Subtype Skûtsje
Beschrijving
Het woord skûtsje is een verzamelnaam voor verschillende soorten schepen
Van Oossanen Naval Architects schrijft in één van haar rapporten:
In de 19e en begin 20ste eeuw werden er wedstrijden voor vracht- en beurtschepen georganiseerd, door verschillende zeilverenigingen. Deze wedstrijden hadden twee doelen: ten eerste vermaak en ten tweede konden er, gedurende de magere periode van het jaar prijzen worden gewonnen door de schippers. Om de wedstrijden zo eerlijk mogelijk te maken, werden de schepen onderverdeeld in verschillende klassen naar tonnage, mits er voldoende aanmeldingen waren. In deze periode werden in het Fries de woorden "skíp" en "skûte" twee woorden van gelijke betekenis, door elkaar gebruikt om de verschillende type vracht- en beurtschepen onder een noemer te kunnen vangen. Dit was een benoeming van de toeschouwers. De schippers duidden de schepen wel naar specifieke karakteristieken aan. Voor de kleinste houten vracht- en beurtschepen, tot 18 ton, wat kleinere schepen waren dan de huidige skûtsjes, werd het woord skûtsje gebruikt als verkleinvorm van skûte, of wel "Lytse Skûte". Deze begrippen zijn gebruikelijk voor tjalken en tjalkachtigen.
De woorden "skip" en "skûte" werden door het volk gebruikt ongeacht het type lading die werd vervoerd. Elke skûte werd echter wel gebouwd voor een specifiek doel en vaargebied. Hierbij speelde de smaak en de herkomst van de schipper ook een belangrijke rol. Elke skûte had kenmerken afhankelijk van de bouwer, streek, vakmanschap, smaak en trend. In de basis hebben al deze schepen echter gemeenschappelijke kenmerken waardoor zij allen vallen onder de tjalkachtigen: Ronde kop en kont, een kromme voorsteven en rechte achtersteven met aangehangen roer, afgeronde kimmen, ronde bodem of plat vlak en op het boord staande, enigszins naar binnen vallend boeisel. Eind 19e begin 20ste eeuw werden de houten schepen vervangen door ijzeren. Met dit materiaal was het mogelijk om langere schepen te bouwen. Omdat de breedte en de holte van het schip waren beperkt door de breedte van de sluizen en de hoogte van de bruggen, groeiden de schepen alleen in de lengte. De aanduiding "skûtsje" bleef echter voor deze schepen in gebruik. Zij deden immers allen mee aan het skûtsjesilen. Deze aspecten brengen ons tot de hedendaagse aanduiding van "skûtsjes" voor een bepaald schip. Het woord "skûtsje" is een verzamelnaam voor verschillende soorten schepen.
1. Geschiedenis
Skûtsje is de oorspronkelijke Friese benaming voor een tjalkachtig schip bestemd voor de vrachtvaart onder zeil, met name gebouwd in Fryslân voor de noordelijke binnenwateren. Oorspronkelijk was het de benaming voor een veerscheepje van ± 12 meter lengte en een draagvermogen van acht tot achttien ton. Deze skûtsjes onderhielden meestal een vaste dienst tussen een dorp van herkomst en een bepaalde stad of een aantal steden waar een belangrijke markt was, zoals in Leeuwarden, Sneek en Bolsward.
Deze vroegere skûtsjes verschilden op een aantal belangrijke punten van de onze. Ze hadden een ronde luikenkap in plaats van de tegenwoordige platte, ze hadden een stuurkuip (bollestâl) in plaats van 'ons' vaste achterdek en tenslotte hadden ze een zgn. vissermansroer: de helmstok viel over de kop van het roer en die kop stak boven de achtersteven uit. Het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen bezit nog het oude beurtschip 'Hoop op Zegen' van it Heidenskip dat in 1904 bij Wildschut in Gaastmeer is gebouwd voor Wiebe de Jong. Het is ook bekend als 'it Blommeskip'.
Het Friese skûtsje werd rond 1855-1860, eerst in hout, ontwikkeld. Van dit scheepstype zijn er tussen 1889 en 1933 rond 870 'ijzeren' exemplaren gebouwd. Er zeilen nog rond negentig van deze historische schepen in wedstrijden. Houten skûtsjes zijn helaas allemaal verdwenen. Zelfs in musea is geen enkel exemplaar bewaard gebleven.
Wel zijn er nog een paar unieke foto's uit 1948 van één van de laatste houten skûtsjes. Foto's van het skûtsje 'De Jonge Simon'- Meetnummer S110N, in 1901 eigendom van F. de Boer in Balk, in 1949 gesloopt in Broek bij Joure. Siebe Jan Bouma, de toenmalige directeur van het Zuiderzeemuseum, heeft de foto's gemaakt. Hij zag toen geen heil in restauratie en behoud.
2. Beschrijving
Skûtsje is de oorspronkelijke Friese benaming voor een tjalkachtig schip bestemd voor de vrachtvaart onder zeil. Ze werden met name gebouwd in Friesland voor de vaart op de noordelijke binnenwateren. Aanvankelijk was het vooral de benaming voor een veerscheepje van zo'n 10 tot 14 meter en een laadvermogen van 10 tot 20 ton. Deze skûtsjes onderhielden meestal een vaste dienst tussen een dorp van herkomst en een bepaalde stad of een aantal steden waar een belangrijke markt was. Deze vroegere skûtsjes verschilden op een aantal belangrijke punten van de huidige. Ze hadden een ronde luikenkap in plaats van de tegenwoordige platte, ze hadden een stuurkuip (bollestâl), een zgn. visserman roer waarbij de helmstok over de kop van het roer viel en die kop stak boven de achtersteven uit.
Na 1900 werden de skûtsjes langer, ze konden dus meer vracht meenemen (dit varieerde van zo'n 15 tot 35 ton), maar wat veel belangrijker was: ze werden voorzien van een vast achterdek, een gewoon tjalkenroer en een platte luikenkap. Zo was het huidige 'nieuwe' skûtsje geboren. De naam werd nu algemeen gebruikt voor grotere schepen, tot ongeveer 55 ton, rond 20 meter lengte en 4 meter breedte. De holte werd beperkt, tot maximaal 1,28 m.
Een skûtsje behoort tot de grote familie van de tjalken. Het heeft een plat breed vlak, ronde kimmen, breed berghout dat uitloopt in robuuste stuiten op de ronde kop en kont, gebogen voorsteven, rechte achtersteven en een vloeiende zeeg. Het boord valt enigszins naar binnen. Ten opzichte van de tjalken is een skûtsje relatief gezien langer en smaller. Bovendien lijkt bij een skûtsje het dak van de roef eigenlijk meer een verhoging van de luikenkap dan dat deze roef een bouwsel op zichzelf is, zoals bij een tjalk.
Skûtsjes zijn in de jaren 1889-1933 in zgn. staalijzer gebouwd voor de beurt- en vrachtvaart op vaarten, kanalen en op de grote meren in de Zuidwesthoek. Maar ook op de Zuiderzee werd er mee gevaren. Na 1950 is een groot aantal tot jacht verbouwd door de luikenkap te vervangen door een kajuitopbouw.
3. Tuigage
Kenmerken
- Het Skûtsje als werkschip
- Het Skûtsje als jacht
- Algemene kenmerken
- Kenmerkende verhoudingen
- Verklaring in tekening
Publicaties over het Skûtsje in het Stamboekarchief
De ijzeren-skûtsjewerven in Friesland
Boominq Business - Spiegel der Zeilvaart februari 2015 nummer 1
Het Skûtsje - een korte inleiding
Jelmer Kuipers schrijft:
De bouw van ijzeren skûtsjes kwam in Friesland maar aarzelend op gang. De Groningers hadden al een voorsprong van tien jaar op de Friezen. Bijvoorbeeld het schip 'De Rot' is in 1887 door scheepsbouwer Jacob Mulder in Vierverlaten voor twee Rottevalster kasteleins gebouwd. Het is van het type 'beurtscheepje', dat grote gelijkenis vertoont met houten voorgangers. Op de vraag of er wel eens twee identieke skûtsjes zijn gebouwd is het antwoord: nee. Wel werden meerdere skûtsjes naar eenzelfde lijnenplan gebouwd, maar in uitvoering verschilden ze soms toch aanmerkelijk. In het staatje hieronder zien we een overzichtje van 8 skûtsjes, waarvan de afmetingen dichtbij elkaar liggen, zeker bij de eerste drie genoemde schepen. Mochten de afmetingen praktisch hetzelfde zijn, dan verschillen ze toch in tonnage.
Na 1900 werden de 'kleine en oude' skûtsjes langer, ze konden dus meer vracht meenemen (dit varieerde van zo'n 15 tot 35 ton), maar wat veel belangrijker was: ze werden voorzien van een vast achterdek, een gewoon tjalkenroer en een platte luikenkap. Zo was het huidige 'nieuwe' skûtsje geboren. De naam werd nu algemeen gebruikt voor grotere schepen, tot ongeveer 55 ton, rond 20 meter lengte en 4 meter breedte. De holte werd beperkt, tot maximaal 1,28 m.
Skûtsjes zijn in de jaren 1889-1933 in zgn. staalijzer gebouwd voor de beurt- en vrachtvaart op vaarten, kanalen en op de grote meren in de Zuidwesthoek. Maar ook op de Zuiderzee werd er mee gevaren. Na 1950 is een groot aantal tot jacht verbouwd door de luikenkap te vervangen door een kajuitopbouw.
Ruim duizend Friese skûtsjes zijn tussen 1887 en 1933 geregistreerd. Maar het eerste skûtsje is in Vierverlaten bij Hoogkerk gebouwd voor Rottevalle. Het vaart nog steeds als De Rot, zo staat te lezen in Wan Ambulant tot Zwaluw, het nieuwste skûtsjeboek.
De Rot is in 1887 door scheepsbouwer Jacob Mulder in Vierverlaten voor twee Rottevalster kasteleins gebouwd. Het is van het type 'beurtscheepje', dat grote gelijkenis vertoont met houten voorgangers. Die werden `kofke' genoemd, omdat ze ongeveer de vorm van een kofscheepje hebben.
Het schip werd door een van de redacteuren van het nieuwe boek, Jelmer Kuipers, ontdekt in Zwartsluis. Het is eigendom van R. de Haan uit Spaarndam. Het is extra bijzonder omdat Jacob Mulder een gewaardeerd leermeester was van de eerste generatie Friese scheepsbouwers in ijzer. Bijna dertig hellingbazen in Friesland hebben deze schepen gebouwd. Hier is dus een van de belangrijke momenten in de ontwikkeling van het Friese skûtsje en de Friese scheepsbouw blootgelegd.
Slechts 7 van de ruim 30 werven die skûtsjes bouwden hebben kunnen overleven. Een paar zijn doorgegroeid. Ze bouwen en onderhouden nu grote binnenvaartschepen. Barkmeijer Stroobos heeft zich doorontwikkeld en bouwt zeeschepen evenals in zekere zin Bijlsma Wartena, nu in Lemmer. Andere zijn met de bouw van pleziervaartuigen doorgegaan, soms in combinatie met het exploiteren van een jachthaven en soms een huurvloot. Sommige probeerden het nog als staalconstructiebedrijf en hielden het zo nog enige tijd vol, maar werden in de slechte jaren tussen 1920 en 1940 opgeheven. Vier werven zijn, soms met een omweg, teruggekeerd naar de houtbouw. Zo kwam er een einde aan een korte, maar roemruchte periode van Friese skûtsjebouw.
In 1889 bouwde Berend Barkmeijer uit Briltil (Gr.) voor zijn zonen Gerrit en Jan een nieuwe ijzerwerf in Sneek. Zij bleven de eerste zes jaren de enige ijzeren Skûtsjebouwers in Friesland. Scheepsbouwer J. Mulder te Vierverlaten in Groningen bouwde ook voor Friese rekening. Tot het jaar 1900 volgden er 9 Friese houtwerven die overschakelden op ijzer. Tussen 1901 en 1910 kwamen er nog eens 13 bij en tot 1915 nog 7 stuks. In 1915 waren er in Friesland in totaal 105 scheepswerven, waarvan zo'n 30 in ijzer. Bijna de helft van de houtwerven waren kleine één of tweemans bedrijfjes. Niet van alle ijzerwerven in Friesland is met zekerheid bekend of daar inderdaad skûtsjes zijn gebouwd. Een paar van deze werven zijn: Van Manen in Berlikum, Zwolsman in Workum, Jan Barkmeijer in Birdaard en D. Boomsma in Sneek.
In het algemeen waren het de (oudste) zonen die de aanzet gaven tot de omschakeling. Zij waren het ook die zich bekwaamden in het theoretische gedeelte, het rekenen en tekenen. Veelal leerden ze dit op Groninger werven. Ze leerden daar ook de praktische kant van het werk. Enkele jongens uit de buurt van Franeker kregen les van dhr. Alta, directeur van de Harlinger werf "Welgelegen", waar overigens geen skûtsjes zijn gebouwd. Ook kwam het voor dat "nomadische" ijzerwerkers hun diensten aanboden op de werven. Zij brachten zo hun praktische vaardigheden over op de Friese werfmedewerkers. In de beginjaren waren dit mannen van Groninger afkomst.
De bouwperiode van de ijzeren skûtsjes in Friesland viel tussen 1889 en 1931. Vanaf 1897 t/m 1901 werden per jaar gemiddeld 5 skûtsjes in de hele provincie gebouwd. Daarna, t/m 1914, is de productie gemiddeld 36 schepen per jaar, met als uitschieters de topjaren 1907 t/m 1910 met respectievelijk 51, 54, 40 en 48 schepen. In 1905 bouwden alleen de Gebroeders Barkmeijer te Sneek al 12 skûtsjes en in 1907 zelfs 15 stuks. Alle werven hadden voldoende werk, maar dat werd snel anders. Na 1910 werd het aantal werven snel kleiner; er waren er toen nog 17 over. In 1915 waren er zelfs nog maar 7 skûtsje bouwende werven. De laatste was J.O. van der Werff aan het Bûtenstvallaat te Drachten. Hier ging men door tot 1931 met in de laatste jaren nog 2 skûtsjes per jaar. Molle van der Werf van Sneek vertelde me eens dat het bouwen van een `casco' 4 tot 6 weken duurde, naargelang het aantal mensen dat er aan werkte. Het casco werd te water gelaten en daar werd het afgetimmerd en getuigd.
Met geveegde kont - hoofdstuk 6: Schepen, schuiten en skûtsjes

Pieter Brouwer was in 1904 als vierde kind geboren op de 29 ton metende 'Jonge Jan'. Hij voer als knechtje bij zijn ooms Tjitte Brouwer en Jan Bergsma op ijzeren roefschepen. Heit en mem hielp hij tussendoor een tijdje op het grote tjalkschip 'Hoop doet Leven'. Als negentienjarige werd hij voor zeven gulden per week met kost en bewassing uitbesteed op de IJsselaak van Engert Lienes in Witmarsum, waar hij nuttige dingen als biljarten en kaatsen leerde, maar in een heel jaar drie dubbeltjes overhield. Al die verschillende vaartuigen noemde Pieter zestig jaar later in zijn memoires 'skip'. Alleen de 35-tons boltjalk 'Rust na Arbeid', die zijn vader in 1925 liet bouwen, heette 'bolle'. In de strakke bevelvoering was 'skip' en 'bolle' sneller uitgesproken dan 'Hoop doet Leven' en 'Rust na Arbeid'. 'Skûtsjes' komen bij Pieter pas ter sprake bij het hardzeilen of 'skûtsjesilen'. De schippersdochter Anna Boonstra (*1917 te Blije) schreef in haar levensverhaal het woord skûtsje wel onbekommerd op. Dat ze het op haar tachtigste schreef, kan voor het vervolg van belang zijn.
Schrijvend schipper Tjipke Postma gebruikte skûtsje en skip in de jaren dertig door elkaar.
6.1 'Skûtsje is fout'
Volgens de redactie van de in 1972 verschenen Maritieme Encyclopedie was een skûtsje een tjalkscheepje met een lengte van ca. 12 meter en een draagvermogen van 8 tot 18 ton. Dit 'werd gebruikt voor het vervoeren van alle soorten vracht. Zo sprak men van beurtschepen, potschepen, bloemschepen enz.' Schoolmeesterig wordt hieraan toegevoegd: 'Het tegenwoordige skûtsjesilen is eigenlijk geen wedstrijd van skûtsjes (..)'. De redactie van 'Schepen die blijven', een uitgave van de Landelijke Vereniging tot Behoud van het Historisch Bedrijfsvaartuig, sloot zich hier in 1999 bij aan. 'De eigenlijke skûtsjes, met een lengte van om en nabij de 12 meter, maten zo'n 10 tot 20 ton.'
Beide bronnen baseren zich kennelijk op Mr. dr. T Huitema's Ronde en platbodemjachten (eerste druk 1962). Maar het wringt dat de papieren precisie van de moderne tijd dwingend wordt opgelegd aan een cultuur zonder handboeken. Bovendien kwam je met een lengte van 12 meter bij houten schepen met een roef niet gauw op een laadvermogen van 20 ton. Pot- en bloemschepen in één lijstje met beurtschepen? In het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek staan modellen van oude kofachtige beurtscheepjes, in het Zuiderzeemuseum ligt het potschip van de Nijlander Eisma met open stuurkuip of 'bollestâl'. Dat zijn geen schepen van hetzelfde type.
Het andere uiterste is om alles maar goed te vinden. De 'Encyclopedie van Friesland' rekende in 1958 schepen van 20 tot 60(!) ton draagvermogen tot de skûtsjes. Die 60 ton staat ook in het SKS-jubileumboek uit 1995. Aan het jaarlijkse skûtsjesilen van de Sintrale Kommisje Skûtsjesilen (SKS) deed tot in 1962 wel de 54 ton metende 'Hoop doet Leven' van Jan Brouwer mee, en tot 1948 de bolle 'Rust na Arbeid' van Willem Brouwer.
De beide skûtsje-organisaties SKS en IFKS hebben jaren met het definitieprobleem geworsteld. Vijftig ton is wel zo ongeveer hun grens. De toegestane 'lengte over alles' is bij de SKS wat scherper gesteld dan bij de jongere IFKS (minder dan 20 meter). De breedte moet bij beide organisaties binnen de vier meter blijven.
Deze beperkingen zijn min of meer willekeurig bepaald aan de hand van wat zich in de praktijk aandiende. In de jaren vijftig werden boltjalken nog probleemloos ingeschreven. Ook schepen van meer dan vijftig ton deden en doen aan de wedstrijden mee. Maar ze geven wel geregeld aanleiding tot het commentaar: 'Dit binne eins gjin skûtsjes'. Vooral wijlen Siete Meeter, bij leven schipper van het Bolswarder skátsje, was strikt in deze dingen. Voor hem lag de grens tussen een schip en een skûtsje in de maten van de Oudebildtdijkstervaart besloten. In de Wegwijzer voor de Binnenscheepvaart uit 1930 was daar een maximum van dertig ton aangegeven. Alles wat groter was, moest volgens deze onvergetelijke Meeter 'skûte' of 'tsjalk' genoemd worden. Het had geen recht op de verkleiningsuitgang. Grasduinend in oudere Friese publicaties over schepen en het schippersleven heb ik voor 1900 tevergeefs gezocht om de benaming skûtsje voor ijzeren schepen. In het houten tijdperk dook het woord pas op in 1869, in een aantekening van de Grouster theoloog en taal- en volkskundige Joost Hiddes Halbertsma.
6.2 Skûte en schuit
Wiebe Venema (1875-1935) groeide als schipperskind op in De Knipe. 'Mijn ouders en voorouders waren modder- en mestschippers in Friesland', schrijft hij. Take voer vroeger, toen het spoor er nog niet was, vanuit Heerenveen met koeien naar Sneek en Leeuwarden. Dat was soms een zwaar leven, want weer of geen weer, ze moesten op tijd varen. (...) Zoals pake mij wel eens verteld heeft, had hij als jongen altijd op schuiten (schûten) gevaren met turf en koeien op Amsterdam.'
Venema maakte onderscheid tussen het zestien ton metende 'turfskip' van zijn ouders en de zeewaardige 'schûte' waar zijn pake als 'jongkeardel' op had gevaren. Over net zo'n 'schoete' schreef Korreles Harkes Landmeeter. Ook dat was een redelijk zeewaardig schip, dat met fok en kluiver was getuigd.*
Een 'skilte' was kennelijk een tjalkschip van vijftig tot tachtig ton, zoals ze in het begin van de negentiende eeuw bij honderden tussen Fryslán en Holland voeren. Dit type werd in kranten en notariële akten in de achttiende en begin negentiende eeuw `hekschuite' of `schuite' genoemd. In provinciale overzichten van de Friese scheepsbouwproductie wordt het niet apart genoemd. Wel werd naast kofschepen, snikkeschepen, pramen en boten melding gemaakt van 'tjalken'. De grote, van 40 ton of meer, waren de zeewaardige hek-tjalken. Maar er werden ook middelgrote tjalken gebouwd van rond de 20 ton, en kleine van tien ton.
'Schuiten', wat toch de letterlijke vertaling van skûten is, vindt men in de Friese provinciale verslagen uit de negentiende eeuw alleen als 'visschuit' of 'trekschuit'. Toch werden in de negentiende eeuw in Koninklijke Besluiten schuiten naast schepen en boten genoemd. Het begrip duidde een apart type aan dat buiten de categorie 'schepen' viel; de trek- en veerschuiten vielen hieronder.
Schipper en hellingbaas hadden belang bij precieze aanduidingen als ze overeenkomsten sloten. In Fryslân stelden ze in het Fries gemaakte afspraken in hun beste Nederlands op schrift, of ze pasten zich aan bij gangbare benamingen. De 'omtaling' verliep soms moeizaam. Het Fries schemert door de Nederlandse teksten van het midden van de negentiende eeuw in de werfboeken. 'Ripperasie' , 'notisje van scheepen', 'spikkers', 'pik', 'sweerden', 'een got in mostbank', 'rieswaarings', 'knies', 'met lukken en romboom', en, bij het verduidelijken van de identiteit van ene Van Berkum uit Workum: 'Poedekont'. En in bestekken van Eeltje Holtrop van der Zee werd 'helmhout' opgeschreven als 'hellenhout'.
In die gebrekkige tweetaligheid begrijpen we de samenstellingen 'schuiteschip' en, later, 'schuitscheepje', wat al heel dicht tegen schuitje of skûtsje aan zit. De Drachtster beurtvaarder en hardzeiler Rein Greelts Zijlstra bood in 1833 zo'n 'schuiteschip' uit de hand te koop aan 'met zeil en treil en touwwerk'. Het was 15 el en 6 palm lang (volgens de oude betekenis van deze maten 11,688 m., volgens de nieuwe 15,60 meter).
Waardoor onderscheidde dit schuiteschip zich van kof en tjalkschepen? Van Dale omschrijft schuit in zijn jongste editie als 'betrekkelijk klein, eenvoudig gebouwd vaartuig, m.n. voor de binnenwateren en meest voor vervoer van massagoederen.' Als synoniem wordt 'praam' gegeven. Het Friese equivalent skûte komt volgens de Fryske Akademy pas in een geschrift uit 1829 voor het eerst voor. Dit is niet verwonderlijk, want er werd in de eeuwen daarvoor erg weinig Fries meer geschreven. De voor het Grut Frysk Wurdboek gegeven betekenis 'tjalkachtig schip' is wel heel algemeen, maar daarom misschien wel de meest juiste, al had er wel 'groot' bij mogen staan.
Dat het Friese skûte veel oudere papieren heeft, blijkt uit veel samenstellingen. Het 'skûte-hûs' was de bouwloods op de scheepshelling, de werkplaats waar schepen onder dak werden gemaakt. In archieven komt al vroeg in de achttiende eeuw 'schuythuys' voor. Zo'n 'skûtehûs' was wat anders dan een 'skiphûs', waar jachten in worden (en werden) gevaren om ze tegen regen en zon te beschermen.
Volgens Postma werd de kinderen in de oude tijd wijsgemaakt dat zij door 'de skûteboer' waren gebracht. Deze mythische figuur is met ooievaar, bloemkool of 'poppestien' (Burgum) te vergelijken. De benaming 'skûteboer' voor schipper vond Postma verkeerd, want 'in boer op in skûte is net op syn plak'. Met die opmerking bewees hij dat voor hem de negentiende eeuw voltooid verleden tijd was.
'Skûteboer' of 'schuiteboer' was geen raar woord. Het kwam in 1811 als geslachtsnaam in de burgerlijke stand. Na de Tweede Wereldoorlog stonden er nog negen personen met deze naam in de bevolkingsregisters van drie Friese gemeenten ingeschreven. Dat was wel minder frequent maar eigenlijk niks vreemder dan Barkmeijer, de scheepsbouwers familie die we nog zullen tegenkomen. Ter nagedachtenis aan deze vaklieden heeft K. van der SCHUIT in 2000 een jubileumboek geschreven.
Scheepsbouwers noemden zich van oudsher 'skûtmakkers', in Nederlandstalige geschriften schuitmakers of schuite(n)makers. In de quotisatielijsten uit 1749, die de grondslag vormden voor de belastingheffing, werden tientallen 'meester schuitemakers' genoemd. Die benaming heeft zeer oude papieren.
In het duizelingwekkend overzicht 'De Friese Scheepsbouwers' van Sicco van Albada zien we in 1511 in Bolsward de 'scutemaker' Laes. Reyn was hier in 1539 'scutmaker', Albert werd in datzelfde jaar als 'schuytmaker' aangeduid. Het Nederduits van de nieuwe Saksische heersers streek als het ware over het oude Fries heen. Voor de zestiende eeuw halverwege was, heetten deze gildemeesters overal in dit gewest (Meester) Schuyt- of Schuitmaker. Die beroepsaanduiding werd in de zeventiende eeuw overvleugeld door (Mr.) 'scheepstimmerman', hoewel de 'schuitmakers' tot laat in de achttiende eeuw in archiefstukken vermeld werden.
Sommige van deze nijvere ambachtslieden heetten 'Schuitema', Schuitemaker' of 'Schuitmaker'. (In Echtenerbrug verdroogde dat geslacht tot een meubelmakers familie, die zich met enig succes in kerkbanken specialiseerde). Schippersfamilies stonden als 'Van der Schuit' ingeschreven.
6.4 Een verkleinwoord
Met de groei van de binnenvaart in de achttiende en negentiende eeuw werden voor ondiep binnenwater vele soorten kleine schepen gebouwd, die hun grotere evenknie op open zee hadden. Er waren tjalken van tien en van tachtig ton, pramen van zes en van veertig. Eeltsje Teerdzes Holtrop bouwde een 'kofke' om te 'vaaren in de bueert van Egten op Sneek met aneks aller' (varen in de beurt ... annex alles) voor 750 (gulden).'
Ook bij andere hellingbazen vinden we verscheidene 'kofkes' of 'kofkjens'. Er waren gespecialiseerde 'praamkemakers', de betere vaklieden bouwden fraaie 'boeierkes' en de nederigste producten van een werf waren 'bootjes'. Het ligt voor de hand dat de verkleiningen tsjalkje en kofke zich doorzetten in skûtsje bij schepen die vooral snel waren en geleken op de zeewaardige skûte.
Maar het verkleinwoord was in 1860 voor een moddervaarder op binnenwater geen positieve aanduiding meer, ook omdat dieper vaarwater het gebruik van grotere binnenschepen mogelijk maakte. In het begin van deze overgang op zwaarder vervoer twijfelden scheepsbouwers nog tussen 'praam', 'schuit', 'schuiteschip', 'schip' en 'tjalkschip' voor schepen van vergelijkbaar bestek, terwijl Haike Pieters van der Werff in Drachten de aanduiding 'schuitje' gebruikte voor een flink, 1.20 meter diep binnenschip.
Een praam was zo'n compleet vaartuig met opboeisel niet. Met tjalken was het gezien de geringere holte en gestrekter uitvoering met boorden niet goed te vergelijken. Omdat het een mengvorm van tjalkschip, schuiteschip en praamschip was, zullen schippers en bouwers voor het nieuwe type goed zeilende dekschepen teruggevallen zijn op het aloude 'skip'. Dit woord kwam al in het oud-Fries, oud-Saksisch, oud-Noors en gothisch voor en verwijst mogelijk naar het uithollen (skibit) van een boomstam.
Maar per streek bleven er verschillen. In Earnewâld, waar vissers en rietsnijders de ondiepe en nauwe wateren met kleine pramen, aken en boten bevoeren, had skûte de betekenis van groter schip voor de binnenvaart. Onder die aanduiding nodigde de zeilvereniging 'Eendracht maakt Macht' ze in 1871 uit om mee te doen aan wedstrijden. In 1874 werd daarbij vermeld 'met uitzondering van boterschepen', waaruit blijkt dat ook kleine scheepjes in deze omgeving tot de skáten werden gerekend.
Bootjesmensen van het kleine water hadden nu eenmaal een andere beleving van klein en groot dan Harlingers, Lemsters, Workumers en Makkumers, die dagelijks met zeevaarders te maken hadden.
De ijzerbouw, een volgende slag in de vernieuwing, deed zich vanaf het midden van de jaren 1880 voor. In een jaar of dertig werden deze vaartuigen ongeveer zo groot als de skûten van Venema en Landmeeter. Ze verdienden de stoere benaming roefschip ter onderscheiding van de 'dekskippen'. Toen degradeerden ze, door de opkomst van grotere klippers en motorschepen, op hun beurt naar de klasse der kleinere schepen. Alles is immers betrekkelijk. Het schip dat schipperskinderen in 1880 als groot ervoeren, was in 1925 klein geworden. Want: 'der farre no wol grutte skûten fan fier oer de 100 tûne', schreef Postma in 1935.
De hardzeilwedstrijden waren sindsdien ook geen normale data meer op de evenementenkalender, maar min of meer kunstmatig in stand gehouden attracties met een hoog nostalgiegehalte. Dat vond zijn bekroning met de vorming van een speciale Grouster `skûtsjekommisje' in het crisisjaar 1929. Aan die antieke naamgeving zal de invloed van de Frysksinnige en historisch belangstellende Grousters als dokter Schouwstra en master De Jong niet vreemd zijn geweest. Vanaf dat jaar schoof het nieuwe woord skûtsjesilen over de traditie heen.
Tegenwoordig bepalen organisaties en commerciële charterbedrijven in reglement en reclamefolder de definities. Skûtsjes zijn schepen die door de SKS en de IFKS voor hun competities worden geaccepteerd, of door de eigenaar zo worden genoemd. Skûten bestaan in het spraakgebruik niet meer. Alleen in een nostalgische bui zal iemand met Fries-puristische aanvechtingen het oude woord nog in de mond nemen.
Troch de Wyn - Skûtsjes: de vraag wat een skûtsje is en vele andere vragen komen aan de orde in deze 'skûtsjebijbel'

Nog steeds strijden zo’n tachtig Friese skûtsjes om de hoogste eer bij SKS en IFKS. Prachtig ontworpen binnenschepen zijn het, speciaal gebouwd voor de Friese wateren. Tot de Tweede Wereldoorlog beheersten deze schepen het transport op klein water. Aan boord voeren schippersfamilies, die betere tijden gekend hadden, maar ook een diepe crisis hadden overleefd. Over die mensen, de schepen, de bouwers en de wateren waar de skûtsjes voeren gaat dit prachtige, kloeke naslagwerk. De kundigste auteurs hebben eraan meegewerkt. En het boek staat vol prachtige, unieke foto’s.
De eer staat op het spel, niet meer en niet minder. Achter de spectaculaire sport ligt het boeiende verhaal van duizend Friese bedrijfsschepen. Schippers, hun families, de lading, het vaargebied en de bouwers: er is veel over te vertellen. Het boek ‘Troch de Wyn’ (‘door de wind’, ‘overstag’) bevat die verhalen en duizenden illustraties. Ook de jongste geschiedenis van het skûtsjesilen is op de 576 pagina’s beschreven.
Van Ambulant tot Zwaluw - De basisgegevens van circa 870 unieke Friese Skûtsjes, gebouwd tussen 1900 en 1932

In 2007 verscheen Van Ambulant tot Zwaluw bij uitgeverij PENN in Leeuwarden. In dit boek zijn van circa 870 unieke Friese skûtsjes, gebouwd tussen 1900 en 1932, de basisgegevens verzameld. Gegevens over de werf waar het schip gebouwd werd, de opdrachtgevers van de metingen en de belangrijkste maten, afkomstig uit de officiële meetliggers, zijn daarin te raadplegen. Talloze mensen zijn op zoek naar informatie over een specifiek schip, zoals mensen die familieonderzoek doen of die een schip hebben gekocht. De archieven van de Scheepsmetingsdienst zijn een belangrijk aanknopingspunt. Daarin is te vinden wie de eigenaar was, waar het schip is gebouwd en in welk jaar. Dat biedt aanknopingspunten voor verder onderzoek in bijvoorbeeld notariële archieven. Het archief van de Scheepsmetingsdienst is echter beperkt toegankelijk. Wat betreft de 'Friese skutsjes' is daar nu verandering in gekomen.
De 'Stichting Foar de Neiteam' heeft de gegevens van alle ijzeren 'roefschepen' - zoals ze door de dienst worden aangeduid - die in Sneek, Leeuwarden en Groningen zijn geregistreerd, overgenomen. Vervolgens zijn deze gegevens ontsloten door middel van een index op opdrachtgever en scheepswerf. Aan de lijsten met gegevens gaat een toelichting vooraf waarin onder andere de functie van het meten wordt uitgelegd, hoe schepen aan hun naam komen en een overzicht van scheepswerven. Een praktische bronnenuitgave voor mensen met interesse voor Friese skûtsjes uit het eerste kwart van de twintigste eeuw.
