenwateren rond dit Zuiderzeestadje gebruikt werden en de wat grotere botters en de toenmalige “nieuwe” Lemsteraken die het buitenwater bevoeren. We schrijven dan ongeveer het jaar 1900. Bij zijn ontwerp had Kroese nog geen jacht voor ogen maar een visserijscheepje, of een ander schip waarmee op bedrijfsmatige wijze de kost moest worden verdiend. De jachtontwerpen zijn eerst van later datum. De eerste bol bouwde Kroese naar het schijnt voor de visser A. Jongman Pzn, die tot dan toe met een punter op de Zuiderzee had gevist.
Kroese heeft waarschijnlijk met zijn nieuwe ontwerp goed gekeken naar eerdere producten van hemzelf, maar onder anderen als die van Schepman en ook van van Goor. Opvallend is overigens dat Kroese op de rekening aan de visser Jongman zet dat hij “een vischaak” aan hem geleverd heeft. Een tweede schip wordt geleverd in 1904 aan de lichtwachter op Schokland die het gebruikte voor zijn tochten van en naar het eiland. Er bleek vraag te zijn naar dit type schip en Kroese heeft er een aantal van gebouwd, tot een lengte van 10 meter! Ook Snoek te Blokzijl ging er een aantal bouwen en ook Wolter Huisman op de Ronduite nam het type in zijn bouwprogramma op. Doordat deze laatste werf zich steeds meer op de jachtbouw ging toeleggen, werd de afwerking van het scheepje steeds fraaier. En zo ontstond in de loop van de jaren 1921 tot 1954 een serie van vier Vollenhovense bollen in jachtuitvoering.
De Vollenhoofse Bol werd voornamelijk gebruikt voor de visvangst met staand want. Natuurlijk kwam het wel voor dat er werd gesleept met een bol, o.a. op spiering, en op haring, maar dat was toch niet het doel waar ze voor ontwikkeld werden. Ze waren bedoeld voor de dagvissers, die met dit schip een zeewaardiger en comfortabeler bedrijfsvaartuig hadden dan met de bekende grote punters.

​Zeldzaamheid

Van de Vollenhovense bollen uit de visserij zijn er weinig meer over. Verscheidene werven zijn Vollenhovense bollen gaan bouwen als plezierjacht. In het Stamboek staan er 144 ingeschreven, waarvan een paar ooit als visserman zijn gebouwd en later tot jacht zijn verbouwd. Jachtwerf Brandsma in Rohel heeft rond 1982 nog twee nieuwe houten bollen als jacht gebouwd.

In het Zuiderzeemuseum ligt er één volgens de bijgeplaatste typebeschrijving, de VN95, in de schepenhal. Dit schip is echter geen bol, het heeft een rond vlak, een akenroer en stamt duidelijk uit Friesland.

De Vollenhovense bol RD23 (ex-Aemilia II) is de laatste originele Vollenhovense bol uit de visserij

De Vollenhovense bol RD23 is de laatste originele Vollenhovense bol uit de visserij. Het schip is gebouwd in 1919 op de werf van W. Huisman & Zn op de Ronduite. De RD23 heeft onder verschillende visserijnummers dienst gedaan in de visserij, onder meer in Vollenhove, Durgerdam en Spakenburg. Nadat het in de jaren ’50 verbouwd was tot jacht, is het schip tussen 1990 en 1993 weer in de originele staat teruggebracht. Nu vaart de RD23 dagtochten vanuit Harderwijk.


De tijdlijn van de Vollenhovense bol

Scheepswerf Kroese in Vollenhove bouwt de eerste Vollenhovense bol

1902

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Typebeschrijving Vollenhovense bol

  1. Geschiedenis van de Vollenhovense bol
  2. Beschrijving van de Vollenhovense bol
  3. Tuigage

Kenmerken van de Vollenhovense bol

1. De Vollenhovense bol als werkschip
2. De Vollenhovense bol als jacht

3. Algemene kenmerken

Vollenhove (Kroese) Blokzijl (Snoek) Ronduite (Huisman)
plat vlak plat vlak plat vlak
vlakke zeeg vlakke zeeg vlakke zeeg
gebogen steven als bij de botter doch niet zo hoog gebogen steven als bij de botter doch niet zo hoog gebogen steven als bij de botter doch niet zo hoog
brede kop brede kop slanker model
beer beer geen beer
geen berentanden wel berentanden wet berentanden
uitholling boeisel bij de steven geen uitholling geen uitholling
rug van het roer komt terug rug van het roer komt terug rug van het roer komt terug

4. Kenmerkende verhoudingen
5. Verklaring in tekening
6. Subtypen, specifieke kenmerken

Publicaties over de Vollenhovense bol in het Stamboekarchief

Scheepswerf Kroese in Vollenhove - De bakermat van de Vollenhovense bol

Omstreeks 1900 woonde in VoIlenhove de vissennan A. Jongman Pzn., die met een punter de toenmalige Zuiderzee opging om bot te vissen. De scheepsbouwer Kroese, eigenaar van de werf in VoIlenhove, dacht er het zijne van, dat deze man bij weer en wind in een kleine open boot de zee opging, hoe zeewaardig dit scheepje relatief ook mocht zijn. Deze betrekkelijk goede zeewaardigheid dankt de punter aan het zeer vlakliggende neerbord en het sterk naar binnenvallende boeisel, wat ook kenmer ken zijn van de schokker, een schip dat de faam had de meest zeewaardige platbodem te zijn. Kroese deed de botvisser het voorstel een klein scheepje voor hem te bouwen met een vaste plecht, waarin dus een verblijfje, zij het dan ook wat bekrompen, gemaakt kon worden.

Het was in deze tijd, dat Kroese soms flinke schuiten (= schokkers) bouwde, terwijl ook botters van deze werf kwamen. Evenals veel vissers 'zag' hij meer in de botter en vend dit schip nog altijd het mooiste type van onze Zuiderzee, niet het minst omdat dit schip meer mans is dan de meestal kleinere schuit van Vollenhove. Hierbij is waarschijnlijk ook van invloed, dat Kroese, geboren in Harlingen, eerst in Urk op de werf werkte en daar uiteraard botters leerde bouwen. Instinctief heeft de oude Kroese aangevoeld, dat een botter niet zo maar tot een meter of zes te verkleinen is en daarom probeerde hij iets nieuws. Het is begrijpelijk dat Kroese daarbij ,teruggreep op de kleinere Vollenhovense schuit.

Hij bouwde voor f 250.- een schip van ongeveer 21 voet lengte, 6 voet breedte en 4 voet diepte (holte). Deze 'visaak', volgens het papier dat de afrekening vermeldt, werd op 20 april 1902 in dank aanvaard en bleek een waakzaam, goed zeilend scheepje te zijn. In 1904 werd er nog net zo een gebouwd voor de lichtwachter van Kraggenburg voor een vlotte verbinding met de waL Er bleek vraag naar deze Vollenhovense bol te zijn, die kleiner was dan de bestaande schuiten en botters, maar die niettemin van lieverlee toch groter werd tot een meter of tien.

Deze Vollenhovense bol heeft een vlak dat overeenstemt met dat van de schuit en zo goed als geheel vlak is. Het is sigaarvormig met een sterke ronding van voren. Doordat de huidgangen hierop aansluiten wordt de kop breed en rond. De zeeg is niet als bij een botter sterk oplopend naar voren, doch vlakker als bij een schuit. De steven is echter gebogen en loopt uit in een punt, zoals wij die kennen van de botter en waarvan de raaklijn loodrecht op het water staat. Door de vlakke zeeg is de steven lang zo hoog niet als in verhouding van de grootte bij een botter; hij komt niet hoger dan de rechte steven van de schuit gedaan zou hebben. Het achterschip is dat van de schuit, hetgeen ook geldt voor het roer, waarvan de rug meestal terugkomt, zodat de breedte op de waterlijn lang niet zo groot is ten opzichte van de kop, als dit bij de botter het geval is. Het is merkwaardig dat de bollen van deze werf zo breed zijn in tegenstelling met de Vollenhovense schuiten, die juist vrij slank van bouw waren.

De valse steven, de zogenaamde beer, snars of snoes, kwam aan stuurboordzijde tegen de echte steven en daartussen de rol voor de ankertros. Ook vertoont de Vollenhovense bol de voor de schuit kenmerkende uitholling waarmee de boeisels van de beretanden met een neerwaartse bocht in de steven uitlopen. De beretanden zelf ontbreken echter, De ontwikkeling uit de schuit, terwijl met een schuin oog naar de botter werd gekeken, is evident.

De Vollenhovense bol in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (1962)

Omstreeks 1900 woonde in Vollenhove de visserman A. Jongman Pzn., die met een punter de toenmalige Zuiderzee opging om bot te vissen. De scheepsbouwer Kroese, eigenaar van de werf in Vollenhove, dacht er het zijne van, dat deze man bij weer en wind in een kleine open boot de zee opging, hoe zeewaardig dit scheepje relatief ook mocht zijn. Deze betrekkelijk goede zeewaardigheid dankt de punter aan het zeer vlakliggende neerbord en het sterk naar binnenvallende boeisel, wat ook kenmerken zijn van de schokker, een schip dat de faam had de meest zeewaardige platbodem te zijn. Kroese deed de botvisser het voorstel een klein scheepje voor hem te bouwen met een vaste plecht, waarin dus een verblijfje, zij het dan ook wat bekrompen, gemaakt kon worden.

Ronde en Platbodemjachten - Standaardwerk onder redactie van Mr. Dr. T. Huitema
In het miniatuurhuisje (rechts op de foto) woonde het gezin Kroeze. De houten werfloods en de woning van de familie Kroese vormden een geheel. Op de helling liggen drie bonsjes en een kubboot.

Het was in deze tijd, dat Kroese soms flinke schuiten (= schokkers) bouwde, terwijl ook botters van deze werf kwamen. Evenals veel vissers 'zag' hij meer in de botter en vond dit schip nog altijd het mooiste type van onze Zuiderzee, niet het minst omdat dit schip meer mans is dan de meestal kleinere schuit van Vollenhove. Hierbij is waarschijnlijk ook van invloed, dat Kroese, geboren in Harlingen, eerst in Urk op de werf werkte en daar uiteraard botters leerde bouwen. Instinctief heeft de oude Kroese aangevoeld, dat een botter niet zo maar tot een meter of zes te verkleinen is en daarom probeerde hij iets nieuws.

Het is begrijpelijk dat Kroese daarbij teruggreep op de kleinere Vollenhovense schuit. Hij bouwde voor f 250.- een schip van ongeveer 21 voet lengte, 6 voet breedte en 4 voet diepte(holte). Deze 'visaak', volgens het papier dat de afrekening vermeldt, werd op 20 april 1902 in dank aanvaard en bleek een waakzaam, goed zeilend scheepje te zijn. In 1904 werd er nog net zo één gebouwd voor de lichtwachter van Kraggenburg voor een vlotte verbinding met de wal. Er bleek vraag naar deze Vollenhovense bol te zijn, die kleiner was dan de bestaande schuiten en botters, maar die niettemin van lieverlee toch groter werd tot een meter of tien.
Deze Vollenhovense bol heeft een vlak dat overeenstemt met dat van de schuit en zo goed als geheel vlak is. Het is sigaarvormig met een sterke ronding van voren. Doordat de huidgangen hierop aansluiten wordt de kop breed en rond. De zeeg is niet als bij een botter sterk oplopend naar voren, doch vlakker als bij een schuit. De steven is echter gebogen en loopt uit in een punt, zoals wij die kennen van de botter en waarvan de raaklijn loodrecht op het water staat. Door de vlakke zeeg is de steven lang zo hoog niet als in verhouding van de grootte bij een botter; hij komt niet hoger dan de rechte steven van de schuit gedaan zou hebben. Het achterschip is dat van de schuit, hetgeen ook geldt voor het roer, waarvan de rug meestal terugkomt, zodat de breedte op de waterlijn lang niet zo groot is ten opzichte van de kop, als dit bij de botter het geval is. Het is merkwaardig dat de bollen van deze werf zo breed zijn in tegenstelling met de Vollenhovense schuiten, die juist vrij slank van bouw waren.
De valse steven, de zogenaamde beer, snars of snoes, kwam aan stuurboordzijde tegen de echte stevenen daartussen de rol voor de ankertros. Ook vertoont de Vollenhovense bol de voor de schuit kenmerkende uitholling waarmee de boei seis van de beretanden met een neerwaartse bocht in de stevenuitlopen. De beretanden zelf ontbreken echter. De ontwikkeling uit de schuit, terwijl met een schuinoog naar de botter werd gekeken, is evident. Bij de bouw van een bol komt boven over de koppen van de inhouten en erop ingelaten van voor naar achter een stevige balk, de draam. Vóór de mast werd tegen de binnenkant van deze draam een 5 centimeter dikke 'ingebrande' plank aangebracht, waarop in inkepingen de dekbalkjes lagen. De plechtdelen lagen over de dekbalkjes en draam heen tot aan de buitenkant van de huid. Daarbovenop staan aan de binnenzijde de bovendraam (met pennen door het dek heen op de onderdraam bevestigd) en aan de buitenzijde het dekboord of boeisel, welke beide ook weer van voor tot achter doorlopen. Hierover heen een potdeksel, dat de naad tussen beide delen afsluit. Dit boeisel vormde zo een hechte constructie en een waardevol verband voor het gehele schip. Een en ander precies als bij de Vollenhovense schuit. Het dek steekt dus bij deze schepen door het opboeisel naar buiten, zulks in tegenstelling met bijvoorbeeld de botter, waar het dek van buiten nièt te zien is.
In navolging van de Vollenhovense werf ging ook de werf van Snoek in Blokzijl de bol bouwen. Bij deze schepen, die zwaar van model waren, liep het boeisel normaal in de steven als bij een botter, terwijl naast de beer ook beretanden aangebracht werden. Zoveel hoofden zoveel zinnen is buiten kijf van toepassing op de bouw van de vissersschepen in ons land, en het is dus niet te verwonderen dat, toen naast Snoek uit Blokzijl, ook Huisman van Ronduite, Wanneperveen, bollen ging bouwen, er wederom een soort bol ontstond met enkele voor die werf karakteristieke kenmerken. De punterbouwer, die Huisman van oorsprong was, maakte aanvankelijk schepen met een te veel weggesneden achterschip, waardoor deze bollen slecht door de wind gingen. Op de Vollenhovense werf werden er daarom ook verscheidene van een extra stuk doodhout voorzien tussen de eigenlijke steven en het roer, waarbij ook het laatste uiteraard iets veranderd moest worden. De oude Huisman heeft dit gebrek later verbeterd en zo ontstond een uitstekend zeilende bol van een iets slanker en verfijnder type. Doordat deze werf zich bovendien op de jachtbouw ging toeleggen werd de afwerking ook steeds fraaier. Er groeide zo, na de vissersschepen, een serie van vier jachten. Bij deze schepen ontbreekt weer de uitholling van de boeisels en de beer, terwijl wel beretanden aanwezig zijn. Deze vier jachten zijn de Jarro (vroeger Riepel) gebouwd in 1921, De Vrouw Lucia, in 1926/27 op dezelfde mallen gebouwd, de Goetzee gebouwd in de winter 1939/40 (zie de Waterkampioen 1950, pagina 161 en volgende) en ten slotte volgde in 1954 de Njord. Waarschijnlijk is de Njord, die inmiddels naar Engeland is verkocht, de laatste houten Vollenhovense bol. De werven in Vollenhove en Blokzijl bestaan immers niet meer en de werf in Wanneperveen is verplaatst en op staalbouw overgegaan. In toenemende mate worden thans op andere werven Vollenhovense bollen in staal als jacht gebouwd.

Vollenhove (Kroese)
plat vlak
vlakke zeeg
gebogen steven als bij de
botter doch niet zo hoog
brede kop
beer
geen beretanden
uitholling boeisel bij de steven
rug van het roer komt terug
Blokzijl (Snoek)
plat vlak
vlakke zeeg
gebogen steven als bij de
botter doch niet zo hoog
brede kop
beer
wel beretanden
geen uitholling
rug van het roer komt terug
Ronduite (Huisman)
plat vlak
vlakke zeeg
gebogen steven als bij de
botter doch niet zo hoog
slanker model
geen beer
wel beretanden
geen uitholling
rug van het roer komt terug

Lijnentekening van de Vollenhovense bol `Goetzee', gebouwd in 1940 door Huisman te Wanneperveen, I. 8.75 m, br. 3 m, diepgang 0.70 m

De Vollenhovense bol in "Plezierig varen Ronde en Platbodemjachten" van Jaap A.M. Kramer en Wim de Bruijn (1972)

De Vollenhovense bol is een platbodemjacht dat boven water alleen ronde vormen toont en tegelijk compact en sierlijk is. Lijkt veel op de botter, maar is kleiner. Hij heeft een ronde kop met gebogen steven die in een hoog oprijzende punt nog scherper en steiler dan bij de botter eindigt. Het voorschip is echter lager en het achterschip hoger dan bij de botter, waardoor de zeeg vrij vlak wordt. Het vlak loopt naar voren en naar achteren maar weinig op en is boven water niet zichtbaar. De achtersteven is recht en heeft slechts een geringe helling achterover. De roerkop steekt door het helmhout heen, terwijl het roer zelf boven water smaller is dan bij de botter maar onder water breed uitloopt. De Vollenhovense bol heeft een vrij hoog grootzeil met gebogen gaffel en losse broek; er kan een gewone fok of de brede botterfok gevoerd worden. De kluiver wordt op een topbare kluiverboom gevoerd. De zijzwaarden zijn lang en smal.

Plezierig varen - Jaap A.M. Kramer en Wim de Bruijn
In 1971 is de Vollenhovense bol 'Neeltje Jacoba' gebouwd door Kooijman en de Vries in Deil. Het schip is gebouwd voor de heer A.A. Taselaar, voorzitter van de HISWA, die het jacht onder meer gebruikt om nieuwe materialen te testen.

Een vissersvaartuig van de Oostwal

De Vollenhovense bol is een vissersschip van de oostwal. Zij is in het laatste deel van de zeiltijd tot ontwikkeling gekomen en heeft daardoor kunnen profiteren van de vele in het verleden opgedane ervaringen. Het uitgangspunt was min of meer de botter, de snelle zeiler van de westwal. Deze laat zich echter niet zonder meer tot 8 á 9 m verkleinen.

Bij het ontstaan van de Vollenhovense bol is getracht zoveel mogelijk goede eigenschappen van de botter over te nemen. Voor- en achterschip tonen boven water duidelijke familietrekken. De kop is echter lager, het achterschip hoger dan bij de botter. Daardoor kan de stuurman vanuit de kuip over het voorschip heen kijken, terwijl het opgetrokken achterschip de veiligheid vergroot.
Doordat het vlak voor en achter minder oploopt, is het onderwaterschip naar verhouding langgerekter dan bij de botter; zodoende werd het voorschip een beetje V-vormig, het achterschip vrij scherp en geveegd. Onder het vlak wordt over de hele lengte, of over het grootste deel ervan, een ondiepe kiel aangebracht. Ook de diep stekende, smalle zeezwaarden werden overgenomen. Zo ontstond een handzaam zeilschip, dat zich ook in het woelige water van de lage wal goed liet hanteren, ondanks zijn betrekkelijk geringe lengte.
De Vollenhovense bol was van oorsprong een 'droog' schip. Dat betekent niet dat hij weinig buisde of dat er geen lekwater binnenkwam: het wil zeggen dat er geen met water gevulde bun in was gebouwd, zoals bij de meeste andere vissersschepen. Het ontbreken van die massa water, laag onder in de romp, zou het schip vrij rank hebben gemaakt als dat niet door een betrekkelijk grote breedte was gecompenseerd. Zodoende is de Vollenhovense bol van huis uit een ruim zeilschip, dat zonder ingrijpende veranderingen als jacht te bouwen is.

De Vollenhovense bol als jacht

Bij Kooijman en De Vries Jachtbouw N.V. is men helemaal vertrouwd met de ronde voor- en achterschepen. En de bollen mogen gerust een specialiteit worden genoemd. Men bouwt niet alleen Vollenhovense bollen, maar ook de Enkhuizer en de Workumer bol staan op het bouwprogramma. Iedere serieus geïnteresseerde in ronde en platbodemjachten is op de werf van Kooijman en De Vries welkom. De heer Kooijman zorgt er voor dat het zakelijk gedeelte van de werf draait en voorkomt het optreden van stagnaties in de timmer- en schilderafdeling; de heer De Vries verzorgt het gehele staalwerk. Maar bovendien zijn zij beide enthousiaste zeilers, die in hun eigen rond of platbodemjacht - het wisselt regelmatig - vele tochten maken. Niet alleen de weekends, maar ook de vakanties worden gebruikt om nieuwe dingen uit te proberen en ... om gewoon plezierig te varen. Hierdoor is het mogelijk dat er maar weinig problemen zijn waarvoor beide heren geen oplossing weten te bedenken.
Heel veel watersporters beginnen in een klein jacht en stappen telkens na verloop van enkele jaren over in een groter. Zo kan er een vaste band ontstaan met een werf en vooral met de mensen op die werf. Juist door die plezierige sfeer die je ook tijdens het varen meemaakt voel je je thuis en kun je op je gemak inrichtingsproblemen bespreken, die uiteindelijk direct verband houden met je persoonlijke levensstijl en de in een gezin gewenste privacy. De heer J. K. Gipon ontwierp voor deze werf twee Vollenhovense boljachten: een van 8,50 m en een van 9,75 m. Uit de tekeningen blijkt duidelijk dat de 1,25 m lengteverschil er een heel ander jacht van maakt.

De bouw van een Vollenhoofs boljacht

Al vroeg in de morgen is 'de kiel gelegd'. Een zware I-balk dient als helling; daarop is de scheg met de zware vlakplaat gesteld. Dit zware vlak met scheg is niet alleen de ruggegraat van het jacht, maar vormt tevens de zeer laag geplaatste ballast.
Het motorkamerschot volgt (1). Het wordt op het vlak gehecht en in zuiver verticale stand geschoord. Even later is men al bezig aan een helft van het `mastschot' (2). Dit wordt in twee helften opgelast omdat in het midden de doorgang van de kajuit naar het voorschip ligt. Achter de staande man ligt het voordek al klaar. Op de achtergrond liggen de mallen van allerlei onderdelen van andere typen in het rek.
De schotten staan gesteld en zijn geschoord (3). Zorgvuldig wordt de achtersteven op zijn plaats gefixeerd. Goed is het naar voren en achteren oplopende vlak te zien. In het achterschip, waar de spantvorm enigszins S-vormig is, worden al twee spanten geplaatst (4) ; zodoende zijn er later bij het aanbrengen van boeisel en huid voldoende steunpunten om die in de juiste ronding te kunnen bevestigen.
Het voordek (5) is met dekbalken en al klaar gemaakt. Met behulp van een takel en een paar klemschroeven wordt ook deze 'moot' gesteld.

Het geheel begint al aardig vorm te krijgen (6). De zittingen voor de kuipbanken met klepgaten worden vastgezet en de machtige boeiselplaten van het midscheepse gedeelte worden hier met enkele hulpsteunen gesteld. Ook de gangboorden zijn nu aangebracht (7). Pas nadat de voorsteven -een machtig stuk werk - is geplaatst, krijgen we het idee van een jacht en nog wel een heel bijzonder jacht: een Vollenhovens boljacht! (8). Op een gegeven moment denken we aan een bouwdoos, met heel grote bouw`stenen'. Maar ook bij deze werkvoorbereiding wordt van de bouwers een groot vakmanschap vereist. Als er maar één plaat een ietsje verkeerd vastgezet zou worden, klopt bij de volgende bewerkingsfase niets meer van de zorgvuldige maataanduidingen. Het is dan zaak eerst de fout op te zoeken en te herstellen, anders blijven er voortdurend problemen. Niets zou er dan meer passen; de timmerman heeft immers ook zijn vaste maten, evenals de motorinbouwer en ga zo maar door. Maar alles klopt feilloos. We zijn verbaasd geweest over de rust, de beheersing van de mensen die hier werken. Geen geschreeuw, men is volkomen op elkaar ingespeeld; het is een voorbeeld van zuiver teamwerk.
Als ook de spanten zijn geplaatst en het berghout is aangebracht, zit het schip vrijwel in elkaar (9). Nu kan men gaan aflassen, wat ook met het nodige beleid moet gebeuren om vervorming van de staalplaten tegen te gaan. Wij zien dek en gangboorden, schotten en spanten. Laat u niet misleiden door de groothoeklens die fotograaf Theo Kampa moest gebruiken om van korte afstand het gehele jacht in beeld te krijgen: het voorschip is in werkelijkheid echt voller en breder dan het achterschip op de voorgrond. Dan gaan de lassers aan de buitenkant werken (10). Want alle naden worden van binnen en van buiten volgelast en eventuele oneffenheden bijgewerkt. De overnaadse bouw accentueert fraai het mooie lijnenspel van de huidbeplating.

Wanneer het staalwerk klaar is verhuist het casco naar de timmerloods en vandaar naar de schilderloods

De Vollenhovense bol in het boek "Platbodemjachten van J.K. Gipon door Jan Kooijman (1998-2000)

Grote belangstelling kreeg het ontwerp van een 8.50 meter Vollenhovens boljacht 'Vrouwe Elske' voor de heer Cramer, dat getekend werd in 1971. Het stalen casco werd gebouwd bij Van Waveren in De Lier. Piet de Scheepmaker te Amsterdam (Willem Verkuijl) timmerde af. Bij de tewaterlating waarbij de toenmalige hoofdredacteur van De Waterkampioen, Ir. J. Loeff, tegenwoordig was, werd het schip gedoopt als 'Vrouwe Elske'. Het heeft succesvolle reizen gemaakt en is een voorloper gebleken van een hele rij grotere en kleinere boljachten.
Er waren al voorbeelden van houten boljachten, de `Vrouwe Lucia' van 8.44 meter en de `Goetzee' van 8.75 meter. De 'Vrouwe Elske' volgde deze voorbeelden wel in hoofdzaak, maar niet in detail, hetgeen enerzijds is terug te voeren op het gebruik van staal als bouwmateriaal en anderzijds op een andere interpretatie van het gekozen type.

Platbodemjachten van J.K. Gipon door Jan Kooijman (1998-2000)
Vollenhovense bol 'Vrouwe Elske'

Medewerkers van de TH te Delft onderzochten in de sleeptank deze versie en schreven daarover een uitgebreid rapport. Dit bevat een grafiek die de statische stabiliteit van het jacht weergeeft. Het is wel interessant deze stabiliteitscurve goed te bekijken. Men ziet dat de curve reikt tot voorbij de negentig graden, dat wil zeggen: voorbij het punt dat het schip plat op het water ligt. Dat is een uitstekend resultaat, waar veel platbodems niet aan toe komen; slechts enkele platbodemschepen bereiken dat. Het is te danken aan de constructie, die voorziet in laag zwaartepunt door te sparen op topgewicht en door het aanbrengen van een zwaar spantloos vlak van dikke stalen plaat.

Wil het feit, dat die stabiliteitscurve tot voorbij de negentig graden reikt, zeggen dat zo'n bolletje onkenterbaar is? Dat is niet het geval. Platbodems zijn in principe kenter-bare schepen omdat de vormstabiliteit overweegt in tegenstelling tot sommige scherpe jachten die vanwege een diepe zware kiel zich altijd weer oprichten, zelfs al zouden ze helemaal ronddraaien zoals op zee bij stormweer herhaaldelijk is voorgekomen.
Ook deze 8.50 meter Vollenhovense bol is dus kenterbaar, al was het alleen maar omdat het schip zou vollopen als het plat op het water ligt. Een tweede reden daarvoor is dat de curve slechts de statische stabiliteit weergeeft, dat wil zeggen: in een situatie met vlak water en zonder dat het schip zelf in beweging is. Wat tijdens het varen geldt is de dynamische stabiliteit met (soms hoge) golven en een (soms wild) bewegend schip. In zo'n situatie zou het schip tijdens een windstoot en tijdens een ongelukkig golfpatroon veel verder kunnen doorzwaaien dan die negentig graden. Ik ga hier zo uitvoerig op in om te voorkomen dat watersporters uit de getoonde curve een verkeerde conclusie zouden trekken tot schade van hun veiligheid.
Ik heb het elders al gezegd: platbodems verlangen dat bij zo'n 20 graden helling een rif wordt gestoken. Dat is uiteraard slechts een benadering, die voor het ene schip wat meer en voor het andere wat minder kan zijn. Doet men dat, dan bereikt men twee dingen. In de eerste plaats houdt men een handelbaar schip en in de tweede plaats houdt men voldoende marge voor een veilige dynamische stabiliteit.
Bollen worden, net als vele andere jachten, loefgieriger als het harder gaat waaien. Zou het rif in de fok worden gestoken en niet in het grootzeil, dan zou het zeilpunt (het zwaartepunt van het zeiloppervlak) zich naar achter verplaatsen en zou de loefgierigheid nog groter worden. Een platbodem die door de harde wind al loefgierig is geworden kan dan met recht bijna onhandelbaar worden. Het rif moet worden gestoken in het grootzeil wil men een goed zeilevenwicht bewaren. Voor het tweede rif geldt meestal hetzelfde. Men ziet deze bolletjes bij harde wind dan ook zeilen met twee reven in het grootzeil en ongereefde fok. Het hier geschetste beeld is slechts een gemiddelde. Er zijn schepen waarvoor deze regel niet opgaat; schepen zijn individuen met een eigen wil en karakter, net als mensen. Er moet overigens worden bedacht dat door het goed vlak trekken van het grootzeil de fase van het reven aanmerkelijk kan worden uitgesteld. Een vlak grootzeil scheelt een rif zegt men wel. Dat vlak trekken gebeurt met een talie op de schoothoek ofwel met een lier die op de giek is gemonteerd. Omgekeerd is het uiteraard zo dat bij het afzwakken van de wind de talie moet worden gevierd, want bij weinig wind is een boller grootzeil gewenst.

Over het ontstaan van de Vollenhovense bol - Waterkampioen begin juni 1960 nummer 1039

De vader van Jacob Kroese in den Helder was de eigenaar van de Vollenhovense scheepswerf en als jongen reeds leerde Kroese de Vollenhovense schuit, de Vollenhovense bol en de botter bouwen en repareren. De werkdagen waren lang. Van 's morgens zes tot 's avonds half negen met slechts korte onderbrekingen voor de maaltijden. Niettemin zag de jonge Kroese kans om er in de avonduren een liefhebberij op na te houden. Dat was het bouwen van het model van het schip, dat op de werf op stapel stond en waaraan hij meewerkte.
Met z'n vader, drie broers en een jongen was hij bezig. Naast het normale en veelvuldige reparatiewerk, waaraan minstens één man doorlopend werk had, bouwde deze werf in een dertien weken een complete botter. En het model werd precies zo gebouwd: vlak, stevens, gangen, inhouten werden - uiteraard op het oog, want dit was volledig handwerk zonder tekening - mooi strokend opgebouwd. Geen detail bij een echt schip aanwezig ontbrak. Het belangrijke krophout van een schuit b.v. - een op horizontale doorsnede zwaar driehoekig stuk hout, dat voorin het verband gaf aan steven, dek, boeisels, berentanden, berghout en bovenste huidgang - kwam er net zo in, zo ook de bun, de deken, het verblijf, de vaarboom en wat dies meer zij.

Waterkampioen begin juni 1960 nr1039 - En iets over platbodemmodellen en de modelbouwer

Het is een genoegen deze scheepsbouwer over de oude houten visserschepen te horen vertellen. Menig uurtje hebben wij van gedachten gewisseld en als vanzelf kwam de geschiedenis over het ontstaan van de Vollenhovense bol te voorschijn. Zeer waarschijnlijk kan naar het ontstaan van vrijwel alle ons bekende types slechts een gissing gemaakt worden. Daarom lijkt het de moeite waard de ontwikkeling van dit soort schip vast te leggen.
Omstreeks 1900 woonde er in Vollenhove de visserman A. Jongman Pzn., die met een punter de toenmalige Zuiderzee opging om bot te vissen. De vader van onze Jacob Kroese dacht het zijne ervan, dat deze man bij weer en wind in een kleine open boot de zee opging, hoe zeewaardig dit scheepje relatief ook mocht zijn. Deze betrekkelijk goede zeewaardigheid dankt de punter aan het sterk uitgezette neerbord en het eveneens sterk naar binnenvallende boeisel, wat ook kenmerken zijn van de schokker, een schip dat de faam had de meest zeewaardige platbodem te zijn.

De botter laat zich niet zo maar verkleinen
Vader Kroese deed de botvisser het voorstel een klein scheepje voor hem te bouwen met een vaste plecht, waarin dus een verblijfje, zij het dan ook wat bekrompen, gemaakt kon worden. Het was in deze tijd, dat vader Kroese soms flinke schuiten bouwde, terwijl ook botters van deze werf afkwamen. Instinctief heeft de oude Kroese aangevoeld, dat een botter niet zo maar tot een meter of zes te verkleinen is en daarom probeerde hij iets nieuws. A. Kok van de scheepswerf in Huizen heeft in 1936 ook geprobeerd de botter te verkleinen. Zijn eerste poging daartoe was de 9 meter lange 'Wijthe II', die m.i. geen succes was. De volgende poging was 'De Jonge Evert' in 1940, gebouwd voor Dr. Bon in Aalsmeer. Dit schip werd later verkocht naar Kampen en heette toen De Jonge Jaap. Met een lengte van 10.33 m was dit een geslaagde poging. In 1946 volgde in de rij van kleine botters van deze werf, na enkele exemplaren van 11 m, de tegenwoordige 'Kleine Beer' van de heer Terwee met een lengte van 9.20 m, eveneens een succes. Een duidelijk voorbeeld van een geleidelijk proberen.

Visaak - Vollenhovense bol
Het is de vraag of de botter verder verkleind kan worden met behoud van lijn en eigenschappen. De kleinere 'Jan Abels' is m.i. al te veel af­wijkend en bovendien van staal. Het is begrijpelijk, dat vader Kroese teruggreep op de kleinere Vollenhovense schuit. Hij bouwde voor f 250,- een schip van ongeveer 21 voet lengte, 6 voet breedte en 4 voet diepte (holte). Deze „visaak", volgens het papier dat de afrekening vermeldt, werd op 20 april 1902 in dank aanvaard en bleek een waakzaam, goed zeilend, scheepje te zijn, In 1904 werd er nog net zo een gebouwd voor de lichtwachter van Kraggenburg voor een vlotte verbinding met de wal. Er bleek vraag naar deze Vollenhovense bol te zijn, die kleiner was dan de bestaande schuiten en botters, maar die niettemin van lieverlee toch groter werd tot een meter of tien.


De Vollenhoofse Bol door Carool van Kesteren

Tijdens de restauratie van zijn Vollenhovense bolde 'Aemilia II' vatte Carool van Kesteren samen met anderen het plan op om een boek (Monografie) te schrijven over de geschiedenis van het scheepstype Vollenhovense bol en de restauratie van de 'Aemilia II' als voorbeeld voor andere liefhebbers die houten schepen (willen) restaureren. Dit hele verhaal aangevulde met de diverse overzichten.
In de Spiegel der Zeilvaart van september 1992 schrijft hij daarover:
"Samen met de mede-auteur Kees ter Laan hoop ik komende winter ons boek over "De Vollenhoofse Bol" af te kunnen ronden. In het boek zal, behalve de geschiedenis van Vollenhove met de drie werven en de karakteristieke eigenschappen en de bouwwijze van de Bol, ook ruime aandacht worden besteed aan de opzet en begeleiding van een omvangrijke restauratie van een (houten) schip. Dit natuurlijk in de hoop dat anderen het voorbeeld volgen, aangezien het behoud van varende monumenten, ondanks de inspanningen van de Behoudsorganisaties en de FONV nog veelal een zaak blijft van particulieren, die er alles voor over hebben en er meerdere jaren aan spenderen. Afsluitend zal een overzicht gegeven worden van de hout-scheepswerven en de Behoudsorganisaties in Nederland."
In 1994 heeft Carool een eerste versie in de "Tagrijn" (Botterbehoud) gepubliceerd. Het artikel is naast de regelmatige restauratieverslagen in de Spiegel der Zeilvaart geschreven tussen 1989 en 1994 met behulp van de materialen en gegevens, die hij had verzameld voor de Monografie over de Bol, die hij samen met Kees Terlaan (Zeester, ex VN35) wilde gaan schrijven. Zijn deel van het manuscript was klaar, maar Wim de Bruijn vond het deel van Kees nog niet rijp voor publicatie. Kees deed vooral onderzoek naar moderne jachtbollen. Onlangs dook het manuscript weer op en wij hebben Carool gevraagd of we het hier met zijn toestemming mochten publiceren.

De opzet van een Monografie over Vollenhovense bollen door Carool van Kesteren

Schepenhal Zuiderzee museum Enkhuizen - De bol VN95 in de Schepenhal is geen Vollenhovense bol, maar een Lemsteraak

Carool van Kesteren schrijft:
Het is een misvatting in dat er een bol zou liggen in de schepenhal van het ZZM. Ik ben er dertig jaar geleden geweest, heb het schip onderzocht en gefotografeerd van binnen en buiten en het is de Lemsteraak VN95.

Belangrijk:

  • Het heeft een akenroer;
  • Het vlak is echt rond;
  • Er zijn geen geerstukken voorin de kop (driehoekige vulstukken, de zogenaamde geerstukken tussen de kimgangen, het vlak en de voorsteven).

In oude schepenlijsten van Vollenhove staat vermeld: VN95 - Molenberg - Siem van Triest - aak.

Ik herinner me nog dat de aak helemaal ingebouwd lag tussen de andere schepen, dus moeilijk te fotograferen indertijd met een traditionele camera. Het ronde vlak is moeilijk te zien, maar duidelijk is wel dat er een akenroer aan hangt. En er staat geen visserijnummer meer op, dat is ook raar, want het museum beweert dat het vanuit de visserij zó naar de schepenhal is gegaan. Ik zie in het voorschip ook niet de kenmerken driehoekige geerstukken, die bij een bol de ruimte vullen tussen het vlak en de onderste gang. Mijn bol had ze en de VN35 ook. 

Ik moest toevallig de lijst van Redeke nog inzien om te kijken of de VN95 in 1907 al als Aakje vermeld was, maar dat is helaas nog niet het geval. Wel zag dat er een tweede bol op de lijst staat, namelijk de VN25 van Albert Karjanus.

Ik begrijp nu wel hoe het ZZM erbij komt dat hun schip een bol is, er is ooit een bol geweest onder dat nummer maar ook een visschuit en een aak: Deze lijst heb ik van oud vissers uit Vollenhove, die samen met Wim Willemsen is samengesteld.

VN95 Aak Siem Molenberg Siem van Triest Ligt nu in het Zuiderzeemuseum
VN95 Vischschuit Roelof Siemensz. Jongman Piet Mirakel
VN95 Albert Jan Jongman Nossien
De kaart van de VN95 in het Visserijregister (Zuiderzeecollectie.nl)
(Scan van oude analoge foto's Carool van Kesteren)
(Scan van oude analoge foto's Carool van Kesteren)
(Scan van oude analoge foto's Carool van Kesteren)

De ijzeren en stalen Vollenhoofse bollen van na 1957 - Jan Kooijman

Jan Kooijman schreef een concept voor het hoofdstuk over de ijzeren en stalen Vollenhovense bollen van na de Tweede Wereldoorlog voor het boek De Vollenhoofse bol van Carool van Kesteren en Kees ter Laan:
Vanwege de toenemende vrije tijd en de daarmee gepaard gaande interesse voor de recreatie te water, worden de platbodemschepen weer opnieuw gebouwd, niet voor bedrijfsmatig gebruik, maar voor het gebruik als jacht. En thans, na ruim veertig jaar, vaart er een grote vloot nieuwe platbodems, waaronder enkele honderden Vollenhoofse boljachten, meer dan er ooit voor de oorlog in hout werden gebouwd.
De aanzet kwam van drie kanten. In de eerste plaats was er de werf van Huisman, die al in de visserijtijd, daartoe in staat gesteld door zijn contacten met klanten in Holland, verschillende Vollenhoofse boljachten bouwde. Een tweede impuls kwam van de ontwerperskant, waarvan vooral Hein Kersken Sr. moet worden genoemd. Er tenslotte was er in de derde plaats de zeer belangrijke ”Dritte im Bunde” het schip zelf, dat in voorkomen en hoedanigheid een grote geschiktheid voor het gebruik als jacht bevatte.
De opdracht voor de ontwerpers lijkt zo eenvoudig: zoek het schip zoals het was hij het eind van de zeiltijd, en dat is het dan. Maar is het wel zo simpel? De bol groeide immers in de loop der jaren van 7.00 naar 10.00 meter. Bovendien bouwden de diverse werven alle hun eigen model. En zelfs per werf kwamen in de loop der jaren veranderingen, zoals de ontwikkelingen bi Huisman aantoonden. De ontwerper die een Vollenhovense boljacht wil tekenen heeft het dus minder gemakkelijk dan het op het eerste gezicht lijkt.

Het complete verhaal met alle verwijzingen: De ijzeren en stalen Vollenhoofse bollen van na 1957 door Jan Kooijman

De werven speelden bij de herleving van de belangstelling voor het traditionele jacht een eigen aanvullende rol. 
Elke werf heeft in deze totaliteit zijn eigen stukje geschiedenis. Ter illustratie daarvan kan ik verhalen hoe het verloop is geweest van de mij bekende gang van zaken bij Kooijman Zwijndrecht en bij de latere voortzetting daarvan Kooijman en de Vries te Deil aan de Linge.

Dat verloop was in grote lijnen als volgt:
Toen ik in 1960 in Zwijndrecht begon platbodemjachten te bouwen had ik mij theoretisch en praktisch langdurig voorbereid. Dat ik, de Oudnederlandse, jachten zou gaan bouwen stond voor mij vast maar met welk type te starten? Dat was een moeilijke commerciële vraag, die rechtstreeks verband hield met wat de ”markt” aan mogelijkheden toeliet. Ik koos voor de grundel, omdat grundels heel geschikte jachten opleveren in de kleinere afmetingen en omdat ze door hun eenvoudige rompvorm relatief goedkoop kunnen zijn. Gipon kende ik al langer doordat hij in 1955 voor mij het tuigplan had getekend van een Hollandse boot. Hij ontwierp voor mij twee grundels, een van 7.00 en een van 7.50 meter, waarvan een flink aantal exemplaren werd gebouwd.
In 1964 kreeg ik een aanvraag van Ir. Siedsma uit Den Haag voor een grundel ten behoeve van zijn gezin van man, vrouw en vier kleine kinderen. Ik adviseerde hem de door Gipon getekende 8.50 meter Vollenhoofse bol naar het ontwerp van “De Vrouwe Elske” te overwegen, welk advies hij aannam. Even later deed zich een soortgelijk geval voor. Dr. A.W. de Reijter van Steveninck uit Pijnacker zocht een grundel en besloot op mijn advies eveneens tot de bouw van een 8.50 meter bol. De casco’s werden gemaakt door jachtwerf ”Delta” (Willem van der Torre) in Brielle, waarna ze door mij in eigen beheer werden afgebouwd. De namen van die twee bollen waren resp. “Welmoed” en ”Bolderbij”. Van der Torre bouwde een jaar eerder al een 8.50 meter bol de ”Windroos” voor de heer Kaagman, die de afbouw van zijn jacht zelf verzorgde.
Tot dusver had ik de bouw goeddeels uitbesteed. De firma Bax uit Hendrik Ido Ambacht verzorgde op buitengewoon goede wijze de betimmering van de schepen, de firma Dooren uit Dordrecht leverde de rondhouten, zwaarden en roeren. Redenen van organisatorische aard noopten tot de beslissing de afbouw in eigen hand te nemen. De daarvoor benodigde locatie vond ik in Dordrecht.

De traditionele Nederlandse platbodemvloot valt ruwweg in drie groepen uiteen, jachten, bedrijfsvaartuigen en vissersschepen. Bij het kiezen van een bepaald type ten behoeve van het gebruik als toerjacht vielen destijds voor mij een groot aantal schepen af. Bedrijfsvaartuigen zijn meestal te groot. Van de jachten hebben de Friese boeiers een beperkte bruikbaarheid. Het zijn wel uitstekende zeilers, maar de stahoogte is beperkt en óe geschiktheid voor ruim water laat te wensen over. Er resteerden dus de vissersschepen, die qua afmetingen, zeewaardigheid en onderkomen een goed compromis konden vormen. In die categorie was er eveneens een aantal dat moest afvallen, al was het alleen maar vanwege hun te grote afmetingen zoals de blazers en botters. De Vollenhoofse bol met zijn afmetingen tussen de zeven en tien meter was qua grootte heel geschikt.

Uit een oogpunt van kwaliteit van de casco's was er geen reden de uitbesteding daarvan te veranderen, want de rompen, die door Jachtwerf Delta (W.v.d.Torre) werden geleverd waren uitstekend. In organisatorisch opzicht was het in een hand houden van de cascobouw en de afbouw echter wel wenselijk, hetgeen in de Kooijman en de Vries-combinatie kon worden gerealiseerd. Siem de Vries gaf op uitstekende wijze leiding aan de bouw van de casco's, die vervolgens op hetzelfde terrein in aangrenzende gebouwen werden geconserveerd, betimmerd, en getuigd, onder leiding van de ervaren scheepstechnicus Ing. Hans Fleumer.

Het eerste ontwerp van 8.50 meter was voor die tijd al een tamelijk kostbaar wat voor mij aanleiding was Gipon te vragen een kleinere bol te tekenen. Dit werd de 8.10 meter. Het bleek zeil technisch en commercieel een succes. Nadat op het eerste proefschip wat wijzigingen waren aangebracht waren de zeilprestaties even goed en zelfs nog wat beter dan die van de 8.50 m. bol, zoals later ook duidelijk tot uiting kwam in de wedstrijdresultaten. Verder was de lagere prijs een marktvoordeel, terwijl de beschikbare binnenruimte voldoende bleef voor een gezin met drie a vier kinderen: 3 slaapplaatsen in het vooronder en 2 a 3 (door een uittrek kooi ) in de kajuit. De stahoogtewinst door de invoering van het spantloze dikke vlak en het spantloze kajuitdak, maakte een substantieel verschil doordat die van 1.70 meter kwam op 1.80 meter en onder het grote schuifluik zelfs op 1.90. De 8.10 meter tol werd een zo gewild schip, dat wij de casco's in serie konden bouwen. Er werden toen geregeld series van telkens tien stuks opgezet. Daardoor was er tevens gelegenheid organisatorische maatregelen te nemen die de kwaliteit ten goede kwamen. Zo kon het tenslotte gebeuren, dat de 8.10 meter bol in aantal verreweg de belangrijkste werd in de vloot van enkele honderden stalen Vollenhoofse boljachten. Wat in deze gang van zaken opvalt, is, dat er geen sprake is geweest van een van tevoren bedacht en vervolgens uitgevoerd proces, maar van een mengsel van menselijk handelen en andere soms min of meer toevallige omstandigheden.


Scheepstype: Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol

Inleiding

Een Enkhuizer bol uit 1902, gebouwd door Lastdrager uit Enkhuizen, bevindt zich in de collectie van het Zuiderzeemuseum.

Dit vissersschip is ook wel bekend onder de namen Wieringer en Workumer. Ook bestaan de namen Makkumer en Durgerdammer bol. Het Maassluis platjacht is er ook een afgeleide van. De Enkhuizer vissers spraken bovendien nog van aalbootje. Het is een rond schip, dat echter op een ongeveer 7 centimeter hoge kielbalk is gebouwd. 
De meeste Zuiderzeehavens hadden elk hun eigen type kleine vissersvaartuigen, goedkoper dan hun grote broers en geschikt voor een kleine bemanning. Misschien zijn er nog wel meer typen geweest waar we het bestaan niet van weten. Ze leken allemaal op elkaar, maar hadden toch hun onderlinge verschillen, voortkomend uit de plaatselijke omstandigheden, het gebruik en traditie.

De Tijdlijn van de Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Typebeschrijving Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol

  1. Geschiedenis van de Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol
  2. Beschrijving van de Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol
  3. Tuigage

Kenmerken van de Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol

  1. De Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol als werkschip
  2. De Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol als jacht
  3. Algemene kenmerken
  4. Kenmerkende verhoudingen
  5. Verklaring in tekening
  6. Subtypen, specifieke kenmerken

Publicaties over de Enkhuizer, Wieringer en Workumer bol in het Stamboekarchief

Spiegel der Zeilvaart 1996 nummer 9: De Enkhuizer bol opnieuw ontdekt

Over de betekenis van het woord bolletje is men het niet eens. Sommigen verklaren het woord uit de ronde vorm van de scheepjes. Een andere en waarschijnlijk juistere verklaring wijst erop dat het woord bollen in het oud-Nederlands slaat op verkleinen. Een bol zou aldus een klein vissersschip zijn, kleiner van afmeting dan botters en schokkers. Zo hadden de meeste Zuiderzeehavens elk hun eigen type kleine vissersvaartuigen, goedkoper dan hun grote broers en geschikt voor een kleine bemanning. Zo kennen we nog Wieringer, Makkumer, Workumer, Vollenhover en Enkhuizer bollen. Misschien zijn er nog wel meer typen geweest waar we het bestaan niet van weten. Ze leken allemaal op elkaar, maar hadden toch hun onderlinge verschillen, voortkomend uit de plaatselijke omstandigheden, het gebruik en traditie. Men zegt dat het verschil in thuiswater voor de scheepjes van de Oostwal wat grotere en meer zeewaardige exemplaren opleverde, zoals bijvoorbeeld de Vollenhovense bol. Het was daar door de heersende westenwind meestal lager wal, war resulteerde in meer waterverplaatsing en in meer lengte over stevens tot een meter of tien. Van de Enkhuizer bollen die konden profiteren van de hoge wal, lag de lengte over stevens meestal tussen de zeven en acht meter, al meet men niet gering denken over de taken, die deze vaartuigen in het noordelijk deel van de toenmalige Zuiderzee te vervullen hadden.
Jan Kooijman heeft op zijn werf Kooijman en de Vries vele bollen gebouwd. Daaronder zijn de Vollenhovense, de Enkhuizer en de Workumer bol. Met zijn eerste Enkhuizer bol 'Cadans' heeft hij op de Hiswa gestaan en er ook zelf veel mee gevaren. In het artikel in de Spiegel der Zeilvaart gaat Jan uitgebreid in op de diverse (ook historische) groottes en de eigenschappen van de bollen. In het Stamboek staan er vele types van diverse lengtes geregistreerd.

Het Maassluis platjacht, een specifiek scheepstype?

Gerrit Schutten heeft in zijn dikke boek "Verdwenen schepen", op pagina 436, heel kort het Maassluis platje beschreven. Het werd gebruikt door garnalenvissers uit Maassluis. Daarop heb ik commentaar gehad. Dit was eigenlijk geen origineel type, maar een functie waarvoor gewoon en handig scheepje werd gebruikt. Vergelijk een waalschokker; daarvoor werden ook allerlei oude Zuiderzee vissersschepen gebruikt. Toen heb ik mensen gebeld en dat in de tweede druk verwerkt (pag. 436). In Maassluis werden een aantal Zuiderzee vissersschepen gebruikt voor de ankerkuilvisserij. In de zomer werden deze schepen echter aangewend voor de visserij op garnalen in de monding van de Brielse Maas en in het Haringvliet. Afmetingen ca. 12 meter. Net als bij de Noordzee kotters was hier sprake van een lokale verzamelnaam van schepen voor een bepaalde vorm van visserij. Dus die schepen verschilden onderling. Die vissers gebruikten wat voorhanden was. Dus kleine botters en Lemmerbollen. De Bruinvisch is m.i. gewoon in opdracht gebouwd. Ik ben bang dat die tekening van HCA van Kampen van de Zeilsport niet is opgemeten. Ik heb een foto van een Lemmerbol die gewoon bij Katwijk werd gebruikt voor garnalen en platvis.

De Durgerdammer bol in het Stamboek: een bolletje

Op de werf van Pieter Hartog in Buiksloot zijn tussen 1910 en 1953 vele voornamelijk kleine kajuitzeiljachten zoals schouwen en grundels gebouwd. Ook is er een scheepje gebouwd wat in de volksmond als Vollenhovense bol wordt getypeerd. Hij bouwde het voor de vissersfamilie Swartsenburg uit Durgerdam. Het scheepje zou gebouwd zijn in 1928. In 1955 werd het ingeschreven in het Stamboek als Boeier op basis van één foto.
In 1972 heeft Huitema het schip bekeken en het volgende geconcludeerd:
De algemene indruk was van een in goede staat verkerend schip, dat er uitstekend verzorgd uitzag. De juiste typeaanduiding is echter moeilijk. Bepaalde kenmerken van een Vollenhovense bol zijn inderdaad te onderkennen, maar ik geloof toch niet dat deze aanduiding de juiste zou zijn. Allereerst zijn de afmetingen daarvoor aan de kleine kant, waar vooral het voorschip is niet het voorschip van een Vollenhovense bol. Opvallend is met name dat na de grootste breedte het schip snel smaller wordt naar de voorsteven toe. Je bent enigszins geneigd een schip te verwachten, dat een halve meter ongeveer langer had moeten zijn. Ik heb het vermoeden dat uw schip in 1928 bij Hartog in Bulksloot is gebouwd voor een visserman in Durgerdam. Ik dit niet zeker zeggen omdat ik van het schip maar één foto heb gezien. De heer Hartog was een zeer bekende bouwer van kajuitschouwen. Dat zou kunnen verklaren dat uw schip - evenals een schouw - weinig zeeg vertoont en het voorschip niet veel hoger is dan het achterschip, in ieder geval minder dan bij typische Zuiderzeeschepen. het geval is. Indertijd heb ik daarom voor het aangemelde scheepje ook volstaan met de omschrijving "bolletje".

"Klein maar Dapper" Kronieken der stalen Enkhuizer bollen tot 1993

De Enkhuizer vissers kenden toentertijd niet of nauwelijks het begrip 'Enkhuizer bol'. Vele andere namen doen alsdan de ronde: (eel)bootje, aalbootje, visch-aak en boeier-aak. Volgens de commissie Neeb varen er rond 1905 binnen de gehele Enkhuizer vloot zo'n dertig van dit soort bootjes rond, bemand met zo'n 73 opvarenden.
Overigens lijkt rond 1910 het scheepstype nog nauwelijks aantrekkelijk genoeg om het nog te bouwen. Op de Werf Vooruit van Stapel te Enkhuizen worden vanaf dat nog slechts de enkele 'visch-aken' gebouwd. Drie stuks met de afmetingen 12,60 x 4,00 x 1,60 meter. In 1910 zijn dat onder bouwnummer 53 de 'De Vrouwe Guurtje' voor D. Goos te Enkhuizen en onder bouwnummer 54 de 'De 4 Gebroeders' voor B.C. de Boer te Enkhuizen en in 1911 is dat onder bouwnummer 63 de 'Nooit Volmaakt' voor W.H. de Vos te Dordrecht. En dan - in 1913 - onder het bouwnummer 89 de visch-aak Hoop op Zegen gebouwd met de afmetingen: 7,30 x 2,94 x 1,40 meter. Opdrachtgever is A(aldert) van Weelde te Enkhuizen. Dit is de EH9, later 'Breebanck' genoemd.

Enkhuizer bol - Klein maar Dapper: Kronieken der stalen Enkhuizer bollen tot 1993
De 'Breebanck' voor de wal in Enkhuizen

Het scheepstype werd gebruikt voor de ansjovis- en haringvangst. Aanvankelijk was voor die visserij geen bun nodig, maar toen later ook met de beug op bot werd gevist, moest een bun worden geplaatst. Het kan niet anders dan dat dit een fikse ingreep moet zijn geweest.
Er werd mee gevist bij Wieringen, Hindelopen en Harlingen, waarbij de zeewaardigheid van dit betrekkelijk kleine scheepje bij zwaar weer toch werd geprezen. Vandaar ook de titel van dit boek onder het motto: "Klein maar Dapper".

De vissers waren met drie man aan boord en sliepen op een brede, dwarsscheepse kooi in het vooronder (een dergelijke kooi is ook in de meeste, thans varende Enkhuizer bollen aanwezig). In dit vooronder bevond zich daarnaast nog een kachel.
De kuip lag dan vol met zo'n vijfenveertig tot vijftig ansjovisnetten, elk voorzien van de bijbehorende ankers van veertig pond, bakens en een twintig vadem touw! Na een goede vangst kwamen er nog eens zo'n zeventigduizend stuks ansjovis bij, die, naar het verhaal van een oude visser, aanvankelijk stuk voor stuk werden geteld, voordat ze op de afslag werd afgeleverd.

De stalen Enkhuizer bollen

De heer Gipon vertelde mij het volgende verhaal - en daarmee komen we al weer een stap dichter bij de stalen Enkhuizer bollen, die centraal staan in deze beschrijving: In het begin van de dertiger jaren kocht Hein Kersken jr. (een zwager van de heer Gipon) een Wieringer bol. Het schip lag als een afgedankt vissersschip in de haven van Muiden te koop. Hoewel het houtwerk nog goed was, was deze bol reeds in z'n doodshemd (in het ijzer) gezet. Hein Kersken kocht het schip om het als pleziervaartuig te gebruiken. Hij liet daartoe de visbun droogmaken en de trog verwijderen, terwijl de deken werd doorgetrokken. De droge bun werd gevuld met betonstukken ter vervanging van het bunwater.
Deze Wieringer bol had een lengte van ca. 7,50 meter en een breedte van ca. 3,00 meter. Het zeiloppervlak was circa. 30 vierkante meter en betrof een grootzeil en een fok. Hoewel de bol oorspronkelijk geen beretanden had, heeft Hein Kersken deze er wel op aangebracht, zoals uit de afbeeldingen blijkt. Het was een lust om met deze Wieringer bol te zeilen. Naar aanleiding van het bezit van deze Wieringer bol door zijn zoon, tekende H. Kersken sr. een Wieringer bol van 8,00 meter lengte en 3.20 meter breedte. De tekeningen hiervan zijn onder nummer 33 gepubliceerd in het boek 'Hollandse jachten van de toekomst' van H. Kersken sr.. De huidige eigenaren zullen in de afbeeldingen van de Wieringer bol van Hein Kersken jr. onmiddellijk de lijnen van hun eigen Enkhuizer bol herkennen.
In het begin van de zestiger jaren zocht Jan Kooijman een ontwerp voor een kleine platbodem met 'ronde' vormen. Gesprekken met de heer Gipon leidden tot een Enkhuizer bol van 7,00 meter. Het eerste schip was de 'Cadans', dat voor het eerst werd geëxposeerd op de Hiswa in 1965. In 'De Waterkampioen', d.d. 14 april 1965, staat ondermeer het volgende over de 'Cadans' vermeld: "Dit bolletje demonstreerde duidelijk de grote kracht (de enorme ruimte in de breedte binnen) en de zwakte (het gebrek aan stahoogte) van onze scheepstypen van zuiver vaderlandse origine. De afmetingen van dit jacht zijn: l.o.a. 7,00 meter, lengte waterlijn 6,10 meter, grootste breedte 2,72 meter, zeiloppervlak (met botterfok) 27,40 meter. Dit schip had een doorslaggevend succes: als vervolg hierop werd een serie van 10 Enkhuizer bollen gebouwd, waarvan één van de eerste - de toenmalige 'Anna Elisabeth', thans 'Bolle Bertha' - in 1966 in de haven van de Hiswa lag te pronken.
Over het succes van de 'Cadans' laten we Jan Kooijman zelf aan het woord:
"Ik herinner mij nog heel goed dat de romp niet overnaads maar gladboordig was gebouwd, wat een constant geklop van de tentoonstellingsbezoekers betekende. "Polyester?". "Nee: staal!". Ook hadden wij in de kuip tegen de achterplecht een teakhouten plank met de door Bert Stoop uit Dordrecht fraai gesneden spreuk: "Ik breng de verten naderbij". Het was een constant kijken in de kuip en een onophoudelijk herhalen van die spreuk "ik breng de verten naderbij - ik breng de ..... - ......". Na verloop van een paar dagen kon ik die spreuk niet meer horen! Maar goed, liet was een lief scheepje dat terecht veel belangstelling trok. Het schip had liet karakter van een bolletje van de hoge wal met ronde, boeierachtige lijnen en een minder hoge kop dan de bollen van de lage wal.
De accommodatie was verbluffend, de geringe afmetingen in aanmerking genomen. In het vooronder was een dubbele dwarskooi, daarachter een aparte toiletruimte met pomptoilet en er tegenover een hangkast. Vervolgens twee langsscheepse banken en tenslotte aan weerszijden van de kajuitingang een gootsteen- en een aanrechtkastje. De kuip was zelflozend met onder de kuipvloer een Albin twee-cylinder benzinemotor. Tegenwoordig zou die zeker vervangen worden door een klein dieseltje. Wat de kajuit betreft waren er twee versies, één met een doorgetrokken kajuit tot voorbij de mast en één met een kajuit die achter de mast bleef. Die laatste oplossing was stellig de fraaiste, al ging dat enigszins ten koste van de binnenruimte. 
Heel wat groter dan liet 7,00-meter-bolletje is de 7,35-meter-Enkhuizer bol. Meer lengte betekent meer breedte, meer hoogte en tenslotte aanzienlijk meer waterverplaatsing. De vorm van de 7,35-meter-bol wijkt in zoverre van de 7,00-meter af dat de spantlijn naar het vlak toe veel ronder is. Het scheepje nadert hiermee de vorm van een rond vaartuig en zou net zo goed als Lemster bolletje te boek kunnen staan.

De ijzeren Enkhuizer bol 'Breebanck'
De oorspronkelijke generatie Enkhuizer bollen is vrijwel uitgestorven. Van één exemplaar is gelukkig het nodige bekend: de 'Breebanck'. Daarom is er aan dit schip extra aandacht besteed in liet hoofdstuk over de historie van deze schepen, en wel op een overeenkomstige wijze als voor de stalen Enkhuizer bollen in het volgende hoofdstuk liet geval is: in de vorm van kronieken en een aantal kerngegevens van de bol.

Bollen in beeld

Vollenhovense bol 'Goetzee' (plaq 15)
Wieringer bol 'Eudia' (plaq 20)

Bronnen

De bronnen die zijn gebruikt bij het beschrijven van de Bollen

Titel Auteur Uitgever Jaartal
       

Algemene bronnen met informatie over de Bollen

Titel Auteur Uitgever Jaar
       

De Vollenhovense bol is in het laatste deel van de zeiltijd tot ontwikkeling gekomen en heeft daardoor kunnen profiteren van de vele in het verleden opgedane ervaringen. Ze hadden duidelijk een andere functie dan de bollen uit het Noorden van het IJsselmeer.
De oorspronkelijke generatie bollen van de Noordelijke bollen is vrijwel uitgestorven.
Een Mechels Reglement van 1711 spreekt (over de latere Antwerpse knots) van: 'een cleyn mosselschuit oft Cnotsbol'. Hier dus al het woord 'bol' en het heeft 'ontegenzeggelijk' veel overeenkomst met bepaalde ronde schepen van het Friese type.