Spring naar inhoud

Toegankelijkheidsopties:

Scheepstype Staverse jol

Inleiding

Tegen alle verwachtingen in, zijn Staverse jollen populaire rondbodemjachten geworden. Dat is opvallend, omdat deze voormalige vissersscheepjes aanvankelijk slechts een beperkte groep zeilers aansprak. Maar dat waren dan ook liefhebbers van die norse, lompe scheepjes, die op het binnenwater, maar moeizaam op gang kwamen en het moesten hebben van het ruimere water en een niet te zwakke wind. Die populariteit is vooral te danken aan de ontwerper Jaap Gipon, die een groot deel van z'n leven zelf in een oude, houten jol zeilde die gebouwd was bij Wildschut in Gaastmeer. Gipon tekende houten jachtjollen die sprekend leken op de houten vissersjollen van weleer, maar dat waren niet de ontwerpen die het deden. Zijn wat grotere jollen tussen de 7 en de 8 meter, gebouwd in staal en meestal voorzien van een kajuit, werden in de welvarende zeventiger en negentiger jaren populair bij zeilers die wel met een traditioneel schip wilden varen, maar liever niet het werk met zijzwaarden erbij deden. De wat grotere jollen van Gipon zijn ruim, gemakkelijk te zeilen en behoorlijk snel. Bovendien zijn het om te zien `echte' Staverse jollen.

Spiegel der zeilvaart maart 1988 nummer 2 - Geheimen van de Staverse jol door Jan Kooijman

De tijd gaat zo snel, dat allerlei zaken al geschiedenis zijn geworden vóór je er erg in hebt. Vaak is na korte tijd al niet meer te achterhalen hoe iets zich heeft toegedragen. Dat is niet alleen zo bij grote duistere politiek waarvan de ware toedracht wel nimmer boven water zal komen, maar ook bij alledaagse dingen, die iedereen heeft kunnen waarnemen. Voor ons is de geschiedenis van de Staverse jol nog heel dichtbij, maar we weten nu al niet precies meer waar dit vissersscheepje vandaan kwam en waarom het zich juist zó heeft ontwikkeld en niet anders. Waarom heeft het bijvoorbeeld zo'n volle kop? Op deze en dergelijke vragen zijn in de loop der tijd verschillende antwoorden gegeven.

Crone: De jol is een Zuiderzeescheepje van vóór 1550. In zijn boek „Onze schepen in de gouden eeuw" concludeert G. C. E. Crone dat de afwezigheid van zwaarden bij dit scheepje wijst op een herkomst die honderden jaren teruggaat. Hij zegt: „Zwaarden, die zonder twijfel op enge wateren het eerst zijn toegepast, kwamen in de tweede helft der zestiende eeuw algemeen in gebruik, behalve bij enkele schepen. Eén daarvan bestaat nog; het is een visschuit, de Staverse jol, die zodanig van vorm is dat zij geen zwaarden nodig heeft". De opvatting van Crone heeft zeker aantrekkelijkheid, maar gezegd moet worden dat rechtstreekse bewijzen voor zijn veronderstelling niet zijn geleverd.
Tesch en De Veen: De jol stamt uit Scandinavië. In hun in de Duitse taal geschreven werk „Die Niederländische Seefischerei" menen J. J. Tesch en J. de Veen dat de Staverse jol van Scandinavische herkomst is. Ook onlangs nog hoorde ik die mening verkondigen door een kenner van de Nederlandse visserijschepen, die veel met oudere vissers over dit onderwerp had gesproken. Net als bij de opvatting van Crone moet echter ook hier gezegd worden dat een voldoende stevige fundering onder de stelling ontbreekt.
Huitema: De jol is ontwikkeld uit de sloep en heeft zijn kenmerkende vorm gekregen in de tweede helft van de vorige eeuw: In het hoofdstuk over de Staverse jol in het standaard werk Ronde en Platbodemjachten van Mr. Dr. T. Huitema (ik citeer de zojuist bij de Boer Maritiem verschenen zesde herziene druk) staat: „Aanvankelijk maakte men (voor de ansjovisvangst) vooral gebruik van de sloepen, die ook bij de palingvangst dienst deden, waarbij al spoedig bleek dat de uit de buurt van Vollenhove afkomstige sloepen met hun tamelijk volle kop het beste voor dit werk geschikt waren. Een tweetal vissers, J. Visser uit Stavoren en M. Zeldenrust uit Molkwerum, lie-ten daarom bij de werf van J. Strikwerda uit Stavoren ieder een speciale boot voor de ansjovisvangst bouwen met een volle ronde kop. Dat werden de eerste Staverse of ansjovisjollen, ook wel herfst- of fuikenjollen genoemd. Beide schepen waren geheel open en 18 voet lang."
Petrejus sluit zich bij die opvatting aan (E. W. Petrejus oude zeilschepen en hun modellen pag. 243).
Vroom: Relatie met de sloepen van de werf van Van der Zee te Joure. In het geschrift Vracht- en vissersschepen gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee en Auke Holtrop van der Zee wijdt U. E. E. Vroom een paragraaf aan de sloepen. Hij zegt daarin dat de sloepen in verband worden gebracht met het ontstaan van de Staverse jol en dat dit verband zijns inziens alleszins waarschijnlijk is. Hij wijst erop, dat in het jaarverslag van de gemeente Staveren over het jaar 1859 wordt geschreven: „de aalvangst geschiedt met zeesloepen of z.g. jollen" en dat hier voor de eerste maal in de verslagen van jollen sprake is. Het jaar daarvóór stond er nog: „de aalvangst geschiedt met zeesloepen". Ook wijst Vroom op de overeenkomst in afmetingen tussen de Staverse jol en de door de werf te Joure gebouwde barkassen of sloepen, zij het dat de Staverse jol een veel hogere kop had. Zoals bij de Lemsteraak de grondvormen van de binnenaak te herkennen zijn, terwijl de vorm van het voorschip het stempel draagt van de werf van de Boer, zo zou men van de Staverse jol kunnen zeggen dat de grondvormen van de sloep te herkennen zijn, terwijl de kop en daardoor ook het verdere verloop van het schip het stempel draagt van de werf van Strikwerda in Staveren. Aldus Vroom.
Van der Molen: Er is via F. N. van Loon een relatie met de Franse kotter. Van de theorieën over de herkomst van de Staverse jol bevalt die van S. J. van der Molen mij het meest. (zie het jaarverslag 1961 van het Fries Scheepvaartmuseum). Zijn redenering heeft een historische basis met een grote mate van waarschijnlijkheid. Hij vermeldt een belangrijk rapport uit de Franse tijd (1812) over de kustvisvangst, die werd uitgeoefend „met kleine schuitjes" en vraagt zich af of dit al onze Staverse jollen waren. Hij doet dat omdat een aantal jaren later wordt gesproken van Hindeloper jollen, namelijk door de bekende F. N. van Loon in zijn „Handleiding tot den burgelijken scheepsbouw." Van Loon steekt daar de loftrompet over een 25 voets Hindeloper jol, die een dubbele bodem had met vaste waterballast. Dat scheepje was een erkend goede zeiler. In 1828 ontwierp Van Loon voor het loodswezen een vaartuig, dat hiermee waarschijnlijk veel overeenkomst vertoonde. Het door Van Loon zelf gebouwde palmhouten model van dit vaartuig is in het Fries scheepvaartmuseum te bewonderen. De aandachtige beschouwer ziet ogenblikkelijk dat het erg veel weg heeft van de latere Staverse jollen. De volgende stap, die S. J. van der Molen zet, is de constatering dat Van Loon niet de gewoonte had iets volkomen nieuws te maken, maar dat hij wel verbeteringen aan bestaande typen aanbracht.
Behalve overeenkomst met de Staverse jol is er ook overeenkomst met een Franse kotter. Dat is geen wonder zegt hij, omdat gedurende de Franse tijd op Nederlandse werven schepen naar Franse voorschriften werden gebouwd. Van Loon kende die schepen en heeft daarvan gebruik gemaakt voor zijn eigen ontwerp van een jol. U. E. E. Vroom voegt daaraan toe dat het goed mogelijk is dat Van Loon invloed heeft gehad op de vorm van zeesloepen en daarmee, ondermeer via Eeltjebaas, op de Staverse jol.
Tot zover een aantal theorieën over de herkomst van de Staverse jol, een geheim dat weliswaar nog niet met volle zekerheid is ontsluierd, maar waarvan de historische lijn: Franse kotter - Van Loon - zeesloep - Staverse jol overeenkomstig de stellingname van Van der Molen voorlopig als de meest waarschijnlijke kan worden beschouwd

Waterkampioen juli 1965 nr1155 - Schepenschouw De Staverse jol

Behoort de Staverse jol is een Rondbodem en behoort het tot de groep Ronde en Platbodemjachten, of is het een op zichzelf staand type, dat zo'n beetje het midden houdt tussen een rond vaartuig en een scherp vaartuig? Omtrent de oorsprong van het type tast men namelijk min of meer in het duister. Volgens het boek Ronde en Platbodemjachten, uitgegeven onder auspiciën van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, zou de Staverse jol tussen 1870 en 1880 ontwikkeld zijn ten behoeve van de ansjovisvisserij op de Zuiderzee en wel uit sloepen, uit de buurt van Vollenhove afkomstig, die wegens hun tamelijk volle kop voor dit werk het beste geschikt zouden zijn gebleken.

Dit is min of meer in overeenstemming met hetgeen wij hierover ergens helaas zijn wij er niet in geslaagd de vindplaats weer op te sporen lazen, namelijk dat de Staverse jol zou zijn ontwikkeld uit een van een Russisch schip afkomstige en véér erg volle sloep, die men ter verbetering van de zeileigenschappen van een langgerekte aangezette kiel had voorzien. Hoe het ook zij, in het algemeen neemt men aan dat de Staverse jol een vrij recent type vaartuig is en dat herleiding naar een ver verleden, bijvoorbeeld op het stadszegel van Stavoren uit de 13-de eeuw, niet op zijn plaats is.


De Tijdlijn van de Staverse jol

Eerste Staverse jol

1860

De Staverse jol is een vissersscheepje van ca. 6 meter lengte dat begin 1860 in Stavoren voor het eerst werd gebouwd door Douwe Roosjen voor een paar plaatselijke aalvissers. Waarschijnlijk is dat de reden dat de vissersjol die Roosjen bouwde, veel weg heeft van een karveel gebouwde (Hindelooper) sloep. Opvallend kenmerk van de Staverse jol is, dat de boorden naar binnen buigen.

Meer over "Eerste Staverse jol"

De Staverse jol gewild als vissersschip

1885 tot 1915

In 1890 waren er in Stavoren 18 jollen. In 1895 waren er 27 jollen geregistreerd en in 1900 zelfs zeventig. Daarna zou de Staverse vissersvloot nog ietsje groeien totdat in 1903 de periode kwam van slechte vangsten door overbevissing van de Zuiderzee. Die inzinking duurde van 1903 tot 1913 en daarna kwam de Eerste Wereldoorlog waardoor de internationale handel met ansjovis en aal wegviel. In 1905 was de vloot uit het jaar 1902 van 74 jollen alweer gekrompen naar 55 jollen. Het waren vooral de gelegenheidsvissers die in die slechte periode direct stopten. Zij waren alleen dan visser als er goede vangsten waren. Dat tot ergernis van de vissers die ook visser bleven in mindere tijden. In de periode 1885 tot 1915 waren het niet alleen de vissers uit Stavoren die met vissersjollen visten.

Meer over "De Staverse jol gewild als vissersschip"

De naam ‘Staverse jol’

1900

De vissers spraken nooit over ‘Staverse jollen’, maar over ‘vissersjollen’. De naam Staverse jol kwam in de loop van de 20e eeuw in gebruik, toen de vissersjollen overgingen naar de recreatievaart. Plezierzeilers voeren niet in een vissersjol, maar een Staverse jol. Ook als het scheepje gebouwd was aan de Hollandse kust of op Urk.

Meer over "De naam ‘Staverse jol’"

Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925

1924-1925

Uit alle schepen die genoemd staan in het Nederlandsch Jachtregister heeft Gerard ten Cate een selectie gemaakt van alle Ronde en Platbodemjachten die er in 1924-1925 in opgenomen waren. Het is een uniek overzicht omdat het een goed beeld geeft van onze vloot in die jaren.

Meer over "Selectie van alle Ronde en Platbodemjachten in het Nederlandsch Jachtregister 1924-1925"

Jachtjollen

1930

Vooral vanaf 1930 werden er jachtjollen ontworpen en gebouwd voor watersporters. Die jollen waren gemiddeld iets groter dan de gemiddelde lengte van de vissersjollen, zo tussen de 6.50 en 9.50 meter lang. Omdat veel watersporters anders dan de vissers een luxejacht wensten, werden er ook jachtjollen ontworpen die in vrijwel niets meer leken op de eenvoudige vissersjollen, behalve dat de globale vorm dezelfde bleef.

Meer over "Jachtjollen"

Eerste jol gebouwd, getekend door J.K. Gipon

1972

Eerste stalen 6.20 Staverse jol, getekend door J.K. Gipon en gebouwd door Kooijman en de Vries in Deil.

Meer over "Eerste jol gebouwd, getekend door J.K. Gipon"

Typebeschrijving van de Staverse jol gebouwd als vissersschip

1. Geschiedenis van de Staverse jol als visserschip

De Staverse jol is een vissersscheepje van ca. 6 meter lengte dat begin 1860 in Stavoren voor het eerst werd gebouwd door Douwe Roosjen voor een paar plaatselijke aalvissers. Douwe Roosjen was in 1860 werfbaas geworden op de scheepswerf die Jhr. Mr. J.H.F.K. van Swinderen, de burgemeester van Gaasterland, als financier van de werf in 1846 tien jaren later verworven had, nadat de werfbaas failliet was verklaard. Roosjen werkte voor die tijd als scheepstimmerman op de werf van Wijbrands in Hindeloopen. Daar bouwden ze onder meer Hindelooper zeesloepen. Waarschijnlijk is dat de reden dat de vissersjol die Roosjen bouwde, veel weg heeft van een karveel gebouwde sloep.

Economisch zijn voor de visserij met jollen op de Zuiderzee de volgende perioden van belang:

  1. Van 1860 tot 1932 werden de vissersjollen gebruikt als fuikenjol bij de vangst van paling die in het najaar van het zoete water naar de oceaan trok. De getijdenstroom op de Zuiderzee volgend trok de aal vlak langs de dijk bij Stavoren dat op een in zee uitstekende punt ligt. De vissers zetten de fuiken vooral tussen het Rode klif en Stavoren en nog een stukje noordelijker richting Molkwerum. Het Stavers Vissersgilde , bestaande uit 12 families, had het recht daar tot aan de dijk fuiken te plaatsen. Het gilde zorgde voor zekerheid en hield concurrenten buiten de deur. Met de jollen werd langs de dijk naar de eigen visstek gevaren en weer terug naar de haven. Dat kon door gebruik te maken van de getijdenstroom. Aan de zeileigenschappen van de jollen werden geen hoge eisen gesteld. De aal werd voor vaste prijs geleverd aan palinghandelaren in Heeg en Gaastmeer, die de vis met palingaken naar de markt in Londen brachten. De aalvangst voor vishandelaren uit Heeg/Gaastmeer/Workum werd beëindigd met de afsluiting van de Zuiderzee. Het Stavers Vissersgilde werd in 1932 opgeheven.
  2. Vanaf 1885 tot 1932 werd het mogelijk met een jol Zuiderzeeharing en ansjovis te vangen met door de handelaar Jan Pen uit De Lemmer ontwikkeld staand want. De vishandelaren Poppe de Rook en Johannes Sterk uit De Lemmer hadden belang bij die visvangst en kochten de vis op. De haring werd gerookt en verkocht als Lemster bokking en de ansjovis werd gezouten en internationaal verkocht, wat mogelijk was geworden door de aanleg van spoorwegen. De tonnen gezouten ansjovis werden per schip naar Amsterdam gebracht. De treinen bij Amsterdam sloten aan op de treinen langs de Rijn en daarmee was de markt in Zuid Duitsland voor de Lemster handelaren geopend. De vissersjollen uit Stavoren bleken heel geschikte te zijn voor deze vangstmethode met staand want, vooral voor vissers met een kleine beurs die zich geen botter of een aak met een vlet konden veroorloven. Het was een zelfstandig varend zeilscheepje zonder bun, geen vlet dat gesleept moest worden, met in de kuip ruimte voor de netten, de beug. Om praktische redenen werden de jollen gezeild met een grootzeil zonder giek. Voor het ‘schieten’ en ‘halen’ van de beug (de netten) op zee werd de gaffel gegeid en het grootzeil met de geilijn om de mast gebonden, waarna de kuip vrij was om er te werken.
  3. Na de afsluiting van de Zuiderzee in 1932 bleven een paar vissers nog met jollen vissen om economische redenen. Feitelijk waren de scheepjes te klein om rendabel te zijn, maar ze waren al afgeschreven. Alles wat ermee gevangen werd, was winst. De aalvangst in het IJsselmeer was in de dertiger jaren voor hun aantrekkelijk geworden. Niet met fuiken langs de dijk, maar met hoekwant over de bodem van het meer. Na de Tweede Wereldoorlog was de tijd voor de vissersjol echt voorbij. De overgebleven jollen werden gesloopt of verkocht aan particulieren voor de recreatievaart. In 1949 ging de laatste nog in gebruik zijnde vissersjol in Stavoren over naar het Zuiderzeemuseum dat een jaar eerder was opgericht.

Dat er tussen de vissersjollen allerlei verschillen in vorm bestaan, is vanzelfsprekend. De jollen zijn niet gebouwd als ‘eenheidsklasse’ voor wedstrijden. Ze hoefden helemaal niet aan uniformerende criteria te voldoen. Ze werden gebouwd naar wens van de visser die een jol wilde hebben van bepaalde afmeting. Die visser ging daarbij naar een scheepsbouwer waar hij vertrouwen in had en die aan zijn wensen kon en wilde voldoen. Er was ook geen sprake van een ‘ontwikkelingslijn’ bij vissersjollen door de jaren heen.

2. Beschrijving van de Staverse jol als vissersschip

De eerste vissersjollen werden vanaf 1860 gebouwd bij Roosjen. Pas na 1885 kwam er meer vraag naar dit scheepje vanwege de mogelijkheid er haring en ansjovis mee te vangen. Diverse scheepsbouwers hebben vanaf dat moment deze vissersjollen gebouwd, waarbij allerlei verschillen in de vormgeving ontstonden. Na de Eerste Wereldoorlog was de nieuwbouw van vissersjollen voorbij. In de dertig jaren dat deze jol regelmatig werd gebouwd voor de visserij op de Zuiderzee is er geen standaardmodel ontstaan. De eerste jollen van Roosjen, van 1860 tot 1885, waren fuikenjollen voor de aalvangst in de herfst. Hij heeft niet meer dan 11 van deze jollen gebouwd. Hetzelfde model bouwde hij na 1885 ook voor de vissers die een jol wilden voor de vangst van haring en ansjovis met staand want. Hoewel hij aan de basis stond van de vissersjol, heeft hij niet kunnen zorgen voor een basismodel dat normerend is geworden. In 1907 overleed Roosjen, bijna 86 jaar oud. In 1908 koopt Ids Strikwerda de werf uit de failliete boedel van werfeigenaar Pieter Heinsius (de schoonzoon van Douwe Roosjen die eveneens in 1907 overleed). Strikwerda bouwt tot 1918 (het jaar dat hij de werf verkoopt) vooral Staverse sloepen en slechts twee vissersjollen. Eerder heeft hij op de Stadsfenne wel jollen gebouwd vanaf 1879 tot 1908. Zijn naam wordt vaak genoemd als bouwer van vissersjollen in Stavoren, maar welke jollen dat concreet zijn is veel minder duidelijk. Net als bij Roosjen zijn ook zijn jollen geen standaardmodel geworden voor andere scheepsbouwers.

De vormvariaties tussen de jollen van Roosjen en van Wildschut zijn dankzij Gipon bekend geworden. De vormverschillen zijn echter groter dan hij aangaf. In de tijd gezien was Roosjen de scheepsbouwer die de vissersjol in Stavoren in 1860 heeft geïntroduceerd. Het scheepje was bedoeld als fuikenjol voor de leden van het Stavers Vissersgilde. Pas toen het in het midden van de tachtiger jaren mogelijk werd met dit model vissersjol op de Zuiderzee te vissen op haring en daarna op ansjovis, werd de vissersjol bij meer vissers populair en werd die ook op grote schaal gebouwd op andere werven. De jollen van Wildschut werden daarbij zo bekend, dat na enige decennia de vormgeving van de Wildschutjollen maatgevend is geworden. De slanke jollen van Roosjen zijn eenvoudig vergeten. Roosjen overleed in 1907. Ook de Staverse vissers gebruikten rond 1900 niet alleen Roosjenjollen, maar zeker ook jollen van Wildschut. Ids Strikwerda heeft op zijn werfje in Stavoren jollen gebouwd die net ietsje anders waren dan de Roosjenjollen. met een hoger oplopende kop en een fraaier vorm gegeven spiegel.

3. Tuigage

Over het zeilplan van de vissersjollen doen diverse theorieën de ronde. Populair is een ontwikkelingsmodel. De eerste herfstjolletjes zouden voorzien zijn van een spriettuig. Tijdens de ansjovisvangst vanaf 1885 werd dat vervangen door een bezaantuig zonder giek en uiteindelijk zou dit geëvolueerd zijn tot het tuig zoals wij dat kennen en bijvoorbeeld getekend is door J.K. Gipon. Een vrij laag boeiertuig (grootzeil, fok en kluiver) waarbij het grootzeil een korte, rechte gaffel heeft die vrij laag staat. Ongeveer onder een hoek van 30 graden.

Deze ontwikkelingslijn is echter een constructie die achteraf bedacht is. Er is geen bewijs dat de kleine herfstjollen van Roosjen en Strikwerda voorzien waren van een spriettuig. Dat dit verhaal in de wereld is gekomen, is afgeleid van een krantenbericht (Leeuwarder Courant, 23 sept. 1862), waarin een advertentie is opgenomen voor een hardzeilpartij te Stavoren voor ‘Visschersbooten en jollen getuigd met sprietzeil en fok’. Uiteindelijk is die wedstrijd gehouden voor drie groepen: de vrachtschepen, de ‘visschersjollen’ (3 stuks) en de ‘platte booten’ (4 stuks). Geen woord meer over sprietzeilen. Er werd in die jaren natuurlijk gekeken wie er naar aanleiding van de advertentie zich aanmeldden en er werd ter plekke een praktische indeling gemaakt. Het ging immers om een wedstrijd tussen heel verschillende werkscheepjes en niet om eenheidsklassen. Van jollen met een spriettuig bestaan geen historische afbeeldingen of concrete beschrijvingen. Wat we op oude foto’s wel zien, zijn jollen met een grootzeil met gaffel en soms wel/soms geen giek. Voor de mast wordt een fok en af en toe een kluiver gevoerd.

Van de drie tuigvormen (spriet, geen giek, wel een giek) zijn voor het Zuiderzeemuseum modellen gemaakt, waarvan ik alleen die twee toon waarvan aangetoond is dat die hebben bestaan. De jol met spriettuig valt dus af. Deze modellen tonen hoe in het midden van de vorige eeuw terug werd gekeken op de vormgeving van de vissersjollen. Ze laten ons niet zien waarom de vissers de giek weglieten en evenmin hoe zij het probleem dat daarbij zeiltechnisch ontstond, probeerden op te vangen met een langere gaffel. Zeilen zonder giek gaat aan de wind namelijk heel goed, maar bij ruimere wind niet. Dan trekt de schoothoek van het grootzeil naar binnen, het zeil spreidt zich niet goed en bij weinig wind valt het zelfs terug langs de mast. Dat wordt enigszins voorkomen door een wat langere en laagstaande gaffel te gebruiken.

Het gebruik van de giek is ook niet het eindstadium van een ‘voortschrijdend inzicht’ bij de vissers. Die wisten al lang dat je met een grootzeil met giek beter zeilt dan zonder. Ze waren bij de visserij de giek echter liever kwijt dan rijk. Stilliggend op de golven bij de netten hadden zij last van dat zwaaiende rondhout en ook het grootzeil kon hij niet in de kuip gebruiken waar hij immers moest werken met de netten.

Toen er met de jollen over veel grotere afstanden op de Zuiderzee gezeild werd om de ansjovis te vangen, werd de giek wel gebruikt. Op de plaats waar de beug werd geschoten werd de giek losgehaald en weggelegd.

Zeilplan van een Staverse jol, getekend door J.K. Gipon, met de roerkop van een Roosjenjol, maar de bolle kop van een Wildschutjol. Gipon tekende jollen volgens het Wildschutmodel. Het zeilplan is zoals dat gebruikelijk is geworden bij jachtjollen, met een korte, rechte gaffel. De vissers gebruikten langere gaffels, wat nodig was doordat zij geen giek wilden gebruiken.

Kenmerken van de Staverse jol gebouwd als vissersschip

1. De Staverse jol als werkschip

Vanaf 1890 zijn er op meerdere plaatsen scheepsbouwers die een vissersjol bouwen voor de lucratieve vangst van ansjovis met staand want. Vanaf die tijd komen er jollen op het water met iets andere vormen. Een bredere kop, een anders gevormde spiegel, een ronde kop, een bijna stompe kop of een duidelijk groter formaat. IJzeren jollen naast houten jollen. Alleen in globale zin worden deze scheepjes herkend als vissersjol, door de volle vorm, de (meer of minder) naar binnen vallende boorden, de gladde romp zonder berghout, de spiegel als van een sloep met aangehangen roer en de lange, ondiepe kiel. De lengte van de jollen varieert uiteindelijk van 5.20 meter tot 8.20 meter. De jollen van Roosjen hebben een relatief slanke, spitse kop, de jollen van Wildschut een volle kop waarbij de gangen onder een kleine hoek aansluiten op de voorsteven, terwijl er jollen zijn uit Broekerhaven en Urk die een geheel ronde kop hebben, waarbij de gangen haaks op de voorsteven staan. Ook de zeeglijn verschilt per scheepsbouwer. Al met al geeft deze veelvormige realiteit vooral ondersteuning voor een tolerante opvatting over de criteria waar een Staverse jol aan moet voldoen wil ze een Staverse jol genoemd kunnen worden.

3. Algemene kenmerken

De Staverse jol is een Rondbodem. Opvallend kenmerk van de Staverse jol is, dat de boorden naar binnen buigen. Die vormgeving komt overeen met het naar binnenvallende boeisel bij de meeste R&P-schepen. De vissersjol is echter helemaal glad. Het berghout van met daar boven het boeisel ontbreekt. Deze jol mist als zeilscheepje ook de zijzwaarden van de R&P-schepen. Het heeft een verdiepte doorlopende kielbalk die het verlijeren tijdens het zeilen moet tegengaan. Het achterschip van de jol is ook niet rond of spits als bij de andere vissersschepen van de Zuiderzee, maar is net als bij de spiegelsloepen vormgegeven met een min of meer hartvormige spiegel. Lange tijd is het daarom de vraag geweest of een Staverse jol wel bij de R&P-schepen ingedeeld moest worden.

4. Verschillen in vormgeving bij Staverse jollen

Dat er tussen de vissersjollen allerlei verschillen in vorm bestaan, is vanzelfsprekend. De jollen zijn niet gebouwd als ‘eenheidsklasse’ voor wedstrijden. Ze hoefden helemaal niet aan uniformerende criteria te voldoen. Ze werden gebouwd naar wens van de visser die een jol wilde hebben van bepaalde afmeting. Die visser ging daarbij naar een scheepsbouwer waar hij vertrouwen in had en die aan zijn wensen kon en wilde voldoen. Er was ook geen sprake van een ‘ontwikkelingslijn’ bij vissersjollen door de jaren heen. Waarschijnlijk waren de eerste jollen na 1860 vrij kleine scheepjes, maar het is niet zo dat de jollen veertig jaren later vanwege de vangst van ansjovis allemaal groter zijn dan die uit de beginfase. De ST43 die Roosjen rond 1865 bouwde, is slechts 5.20 meter lang, terwijl de ST4 die Wildschut in 1904 bouwde, 7.60 meter lang is en 3.00 meter breed. In 1901 bouwde Roosjen echter nog de HL62, die slechts 5.60 m. lang en 2.20 m. breed is, maar ook de ST16 van 6.25 lang en 2.90 m. (!) breed terwijl Wildschut in 1910 de WON17 van 8.20 meter afleverde.

Ook over een ontwikkeling in de afmetingen van jollen of bij de lengte-breedte verhouding ervan is historisch gezien geen eenduidige lijn te ontdekken. De vorm van de romp kent allerlei variaties, hoewel het niet moeilijk is ondanks al die kleine vormverschillen deze vissersjollen toch als ‘Staverse jol’ te herkennen. De basisvorm is die van een open of halfgedekt scheepje met een lengte van ruim vijf (ST43) tot ruim acht (WON 17) meter, met naar binnen gebogen boorden, een volle kop die wat spitser of wat ronder of stomper kan zijn en een spiegel als bij een spiegelsloep met aangehangen roer. Meestal niet zichtbaar, want onder water, hebben jollen een verdiepte kielbalk over de hele lengte van het schip.

De verschillen in rompvormen bij vissersjollen zijn al vroeg benadrukt door J.K. Gipon. Hij zag dat de jollen van Wildschut uit Gaastmeer met meer ronding werden gebouwd dan de jollen van Roosjen uit Stavoren. Een opvallend verschil tussen de beide scheepsbouwers laat hij echter onvermeld: Roosjen bouwde jollen met een relatief slanke, scherpe kop, terwijl Wildschut zijn jollen een ronde en vrijwel stompe kop hebben. Dat verschil is uiteraard goed te zien op de waterlijn. De Roosjenjollen hebben in de kop een veel scherpere waterlijn dan de Wildschutjollen.

Van de overgebleven herfstjollen is voor zover bekend slechts één lijnentekeningen gemaakt, in 1956, voor het Zuiderzeemuseum, waarbij een jolletje is opgemeten dat waarschijnlijk omstreeks 1894 door Ids Strikwerda is gebouwd. Van de Wildschutjollen is veel later een jachtjol opgetekend, de AM 33. De jachtontwerper J.K. Gipon heeft vanaf de vijftiger jaren heel zorgvuldig oude vissersjollen van het Wildschuttype opgemeten en zijn gegevens omgezet in lijnenplannen. Zijn ontwerpen van Staverse jollen voor de recreatie zijn gebaseerd op deze historische reconstructies. De vormen van het Wildschutmodel zijn dankzij Gipon veel beter vastgelegd en bekend gebleven dan de vorm van de jollen die Roosjen bouwde. Van de Roosjenjollen die overgebleven zijn, bestaan vooral foto’s en geen lijnenplannen. In Stavoren had Ids Strikwerda vanaf 1878 (toen Roosjen nog werfbaas was op de werf binnen de zeesluis) een werfje op de Stadsfennne aan de zuidkant van Stavoren. Van de jollen die hij daar bouwde, is niet veel bekend, behalve dat de HL53 van de fam. Perdijk daar gebouwd is. Restaurateur Machinus de Jonge van het ZZM heeft in 1960 een replica gemaakt van een herfstjol die rond 1894 in Stavoren bij Strikwerda of bij Roosjen gebouwd zou zijn. Dat scheepje is in 1956 opgetekend en in 1957 gesloopt. De replica die De Jonge in 1960 bouwde, heeft jarenlang in de schepenhal van het museum gestaan. De opgemeten herfstjol is van 1895 tot 1950 eigendom geweest van de fam. Van Meeteren uit Haarlem, die het scheepje in 1950 aan het museum schonk.

De variaties in vorm beperken zich niet tot de kop van de jollen, van geheel stomp tot scherp. De vorm van de spiegel varieert ook, van eenvoudig V-vormig met verticaal opgebogen top (bij veel Roosjenjollen) tot barokke ui-vorm bij Wildschutjollen. De boorden zijn bij veel in Holland gebouwde jollen slechts weinig naar binnen gebogen, terwijl de boorden van Wildschutjollen juist flink rond lopen. De ronding in die boorden kan vrij hoog zitten, halverwege het vrijboord, maar ook veel lager tot net boven de waterlijn. De verhouding tussen lengte en breedte van vissersjollen is heel verschillend, van 3 : 1 (bij de WK 2) tot bijna 2 : 1 (bij de ST 16). Vervolgens zijn er historische vissersjollen met opvallend weinig zeeg, naast jollen met een markante zeeg in het voorschip en een strakke lijn naar de spiegel en jollen die een regelmatige zeeg vertonen over de gehele lengte van het potdek. Onder water kan de doorlopende kiel per schip verschillend van diepte zijn, waarschijnlijk afhankelijk van de diepte van het water waar de visser z’n netten wil uitzetten. Een loefbieter ontbreekt soms, of is heel bescheiden, of geïntegreerd in een verbreding van de voorsteven die in een rechte lijn naar de onderkant van de kiel is doorgetrokken. Tenslotte is er natuurlijk de vorm van het roer. De scheepsbouwers blijken het aangehangen roer op details naar eigen smaak vorm te geven. Roosjen maakte een relatief smal roer met een hoge, rondlopende roerkop: ‘het voorover vallend hoedje’. Bij Wildschut is het roer een slag breder en is de roerkop zoals door Gipon getekend. En natuurlijk kan bij andere bouwers alles daar tussen in zijn.

De loefbieter bij de vissersjollen

Veel R&P-schepen hebben een duidelijke loefbieter aan de voorsteven, direct vanaf de waterlijn vooruitstekend, om het schip aan de wind goed op koers te houden. Bij vissersschepen is dat niet altijd het geval. Vissers willen geen uitsteeksels onder water waar de netten achter kunnen blijven hangen. De meeste vissersjollen hadden een heel bescheiden loefbieter die niet vooruitstak. Er zijn er echter ook zonder en er zijn jollen met een verbrede voorsteven, zodat de loefbieter is opgenomen in het doodhout.

  • Lourens Metz, Urk (vanaf ca. 1890)
  • Symen Jordens, Broekerhaven (omstreeks 1900)
  • W.F. Stoel & Zn., Alkmaar, rond 1900 (de ijzeren “Stavorensche Bomboot”, de huidige KH44. In Kolhorn lag in die tijd ook nog een tweede ijzeren jol, KH43)
  • Jan Jonk & Zn., Kolhorn (vanaf omstreeks 1890)

Waarschijnlijk zijn er ook in Workum bij Zwolsman, in Hindeloopen bij Wijbrands en elders aan de Hollandse kust diverse vissersjollen gebouwd. Daar zijn echter (nog) geen bevestigde gegevens van bekend.

Typebeschrijving van de Staverse jol gebouwd als jacht

1. Geschiedenis van de Staverse jol als jacht

De Staverse jol is een vissersscheepje van ca. 6 meter lengte dat begin 1860 in Stavoren voor het eerst werd gebouwd door Douwe Roosjen voor een paar plaatselijke aalvissers. Douwe Roosjen was in 1860 werfbaas geworden op de scheepswerf die Jhr. Mr. J.H.F.K. van Swinderen, de burgemeester van Gaasterland, als financier van de werf in 1846 tien jaren later verworven had, nadat de werfbaas failliet was verklaard. Roosjen werkte voor die tijd als scheepstimmerman op de werf van Wijbrands in Hindeloopen. Daar bouwden ze onder meer Hindelooper zeesloepen. Waarschijnlijk is dat de reden dat de vissersjol die Roosjen bouwde, veel weg heeft van een karveel gebouwde sloep.

Tegen alle verwachtingen in, zijn Staverse jollen populaire Rondbodemjachten geworden. Dat is opvallend, omdat deze voormalige vissersscheepjes aanvankelijk slechts een beperkte groep zeilers aansprak. Maar dat waren dan ook liefhebbers van die norse, lompe scheepjes, die op het binnenwater, maar moeizaam op gang kwamen en het moesten hebben van het ruimere water en een niet te zwakke wind. Die populariteit is vooral te danken aan de ontwerper Jaap Gipon, die een groot deel van z'n leven zelf in een oude, houten jol zeilde die gebouwd was bij Wildschut in Gaastmeer. Gipon tekende houten jachtjollen die sprekend leken op de houten vissersjollen van weleer, maar dat waren niet de ontwerpen die het deden. Zijn wat grotere jollen tussen de 7 en de 8 meter, gebouwd in staal en meestal voorzien van een kajuit, werden in de welvarende zeventiger en negentiger jaren populair bij zeilers die wel met een traditioneel schip wilden varen, maar liever niet het werk met zijzwaarden erbij deden. De wat grotere jollen van Gipon zijn ruim, gemakkelijk te zeilen en behoorlijk snel. Bovendien zijn het om te zien `echte' Staverse jollen. Het is zonder meer aan Gipon te danken, dat er op dit moment zoveel Staverse jollen op het water te zien zijn.

2. Beschrijving van de Staverse jol als jacht

Een vissersjol is voor maar weinig mensen zonder aanpassing een aantrekkelijk scheepje voor de recreatievaart. Als een oude vissersjol overging naar ‘de recreatie’, werd zo’n scheepje vrijwel steeds aangepast aan wensen van de watersporter. Meestal werd een voormalige vissersjol voorzien van een roef, wat eenvoudig kon, want een vissersjol was een ‘droog’ schip, d.w.z. ze had geen bun om te vis in te bewaren. Het betekende wel, dat de steekmast strijkbaar moest worden gemaakt en in een mastkoker kwam te staan. Het hele tuig kwam daarmee enige decimeters hoger op de romp te staan, terwijl het zwaartepunt van de romp al hoger kwam te liggen door het gewicht van de kajuitopbouw. Voor de stabiliteit van de jol moest daarom ballast worden aangebracht. Dat kon in de kiel, waar de kiel echter niet op gemaakt was, of op het vlak onder de kajuitvloer. Gipon ging zijn jachtjollen om die reden iets breder tekenen dan de vissersjollen om zo het verlies aan stabiliteit te compenseren. Door de roef werd de open kuip uiteraard veel kleiner. Voor de bemanning werd het krap in het kuipje waar ook het helmhout ruimte nodig had. De grootschoot werd bij de jachtjollen op een overloop gevoerd die op de spiegel werd geplaatst, zodat de bemanning zo weinig mogelijk last had van de schoot. Vissers deden dat niet. Die hadden juist last van zo’n overloop.

Vooral vanaf 1930 werden er jachtjollen ontworpen en gebouwd voor watersporters. Die jollen waren gemiddeld iets groter dan de gemiddelde lengte van de vissersjollen, zo tussen de 6.50 en 9.50 meter lang. Omdat veel watersporters anders dan de vissers een luxejacht wensten, werden er ook jachtjollen ontworpen die in vrijwel niets meer leken op de eenvoudige vissersjollen, behalve dat de globale vorm dezelfde bleef. Diverse jachtjollen werden ook van een berghout voorzien. Niet alleen voor de sier, maar zeker ook om te voorkomen dat de romp zou beschadigen bij het aanleggen. Uiteindelijk zijn de jachtjollen vanaf de zestiger jaren van de vorige eeuw verder ontwikkeld en wijken ze op dit moment behoorlijk af van de oorspronkelijke vissersjollen. Dat is natuurlijk ook niet zo vreemd, want watersporters stellen heel andere eisen aan hun scheepje dan vissers. Deze ontwikkelingen maken het echter wel lastig om uniforme criteria vast te leggen voor het uiterlijk van een Staverse jol.

3. Tuigage

Het oorspronkelijke spriettuig van de vissersjollen is geëvolueerd tot het tuig zoals wij dat kennen en bijvoorbeeld getekend is door J.K. Gipon. Een vrij laag boeiertuig (grootzeil, fok en kluiver) waarbij het grootzeil een korte, rechte gaffel heeft die vrij laag staat. Ongeveer onder een hoek van 30 graden.


Kenmerken van de Staverse jol gebouwd als jacht

2. De Staverse jol als jacht

Een vissersjol is voor maar weinig mensen zonder aanpassing een aantrekkelijk scheepje voor de recreatievaart. Als een oude vissersjol overging naar ‘de recreatie’, werd zo’n scheepje vrijwel steeds aangepast aan wensen van de watersporter. Meestal werd een voormalige vissersjol voorzien van een roef, wat eenvoudig kon, want een vissersjol was een ‘droog’ schip, d.w.z. ze had geen bun om te vis in te bewaren. Het betekende wel, dat de steekmast strijkbaar moest worden gemaakt en in een mastkoker kwam te staan. Het hele tuig kwam daarmee enige decimeters hoger op de romp te staan, terwijl het zwaartepunt van de romp al hoger kwam te liggen door het gewicht van de kajuitopbouw. Voor de stabiliteit van de jol moest daarom ballast worden aangebracht. Dat kon in de kiel, waar de kiel echter niet op gemaakt was, of op het vlak onder de kajuitvloer. Gipon ging zijn jachtjollen om die reden iets breder tekenen dan de vissersjollen om zo het verlies aan stabiliteit te compenseren. Door de roef werd de open kuip uiteraard veel kleiner. Voor de bemanning werd het krap in het kuipje waar ook het helmhout ruimte nodig had. De grootschoot werd bij de jachtjollen op een overloop gevoerd die op de spiegel werd geplaatst, zodat de bemanning zo weinig mogelijk last had van de schoot. Vissers deden dat niet. Die hadden juist last van zo’n overloop.

Vooral vanaf 1930 werden er jachtjollen ontworpen en gebouwd voor watersporters. Die jollen waren gemiddeld iets groter dan de gemiddelde lengte van de vissersjollen, zo tussen de 6.50 en 9.50 meter lang. Omdat veel watersporters anders dan de vissers een luxejacht wensten, werden er ook jachtjollen ontworpen die in vrijwel niets meer leken op de eenvoudige vissersjollen, behalve dat de globale vorm dezelfde bleef. Diverse jachtjollen werden ook van een berghout voorzien. Niet alleen voor de sier, maar zeker ook om te voorkomen dat de romp zou beschadigen bij het aanleggen. Uiteindelijk zijn de jachtjollen vanaf de zestiger jaren van de vorige eeuw verder ontwikkeld en wijken ze op dit moment behoorlijk af van de oorspronkelijke vissersjollen. Dat is natuurlijk ook niet zo vreemd, want watersporters stellen heel andere eisen aan hun scheepje dan vissers. Deze ontwikkelingen maken het echter wel lastig om uniforme criteria vast te leggen voor het uiterlijk van een Staverse jol.

De eerste Staverse jollen (voor de recreatie) waren oude vissersjollen die overgenomen werden van vissers die met de visserij stopten of een ander schip aanschaften. In de dertiger jaren had scheepstimmerman Jan Valk uit Stavoren veel klandizie van particulieren die een vissersjol wilden laten verbouwen tot een jachtjol door er een roef op te zetten en de mast strijkbaar te maken. De gebroeders Wildschut maakten in die tijd reclame met hun Staverse jollen voor de recreatievaart, die direct als nieuw schip reeds uitgerust waren als jacht, natuurlijk ook met een kajuitje. Na de Tweede Wereldoorlog werd Jaap Gipon als ontwerper van jollen (en andere platbodemjachten) bekend. Zijn Staverse jollen werden al spoedig niet meer ontworpen als houten jacht, maar als een jacht van staal dat gelast werd. Zijn stalen ontwerpen van Staverse jollen, voorzien van een kajuit, werden met opzet breder getekend dan de oorspronkelijke vissersjollen, om het verlies aan stabiliteit te compenseren dat ontstond door de relatief zware opbouw.

Jaap Gipon was niet de enige ontwerper van Staverse jollen voor de recreatievaart. Reeds in de dertiger jaren werden de luxe jachtjollen van H. Tingen bekend, die gebouwd werden bij Huisman in Ronduite aan de Beulakerwijde. Dat waren grote jachtjollen, gebouwd van eikenhout met heel smalle gangen, voorzien van een berghout en met de luxe afwerking van de duurdere jachten uit die tijd. Zijn ontwerp van de ‘Rob’ uit 1935 is opvallend. Het wijkt af van de dominante vormen van de Wildschutjollen. Tingen ontwierp grote, luxe jollen, met vormen die veel leken op die van de Roosjenjollen. Maar wel met een iets afwijkende kiel die laag begint en dieper eindigt. Ook ontwierp hij in 1935 de stalen jol ‘Bram’ die eveneens een zo’n aangepaste kiel heeft, maar die juist niet slank is gebouwd. De Bram heeft een uitgesproken brede, ronde kop in tegenstelling tot de ‘Rob’. Een aantal van zijn jollen heeft een grootzeil met een gebogen gaffel, andere hebben de korte rechte gaffel die bij jachtjollen gebruikelijk is geworden. Bij de Rob van H. Tingen vallen de vloeiende lijnen op zoals ook de Roosjenjollen hebben. De 7-meter jol van Gipon is typisch een Wildschutjol met een opvallend brede spiegel, waardoor er veel ruimte in de kuip is.

De jachtontwerper Johan Elsinga uit Workum heeft in de zeventiger jaren twee houten jollen ontworpen en laten bouwen bij Joh. van der Meulen in Sneek. De kleine jol is 7.50 meter lang, de grote 9.50 meter. Beide jollen vallen op door een heel slanke vormgeving, met een kop zo spits als bij de jollen van Roosjen, maar nu bij een schip dat veel langer is. De verhouding tussen lengte en breedte is 3 : 1, wat voor een jol dus erg smal is. Niet iedereen blijkt door deze vormgeving gecharmeerd te zijn. Juist jollenzeilers met originele vissersjollen menen dat deze jollen van Elsinga er ‘niet uitzien’. Dat oordeel is echter juist voor deze jollenliefhebbers wat vreemd, aangezien de vorm van de jollen van Elsinga aansluit bij die van Roosjen. Alleen zijn deze jollen flink wat groter en valt de spitse kop op in vergelijking met de dominante volle koppen van de Wildschutjollen.

Op de jachtwerf van Kok in Muiden zijn houten jollen gebouwd de ontwerper J. Goedkoop. De ontwerpen uit 1938  van 7.50 meter en 6.75 meter vallen op, omdat de boorden nauwelijks naar binnen vallen. Ook zijn deze jollen voorzien van een berghout en is de kiel aangepast zoals bij Tingen: naar achter toe dieper wordend. Zeiltechnisch verklaarbaar om de jol minder loefgierig te maken, maar wel afwijkend van de kiel van de vissersjollen.

Bijna alle jachtjollen voeren de grootschoot over een overloop die op de spiegel is gemonteerd. De vissersjollen hadden echter geen overloop. Daarmee zou het helmhout de vissers in de weg zitten tijdens het werk en de jol minder bestuurbaar maken bij het achteruit varen bij de beug.

Geen sprake van uniformiteit bij de Staverse jol als jacht

Vanaf 1930 werden niet alleen vissersjollen omgebouwd tot Staverse jol (als jacht), maar werden ook nieuwe houten jachtjollen gebouwd, vooral bij Wildschut in Gaastmeer, waar in 1938 zelfs een jachtjol van 9.50 meter op stapel werd gezet voor een Engelse opdrachtgever. Bij Huisman in Ronduite werden enige grote, luxe jollen gebouwd, ontworpen door H. Tingen. Deze jollen werden altijd voorzien van een kajuit en strijkbare mast.

Vanaf de zestiger jaren werd de Staverse jol populair onder watersporters dankzij de ontwerpen van J.K. Gipon. Jollen werden in die tijd als toerjacht gebruikt, waarmee tochten werden gemaakt. Deze scheepjes waren om die reden altijd voorzien van een kajuit. Gipon ontwierp steeds grotere stalen jollen, alle met de uiterlijke kenmerken van de Wildschutjol. Daarbij was het onvermijdelijk, dat ook ingespeeld werd op de wensen van de opdrachtgevers, de kopers, die natuurlijk op de hoogte waren van de technologische ontwikkelingen bij de jachtbouw. De Staverse jollen kregen daarom steeds vaker kenmerken van een modern jacht en gingen steeds minder lijken op de vissersjol waar zij uit voortkwamen.

Maar, wat dan te zeggen van jollen met een berghout? Dat kwam bij vissersjollen niet voor. Aan de Hollandse kust werden vissersjollen gebouwd met vrijwel rechtop staande boorden. Als dat ook Staverse jollen worden genoemd, dan zijn de naar binnen vallende boorden geen criterium meer voor de Staverse jol.

Is er een begrenzing nodig wat betreft de lengte van de jollen? De grootste vissersjol was de WON17 met 8.20 meter. Die jol was een uitzondering. De meeste vissersjollen waren ruim 6 tot ruim 7 meter lang. Wat als er een jachtjol wordt gebouwd van bijvoorbeeld 10 meter lang? Is dat nog een Staverse jol of moet voor zo’n schip maar een andere naam bedacht worden?

3. Algemene kenmerken

Opvallend kenmerk van de Staverse jol is, dat de boorden naar binnen buigen. Die vormgeving komt overeen met het naar binnenvallende boeisel bij de meeste platbodemschepen. De vissersjol is echter helemaal glad. Het berghout van de platbodems met daar boven het boeisel ontbreken. Deze jol mist als zeilscheepje ook de zijzwaarden van de platbodems. Het heeft een verdiepte doorlopende kielbalk die het verlijeren tijdens het zeilen moet tegengaan. Het achterschip van de jol is ook niet rond of spits als bij de andere vissersschepen van de Zuiderzee, maar is net als bij de spiegelsloepen vormgegeven met een min of meer hartvormige spiegel. Lange tijd is het daarom de vraag geweest of een Staverse jol wel bij de platbodemschepen ingedeeld moest worden.

4. Verschillen in vormgeving bij Staverse jollen

Dat er tussen de vissersjollen allerlei verschillen in vorm bestaan, is vanzelfsprekend. De jollen zijn niet gebouwd als ‘eenheidsklasse’ voor wedstrijden. Ze hoefden helemaal niet aan uniformerende criteria te voldoen. Ze werden gebouwd naar wens van de visser die een jol wilde hebben van bepaalde afmeting. Die visser ging daarbij naar een scheepsbouwer waar hij vertrouwen in had en die aan zijn wensen kon en wilde voldoen. Er was ook geen sprake van een ‘ontwikkelingslijn’ bij vissersjollen door de jaren heen.

De loefbieter bij de vissersjollen

Veel platbodems hebben een duidelijke loefbieter aan de voorsteven, direct vanaf de waterlijn vooruitstekend, om het schip aan de wind goed op koers te houden. Bij vissersschepen is dat niet altijd het geval. Vissers willen geen uitsteeksels onder water waar de netten achter kunnen blijven hangen. De meeste vissersjollen hadden een heel bescheiden loefbieter die niet vooruitstak. Er zijn er echter ook zonder en er zijn jollen met een verbrede voorsteven, zodat de loefbieter is opgenomen in het doodhout.

Publicaties over de Staverse jol in het Stamboekarchief

Staverse jollen zijn vissersscheepjes voor de Zuiderzee

Advertentie uit de Nederlandsche Schippersalmanak van 1906. Op dat moment beveelt Ids Strikwerda nog zijn werf op de Stadsfenne aan, de tweede werf van de sluis

Staverse jollen zijn vanaf 1860 door scheepsbouwer Roosjen in Stavoren ontwikkeld voor de plaatselijke aalvisserij

Tussen 1860 en 1880 worden er slechts 8 jollen gebouwd, maar na 1883 worden ze met succes gebruikt voor de vangst van haring en ansjovis en dan verschijnen er in dertig jaar tijd meer dan 200 vissersjollen in de noordelijke Zuiderzee.
Vanaf 1896 worden deze vissersjollen ook gebouwd in Gaastmeer, door de gebroeders Wildschut. Die zijn in dat jaar hun vaste klanten kwijtgeraakt van het onderhoud aan palingaken en 'ielbûsen'. Wildschut begint met succes houten vissersjollen te bouwen en vanaf 1904 ijzeren jollen. Na de Eerste Wereldoorlog worden er geen nieuwe vissersjollen meer gebouwd.

In Stavoren verkoopt Ids Strikwerda zijn werf in 1918 en in Gaastmeer emigreren twee gebroeders Wildschut en koopt de derde broer, Jetze, in 1924 de werf. Hij schakelt met zijn zoon Lourens over op jachtbouw en bouwt niet alleen BM-ers, maar ook veel jachtjollen: d.w.z. Staverse jollen met een kajuitje voor de pleziervaart.
Overigens is de naam 'Staverse jol' pas later aan deze scheepjes gegeven. Roosjen en Strikwerda adverteren (tot 1917) met de bouw van "Stavorensche sloepen en visschersjollen". Met die laatste scheepjes werden de huidige Staverse jollen bedoeld.

De vorm van de jol

De merkwaardige vorm van de jol is door Roosjen ontwikkeld in samenspraak met de gebruikers, de vissers in Stavoren, Molkwerum en Laaksum. Die willen geen gewone sloep zoals Roosjen gewend is te bouwen op de werf in Hindeloopen, maar een sterk zeilschip dat optimaal geschikt is voor het gebruik langs de kust. Met volledig gladde boorden (zodat de netten gehaald konden worden zonder kans op beschadiging langs uitsteeksels of berghouten). Boorden die bovendien naar binnen buigen (zoals het boeisel bij platbodems), wat het werk aan en met de netten gemakkelijker maakt. Met een ondiepe kiel om te kunnen zeilen, die bovendien doorloopt over de gehele lengte van het schip, waardoor het schip rustig op het roer ligt, weinig diepgang heeft en gemakkelijk op het droge te trekken is. Achteraf moeten we vaststellen, dat de ontwikkeling van de Staverse jol door Roosjen een bijzonder innovatief project is geweest. De typische kenmerken van de jol (geheel gladde boorden, naar binnengebogen en de lange kiel) komen in die tijd bij geen enkel ander regionaal bekend vaartuig voor.

Van Vissersjol naar Jachtjol - Dirk Huizinga

De jol kent een geschiedenis van ruim 150 jaar, voor 1900 als vissersjol en daarna als Staverse jol. Na 1970 is de jol een bekende verschijning geworden op onze wateren als een in staal gebouwde jachtjol. Daarvoor waren er een aantal houten jollen uit de visserij door liefhebbers getransformeerd als pleziervaartuig en zijn er voor 1955 een aantal houten jachtjollen gebouwd. Dirk stelt in zijn verhaal de vraag of plezierjachten, gebouwd in hout voor 1955 en in staal na 1970 een autonome ontwikkeling kennen en er dus mogen afwijken van de oorspronkelijke vissersjollen.

De 'Lady of Stavoren', een jachtjol.. Twee jaren voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in 1938, bestelde een Engelsman een eiken jachtjol van 9. 50 meter bij Jetze Wildschut, om ermee te varen langs de Engelse oostkust.

Dirk Huizinga schrijft: “De” jol bestaat niet

Dit soort schepen is niet als eenheidsklasse ontworpen. Maar, anders dan bij de Lemsteraken, zijn er geen schepen van andere oorsprong ‘Staverse jol’ gaan heten omdat die benaming voordeel bracht.
Als je de kenmerken van een Staverse jol vastlegt als zijnde ‘type zuiver’, dan ben je daar niet zomaar vanaf. Ook niet als later blijkt dat ‘de’ Staverse jol nooit ‘zuivere’ types heeft gekend. De vissersjollen waren eigenlijk allemaal ietsje verschillend, maar kwamen tegelijkertijd in grote lijnen met elkaar overeen, zodat ze als Staverse jol herkend werden.
Gipon heeft gewezen op twee types, die uit Stavoren en die uit Gaastmeer. De laatsten hebben meer ronding en hebben de bekende hartvormige spiegel. De jollen uit Stavoren hadden een spiegel met wat minder barokke vormgeving. Wat V-vormig met het bovenste deel omhoog gebogen. Gipon ging helemaal voorbij aan de grote verschillen in de kop tussen de Roosjenjol (spits) en de Wildschutjol (bol).
De ST36 is in Broekerhaven gebouwd en heeft een kop die helemaal rond is, terwijl Wildschut nog altijd ietsje V-vorm op de waterlijn heeft. De spiegel is bij latere bouwers ook een object van vrije vormgeving. Pier Piersma maakt jollen met een spiegel met de vorm van een sierlijk wijnglas, terwijl zijn kop rond is als bij een boeier. De jollen van Huisman hebben ook een eigen vormgeving. De vissersjollen van de Hollandse kust hebben vaak boorden die nauwelijks naar binnen buigen en ook vrij eenvoudig vormgegeven spiegels. Bij zoveel verscheidenheid is het dus heel moeilijk om normen te geven voor een ‘type-zuivere’ jol.

“De” Staverse jol bestaat niet: De verschillen in jollen

Spiegel der Zeilvaart oktober 1985 nummer 8 - De bouw van een Gipon Staverse jol bij De Scheepsbouwers

Om een goede indruk te krijgen van de fraaie spantvorm en de constructie van een Staverse Jol, volgden we de bouw van een zeven meter jol naar ontwerp van J. K. Gipon op de werf van „De Scheepsbouwers" in Werkendam. Het casco werd in het voorjaar gebouwd en de eigenaar verzorgt het schilderen, aftimmeren en tuigen geheel zelf. Er is deze vakantie zelfs al enige weken met de jol gezeild. Na deze winter zal alles echt klaar zijn. Dankzij het feit dat Slem de Vries met zijn helpers alle onderdelen prefab klaar had staan, hoefde het geduld van de fotograaf en van de trotse eigenaar niet te lang op de proef worden gesteld.

Het casco is gebouwd van gestraalde plaat die op afgedekte vrachtwagens wordt aangevoerd. De platen en profielen moeten direct binnen in een loods worden opgeslagen. Nadat het casco is afgelast en de naden geslepen, kan ontvet worden en de basislagen kunnen direct op het kale staal worden aangebracht. Het voordeel van voorgestraalde plaat is dat werkelijk alle hoekjes en gaatjes zijn gestraald, en ... er liggen nergens straalkorrels meer


De Staverse jol in het boek "Ronde en Platbodemjachten" van mr. Dr. T. Huitema (eerste druk 1962, laatste druk 2000)

Mr. Dr. T. Huitema schrijft:
In het algemeen worden bij de visserij op de Zuiderzee twee hoofdgroepen van netten onderscheiden, het gaande en het staande want. Het gaande want wordt, zoals de naam reeds aanduidt, door de schepen voortgesleept en weer onderverdeeld in sleepnetten en kuilnetten, terwijl ook de zegen tot deze groep behoort. Het staande want, dat daarentegen stil in zee blijft staan of hangen, wordt onderverdeeld in de haringreep, ansjovisreep, spieringnet en botnet. Ook het hoekwant of beug en de fuiken worden hiertoe gerekend.69 Bij de visserij met gaand want is steeds een flink vaartuig nodig om de netten door het water te trekken. Soms slepen zelfs twee van dergelijke vaartuigen in span, zoals bij de wonderkuil en het rechthoekig sleepnet. Bij de ansjovisvisserij, die vooral werd beoefend in de buurt van Stavoren en van Medemblik, waar de kust vele bochten vertoont en waar weinig stroom stond, werden evenwel dunne netten gebruikt die met dreggen werden vastgelegd. Deze netten hadden geen reep en het ophalen gebeurde dus aan de netten zelf.

Ronde en Platbodemjachten - Standaardwerk onder redactie van Mr. Dr. T. Huitema
Verschillen in spiegels tussen de jollen uit Stavoren en Gaastmeer

De grote schepen, zoals botter en Lemsteraak, waren voor dit werk, dat dikwijls in ondiep water werd uitgevoerd, minder geschikt terwijl bovendien het gevaar bestond dat de zeer fijne netten bij het binnenhalen door uitstekende delen, zoals zwaarden en bolders, beschadigd zouden worden. Dus werd achter deze vaartuigen een kleine boot, vlet, sloep, tjotter of kubboot gebruikt om de netten te zetten en te halen. Aanvankelijk maakte men vooral gebruik van de sloepen die ook bij de palingvangst dienst deden, waarbij al spoedig bleek dat de uit de buurt van Vollenhove afkomstige sloepen met hun tamelijk volle kop het beste voor dit werk geschikt waren. Een tweetal vissers, J. Visser uit Stavoren en M. Zeldenrust uit Molkwerum, lieten daarom bij de werf van J. Strikwerda in Stavoren ieder een speciale boot voor de ansjovisvangst bouwen met een volle, ronde kop.
Dat werden de eerste Staverse of ansjovisjollen, ook wel herfst- of fuikenjollen genoemd. Beide schepen waren geheel open en 18 voet lang. Ze werden eerst alleen gesleept, maar kregen later ieder een spriettuig. Uitstekende gedeelten - bolders, pennen, berghouten en zwaarden - waren weggelaten om beschadiging van de netten te vermijden. Ook het invallen van de zijden zal hiermee allicht verband houden.

Het juiste bouwjaar van beide jollen is niet bekend, wèl echter wanneer de jol van Zeldenrust werd gesloopt. Dat was 1916-17. Daarbij bleek, dat de kiel eerst laag was geweest, maar later hoger was gemaakt om - volgens de eigenaar - de zeilcapaciteiten te verhogen.

Met de ansjovisvisserij werd in die dagen dik geld verdiend. Iedereen wilde eraan meedoen: viszouters werden reders, boeren kochten een schip en lieten er arbeiders mee vissen; tjalkschippers en binnenschippers bleven niet achter, en op een gegeven ogenblik had zelfs de dorpsveldwachter een tjottertje met netten in zee! Het jaar 1890 was een topjaar en tot ongeveer 1900 bleven de inkomsten goed. De inmiddels machinaal gebreide netten werden groter, zodat voor het stouwen daarvan tezamen met het touwwerk, de dreggen, de stenen en de vis meer ruimte nodig was. De schepen werden dus groter, tot 22 voet, de mast ging naar voren terwijl een ijzeren botteloef werd geplaatst en er een kluiverboom bij kwam om een kluiver te kunnen voeren. En zo'n complete jol kostte in 1896 niet meer dan f 500.-.
In die jaren had Stavoren ruim vijftig jollen en de aangrenzende gemeente Hemelumer Oldephaert ongeveer negentig, verdeeld over de dorpen Warns, Molkwerum, Koudum en Laaxum.

Natuurlijk was Strikwerda niet in staat al deze schepen te bouwen, maar ook Roosjen in Stavoren en vooral Wildschut in Gaastmeer gingen zich op deze jol toeleggen, terwijl eveneens in Workum, Hindelopen en zelfs in Balk in die tijd jollen werden gebouwd. De boten die in Gaastmeer werden gebouwd, waren voller en in de kop dikker dan die uit Stavoren. De vorm van de spiegel verschilt daardoor eveneens en is bij de jollen uit Gaastmeer duidelijker hartvormig. In Stavoren werd een hoge ronde roerkop en in Gaastmeer een lagere, langere roerkop gemaakt. De jollen uit Gaastmeer hebben dikwijls een zetboord, terwijl de brede huidgangen enigszins hoekig tegen elkaar aansluiten. Sommige jollen hadden slemphouten (stevenknieën). Er is evenwel een zodanige variatie, dat de juiste kenmerken voor een bepaalde plaats moeilijk scherp zijn aan te geven. In zekere zin zou men kunnen zeggen, dat bij de in Stavoren gebouwde schepen de jolvorm nog te herkennen is, terwijl bij die uit Gaastmeer vormen voorkomen, die aan een 'skûtsje' doen denken. De jollen afkomstig uit Hindelopen en Workum kwamen vrijwel overeen met de door Wildschut gebouwde schepen. Na 1900 werden de inkomsten uit de ansjovisvisserij steeds minder en ging ook de vloot achteruit. De werkelijke beroepsvissers bleven over, hun grote schepen waren 'op', ze sleepten niet meer op haring of bot, maar visten ook op haring met staand want. De jol werd ook voor dit werk gebruikt; ook tijdens het ruwe voorjaar. Daarom liet men schepen bouwen tot 24 voet - een enkele zelfs nog groter, waarbij voor de mast een vaste plecht met vooronder kwam. Daarvóór was met het oog op het overnachten wel een los voordek, een zogenaamde blaasbalg of tent, gebruikt dat met een schotje omhoog werd gezet. Bij vele visboten en ook bij tjotters en Friese jachten wordt dezelfde constructie toegepast. In de zomermaanden - slechte tijd voor de beroepsvisser - werden de jollen gebruikt bij het steenzetten aan de glooiing der zeedijken, waar omstreeks de eeuwwisseling de palen werden vervangen door stenen.

De kleine ansjovisjollen voerden een spriettuig met kleine fok, die op de steven gevaren werd. De grotere jollen kregen een bezaantuig, bestaande uit grootzeil met rechte gaffel en losse broek, een stagfok die gewoonlijk op een ongeveer 40 centimeter lange, ijzeren botteloef wordt gevaren en een kluiver op een kluiverboom.

De stabiliteit van een Staverse jol is groot. Dit komt niet alleen door de grote breedte, maar ook doordat deze breedte voor en achter de mast goeddeels behouden blijft. Dit is duidelijk te zien aan het verloop van de waterlijn, die van de voorsteven direct breed uitloopt en deze breedte over het grootste deel van de lengte van de boot behoudt, om dan met een korte, maar goed gevormde kromming naar de achtersteven te eindigen. Daarbij komt dat door de buikige vorm van de spanten, waarbij de grootste ronding van de kimmen juist op de waterlijn ligt, de stabiliteit bij geringe helling nog toeneemt. Bij een grote helling zal de jol echter sterk gaan afdrijven, doordat de kiel achter de ondergedompelde kim komt te liggen en daardoor onvoldoende zijdelingse weerstand biedt. De kiel is immers wel lang, maar ook laag en steekt gewoonlijk slechts omstreeks een halve meter. De lange kiel heeft anderzijds het voordeel dat de Staverse jol in hol water goed op het roer ligt en rechtuit blijft varen, doch een nadeel is dan weer dat de jol daardoor moeilijk draait en bij slepen de neiging heeft sterk te gaan gieren.71

Aantekeningen

69 Zie over de Zuiderzee-visserij Boonenburg De Zuiderzee, p. 39 e.v.

70 De omstandigheid dat ook bij Medemblik op ansjovis werd gevist, verklaart misschien dat in 1899 in Alkmaar een Staverse jol werd gebouwd (die thans nog in de vaart is).

71 Zie over de Staverse jol ook de Waterkampioen 1953, p. 275 e.v.; 1957, p. 45 e.v.

Lijnen, constructie en zeiltekeningen

Jaarboek 1961 Fries Scheepvaart Museum: Friese vissersschepen van de Zuiderzee - De Staverse jol

Een van de verschijnselen waarmee instellingen als ons museum in deze tijd te maken krijgen, is dat van het vrijwel geruisloos verdwijnen van toestanden en zaken, die ons, althans als we van middelbare leeftijd zijn, doordat zij ons werden overgeleverd, steeds zo vertrouwd waren. Daar zijn vele voorbeelden van te geven, maar met name geldt dit voor onze scheepstypen. Weliswaar bewaart de pleziervaart door het overnemen van vracht- en vissersschepen — hetzij in feite, hetzij door nabootsing in jachtvorm van de hoofdlijnen der traditionele typen - nog wel het een en ander en lopen door verheugende nieuwbouw bijvoorbeeld tjotter, Fries jacht, boeier en schouw ook geen gevaar maar anders staat het met visserij en vrachtvaart. Zeker, ook de „skûtsjes" zullen er, zolang het „skûtsjesilen" gehouden wordt, wel blijven - al dunnen de rijen onttakelde en verminkte scheepjes in onze Friese stadsgrachten meer en meer —, maar welke toekomst bestaat er voor de tjalk anders dan als ontzaggelijke klomp-met-een-motor, voor de aardappelsnik anders dan als reeds zeldzaam geworden woonscheepje ? Er bleef geen enkel kofschip (zeker geen Friese specialiteit, maar in de 18de eeuw hier toch wel sterk in trek) bewaard. En hoe staat het met de vissers­schepen, van de Noord- zowel als de Zuiderzee?

Het uiterlijk van de Dongeradeelster „aak" (aan de Noordzee aangepaste vorm van de schokker der Zuiderzee) bleef in één unieke afbeelding op een midden 19de eeuwse schotel, aanwezig in ons museum, bewaard, maar verdween van het water zoals ook de Zuiderzee-schokker, waarvan „Enkhuizen" het allerlaatste exemplaar van de sloop kon redden. Blazers, botters, Lemsteraken, Staverse jollen, de meesten onzer zijn de namen van deze typen wel bekend en stellig zal men er ook wel voorbeelden van hebben gezien. Maar is men er zich wel goed van bewust, dat men in Staveren al lang geen enkele jol meer aantreft, dat het Lemster „fiskerssilen" bij gebrek aan vissersaken sedert kort niet meer gehouden kan worden, dat in 1958 op de Lemmer de laatste botter werd verkocht en dat blazers en Wieringer aken steeds zeldzamer worden opgemerkt tussen de schepen, die in onze Friese Zuiderzeehavens nog wel eens ligplaats kiezen ? De zeeschouw, van ijzer, handhaaft zich nog (het kleine vlootje in het unieke Laaksumer haventje bestaat er nog geheel uit), maar de kotter beheerst thans grotendeels de zee, hetzij binnen, hetzij buiten de Afsluitdijk. En aan de zuidwal en op Volendam en Marken, in Hoorn en Enkhuizen is het niet anders. Hoelang zal men nog - zoals ik in de zomer van 1961 - getuige kunnen zijn van het kostelijke beeld, dat de talloze zeilende botters van Bunschoten-Spakenburg bij een ferme bries, van de wal af gezien, opleverden ?

Misschien wordt men zich nog het best van het grote en snelle verlies bewust als men literatuur raadpleegt die wegens haar betrekkelijk recent karakter in de ogen van de echte historicus geen genade kan vinden. Want wat valt er nu bijvoorbeeld te leren uit een in 1905 uitgegeven rapport „De Zuiderzee-visscherij", vrucht van een onderzoek door een speciale commissie en bij Brill in Leiden verschenen in een „Verzameling van rapporten, uitgegeven door de Zuiderzee-Vereeniging" (deel I) ? Inderdaad betreft het hier geen zeldzaam handschrift, uit het stof der archieven te voorschijn getoverd, doch een antikwarisch nog wel verkrijgbaar gedrukt geschrift. Maar hoe goed kunnen wij dit boekwerk thans gebruiken, als wij willen weten welke en hoeveel vissersschepen ook uit Friese havens de Zuiderzee rond 1900 bevoeren ? Het rapport bevat namelijk korte karakteristieken van „de Vaartuigen, waarmede de visscherij wordt uitgeoefend", zoals „botters, blazers, haringschuiten, aken, bonzen, pluiten, jachten, jollen van Stavoren, vletten, booten, gondels, punters". En waar zullen wij een beter overzicht vinden van de visserij ruim een halve eeuw geleden in onze Zuiderzeegemeenten ? Voor Friesland werd hiernaar een onderzoek ingesteld door A. Draisma de Vries, burgemeester en industrieel te Franeker, lid van Prov. Staten en bestuurslid van de Vereniging voor zoetwatervisserij.

Als men diens gegevens combineert met wat het raadplegen van de sinds 1851 uitgebrachte gemeenteverslagen oplevert, wordt het beeld der 19de eeuw nog duidelijker, vooral ook doordat wij zodoende materiaal krijgen over een tijdvak, waarvan alleen de alleroudsten nog kunnen vertellen. Het zou te ver voeren het gehele rapport hier over te nemen of op de voet te volgen, waarom ik mij meen te moeten beperken tot een drietal Friese Zuiderzeehavens en de daar gebruikte schepen : Staveren, Hindeloopen en (voor een volgend artikel) de Lemmer. Ik combineer Staveren met Hindeloopen in verband met het type vissersschip, dat in het rapport als „jol van Stavoren" een afzonderlijke behandeling krijgt en waarvan reeds enkele jaren vóór 1951 het laatste exemplaar de Zuiderzee overstak naar het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen, al kan men de jol nog wel in tot zeiljacht verbouwde exemplaren op onze wateren tegenkomen.
In Staveren nu trof de commissie 60 vissersvaartuigen met 124 man aan, waarvan er 13 schepen het hele jaar of het grootste deel ervan voor de visserij werden gebruikt. Van de 60 vaartuigen waren er 58, die gekarakteriseerd werden als „de welbekende jollen van 3 tot 5 ton." Hun waarde bedroeg, blijkens aangehaalde besommingen, met inbegrip van de inventaris f 500.—. (blz. 102-104).

Al eerder had de commissie de kwaliteiten van deze jollen beschreven, die zij in het geheel der schepen van de Zuiderzee „een zeer bijzondere soort" noemde.
Wij lezen namelijk :
„Op het oog zijn deze jollen net grote klompen, aan alle zijden rond, ter lengte van slechts enige meters en van een inhoud van slechts 4-6 ton. Ongeveer midden in staat een mast en zij voeren slechts twee voorname zeilen, grootzeil en fok, ofschoon de vissers veelal kans zien nog verschillende lapjes daarbij op te zetten. In bouw wijken deze scheepjes evenwel zeer belangrijk af van ronde vaartuigen. Immers, onder die ronde romp is een grote scherpe kiel aangebracht, die zowel voor als achter aan het vaartuig een eind uitsteekt. Daardoor zeilen deze vaartuigjes ondanks hun kortheid uitstekend bij de wind, maar zij zijn ten enemale ongeschikt om op droogvallende gedeelten gebruikt te worden. Misschien is dit de reden, waarom dit model bijna uitsluitend tot Stavoren beperkt blijft. Het is belangwekkend om het oordeel van vissers uit onderscheidene plaatsen over deze vaartuigjes te horen."

En dan geeft het rapport, dat verder nog vermeldt, dat de jollen aan de voorzijde tot aan de mastkoker meestal een klein gesloten dek bezitten, doch achter de mast geheel open zijn, een overzicht :
„De Urkers, levende als het ware onder de rook van Stavoren, leggen een grote minachting aan de dag voor deze jollen, noemen ze onpraktisch en onhandelbaar en hebben weinig vertrouwen in haar zeewaardigheid, want de Urkers blijven zweren bij hun botters en blazers. De lieden van Stavoren daarentegen stellen hun jollen ver boven alle andere schepen ; en men moet werkelijk erkennen, dat zij met deze kleine notedopjes wonderen verrichten. Zij weten met deze kleine dingen hard te zeilen, en wanneer het weder zo ruw en de zee zo onstuimig is, dat grote stoomboten en flinke tjalken de haven niet durven verlaten, gaat een Stavorens visser zonder aarzelen in zijn jol op de bruisende zee. Redding bij noodweer geschiedt meest met deze jollen, en zo is het o.a. voorgekomen, dat voor enige jaren een tjalk in het gezicht van de haven van Stavoren bij noodweer was omgeslagen en een flinke stoomboot haar pogingen tot berging van dit vaartuig heeft moeten opgeven. Toen gingen een twintigtal jollen als een zwerm vogels de haven uit ; zij maakten met haar allen enige touwen vast aan de tjalk, en met haar twintigen brachten zij het schip behouden in de haven" (Blz. 38).

Men ziet : hier wordt het rapport bijna poëtisch ! Intussen waren niet alleen in Staveren jollen in gebruik. Wat Hemelumer Oldeferd en Noordwolde betreft, waar 84 vaartuigen met 170 personen werden genoteerd, woonden de eigenlijke vissers in Molkwerum, Warns en Laaksum. Dit laatste gehucht telde 16 vissers, die met 14 boten het hele jaar door visten op ansjovis, haring en in het bijzonder op paling. Van de gebruikte vaartuigen in deze gemeente waren er 64 jollen van 2 tot 5 ton. Schrijvende over de visserij van Hindeloopen uit maakt het rapport melding van 67 vaartuigen met 68 koppen, waarvan 43 voor haring- en ansjovisvangst en 24 allen voor de ansjovis-visserij.
Helaas wordt hier het type niet genoemd :
„De visserij wordt over het algemeen in kleine scheepjes uitgeoefend, ook al omdat de haven van Hindeloopen zeer ondiep is en daardoor moeilijk bereikbaar." Maar kennelijk betrof het hier toch wel jollen. In de laatste jaren vóór de afsluiting van de Zuiderzee toch waren deze scheepjes in Hindeloopen nog algemeen en men vindt in het boek „Stervende binnenzee" van Fred Thomas (1930) een grappige beschrijving van een vlucht uit de Hylper haven als gevolg van beschadigingen die het scheepje van de schrijver aan de fuiken had toegebracht. Thomas zag toen de ganse Hindelooper vloot op zich afkomen : „voorop een paar motorbotters, achter een bonte stoet van grote en kleine Staverse jollen."
Overigens zong deze te vroeg verscheiden auteur ook in zijn boek „Wijkend water" op schier lyrische wijze de lof van de hem toebehorende Staverse jol, die hij De Halve Maan had gedoopt :
„Ginds op den Stavoorder werfgrond der Strikwerda's ben je geboren, een Octoberdag van het laatst der tachtiger jaren. In de schuur, een schemerige ruimte met sterke lucht van pik en vergeschaafd hout, werd dat najaar de kiel van een nieuwe vissersjol opgezet, een forse balk van Rijnlands eiken, onwrikbaar in zijn klampen. Zwijgzaam snurkend hun stompje pijp, werkten Strikwerda en de oude, gebogen knecht Idse tussen de stapelhouten. Met krachtige slagen van hun dissels hakten zij de kiel glad."
De schrijver vermeldt dan, dat de schepen van de Strikwerda's aan de waterkant een goede roep genoten en getuigt van de Staverse jol:
„Beproefd in ervaring van jaren en jaren, vervolmaakt door schier instinctieve vakvaardigheid van opvolgende bouwersgeslachten, was de Stavoorder jol geworden tot een gans eigenaardig scheepsmodel, zeewaardiger dan de zwaarste botter langs heel de Zuiderzee. Een droog vissersschip, zonder zwaarden, met korte mast, het meest gelijkend op een klomp en evenals deze half gedekt. De zijden lopen hoog op en vallen boven iets naar binnen. De achtersteven vormt een spiegel. Het schip is open en ruim om het vistuig te bewerken. Deze jollen waren van oudsher het meest gewilde schip van de kleine visserman aan de Friese wal, die er de zware deining bij elk weer mee trotseerde om zijn netten te schieten voor winterse haring en zomerse ansjovis."
Intussen heeft niemand zich eigenlijk nog beziggehouden met de ouderdom van de jol als type en men kan er dan ook de meest fantastische verhalen over lezen.

Redelijk schijnt het commentaar van G. C. E. Crone in diens „Onze schepen in de Gouden Eeuw" (1939), waarin hij wijst op het ontbreken van zwaarden bij de schepen van de middeleeuwen : „Zwaarden die zonder twijfel op enge wateren het eerst zijn toegepast, kwamen in de tweede helft der 16e eeuw algemeen in gebruik, behalve bij enkele schepen. Een daarvan bestaat nog ; het is een visschuit, de Stavorense jol, die zodanig van vorm is, dat zij geen zwaarden nodig heeft" (blz. 149). Zo beschouwd zou de jol dus een scheepsvorm bewaren, die van vóór omstreeks 1550 moet dateren, wat natuurlijk mogelijk kan zijn. Zonder grond is echter het verband, dat J.J. Tesch en J. de Veen in hun werk ,Die Niedeandische Seefischerei" (1933) leggen tussen de jol en het hoge noorden : „Das einzige Kielschiff auf der Zuiderzee ist die Staverse Jol, ein bei der Herings- und Sardellen-fischerei von Stavoren gebräuchliches kleines Fahrzeug, das zwar eine Gaffel am Groszsegel, aber keinen Giekbaum besitzt und weder ein Bergholze noch eine Bun hat. Es soll van Skandinavischer Herkunft sein" (blz. 74). Het is ons niet bekend waarop deze mededeling berust. Maar ook zonder dergelijke speculaties is het niet eenvoudig om de ouderdom van het type vast te stellen en als wij er thans iets van zullen zeggen, wil dat allerminst „het laatste woord" betekenen. Zonder verband met de visserij kan het schip natuurlijk niet worden beschouwd. Welnu, voor Staveren vonden wij de vroegste vermelding in het jaarverslag der gemeente over 1859, waarin staat : „de aalvangst geschiedt met zeesloepen of z.g. jollen." Een jaar eerder werd de naam jollen niet gebruikt, maar lezen we wel : „de aalvangst geschiedt met zeesloepen."

De verslagen beginnen over 1851 en dan wordt er over de Staverse visserij bericht, dat deze „hoofdzakelijk aan het strand der Zuiderzee (plaats vindt) en merendeels bestaat in de palingvangst, hetwelk een belangrijke tak van bestaan uitmaakt." Terugredenerende mag men dus veronderstellen, dat ook in 1851 voor die palingvisserij al jollen werden gebruikt, daar de aard der visserij dezelfde was. Het valt intussen wel op, dat er niet gesproken wordt van visserij op ansjovis en haring, al is uit het rapport van 1905 gebleken, dat de jollen in H.O.N. behalve voor deze visserij „in het bijzonder" voor die op paling werden benut.
Dit laatste is wel belangrijk, omdat ook de gegevens uit de Franse tijd van die palingvisserij spreken. In het zeer belangrijke rapport inzake de kustvisvangst van 1812 (archief van de Prefect 9 nr 104, RA Leeuwarden) wordt uit Staveren bericht : „geen andere visserijen dan het strand of buiten de zeepalen als met fuiken, waarmee aal wordt gevangen." Ze werden uitgeoefend in mei, september en oktober door twaalf personen met „kleine schuitjes". Waren dit al onze Staverse jollen ? Of is de aanduiding Staverse in die jaren nog niet verantwoord? Ik stel deze vraag omdat een aantal jaren later van Hindelooper jollen wordt gesproken.

Dit gebeurt door de bekende Friese scheepsbouwdeskundige F. N. van Loon (1773-1840) in diens in 1832 te Workum uitgegeven „Handleiding tot den burgerlijken scheepsbouw." Van Loon zegt in dit verband :
„De waterballast is in allen gevallen de veiligste, zoals een zeer ervaren Zeeloods mij geleerd heeft. Deze bekwame zeiler voerde in vroeger jaren een 25voets z.g. Hindelooper jol, waarin een vaste waterballast, onder een dubbele bodem, betimmert was, met alle luchten dagelijks op zee, en deed daarmede wezentlijk wonderen. Hij heeft door zijn voorbeeld bewezen, dat het kleinste zeilvaartuigje, indien het wel ingericht is, even goed bij storm weder de zee kan bevaren als de reddingbooten, die alleen door riemen bewogen worden" (blz. 110).
Heeft Van Loon hier een vaartuig voor ogen gehad zoals hij er in 1828 een naar eigen ontwerp ten behoeve van het loodswezen in opdracht van Baron van Tuyl van Serooskerken uit IJzendoorn te Harlingen op stapel liet zetten ? Het Fries Scheepvaart Museum is zo gelukkig sinds 1958 het door Van Loon eigenhandig gebouwde, palmhouten model van dit schip te bezitten, in bruikleen afgestaan door het Rijksmuseum te Amsterdam.
Van Loon doet het, zoals men ziet, in zijn vermaarde „Handleiding" voorkomen alsof het gebruik van de 25 voets „Hindelooper jol" voor loodsdoeleinden in 1832 reeds tot het verleden behoorde. Zusterschepen van zijn eigen „zeilsloep" schijnen er inderdaad na 1828 niet meer besteld te zijn. Met één oogopslag ziet men intussen de nauwe verwantschap tussen het model uit 1828 en de ons bekende „Staverse jollen". Men kan bovendien veilig aannemen dat de stamboom der Staverse, alias „Hindelooper" jollen, zijn wortels heeft in een tijd die vóór 1828 ligt. Van Loon had namelijk niet de gewoonte met volkomen nieuwe ontwerpen voor de dag te komen doch met verbeteringen van bestaande scheepstypen. En wie enigszins thuis is in de historische scheepsbouw, zal geen moeite hebben in het model uit 1828 de kenmerken van een... Franse kotter te ontdekken. Vandaar ook de uitgesproken kiel met het diepstekende roer, die van huis uit bepaald niet in de ondiepe Friese kustwateren thuis horen en alleen bruikbaar waren op de diepere gedeelten, welke zich van Staveren en Hindeloopen uit lieten bevissen. Wij menen - zij het met enige reserve - de Staverse jol dan ook als een verbasterd loot van een Franse plant te mogen beschouwen, die tijdens de Napoleontische overheersing gelegenheid kreeg wortel in Friese bodem te schieten. Wij weten immers hoeveel er het Franse goevernement aan gelegen was de Nederlandse zeegaten en havens te blokkeren en hoe hiertoe een aanzienlijke vloot van kanonneerboten van groter en kleiner slag in de vaart werd gehouden. Daarnaast vereiste de douane een groot aantal schepen, die alle van Nederlandse havens uit moesten worden gedirigeerd en geravitailleerd : een vloot, overwegend uit Franse schepen samengesteld dan wel uit schepen, op Nederlandse werven naar Franse voorschriften gebouwd. De werf van de voormalige Friese Admiraliteit te Harlingen heeft vele van deze Franse opdrachten moeten uitvoeren, waaronder zelfs flinke brikken en fregatten, waarvan een tweetal fraaie modellen als bruikleen van het Rijksmuseum in ons Fries Scheepvaart Museum te bewonderen vallen. Voor het uitvoeren van verkenningen en loodsdiensten werd in de zeegaten bij voorkeur van Franse kotters gebruik gemaakt, uiterst zeewaardige en snelle schepen. Ook daarmede hebben de Friese scheepsbouwers te Harlingen kennis kunnen maken en hoezeer men in Friesland over de eigenschappen te spreken was, valt uit Van Loon's ontwerp, diens model zowel als uit zijn opgetogen beschrijving op te maken.

Om nog weer even op de Hindelooper kustvisserij terug te komen, het rapport van de Prefect uit het jaar 1812 maakt melding van visserij op de Noordzee met twee „aaken of pinken" echter „tot het vangen van aal, scharren en bot worden gebruikt z.g. jagten of bootjes en derzelver getal kan gesteld worden op 16 à 20." Hebben wij hier misschien de jollen al voor ons ? Eerst een diepgaande studie van het ontstaan der zeevisserij in Hindeloopen - welke stad immers in de 18de eeuw toch vooral op de vrachtvaart overzee was ingesteld - kan uitmaken of deze vraag bevestigend beantwoord moet worden. En wat de naam „Staverse jol" betreft, die kan natuurlijk ontstaan zijn toen deze scheepjes in groten getale te Staveren werden gebouwd zowel als in gebruik genomen.
Gezien het bovenstaande staat het in ieder geval nu wel vast dat de anonieme inzender, die „Het verhaal van de laatste Staverse jol" in de Leeuwarder Courant van 28 november 1951 publiceerde, het ontstaan in een te recent tijdperk plaatste toen hij schreef : „Enkele jaren veK5r de eeuwwisseling ontstond het beroemde vissersvaartuig met zijn eigenaardige vorm. ...De bloeitijd van dit vaartuig lag in het eerste kwart van deze eeuw."
Tenslotte : de laatste Staverse jol werd, als plezierjacht afgetimmerd, in het jaar 1939 voor Britse rekening door Tjipke Wildschut te Gaastmeer gebouwd doch kon eerst in 1951 worden afgeleverd.
Drachten, S.J. van der Molen

Jaarboek 2003 Fries scheepvaart Museum: Nieuw licht op de oorsprong van de Staverse jol

De Staverse jol is een vreemde eend in de bijt van de Nederlandse ronde en platbodem-schepen. Qua vorm wijkt het schip sterk af. De Staverse jol heeft geen zwaarden, maar een kiel. Het berghout ontbreekt aan het schip en bovendien heeft het een platte spiegel.

Een aparte verschijning
Al lange tijd is de Staverse jol een aparte verschijning op de Nederlandse wateren. In de Ver¬zameling van Rapporten betreffende de Zuider¬zeevisserij die in 1905 werd aangeboden aan de minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, wordt bij de beschrijving van de vissersschepen al geschreven: "Een zeer bijzondere soort vor-men de jollen van Stavoren. Op het oog zijn deze jollen net groote klompen, aan alle zijden rond (...) 

Zij voeren slechts twee voorname zeilen, grootzeil en fok, ofschoon de visschers veelal kans zien nog verschillende lapjes daarbij op te zetten. In bouw wijken deze scheepjes evenwel zeer belangrijk af van ronde vaartuigen. Immers, onder dien ronden romp is een groote scherpe kiel aangebracht, die zoowel voor als achter aan het vaartuig een eind uitsteekt. Daardoor zeilen deze vaartuigjes ondanks hunne kortheid uitstekend bij den wind, maar zijn zij ten eenemale ongeschikt om op droogvallende gedeelten gebruikt te worden. (...)

De Urkers, levende als het ware onder den rook van Stavoren, leggen eene groote minachting aan den dag voor deze jollen, noemen ze onpraktisch en onhandelbaar en hebben weinig vertrouwen in hare zeewaardigheid, want de Urkers blijven zweren bij hunne botters en blazers. De lieden van Stavoren daarentegen stellen hunne jollen ver boven alle anders schepen; en men moet werkelijk erkennen dat zij met deze kleine notedopjes wonderen verrichten. Zij weten met deze kleine dingen hard te zeilen, en wanneer het weder zoo ruw en de zee zoo onstuimig is, dat groote stoombooten en flinke tjalken de haven niet durven verlaten, gaat een Stavorensch visscher zonder aarzelen in zijne jol op de bruisende zee. Redding bij noodweer geschiedt meest met deze jollen, en zoo is het o.a. voorgekomen, dat voor eenige jaren een tjalk in het gezicht van de haven van Stavoren bij noodweer was omgeslagen en een flinke stoomboot hare pogingen tot berging van dit vaartuig heeft moeten opgeven; toen gingen een twintigtal jollen als een zwerm vogels de haven uit; zij maakten met haar allen eenige touwen vast aan te tjalk en met haar twintigen brachten zij het schip behouden in de haven." 1)

Dat Staverse vissers wel vaker mensen op zee redden blijkt uit een bericht in De Leeuwarder Courant van 6 november 1863. In de nacht van 31 oktober had een zware storm gewoed. Het tjalkschip Catharina was gestrand bij Stavoren. De bemanning werd gered en de lading graan werd geborgen. "Een ander in zijne nabijheid liggend Hanoversch tjalkschip sloeg des voormiddags van zijne ankers en zou hetzelfde lot ondergaan hebben, indien vijf alhier wonende visschers niet plotseling aan boord waren gesprongen en hel-zelve van strand hadden gestuurd, zoodat het hun door moed en beleid gelukken mogt het schip en de lading behouden in de haven van Workum binnen te brengen".

Het uiterlijk en de prestaties van de Staverse jol spraken tot de verbeelding. Deze verbeelding is ook terug te vinden in de verschillende beschrijvingen van de oorsprong van de Staverse jol.

Verschillende zienswijzen op de oorsprong (1933-1994)

In het boek Die niederldndiscbe Seefischerei van J.J. Tesch en J. de Veen (Stuttgart, 1933) wordt op pagina 74 gesteld: "Das einzige Kielschiff auf der Zuiderzee ist die Staverse Jol, ein bei der Herings- ond Sedellenfischerei von Stavoren gebruchliches kleines Fahrzeug, das zwar eine Gaffel am Groszsegel, auber keinen Giekbaum besitzt und weder Bergholze noch eine Bun hat. Es sol von skandinavische Herkunft sein". De Scandinavische oorsprong van de Staverse jol wordt door de auteurs echter niet onderbouwd.

C.G.E. Crone brengt in het boek Onze schepen in de Gouden eeuw (Amsterdam, 1939) naar voren dat de "Stavorensche jol" er al in de 16de eeuw was. Zwaarden werden in de tweede helft van de 6de eeuw in de zeilvaart geïntroduceerd en Crone noemt de Staverse jol als voorbeeld van een scheepstype dat stamt uit de tijd van daarvoor.

Tegenwoordig wordt algemeen aangenomen dat de oorsprong van de Staverse jol nauw samenhangt met de ansjovisvisserij aan het eind van de 19de eeuw. De eerste die dat vermoeden uitte was D. Zeldenrust uit Avenhorn. In het blad De Waterkampioen van 15 maart 1949 verscheen een klein artikel getiteld "Herkomst van de Staverse jol". Zeldenrust schrijft "De eerste Jol van dit model heb ik nog gekend. Het scheepje was toen al uit de vaart. Het was op de wal getrokken en is daar gesloopt. Vermoedelijk in 1916. De eigenaar vertelde dat het scheepje bij Strikwerda te Staveren was gebouwd, als eerste met een volle kop. Strikwerda is al jaren geleden gestorven en daar was dus niets meer na te gaan. Bij verdere informatie kwam mij vrijwel steeds hetzelfde ter ore. De Jol zou een voor het Noordelijke gedeelte van de Zuiderzee verbeterd model zijn van de sloep, zoals die in de buurt van Vollenhoven werd gebruikt. Deze sloepen werden ook om Staveren heen gebruikt voor de palingvisserij en voor dat werk waren ze zeer geschikt, zeewaardig als ze zijn. Toen nu in die jaren de visserij op ansjovis met staand want in opkomst kwam, werden natuurlijk de sloepen ook daarvoor gebruikt. Ze waren, of getuigd met een sprietzeil, of werden als vlet achter een botter of blazer gesleept. Door het gewicht van dat netwerk met het daarbij behorend ankergerei, verloren ze natuurlijk veel van hun zeewaardigheid. Daarvoor zijn ze niet gebouwd. Vooral de betrekkelijk scherpe kop dook in de zee, die nabij Stavoren nogal hol kan zijn. Om hieraan tegemoet te komen werd het scheepje met de volle kop en hogere voorsteven ontworpen. Die eerste modellen waren alle nog vrij "sloepig", en veel minder vol dan die van de latere jaren. En toen in de loop van de tijd de ansjovisvisserij zich steeds meer ontwikkelde, werden er steeds grotere schepen gebouwd en steeds meer werven bouwden jollen."

In 1961 verscheen in het Jaarboek Fries Scheepvaart Museum een artikel van S.J. van der Molen over de Staverse jol. Hij vergeleek in dat artikel de Staverse jol met de Hindelooper jol en met de Franse kotter. Ook wees hij op de invloed van de Friese scheepsontwerper Folkert Nicolaas van Loon (1775-1840).

Een jaar later verscheen het boek Ronde en Platbodemjachten (Amsterdam, 1962) van mr.dr. T. Huitema. Hij verwees de meeste theorieën over het ontstaan van de Staverse jol naar het rijk der fabelen en nam de oorsprongsgeschiedenis van D. Zeldenrust over: "Een zeer nuchtere en eenvoudige verklaring (...) die juist door haar simpelheid zeer plausibel klinkt. Hij brengt namelijk het ontstaan van dit scheepstype in verband met de ontwikkeling der ansjovisvisserij in de jaren tussen 1870 en 1880, en met de eisen die deze visserij, met zijn speciale netten aan de schepen stelde (...) Een tweetal vissers, J. Visser uit Stavoren en M. Zeldenrust uit Molkwerum, lieten daarom bij de werf van J. Strikwerda in Stavoren ieder een speciale boot voor de ansjovisvangst bouwen met een volle, ronde kop. Dat werden de eerste Staverse of ansjovisjollen, ook wel herfst- of fuikenjollen genoemd." 2)

Sindsdien is deze oorsprongsgeschiedenis in vrijwel alle boeken en artikelen over de Staverse jol overgenomen. Het ontstaan van de Staverse jol wordt verbonden aan de opkomst van de visserij op ansjovis. Er wordt zelfs heel specifiek gesteld dat de eerste Staverse jollen werden gebouwd op de werf van Strikwerda te Stavoren voor de vissers M. Zeldenrust uit Molkwerum en J. Visser uit Stavoren. De Vollenhovense sloep was het voorbeeld waarnaar de scheepsbouwer had moeten werken.

Jan Kooijman, nam het in zijn tweedelige artikel "De geheimen van de Staverse jol" in de Spiegel der Zeilvaart (1988 nr2 en nr3) nog op voor Van der Molen, door te stellen dat het verhaal van Zeldenrust de vermoedens van Van der Molen niet hoeft uit te sluiten. 3) De ansjovisvangst was bepalend voor de opkomst en het model van de Staverse jol, maar volgens Kooijman is het goed mogelijk dat het schip is voortgekomen uit oudere scheepstypen zoals de Hindelooper jol of de Franse kotter. Kooijman zag - in navolging van U. 4) Vroom ook nog een connectie met de Jouster scheepsbouwer Eeltje Holtrop van der Zee, die ook enkele sloepen bouwde voor de visserij. De verbindende schakel was de scheepsontwerper F.N. van Loon. Hij schreef al in 1838 over de Hindelooper jol 5) én heeft grote invloed gehad op het werk van Eeltje Holtrop van der Zee.

De scheepsontwerper J.K. Gipon, een autoriteit op het gebied van ronde en platbodemjachten, reageerde op het stuk van Jan Kooijman met een brief, die werd gepubliceerd in De Waterkampioen. In deze brief stelt Gipon dat de Staverse jol in de verste verte niet lijkt op een Franse kotter. Gipon's gezag was groot: de door hem gemaakte tekeningen van Staverse jollen (in jachtuitvoering) zijn door veel jachtwerven gebruikt. Naar zijn ontwerp zijn vele tientallen Staverse jol-jachten gebouwd. In zijn brief koos Gipon uitdrukkelijk voor de ontstaansgeschiedenis van Huitema en verwees hij andere theorieën daarover naar de prullenbak. 6)

Niettemin herhaalde Jan Kooijman in 1989 in zijn boek De Giponvloot in tekening (Bussum, 1989) nog eens zijn sympathie voor de ontstaansgeschiedenis, zoals die is geformuleerd door Van der Molen. Maar in 1994 liet hij deze alternatieven achterwege, toen hij in zijn boek Tien Platbodemjachten (Baarn, 1994) de Staverse jol besprak. Hij liet de zaak rusten en nam het verhaal van Huitema over.

Kanttekeningen bij de oorsprongsgeschiedenis van Huitema

Huitema en Gipon hebben beide een grote naam als kenners van Ronde en Platbodemjachten. Het verhaal van Huitema over de oorsprong van de Staverse jol is daarom sinds 1962 in verreweg de meeste stukken over de Staverse jol overgenomen. Toch hapert er iets aan het verhaal van Huitema.

Opkomst Ansjovisvangst

Ten eerste stelt Huitema dat de ansjovisvangst opkwam tussen 1870 en 1880. Deze begon echter pas in 1883 toen de machinaal gebreide netten, die eerder door de Noordzeevissers gebruikt werden, ook in de Zuiderzeevisserij werden toegepast. Peter Dorleijn vermoedt dat de Lemster visroker Poppe de Rook (1845-1913) de in Engeland gemaakte machinale netten introduceerde bij de vissers op de Zuiderzee. Hij liet in 1883 een Urker visser met gunstig resultaat experimenteren met deze machinale netten in een staand want. Met de Engelse staande netten kon goed op ansjovis worden gevist. En met de export van ingezouten ansjovis was veel geld te verdienen. Binnen enkele jaren stond het noordelijk deel van de Zuiderzee vol met staande netten. Urker en Volendammer kuilvissers konden er met hun sleepnetten niet meer terecht. Het vissen met een sleepnet vergde vakmanschap. Voor het vissen met een sleepnet had je ruime ervaring nodig, die vaak van vader op zoon was doorgegeven. Het vissen met staande netten was veel eenvoudiger. De zogenaamde "netjevisserij" vroeg weinig vakmanschap en ervaring. Jan en alleman trok de zee op. Met de vangst van ansjovis was veel geld te verdienen en door de landbouwcrisis aan het eind van de 19de eeuw vonden veel boeren een alternatieve inkomstenbron op zee. 7)

De ansjovisvangst kwam dus na 1883 op en niet - zoals Huitema stelde - tussen 1870 en 1880. Wanneer de Staverse jol tegelijk met de opkomst van de ansjovisvangst zou zijn ontstaan, dan zou het scheepstype circa 10 jaar jonger zijn.

Hardzeilerij voor visjollen

Voordat er op ansjovis werd gevist, waren er al visjollen in Stavoren. Het bewijs daarvan wordt geleverd in de Leeuwarder Courant. In deze krant verscheen op 23 september 1862 een advertentie van de gezamenlijke kasteleins van Stavoren. Zij organiseerden op 3 oktober 1862 een "Harddraverij en een hardzeilerij". Er werd gezeild in twee klassen: vracht- en beurtschepen en "Visschersboten en Jollen getuigd met sprietzeil en fok".

Ook in 1863 werd er zo'n wedstrijden georganiseerd. In de Leeuwarder Courant van 13 oktober 1863 werd verslag gedaan van deze wedstrijd: "Zaturdag 11. had alhier de aangekondigde hardzeilpartij plaats; ofschoon de aalvisscherij verhinderde dat de visschersjollen daaraan deel konden nemen, wedijverden de veerschepen om de uitgeloofde prijs". 8) Uit dit bericht wordt duidelijk dat de visjollen te Stavoren werden gebruikt voor de visserij op paling. Het was een seizoensbedrijf. In de maanden september en oktober, ging de paling trekken langs de kust van de Zuiderzee. De Staverse vissers vingen de paling dan in fuiken die dwars op de zeedijk in zee werden gezet. De "visscherjollen" die de Staverse palingvissers gebruikten, werden "herfstjollen" genoemd, omdat ze alleen in dat seizoen, tijdens de palingtrek, gebruikt werden.

1859: Sloepen en jollen

S.J. van der Molen heeft voor zijn onderzoek naar de oorsprong van de Staverse jol onderzoek gedaan in de gemeenteverslagen van Stavoren. Het eerste verslag dateert van 1851. De visserij wordt voor de eerste maal beschreven in het gemeenteverslag van 1858. Er werd vastgesteld dat de "aalvangst" bescheiden van omvang was en dat er werd gevist met sloepen. Er werden twaalf vissers in Stavoren geteld. Een jaar later is in het gemeenteverslag te lezen dat de twaalf Staverse palingvissers gebruik maakten van sloepen of jollen. De verwarring in het gemeenteverslag tussen sloepen en jollen is niet verwonderlijk. Sloepen en jollen zijn aanduidingen voor hetzelfde type schip. De jol behoort tot de familie van de sloepen. Een sloep is een boot die mee werd genomen op een groter schip om bij een kust met ondiep water aan land te kunnen komen met veel bemanning en/of veel lading.

Sloepen werden bijvoorbeeld aan boord van een grote kof op het dek mee gevoerd. Kleinere schepen op de binnenwateren sleepten een sloep mee. Op zeeschepen gingen vaak meerdere sloepen mee, in verschillende vormen: een kapiteinssloep, een officierssloep, een passagierssloep, een reddingssloep, een pinas, een giek, een werksloep of een jol. De jol is de kleinste in de familie van de sloepen. 9)

1812: Twaalf vissers in Stavoren

In 1812 vraagt de Prefect van Friesland de maires (burgemeesters) van de Friese kustgemeenten om op te geven hoe de toestand van de visserij was. In het verslag van de maire van Stavoren is te lezen dat deze visserij van bescheiden omvang is. Er worden twaalf vissers in Stavoren geteld. Zij vissen "buiten de zeepalen" op paling en dat doen ze volgens de maire in "kleine schuitjes". 10) Met de term schuitjes kunnen we niet veel. Wel valt op dat er zowel in 1812 als in 1858 en in 1859 steeds sprake is van twaalf vissers. Het waren de leden van het Staverse Visschersgilde.

Vissersgilde

De palingvisserij in Stavoren heeft een oude geschiedenis, die nauw is verweven met het Staverse Visschersgilde. Hoe oud dit gilde is, weet niemand. Op het vaandel van het gilde staat het jaartal 1658. Op de baar, waarop de leden van het gilde ten grave werden gedragen, is het jaartal 1688 aangebracht. Het enige, bewaarde notulenboek van het gilde begint in 1859 11) en de oudst bewaarde gildepenning dateert van 1833. 12) Maar verder is er tot nu toe niets gevonden dat de ouderdom van het gilde precies kan aangeven. Het is vreemd dat het gilde in de 19de eeuw kennelijk nog bestond, terwijl de gilden in Bataafse grondwet (1798) officieel waren verboden. Dit verbod is in 1818 nog eens krachtig herhaald door koning Willem I.

De belangrijkste functie van het Staverse Vissersgilde was het verdelen van de vispercelen langs de dijk. De visserij werd gepacht van het Waterschap Hemelumer Oldephaert en Aanhorige Zeedijken. Palingexporteurs als de firma Haagsma te Workum en Lankhorst te Heeg pachtten de visserij van het waterschap. Zij stonden het pachtrecht weer af aan het Staverse Vissersgilde, onder voorwaarde dat de paling aan hen werd verkocht voor een vaste, afgesproken prijs. Op de dijk werden met rode verf de 137 vispercelen gemerkt. Bij de jaarlijkse vergadering van het vissersgilde werden de percelen onder de leden verloot. 13)

De voorlopige conclusie is dat de Staverse jol ouder is dan Huitema en Zeldenrust vermoedden: de twaalf leden van het Staverse Visschers-gilde maakten rond 1860 al gebruikt van jollen.

Hindelooper jol

In het verhaal van T. Huitema was het verband gelegd tussen de Staverse jol en de sloep. De Staverse jol zou volgens Huitema zijn gebouwd met een Vollenhovense sloep als voorbeeld. S.J. van der Molen wees in zijn artikel over het ontstaan van de Stavere jol op een ander voorbeeld: de Hindelooper jol. De Hindelooper jol is een vergeten scheepstype, dat door de Friese scheepsontwerper Folkert Nicolaas van Loon (1775-1840) wordt genoemd in zijn Handleiding tot den Burgerlijken Scheepsbouw (Workum 1838). Van Loon schrijft daarin over een zeeloods die met een Hindelooper jol van 25 voet (circa 7 meter) al zeilend de hoogste golven van de Zuiderzee trotseerde. 14)

Kennelijk was de Hindelooper jol een stabiel zeilend vaartuig. Behalve de naam delen de Staverse jol en de Hindelooper jol ook de eigenschap klein, maar stabiel te zijn. Volgens Folkert van Loon was de Hindelooper jol zo stabiel doordat het schip een ronde, volle kop had en rond van belijning was. Hij verwees daarbij ook naar de bij zijn boek behorende tekening (plaat II) van een zeesloep.

De lijnen van deze sloep lijken op die van een Staverse jol: een ronde, volle kop, breed in het voorschip (granaatvorm in bovenaanzicht), een platte, hartvormig spiegel. Er zijn ook verschillen: de Staverse jol heeft hogere en weer naar binnen vallende boorden. Toch overheersen de overeenkomsten.

Het feit dat de door Van Loon getekende zeesloep door hemzelf in verband wordt gebracht met de Hindelooper jol, maakt nog eens duidelijk dat de sloep en de jol qua vorm niet veel van elkaar verschillen, maar qua grootte wel. Hetzelfde beeld komt naar voren uit de gemeentelijke verslagen over de Staverse visserij, waarin ook de termen jol en en sloep door elkaar gebruikt worden.

Wijbrands in Hindeloopen

Over de Hindelooper jol is weinig bekend. In de Leeuwarder Courant van 22 febr. 1842 stond een advertentie van de Hindelooper scheepsbouwer Intje Douwes Wijbrands, die twee sloepen uit de hand te koop aanbood. 15) Intje Wijbrands noemt zich in de advertentie "boot-, jol- en sloepmaker". Het is de enige advertentie in de vele jaargangen van de Leeuwarder Courant waarin het bouwen van sloepen en jollen als specialiteit wordt genoemd. Kennelijk was het bouwen van sloepen en jollen iets bijzonders. 16)

De conclusie ligt voor de hand: de door Folkert Nicolaas van Loon genoemde Hindelooper jol is waarschijnlijk gebouwd op de werf van de familie Wijbrands. Het bouwen van sloepen en jollen was een oude specialiteit van de familie Wijbrands. In een van de hypotheekboeken van de stad Hindeloopen is een akte uit 1783 opgenomen waarin staat vastgelegd dat Wibrand Roelofs een overeenkomst sluit met een Makkumer scheepsbouwer. In deze akte noemt Wibrand Roelofs zich "Joltie maker".

Hindeloopen en Stavoren

Geografisch gezien ligt het meer voor de hand te veronderstellen dat de Hindelooper jol het voorbeeld was voor de Staverse jol, dan dat de Vollenhovense sloep dat zou zijn geweest. Maar naast het feit dat het geografisch gezien logischer is de blik vanuit Stavoren te wenden naar Hindeloopen dan naar Vollenhove, zijn er ook andere, concrete aanwijzingen dat er nauwe contacten waren tussen Stavoren en Hindeloopen, met name op het gebied van de scheepsbouw.

De werf in Stavoren waar de Staverse jollen van stapel liepen werd tijdens de bloeitijd van de Staverse jol geleid door Douwe Roosjen, die afkomstig was uit Hindeloopen. De Hindelooper invloed op de scheepsbouw in Stavoren begon in 1856. In dat jaar nam Jan Hartmans Wijbrands (1803-1893) uit Hindeloopen de werf van Anne Veldstra te Stavoren over. Veldstra had deze werf in 1846 gesticht, maar kon financieel het hoofd niet boven water houden. In 1860 ging Jan Wijbrands weer terug naar Hindeloopen. De werf in Stavoren werd overgenomen door Douwe Gerrits Roosjen (1820-1906). Roosjen was tot 1860 werkzaam geweest op de werf van Douwe Intjes Wijbrands (1825-1866). Hij was zoon en de opvolger van de Intje Wijbrands, die we kennen uit de advertentie uit 1842, waarin hij zich "boot-, jol- en sloepmaker" noemde. Tegelijk met Roosjen verhuisde ook Gerben Hobbes Strikwerda (1833-1900) van Hindeloopen naar Stavoren. Ook hij had als scheepsbouwer gewerkt bij Douwe Wijbrands in Hindeloopen en werd nu knecht bij Douwe Roosjen.

De werf die bekend werd als de grote jollenwerf was dus eigendom van de uit Hindeloopen afkomstige Douwe Roosjen en de eveneens uit Hindeloopen afkomstige Gerben Strikwerda was er meesterknecht. De banden tussen de Staverse jollenwerf en de Hindelooper scheepsbouwersfamilie Wijbrands waren nauw. Roosjen en Strikwerda waren niet alleen knecht geweest op de werf van Douwe Intjes Wijbrands, ze hadden beide ook familiebanden met de familie Wijbrands. Douwe Roosjen was een neef van Anke Roosjen, de vrouw van de Hindelooper scheepsbouwer Douwe Intjes Wijbrands. Gerben Strikwerda was getrouwd met Pieter Wijbrands. Bij hun huwelijk in 1856 waren als getuigen aanwezig: Douwe Roosjen (sinds 1860 zijn baas), Intje Douwes Wijbrands (de jollenbouwer van de advertentie uit 1842) en Foppe Wijbrands (die een kleine werf in Hindeloopen had).

We kunnen veilig stellen dat de jol op de Staverse werf geen onbekend scheepstype was. In 1858 en 1859 duiken de typeringen jol en sloep voor het eerst op in de Staverse archieven. Enkele jaren daarvoor was er een Hindelooper scheepsbouwer neergestreken in Stavoren, een lid van de familie Wijbrands. Leden van deze familie afficheerden zich als "joltiemaker" of als "boot-, jolen sloepmaker". Dat kan bijna geen toeval zijn.

Het ligt daarom in de rede te veronderstellen dat het voorbeeld voor de Staverse jol waarschijnlijk een Hindelooper jol was en niet een Vollenhovense sloep, zoals Huitema schrijft. Dat vermoeden is niet alleen gestoeld op de herkomst, het arbeidsverleden en de familierelaties tussen de beide Staverse scheepsbouwers, maar ook op het simpele feit dat de afstand tussen Stavoren en Hindeloopen aanmerkelijk korter is dan die tussen Stavoren en Vollenhove.

De conclusie is dat de geschiedenis van de Staverse jol verder terug gaat dan algemeen wordt aangenomen. Het ontwerp is niet voortgekomen uit de specifieke behoefte van de vissers op ansjovis, maar is waarschijnlijk een afgeleide van de fuikenjollen die al in Stavoren bekend waren. Vanwege de vele relaties tussen de Hindelooper scheepsbouwersfamilie Wijbrands en de scheepswerf te Stavoren mag ook verondersteld worden dat de Hindelooper jol als voorbeeld heeft gediend voor de Staverse jol. De oorsprong van de Hindelooper jol is niet bekend, maar ligt in ieder geval ruim voor 1838 (toen Van Loon er over schreef). Het is zelfs mogelijk dat de Maire van Stavoren in zijn verslag van 1812 dergelijke jollen bedoelde toen hij schreef dat de visserij er plaats vond met "schuitjes".

Tussen 1800 en 1883 stond de visserij in Stavoren en Hindeloopen op een laag pitje. De twaalf vissers van Stavoren maakten gebruik van kleine scheepjes. Schuitjes, sloepen of jollen worden ze in de bronnen genoemd. Al waren de vaartuigen klein, ze moesten wel stabiel zijn, want bij Stavoren staat een flinke golfslag. Toen de seizoenvisserij op haring en ansjovis van Stavoren, Laaksum en Molkwerum na 1883 opbloeide, werden deze jollen ook gebruikt, zij het dat de modellen steeds groter werden: de staande netten, de palen van het staande want, de gewichten en de zware net-ankers vroegen meer ruimte en drijfvermogen.

Dat de jollen bekend zijn geworden als Staverse jollen en daarmee in naam hun Hindelooper oorsprong verloren, is eenvoudig te verklaren. Na de opkomst van de ansjovisvisserij in 1883 maakte de visserij in Stavoren een spectaculaire groei door. Dat blijkt uit de rapporten inzake de Zuiderzeevisserij van de Zuiderzeevereeniging (1905). In Stavoren werden toen 60 vissersschepen geteld en er waren 124 mannen actief in de visserij. In Hemelumer Oldeferd (Molkwerum, Warns en Laaksum) hetzelfde beeld: 84 vissersschepen en 170 mannen actief in de visserij. De aantallen van Hindeloopen steken daar wat mager bij af. Het aantal vaartuigen valt nog wel mee (67) maar er waren beduidend minder mensen actief in de visserij: 68. In 1905 waren er in Stavoren volgens het genoemde rapport twee werven. Dit waren de grote jollenwerf van Roosjen en een kleinere werf van Ids Strikwerda (hij had tussen 1887 en 1906 een eigen werfje op Het Zuid). Op beide werven werkten in totaal zes mensen. In Hindeloopen was één werf (die van Intje Douwes Wijbrands) waar drie mensen werkten. Op de werf werkte men slechts voor een derde deel voor de visserij. 17)

De haven van Hindeloopen was ondiep en dat zal er een belangrijke oorzaak voor geweest zijn dat de visserij en jollenbouw in Hindeloopen achterbleef bij die van Stavoren en Hemelumer Oldeferd. Dat is er waarschijnlijk de reden voor dat jollen uiteindelijk bekend zijn geworden als Staverse jollen en niet als Hindelooper jollen.

S.J. van der Molen maakte in 1961 terecht een verbinding tussen de Hindelooper jol en de Staverse jol. Hij ging echter nog verder en sprak het vermoeden uit dat er ook verband bestond tussen de Staverse jol en de Franse kotter. Daarvoor zijn vooralsnog geen bewijzen gevonden.

In ieder geval is duidelijk dat het niet mogelijk is het begin van de Staverse jol zo exact vast te stellen als Huitema dat heeft gedaan. De oorsprong van het scheepstype in niet vast te pinnen op de bouwopdracht van de vissers M. Zeldenrust en J. Visser aan de Staverse scheepsbouwers Roosjen en Strikwerda. De Staverse jol is ouder en is geleidelijk ontwikkeld uit een bestaand scheepstype. De ansjovisjol is een vergrote versie van de herfstjol die door de Staverse palingvissers werd gebruikt. Omdat de scheepsbouwers in Stavoren in de tweede helft van de negentiende eeuw nauwe banden hadden met Hindeloopen ligt het voor de hand te veronderstellen dat de herfstjol is ontwikkeld uit de Hindelooper jol.

Zelden worden scheepstypen "uitgevonden". Meestal ontstaan ze uit oudere scheepstypen en bepaalt het doel van de schipper de nieuwe vorm. De Staverse jol is daarop geen uitzondering. De herfstjol was klein (circa 6 meter lang) omdat de palingvissers dicht bij de zeedijk bleven. De ansjovisjol was groter omdat de ansjovisvissers verder de zee opgingen en zware netten, gewichten en ankers aan boord hadden. Na de afsluiting van de Zuiderzee kreeg de Staverse jol opnieuw een andere functie. Veel Staverse jollen kregen een tweede leven als plezierjacht. Ze werden voorzien van een kajuit en ook in omvang groeide de Staverse jol weer. Sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw worden er weer nieuwe Staverse jollen gebouwd, zowel in hout als in ijzer. Ze zijn voorzien van een kajuit en al naar gelang de behoefte van de eigenaar groeiden ze ook in omvang. Er zijn zelfs Staverse jollen van 9 meter lang gebouwd.

Jan Kooijman schreef het al: "Het type is gegroeid onder de handen van vele generaties van schippers en scheepsbouwers, die met uitproberen, met vallen en opstaan, samen hebben gezocht naar het beste compromis tussen zeileigenschappen en bestemming". 18)

Meindert Seffinga

Noten

1 Verzameling van Rapporten uitgegeven door de Zuiderzee-Vereeniging, deel I: De Zuiderzee-Visscherij (Leiden, 1905) pp. 37-38.

2 Mr. Dr. T. Huitema (red.), Ronde en Platbodemjachten (Amsterdam, 1962) pp. 159-162

3 Jan Kooijman, "De geheimen van de Staverse jol" in: Spiegel der Zeilvaart 1988, nr. 2, pp. 17-20 en nr. 3, pp. 14-17

4 U.E.E. Vroom, "Vracht- en vissersschepen gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee en Auke van der Zee" in: Het Peperhuis, 1968, pp. 214-287

5 F.N. van Loon, Handleiding tot den Burgerlijken Scheepsbouw (Workum, 1838) p. no

6 Jan Kooijman en J.K. Gipon "Brieven van lezers" in: Spiegel der Zeilvaert 1988, nr. 4, pp. 6-7

7 Peter Dorleijn, "Tentoonstelling over ansjovisvisserij" in: Tagrijn, 1989, nummer 1, pp. 3-5

8 De heer S.G. van Albada te Leeuwarden, die al enkele jaren op uitgebreide schaal in archieven, musea en bibliotheken onderzoek doet naar bronnen betreffende de scheepsbouw in Friesland, attendeerde mij op deze advertenties.

9 Maurice Kaak, "De Groninger sloep" in: Spiegel der Zeilvaart 1992, nummer 7, pp. 32-35

10 Tresoar, Archief van de Gewestelijke besturen in de Franse tijd (BRF), inv.nr. 3773, Ingekomen stukken van maires van kustplaatsen betreffende de zeevisserij, naar aanleiding van de circulaire van de prefect van 1812 september 5 no. 88 o, 1812

11 Gemeentearchief Nijefurd, Archief van het Visschergilde Stavoren, inv.nr.

12 Vriendelijke mededeling van J.A. Visser te Stavoren

13 W. Dijkstra, "Staveren en de visserij" in: Tagrijn, 199o, pp. 2-24

14 F.N. van Loon, Handleiding tot den Burgerlijken Scheepsbouw (Workum, 1838) p. no: "De waterballast is in allen gevalle de veiligst, zoo als een zeer ervaren Zeeloods mij geleerd heeft. Deze bekwame zeiler voerde in vroeger jaren eene 25 voets zoogenaamde Hindeloo-per jol, waarin een vaste waterballast, onder eenen dubbelen bodem, betimmerd was, met alle luchten dagelijks op zee, en deed daarmede wezentlijk wonderen. Hij heeft door zijn voorbeeld bewezen, dat het kleinste zeilvaartuigje, indien het welingerigt is, even goed bij storm weder de zee kan bevaren, als de reddingsbootten, die alleen door riemen bewogen worden."

15 Vriendelijke mededeling van S.G. van Albada te Leeuwarden.

16 Tresoar, Nedergerecht Hindeloopen, inv.nr. 114 - Hypotheekboek 1781-1810, folio 41: "Wibrand Roelofs joltie maker tot Hindelopen [debet aan] Tjalling F. Wijnalda in Comp. te Makkum 275cg1 als rest van meerder uit de koop van eekene blauwe planken kromhout bij mijn debiteur op dyverse tyden gekogt en betaal op aanmaning, plus zes stuivers per maand intres per honderd, met als onderpand al mijn goederen en speciaal myne huisinge, hellinge en gereedschappen en dat van timmermansgoed annexis geen uitgesondert etc" Vriendelijke mededeling van S.G. van Albada te Leeuwarden.

17 Verzameling van Rapporten uitgegeven door de Zuiderzee-Vereeniging, deel I: De Zuiderzee-Visscherij (Leiden, 1905) pp. ioo-io8.

18 J. Kooijman, "De geheimen van de Staverse jol (deel t)" in: Spiegel der Zeilvaart, 1988, nr. 2, pp. 17-20.

(e-)Boek Staverse jollen - Dirk Huizinga (vanaf de eerste publicatie in 2014 bijgewerkt)

Dirk Huizinga schrijft in zijn boek "Staverse Jollen":

Bekender dan de jollen van Roosjen en Strikwerda zijn die van Wildschut uit Gaastmeer. Dat is ook logisch, want in Gaastmeer werden aan het einde van de jaren dertig nog nieuwe jachtjollen gebouwd, terwijl Roosjen in 1906 overleed en Strikwerda van 1907 tot de verkoop van de werf in 1918 maar twee nieuwe jollen heeft gebouwd. 

De Gebroeders Wildschut staan echter niet aan de basis van de Staverse jol. Rond 1860 werden de eerste jollen in Stavoren gebouwd, terwijl in Gaastmeer pas vanaf 1896 geprobeerd werd vissersjollen aan de man te brengen, waarbij het model van de jol werd afgekeken van de vissersjollen van Roosjen in Stavoren. 

(e-)Boek Staverse jollen - Dirk Huizinga (vanaf  de eerste publicatie in 2014 bijgewerkt)

Staverse jollen waren van oorsprong vissersjollen

Staverse jollen zijn voor het eerst gebouwd in Stavoren. Vanaf ongeveer 1860. Maar ze worden pas veel later `Staverse jol' genoemd. Het zijn aanvankelijk gewoon `jollen' die gebruikt worden door de vissers van Stavoren en omstreken (Hindeloopen, Molkwerum en Laaksum). De werf waar ze gebouwd werden, lag direct binnen de zeesluis. Deze werf werd in 1846 opgericht door Anne Harings Veldstra, die op een weilandje binnen de sluis een werf kon laten bouwen dankzij een krediet van 6000 gulden dat hij kreeg van de burgemeester van Gaasterland, Jhr. Gerard Reinier Gerlacius van Swinderen uit Rijs. Van de gemeente Stavoren kreeg hij het recht de grond te pachten voor een periode van 50 jaren, voor 16 gulden per jaar. Veldstra bouwde direct een grote kof van 140 ton, maar na een brand op de werf raakte het bedrijf in de problemen. Veldstra ging in 1856 failliet. De zoon van de kredietverstrekker, Jhr. Mr. Jan Hendrik Frans Karel van Swinderen, "de God van Gaasterland", kocht vervolgens de werf voor 4000 gulden, zodat Veldstra zijn schuldeisers kon betalen. Van Swinderen nam ook het recht van erfpacht over van Veldstra en stelde Jan Hartmans Wijbrands uit Hindeloopen aan als werfbaas.

De nieuwe werfbaas ging vier jaren later alweer failliet en werd als werfbaas opgevolgd door Douwe Roosjen uit Hindeloopen. Die kwam net als Wijbrands van de scheepswerf van Yntje Wijbrands uit Hindeloopen, de sloepenbouwer. Roosjen nam van die werf bovendien Gerben Strikwerda mee als scheepstimmerknecht in Stavoren. In 1862 en 1863 werd er melding gemaakt van vissersjollen uit Stavoren en het is vrijwel zeker dat die gebouwd zijn door de nieuwe werfbaas in Stavoren: Douwe Roosjen. Deze jollen werden gebruikt door leden van het Stavers Vissersgilde, die in de herfst met deze scheepjes aal vingen met fuiken langs de dijk. Tussen 1860 en 1883 heeft Roosjen slechts 10 jollen gebouwd. Dat veranderde, toen vanaf 1883 de vissers dankzij Jan Pen en Poppe de Rook uit De Lemmer de beschikking kregen over staande netten waarmee op haring en ansjovis kon worden gevist. Het aantal vissers met een vissersjol uit Stavoren groeide geweldig in die laatste jaren van de 19e eeuw. Vanaf 1896 kwam er voor Roosjen een concurrent bij. De Gebroeders Wildschut uit Gaastmeer gingen ook vissersjollen bouwen, waarbij zij de jol van Roosjen als voorbeeld hadden genomen. De Wildschutjollen werden iets ronder en voller dan de jollen van Roosjen. Omstreeks 1900 werden er bovendien jollen gebouwd aan de Hollandse kust, in Broekerhaven en in Kolhorn, op het eiland Urk en ongetwijfeld ook in Workum en Hindeloopen, hoewel daar geen bewijzen voor zijn.

De laatste jol van Stavoren

In 1881 werd een Centraal Register voor de Nederlandsche Vissersvloot ingevoerd. Gemeenten moesten ieder jaar het aantal vissersvaartuigen in hun gemeente doorgeven. De vissers kregen van de gemeente waar ze woonden een visserijteken toegewezen, dat zichtbaar moest zijn op hun schip. In 1882 staan in Stavoren niet meer dan 14 scheepjes geregistreerd. In 1911 telt Stavoren 57 visjollen. In 1920 zijn dat er nog 34 en na de afsluiting van de Zuiderzee, in 1936 nog 7 (de ST 4, 5, 6, 18, 36, 16 en 58). Direct na de Tweede wereldoorlog lagen er nog diverse jollen in de vissershaven van Stavoren, maar slechts een enkele werd gebruikt voor de visserij. In enkele jaren tijd gingen deze jollen over naar de pleziervaart. De laatste Staverse jol vroeg uiteraard om bijzondere aandacht. Op 7 februari 1949 meldt de Leeuwarder Courant daarover het volgende: "Vraag het aan de havenkant van Staveren: "De Staverse jol, wat betekende die voor Staveren" en ras staat er een groepje mannen om de vrager heen, die in de smakelijke taal, immers gekruid met Zuid-westhoekse accent, de roemruchte geschiedenis van de jol te horen krijgt. Toen een van de sprekers nog een jongen was, lagen er tachtig van deze vissersschepen in de haven.
De vrager hoort ook van dappere reddingen op het Vrouwenzand. Ja, de Staverse jol, dat was een schip, dat zijn weerga niet vond op de Zuiderzee. Kijk dan naar de laatste Staverse jol die nog in de haven ligt. Nietig tussen de grotere ijzeren aken. Een stukje blik op een rot plekje van de romp. Het grootzeil gedegradeerd tot slingerzeil. Een Ford-motor in zijn buik. Dat is de ST4, de laatste der Staverse jollen. Schilderachtig in zijn verleden tijd, straks wellicht een museumstuk. In ieder geval verkoopt Kees de Boer deze jol en krijgt ook hij een ijzeren boot, die geschikter is voor de moderne visserijmethoden. Aan de wal hoorden wij nog iets van de geschiedenis van de Staverse jol. In het boek De Zeilsport schrijft H.C.A. van Kampen, dat het hem niets zou verwonderen, wanneer zou blijken dat de Staverse jol van buitenlandse oorsprong zou zijn. Hij baseert deze mening op het vreemde model van de jol. Had hij zijn licht opgestoken bij de Staverse vissers, dan zou hij wel anders hebben gehoord. Want omstreeks 1880 brachten de schippers al hun ervaring en kennis van de Zuiderzee bij elkaar en ontwierpen de jol, die aan alle eisen van zeewaardigheid op de Zuiderzee moest voldoen. En in 1880 werd de eerste jol volgens dit ontwerp op de werf van Roosjen gebouwd. Enkele jaren later werden ze ook op een andere Staverse werf bij Strikwerda gebouwd en met de jaren op verschillende andere werven.(...) De jollen hadden geen zwaarden, hetgeen het binnenhalen van de netten vergemakkelijkte. Bovendien konden ze, onverschillig hoe het stormde, de zee in. Allen herinneren zich nog de nacht van acht op negen januari van het jaar 1920. Er waren twee schepen op het Vrouwenzand geslagen. Jelle Bleeker moest vertellen hoe zijn vader Tjerk met de jol ST38 vol vrijgezellen er op afging bij vliegend stormweer. Er werden toen o.a. een meisje van achttien jaar en een kind van nog geen jaar gered, die de hele nacht in een open sloep hadden gezeten. De dorpsdichter heeft er toen nog een lang gedicht op gemaakt, dat door de familie Bleeker met ere bewaard wordt.

De ST4 van C.J. de Boer (Wees Kwast) is de laatste jol in Stavoren die voor de zeilende visserij is gebruikt. In de twintigerjaren werd een A-Ford ingebouwd. Dit schip is in 1904 gebouwd bij Wildschut en was vanaf 1920 geregistreerd als ST4. Het is in 1949 gekocht door het Zuiderzeemuseum toen het voor onderhoud bij Jan Valk lag. Prijs fl.1500.- De jol kwam in Enkhuizen in de buitenhaven te liggen. Later is het schip in particuliere handen overgegaan, werd gerestaureerd, van een kajuitje voorzien en in gebruik genomen als jacht.

(LC, 7 febr. 1949) Als straks ook de laatste jol uit de Staverse vissersvloot verdwenen is, blijft alleen nog de herinnering aan deze jollen over. Overal in de Zuidwesthoek kunnen de vissers ervan vertellen. Vissersschepen moeten nu aan andere eisen voldoen dan zeventig jaar geleden. De werven hebben zich op andere schepen toegelegd en voorzover ze zich niet aanpasten, zijn ze in verval geraakt. Waar vroeger de glorie der Zuiderzee gebouwd werd, groeit nu het gras bij rottende schuren en hellinginstallaties op en de hellingbaas teert er op oude roem."

De roem van de Staverse jol als scheepje dat alle stormen trotseert, moeten we wel in een realistisch perspectief plaatsen. Naar moderne maatstaven is de jol helemaal niet zo zeewaardig, maar door z'n hoge vrijboord wel goed in staat het lang uit te zingen in relatief hoge golven zolang er ruimte is aan lij. Het schip kan bij hoge golven niet vrijzeilen van lagerwal, wat moderne zeiljachten meestal wel kunnen. Een jol zal met harde wind-recht-op-de-kust uiteindelijk stranden, tenzij de schipper op tijd een haven weet te bereiken.Dat is een beperking voor de zeewaardigheid van de jol. Schijnbaar doet het scheepje onder zulke omstandigheden z'n best hoogte te lopen, maar feitelijk verlijert het naar de lage wal. De legendarische zeewaardigheid van de Staverse jol moeten we daarom in de context van die tijd zien. De tijd van de zeilende binnenvaart en zeilende visserij, met wat plompe, moeizaam manoeuvreerbare schepen die zich zonder hulpmotor moesten zien te redden op de Zuiderzee. In die situatie zijn er door Staverse vissers met hun kleine, maar handzame jollen bij stormweer bijzondere staaltjes van moed en zeemanschap getoond.

De bijzondere vormgeving van de vissersjollen

Visserij met netten

De Apeldoornse firma Von Zeppelin maakte begin 1880 machinaal gebreide galen, het materiaal voor de netten, wat de prijs van het basismateriaal betaalbaar maakte. Jan Pen en Poppe de Rook ontwierpen bruikbare netten voor de vangst van haring en ansjovis op de Zuiderzee en kregen enige jaren lang een monopolie positie van de nettenfabriek om dit staande want te verkopen aan vissers op de Zuiderzee. De galen uit Apeldoorn werden daartoe in een nettenbaan van Jan Pen in De Lemmer tot bruikbare netten gemaakt en verkocht aan de vissers. De vissers konden de gevangen ansjovis en haring vervolgens kwijt bij de vishandelaren. Niet alleen de vissers uit De Lemmer. Johannes Sterk en Poppe de Rook kochten alle vis die langs de Friese kust werd gevangen. In Hindeloopen hadden zij resp. een hang en een zouterij. Vanaf 1925 had Poppe de Rook een hang en zouterij bij het vluchthaventje van Laaksum. De Staverse vissers deden daar aanvankelijk niet aan mee. Die verkochten wel hun vis aan de Lemster vishandelaren, maar hadden hun eigen hang en zouterij die zij als cooperatie bestuurden. Daar heerste de traditie van het eigen vissersgilde. Hun grote bedrijf uit 1904, direct aan de haven, werd in 1912 opgekocht door de Lemster vishandelaar De Jager. De vorm en uitrusting van de vissersjollen was daarmee bepaald niet `eeuwen oud', zoals Fred Thomas ons wilde doen geloven. De jollen werden eerst enkele tientallen jaren gebruikt als fuikenboot en daarna ook nog enkele tientallen jaren voor de visserij met staand want waarvoor zij veel verder uit de kust, op volle zee, hun netten uitzetten. Weer later gebruikten ze ook het hoekwant, toen na de afsluiting van de Zuiderzee de aalvangst op het IJsselmeer met dat tuig tot goede vangsten leidde. Na de Eerste Wereldoorlog, toen besloten werd de Zuiderzee af te sluiten, zijn er geen nieuwe vissersjollen meer gebouwd. Ze waren voor een renderende visvangst ook te klein en technisch achterhaald. De succesvolle vissers kochten grotere, stalen schepen die voorzien waren van een hulpmotor. In de dertiger jaren, toen tot verrassing van de vissers bleek dat er op het IJsselmeer goed gevist kon worden op aal en op snoekbaars, werden nieuwe stalen IJsselmeerkotters gebouwd naast stalen visschouwen en stalen rondbouwen. De houten Staverse jollen werden verkocht aan particulieren die ermee gingen varen voor het plezier, voor de recreatie.

De oorsprong van de jol is lang een raadsel

De verwantschap tussen de sloep en de vissersjol blijft wel met onduidelijkheden omgeven. De jol is ongetwijfeld ontwikkeld uit de veel langer bestaande spiegelsloep, maar de overgang van de bekende sloep naar de zo markante jol is in feite onbekend. Dat er gespeculeerd is over Hindelooper sloepen, over sloepen van Eeltsjebaes en over brede sloepen uit Vollenhove, die als voorbeeld zouden hebben gediend voor de Staverse jollenbouwers, is niet onbegrijpelijk, maar dergelijke speculatie verheldert niet zonder aanvullende argumentatie.
Een zeilsloep op de werf `De Pólle' in Grouw heeft een heel ondiepe kiel en een duidelijk lager vrijboord dan de vissersjollen uit Stavoren. Het boord is ook niet naar binnen gebogen. Het is een type zeilsloep dat begin 1900 op het binnenwater meer werd gebruikt, gelet op andere foto's uit die tijd. Eeltjebaas bouwde in Joure sloepen, ondermeer voor de visserij. Over een relatie met de vissersjollen uit Stavoren is niets bekend.

Na de Eerste Wereldoorlog werden er weliswaar geen vissersjollen meer gebouwd, maar waren er wel particulieren die zich aangetrokken voelden tot zo'n scheepje en zich lieten inspireren door het legendarisch verleden van de vissersjollen. In Gaastmeer zijn in de dertiger jaren nog nieuwe jachtjollen gebouwd. In Stavoren bouwde Jan Valk oude vissersjollen om tot jachtjol en ook in Ronduite, aan de Beulakerwijde, zijn door Huisman in die jaren enige grote jachtjollen op stapel gezet. Met dat particulieren zich gingen interesseren voor dit scheepstype, is er ook gespeculeerd over "de oorsprong van de Staverse jol". Aanleiding was de eigenzinnige vorm van het scheepje. Geen enkel vissersschip van de Zuiderzee zag er zo apart uit. Een dikke, lompe sloep met naar binnen vallende boorden zonder berghouten, waarmee gezeild werd zonder zijzwaarden en waarbij de vissers als het even kon een bezaantuig gebruikten zonder giek. Zo'n schip was moeilijk te plaatsen in de rij van klassieke platbodems. Zo'n scheepstype was misschien wel eeuwen oud en moest wellicht in verband worden gebracht met de middeleeuwse kogge die evenmin zijzwaarden had of anders was het type wellicht van buitenlandse oorsprong. Lang is er door niet de minste onderzoekers langs deze lijnen gedacht. De Staverse vissers hoorden die verhalen aan en lachten maar wat. Wat moesten zij als eenvoudige vissers zeggen tegen zulke geleerde heren? Die vissers baseerden hun mening niet op wetenschappelijk onderzoek, maar gingen uit van hun herinnering en van de overlevering. Zij beweerden dat het model bedacht was door Staverse vissers en voor het eerst bij Roosjen gebouwd was in 1880. Zij zaten met hun mening zestig jaar geleden heel wat dichter bij wat tegenwoordig als meest aannemelijke opvatting wordt gezien, dan de maritieme onderzoekers die in die tijd publiceerden over de oorsprong van dit vreemde scheepje.

Maritieme onderzoekers

Van Kampen suggereert in zijn standaardwerk De Zeilsport (1945) dat de jol wellicht van buitenlandse oorsprong is en hij staat daarin niet alleen. Gedacht werd ook aan invloeden uit Skandinavië, vanwege de gelijkenis met de Noorse jol.

Eerder hadden scheepshistorici als G.C.E. Crone (1943) en Sopers (1947, p. 105) al eens het verband gelegd met de kogge zoals die voorkomt op een middeleeuws zegel uit Stavoren. Veel steden met scheepvaart gebruikten in de middeleeuwen een stadszegel met daarop een schip. Crone en Sopers zagen deze Staverse kogge als mogelijke voorloper van de Staverse jol. Vooral vanwege het ontbreken van de zijzwaarden. "Zwaarden die zonder twijfel op enge wateren het eerst zijn toegepast, kwamen in de eerste helft van de 16e eeuw in gebruik, behalve bij enkele schepen. Een daarvan bestaat nog, het is een visschuit, de Stavorense jol, die zodanig van vorm is, dat zij geen zijzwaarden nodig heeft.", schrijft Crone (1943, p. 149). Volgens Crone (en Sopers) is de jol dus een scheepje dat zijn wortels heeft in de middeleeuwen.

Huitema (1962) zette in zijn standaardwerk `Ronde en platbodemjachten' zijn lezers weer met beide voeten op de grond. Hij schrijft over de jol: "De vorm van dit vissersschip wijkt belangrijk af van die der ronde en platbodemjachten. Deze bijzondere vorm heeft allerlei gissingen omtrent zijn oorsprong doen ontstaan, waarbij enerzijds werd teruggegrepen op het stadszegel van Stavoren uit de dertiende eeuw en anderzijds zelfs buitenlandse invloeden werden verondersteld. Een zeer nuchtere en eenvoudige verklaring inzake de oorsprong van de Staverse jol werd echter enige jaren geleden gegeven door de heer D. Zeldenrust, zelf afkomstig uit een scheepsbouwersfamilie in Frieslands Zuidwesthoek, een verklaring die juist door haar simpelheid zeer plausibel klinkt. Hij brengt namelijk het ontstaan van dit scheepstype in verband met de ontwikkeling der ansjovisserij in de jaren tussen 1870 en 1880, en met de eisen die deze visserij, met zijn speciale netten, aan de schepen stelde. (...) Aanvankelijk maakte men vooral gebruik van de sloepen die ook bij de palingvangst dienst deden, waarbij al spoedig bleek dat de uit de buurt van Vollenhove afkomstige sloepen met hun tamelijk volle kop het beste voor dit werk geschikt waren. Een tweetal vissers, J. Visser uit Stavoren en M. Zeldenrust uit Molkwerum, lieten daarom bij de werf van J. Strikwerda ieder een speciale boot voor de ansjovis bouwen met een volle, ronde kop. Dat werden de eerste Staverse of ansjovisjollen, ook wel herfst- of fuikenjollen genoemd. Ze werden eerst alleen gesleept, maar kregen later ieder een spriettuig. (...) Het juiste bouwjaar van beide jollen is niet bekend, wel echter wanneer de jol van Zeldenrust werd gesloopt. Dat was 1916-17. Daarbij bleek, dat de kiel eerst laag was geweest, maar later hoger was gemaakt om ¬ volgens de eigenaar — de zeilcapaciteiten te verhogen. (...) Eind 1800 had Stavoren ruim vijftig jollen en de aangrenzende gemeente Hemelumer Oldephaert ongeveer negentig, verdeeld over de dorpen Warns, Molkwerum, Koudum en Laaxum. Natuurlijk was Strikwerda niet in staat al deze schepen zelf te bouwen, maar ook Roosjen in Stavoren en vooral Wildschut in Gaastmeer gingen zich op deze jol toeleggen."(Huitema, 1962, p. 1 57,1 58)
Dit is natuurlijk een verwarrend verhaal vol feitelijke onjuistheden. Huitema verbindt de ontwikkeling van de jol met de vangstmethoden van ansjovis, terwijl hij tegelijkertijd spreekt over herfst- of fuikenjollen (die voor de tijd van de ansjovisserij gebruikt werden voor de aalvangst). Met J. Strikwerda bedoelt Huitema waarschijnlijk Ids Strikwerda, de zoon van Gerben. Alsof die de eerste jollen bouwde, nog voordat Roosjen zich hierop richtte. Het blijft ook een raadsel wie deze jollen voor de visserij sleepten, want de jollen waren in die tijd de enige vissersschepen in de haven van Stavoren. Huitema was dus niet zo goed geïnformeerd, hoewel hij terecht de jol koppelt aan de 19e eeuwse visserij.

Een jaar eerder had Sytze Jan van der Molen (1961) een beter onderbouwde veronderstelling gepubliceerd in het Jaarboek van het Fries Scheepvaartmuseum. Van der Molen gebruikt als eerste onderzoeker de verslagen van de gemeente Stavoren, waarin over het jaar 18 58 melding wordt gemaakt van "aalvangst met zeesloepen". Met die verwijzing is vervolgens wel weinig gedaan. Je zou verwachten, dat onderzocht is waar die `zeesloepen of jollen' gebouwd zijn. En waarom de scheepsbouwer zo'n apart model maakte. Of was de vissersjol wellicht veel minder vreemd dan gedacht? Van der Molen zag immers een overeenkomst met de Hindelooper sloep.

In 1968 publiceerde Vroom een serie artikelen in `Uit het Peperhuis', een uitgave van de Vrienden van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. De drie artikelen zijn later gebundeld en als boekje verschenen (Vroom, 1968). Vroom schreef over de schepen die bij Eeltje Holtrop van der Zee in Joure zijn gebouwd. Eeltjebaas bouwde tussen 18 59 en 1900 zes sloepen van ongeveer 6 meter lang voor de visserij. Een van die boten was voorzien van roer en zwaarden. Vroom schrijft: "De sloepen worden wel in verband gebracht met het ontstaan van de Staverse jol. Over de oorsprong van dit scheepstype zijn een aantal theorieën in omloop, die als volgt zijn samen te vatten:

  1. Sommige auteurs voeren het type van de Staverse jol rechtstreeks terug tot scheepstypen, die in de eerste helft van de 16e eeuw de Zuiderzee bevoeren. Deze schepen hadden geen zwaarden.
  2. Anderen zijn van mening dat deze jol van Skandinavische oorsprong zou zijn. (J.J. Tesch en J. de Veen in "Die Niederlándische Seefischerei")
  3. De auteur van het artikel over de Staverse jol in het boek Ronde en Platbodemjachten (...) brengt het ontstaan van de jol in verband met de opkomst van de ansjovisvisserij in de jaren tussen 1870 en 1880. (...)
  4. S.J. van der Molen legt in een artikel, verschenen in het jaarboek 1961 van het Friesch Scheepvaartmuseum, verband tussen de Staverse jol en het ontwerp voor een zeilsloep, vervaardigd door F.N. van Loon, in 1828.

Wat de eerste theorie betreft, het is natuurlijk niet onmogelijk, dat de Staverse jol teruggevoerd zou kunnen worden tot de scheepstypen, die in het begin van de 16e eeuw de Zuiderzee bevoeren. Het is thans echter niet mogelijk de ontwikkelingsstadia aan te geven. Wat de tweede opvatting betreft, De Veen, die een groot kenner van de Zuiderzeevisserij was, heeft de Staverse jol vermoedelijk in verband gebracht met de Noorse vlet of Noorse jol. De haring- en ansjovisvletten, die in een grote verscheidenheid voorkwamen en o.a. te Enkhuizen gebruikt werden, vertoonden hoewel ze "vlet" genoemd werden in zekere zin meer overeenkomst met de Staverse jollen, dan met de Helderse vletten. (...) De derde en vierde theorie leggen verband tussen de Staverse jol en de sloepen. Dit verband is m.i. alleszins waarschijnlijk."(Vroom, 1968, p. 57, 58)
De schrijver citeert vervolgens Van der Molen met de gegevens uit het gemeentearchief 18 59 van Stavoren en richt zich daarna weer op de bouw van sloepen bij Van der Zee. Door de maten van sloepen te vergelijken, constateert Vroom dat bij gelijke lengte het barkas van Eeltjebaas en de Staverse jol breder en dieper zijn dan de jollen die bij de marine in gebruik waren. "Het lijkt mij, gezien het feit, dat Eeltjebaas in 1859 al een sloep bouwde, die wat afmetingen betreft vrijwel identiek was aan de latere Staverse jol, niet onwaarschijnlijk, dat deze in 1859 voor de visserij gebruikte zeesloepen of jollen (...) wat deze maten betreft, overeenkwamen met het prototype van de Staverse jol." (Vroom, 1968, p. 60) Als opmerkelijk verschil ziet hij echter, dat de kop van de Staverse jol veel hoger is dan de kop van het barkas van Van der Zee.

Theorievorming zoals bij Vroom is vooral gebaseerd op de uiterlijke overeenkomsten die men waarneemt tussen verschillende schepen. Zou de Staverse jol in verband kunnen worden gebracht met de sloepen uit Vollenhove? Of met de sloepen die Eeltjebaas bouwde voor de visserij? Of de ansjovisvletten uit Enkhuizen? Met Noorse jollen wellicht? Of met de Hindelooper sloep zoals Van der Molen doet? Een dergelijke relatie moet dan wel aannemelijk worden gemaakt met meer argumenten dan alleen de uiterlijke gelijkenis. Jarenlang stond op de website van de Stichting Stamboek van Ronde en Platbodemjachten, dat de oorsprong van de Staverse jol bij de kubboot ligt. Dat is weer een andere relatie. De kubboot is een stevig, overnaads spitsgatscheepje met platte bodem, dat gebruikt werd voor de aalvangst langs de westwal van de Zuiderzee. Ook zag je ze in Harderwijk en in Vollenhove. Het scheepje heeft in de verte iets van een Noorse jol. Uitgevoerd als zeilboot was het voorzien van zijzwaarden en een torentuigje. Waarom de Staverse jol van de kubboot afgeleid zou moeten worden, blijft onduidelijk. Om dezelfde reden is de relatie met de brede sloepen uit Vollenhove een willekeurige aanname. De relatie van de Staverse jol met de sloepen van van der Zee blijft eveneens giswerk. Lemster vissers gebruikten in die tijd visaken van Van der Zee en De Boer. De Lemster visaak fungeerde als moederschip en sleept een vlet mee om het staande want te schieten en te halen. Staverse jollen zijn nooit gebouwd om gesleept te worden. Staverse jollen zijn vanaf het begin bedoeld als zelfstandige vissersjollen waarmee gezeild werd op de Zuiderzee voor Stavoren. Door de lange kiel is de jol ongeschikt om te slepen.

De benadering van Sietze Jan van der Molen (1961) is later uitgewerkt door Meindert Seffinga (2003). De directeur van het Fries Scheepvaartmuseum keek als eerste onderzoeker voor de oorsprong van de jol naar de geschiedenis van de scheepswerf in Stavoren, waar de jollen in de 19e eeuw zijn gebouwd. Seffinga constateert, dat zowel werfbaas Jan Wijbrands als Douwe Roosjen (en diens knecht Gerben Strikwerda) afkomstig is van de sloepen- en jollenwerf van Yntje Wijbrands in Hindeloopen. Daar hebben ze geleerd (Hindelooper) sloepen en jollen te bouwen. Als werfbaas kon Wijbrands en later Roosjen die vaardigheid in Stavoren uitwerken naar de wensen van de Staverse vissers. Seffinga legt daarmee een `genealogisch' verband dat door z'n evidentie verklarende kracht heeft, in tegenstelling tot de uiterlijke gelijkenissen van de andere auteurs. De geschiedenis van de scheepsbouw in Stavoren van 1846 tot 1918 zet de diverse spelers op het toneel van de jollenbouw op hun plaats, waar die bij de schrijvers die onbekend zijn met die geschiedenis, als toevallige passanten langs komen zweven of helemaal niet gezien worden.

Bakermat Stavoren

Na het faillissement van Veldstra en de verkoop van de Staverse werf aan Van Swinderen, werd Jan Hartmans Wijbrands in 1856 de nieuwe werfbaas. Een scheepstimmerman uit Hindeloopen die gewerkt heeft op de sloepenwerf van Yntje Wijbrands. Over zijn scheepsbouwactiviteiten in Stavoren is vrijwel niets bekend. In de Jaarverslagen van de gemeente Stavoren wordt niets over scheepsbouw vermeld. Na de Grondwet van 1848 is ons land bestuurlijk opnieuw vormgegeven. Er wordt bestuurlijke verantwoordelijkheid gelegd bij provincies en gemeenten. In dat kader zijn de gemeenten verplicht om verslag uit te brengen van hun activiteiten aan de centrale overheid (Den Haag). Het eerste Jaarverslag van Stavoren rapporteert over het jaar 18 51. Over de scheepsbouw of de visserij ter plaatse wordt niets opgemerkt. Pas in 1858 wordt geschreven: "De aalvangst geschiedt met zeesloepen". Een jaar later, over 1859, wordt vermeld dat de aalvangst geschiedt "met zeesloepen of jollen". Dat is nieuw. De aalvangst vindt niet langer plaats met schuitjes, maar met `zeesloepen of jollen'. Die moeten natuurlijk ook ergens gebouwd zijn en het is niet onwaarschijnlijk, dat dit het werk is geweest van Jan Wijbrands. Na diens faillissement in 1860 werd Douwe Roosjen uit Hindeloopen werfbaas in Stavoren. Ook hij kwam van de sloepenwerf van Yntje Wijbrands. In Stavoren bouwde hij af en toe een nieuwe jol voor leden van het Stavers Visschersgilde, die deze scheepjes in het najaar gebruikten voor de aalvangst. Af en toe, want in 1863 zijn er in Stavoren tenminste 3 vissersjollen in gebruik bij aalvissers. In 1884 wordt door de gemeente Stavoren aan het College voor de Visserij doorgegeven dat de plaatselijke aalvisserij geschiedt met ondermeer 11 open jollen. Dat is natuurlijk geen spectaculaire toename. Acht jollen erbij in twintig jaar, dat is nauwelijks het vermelden waard. Er wordt in die jaren op de werf van Roosjen ongetwijfeld ook nog iets anders gedaan dan af en toe een jol bouwen. Daar is op dit moment echter niets meer over bekend. Roosjen hield geen bedrijfsadministratie bij en wat er wel werd opgeschreven, is niet bewaard gebleven. Alleen de summiere jaaropgaven aan de gemeente Stavoren zijn er nog. De opdracht tot de bouw van kleine scheepjes als deze vissersjollen werd ook niet bezegeld in een notariële akte, zodat ook via die weg niets is te reconstrueren. Het is zelfs niet bekend of die eerste jollen uit 18 59 wel lijken op de scheepjes die wij nu Staverse jol noemen. Maar we nemen dat graag aan, zeker als we zoeken naar de herkomst van de Staverse jol. Het is ook niet onredelijk om de scheepsbouwactiviteiten van Jan Wijbrands te gebruiken als uitgangspunt voor de jollenbouw. Immers, de jollen zoals wij die kennen, zijn stevige, eiken scheepjes die bij een normaal onderhoud een levensduur hebben van dertig tot veertig jaren. Op foto's die omstreeks het jaar 1900 gemaakt zijn van vissersjollen in de haven van Stavoren, zien we natuurlijk niet alleen de nieuwste scheepjes. Tussen al die jollen zullen ook oudere voorkomen die wellicht rond het jaar 1870 of 1880 zijn gebouwd. Al die jollen op de foto's lijken echter op elkaar. De oude en de nieuwe jollen zijn niet eenvoudig op grond van hun uiterlijk van elkaar te onderscheiden. De kans is dus groot dat de `zeesloepen of jollen' die Jan Hartmans Wijbrands in de jaren 18 57 tot 1860 zal hebben gebouwd voor leden van het Stavers Vissersgilde, de eerste jollen zijn geweest met een vorm die wij nu als `Staverse jol' herkennen. De benaming `Staverse jol' was in de 19e eeuw overigens onbekend. Roosjen en Strikwerda adverteerden tot 1917 met de bouw van `Stavorensche sloepen en visschersjollen'. Nooit met de bouw van `Stavorense jollen'. Die Stavorense sloepen waren niet bedoeld voor de visserij, maar als bijboot bij vrachtschepen. In de berichten over de visserij rond Stavoren en over zeilwedstrijden in Hindeloopen en Warns wordt gesproken over `jollen' of over `visschersjollen'. In de Leeuwarder Couranttrof ik voor het eerst in 1893 de benaming `Stavorensche jol' aan in een advertentie voor een publieke verkoop (LC, 17 juli, 1893). In 1903 wordt deze aanduiding nog een keer gebruikt. Weer door een notaris. Maar meestal volstaat de naam jol of vissersjol. Pas als de jollenbouw in Stavoren in 1918 voorbij is, komt de naam `Staverse jol' in zwang.

Staverse jollen trokken al vroeg de aandacht

Veel houten werkschepen uit de 19e eeuw zijn geruisloos verdwenen, maar zo niet de vissersjol uit Stavoren. Dat is opvallend. Het gaat immers om een klein en robuust, maar ook wat lomp vissersscheepje voor de kleine man. Voor wie een botter veel te duur was. Rond 1880 waren er in Stavoren zo'n 12 jollen voor de 12 vissers van het Stavers Vissersgilde die in de herfst aal probeerden te vangen met fuiken langs de Zuiderzeedijk. Rond 1900 waren er veel meer jollen, dankzij de staande netten van de handelaren Jan Pen en Poppe de Rook uit De Lemmer, waarmee succesvol met een klein schip haring en ansjovis was te vangen. Na de afsluiting van de zee in 1932 was dat alles voorbij, maar toen begon de zegetocht van de Staverse jol als jacht, terwijl het scheepje daar eigenlijk niets van heeft.......

De gebroeders Wildschut maakten hun Staverse jollen iets zwieriger dan Roosjen en Strikwerda in Stavoren deden

Wildschutjollen hebben een stompe kop en een duidelijk hartvormige spiegel, terwijl de spiegel van de jol uit Stavoren meer V-vormig is. De boorden trekken bij de Gaastmeerjollen sterker naar binnen en de klik van het roer is anders vormgegeven. De opvallend spitse koppen van jollen uit Stavoren komen bij Wildschut niet voor. 

Herfstjollen met spitse kop en de grotere met bolle kop
Er werd vaak beweerd, dat de eerste jollen uit de 19e eeuw kleine jollen waren met spitse kop, bedoeld voor de vangst van aal in de herfst, herfstjollen, en dat pas later voor de vangst van ansjovis de grotere jollen zijn gebouwd met ronde koppen die verder op zee gingen. De dikke kop zou ervoor zorgen dat de jol met z’n kop niet onder water verdween als de schipper met harde achterlijke wind terug zeilde naar de haven. In werkelijkheid zijn er ook voor de ansjovisvangst kleine jollen met spitse koppen gebouwd. Die zeilden beter dan de dikkoppen en de spitse jollen hebben met hun breedte nog altijd zoveel draagvermogen, dat de kop bij een harde achterlijke wind absoluut niet onder water verdwijnt. Dat kan wel bij moderne wedstrijdjachten, die door hun snelheid een golf inhalen en met het voorschip erin duiken, waarbij het water tot de mast over het voordek kan spoelen. Bij de langzame, brede jollen is dat echter uitgesloten. Een breed, rond voorschip geeft bij een jol natuurlijk wel meer ruimte in het vooronder en dat kan van belang zijn voor de visser met zijn twee knechten, als zij moesten bivakkeren in dat vooronder. 

‘Jollen’ voor de aalvangst
Omstreeks 1860 werd voor het eerst genoemd dat de vissers ook ‘jollen’ gebruikten voor deze aalvangst. Meer dan twintig jaren later, in 1883, waren in Stavoren 11 jollen, één blazer en twee kleine boten geregistreerd voor de visserij. Nog steeds voor die twaalf leden van het vissersgilde. Die blazer diende als bunschip om de gevangen aal te bewaren, waarna de paling werd opgehaald met een ‘ielbûs’ van de vishandelaar in Heeg. Pas na 1888 zou het aantal jollen in Stavoren snel toenemen. De reden is dat er met een nieuwe vismethoden op haring en ansjovis kon worden gevist voor vishandelaren uit De Lemmer, die de ansjovis internationaal wisten te verkopen, doordat de gezouten ansjovis in ankers (tonnen) per trein naar Duitsland vervoerd kon worden. In 1890 waren er in Stavoren 18 jollen. In 1895 waren er 27 jollen geregistreerd en in 1900 zelfs zeventig. Daarna zou de Staverse vissersvloot nog ietsje groeien totdat in 1903 de periode kwam van slechte vangsten door overbevissing van de Zuiderzee. 

Die inzinking duurde van 1903 tot 1913 en daarna kwam de Eerste Wereldoorlog waardoor de internationale handel met ansjovis en aal wegviel. In 1905 was de vloot uit het jaar 1902 van 74 jollen, 2 tjalken, 1 open bootje, 1 vlet, 1 sloep en 1 botter alweer gekrompen naar 55 jollen, 1 sloep en 1 botter. Het waren vooral de gelegenheidsvissers die in die slechte periode direct stopten. Zij waren alleen dan visser als er goede vangsten waren. Dat tot ergernis van de vissers die ook visser bleven in mindere tijden. In de periode 1885 tot 1915 waren het niet alleen de vissers uit Stavoren die met vissersjollen visten. Ook in Hindeloopen, Molkwerum, Laaksum en Urk werden veel jollen gebruikt, evenals in vissershavens aan de westwal. Die scheepjes werden door diverse werven gebouwd. Alleen de vissers in De Lemmer gebruikten geen jollen. Die hadden hun eigen favoriete vissersschepen.

Bouwers van Staverse jollen
Vanaf 1860 heeft Douwe Roosjen af en toe eens een open vissersjolletje gebouwd. Er bestaat nog één zo’n jolletje uit die vroege periode, de ST43 van 5.20 meter lang. Het duurde ruim 20 jaar voordat er veel meer vraag ontstond naar dit soort vissersjollen. Daar profiteerde niet alleen Roosjen in Stavoren van, maar ook andere scheepsbouwers, die natuurlijk ook wel zo’n soort jolletje konden bouwen. De plaatselijke krant ‘Friso’ meldde bijvoorbeeld op 20 november 1897 dat er op dat moment bij Gaastmeer zo’n 20 nieuwe jollen waren gebouwd. Dat was bij de Gebroeders Wildschut, die vanaf 1896 hun werf in Gaastmeer moesten richten op de scheepsbouw, omdat de vishandelaar Visser uit Heeg zich als vaste opdrachtgever voor het onderhoud aan palingaken en de bouw van aalleggers had teruggetrokken. Ook elders, aan de Hollandse kust werden in die tijd jollen gebouwd en iedere scheepsbouwer maakte ‘zijn’ vissersjol naar zijn eigen smaak. Er ontstonden daarmee niet alleen vormverschillen op grond van wensen van de opdrachtgevers, maar ook verschillen door de scheepsbouwers die zo hun eigen opvattingen en voorkeuren hadden.

De vormverschillen tussen vissersjollen gaan verder dan de verschillen tussen de jollen van Roosjen en Wildschut.Tijdens de crisis in de Zuiderzeevisserij door overbevissing, van 1903 – 1913, werden er die jaren heel weinig jollen gebouwd. In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit en viel de internationale handel voor de vishandelaren weg. In 1916 was er de Zuiderzeeramp die ertoe leidde dat het parlement in 1918, na de oorlog waarin Nederland neutraal bleef, besloot om de gevaarlijke Zuiderzee af te sluiten en gedeeltelijk in te polderen. Vanaf dat moment wachtten de vissers de ontwikkelingen af en werd er nauwelijks meer geïnvesteerd in de schepen. De periode dat de vissersjol uit Stavoren als kleinste zelfstandig varende vissersschip van de Zuiderzee furore maakte, duurde daarmee slechts dertig jaren, van 1885 tot 1915. De vormverschillen tussen jollen zijn ontstaan in die periode op een vanzelfsprekende wijze. Er bestond immers geen norm hoe een jol er uit hoorde te zien. Iedere scheepsbouwer had zijn eigen voorkeuren en de vissers als opdrachtgever bepaalden de maten van het scheepje dat zij lieten bouwen.

Discussie over de oorsprong van de Staverse jol
Nederland kent een rijke variatie van scheepstypen die door de eeuwen heen gebruikt werden op het binnenwater en de voormalige Zuiderzee. Een aantal van die werkschepen is behouden gebleven als platbodemjacht, waartoe in 1955 een behoudsorganisatie is opgericht: de Stichting Stamboek voor Ronde en Platbodemjachten. Van ieder nog bestaand scheepstype zijn kenmerken vastgelegd en is de geschiedenis beschreven. Eén scheepje viel uit de toon. De Staverse jol liet zich moeilijk indelen bij de platbodemjachten en de oorsprong ervan was bovendien onbekend. Rond 1900 werd deze vissersjol echter veel gebruikt voor de vangst van haring en ansjovis. De jol hoorde er wel bij, maar waar kwam die vandaan? De vorm van het scheepje week af van de andere vissersschepen. Het had geen zijzwaarden, maar een verdiepte kielbalk over de hele lengte. Het had geen berghout, maar was helemaal glad en de boorden bogen naar binnen, wat men vreemd vond. De achterzijde was niet rondlopend, maar was als bij een spiegelsloep. Dat alles zorgde voor de nodige verwarring onder maritieme onderzoekers. Zo zagen G.C.E. Crone en P.J.V.M. Sopers in de veertiger jaren een verband tussen de jol en de kogge, die is afgebeeld op een middeleeuws stadszegel uit Stavoren, vanwege het ontbreken van de zijzwaarden. H.C.A. van Kampen suggereerde in diezelfde tijd, dat de vissersjol uit Stavoren wellicht van buitenlandse oorsprong was. Hij zag overeenkomsten met de Noorse jol.

In de zestiger jaren stelde T. Huitema op grond van een contact met een scheepsbouwer uit de Zuidwesthoek, dat de jol rond 1880 op verzoek van twee vissers door werfbaas J. Strikwerda in Stavoren gebouwd was voor de vangst van ansjovis. S.J. van der Moolen had in diezelfde tijd gewezen op publicaties waarin sprake was van visvangst bij Stavoren met ‘zeesloepen of jollen’. Hij zag een vormovereenkomst van de vissersjol met de Hindelooper sloep. Eind jaren zestig vatte U.E.E. Vroom de verschillende interpretaties samen voor de Vrienden van het Zuiderzeemuseum. Hij volgde vooral Van der Moolen, maar zag zelf ook vormovereenkomsten met sloepen die Eeltje Holtrop van der Zee eind 1800 bouwde in Joure.

Wat opvalt bij de werkwijze van deze onderzoekers is, dat zij vooral keken naar de vorm van het schip. Ze deden geen onderzoek naar de functie van de vissersjol of naar de bouwer(s) en opdrachtgevers. Ook de economische context bleef geheel buiten beschouwing, terwijl dat aspect essentieel is. De vissers vangen immers alleen die vis die zij kunnen verkopen.
Pas in 2003 pakte M. Seffinga de draad van S.J. van der Molen weer op. Seffinga constateerde dat in 1860 werfbaas Douwe Roosjen uit Stavoren afkomstig was van de sloepenwerf van Wijbrands uit Hindeloopen. Dat zou kunnen verklaren, waarom de vissersjollen een soort sloepen zijn met bolle wangen.

Geen sprake van uniformiteit bij de Staverse jol als jacht
Het is de vraag of er op grond van deze werkelijkheid vormcriteria zijn op te stellen waar een Staverse jol noodzakelijk aan moet voldoen wil dat scheepje bij de SSRP geregistreerd kunnen staan als ‘Staverse jol’.

Wellicht is de omgekeerde aanpak praktischer: welke kenmerken van een feitelijk bestaande jol leiden ertoe, dat die jol niet opgenomen kan worden in het Stamboek?

Kan bijvoorbeeld de WK2 (later 'Robbebol') gewoon doorgaan voor een Staverse jol of zijn er, ondanks de erkende veelvormigheid, bij dit scheepje toch te veel vormen die anders zijn dan bij alle andere jollen? De WK2 is een vissersjol met een afwijkende vorm, waarvan het de vraag is wie dat scheepje heeft gebouwd. Gedacht wordt aan de werf in Kolhorn, maar daar is geen bewijs voor.

Als de oorspronkelijke vissersjollen de criteria verschaffen op grond waaraan de Staverse jollen als jacht getoetst moeten worden of deze opgenomen kunnen worden in het Stamboek als ‘echte’ Staverse jol, dan is er weliswaar de nodige speelruimte, omdat de vissersjollen onderlinge verschillen laten zien, maar zouden desondanks vele Staverse jollen die nu als jacht gebruikt worden en als zodanig geregistreerd zijn, moeten afvallen. Omdat ze voorzien zijn van berghouten, of omdat ze duidelijk te groot zijn. Omdat ze een afwijkende vorm van de kiel hebben of een verkeerde spiegel. Omdat ze een vrijwel rechte voorsteven hebben in plaats van een gebogen en zo kunnen nog een paar criteria toegepast worden.

Als we niet kijken naar de vorm en afmetingen van de vissersjollen zoals die tot 1950 gebruikt werden, maar accepteren dat plezierjachten een autonome ontwikkeling kennen, dan zijn gelden er natuurlijk andere criteria. Er zijn de afgelopen 60 jaren tal van technische hulpmiddelen en moderne materialen bij zeiljachten in gebruik genomen (dacron zeilen, rolfokgarnituren, RVS beslag etc. etc.) die het zeilen en het jachtonderhoud gemakkelijker hebben gemaakt. De watersporters zijn na 1950 in lengte gegroeid en verwachten aan boord meer comfort dan een vissersjolletje van 6 meter kan bieden. Het klassiek verklaren van een jachtje en verdere ontwikkeling afkeuren, betekent uiteindelijk het einde van dat scheepstype.

Tegen alle verwachtingen in, zijn Staverse jollen populaire platbodemjachten geworden

Dat is opvallend, omdat deze voormalige vissersscheepjes aanvankelijk slechts een beperkte groep zeilers aansprak. Maar dat waren dan ook liefhebbers van die norse, lompe scheepjes, die op het binnenwater maar moeizaam op gang kwamen en het moesten hebben van het ruimere water en een niet te zwakke wind. Die populariteit is vooral te danken aan de ontwerper Jaap Gipon, die een groot deel van z'n leven zelf in een oude, houten jol zeilde die gebouwd was bij Wildschut in Gaastmeer. Gipon tekende houten jachtjollen die sprekend leken op de houten vissersjollen van weleer, maar dat waren niet de ontwerpen die het deden. Zijn wat grotere jollen tussen de 7 en de 8 meter, gebouwd in staal en meestal voorzien van een kajuit, werden in de welvarende zeventiger en negentiger jaren populair bij zeilers die wel met een traditioneel schip wilden varen, maar liever niet het werk met zijzwaarden erbij deden. De wat grotere jollen van Gipon zijn ruim, gemakkelijk te zeilen en behoorlijk snel. Bovendien zijn het om te zien `echte' Staverse jollen. Het is zondermeer aan Gipon te danken, dat er op dit moment zoveel Staverse jollen op het water te zien zijn.
Toch is er bij die dominantie van de Giponontwerpen een kanttekening te maken. Al die schepen lijken op elkaar. De variatie onder de oorspronkelijke vissersjollen was veel groter dan tussen de huidige jachtjollen. De dominantie van de Giponjollen doet ons wel eens vergeten, dat er ook op dit moment nog ontwerpers zijn die Staverse jollen bouwen van een ander model.

Dirk Huizinga: Staverse jol ST48 gebouwd in 1894

Vissersjollen als cultureel erfgoed

In jaren zestig gingen jonge zeilers zich interesseren voor het zeilen met werkschepen. Zij wilden geen opgepoetst jacht, maar een stoer schip zoals dat in het verleden door vissers en door schippers werd gebruikt. Zij kochten wrakkige werkschepen en gingen die opknappen. Niet om er een jachtje van te maken, maar om ze terug te brengen in de originele staat. Dat overkwam ook vele Staverse jollen. Ook de ST48 uit 1894 is op deze wijze weer als vissersjol in de vaart gekomen. Toen Piet Bouma de ST48 in 1989 kocht, was het scheepje na jaren van herstel in een uitstekende conditie gebracht. Het is echter moeilijk om een open, eiken scheepje jarenlang in die conditie te houden. Zeker als het zonder dektent buiten in weer en wind ligt. Na enkele tientallen jaren is er in de regel weer een grote opknapbeurt nodig. Toen in 2012 een volgende restauratie onvermijdelijk werd, verkocht Piet zijn jol voor het symbolische bedrag van €1,00 aan de pas opgerichte Stichting Staverse Jol in Workum.

De nieuwe eigenaar was in staat fondsen te werven om de kostbare restauratie van de jol mogelijk te maken. Na een vergelijkende inschrijving werd het werk gegund aan scheepswerf De Hoop in Workum, waar werfbaas Harold de Lange het jolletje in 2013 weer als nieuw te water liet gaan. Met deze ontwikkeling is het behoud van dergelijke houten werkscheepjes een nieuw fase in gegaan. Niet langer is het schip het trotse bezit van een individuele eigenaar. De nieuwe eigenaar is een rechtspersoon met een cultureel doel: het behoud van de culturele waarde van oorspronkelijke vissersjollen van de Zuiderzee, waarbij niet alleen het schip belangrijk is, maar ook de wijze waarop het gebruikt werd. Om die doelstelling een reële toekomst te geven, investeert de stichting daarom in het enthousiasmeren van jongeren om met de jol te zeilen en tijdens visserijdagen te vissen.

De Tijdlijn van 125 jaar ST48

Gerrit Mulder uit Stavoren laat bij Roosjen een jol bouwen, die visserijnummer ST49 krijgt

1894 - 1911

Tot de oudste nog bestaande Staverse jollen in Nederland behoort de ST48 die in 1894 werd gebouwd bij Douwe Roosjen. Met afstand de oudste nog varende jol is de ST43 die rond 1864 bij Roosjen is gebouwd en door de jaren heen gebruikt is door de familie Visser. Dat scheepje is op dit moment eigendom van Johannes Wassenaar uit Mirns. De ST48 is zo’n dertig jaar jonger en werd gebouwd tijdens de hoogtijdagen van de visserij op de Zuiderzee. De opdrachtgever voor de bouw was Gerrit Mulder, die van de gemeente het visserijnummer ST49 kreeg.

Meer over "Gerrit Mulder uit Stavoren laat bij Roosjen een jol bouwen, die visserijnummer ST49 krijgt"

Gerrit Mulder zijn jol over aan zijn zoon, die haar verkoopt aan Wietze Visser (ST48)

1911 - 1935

In 1911, toen de Zuiderzeevisserij formeel overging naar de kustvisserij en de vissers met hun schepen opnieuw geregistreerd moesten worden, deed Gerrit Mulder zijn jol over aan zijn zoon, die het registratienummer ST13 kreeg. Het was een slechte tijd voor de vissers en dat ongeluksnummer leek Mulder Jr. niet te helpen. Hij vroeg de gemeente om een ander nummer en kreeg de registratie ST48. Nog hetzelfde jaar verkocht Mulder Jr. de jol aan Wietze Visser uit Stavoren, die met de ST48 bleef vissen tot 1924.
In 1924 wordt het scheepje als visserschip uit het Centraal Visserijregister verwijderd. De jol werd nog wel gebruikt in de visserij, maar dan als bijboot. Pieterman uit Urk huurde het scheepje als bijboot bij de UK219.

Meer over "Gerrit Mulder zijn jol over aan zijn zoon, die haar verkoopt aan Wietze Visser (ST48)"

De jol wordt verkocht voor de recreatie. Richard Bakker ontdekt de jol in een slootje bij de Vinkeveense plassen.

1935 - 1970

In 1935, even na de afsluiting van de Zuiderzee toen de voormalige kustvissers formeel binnenvisser waren geworden, ging de jol over naar de recreatie, de pleziervaart. Zoals in die tijd gebruikelijk, werd de jol wat verbouwd. Er kwam een kajuitje op en de mast werd strijkbaar gemaakt. Het was de periode dat voormalige vissersjollen als jachtjol op het water verschenen en daarbij als zeilschip niet een heel goede indruk maakten. Ze waren traag, ze gingen moeizaam overstag en dankzij de verbouwing waren ze eigenlijk niet heel stabiel. Het zwaartepunt lag te hoog, zodat zo’n jachtjol die het eigenlijk van een flinke bries moest hebben, bij wat meer wind te weinig stabiel bleek te zijn.

Meer over "De jol wordt verkocht voor de recreatie. Richard Bakker ontdekt de jol in een slootje bij de Vinkeveense plassen."

Richard Bakker koopt de ST48 in 1970

1970 - 1975

Jaren na de oorlog, in 1970, kwam de ST48 in bezit van Richard Bakker. Hij sloopte de kajuit eraf en laat Piet Dekker in Kortenhoef tussen 1971 en 1973 de jol opknappen. Het was de tijd dat een nieuwe generatie liefhebbers van werkschepen wilde zeilen op originele wijze, met bijvoorbeeld een jol in vissermanuitvoering. Natuurlijk was er in al die jaren al het nodige vertimmerd aan het oorspronkelijke scheepje. Opvallend was bijvoorbeeld, dat de kiel was aangepast. Veel jollen zijn (te) loefgierig. Dat probleem is te verhelpen door aan de voorkant de kiel te verkleinen, waardoor het lateraalpunt naar achteren schuift. Dat was dus gebeurd. De ST48 had geen originele kiel, maar ze zeilde uitstekend.

Meer over "Richard Bakker koopt de ST48 in 1970"

De ST48 krijgt verschillende eigenaren achter elkaar

1975 - 2012

Gerard verkoopt de ST48 in 1976 aan Klaus Roding in Wanneperveen. Deze laat de jol restaureren bij Joh. van der Meulen in Sneek. 
In 1989 neemt Piet Bouma de ST48 over van Klaus Roding.

Meer over "De ST48 krijgt verschillende eigenaren achter elkaar"

Stichting Staverse Jol wordt eigenaar

2012 - nu

De ST48 is toe aan een restauratie. Dat is te kostbaar voor de eigenaar. Om het scheepje te behouden, wordt de Stichting Staverse Jol opgericht die het scheepje voor een symbolisch bedrag overneemt en fondsen werft voor de restauratie. De ST48 wordt gerestaureerd door Harold de Lange. De ST48 gaat in 2013 weer als nieuw te water.
In 2019 bestaat de ST48 125 jaar!

Meer over "Stichting Staverse Jol wordt eigenaar"

Wat maakt die jolletjes van zo’n zes meter lengte zo opvallend?

Waarom verdient het jolletje zoveel aandacht en weet die aandacht bovendien zo lang vast te houden?

Vooral grote en indrukwekkende schepen gaan de geschiedenis in als legendes die generaties van liefhebbers van die schepen blijven boeien. Maar het blijven wel uitzonderingen. Veruit de meeste schepen verdwijnen anoniem. Ze worden verkocht, verwaarloosd en vergeten. Sommige vergaan en worden om die reden legendarisch, maar ook dan gaat het om uitzonderingen. Hoe kleiner het schip, hoe onzichtbaarder, zo lijkt het. Vooral kleine werkschepen worden uiteraard gebruikt, want daar zijn ze voor gemaakt, en verdwijnen na enige tijd vrijwel ongemerkt. Wie maakt zich nu druk over die oude roeiboot, dat schouwtje, die praam, sloep, jol of vlet? Het is daarom bijzonder, dat over de vissersjolletjes uit Stavoren al meer dan 150 jaren verhalen de ronde doen alsof de wat afwijkende vorm van het scheepje en de vermeende zeewaardigheid en kwaliteiten van die jolletjes een reden zijn om van deze werkscheepjes iets bijzonders te maken.

Quasi-deskundige speculaties

Opvallend is dat bij dergelijke quasi-geleerde hypothesevorming de mening van de Staverse vissers helemaal niet serieus werd genomen. Die vissers hoorden in het midden van de 20e eeuw de verhalen van de deskundigen aan en lachten maar wat. Wat moesten zij als eenvoudige, ongeschoolde vissers zeggen tegen deze geleerde heren? De vissers baseerden hun mening niet op studeerkameronderzoek, maar gingen uit van hun herinnering en van de overlevering. Zij beweerden dat het model van de vissersjol uit Stavoren bedacht was door Staverse vissers en dat de jol voor het eerst gebouwd werd rond 1880 op de werf van Douwe Roosjen, in Stavoren, direct binnen de zeesluis. Dat is natuurlijk veel minder interessant dan de hypotheses van de deskundigen. Vissers die een scheepsmodel bedenken en laten bouwen bij een werf die niet meer bestaat….

In 1962 verscheen een standaardwerk over "Ronde en Platbodemjachten" onder redactie van T. Huitema waarin natuurlijk ook aandacht is voor de oorsprong van de Staverse jol. Huitema volgt niet de fantastische speculaties over middeleeuwse wortels of buitenlandse invloeden. Hij baseert zich in dit boek wel op de mening van plaatselijke vissers en stelt dat sloepen die bij Vollenhove voor de visserij werden gebruikt, als voorbeeld hebben gediend voor Staverse vissers om voor de visserij een stevige sloep te laten bouwen bij de plaatselijke scheepswerf van Strikwerda. Een sloep die geheel glad was, zonder uitsteeksels waar de netten achter zouden kunnen haken. Die benadering van Huitema is heel wat realistischer dan de speculaties van de historici, alleen ontbreekt het bij Huitema aan een feitelijke onderbouwing. Als hij de geschiedenis van de scheepswerf binnen de sluis in Stavoren had onderzocht, was hij tot net iets andere conclusie gekomen dan hij nu bereikte met een onderzoekje op grond van ‘oral history’. Voor een goed onderzoek kan je je niet beperken tot praten met oude mensen die misschien nog iets weten over zaken uit hun jeugd. Voor goed onderzoek naar de geschiedenis van de scheepswerf moet je in dit geval het gemeentelijk archief van Stavoren raadplegen. Dat deed Jan Visser uit Stavoren van wiens bevindingen ik hier gebruik heb gemaakt.

Wonderbaarlijke vaareigenschappen?

De jollen van de Staverse vissers waren scheepjes van gemiddeld ruim 6 meter lang. De kleinsten 5.20 meter, de grootsten zo’n 7.20 meter. Sommige waren geheel open, andere half gedekt met een voordek en een open kuip voor de netten. Er waren vissers die het voordek als luik lieten maken dat voor scharnierde en vanaf de mast omhoog gezet kon worden. De zijkanten waren flexibel met zeildoek dicht gemaakt. Zo konden ze voor de mast een hoge, beschutte en waterdichte ruimte creëren als ze het voordek omhoog zetten. De benaming ‘blaasbalg’ of ‘tent’ dankt die constructie aan de zeildoeken zijkanten die in- en uitvouwden. Met deze kleine scheepjes werd door hen gevist op de Zuiderzee. Aanvankelijk werden ze gebruikt als fuikenjollen en waren ze geheel open. Ze werden gebruikt langs de Zuiderzeedijk van Molkwerum naar Stavoren tot aan het Rode klif en bleven dus dicht bij de haven. Alleen in de herfst werd er zo met fuiken op paling gevist. Pas nadat de Lemster handelaren Poppe de Rook en Jan Pen rond 1880 met hun staande want op de markt kwamen dat geschikt was om op de ondiepe Zuiderzee haring en ansjovis te vangen, werd het ook voor de Staverse vissers mogelijk met hun jolletjes deze vissen te vangen. Het zou echter nog bijna twintig jaar duren voordat dit ook gebeurde. Het vissersgilde in Stavoren was behoudend en tevreden met hoe het ging. Voor de gildeleden hoefde er niets te veranderen. In Lemmer ontwikkelde de visserij met staand want zich vanaf 1880 wel snel dankzij ondernemende handelaren als Poppe de Rook, Jan Pen en Johannes Sterk die werkloze veenarbeiders de mogelijkheid gaven met deze nieuwe vistechniek een goede boterham te verdienen. In Stavoren bleef alles bij het oude tot 1890. Pas in dat jaar vestigden zich ook in Stavoren nieuwe vissers naast de twaalf vissers van het vissersgilde die er al van oudsher waren. Vervolgens groeide ook in Stavoren de vissersvloot ieder jaar.

Daarbij blijft het opmerkelijk, dat de vissersjol uit Stavoren, dit kleinste volwaardige vissersscheepje van de Zuiderzee, zich op dat water kon handhaven tussen de grote botters en aken. Willem Jans Dijk, de schoolmeester/tekenaar uit Makkum, heeft in de twintiger en dertiger jaren diverse vissersjollen getekend in Laaksum, Stavoren en Kornwerderzand. Hij schrijft dat ze uitvoeren onder alle weersomstandigheden. ‘Ze laveerden (in Stavoren, DH) zonder moeite de haven uit, wat de botters zelfs niet altijd gelukte. (…) Meer dan eens zijn ze met vliegend weer uitgevaren naar in nood verkerende tjalken. Ze haalden de bemanning eraf als dit nodig was of gingen aan boord wanneer het schip nog niet op de waardgronden zat, om de schipper te helpen zijn tjalk te Stavoren binnen te brengen’. Van dergelijke reddingen zijn in de Leeuwarder Courant veel verslagen te vinden. De reddingen werden verricht door jonge vissers zonder gezin, want het werk was niet zonder risico. Het leverde natuurlijk wel wat op. Het was niet alleen hulp uit liefdadigheid. Ook hebben deze reddingen bijgedragen aan het beeld van de Staverse jol als een buitengewoon zeewaardig scheepje dat de zwaarste stormen op de Zuiderzee kon trotseren. En dat blijft opmerkelijk. Nog steeds zijn er kenners die beweren dat een jol met een ongestaagde mast niet kan omslaan, want in een windvlaag buigt de mast mee en zorgt voor zoveel twist in het zeil, dat de wind er geen vat meer op zou hebben. Toen vanaf de dertiger jaren veel jollen van de visserij overgingen naar de recreatie, bleken deze scheepjes op het nieuwe IJsselmeer wel degelijk in de problemen te kunnen komen. Daar werd vervolgens met enige verbazing in de krant over geschreven. Hoe kan dat, de jol is toch zeewaardig? Die oude jollen van de plezierzeilers verkeerden echter niet meer in heel goede conditie en bovendien werd vergeten dat het varen met harde wind op ruim water niet alleen een redelijk zeewaardig schip vereist, maar vooral een zeewaardige bemanning. Dat laatste kon niet van alle plezierschippers gezegd worden.

De vissers die met hun jol bij stormweer de Zuiderzee opgingen, hadden natuurlijk te maken met het feit dat een jol door z’n volle kop in de golven flink wat buiswater overneemt. Dat water moet weer uit het schip, want anders red je het niet. In de jol had de jongste knecht daarom de taak permanent water uit het schip te hozen. Uit een hoosstrook direct achter de mast, met een hoosvat aan een lange steel. Water zoekt in een zeilschip immers steeds de verkeerde plek op en zal uiteindelijk een zeilend schip doen omslaan. Voortdurend hozen was vroeger essentieel om overeind te blijven. Jollen zeilen bovendien niet erg hoog aan de wind, zeker niet op ruw water met harde wind. Een kenmerk van een zeewaardig schip is, dat het bij harde wind vrij kan varen van de lage wal. Welnu, dat kan niet met een Staverse jol. Dat roept dus nog meer respect op voor de jongens die met deze scheepjes de reddingen op de Zuiderzee verrichtten.

Merkwaardig is, dat de naar binnen vallende boorden van de vissersjol in verband zijn gebracht met de zeewaardigheid van het scheepje. Die naar binnen gebogen boorden zijn namelijk niets bijzonders, want vrijwel alle platbodems hebben die. Bij de meeste platbodems valt het boeisel naar binnen. Denk het berghout weg en je ziet de vorm van de Staverse jol. Die vormgeving brengt met zich mee, dat de grootste breedte van het schip net even boven de waterlijn valt. Onder zeil helt het schip en schuift het steunpunt ver naar de lijzijde. Reeds bij weinig helling ligt een platbodem daarom vast op het water. Tegelijkertijd stroomt het buitenwater niet gemakkelijk over de boorden, want het naar binnen vallend boord staat onder helling mooi verticaal op het wateroppervlak. Deze schepen liggen onder een kleine hellingshoek stabiel in het water en zijn niet gebouwd om heel scheef te gaan. Zeker de Staverse jollen niet, want bij veel helling verdwijnt de ondiepe kiel achter de kim en heeft de kiel geen grip meer in vast water, zodat de jol zal verlijeren.

De Staverse jol

Scheepswerf binnen de zeesluis van Stavoren

Voor de Franse tijd waren er in Stavoren net als in andere Zuiderzeehavens meerdere scheepswerven. Tijdens de Franse bezetting verarmde het land ernstig en gingen veel van die werven failliet. Pas halverwege de 19e eeuw kon de scheepsbouw zich weer wat herstellen. Diverse scheepstypen van de Zuiderzeevisserij zijn ontstaan tijdens die herstelperiode in de tweede helft van de 19e eeuw. Alleen de botter en de schokker zijn van oudere datum. Na 1815 was er in Stavoren geen enkel werf meer. Pas in 1846 werd er één opgericht op een veldje direct binnen de zeesluis. Anne Harings Veldstra liet daar een werf bouwen van het krediet van 6000 gulden dat hij daar voor kreeg van Jhr. Gerard van Swinderen uit Rijs, de burgemeester van Gaasterland. Als onderpand moest Veldstra onroerende goederen inbrengen die hij als bruidschat had verworven door zijn huwelijk met Barber Arends Posthuma uit Stavoren. Helaas ging de nieuwe werfbaas Veldstra tien jaren later failliet. De zoon van de kredietverstrekker, Jhr. Jan van Swinderen, kocht de failliete werf voor 4000 gulden, waarmee Veldstra zijn schulden kon afbetalen en diens vader Jhr. Gerard van Swinderen nam het onderpand dat Veldstra hem had gegeven in bezit. Jhr. Jan van Swinderen, die later als burgemeester van Gaasterland bekend zal worden als ‘weldoener’, als ‘de god van Gaasterland’, was vanaf dat moment eigenaar van de werf en hij nam ook het recht op erfpacht over dat Veldstra had bij gemeente Stavoren. Jan Hartmans Wijbrands uit Hindeloopen werd de nieuwe werfbaas, maar die ging vier jaar later alweer failliet.

Douwe Roosjen heeft aan het einde van de 19e eeuw veel jollen op de werf gebouwd

Zijn opvolger werd Douwe Roosjen (1820 – 1906) uit Hindeloopen. Die werkte als scheepstimmerman op de sloepenwerf van Douwe Wijbrands in Hindeloopen (geen familie van Jan Wijbrands). Als knecht nam Roosjen zijn collega Gerben Strikwerda mee van de werf uit Hindeloopen.

Stavoren, 1911. De jol ST13 (huidige ST48) voor de wal van de scheepswerf.
Stavoren, 1902. De oude werf van Roosjen. Onder de nieuwe werf van na 1906

Wat voor schepen werfbaas Roosjen in Stavoren gebouwd heeft, is niet bekend. Natuurlijk was er in die tijd veel onderhoud aan de houten vrachtschepen, waar werven in die tijd flink wat werk aan hadden. Het was zeker niet zo, dat Roosjen vanaf het begin naam maakte met de bouw van vissersjollen. In het begin van de jaren zestig van de 19e eeuw werd voor het eerst in de Leeuwarder Courant melding gemaakt van een paar ‘vissersjollen uit Stavoren’ en het is natuurlijk aannemelijk dat die bij Roosjen waren gebouwd. De twaalf leden van het Stavers vissersgilde visten in de Franse tijd volgens de jaarlijkse rapportage van de Prefect aan het centrale gezag nog met ‘schuitjes’ op paling. Alleen in de maanden mei, september en oktober. De visserij in Stavoren was dus seizoensvisserij. Omstreeks 1860 werd voor het eerst genoemd dat de vissers ook ‘jollen’ gebruikten voor deze aalvangst. Meer dan twintig jaren later, in 1883, waren in Stavoren 11 jollen, één blazer en twee kleine boten geregistreerd voor de visserij. Nog steeds voor die twaalf leden van het vissersgilde. Die blazer diende als bunschip om de gevangen aal in te bewaren, waarna de paling werd opgehaald met een ‘ielbûs’ van de vishandelaar in Heeg. Pas na 1888 zou het aantal jollen in Stavoren toenemen. In 1890 waren er in Stavoren 18 jollen. In 1895 waren er 27 jollen geregistreerd en in 1900 zelfs zeventig. Daarna zou de Staverse vissersvloot nog ietsje groeien totdat in 1903 de periode kwam van slechte vangsten door overbevissing van de Zuiderzee. Die inzinking duurde van 1903 tot 1913 en daarna kwam de Eerste Wereldoorlog waardoor de internationale handel met ansjovis en aal wegviel. In 1905 was de vloot uit het jaar 1902 van 74 jollen, 2 tjalken, 1 open bootje, 1 vlet, 1 sloep en 1 botter alweer gekrompen naar 55 jollen, 1 sloep en 1 botter. Het waren vooral de gelegenheidsvissers die in die slechte periode direct stopten. Zij waren alleen dan visser als er goede vangsten waren. Dat tot ergernis van de vissers die ook visser bleven in mindere tijden.

Douwe Roosjen heeft in Stavoren dus vooral aan het einde van de 19e eeuw veel jollen gebouwd, maar toen was hij al dertig jaren werfbaas. Aanvankelijk kon hij zeker niet leven van die paar jollen die hij tussen 1860 en 1880 maakte voor de leden van het Stavers vissersgilde. De bouw van vissersjollen nam pas een vlucht toen de werfbaas de leeftijd van zeventig jaren had bereikt. In het jaar 1903, toen de crisis uitbrak bij de Zuiderzeevisserij, vloog bij Roosjen de timmerschuur in brand. Die werd in 1904 echter weer snel opgebouwd, zelfs mooier dan die was.

De eigenaar van de werf was in die tijd Pieter Heinsius, de schoonzoon van Douwe Roosjen. Die had het bedrijf in 1897 gekocht van Jhr. Mr. Jan H.F.K. van Swinderen die in die jaren financieel in de problemen was geraakt. In het jaar 1900 overleed Gerben Strikwerda, de scheepstimmerman die in 1860 met Douwe Roosjen mee was gegaan van Hindeloopen naar Stavoren.

Het jaar 1906 werd een rampjaar voor de werf van Roosjen. De oude werfbaas overleed dat jaar op 86 jarige leeftijd ‘na een smartelijk lijden’ en onverwacht overleed in december van dat jaar ook Pieter Heinsius, de echtgenoot van Jaai Roosjen en eigenaar van de werf. Vervolgens bleek, dat Pieter Heinsius als eigenaar van de werf grote schulden had gemaakt die niet betaald konden worden, zodat de werf failliet werd verklaard. Jaai Roosjen draaide op voor de schulden. De openbare verkoop van de werf vond plaats in maart 1907. Ids Strikwerda, de zoon van Gerben, was de enige gegadigde. Ids Strikwerda werkte al langere tijd regelmatig als timmerman op de werf bij Roosjen, maar had tevens een eigen werfje op de Stadsfenne, helemaal aan de zuidkant van Stavoren. Daar heeft Ids Strikwerda diverse jollen gerepareerd en ook enige nieuw gebouwd. Hij kocht in 1907 bij de openbare verkoping de werf binnen de zeesluis voor 2599 gulden. Hij was de enige bieder. Een jaar later verkocht hij zijn werfje op de Stadsfenne aan Arie Peereboom uit Wieringen, die de timmerschuur aan het water ging gebruiken voor de opslag van ‘zeegras’.

Ids Strikwerda koopt de werf in 1907

Ids Strikwerda hield de werf binnen de sluis tien jaren. Het waren geen gemakkelijke tijden. De Zuiderzeevisserij verkeerde in een crisis. In die tien jaren bouwde Strikwerda slechts twee vissersjollen. In het jaar 1913, vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Wel was hij succesvol met de nieuwbouw van ‘Staverse sloepen’ als reddingssloep op schepen van de KNSM, dus voor de ‘grote vaart’. Om gezondheidsredenen zette hij de werf in december 1917 te koop. In het voorjaar van 1918 kocht Auke van der Werff uit Warga de voormalige jollenwerf voor 4000 gulden om er een scheepswerf voor ‘ijzeren scheepsbouw’ te beginnen. Een jaar later overleed Ids Strikwerda op 59 jarige leeftijd.

Ids Strikwerda

De naam ‘Strikwerda’ is een halve eeuw later door oud-vissers in Stavoren veel genoemd als belangstellenden informeerden naar de geschiedenis van de Staverse jol. Hij was tenslotte de werfbaas die deze vissers zich nog konden herinneren. Zijn werkelijke betekenis voor de jollenbouw is echter betrekkelijk gering geweest. Vanaf het einde van de 19e eeuw waren er wel andere werven die het model van de vissersjol uit Stavoren gingen bouwen. Natuurlijk de gebroeders Wildschut van scheepswerf De Vlijt uit Gaastmeer, die in 1896 als zelfstandige werf startten en niet alleen in scheepvaartkringen bekend werden met de bouw van ijzeren vrachtschepen, maar ook bij vissers met hun houten (en enige ijzeren) vissersjollen. Ook aan de Hollandse kust werden vanaf die tijd vissersjollen gebouwd en op het eiland Urk. Opmerkelijk is, dat de vissers in Lemmer geen belangstelling hadden voor jollen. In Lemmer is slechts één jol geregistreerd geweest: de ijzeren LE120 van Andries K. Poepjes, die de jol in 1942 had gekocht van de visser F. Post van Urk. Een grote, ijzeren jol uit Gaastmeer. Met dit schip vertrok Poepjes in 1949 naar Makkum, waar de jol geregistreerd werd als WON 17. Het schip was verlengd tot 11 meter. Pas in de zestiger jaren kwam het te koop voor de recreatie.


Fuikenjollen voor het Stavers vissersgilde

Op grond van de verhalen over de succesvolle vissersjol uit Stavoren zou je denken dat heel Stavoren in het verleden actief was met de visserij, maar dat is dus een misverstand. Pas aan het einde van de 19e eeuw werd de visserij voor Stavoren een economische activiteit van enige betekenis. Tot die tijd werd er vanuit dit voormalige handelsstadje nauwelijks gevist. In Stavoren visten de twaalf leden van het Stavers Vissersgilde drie maanden per jaar op paling. Vlakbij de haven, direct langs de dijk. Bijzonder is, dat deze vissers nog steeds in gildeverband hun bedrijf uitoefenden en dat honderd jaar later, in de 20e eeuw, het Stavers Vissersgilde nog steeds bestond. Gilden waren belangenorganisaties voor bepaalde beroepsgroepen. Ze werden vooral opgericht in de middeleeuwen en zorgden niet alleen voor een bepaalde kwaliteit van het werk van hun leden, maar beschermden hun leden ook tegen concurrenten. Gildeleden zorgden daarnaast goed voor elkaars gezinnen als er privé moeilijkheden waren, bijvoorbeeld door ziekte of overlijden. Een neveneffect was, dat de gilden gesloten verenigingen werden die innovaties afremden. Als belangenorganisaties waren zij conservatief van aard. Aan het einde van de 18e eeuw was het met de meeste gilden daarom gedaan, vanwege de opkomst van de industrialisatie en de liberale markteconomie in de 19e eeuw. In Stavoren bleef het onbeduidende vissersgilde echter gewoon bestaan. In 1812 bestond dat uit 12 palingvissers en in 1930 was dat nog zo. Het lidmaatschap ging over van vader op zoon.

Het gilde bleef in Stavoren functioneren door de wijze waarop de vissers hun werk deden. De visserij op de Zuiderzee was voor iedereen vrij, maar de zee begon formeel pas op zes meter buiten de dijk. De strook water vlak langs de dijk was van de waterschappen die verantwoordelijk waren voor de dijken. Nu trok de aal in het voorjaar de Zuiderzee in en in de herfst er weer uit langs de zeedijk, dus juist door die strook van zes meter waar je niet mocht vissen. De vissers hadden een vergunning van de waterschappen nodig om met hun fuiken ook die strook langs de dijk af te mogen sluiten. Die vergunning kon inderdaad gekocht worden. Dat deden de vissers niet zelf, dat deed de vishandelaar Lankhorst uit Heeg voor hun. Die pachtte het viswater en stelde het vervolgens gratis ter beschikking aan de Staverse palingvissers. Die werden wel verplicht hun vangsten bij hem in te leveren en hij betaalde hun een vaste prijs. Het vissersgilde deelde de visstrook langs de dijk in twaalf gelijke secties en markeerde deze met nummers op de keien van de dijk. De leden van het gilde gingen ieder jaar loten wie in welk perk mocht vissen, zodat er geen onderlinge jaloezie ontstond, want hoewel de ene stek aantrekkelijker was dan de andere, had je ieder jaar opnieuw de kans een aantrekkelijk perk te loten. Het gilde zorgde zo weliswaar niet voor optimale winst, maar wel voor zekerheid en rust voor haar leden.

Toen in 1932 de Zuiderzee werd afgesloten, ontstond er een nieuwe situatie. Het getij was weg. De aal was gewend te leven langs de dijk waar het water door de eb- en vloedstroom voortdurend tussen de grote keien in beweging was. Na de afsluiting was dat plotseling afgelopen. Het voortdurend stromende water was tot stilstand gekomen. De aal had om te fourageren geen reden meer zich vlak langs de dijk op te houden om aan voedsel te komen en vervolgens had het voor de vissers geen zin meer de traditie van het gilde voort te zetten, want er zat geen aal meer vlak langs de dijk. In 1933 werd het gilde daarom opgeheven. In het snel zoeter wordende IJsselmeer hebben de vissers die zich in 1932 als binnenvisser lieten registreren, nog wel jaren lang heel veel ‘IJsselmeerpaling’ gevangen. Echter niet zo zeer met fuiken langs de dijk, maar vooral met soms wel kilometers lang ‘hoekwant’. Met lange lijnen voorzien van zijlijntjes met haken (‘hoeken’) die voorzien werden van aas. Dat staand want werd vanaf een schip uitgezet in het IJsselmeer. De vissers van het Stavers Vissersgilde waren dat niet gewend. Zij waren fuikenvissers en hun jollen waren bedoeld als fuikenjollen. De veranderingen in de visserij waren door het gilde van twaalf seizoensvissers natuurlijk niet tegen te houden. Ook deze gildevissers moesten vernieuwen.

Al rond het jaar 1900 kende Stavoren veel meer dan de twaalf gildevissers die in de 19e eeuw actief waren. Bij de gemeente Stavoren waren op dat moment meer dan zeventig vissers geregistreerd. Die groei was het gevolg van een nieuwe manier van vissen. Dankzij de Lemmerse uitvinding van licht, staand want voor ondiep water konden vissers ook met kleine boten met succes op haring en ansjovis vissen. Tot dusverre was het vangen van haring en ansjovis voorbehouden aan onder meer de Volendammers en de Urkers die met hun botters deze vis vingen met gaand want. In de zuidelijke ‘Kom’ trokken zij met hun grote schepen een kuilnet door de zee. Deze vissers hadden er moeite mee te accepteren dat er vanaf 1880 vele nieuwe vissers op de Zuiderzee verschenen die langs de Friese kust met staande netten de haring en ansjovis vingen voordat die de Kom in zwom. Voor die nieuwe visserij met staand want waren Staverse jollen heel goed te gebruiken. Terwijl op de werf van Douwe Roosjen aanvankelijk tussen 1860 en 1880 slechts tien jollen zijn gebouwd voor de leden van het gilde, groeide de vraag naar jollen sterk in de jaren daarna, zodat de bouw van vissersjollen een belangrijke activiteit werd voor de scheepswerf van Roosjen. De vissersjol uit Stavoren bleek heel geschikt te zijn voor het vissen met staand want. Die netten waren relatief duur en kwetsbaar. De vissers vonden het belangrijk dat de netten bij een geheel gladboordig scheepje gemakkelijk en zonder veel risico langs de zijden van het schip uitgezet en later naar binnen gehaald konden worden zonder dat ze ergens achter haakten.

Veel later, toen de vissersjol al in onbruik was geraakt bij de vissers, werd door belangstellende watersporters op grond van gesprekken met oud-vissers (‘oral history’) gesuggereerd dat de jol met zijn naar binnen vallende gladde boorden speciaal ontworpen was om te kunnen vissen met het staande want. Dat is echter een misverstand. De jol was primair een fuikenjol voor de aalvangst. Pas later bleek het scheepje ook heel geschikt te zijn om er haring en ansjovis mee te vangen. Zo’n vergissing is kenmerkend voor de methode van ‘oral history’, waarbij de onderzoeker spreekt met ‘kenners’, in dit geval voormalige Zuiderzeevissers uit Stavoren, die echter met alle respect niet meer kunnen weten dan ze zich nog kunnen herinneren. Het geheugen is bovendien een weinig betrouwbare bron.


Romantiek dankzij Fred Thomas

Vele eigenaren en liefhebbers van de Staverse jol kennen het boek ‘Wijkend Water’ van de Amsterdamse romancier en journalist Fred Thomas. Die had als Amsterdamse jongen vlak na de Eerste Wereldoorlog een oude, geteerde vissersjol gekocht, de voormalige HL37 uit Laaksum die bij de Westeinderplas te koop lag. Hij knapte het schip wat op en legde de jol aan de remming van de Oranjesluizen aan het Buiten-IJ, zodat hij in de twintiger jaren eenvoudig kon uitvaren over de Zuiderzee.

In de beeldvorming over de Staverse jol speelt ook het uiterlijk van het voormalige werkscheepje een rol. De vissersjollen van weleer zagen er stoer uit. Geteerde scheepjes die in de loop van het jaar uitgebleekt grauw waren van het zoute water. Scheepjes zonder versiering, zonder luxe fratsen, maar met een sfeer van boerse functionaliteit en onverzettelijkheid. De eerste die dit op pakkende wijze beschreef was de romancier/journalist Fred Thomas uit Amsterdam. Jollen werden door de vissers onderhouden met bruine, Stockholmer teer, ‘Zweedse teer’, wat een bijzonder goed en tevens goedkoop middel is om houten schepen te beschermen tegen houtrot. Een nadeel van dit product is, dat deze teer bij warm weer zachter wordt en wat kan afgeven. Bruine teer is een heel ander product dan de in de 20e eeuw bekend geworden ‘koolteer’. Koolteer werd vooral op ijzeren schepen gebruikt. Het is een product dat vrijkomt bij de productie van ‘stadsgas’ dat gewonnen werd uit steenkool. Koolteer vormt een harde, waterdichte laag op het behandelde oppervlak, terwijl bruine teer in het hout trekt. Koolteer is kankerverwekkend en is daarom al decennia lang verboden om te gebruiken. Bruine teer is nog steeds verkrijgbaar, want het is niet giftig. Deze teer wordt gemaakt door hout te verhitten zonder dat het brandt. Het hout valt uiteen in houtskool en gas. Dat laatste wordt opgevangen en afgekoeld waarbij het condenseert tot een kleverige, bruine teer. Deze teer is niet kankerverwekkend en mag daarom nog steeds gebruikt en verhandeld worden. Op houten jollen wordt deze teer nog slechts sporadisch gebruikt. Niet omdat het product niet goed zou zijn, in tegendeel, maar omdat moderne zeilers vooral in mooi gelakte jachten willen varen en niet in een geteerd werkscheepje. Dat laatste gold niet voor Fred Thomas. Die genoot juist van het uiterlijke van een geteerd houten schip. Als enig nadeel ervoer hij, dat hij er niet in slaagde meisjes te verleiden om met hem in de jol uit zeilen te gaan. De meisjes gaven de voorkeur aan de gladgelakte jachtjes. Voor hen was die jol van de jonge journalist Thomas geen schip om met je mooie witte jurkje aan in te spelevaren. Daar was Thomas natuurlijk ook niet op uit. Hij zeilde niet op de plas, maar op de Zuiderzee. En ja, ‘al hebben wij dan tot op heden nog geen onzer vrouwelijke kennissen kunnen bewegen om met ons voor een spelevaart in dit nederig schuitwerk plaats te nemen, toch is ons ’t bootje lief geworden, na al die kostelijke belevenissen, avonturen en …. gevaren.’ (Thomas, 1930, p. 1,2) Fred Thomas had een halve eeuw later andere ervaringen gehad. Toen waren er wel meisjes die met de spijkerbroek aan oude werkschepen opknapten en er daarna net zo ‘vies’ uitzagen als hun vrienden.


Populariteit dankzij Jaap Gipon

In 1956 verscheen het standaardwerk ‘De Zeilsport’ van H.C.A. van Kampen in een zesde herziene en vermeerderde druk, bewerkt door Ir. J. Loeff. In die uitgave verscheen voor het eerst ‘een voorbeeld van een Staverse jol’ die getekend was door Jaap K. Gipon. Een robuust, stoer, eikenhouten scheepje van zes meter lengte, dat bij veel lezers enthousiaste reacties opriep. Het ontwerp was geen vissersjol, maar een jachtjol met een roefje, zoals overigens in die tijd voor een jacht vanzelfsprekend werd gevonden. Dat enthousiasme wil niet zeggen, dat er plotseling nieuwe jachtjollen werden gebouwd. Zeker niet in eikenhout, dat was in die jaren vrijwel niet mogelijk. Maar de belangstelling was gewekt. In de zestiger jaren tekende Gipon Staverse jollen in staal die vooral bij Kooijman en De Vries werden gebouwd. Gipon zeilde zelf in een oude Wildschutjol. Zijn ontwerpen van jollen hebben alle de kenmerken van de jollen uit Gaastmeer en niet van de jollen uit Stavoren. Dankzij het werk van Gipon ontstond er een herwaardering voor de vissersjol uit Stavoren, want de oude, houten jollen die tot die tijd als jachtjol gebruikt werden, waren niet meer in zo goede conditie. Ook vielen de zeileigenschappen van die tot jacht omgebouwde vissersjollen nogal tegen. Traag, want ondertuigd en te zwaar. Bovendien waren deze jollen door te verbouwingen te weinig stabiel. Gipon tekende zijn stalen kajuitjollen daarom breder dan de oorspronkelijke vissersjollen, om de stabiliteit wat te verbeteren.


De Staverse jol ST48 in beeld

Kortenhoef, 1972. De ST48 wordt opgeknapt. Duidelijk zichtbaar is de aangepaste kiel
Workum, 2013. De ST48 wordt gerestaureerd door Harold de Lange
Workum, 2013. De ST48 glijdt na de restauratie weer te water
Workum, 2019. Jonge vissers oefenen met de ST48
De ST48 tijdens visserijdagen van visserijvereniging Workum
Workum, 2019. De viering van het 125 jarig bestaan van de Staverse jol ST48