Scheepstype: Tjalk
Inleiding
Regionaal vertonen de tjalkachtigen de nodige verschillen
In Zuid-Holland en Zeeland kennen we tot in de twintigste eeuw de benaming schuit, boeier, poon en pleit, scheepstypen die werden gekenmerkt door een duidelijke zeeglijn, een tamelijk rechtstandige steven en een grote forse kop. Het tuig is hoog en de fok wordt op de voorsteven gevaren. Wanneer we thans als soortnaam van Zuid-Hollandse tjalken spreken dan worden schepen bedoeld met dezelfde hoofdkenmerken.
De Groninger tjalk voor de binnenvaart is in verhouding tot de breedte bijzonder lang en plat met een uiterst geringe diepgang. Deze vorm houdt uiteraard verband met de afmetingen der veenkoloniale vaarten, waarin dit schip werd gebruikt. Deze lengte/breedte-verhouding is ook de reden dat, zo'n tjalk een paar meter werd ingekort bij de verbouwing tot jacht. De in Groningen gebouwde Oostzeetjalken zijn zware schepen met brede berghouten, hoge kop en veel zeeg.
De Friese tjalk is nu het meest voorkomende type, gekenmerkt door een gestrekte vorm en vrij weinig zeeg. De steven valt enigszins voorover en de hoek tussen steven en berghout is scherper dan elders, terwijl het opboeisel op het voorschip duidelijk achterover, naar binnen valt. In Friesland was onderscheid te maken tussen de tjalken gebouwd in de ZW-hoek en bestemd voor ruw water van de grote meren en Zuiderzee, vandaar onder anderen de vrij hoge kop, en de tjalken, gebouwd bijvoorbeeld in Drachten en bestemd voor beurt- en vrachtvaart in de rustiger kanalen en vaarten. De oorspronkelijke `skûtsjes', waarvan er vroeger heel wat in Friesland waren en als beurtschip, potschip, bloemschip en voor andere doeleinden werden gebruikt, waren scheepjes van ± 12 meter lengte en een draagvermogen van acht tot achttien ton. Later hebben grotere uitvoeringen tot 20meter ook deze benaming gekregen.
De Tijdlijn van de Tjalk en de subtypes
Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925
1924-1925
Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Oprichting SSRP
1955
- De tjalken in het Stamboek gebouwd tot en met 1955
- De tjalken in het Stamboek gebouwd na 1955
- De paviljoentjalken in het Stamboek gebouwd tot en met 1955
- De boeiertjalken (-schuiten) in het Stamboek gebouwd tot en met 1955
- De skûtsjes in het Stamboek gebouwd tot en met 1955
- De skûtsjes in het Stamboek gebouwd na 1955

Type beschrijving Tjalk
1. Geschiedenis van de Tjalk
Zowel het model als de naam van de tjalk is eeuwen geleden ontstaan. Al in de 17e eeuw voeren er wijd- en smalschepen, waarin de trekken van de huidige tjalken te herkennen zijn. De tot nog toe bekende, oudste vermelding (als thiallick) komt voor in een Fries document van 1673. Het huidige model van de tjalk is in de loop van de 19e eeuw ontstaan
Het is een lang en gestrekt vrachtscheepje, met gekromde voorsteven, invallende boeisels bij voor- en achterschip, met volle boegen, sterk gekromde kimmen, vlakke bodem om relatief veel en ook alle soorten lading te vervoeren bij een geringe diepgang in vergelijking met andere vrachtschepen met overeenkomstige maten. Ze hadden ook een aangehangen roer aan een rechte achtersteven. De lengte varieert tussen de 12 en 25 meter; de tonnage ligt tussen de 20 en 150 ton. De breedte bedraagt 20 tot 25% van de lengte. Tjalken hebben, op een aantal uitzonderingen na, één mast en ondiepe zijzwaarden, hetgeen erop duidt dat ze vooral op ondiep water voeren.
Tot in het begin de vorige eeuw werden tjalken in hout gebouwd. Het was voor de bouwers niet eenvoudig om de constructies van de lange, smalle schepen voldoende sterk te maken, zodat ze bij het beladen en lossen niet gingen lekken. De houten tjalken hadden over het algemeen een wat stugge vorm.
Al in 1856 werd bij Meursing in Groningen een 26,80 m lange koftjalk van ijzer gebouwd. Toen in 1870 de ijzerbouw langzaam op gang kwam werd de bouw in hout verdrongen door de tjalken van ijzer en later van staal te bouwen. De bouw was bijna hetzelfde als in hout, maar de vorm werd iets fraaier. Bovendien was de tjalk van de ene bouwer vaak sneller dan die van een andere bouwer.
2. Beschrijving van de Tjalk
Gedurende de tweede helft van de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw is ‘tjalk’ een in de spreektaal gebezigde benaming voor vele op elkaar gelijkende binnenschepen van het kromsteventype met invallend boeisel. Zo werden namen als poon, praam, pot, otter enz. ook voor tjalken gebruikt. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de tjalkachtige schepen uit Groningen en de overige tjalkachtigen, zoals de Friese tjalk, het skûtsje, de Hollandse of Zuid-Hollandse tjalk, de paviljoentjalk of -schuit en de IJsseltjalk.
De Friese tjalk is over het algemeen sierlijker dan de Groninger. Hij onderscheidt zich van Groningse en Overijsselse tjalken door vloeiend in het water weglopende kop en kont, de zg. 'geveegde kont', met fraaie rondingen en smalle huidplaten. In verhouding tot de Groningse en Zuid-Hollandse tjalken hebben de Friese tjalken meer zeeg.
Omdat bij grotere schepen het boeisel achter vaak werd opgetrokken tot een staatsie, sprak men van staatsie of hektjalk. Omdat tjalken steeds naar verdere bestemmingen voeren werden ze ook steeds groter, dan sprak men van zeetjalken en koftjalken. Als het boeisel laag was gehouden, zodat het helmhout er overheen kon draaien sprak men van draai-over-boord.
3. Tuigage
Tot in het midden van de19e eeuw werd de tjalk meestal uitgerust met een spriettuig, ook wel ferrytuig genoemd. Later werd dat vervangen door het gaffeltuig en weer later door de motor.
Kenmerken van de Tjalk
- De Tjalk als werkschip
- De Tjalk als jacht
- Algemene kenmerken
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
6. Subtypen, specifieke kenmerken
In het Stamboek worden 4 subtypes van de Tjalk onderscheiden:
Publicaties over de Tjalk in het Stamboekarchief
Scheepstypologieën: Spiegel der Zeilvaart 1986 nummer 4, 5, 6 en 7 - Scheepstypologie Tjalken (4 delen)
Tjalken zijn het product van een eeuwenlange evolutie in de scheepsbouw. Reeds in de zeventiende eeuw voeren er schepen waarin trekken van de huidige tjalken te herkennen zijn. Tot in de vorige eeuw werden de schepen in hout gebouwd; omstreeks 1880 kwam de ijzerbouw in gebruik, die begin deze eeuw geheel door staalbouw werd verdrongen. Deze tjalkachtige schepen waren aan het eind van de vorige en het begin van deze eeuw de meest voorkomende zeilende vrachtschepen op de Nederlandse binnenwateren. Ze zijn herkenbaar aan de rechthoekige vorm, de gekromde voorsteven, de invallende boeisels bij voor- en achterschip en het aangehangen roer. De bodem is vlak, zoals bij de meeste grotere binnenvaartschepen. De lengte varieerde meestal tussen de 15 en 25 m; het tonnage tussen de 20 en 150 ton.
De Waterkampioen 1965
Tjalken in het boek "Ronde en Platbodemjachten van Mr. Dr. T. Huitema

De tjalk is een typisch inheems vaartuig, dat steeds weer schilders en tekenaars heeft geïnspireerd. In de tjalk heeft de houten scheepsbouw, aldus Sopers, een vrachtschip tot stand weten te brengen van de meest harmonische lijn, rustig en doelbewust de verschillende uitwendig zichtbare constructiedelen tot een logisch geheel samenvoegend. De hoofdkenmerken van de tjalk zijn de vlakke, brede bodem met ronde kim, de flauw gebogen voorsteven, de rechte vlakke zijden en de fraaie rondingen voor en achter. De tjalk is gebouwd op draagvermogen, waarbij de beperkte diepgang en de strijkende mast het mogelijk maken dat het schip bijna overal kan komen.
De naam tjalk komt, voor zover bekend, het eerst in 1671 voor bij Witsen in de eerste uitgave van diens 'Aeloude en hedendaagse Scheepsbouw en Bestier' onder de opsomming van verschillende scheepstypen die in bepaalde delen van de Verenigde Nederlanden werden gebruikt. Het woord tjalk schijnt van oorsprong een Fries woord te zijn: t(s)jalk, diminutief van tsjal, dat afgeleid is van het oud-friese kiál = kiel, een soort schip. Dus een pars-pro-toto aanduiding. In Friesland zelf werd de aanduiding tjalk overigens weinig gebruikt. Daar sprak men meer van skûte, skûtsje of ook wel van praam. Uit een inventarisatie van de stad Leeuwarden uit 1694 blijkt dat onder de 546 schepen geen 'tjalk' voorkomt. Een Octrooi uit 1728 van het Groot Schippersgilde in Leeuwarden spreekt echter van Kaag- of Tjalkschippers; waarschijnlijk is hierbij aan zeetjalken gedacht. In de negentiende eeuw komt in de werfboeken van E.H. van der Zee te Joure het woord tjalk niet voor. In dezelfde tijd gebruikte echter Alkema in Makkum dit woord regelmatig, niet alleen voor schepen die de Zuiderzee bevoeren, maar ook voor kleine turftjalken voor de binnenwateren. Een algemene regel is dus ook hier niet te geven.
Voor de grotere zeegaande schepen, die vooral in Groningen werden gebouwd, werd wèl de naam tjalk gebruikt en deze schepen waren ook duidelijk te onderscheiden van de binnenvaarder. De zeegaande tjalk is groter, forser met een flinke diepgang van zeker zes voet, de mast is steeds zwaar gestaagd en staat vrij ver naar achteren, soms zijn er twee masten, terwijl een kluiver, eventueel ook een buitenkluiver, op een kluiverboom wordt gevoerd. Eigenlijk is het woord tjalk een te algemene aanduiding omdat er onderling nogal verschillende schepen uit de grote familie der `kromstevens' mee worden aangeduid, en er zich ook hier een ontwikkeling heeft voorgedaan.
Tot in de achttiende eeuw hebben de kromstevens veelal een bijzondere hekvorm, waarbij de boorden van het achterschip naar boven zijn verhoogd en spits toelopend zijn samengebouwd. Dit opbouwsel heet de 'staats' of 'staatsie', waarin een driehoekige opening is uitgespaard, het `hennegat', waardoor de helmstok loopt. De onderzijde van het hennegat wordt gevormd door de hekbalk die horizontaal op de achtersteven rust.
Bij paviljoentjalken zitten de 'poorten' in het achterschip wel bóven het berghout, soms in de ronding van het achterschip, zoals we dat ook bij de Hasselteraak vinden. Gewoonlijk bevinden deze poorten zich echter vrij dicht tegen de achtersteven ónder het berghout.
Regionaal vertonen de leden van de familie der kromstevens verschillen
In Zuid-Holland en Zeeland kennen we tot in de twintigste eeuw de benaming schuit, boeier, poon en pleit, scheepstypen die werden gekenmerkt door een duidelijke zeeglijn, een tamelijk rechtstandige steven en een grote forse kop. Het tuig is hoog en de fok wordt op de voorsteven gevaren. Wanneer we thans als soortnaam van Zuid-Hollandse tjalken spreken dan worden schepen bedoeld met dezelfde hoofdkenmerken.
De Groninger tjalk voor de binnenvaart is in verhouding tot de breedte bijzonder lang en plat met een uiterst geringe diepgang. Deze vorm houdt uiteraard verband met de afmetingen der veenkoloniale vaarten, waarin dit schip werd gebruikt. Deze lengte/breedte-verhouding is ook de reden dat, zo'n tjalk een paar meter werd ingekort bij de verbouwing tot jacht.
De in Groningen gebouwde Oostzeetjalken zijn zware schepen met brede berghouten, hoge kop en veel zeeg.
De Friese tjalk
De Friese tjalk ten slotte is thans het meest voorkomende type, gekenmerkt door een gestrekte vorm en vrij weinig zeeg. De steven valt enigszins voorover en de hoek tussen steven en berghout is scherper dan elders, terwijl het opboeisel op het voorschip duidelijk achterover, naar binnen valt. In Friesland was onderscheid te maken tussen de tjalken gebouwd in de ZW-hoek en bestemd voor ruw water van de grote meren en Zuiderzee, vandaar onder anderen de vrij hoge kop, en de tjalken, gebouwd bijvoorbeeld in Drachten en bestemd voor beurt- en vrachtvaart in de rustiger kanalen en vaarten.
Ook voor Friesland is het woord tjalk, dat zoals gezegd lang niet algemeen werd gebruikt, een te algemene aanduiding, omdat de Friezen verschillende woorden gebruiken voor hun ronde vracht-vaartuigen, afhankelijk van de grootte van het betreffende schip. In de eerste plaats kenden ze het open beurtscheepje, dat de dienst onderhield tussen twee plaatsen die zo dicht bij elkaar lagen dat de scheepjes in een dag op en neer konden. In de ZW-hoek werden deze scheepjes 'jachten' genoemd, welk woord hier is gebruikt- in de reeds oude betekenis van snelzeilend vaartuig. Snelzeilende veerschepen, zoals tussen Harlingen en Terschelling werden eveneens jacht genoemd. Vergelijk ook Blokzijler jacht. Het 'jacht' dat van Hindelopen op Workum voer had slechts een lengte van achttien voet en een draagvermogen van 'dertig zakjes meel' of wel drieduizend kg. Voor de mast was een afneembaar dek om de pakjes droog te houden. Ze voeren met een gaffeltuig en mast met contragewicht, terwijl tot de uitrusting ook twee 'ijsborden' behoorden, gemaakt van licht plaatijzer, ieder in de vorm van de halve kop. Wanneer de ijsperiode voorbij was werden ze weer zorgvuldig opgeborgen. Tot ± 1920 waren deze 'jachten' nog in gebruik, daarna werden ze vervangen door de ijzeren schouw.
Een grotere uitgave vormde het geheel overdekte model zonder gangboord, dat nog tot in de kleinste opvaarten bij de boeren kon komen. Een heel enkel exemplaar schijnt nog te bestaan. Al naar het doel waarvoor ze werden gebruikt sprak men bijvoorbeeld van kaasjagers en mestjagers. Wellicht zou men hier van een praammodel kunnen spreken.
De eigenlijke Skûtsjes, schepen van ± 12 meter lengte en een draagvermogen van acht tot achttien ton
Dan komen we bij de schepen van ± 12 meter lengte en een draagvermogen van acht tot achttien ton. Deze schepen zijn de eigenlijke `skûtsjes', waarvan er vroeger heel wat in Friesland waren en als beurtschip, potschip, bloemschip en voor andere doeleinden werden gebruikt. De kleinste hadden meestal een `bollestal’ en een roer met vaste klik en losse helmstok. Bij de grotere modellen waren roer en helmstok tot een geheel verbonden. Ze voerden een gaffeltuig. Strikt genomen is dus de huidige aanduiding `skûtsje-silen' minder juist, omdat het geen wedstrijden zijn tussen `skûtsje', maar tussen grotere vrachtschepen. Voorheen sprak men van wedstrijden tussen 'beurt- en vrachtschepen' ; de beurtschepen zijn er niet meer, maar de naam is voor de wedstrijden behouden. Wanneer de beurtschippers vroeger ongeveer op precies dezelfde tijd uit 'de stad' terugzeilden naar hun dorpen, of ongeveer terzelfder tijd bij de stad aankwamen, probeerden ze elkaar uiteraard voorbij te komen en ontstonden als het ware onofficiële wedstrijden, die veel tot de goede ontwikkeling van het schip hebben bijgedragen.
Met Zeil en Treil - De tjalk in binnen- en buitenvaart

Met zeil en treil; een achttiende eeuwse advertentietekst als titel van een boek over tjalken. Een schip werd in die tijd te koop aangeboden al dan niet met zeil en treil, dat wil zeggen, geheel compleet en vaarklaar. Aanvankelijk was het de opzet om in dit boek een compleet beeld te geven van het scheepstype tjalk. Dit is in zekere zin ook wel gebeurd, maar het onderwerp bleek te omvangrijk om in het kader van een boek volledig uit te werken.
Met het woord tjalk wordt een bepaald scheepstype aangeduid. Tegelijkertijd echter is het de verzamelnaam van een aantal aan elkaar verwante schepen, die te beschouwen zijn als 'leden van de tjalkenfamilie'. In dit boek heb ik het woord tjalk in de uitgebreide zin van het woord opgevat. Een korte schets van de ontwikkeling van de houten tjalken, smakken en koffen is de inleiding van de beschrijving van de tjalk zoals hij sinds circa 1880 voer en nog vaart. Hierbij heb ik mij niet beperkt tot de technische kant van de zaak zoals de bouw, de verschillende modellen en de tuigage. De functie van deze schepen, de lading die zij vervoerden en het water dat zij bevoeren, krijgen eveneens aandacht.
De tjalken van de landelijke vaart
In de jaren tussen 1880 en 1905 schakelden de meeste werven waar binnenschepen gebouwd werden over van houtbouw op ijzer en staal. Aan de schepen die sinds die tijd gebouwd zijn besteden we aandacht. Daarnaast wordt de vaart beschreven waar tjalken werkzaam waren.
Tjalken voeren door heel Nederland. Als het meest voorkomende binnenschip van ons land kwam men ze tegen van Wemeldinge tot Stadskanaal. Toch was het maar een gedeelte van de vloot dat reizen maakte over die afstand. De meeste tjalken, eigenlijk moeten wij spreken van tjalkachtigen, hadden een beperkt vaargebied. Al naar gelang de streek waar ze gebouwd waren en de soort lading die ze vervoerden varieerde hun uiterlijk en grootte. De tjalken die het hele land als werkterrein hadden waren uiteraard de grotere.
Hun tonnemaat lag tussen 70 en 150 ton. Ook deze schepen hadden uiteenlopende modellen. De meest voorkomende was de tjalk met roef, het schip dat iedereen kent als `de tjalk'. Om te beginnen kijken we eerst naar deze 'tjalk met roef' in de landelijke vaart.
Rond 1900 was de tjalkenvloot zeer gevarieerd. Er voeren nog een flink aantal houten schepen en op enkele werven werden ze nog nieuw gebouwd. Het merendeel van de nieuwbouw geschiedde echter in ijzer en staal. Van de buitenkant bekeken was er weinig verschil tussen houten, ijzeren en stalen tjalken. Zoals reeds gezegd veranderde het tjalkmodel bij de invoering van ijzer in de scheepsbouw vrijwel niet. Men kan zeggen dat de grotere houten tjalken, van rond de 100 ton, over het algemeen rechter van lijn waren dan de ijzeren. Dit had echter weinig met het bouwmateriaal te maken. Wat betreft de vorm van het onderwaterschip lag dat anders. De kimmen van een houten tjalk waren doorgaans enigszins hoekig. Dit kwam omdat men de haakse hoek tussen de zijkant van het schip en het vlak moest overbruggen met één of twee gangen. Naar gelang de breedte van de kimgang ontstond er een meer of minder grote hoek. In de ijzerbouw kon men volstaan met één kimplaat die men in elk gewenst model kon brengen. Hierdoor was het mogelijk om de ronding van het voor- en achterschip vloeiend te laten verlopen in de kimmen. Aan dek verschilden de houten en ijzeren tjalken nauwelijks. Op het voorschip, vlak achter de steven, zag men het braadspil, hier achter was de ingang van het vooronder. Voor de mastkoker liep de overloop van de fok en tussen deze en het vooronder-luik was het kistluik.
Tuiglieren werden pas gemeengoed op de binnenvloot in de jaren rond de eerst wereldoorlog en voor die tijd hees men de zeilen met de hand. De vallen werden belegd op de knecht, een zware houten balk die aan de achterkant tegen de mastkoker bevestigd was en die aan weerskanten ervan uitstak. Direct achter de mast begon de den, het luikhoofd. De zijkanten ervan waren doorgaans niet hoger dan de bovenkant van het boeisel. In verreweg de meeste gevallen werden de schepen in die tijd met de hand gelost, een hoge den zou het toch al zware werk extra moeilijk maken. Bij het vervoer van lichte lading verhoogde men de den met planken waarover de luikenkap weer gelegd werd. Veel tjalken hadden een gedeeltelijk verhoogde den, een zogenaamde laadroef, tegen de voorkant van de woning aangebouwd. Vooral op de houten tjalken kwam dit voor. Deze verhoging was demontabel, evenals in vele gevallen de roef zelf. Veel ijzeren en stalen tjalken werden in de jaren rond de eeuwwisseling nog gebouwd met een houten roef. Deze stond op het dek.
Op schepen die een geringe kruiphoogte moesten hebben en waar aan de laadcapaciteit voorrang was gegeven boven het wooncomfort zag men een korte hoge uitneembare roef. Vooral in het westen van het land kwam deze zogenaamde zomerroef veel voor. Het dak bestond uit luiken en de constructie was gelijk aan die van de den, met merkels en een scheerbalk. De zijkanten waren panelen van brede schroten. Het geheel zat met haken en ogen en een enkele bout in elkaar. In delen van het land waar men minder te maken had met vaste bruggen met een geringe doorvaarthoogte bouwde men tjalken met een vaste roef. Deze was aanvankelijk ook van hout maar werd in de loop der jaren vervangen door een stalen. In veel gevallen bleef het dak en de achterkant van grenenhout. Als isolatie was dit ideaal maar de waterdichtheid liet nog al eens te wensen over. De vorm van een vaste roef was anders dan die van de zomerroef. Hij was langer en relatief lager. In de zijkant zaten ramen en de ingang was altijd via het achterschot. In de zomerroef was deze weleens in de zijkant gebouwd.
Wat aan dek van de tjalk nooit ontbrak was het watervat. Als er ruimte voor was, lag het vat op het achterschip onder de helmstok, maar een andere gebruikelijke plaats was op het voorschip naast de knecht.
De naam van het schip was doorgaans te lezen op een gedeelte van het zetboord, een houten demontabele verhoging van het boeisel, dat als naambord gebruikt werd. Dit was het gedeelte op het voorschip tussen het want en de bolders, of op het achterschip ter hoogte van de roef. Naast de naam van het schip werd de tonnage, het domicilie en de naam van de schipper vermeld. Echter, niet alle tjalken hadden een zet- of settelboord, zoals dat in het noorden van het land ook wel genoemd werd. Vooral schippers die de Zuiderzee en de Zeeuwse stromen bevoeren gaven de voorkeur aan een lage reling. Deze bestond uit ijzeren houders of scepters waarop een grenen balk bevestigd was. Het gaf meer steun en stevigheid dan een zetboord. Tevens liep het vaste water dat men met een geladen schip altijd aan dek kreeg gemakkelijker weg. Het naambord werd dan in de reling gemonteerd ter hoogte van de roef. Dikwijls waren behalve deze grote nog twee kleine naambordjes aan weerskanten van het roer op het boeisel bevestigd.
Alhoewel wij nu spreken van 'de tjalk', 'de gewone tjalk met roef', moet men zich niet voorstellen dat het hier om een soort eenheidsklasse ging. Wanneer men spreekt over traditionele Nederlandse schepen in het algemeen en tjalken in het bijzonder, heeft men het over schepen die in verschillende delen van ons land gebouwd werden waarbij altijd de invloed van die streek en van de bouwer in vorm en constructie terug te vinden was. Zo spreken wij nu nog van de Groninger en de Friese tjalk maar ook van de Hollandse, waarbij Holland staat voor Zuid-Holland. Van een standaardtype was geen sprake. Immers, tjalken werden gebouwd naar de ideeën van de bouwer en de wensen van de opdrachtgever. De tekentafel kwam er bij het ontwerp niet aan te pas. Het waren bestaande mallen en het oog van de bouwer die het uiterlijk van het schip bepaalden. Maar deze mallen en de manier van kijken waren streekgebonden. Een samengaan van deze factoren zorgde voor de grote verscheidenheid in vorm van de schepen die allemaal als tjalk aangeduid werden. Schippers uit die tijd, die oog hadden voor de schepen die ze dagelijks tegenkwamen, spraken niet van een Friese of een Hollandse tjalk. Aan kleine details konden zij zien of het er eentje was van 'de Lemmer', een `Wilnisser', of eentje van de 'Weduwe Boot'. Wij zullen hier een grovere indeling aanhouden en de verschillende tjalken op belangrijke kenmerken onderscheiden.
De landelijke vaart
De tjalken van de landelijke vaart waren zeer algemene vrachtschepen, dat wil zeggen zij werden voor allerlei lading gebruikt. De bouw van huizen, wegen en dijken bracht transport van bouwmaterialen met zich mee en tjalken voeren evenals andere binnenschepen in de zand-, grind-, hout- en stenenvaart. Een andere belangrijke bron van vervoer was de landbouw. Producten als aardappelen, suikerbieten, vlas, stro, graan en mest werden allemaal over het water vervoerd. Hier hing nauw mee samen de aanvoer van grondstoffen en de afvoer van producten van de landbouwverwerkende industrie. Ook de energievoorziening geschiedde voor een belangrijk gedeelte per schip. Zowel op lokaal niveau, zoals bijvoorbeeld de bevoorrading van de Friese melkfabrieken met steenkool van de Engelse boten uit Harlingen, als landelijk, waarvoor onder meer een grote vloot turfschepen vanuit de noordoostelijke veenstreken op de grote steden in het westen van het land voeren. In al deze takken van vervoer waren tjalken, samen met klippers, aken, kasten en pramen in meer of mindere mate actief.
Hoe functioneerde dit vervoer? Hoe kregen de schippers vracht? Een antwoord te geven op deze vragen is niet zo eenvoudig. Voor wat betreft de negentiende eeuw is er weinig studie verricht op dit gebied. De algemene indruk bestaat dat een belangrijk deel van de schippers in die dagen zogenaamde eigenhandel schippers waren. Dit wil zeggen: zij kochten een bepaalde vracht en verkochten deze weer op een andere plaats. Behalve schipper waren zij koopman. Niet zelden hadden zij een huis aan de wal en zij hadden in die tijd een zeker aanzien. Hierin kwam verandering en het beeld in het begin van de twintigste eeuw was heel anders. Er was nog steeds een groep eigen-handel schippers maar daarnaast was de relatievaart belangrijk geworden. In deze relatievaart maakten de schipper en de verlader, dikwijls een fabriek of een handelsonderneming, een afspraak om voor een bepaalde tijd het vervoer te verzorgen. De schipper had hierdoor vast werk maar bij een groot aanbod van schepen had hij de vrachtprijs van de verlader maar te accepteren. In de loop van de jaren werd steeds meer gebruik gemaakt van de diensten van een tussenpersoon, de scheepsbevrachter.
In voor de schipperij goede tijden kwam deze de schippers opzoeken en bood hen vracht aan op bepaalde condities. Maar toen tegen het einde van de twintiger jaren het ladingaanbod terug liep en de vrachtprijzen daalden veranderde de situatie. Het was niet langer de bevrachter die naar de schipper toeging, maar de schipper kwam, meestal met andere wachtende collega's naar de bevrachter. Door een groot aanbod van scheepsruimte en een ongecontroleerde concurrentie daalden de vrachtprijzen tot een peil waarop er voor de schippers geen boterham meer aan te verdienen was. Dit was de situatie in het begin van de jaren dertig. Schippers die deze tijd meegemaakt hebben spreken vooral over de rol van de bevrachter, de voor hen meest ongrijpbare en daardoor gehate figuur. Veel tussenpersonen in de bevrachting waren tevens caféhouder. Als er een schipper kwam die vroeg of er al een reisje voor hem was dan ging het vaak van 'nou schipper, ik zal eens voor je bellen'. Dan liet hij in de achterkamer een belletje overgaan en kwam even later terug met de mededeling, 'vandaag wordt het niet meer schipper, kom morgen maar eens terug'. Dan had die schipper nl. nog niet genoeg verteerd.
Een ingrijpen van de overheid kon niet meer achterwege blijven en in 1933 werd het hele bevrachtingsstelsel op de helling gezet. Het systeem van de evenredige vrachtverdeling, kortweg de E.V. genoemd, werd ingevoerd. Dit verdient enige uitleg omdat de bevrachting tot op de dag van vandaag volgens dit systeem werkt. In 1933 werden in een twintigtal steden over het gehele land verspreid vrachtcommissies in het leven geroepen. Deze kregen tot taak de beschikbare lading binnen ieder district te verdelen over de voor die lading geschikte schepen. Degene die het langst op vracht lag te wachten kwam het eerst aan de beurt. Een tweede taak van de commissie lag in het beoordelen van de bevrachtingscondities die de bevrachter en de schipper met elkaar afgesproken hadden. In de praktijk werkte het systeem als volgt: De schipper kreeg een bevrachtingsboekje waarin het 'signalement' van zijn schip was beschreven. Wilde hij vracht hebben, dan meldde hij zich bij een kantoor van de commissie, doorgaans de beurs genoemd, en leverde zijn bevrachtings- of beursboekje in.
Een verlader die een partij goederen verscheept wilde hebben ging eveneens naar de beurs en daar kon de vertegenwoordiger van de commissie, de beursmeester, in de bij hem ingeleverde boekjes zien welke van de schepen geschikt was voor die lading en welke schipper aan de beurt was. De aangewezen schipper maakte een contract op met de verlader en dat werd ter goedkeuring aan de beursmeester of diens assistent voorgelegd. Ging deze er mee akkoord dan kreeg de schipper zijn, voor die reis afgetekende boekje terug en kon hij gaan laden. De E.V. was uitdrukkelijk bedoeld als crisismaatregel. Zoals men het in die tijd uitdrukte: voor het tegengaan van misbruiken in het bevrachtingswezen die door de ongebreidelde concurrentie zijn gegroeid. Voor de schipperij was de invoering van de beurs, de E.V., inderdaad een verbetering. Dat wil echter niet zeggen dat zij het in de jaren voor de tweede wereldoorlog zoveel beter kreeg.
Niet alle vracht ging over de beurs. Eigenhandel schippers konden een ontheffing krijgen. Deze werd op bepaalde voorwaarden verstrekt en in de regel elke drie maanden al of niet verlengd. Verder werden ontheffingen verleend aan beurtvaartondernemingen en voor het vervoer in de zeehavens. De campagnevaart voor bijvoorbeeld de suiker- en aardappelmeelfabrieken was afzonderlijk geregeld. De schippers voeren hier op een standaardcontract dat per fabriek door de commissie was goedgekeurd. De vaste relatievaart verdween niet helemaal. Wanneer men kon aantonen dat men voor een bepaald bedrijf een belangrijk gedeelte van het jaar voer, kon men ontheffing krijgen van de verplichting om over de beurs te varen. De rol van de malafide bevrachter was door de invoering van de E.V. uitgespeeld. Het bleek een maatregel te zijn van lange duur. De E.V. beschermde de schippers tegen elkaar en tegen de verladers en zo werd en wordt het over het algemeen ook door hen ervaren. Toen er in 1976 sprake was van de afschaffing van het systeem reageerde de schipperij met massale stakingen en blokkades.
Maar terug naar de tjalken. Zoals wij reeds zagen waren het algemene vrachtschepen die met alle voorkomende lading voeren. De schippers van de landelijke vaart waren eigenlijk overal thuis. Doordat zij de meest verschillende lading naar alle mogelijke plaatsen in het land moesten brengen, kenden zij de weg zowel in Nijmegen als in Enkhuizen of Terneuzen. Het spreekt welhaast vanzelf dat zij het water dat zij bevoeren kenden zoals de man van de wal het straatje waarin hij woont. Dit betekende rond de eeuwwisseling heel wat anders dan tegenwoordig. De betonning was minder ontwikkeld, dat wil zeggen, er lagen minder tonnen en lichtboeien. Op de Zuiderzee werd genavigeerd met het kompas en het dieplood. Een zeekaart was in lang niet alle gevallen aan boord. Over de lokale kennis van de echte Zuiderzeevaarders spreken oude schippers nu nog met grote eerbied. Deze mensen waren in staat om bij nacht en met slecht zicht van de Friese wal naar Amsterdam te kruisen en zonder één vuurtje te verkennen recht voor het Buiten IJ te komen. Voornamelijk door het lood gaande te houden wisten zij precies waar zij waren. Schippers die dit water minder goed kenden namen voor de oversteek van Holland naar Friesland doorgaans een loods aan boord. Dit waren meestal oud-schippers die op deze manier in hun oude dag konden voorzien. Elk vaarwater stelde zijn eisen aan de kwaliteit van de schipper.
Een voorbeeld: op de grote rivieren werden de zeilschepen dikwijls stroomopwaarts gesleept. De sleepboot had een sleepdraad waarin op bepaalde afstand een kous was gesplitst. Het gesleepte schip pikte met een haak zijn eigen sleepdraad of ketting in de kous en belegde die via het kluisgat op de bolder. Wanneer men bijvoorbeeld bij de IJsselkop los maakte omdat men het stroomafwaarts op de Rijn alleen wel weer redde, kon dat vooral bij nacht een hele operatie zijn. De sleepboot gaf het sein één lang, drie kort op zijn stoomfluit en dan was het losmaken. Hij hield de sleep gaande en als nu maar de achterste begon met zeil hijsen en volvallen, dan ging het wel. Maar soms liep het anders. Dan probeerde men midden in de sleep al weg te komen terwijl de achterbuurman nog zachtjes vooruit kwam. Het resultaat daarvan kan men zich indenken. In Zeeland waren weer andere problemen.
Om met een flinke tjalk in de wind een haventje binnen te lopen terwijl daarvoor langs een stroom van een kilometer of vijf trok, moest men wel weten wat varen was. Het vervoer van speciale soorten vracht was vast werk voor bepaalde groepen schippers. Zo had men ondermeer schelpen- en aardappelschippers en mest- en turfvaarders. Op regionaal niveau waren er meer specialisaties, maar deze worden in de volgende hoofdstukken beschreven.
De schelpenvaart
De schelpenvaart was een ruig bedrijf. Altijd laadde men aan een schelpenzuiger op zout water. Dit was zowel met het oog op slecht weer als voor het onderhoud van het schip een reden voor veel schippers - en hun vrouwen - om dit werk aan anderen over te laten. Voor de schelpenvaart moest je voelen. Er waren nogal wat vrijgezellen onder die groep schippers. Hun werkterrein strekte zich uit van het Duitse Wad tot de Zeeuwse stromen. Bij Neuharlingersiel op de Oostfriese kust werden veel schelpen geladen en op het westelijke deel van het Wad waren het de zuigers van de Fa. Dros te Texel en Rederij Doeksen op Terschelling die de schelpenschepen bevoorraadden. De schippers brachten hun lading naar de kalkovens of naar een bepaalde streek waar het gebruikt werd voor de verharding van wegen. Tevens werden schelpen verwerkt tot kippegrit.
Kalkovens vond men vooral in het noorden en midden van het land. Makkum was vanouds een centrum van dit bedrijf en schelpen uit de Waddenzee gingen verder ondermeer naar Zoutkamp, Groningen, Smilde, Odoorn, Meppel, Zwartsluis en Apeldoorn. Vanuit Zeeland ging men voornamelijk naar de kalkovens in Brielle en Kralingen maar ook wel naar die in Katwijk, Alphen aan de Rijn en Leiden. In de schelpenvaart kwam veel eigen handel voor. Er was een aardige cent in te verdienen maar je moest de risico's wel durven nemen. Een flink aantal schelpenschepen zijn op het Wad gebleven. Er waren schippers die altijd zoveel mogelijk of nog iets meer probeerden te laden. Lag men nog aan de zuiger met het ruim open en het weer verslechterde plotseling, dan konden er gevaarlijke situaties ontstaan. Een bekende laadplaats was de zogenaamde Westwal, een ondiep gebied onder Texel aan de Vlielandse kant. Voor de grotere schelpenschepen, tjalken en klippers rond de 130 en 140 ton was dit een uiterst lastige plek vanwege de 'droogte'.
De strontvaart
Een eigenhandelsvaart bij uitstek was de strontvaart. Overal waar veeboeren waren werd mest geproduceerd en deze was van belang voor bouwboeren, bloemen- en groentekwekers. In Zeeland, Zuid- en Noord-Holland en Friesland waren vele kleine schippers die zich bezig hielden met het lokale vervoer van mest. Maar dit was niet `de strontvaart'. Hieronder verstond men het vervoer van mest voornamelijk uit Friesland naar de bollenstreek, Hillegom en Lisse. Dit was het werk van een vloot tjalken en klippers die hierin gespecialiseerd was. Deze schepen moesten over de Zuiderzee en hadden een laadvermogen tussen de 120 en 160 ton.
De mest werd in Friesland geladen. De schipper kocht deze rechtstreeks van de boer of van een mesthandelaar. Werd van de boer gekocht, dan laadde men veelal zo dicht mogelijk bij de boerderij. Echter, een tjalk of klipper van een 140 ton kon zelden bij de boerderij komen, laat staan geladen worden. De mest werd dan eerst in pramen of skûtsjes geladen die naar een groter kanaal of meer voeren waar hij werd overgeslagen in het grote schip. Dit is gemakkelijk verteld maar in de praktijk viel dit niet mee. Laadde men bijvoorbeeld bij een boer of handelaar in Workum, dan moest men vanwege de geringe diepgang van het vaarwater op het Heegermeer afladen. Daar ging men voor anker en de pramen en skûtsjes kwamen langszij. Met de hand, schop voor schop, werden deze leeggemaakt in het grote schip. Men kan zich voorstellen wat dit voor werk was, zeker wanneer er een flinke bries stond. De schipper legde zijn schip zoveel mogelijk dwars op de wind om met diep gestoken zwaard een beetje lij te maken voor afgeladen pramen. Was men vol, dan kon de reis beginnen. Iedere schipper had in de bollenstreek - doorgaans 'de keuken' genoemd - zijn eigen relaties. In het begin van het jaar werd met deze mensen, de kwekers, afspraken gemaakt hoeveel mest er geleverd zou worden. Wanneer men genoeg klanten had, dan was er het hele jaar werk in de strontvaart. Alleen in de tijd dat de bloembollen gerooid werden, een week of vier rond mei en juni hadden de bloemisten het zo druk dat de mestaanvoer voor een deel stil kwam te liggen. De schippers probeerden dan een andere vracht te krijgen. Bijvoorbeeld, een lading stenen van de steenfabriek te Hillegom bestemd voor Friesland. Het lossen in 'de keuken' was het werk van tuindersknechten. Behalve in de `bollenrooierstijd', dan moesten de schipper en zijn knecht het zelf doen. Hiervoor werden zij extra betaald. De mest werd vanuit het schip in tuindersvletten gelost. Hiermee voer men naar de kleine sloten in de bollenvelden en wanneer de vlet daarvoor te groot was, werd de lading nog een keer overgeslagen in kleinere vletten waarmee hij tot midden in de tuinen gebracht werd. Het lossen van een strontschip was zwaar werk. Voor twee tot drie volwassen kerels was het leegmaken van een 120 tons tjalk drie dagen werk.
De mestschippers vormden in de binnenvaart een aparte groep. Zij voeren zelden andere vracht en stonden bekend als felle zeilers. Het kwam dikwijls voor dat men uit Staveren in konvooi vertrok. Dan ging het er tegen aan. De onderlinge rivaliteit was groot en iedereen probeerde als eerste aan de Oranjesluizen bij Amsterdam te zijn. De schippers kwamen voornamelijk uit Friesland en vaak ging het bedrijf van vader op zoon over. Bekende namen in de strontvaart waren Van der Leer uit Koudum, De Groot van Workum, Elzinga, Vlietstra en De Jong van Makkum en De Boer en De Haan van Staveren. Uit Overijssel kwam de zogenaamde 'Kamper vloot'. Een aantal tjalk-schippers als Tromp, Van der Berg en Bruins voeren van het Kampereiland of uit Friesland met mest. Van de weinige Hollanders voeren vanuit Broeker--haven de Gebroeders Denen in de strontvaart.
De strontvaart had in de dagen van de zeilvaart een zekere bekendheid verworven. Men sprak van de 'strontarmada' uit Friesland. Een aantal jaren geleden ging men er in Workum toe over om een wedstrijd tussen gerestaureerde binnenschepen te organiseren. Als herinnering aan de 'strontarmada' werd deze wedstrijd strontrace genoemd. De schepen moesten balen gedroogde mest naar 'de keuken' brengen en zo snel mogelijk in Workum terug zijn. Dit sindsdien jaarlijks terugkerende evenement houdt de herinnering aan de zeilende strontschippers levendig. Men moet echter niet denken dat het vervoeren van een paar zakken droge mest en het drie dagen en nachten in de weer zijn met een zeilend vrachtschip veel lijkt op de vaart van een vijftig jaar geleden. Maar ja, een wedstrijd organiseren in het met de hand lossen van bijvoorbeeld 140 ton mest uit een tjalk of klipper is voor velen niet zo aantrekkelijk.
De Tjalk in het boek Aken, Tjalken en Kraken - Zeilschepen van de Lage Landen

De tjalk was vanaf de 17de eeuw tot het midden van de 20ste eeuw één van de belangrijkste zeilende vrachtschepen op de Nederlandse wateren. In de 17de eeuw hadden de meeste wijd- en smalschepen een tjalkachtige vorm.
De belangrijkste kenmerken waren:
- de ronde vallende voorsteven die meestal was voorzien van een loefbijter
- de rechte rechtstandige achtersteven
- het bij het voor- en het achterschip sterk naar binnen vallende boeisel
- de volle boeg
- de rechte zijden
- de breede platte bodem
- de ronde kimmen
- de grote waaiervormige zwaarden
- de strijkende mast.
De tuigage was verschillend. Oorspronkelijk werd van het spriettuig of het ferrytuig gebruik gemaakt. Later vooral van het bezaanstuig.
Tijdens de tweede helft van de 19de eeuw ging men over tot het bouwen van ijzeren tjalken. Op de binnenwateren en op zee kwam de tjalk tot ver in de 20ste eeuw in veel variaties voor.
De belangrijkste typen waren:
- De gewone tjalk als draai-over-boord en met een roef. Ze werd gebouwd op werven in vrijwel alle Nederlandse provincies. De globale lengte lag tussen de 10 en 25 meter.
- De hektjalk. Deze tjalk had een hekwerk of staatsie. Dat was een extra boeisel op het achterschip met een opening (hennegat) voor de helmstok. Bij de andere tjalken draaide de helmstok over het boord. Van oudsher hadden veel tjalkachtige vaartuigen een hekwerk, zoals de latere kagen, de Overijsselse potten, de turfponten en de damlopers. In de 19de eeuw zijn veel hektjalken in Friesland, Holland en Brabant gebouwd. Slechts enkelen waren van ijzer. In het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen ligt de hektjalk 'De Vier Gebroeders', gebouwd in 1890 op de werf Ruytenberg te Waspik. Dit schip wordt beschreven door P.J.V.M. Sopers. Hij geeft de volgende afmetingen: lengte 20.70 m, breedte 5.03 m, holte 2.10 m, laadvermogen 110 ton.
- De boltjalk. Deze behoorde tot de Groninger bolschepen. Voor- en achterschip hadden een brede volle vorm. Het was een lang en tamelijk plat schip met een matige zeeg. De boltjalk was een snelle zeiler. Ze kwam veel voor op de Groningse kanalen en werd onder andere gebruikt voor het vervoer van aardappelen en turf. In de Museumhaven bij het Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam lag in april 1999 de boltjalk `Johannes'. Dit schip is gebouwd in 1916 op de werf De Boer te Oude Pekela. De lengte bedraagt 25.13 m, de breedte 4.81 m, de holte 1.20 m.
- De dektjalk. Bij dit schip ontbrak de roef. Het dek liep over de volle lengte van het vaartuig op één hoogte door. Het verblijf bevond zich in het achterschip onderdeks. De dektjalk werd veel gebouwd in de noordoostelijke provincies. In de Museumhaven bij het Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam lag in april 1999 de dektjalk, Watergeus'. Deze is gebouwd in 1903 onder de naam De Vrouwe Geurtje' op de werf Van Goor te Zwartsluis. De lengte bedraagt 17.60 m, de breedte 4.37 m, de holte 1.15 m, het laadvermogen 73 ton.
- De paviljoentjalk. Deze kwam veel voor in Friesland, Holland en Zeeland. Ze was te herkennen aan het verhoogde achterschip en de lange helmstok. In de Museumhaven bij het Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam lag in april 1999 de paviljoentjalk 'Zes Gebroeders', gebouwd in 1921 op de werf D. Boot te Gouwsluis. De lengte bedraagt 20.45 m, de breedte 3.97 m, de holte 1.40 m, het laadvermogen 67 ton.
- De koftjalk. Dit schip was een kustvaartuig dat gebouwd werd in de provincie Groningen en het midden hield tussen een kof en een tjalk. Ze was herkenbaar aan de voorsteven, die op een klippersteven leek, en het hoge boeisel dat bij het voorschip en het achterschip naar binnen viel. De kluiverboom lag op de voorsteven. De koftjalk had een fraaie zeeglijn. Ze had een of twee masten. Bekend is de in 1898 gebouwde en thans gerestaureerde 'Voorwaarts Voorwaarts', die zelfs reizen naar Marocco maakte. Ze werd gebouwd op de werf van de Gebr. Verstockt te Martenshoek. De lengte van dit schip is 26.91 m, de breedte 5.39 m en de holte 2.30 m.
- De zeetjalk. Deze kustvaarder werd meestal gebouwd in de provincie Groningen. De breedte en de holte waren in vergelijking met de lengte wat groter dan bij een gewone Groninger tjalk. De zeetjalk had meer zeeg. De roef op het achterschip had twee ingangen. Aan de achterkant van de roef was een raampje, waardoor de roerganger op het kompas kon kijken. Ze had een of twee masten. Zeetjalken voeren veel op de landen rond de Noord- en de Oostzee. Van Loon schreef al in 1820: 'met een bezaan zeil betuigd en kleinen achtermast voorzien, varen zij op Engeland, Noor wegen en langs de gansche Oostzee, in gewone tijden met veel voordeel, omdat er geen goedkoper zeeschip bekend is'.337 De laatste zeetjalken zijn gebouwd in het begin van de 20ste eeuw. In de Museumhaven te Gouda lag in september 2000 de zeetjalk 'Zilvermeeuw' (ex tuikiena', ex `Jacoba'). Dit schip werd gebouwd in 1906 bij de werf Gebr. van Diepen te Waterhuizen. De 'Zilvermeeuw' heeft een lengte van 23.42 m, een breedte van 4.95 m en een holte van 1.65 m. Het laadvermogen bedraagt 117 ton.
Varianten van de tjalk waren onder meer het Blokzijler jacht, de Brabantse schuit, de damloper, de damschuit, de Friese palingaak (een zeeschip), de Friese praam, de 18de/19de eeuwse kaag, de kofschuit, de houten kraak, de otter, de pleit, de poon, de pot, het skûtsje, de smak (een kustvaarder), de Wieringer lichter, de Zaandammer veerschuit of torenschuit en de Zuid-Hollandse schuit.
De Tjalkachtige schepen in het boek "Schepen die verdwijnen" van P.J.V.M. Sopers

Wanneer men zich bezig houdt met Nederlandsche schepen, dringt het echt oud-vaderlandsche type, de tjalk, zich steeds aan ons op.
In alle mogelijk afmetingen en voor velerlei doeleinden was en is het nog een veelvuldig voorkomende verschijning op onze binnenwateren, zeearmen, binnenzeeën en in de kustvaart. Onder de Aalsmeersche bloemenschuitjes, destijds die bekende bezoekers van het Singel te Amsterdam, trof men tjalkachtige scheepjes, dat waren wel de kleinste van dit type. Verder bestonden ze in alle formaten, tot de zeetjalk, de kof, de galjoot, de hoeker, die hunne tochten uitstrekten tot Middellandsche en Oostzee of bij voorkomende gelegenheid nog verder. Het model is hier steeds inheemsch geweest en heeft schilders en teekenaars steeds geïnteresseerd en geinspireerd.
De oude Vlaamsche meesters gaven het weer. Hieronymus Bosch (plm. 1450—'5' o), geeft het reeds, met spriet-tuig, Brueghel in de eerste helft en midden der zestiende eeuw geeft er vele afbeeldingen van. Latere schilders stoffeerden de waterpartijen in hunne landschappen meest met tjalkachtige vaartuigen of teekeenden ze als afzonderlijke voorwerpen. Water op landkaarten of op stedenplans in vogelvlucht werd verlevendigd met schepen, verwanten in de opgaande lijn der tjalk. Dit type is steeds in de meerderheid, andere schepen komen veel minder voor.
Het woord „tjalk" komt het eerst voor bij Witsen in de tweede editie van zijn werk „Architectura navalis", anno 1690 (zie Crone, „Nederlandsche jachten, binnenschepen en visschersvaartuigen").
Groenewegen, in zijn serie platen van Nederlandsche schepen, geeft ook een afbeelding van „Een smakje of tjalk met ferrytuig". Destijds, 1789, was de tjalk nog een kleiner vaartuig. Duiden de beginletters „tij" bij Groenewegen er misschien op, dat zij vooral gebouwd was voor het bevaren van tijwateren?
Van Loon (gestorven in 1840) beschouwt de tjalk als een licht gebouwd en vlotgaand schip, dat wanneer het goed gebouwd is, een der snelst zeilende schepen kan zijn; als voorbeeld geeft hij in zijn „Burgelijke Scheepsbouw", 1838, de teekening van een Nederlandsche hek- (staatsie-) tjalk van middelbare grootte, zooals die destijds voornamelijk in Friesland werden gebouwd, lang over stevens 18.5o, wijd binnen de huid 3.90 el en diep van op de kiel tot beneden de watergang midscheeps 1.8o el. De Groninger tjalk beschrijft hij als van zeer lang en, eng bestek, waarbij vele voorkomen van 75 voet (plm. 21.25 m) lengte, terwijl de wijdte slechts 15 of 151/2 voet bedroeg, hetgeen evenals de geringe diepgang verband hield met de ondiepe en enge vaarwaters der venen; ook werden daar zeetjalken van 50 last en meer gebouwd (Crone, pag. 170).
Lecomte, een tijdgenoot van van Loon, gaf in 1831 uit zijn „Afbeeldingen van schepen en vaartuigen". Plaat 2i stelt voor „Vriesche tjalken". Hij zegt dat ze veel als binnenvaartuigen voorkomen. Zij werden meestal in Friesland en in Groningerland gebouwd; de grootte varieerde van 32 tot 80 ton, de diepgang was ledig 2 à 21/2 voet, geladen 5 a. 51/2 voet. „De tuiging was verschillend; eertijds was alles Ferrytuig, hetwelk met een spriet is, waaraan het zeil uitgehaald wordt." In zijn tijd was het algemeene tuig het bezaantuig, in zijn afbeelding met kromme gaffel, waarop nog een gaffeltopzeil, vlieger noemt hij het, werd uitgehaald.
Degenen, die de bovenstroomen bevoeren hadden een bagijne- en topzeilra (dus een vierkant getuigd topzeil) om boven de luwte van het land zeil te kunnen voeren, dus om zooals het heet, den hoogen of bovenwind te kunnen opvangen. De mast was steeds strijkend.
Op plaat 24 geeft Lecomte een afbeelding van een „Vriesche praamschuit (of schute)". Hij zegt daarvan : „Deze vaartuigen komen het naast bij de tjalk. Zij onderscheiden zich van dezelve door een rechte strook in de bouworde en in plaats van een vast opboeisel hebben zij losse zetboorden; eenige tjalken hebben dezelve echter ook. De meeste praamschuiten hebben een staats, hetwelk in eene schuine richting boven den achtersteven oprijst, waartusschen de roerpen vaart."
Nu wil het mij voorkomen, dat het schip, dat Lecomte als praam aangeeft meer overeenkomst heeft, met wat later de Friesche tjalk was, dan de tjalk zelf. Bij deze laatste is opvallend hoe weinig opboeisel nog boven het berghout is aangebracht, waardoor zij meer gelijkt op de koftjalk, zooals Konijnenburg ze in Deel III, fig. 25 van zijn werk „Shipbuilding from its beginnings" uitbeeldt. Verder is de zeeg vrij groot. Op de uiteindelijke lijnen van de Friesche tjalk zou dan mogelijk de gestrekte vorm der Friesche praam van invloed geweest kunnen zijn, immers de latere Friesche tjalk onderscheidt zich ook door minder zeeg, dan die der andere gewesten. Konijnenburg, Lecomte citeerend, gaat zoover te zeggen, op pag. 76, Deel I van zijn genoemd werk: „Het Friesche schip (de tjalk) wordt somtijds genoemd ,Friesche Praam' als zijne lijnen een weinig meer nagenoeg recht zijn." Dit laatste lees ik niet bij Lecomte; deze zegt: „Zij komen het meest nabij de tjalk." Mogelijk is de Friesche praam weer geïnspireerd op, of misschien slechts genoemd naar de Overijsselsche praam, waarover later.
Tot zoover de geschiedenis der tjalk.
DE TJALK
Ik wil thans overgaan tot mededeelingen, die berusten op eigen waarnemingen en opmetingen. In den winter 1926—'27 werd bij 's-Hertogenbosch een tjalk gesloopt, haar naam was „Time is money". Ik voor mij houd meer van een Hol-landsche naam, b.v. als de schipper had willen blijk geven van zijn gemoedsstemming tijdens den bouw of aankoop van zijn schip, had hij het kunnen noemen „Voorwaarts" of „Zelden rust" of „Nieuwe Zorg", „de Onderneming", of dui¬dend op familieomstandigheden: „de Twee Gebroeders", „Sjoerdina", of „de Vrouw Sjitske" of bijbelsche namen als „Eben-Haeser", „Rehoboth", enz., enz. Maar mijn tjalk heette nu eenmaal „Time is money" en zoo zullen we haar maar blijven noemen.
Die naam bracht mij in herinnering een tjalk, die vroeger op den Bosch voer nl. tegen de kermis, als wanneer er een met denzelfden naam daar heen bracht het houten schouwburggebouw van een tooneelgezelschap, ik meen Van Lier, dat bij die gelegenheid aldaar zijn uitvoeringen gaf. Aan die tjalk was iets bijzonders, ze had nl. twee masten, wat ik bij geen andere ooit gezien heb. Niet alleen de naam klopte, maar ook het feit, dat de mijne buitengewoon lang was in verhouding tot haar breedte, zoodat mijn tjalk indertijd hoogstwaarschijnlijk wel een tweemaster geweest is. Een zeldzaamheid dus. Alhoewel mijn exemplaar dus niet in alle or;-zichten weergeeft de gangbare tjalk, neem ik haar als voorbeeld, daar overigens haar lijnen zuiver zijn en ik me de Friesche tjalk als niet veel afwijkend van deze voorstel. Door haar meerdere lengte zijn haar lijnen van zelf meer gestrekt, zooals bij het Friesche standaardmodel.
In de tjalk heeft de houten scheepsbouw een vrachtschip tot stand weten te brengen van de meest harmonieuse lijn, rustig en doelbewust de verschillende uitwendig zichtbare constructiedeelen tot een logisch geheel samenvoegend. Ik vond dit in mijn exemplaar belichaamd. Nu zag zij er desolaat uit, haar dagen waren geteld. Ze was zelfs te wrak geworden voor woonschip en bij wassend water op den walkant gezet, waar ze bij ingetreden val hellend over stuurboord aan den grond zat. Staande op haar achterplecht trachtte ik me nog in de illusie te brengen, dat zij onder den druk van de bries op haar vol tuig overhelde en zich voortspoedde over de golven ... Maar neen, het was haar doodslaap, zij vermocht zich niet meer op te richten. Als het water eens wies, steeg het binnen haar vergane en uitgeteerde karkas bijna even snel als daar buiten. La mort sans phrase!
De slooper toog aan de arbeid, op ongeregelde tijden wijdde hij er eens een dag aan. Nu en dan ging ik er heen en bestudeerde de constructie. Op die wijze ontsnapte mij niet veel. Soms trof ik den man en vernam dan nog een en ander wat me ontgaan was.
Tevoren was het schip al opgemeten en nu werd er nog wat geschetst en in klad op papier gebracht.
Als resultaat ontstonden de hierbij gereproduceerde teekeningen. Wat betreft de constructie bij en van het ruim verwijs ik naar de teekeningen. Alleen moet ik hierbij opmerken, dat de kalven van de figuur ontbraken; de kromhouten tusschen de leggers waren onderling niet verbonden. De kromhouten, vernam ik later nog van een scheepstimmerman, dienden met hun opstaande zijden door te loopen tot achter het berghout, voor de sterkte en het goede verband. Verder vernam ik dat bij tjalken het laagste of diepste punt niet ligt bij den mast, maar meer naar voren, zoo omtrent daar, waar de rijzing van de heve begint, dat is bij onze tjalk en bij de anderen ook ongeveer op de helft of midden onder de luiken vóór den mast. Vandaar loopt het vlak naar achteren flauw stijgend en regelrecht door tot waar de heve begint.
Opmerking verdient nog, dat het vlak van de „Time is Money" van dennenhout was gemaakt. Dat was niet geheel in den stijl. Alles moest eigenlijk eikenhout zijn. Wegens de goedkoopte werden de vlakplanken echter wel meer van taai dennenhout, gelijkend op grenen, gemaakt. Dit voldeed goed, immers het vlak, dat steeds onder water bleef, was niet aan rotting onderhevig en ging dus even-lang mede als het schip. In mijn tjalk, waar sommige zware scheepsdeelen, zooals het zware kromhout, op eenige plekken zoo vergaan waren, dat het hout met de hand zonder hulp van eenig gereedschap kon worden afgerukt, kwamen de vlakgangen nog gaaf te voorschijn, zware lange deelen uit één lengte, van voor tot achter. Een eigenaardigheid van het dennenhout was, dat het door de schuring van het langs stroomende water afsleet, de weeke deelen tusschen de hardere nerven het meest, ook de kwasten bleven bijna ongedeerd, zooals men dat ook bij houten dennen vloeren ziet.
De buitenste plank van het vlak was het neerboord, waar feitelijk de ronding naar de kimmen begon. Vandaar ook de naam „kimgang" of „wentelstrook", waar de wenteling of draai begon. Deze strooken waren van eikenhout; zij liepen den dwarsnaad, waar de andere vlakplanken eindigden, voorbij en schoten door zoover de heve opliep. Zij maakten dan een slag naar binnen om aan de ronding in de boegen aan te sluiten, met de opstaande boorden of gangen.
Die kimgang werd in schepen, die op Zeeland voeren en daar vaak de bestemming hadden puin, basaltblokken en dergelijke voor zeeweringen te brengen, extra zwaar genomen, daar bij dat werk de kim van het schip nog al eens in aanraking kwam met de scherpe, hoekige steenen.
Waar de vlakgangen eindigden begon de tjalk dus haar ronding te krijgen en dit zoowel onder als in de zijden. Op die plaats werd dan een extra-stevige legger aangebracht, ter bevestiging en verbinding van vlak en heveplanken, waardoor men het euvel van den langen dwarsnaad zooveel mogelijk onderving. Ook in de opstaande zijden lag hier het kritieke punt; vandaar een stevige krommer op die plaats, staande op den voormelden legger.
We komen nu aan de moeilijkste en ingewikkeldste deelen van onze tjalk, nl. de constructie van voor- en achterschip. In mijn teekening van het voorschip heb ik getracht dit te ontleden. De lezer denke zich in, te staan op het dek met het gelaat naar den voorsteven. Dek en dekbal ken van het voorschip zijn weggelaten. We zien dan in het midden onder a het zaadhout, dat eindigde, waar de heve begon; soms schoot het nog iets door en was dan opgebogen, misschien werd er in tjalken ook nog wel een verlengstuk op gezet dat een eindje krom in de heve opliep (dit was een constructiedeel in de Overijsselsche praam; het heette daar „kropstuk" of „binnensteven"), voor zoover ik weet echter liep het nooit tot het dek toe.
Aan weerszijden daarvan ziet men b.b. de uiteinden van de kimwegeringen. Deze hadden haar verlengstukken in de slapers b'b', welke liepen door tot een paar kniestukken, waarover straks meer. Die slapers waren aangebracht op een punt dat mogelijk het zwakste deel van het schip was, nl. de boegen. De huidplanken waren daar sterk gebogen en dientengevolge ook sterk verhit geweest in het vuur; ze waren daar reeds aan het versmallen en wegens haar sabel-vormige gedaante ter plaatse al eenigszins door den draad gezaagd. Het inwendig verband daarachter liet wel wat te wenschen over. Immers wij zien, dat de leggers, die achter den steven doorloopen, slechts doorschieten tot onder de slapers. Aan de buitenzijde kwamen daaronder uit de krommers in de boegen; deze werden van achter naar voor hoe langer hoe korter; voor in den boeg waren het nog slechts moppen hout. Dit gaf op zichzelf al weinig verband en er was geenerlei directe aanhechting van de leggers aan de krommers. Bedenk daarbij, dat het tegen de bolle koon der tjalk aan de buitenzijde bij aanvaringen of stooten nog wel eens „aan kon komen", dan zal men het er mee eens zijn, dat een constructiedeel als de slaper daar ter plaatse zeer noodzakelijk was.
Ten aanzien der leggers tegen den steven wil ik nog opmerken, dat ze breeder waren en minder tusschenruimte hadden, dan de teekening zou doen vermoeden. Van de buitenhuid was van binnen nagenoeg niets te bespeuren, zoo vol was de kop van binnen met hout bezet. Hooger op, ter weerszijden van de kimwegers, vertoont de teekening de balk-wegers c.c. Deze waren in de boegen door kniestukken b.b. met den bovensten legger verbonden en bezorgden dus een versterking onder het dek het geheele schip rond.
Boven deze laatste constructie werd het dek aangebracht, dat wil zeggen, eerst de dekbalken, die niet zooals bij huizenbouw met de breede zijde verticaal lagen, maar bij schepen, vermoedelijk om ruimte en stahoogte te winnen, met de breede zijde tegen de dekplanken aankwamen.
De overgang van het dek in het opboeisel op voor- en achterplecht geschiedde volgenderwijze: d.d. waren dikke platen, die de voortzettingen waren van de gangboorden. Die platen waren zoo bewerkt, dat ze, waar ze onder het opboeisel schoten, een verhooging hadden, die in den vorm van een drogen naad was behouwen. Deze droge naad werd voortgezet in de stukken e.e.e. Zoowel de platen d.d. als de droge naden, ook wel lijsten genaamd, e.e.e., lagen onder de platen, die daarop gezet waren, en waren aan de buitenzijde van het schip zichtbaar, tenminste voor zoover de lijsten e.e.e. niet achter het berghout lagen. Het berghout was in de boegen gehakt en bewerkt uit een stuk gegroeid kromhout.
De platen d.d. maakten met de lijsten e.e.e. een vijfdeelig stel, dat rond het geheele voorschip liep (achter was het ook zoo). Op dit vijfdeelig stel kwam een ander dito, nl. de zware uit gegroeid kromhout gezaagde en behouwen platen g.g. Zooveel men kon zorgde men voor een behoorlijke verscherving, d.w.z. dat de stukken van lijsten en platen niet juist onder de aanhechtingen der bovenste platen kwam te liggen. Alles werd tenslotte met ijzeren bouten op elkaar gehecht. De kopsche einden der bovenplaten, ook wel „maanstukken" geheeten, verbond men aan elkaar, zooals dat het best uitkwam en het formaat van het voorhanden hout het 't geschiktst toeliet.
Ook is er een schets van wat ik vernam, van de wijze van inzetten der bolders. Van dit laatste ben ik echter niet zeker; er was ter plaatse al veel vertimmerd en stuk. De bolders waren berekend op het vastleggen van het schip, oorspronkelijk niet op slepen. Toen dit in zwang kwam, hadden ze het vaak hard te verantwoorden, b.v. als de sleepboot wat hard aantrok. Dat ging nog, zoolang dat gebeurde met henneptrossen; die veerden wat mee. Toen echter de staaldraden kwamen werd het den houten bolder te machtig. Diepe groeven in zijn zijden rondom toonden de gevolgen van het remmen, d.i. de manoeuvre van den draad een enkelen keer om den bolder te slaan en te laten doorslippen om den eersten schok te breken. En als het nog maar bij de groeven bleef, maar vaak brak de heele bolder af. Men vond dit echter nog maar het beste; ware hij sterk genoeg geweest, dan was mogelijk nog een grooter stuk van het schip meegegaan. De bolder werkte dus als een soort zekering, evenals bij onze electrische leidingen: wordt de spanning te groot, dan slaat de zekering door.
Waren de platen of maanstukken opgezet, dan werd tenslotte de bovenzijde afgedekt door middel van een „platting" of „schanddeksel" h.h. Naast den steven ziet men de verhaalklampen en daarbuiten de koppen van de zgn. „berentandem". Door de platen waren ook de kluisgaten geboord, die van binnen uit in schuine richting van onder naar buiten gingen en, tegen de vernielende werking van den ankerketting, van binnen van een ijzeren voering voorzien waren en aan den voorkant eindigden in eene verdikking, den zgn. „kluisbaard".
Tot achter de bolders was het opboeisel van zwaar hout; dan ging het over in een gewone plank, aan den onderkant met bouten in het gangboord bevestigd, terwijl er een tusschenruimte was gelaten, de „spiegaten", waarlangs het water vanaf het dek naar buiten kon afvloeien.
Door deze samenvoeging van lijsten en platen kreeg het opboeisel aan de buitenzijde eenigszins het aanzien van een muur, die uit steenen van verschillende afmetingen was opgetrokken, en men moet werkelijk het geduld, de vaardigheid en het aanpassingsvermogen van die oude scheepmakers bewonderen, die met de hun ten dienste staande primitieve middelen het schip ik zou haast zeggen „in elkaar heksten". De tegenwoordige scheepmaker bouwt om te beginnen zulke ingewikkelde schepen niet meer, maar als hij dan werkt staan hem machtige machines ten dienste, die het materiaal voor hem afknippen, buigen, draaien, rollen, persen, ponsen in elke gewenschte afmeting en vorm. De vroegere vakman moest het materiaal gebruiken, in de formaten waarin moeder natuur het hem leverde.
Daarmede moest hij dan maken iets, dat nog slechts in zijn verbeelding bestond; die verbeelding moest dan worden omgezet in de maten en teekens, die hij op zijn onbehouwen stukken hout aanbracht en die maten moesten van de verschillende onderdeelen tezamen weer opleveren een geheel, dat door traditie gevormd toch weer een zeer bepaalde gedaante had.
Geen wonder dat de schepen bij de lage loonen van destijds toch nog evenveel kostten als thans. Er was werk aan... maar men had den tijd. De bouwmeester, die een schip op stapel zette was niet zoo gepresseerd, spoedkarweien gingen voor en de schipper wachtte in den regel wel, men had toen nog niet altijd zoo'n geweldige haast.
Een enkel woord moet ik nog wijden aan het achterschip. Hier ontbraken de slapers in den regel, stooten en aanvaringen waren hier niet zoozeer te vreezen. Figuur 42 toont de constructie van leggers en krommers. Tusschen dezen in ligt aan weerskanten een schuin naar terzijden opgaand hout. De bedoeling hiervan zal wel geweest zijn, een verband te bewerken tusschen het vlak of beter gezegd hier de heve, die doorliep tot plm. 20 cm onder de pooten,, en de zijboorden, die hier om den boeg gebogen waren. Het geheel gaf van binnen vlak werk en bespaarde ruimte in de toch 'al niet groote behuizing van de schippersfamilie in het achteronder. De planken der heve, nl. die het naast langs de kielplank lagen, waren in de „Time is Money" zeer breed, onder bij het aanzetten aan de vlakplanken plm. 5o cm, van boven vernauwend tot 46 cm, en boden dus een sterk aanhechtingsvlak. De slapers ontbreken. De constructie wijst mogelijk terug op die van vervlogen tijden, toen de schepen in de boegen minder uitspringend, dus ronder gebouwd werden en de kromhouten daar als draaispanten werden ingezet, dat zijn spanten, die niet meer rechthoekig op de lengte-as van het schip staan, maar met de beplanking die ze vast houden mede draaien.
Terwille van de poorten ontzag men zich niet de daar aanwezige leggers tot meer dan de helft weg te hakken. Men twijfelde er klaarblijkelijk niet aan, dat het nog sterk genoeg was. De poorten waren 24 cm in het vierkant met daarop nog een boogje van 4 cm bocht.
De zeilbalk, dat is de zware balk waar de mastkoker in vast zit, was 15 oude duimen breed, dik 4 duim. Het dek stond in het midden plm. 20 cm hooger dan langs de boorden. De middelste planken zijn dikker dan die ter zijde.
De constructie van den zeilbalk ziet men in Figuur 43. Om hem niet te zeer te verzwakken is hij slechts tot op de helft uitgehold voor het doorlaten van den mastkoker; deze werd verder gesteund door houten klossen c.c. De zeilbalk wordt met zware knieën tegen de boorden vastgehouden. De bovenste armen a.a. liggen tegen de zijden van den zeilbalk; daar tusschen in ligt wat we op het vlak een kalf zouden noemen We hebben nu echter al zooveel naar de boomen gekeken, dat we het bosch uit het oog zouden verliezen. Dus practisch: wat leert ons in het algemeen deze tjalk, die ik nu eens wil beschouwen als het type?
De hoofdafmetingen waren: lang o.a. 19.86 m, breed 4.26 m buitenzijde kromhout, hol 1.74 m van den bovenkant van hèt vlak tot de onderzijde van het dek. Haar lengte was te groot, dat is reeds geconstateerd. Bij deze breedte had ze normaal maar een goede 17 m lang behoeven te zijn; 1/10 hiervan is 1.70 m, dus dan was haar holte ook normaal.
Ik wil hier echter even vastleggen wat ik onder een normale tjalk versta. Men kan met mij dan mogelijk van meening verschillen over dat begrip, maar voor de stelselmatigheid moet ik het hebben.
We gaan ook de verwanten van de tjalk bekijken en kunnen dan nagaan, in hoeverre en waarin zij van de familietrekken afwijken. We zien dan meteen welke mogelijkheden het lijnenstelsel dat de tjalk kenmerkt voor sommige kleinere of grootere afwijkingen biedt, en er wordt dan meteen wat systeem gebracht in de groote verscheidenheid van tjalkvormen, die herleid kunnen worden tot eenige grondvormen.
Subtype Paviljoentjalk
Beschrijving
1. Geschiedenis
Frits Loomeijer schrijft in zijn boek "Met Zeil en Treil":
De paviljoentjalken werden gebouwd in Zuid-Holland en Noordwest-Brabant. Een enkele is in Friesland gebouwd bij Van der Werff aan de Langewijk te Drachten. Op de werven van de familie Boot in Woubrugge, Leiderdorp en Vrijenban werden naast de 'gewone' Hollandse tjalken ook paviljoentjalken gebouwd. Van Suylekom te Raamsdonksveer was een Brabantse werf waar paviljoenschuiten van stapel liepen. Maar de meeste werden gebouwd op de werven rond Dordrecht en aan de Hollandse IJssel. Bekende namen waren ondermeer: Van den Adel te Papendrecht, Van Duyvendijk te Lekkerkerk en Krimpen aan de IJssel, Van Limborg te Lekkerkerk, Prins te Gouderak, Van Vlaardingen tussen Gouderak en Gouda en Snoey te Ouderkerk aan de IJssel. Veel van de opdrachtgevers waren Zeeuwen. In Zeeland zelf was voor zover mij bekend, geen nieuwbouw van ijzeren en stalen tjalken. Wanneer er sprake was van nieuwbouw gingen de Zeeuwen naar Holland. Tweedehands schepen kochten zij uit het hele land. In de Zeeuwse aardappelvloot voeren verscheidene Friese en Groninger tjalken. Andere belangrijke klanten van de Hollandse werven waren de schippers uit de IJsselstreek, de zogenaamde IJsselmannen'. De schepen die voor deze schippers gebouwd werden waren over het algemeen wat kleiner en vooral wat fijner van bouw dan de reeds beschreven paviljoentjalken. Zij werden IJsseltjalk of IJsseljacht genoemd
2. Beschrijving
Frits Loomeijer schrijft in zijn boek "Met Zeil en Treil":
Op de werven in Zuid-Holland en Noordwest-Brabant werden de tjalken gebouwd voor de lokale en de Zeeuwse schippers. Het merendeel van deze schepen waren paviljoentjalken. Zij werden zo genoemd vanwege het verhoogde dek in het achterschip. Het waren schepen zonder roef en de woning bevond zich in het achteronder. Om wat meer ruimte te krijgen werd het achterdek op dezelfde hoogte als de bovenkant van het boeisel gebracht, het potdeksel. Dit verhoogde achterdek noemde men paviljoen. De ingang bevond zich aan de voorkant van het paviljoen aan bakboord. Hier was een schuifluik waaronder zich een trapje bevond. Licht kwam naar binnen via een koekoek onder de helmstok en een raampje of poortje in de huid aan weerskanten van het roer. De vorm van de romp varieerde naar de grootte en naar de werf waarop het schip gebouwd was.
De grotere paviljoentjalken, zo rond de 100 ton, hadden doorgaans het model van de eerder beschreven Hollandse tjalk. Van deze grote schepen zijn er niet veel gebouwd. De meeste paviljoentjalken waren tussen 40 en 80 ton groot. Deze hadden een minder hoekige vorm dan de grotere Hollandse tjalken. Het boeisel was in verhouding breder en viel op het voor- en achterschip meer naar binnen. De helmstok was vanwege het paviljoen langer dan bij de dek- en roeftjalken. De roerganger stond op het dek tussen het paviljoen en de den. Hoewel de ijzeren en stalen paviljoentjalken aanvankelijk nog houten dekken hadden werden deze geleidelijk vervangen door stalen. Het paviljoendek bleef doorgaans van hout.
3. Tuigage
Kenmerken
- De Paviljoentjalk als werkschip
- De Paviljoentjalk als jacht
- Algemene kenmerken
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
Publicaties over de Paviljoentjalk in het Stamboekarchief
Subtype Zuid-Hollandse tjalk
Beschrijving
1. Geschiedenis
2. Beschrijving
Evenals in Friesland en Groningen werden ook in Zuid-Holland tjalken gebouwd. De grote tjalken werden voor de vaart op alle Nederlandse waterwegen gebruikt, terwijl de kleinere voor de meer regionale vaart bestemd waren. In Holland werden, net zoals in Friesland, smalle gangen in voor- en achterschip gebruikt. Toch zijn er duidelijke verschillen in de rompvorm. Het meest in het oog springende kenmerk van de Hollandse tjalk is dat de berghouten voor en achter vrijwel horizontaal naar de stevens toe lopen. Dit betekent dat het grootste deel van de zeeg in de zijkanten zit waardoor het schip een hoekig uiterlijk krijgt.
Ook is een opmerkelijk detail dat het potdeksel in het voorschip verbreed was tot ongeveer twee meter achter de bolders. Onder water zijn Hollandse tjalken vol in de kop en geveegd in de kont. Friese en Groninger tjalken hebben echter meestal een voor- en achterschip dat even sterk geveegd is. De grotere tjalken in de landelijke vaart varieerden tussen 80 en 120 ton.
3. Tuigage
De tuigage was van het gebruikelijke type en bestond uit grootzeil met rechte gaffel, fok en kluiver.
Kenmerken
- De Zuid-Hollandse tjalk als werkschip
- De Zuid-Hollandse tjalk als jacht
- Algemene kenmerken
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
Publicaties over de Zuid-Hollandse tjalk in het Stamboekarchief
SSRP Monografie 26
Subtype Boeiertjalk (-schuit)
Beschrijving
1. Geschiedenis
2. Beschrijving
De boeierschuit of het boeierjacht lijkt een klein, sierlijk tjalkje met een fraaie zeeg en een vallende achtersteven. Het boeisel boven het berghout viel ook opzij naar binnen. Afmetingen: 20 tot 40 ton, rond de 11,8 x 3,7 m. De boeierschuit werd in het noordelijk deel van Zeeland, op de zeegaten van Zuid-Holland en op de Merwede gebruikt als beurtschip, meestal op Rotterdam.
3. Tuigage
Kenmerken
- De Boeiertjalk (-schuit) als werkschip
- De Boeiertjalk (-schuit) als jacht
- Algemene kenmerken
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
Publicaties over de Boeiertjalk (-schuit) in het Stamboekarchief
Subtype Skûtsje
Beschrijving
Het woord skûtsje is een verzamelnaam voor verschillende soorten schepen
Van Oossanen Naval Architects schrijft in één van haar rapporten:
In de 19e en begin 20ste eeuw werden er wedstrijden voor vracht- en beurtschepen georganiseerd, door verschillende zeilverenigingen. Deze wedstrijden hadden twee doelen: ten eerste vermaak en ten tweede konden er, gedurende de magere periode van het jaar prijzen worden gewonnen door de schippers. Om de wedstrijden zo eerlijk mogelijk te maken, werden de schepen onderverdeeld in verschillende klassen naar tonnage, mits er voldoende aanmeldingen waren. In deze periode werden in het Fries de woorden "skíp" en "skûte" twee woorden van gelijke betekenis, door elkaar gebruikt om de verschillende type vracht- en beurtschepen onder een noemer te kunnen vangen. Dit was een benoeming van de toeschouwers. De schippers duidden de schepen wel naar specifieke karakteristieken aan. Voor de kleinste houten vracht- en beurtschepen, tot 18 ton, wat kleinere schepen waren dan de huidige skûtsjes, werd het woord skûtsje gebruikt als verkleinvorm van skûte, of wel "Lytse Skûte". Deze begrippen zijn gebruikelijk voor tjalken en tjalkachtigen.
De woorden "skip" en "skûte" werden door het volk gebruikt ongeacht het type lading die werd vervoerd. Elke skûte werd echter wel gebouwd voor een specifiek doel en vaargebied. Hierbij speelde de smaak en de herkomst van de schipper ook een belangrijke rol. Elke skûte had kenmerken afhankelijk van de bouwer, streek, vakmanschap, smaak en trend. In de basis hebben al deze schepen echter gemeenschappelijke kenmerken waardoor zij allen vallen onder de tjalkachtigen: Ronde kop en kont, een kromme voorsteven en rechte achtersteven met aangehangen roer, afgeronde kimmen, ronde bodem of plat vlak en op het boord staande, enigszins naar binnen vallend boeisel. Eind 19e begin 20ste eeuw werden de houten schepen vervangen door ijzeren. Met dit materiaal was het mogelijk om langere schepen te bouwen. Omdat de breedte en de holte van het schip waren beperkt door de breedte van de sluizen en de hoogte van de bruggen, groeiden de schepen alleen in de lengte. De aanduiding "skûtsje" bleef echter voor deze schepen in gebruik. Zij deden immers allen mee aan het skûtsjesilen. Deze aspecten brengen ons tot de hedendaagse aanduiding van "skûtsjes" voor een bepaald schip. Het woord "skûtsje" is een verzamelnaam voor verschillende soorten schepen.
1. Geschiedenis
Skûtsje is de oorspronkelijke Friese benaming voor een tjalkachtig schip bestemd voor de vrachtvaart onder zeil, met name gebouwd in Fryslân voor de noordelijke binnenwateren. Oorspronkelijk was het de benaming voor een veerscheepje van ± 12 meter lengte en een draagvermogen van acht tot achttien ton. Deze skûtsjes onderhielden meestal een vaste dienst tussen een dorp van herkomst en een bepaalde stad of een aantal steden waar een belangrijke markt was, zoals in Leeuwarden, Sneek en Bolsward.
Deze vroegere skûtsjes verschilden op een aantal belangrijke punten van de onze. Ze hadden een ronde luikenkap in plaats van de tegenwoordige platte, ze hadden een stuurkuip (bollestâl) in plaats van 'ons' vaste achterdek en tenslotte hadden ze een zgn. vissermansroer: de helmstok viel over de kop van het roer en die kop stak boven de achtersteven uit. Het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen bezit nog het oude beurtschip 'Hoop op Zegen' van it Heidenskip dat in 1904 bij Wildschut in Gaastmeer is gebouwd voor Wiebe de Jong. Het is ook bekend als 'it Blommeskip'.
Het Friese skûtsje werd rond 1855-1860, eerst in hout, ontwikkeld. Van dit scheepstype zijn er tussen 1889 en 1933 rond 870 'ijzeren' exemplaren gebouwd. Er zeilen nog rond negentig van deze historische schepen in wedstrijden. Houten skûtsjes zijn helaas allemaal verdwenen. Zelfs in musea is geen enkel exemplaar bewaard gebleven.
Wel zijn er nog een paar unieke foto's uit 1948 van één van de laatste houten skûtsjes. Foto's van het skûtsje 'De Jonge Simon'- Meetnummer S110N, in 1901 eigendom van F. de Boer in Balk, in 1949 gesloopt in Broek bij Joure. Siebe Jan Bouma, de toenmalige directeur van het Zuiderzeemuseum, heeft de foto's gemaakt. Hij zag toen geen heil in restauratie en behoud.
2. Beschrijving
Skûtsje is de oorspronkelijke Friese benaming voor een tjalkachtig schip bestemd voor de vrachtvaart onder zeil. Ze werden met name gebouwd in Friesland voor de vaart op de noordelijke binnenwateren. Aanvankelijk was het vooral de benaming voor een veerscheepje van zo'n 10 tot 14 meter en een laadvermogen van 10 tot 20 ton. Deze skûtsjes onderhielden meestal een vaste dienst tussen een dorp van herkomst en een bepaalde stad of een aantal steden waar een belangrijke markt was. Deze vroegere skûtsjes verschilden op een aantal belangrijke punten van de huidige. Ze hadden een ronde luikenkap in plaats van de tegenwoordige platte, ze hadden een stuurkuip (bollestâl), een zgn. visserman roer waarbij de helmstok over de kop van het roer viel en die kop stak boven de achtersteven uit.
Na 1900 werden de skûtsjes langer, ze konden dus meer vracht meenemen (dit varieerde van zo'n 15 tot 35 ton), maar wat veel belangrijker was: ze werden voorzien van een vast achterdek, een gewoon tjalkenroer en een platte luikenkap. Zo was het huidige 'nieuwe' skûtsje geboren. De naam werd nu algemeen gebruikt voor grotere schepen, tot ongeveer 55 ton, rond 20 meter lengte en 4 meter breedte. De holte werd beperkt, tot maximaal 1,28 m.
Een skûtsje behoort tot de grote familie van de tjalken. Het heeft een plat breed vlak, ronde kimmen, breed berghout dat uitloopt in robuuste stuiten op de ronde kop en kont, gebogen voorsteven, rechte achtersteven en een vloeiende zeeg. Het boord valt enigszins naar binnen. Ten opzichte van de tjalken is een skûtsje relatief gezien langer en smaller. Bovendien lijkt bij een skûtsje het dak van de roef eigenlijk meer een verhoging van de luikenkap dan dat deze roef een bouwsel op zichzelf is, zoals bij een tjalk.
Skûtsjes zijn in de jaren 1889-1933 in zgn. staalijzer gebouwd voor de beurt- en vrachtvaart op vaarten, kanalen en op de grote meren in de Zuidwesthoek. Maar ook op de Zuiderzee werd er mee gevaren. Na 1950 is een groot aantal tot jacht verbouwd door de luikenkap te vervangen door een kajuitopbouw.
3. Tuigage
Kenmerken
- Het Skûtsje als werkschip
- Het Skûtsje als jacht
- Algemene kenmerken
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
Publicaties over het Skûtsje in het Stamboekarchief
De ijzeren-skûtsjewerven in Friesland
Boominq Business - Spiegel der Zeilvaart februari 2015 nummer 1
Het Skûtsje - een korte inleiding
Jelmer Kuipers schrijft:
De bouw van ijzeren skûtsjes kwam in Friesland maar aarzelend op gang. De Groningers hadden al een voorsprong van tien jaar op de Friezen. Bijvoorbeeld het schip 'De Rot' is in 1887 door scheepsbouwer Jacob Mulder in Vierverlaten voor twee Rottevalster kasteleins gebouwd. Het is van het type 'beurtscheepje', dat grote gelijkenis vertoont met houten voorgangers. Op de vraag of er wel eens twee identieke skûtsjes zijn gebouwd is het antwoord: nee. Wel werden meerdere skûtsjes naar eenzelfde lijnenplan gebouwd, maar in uitvoering verschilden ze soms toch aanmerkelijk. In het staatje hieronder zien we een overzichtje van 8 skûtsjes, waarvan de afmetingen dichtbij elkaar liggen, zeker bij de eerste drie genoemde schepen. Mochten de afmetingen praktisch hetzelfde zijn, dan verschillen ze toch in tonnage.
Na 1900 werden de 'kleine en oude' skûtsjes langer, ze konden dus meer vracht meenemen (dit varieerde van zo'n 15 tot 35 ton), maar wat veel belangrijker was: ze werden voorzien van een vast achterdek, een gewoon tjalkenroer en een platte luikenkap. Zo was het huidige 'nieuwe' skûtsje geboren. De naam werd nu algemeen gebruikt voor grotere schepen, tot ongeveer 55 ton, rond 20 meter lengte en 4 meter breedte. De holte werd beperkt, tot maximaal 1,28 m.
Skûtsjes zijn in de jaren 1889-1933 in zgn. staalijzer gebouwd voor de beurt- en vrachtvaart op vaarten, kanalen en op de grote meren in de Zuidwesthoek. Maar ook op de Zuiderzee werd er mee gevaren. Na 1950 is een groot aantal tot jacht verbouwd door de luikenkap te vervangen door een kajuitopbouw.
Ruim duizend Friese skûtsjes zijn tussen 1887 en 1933 geregistreerd. Maar het eerste skûtsje is in Vierverlaten bij Hoogkerk gebouwd voor Rottevalle. Het vaart nog steeds als De Rot, zo staat te lezen in Wan Ambulant tot Zwaluw, het nieuwste skûtsjeboek.
De Rot is in 1887 door scheepsbouwer Jacob Mulder in Vierverlaten voor twee Rottevalster kasteleins gebouwd. Het is van het type 'beurtscheepje', dat grote gelijkenis vertoont met houten voorgangers. Die werden `kofke' genoemd, omdat ze ongeveer de vorm van een kofscheepje hebben.
Het schip werd door een van de redacteuren van het nieuwe boek, Jelmer Kuipers, ontdekt in Zwartsluis. Het is eigendom van R. de Haan uit Spaarndam. Het is extra bijzonder omdat Jacob Mulder een gewaardeerd leermeester was van de eerste generatie Friese scheepsbouwers in ijzer. Bijna dertig hellingbazen in Friesland hebben deze schepen gebouwd. Hier is dus een van de belangrijke momenten in de ontwikkeling van het Friese skûtsje en de Friese scheepsbouw blootgelegd.
Slechts 7 van de ruim 30 werven die skûtsjes bouwden hebben kunnen overleven. Een paar zijn doorgegroeid. Ze bouwen en onderhouden nu grote binnenvaartschepen. Barkmeijer Stroobos heeft zich doorontwikkeld en bouwt zeeschepen evenals in zekere zin Bijlsma Wartena, nu in Lemmer. Andere zijn met de bouw van pleziervaartuigen doorgegaan, soms in combinatie met het exploiteren van een jachthaven en soms een huurvloot. Sommige probeerden het nog als staalconstructiebedrijf en hielden het zo nog enige tijd vol, maar werden in de slechte jaren tussen 1920 en 1940 opgeheven. Vier werven zijn, soms met een omweg, teruggekeerd naar de houtbouw. Zo kwam er een einde aan een korte, maar roemruchte periode van Friese skûtsjebouw.
In 1889 bouwde Berend Barkmeijer uit Briltil (Gr.) voor zijn zonen Gerrit en Jan een nieuwe ijzerwerf in Sneek. Zij bleven de eerste zes jaren de enige ijzeren Skûtsjebouwers in Friesland. Scheepsbouwer J. Mulder te Vierverlaten in Groningen bouwde ook voor Friese rekening. Tot het jaar 1900 volgden er 9 Friese houtwerven die overschakelden op ijzer. Tussen 1901 en 1910 kwamen er nog eens 13 bij en tot 1915 nog 7 stuks. In 1915 waren er in Friesland in totaal 105 scheepswerven, waarvan zo'n 30 in ijzer. Bijna de helft van de houtwerven waren kleine één of tweemans bedrijfjes. Niet van alle ijzerwerven in Friesland is met zekerheid bekend of daar inderdaad skûtsjes zijn gebouwd. Een paar van deze werven zijn: Van Manen in Berlikum, Zwolsman in Workum, Jan Barkmeijer in Birdaard en D. Boomsma in Sneek.
In het algemeen waren het de (oudste) zonen die de aanzet gaven tot de omschakeling. Zij waren het ook die zich bekwaamden in het theoretische gedeelte, het rekenen en tekenen. Veelal leerden ze dit op Groninger werven. Ze leerden daar ook de praktische kant van het werk. Enkele jongens uit de buurt van Franeker kregen les van dhr. Alta, directeur van de Harlinger werf "Welgelegen", waar overigens geen skûtsjes zijn gebouwd. Ook kwam het voor dat "nomadische" ijzerwerkers hun diensten aanboden op de werven. Zij brachten zo hun praktische vaardigheden over op de Friese werfmedewerkers. In de beginjaren waren dit mannen van Groninger afkomst.
De bouwperiode van de ijzeren skûtsjes in Friesland viel tussen 1889 en 1931. Vanaf 1897 t/m 1901 werden per jaar gemiddeld 5 skûtsjes in de hele provincie gebouwd. Daarna, t/m 1914, is de productie gemiddeld 36 schepen per jaar, met als uitschieters de topjaren 1907 t/m 1910 met respectievelijk 51, 54, 40 en 48 schepen. In 1905 bouwden alleen de Gebroeders Barkmeijer te Sneek al 12 skûtsjes en in 1907 zelfs 15 stuks. Alle werven hadden voldoende werk, maar dat werd snel anders. Na 1910 werd het aantal werven snel kleiner; er waren er toen nog 17 over. In 1915 waren er zelfs nog maar 7 skûtsje bouwende werven. De laatste was J.O. van der Werff aan het Bûtenstvallaat te Drachten. Hier ging men door tot 1931 met in de laatste jaren nog 2 skûtsjes per jaar. Molle van der Werf van Sneek vertelde me eens dat het bouwen van een `casco' 4 tot 6 weken duurde, naargelang het aantal mensen dat er aan werkte. Het casco werd te water gelaten en daar werd het afgetimmerd en getuigd.
Met geveegde kont - hoofdstuk 6: Schepen, schuiten en skûtsjes

Pieter Brouwer was in 1904 als vierde kind geboren op de 29 ton metende 'Jonge Jan'. Hij voer als knechtje bij zijn ooms Tjitte Brouwer en Jan Bergsma op ijzeren roefschepen. Heit en mem hielp hij tussendoor een tijdje op het grote tjalkschip 'Hoop doet Leven'. Als negentienjarige werd hij voor zeven gulden per week met kost en bewassing uitbesteed op de IJsselaak van Engert Lienes in Witmarsum, waar hij nuttige dingen als biljarten en kaatsen leerde, maar in een heel jaar drie dubbeltjes overhield. Al die verschillende vaartuigen noemde Pieter zestig jaar later in zijn memoires 'skip'. Alleen de 35-tons boltjalk 'Rust na Arbeid', die zijn vader in 1925 liet bouwen, heette 'bolle'. In de strakke bevelvoering was 'skip' en 'bolle' sneller uitgesproken dan 'Hoop doet Leven' en 'Rust na Arbeid'. 'Skûtsjes' komen bij Pieter pas ter sprake bij het hardzeilen of 'skûtsjesilen'. De schippersdochter Anna Boonstra (*1917 te Blije) schreef in haar levensverhaal het woord skûtsje wel onbekommerd op. Dat ze het op haar tachtigste schreef, kan voor het vervolg van belang zijn.
Schrijvend schipper Tjipke Postma gebruikte skûtsje en skip in de jaren dertig door elkaar.
6.1 'Skûtsje is fout'
Volgens de redactie van de in 1972 verschenen Maritieme Encyclopedie was een skûtsje een tjalkscheepje met een lengte van ca. 12 meter en een draagvermogen van 8 tot 18 ton. Dit 'werd gebruikt voor het vervoeren van alle soorten vracht. Zo sprak men van beurtschepen, potschepen, bloemschepen enz.' Schoolmeesterig wordt hieraan toegevoegd: 'Het tegenwoordige skûtsjesilen is eigenlijk geen wedstrijd van skûtsjes (..)'. De redactie van 'Schepen die blijven', een uitgave van de Landelijke Vereniging tot Behoud van het Historisch Bedrijfsvaartuig, sloot zich hier in 1999 bij aan. 'De eigenlijke skûtsjes, met een lengte van om en nabij de 12 meter, maten zo'n 10 tot 20 ton.'
Beide bronnen baseren zich kennelijk op Mr. dr. T Huitema's Ronde en platbodemjachten (eerste druk 1962). Maar het wringt dat de papieren precisie van de moderne tijd dwingend wordt opgelegd aan een cultuur zonder handboeken. Bovendien kwam je met een lengte van 12 meter bij houten schepen met een roef niet gauw op een laadvermogen van 20 ton. Pot- en bloemschepen in één lijstje met beurtschepen? In het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek staan modellen van oude kofachtige beurtscheepjes, in het Zuiderzeemuseum ligt het potschip van de Nijlander Eisma met open stuurkuip of 'bollestâl'. Dat zijn geen schepen van hetzelfde type.
Het andere uiterste is om alles maar goed te vinden. De 'Encyclopedie van Friesland' rekende in 1958 schepen van 20 tot 60(!) ton draagvermogen tot de skûtsjes. Die 60 ton staat ook in het SKS-jubileumboek uit 1995. Aan het jaarlijkse skûtsjesilen van de Sintrale Kommisje Skûtsjesilen (SKS) deed tot in 1962 wel de 54 ton metende 'Hoop doet Leven' van Jan Brouwer mee, en tot 1948 de bolle 'Rust na Arbeid' van Willem Brouwer.
De beide skûtsje-organisaties SKS en IFKS hebben jaren met het definitieprobleem geworsteld. Vijftig ton is wel zo ongeveer hun grens. De toegestane 'lengte over alles' is bij de SKS wat scherper gesteld dan bij de jongere IFKS (minder dan 20 meter). De breedte moet bij beide organisaties binnen de vier meter blijven.
Deze beperkingen zijn min of meer willekeurig bepaald aan de hand van wat zich in de praktijk aandiende. In de jaren vijftig werden boltjalken nog probleemloos ingeschreven. Ook schepen van meer dan vijftig ton deden en doen aan de wedstrijden mee. Maar ze geven wel geregeld aanleiding tot het commentaar: 'Dit binne eins gjin skûtsjes'. Vooral wijlen Siete Meeter, bij leven schipper van het Bolswarder skátsje, was strikt in deze dingen. Voor hem lag de grens tussen een schip en een skûtsje in de maten van de Oudebildtdijkstervaart besloten. In de Wegwijzer voor de Binnenscheepvaart uit 1930 was daar een maximum van dertig ton aangegeven. Alles wat groter was, moest volgens deze onvergetelijke Meeter 'skûte' of 'tsjalk' genoemd worden. Het had geen recht op de verkleiningsuitgang. Grasduinend in oudere Friese publicaties over schepen en het schippersleven heb ik voor 1900 tevergeefs gezocht om de benaming skûtsje voor ijzeren schepen. In het houten tijdperk dook het woord pas op in 1869, in een aantekening van de Grouster theoloog en taal- en volkskundige Joost Hiddes Halbertsma.
6.2 Skûte en schuit
Wiebe Venema (1875-1935) groeide als schipperskind op in De Knipe. 'Mijn ouders en voorouders waren modder- en mestschippers in Friesland', schrijft hij. Take voer vroeger, toen het spoor er nog niet was, vanuit Heerenveen met koeien naar Sneek en Leeuwarden. Dat was soms een zwaar leven, want weer of geen weer, ze moesten op tijd varen. (...) Zoals pake mij wel eens verteld heeft, had hij als jongen altijd op schuiten (schûten) gevaren met turf en koeien op Amsterdam.'
Venema maakte onderscheid tussen het zestien ton metende 'turfskip' van zijn ouders en de zeewaardige 'schûte' waar zijn pake als 'jongkeardel' op had gevaren. Over net zo'n 'schoete' schreef Korreles Harkes Landmeeter. Ook dat was een redelijk zeewaardig schip, dat met fok en kluiver was getuigd.*
Een 'skilte' was kennelijk een tjalkschip van vijftig tot tachtig ton, zoals ze in het begin van de negentiende eeuw bij honderden tussen Fryslán en Holland voeren. Dit type werd in kranten en notariële akten in de achttiende en begin negentiende eeuw `hekschuite' of `schuite' genoemd. In provinciale overzichten van de Friese scheepsbouwproductie wordt het niet apart genoemd. Wel werd naast kofschepen, snikkeschepen, pramen en boten melding gemaakt van 'tjalken'. De grote, van 40 ton of meer, waren de zeewaardige hek-tjalken. Maar er werden ook middelgrote tjalken gebouwd van rond de 20 ton, en kleine van tien ton.
'Schuiten', wat toch de letterlijke vertaling van skûten is, vindt men in de Friese provinciale verslagen uit de negentiende eeuw alleen als 'visschuit' of 'trekschuit'. Toch werden in de negentiende eeuw in Koninklijke Besluiten schuiten naast schepen en boten genoemd. Het begrip duidde een apart type aan dat buiten de categorie 'schepen' viel; de trek- en veerschuiten vielen hieronder.
Schipper en hellingbaas hadden belang bij precieze aanduidingen als ze overeenkomsten sloten. In Fryslân stelden ze in het Fries gemaakte afspraken in hun beste Nederlands op schrift, of ze pasten zich aan bij gangbare benamingen. De 'omtaling' verliep soms moeizaam. Het Fries schemert door de Nederlandse teksten van het midden van de negentiende eeuw in de werfboeken. 'Ripperasie' , 'notisje van scheepen', 'spikkers', 'pik', 'sweerden', 'een got in mostbank', 'rieswaarings', 'knies', 'met lukken en romboom', en, bij het verduidelijken van de identiteit van ene Van Berkum uit Workum: 'Poedekont'. En in bestekken van Eeltje Holtrop van der Zee werd 'helmhout' opgeschreven als 'hellenhout'.
In die gebrekkige tweetaligheid begrijpen we de samenstellingen 'schuiteschip' en, later, 'schuitscheepje', wat al heel dicht tegen schuitje of skûtsje aan zit. De Drachtster beurtvaarder en hardzeiler Rein Greelts Zijlstra bood in 1833 zo'n 'schuiteschip' uit de hand te koop aan 'met zeil en treil en touwwerk'. Het was 15 el en 6 palm lang (volgens de oude betekenis van deze maten 11,688 m., volgens de nieuwe 15,60 meter).
Waardoor onderscheidde dit schuiteschip zich van kof en tjalkschepen? Van Dale omschrijft schuit in zijn jongste editie als 'betrekkelijk klein, eenvoudig gebouwd vaartuig, m.n. voor de binnenwateren en meest voor vervoer van massagoederen.' Als synoniem wordt 'praam' gegeven. Het Friese equivalent skûte komt volgens de Fryske Akademy pas in een geschrift uit 1829 voor het eerst voor. Dit is niet verwonderlijk, want er werd in de eeuwen daarvoor erg weinig Fries meer geschreven. De voor het Grut Frysk Wurdboek gegeven betekenis 'tjalkachtig schip' is wel heel algemeen, maar daarom misschien wel de meest juiste, al had er wel 'groot' bij mogen staan.
Dat het Friese skûte veel oudere papieren heeft, blijkt uit veel samenstellingen. Het 'skûte-hûs' was de bouwloods op de scheepshelling, de werkplaats waar schepen onder dak werden gemaakt. In archieven komt al vroeg in de achttiende eeuw 'schuythuys' voor. Zo'n 'skûtehûs' was wat anders dan een 'skiphûs', waar jachten in worden (en werden) gevaren om ze tegen regen en zon te beschermen.
Volgens Postma werd de kinderen in de oude tijd wijsgemaakt dat zij door 'de skûteboer' waren gebracht. Deze mythische figuur is met ooievaar, bloemkool of 'poppestien' (Burgum) te vergelijken. De benaming 'skûteboer' voor schipper vond Postma verkeerd, want 'in boer op in skûte is net op syn plak'. Met die opmerking bewees hij dat voor hem de negentiende eeuw voltooid verleden tijd was.
'Skûteboer' of 'schuiteboer' was geen raar woord. Het kwam in 1811 als geslachtsnaam in de burgerlijke stand. Na de Tweede Wereldoorlog stonden er nog negen personen met deze naam in de bevolkingsregisters van drie Friese gemeenten ingeschreven. Dat was wel minder frequent maar eigenlijk niks vreemder dan Barkmeijer, de scheepsbouwers familie die we nog zullen tegenkomen. Ter nagedachtenis aan deze vaklieden heeft K. van der SCHUIT in 2000 een jubileumboek geschreven.
Scheepsbouwers noemden zich van oudsher 'skûtmakkers', in Nederlandstalige geschriften schuitmakers of schuite(n)makers. In de quotisatielijsten uit 1749, die de grondslag vormden voor de belastingheffing, werden tientallen 'meester schuitemakers' genoemd. Die benaming heeft zeer oude papieren.
In het duizelingwekkend overzicht 'De Friese Scheepsbouwers' van Sicco van Albada zien we in 1511 in Bolsward de 'scutemaker' Laes. Reyn was hier in 1539 'scutmaker', Albert werd in datzelfde jaar als 'schuytmaker' aangeduid. Het Nederduits van de nieuwe Saksische heersers streek als het ware over het oude Fries heen. Voor de zestiende eeuw halverwege was, heetten deze gildemeesters overal in dit gewest (Meester) Schuyt- of Schuitmaker. Die beroepsaanduiding werd in de zeventiende eeuw overvleugeld door (Mr.) 'scheepstimmerman', hoewel de 'schuitmakers' tot laat in de achttiende eeuw in archiefstukken vermeld werden.
Sommige van deze nijvere ambachtslieden heetten 'Schuitema', Schuitemaker' of 'Schuitmaker'. (In Echtenerbrug verdroogde dat geslacht tot een meubelmakers familie, die zich met enig succes in kerkbanken specialiseerde). Schippersfamilies stonden als 'Van der Schuit' ingeschreven.
6.4 Een verkleinwoord
Met de groei van de binnenvaart in de achttiende en negentiende eeuw werden voor ondiep binnenwater vele soorten kleine schepen gebouwd, die hun grotere evenknie op open zee hadden. Er waren tjalken van tien en van tachtig ton, pramen van zes en van veertig. Eeltsje Teerdzes Holtrop bouwde een 'kofke' om te 'vaaren in de bueert van Egten op Sneek met aneks aller' (varen in de beurt ... annex alles) voor 750 (gulden).'
Ook bij andere hellingbazen vinden we verscheidene 'kofkes' of 'kofkjens'. Er waren gespecialiseerde 'praamkemakers', de betere vaklieden bouwden fraaie 'boeierkes' en de nederigste producten van een werf waren 'bootjes'. Het ligt voor de hand dat de verkleiningen tsjalkje en kofke zich doorzetten in skûtsje bij schepen die vooral snel waren en geleken op de zeewaardige skûte.
Maar het verkleinwoord was in 1860 voor een moddervaarder op binnenwater geen positieve aanduiding meer, ook omdat dieper vaarwater het gebruik van grotere binnenschepen mogelijk maakte. In het begin van deze overgang op zwaarder vervoer twijfelden scheepsbouwers nog tussen 'praam', 'schuit', 'schuiteschip', 'schip' en 'tjalkschip' voor schepen van vergelijkbaar bestek, terwijl Haike Pieters van der Werff in Drachten de aanduiding 'schuitje' gebruikte voor een flink, 1.20 meter diep binnenschip.
Een praam was zo'n compleet vaartuig met opboeisel niet. Met tjalken was het gezien de geringere holte en gestrekter uitvoering met boorden niet goed te vergelijken. Omdat het een mengvorm van tjalkschip, schuiteschip en praamschip was, zullen schippers en bouwers voor het nieuwe type goed zeilende dekschepen teruggevallen zijn op het aloude 'skip'. Dit woord kwam al in het oud-Fries, oud-Saksisch, oud-Noors en gothisch voor en verwijst mogelijk naar het uithollen (skibit) van een boomstam.
Maar per streek bleven er verschillen. In Earnewâld, waar vissers en rietsnijders de ondiepe en nauwe wateren met kleine pramen, aken en boten bevoeren, had skûte de betekenis van groter schip voor de binnenvaart. Onder die aanduiding nodigde de zeilvereniging 'Eendracht maakt Macht' ze in 1871 uit om mee te doen aan wedstrijden. In 1874 werd daarbij vermeld 'met uitzondering van boterschepen', waaruit blijkt dat ook kleine scheepjes in deze omgeving tot de skáten werden gerekend.
Bootjesmensen van het kleine water hadden nu eenmaal een andere beleving van klein en groot dan Harlingers, Lemsters, Workumers en Makkumers, die dagelijks met zeevaarders te maken hadden.
De ijzerbouw, een volgende slag in de vernieuwing, deed zich vanaf het midden van de jaren 1880 voor. In een jaar of dertig werden deze vaartuigen ongeveer zo groot als de skûten van Venema en Landmeeter. Ze verdienden de stoere benaming roefschip ter onderscheiding van de 'dekskippen'. Toen degradeerden ze, door de opkomst van grotere klippers en motorschepen, op hun beurt naar de klasse der kleinere schepen. Alles is immers betrekkelijk. Het schip dat schipperskinderen in 1880 als groot ervoeren, was in 1925 klein geworden. Want: 'der farre no wol grutte skûten fan fier oer de 100 tûne', schreef Postma in 1935.
De hardzeilwedstrijden waren sindsdien ook geen normale data meer op de evenementenkalender, maar min of meer kunstmatig in stand gehouden attracties met een hoog nostalgiegehalte. Dat vond zijn bekroning met de vorming van een speciale Grouster `skûtsjekommisje' in het crisisjaar 1929. Aan die antieke naamgeving zal de invloed van de Frysksinnige en historisch belangstellende Grousters als dokter Schouwstra en master De Jong niet vreemd zijn geweest. Vanaf dat jaar schoof het nieuwe woord skûtsjesilen over de traditie heen.
Tegenwoordig bepalen organisaties en commerciële charterbedrijven in reglement en reclamefolder de definities. Skûtsjes zijn schepen die door de SKS en de IFKS voor hun competities worden geaccepteerd, of door de eigenaar zo worden genoemd. Skûten bestaan in het spraakgebruik niet meer. Alleen in een nostalgische bui zal iemand met Fries-puristische aanvechtingen het oude woord nog in de mond nemen.
Troch de Wyn - Skûtsjes: de vraag wat een skûtsje is en vele andere vragen komen aan de orde in deze 'skûtsjebijbel'

Nog steeds strijden zo’n tachtig Friese skûtsjes om de hoogste eer bij SKS en IFKS. Prachtig ontworpen binnenschepen zijn het, speciaal gebouwd voor de Friese wateren. Tot de Tweede Wereldoorlog beheersten deze schepen het transport op klein water. Aan boord voeren schippersfamilies, die betere tijden gekend hadden, maar ook een diepe crisis hadden overleefd. Over die mensen, de schepen, de bouwers en de wateren waar de skûtsjes voeren gaat dit prachtige, kloeke naslagwerk. De kundigste auteurs hebben eraan meegewerkt. En het boek staat vol prachtige, unieke foto’s.
De eer staat op het spel, niet meer en niet minder. Achter de spectaculaire sport ligt het boeiende verhaal van duizend Friese bedrijfsschepen. Schippers, hun families, de lading, het vaargebied en de bouwers: er is veel over te vertellen. Het boek ‘Troch de Wyn’ (‘door de wind’, ‘overstag’) bevat die verhalen en duizenden illustraties. Ook de jongste geschiedenis van het skûtsjesilen is op de 576 pagina’s beschreven.
Van Ambulant tot Zwaluw - De basisgegevens van circa 870 unieke Friese Skûtsjes, gebouwd tussen 1900 en 1932

In 2007 verscheen Van Ambulant tot Zwaluw bij uitgeverij PENN in Leeuwarden. In dit boek zijn van circa 870 unieke Friese skûtsjes, gebouwd tussen 1900 en 1932, de basisgegevens verzameld. Gegevens over de werf waar het schip gebouwd werd, de opdrachtgevers van de metingen en de belangrijkste maten, afkomstig uit de officiële meetliggers, zijn daarin te raadplegen. Talloze mensen zijn op zoek naar informatie over een specifiek schip, zoals mensen die familieonderzoek doen of die een schip hebben gekocht. De archieven van de Scheepsmetingsdienst zijn een belangrijk aanknopingspunt. Daarin is te vinden wie de eigenaar was, waar het schip is gebouwd en in welk jaar. Dat biedt aanknopingspunten voor verder onderzoek in bijvoorbeeld notariële archieven. Het archief van de Scheepsmetingsdienst is echter beperkt toegankelijk. Wat betreft de 'Friese skutsjes' is daar nu verandering in gekomen.
De 'Stichting Foar de Neiteam' heeft de gegevens van alle ijzeren 'roefschepen' - zoals ze door de dienst worden aangeduid - die in Sneek, Leeuwarden en Groningen zijn geregistreerd, overgenomen. Vervolgens zijn deze gegevens ontsloten door middel van een index op opdrachtgever en scheepswerf. Aan de lijsten met gegevens gaat een toelichting vooraf waarin onder andere de functie van het meten wordt uitgelegd, hoe schepen aan hun naam komen en een overzicht van scheepswerven. Een praktische bronnenuitgave voor mensen met interesse voor Friese skûtsjes uit het eerste kwart van de twintigste eeuw.







